GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

38. Korinthe 16:13-24

29-01-2015 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van studieavond gehouden op 29 januari 2015 in Bodegraven

Deze avond vond een bespreking plaats van het onderstaande gedeelte uit 1Korinthe 16.

13 Blijft waakzaam, staat in het geloof, weest manlijk, weest sterk!
14 Laat alles bij u in liefde toegaan.
15 Nog een verzoek, broeders: gij weet van het huis van Stefanas, dat het een eersteling van Achaje is en dat zij zich ten dienste van de heiligen gesteld hebben.
16 Stelt u dan ook onder zulke mensen, en onder ieder, die medewerkt en arbeidt.
17 Ik verblijd mij over de komst van Stefanas, Fortunatus en Achaikus, want hetgeen van uw kant nog ontbrak, hebben dezen aangevuld;
18 want zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt. Erkent dan zulke mensen.
19 U groeten de gemeenten van Asia. Vele groeten in de Here van Aquila en Prisca en van de gemeente bij hen aan huis.
20 U groeten al de broeders. Groet elkander met de heilige kus.
21 Een eigenhandige groet van mij, Paulus.
22 Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt. Maranata!
23 De genade van de Here Jezus zij met u.
24 Mijn liefde is met u allen in Christus Jezus.

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

In deze afrondende Bijbelstudie van 1 Korinthe 16 roept Paulus de gelovigen op om waakzaam te blijven en vast te staan in het evangelie van genade. Hij benadrukt dat Gods onvoorwaardelijke liefde, agape, de drijfveer moet zijn in alles wat zij doen. Tevens wijst hij op het belang van organisch leiderschap en de erkenning van degenen die zich onbaatzuchtig ten dienste stellen. Tot slot volgt een strenge waarschuwing tegen het afwijken van de genadeboodschap, geïllustreerd door de diepe en dubbele betekenis van de woorden anathema en maranatha.

“De ekklesia was geen organisatie, het was een organisme.”

Terugblik op de Inzameling en Paulus' Reisplannen ↑ hoofdstukken

Goedenavond allemaal vrienden. Dit is, naar ik aanneem, de laatste avond over de Korinthebrieven. We hebben nog maar een heel klein aantal verzen te gaan, vanaf vers 13 van hoofdstuk 16 tot aan het einde van de brief, het 24e vers. Dat moet vanavond toch te doen zijn. Daarmee hebben we de bespreking van deze lange brief van zestien soms lange hoofdstukken afgerond. Er kwam heel veel aan de orde: al die vragen die de Korinthiërs hadden opgeworpen en de zaken die Paulus hen graag wilde vertellen. Het is een buitengewoon veelzijdige brief en het is heerlijk om dat zo met elkaar te overwegen, want je komt zo enorm veel kanten en aspecten van de waarheid tegen.

Inmiddels is het de 38ste avond en daarmee ook de laatste. Zoals ik zojuist al even aangaf, willen we de volgende keer – over drie weken dus – verdergaan met de bespreking van het Johannesevangelie. Dat telt 21 hoofdstukken die vaak nog langer zijn, maar toch is de bespreking daarvan weer wat anders doordat het een verhalend boek is. We zullen zien, maar in ieder geval heb ik er erg veel zin in om dat ook eens te gaan bespreken.

De vorige keer hebben we het eerste gedeelte van 1 Korinthe 16 besproken. De eerste drie verzen gingen erover dat Paulus aanwijzingen geeft voor de inzameling die hij beoogde te houden voor de arme heiligen te Jeruzalem. Het was een grootscheepse inzamelingsactie, die hij niet alleen in Korinthe maar ook in de gemeenten van Galatië en in Klein-Azië hield. Na verloop van tijd zouden ze al het geld en de gaven naar Jeruzalem brengen, en Paulus geeft daarover aanwijzingen.

Het is trouwens opmerkelijk – dat wilt ik er nog even bij gezegd hebben, want de vorige keer heb ik dat geloof ik niet opgemerkt – dat je in het algemeen in het Nieuwe Testament ziet dat er inzamelingen worden gehouden voor de behoeftigen, ‘de behoeften der heiligen’ zoals dat deftig heet. Je leest echter nooit dat er een inzameling gehouden wordt voor het werk van de Heer, bijvoorbeeld het werk dat Paulus of andere medewerkers fulltime deden. Weliswaar werden zij ook ondersteund bij gelegenheid, ook Paulus, maar dat was altijd een persoonlijke zaak. Hij werd persoonlijk ondersteund door die en gene, maar er wordt nooit een inzameling ten behoeve van dat werk gehouden. Dat was altijd gereserveerd voor de behoeftigen.

In vers 4 lees je dat Paulus aangeeft dat hij bereid is om eventueel zelf ook af te reizen naar Jeruzalem, en we weten dat hij dat uiteindelijk ook gedaan heeft. In de navolgende verzen, vers 5, 6 en 7, spreekt hij over zijn voornemen om voor langere tijd naar Korinthe toe te gaan, daar te blijven en mogelijk daar ook de winter door te brengen. In vers 7 en 8 spreekt hij uit dat hij in ieder geval nog tot Pinksteren – een Joods feest, het Wekenfeest – in Efeze wil blijven. Dat is omdat daar een grote en krachtige deur geopend is, zoals hij dat heeft geformuleerd. Er was enorm veel werk aan de winkel en hij voegde er nog aan toe dat er ook heel veel tegenstand was. Maar die twee gaan altijd hand in hand.

In vers 10 en 11 geeft hij de Korinthiërs nog instructies voor als Timotheüs bij hen zou komen. Hij stond op het punt daar te arriveren en ze moesten hem goed ontvangen en niet geringschatten vanwege zijn leeftijd. In het twaalfde vers, het laatste wat we de vorige keer hebben gezien, heeft hij het nog even over Apollos. Hij speelde een grote rol in de beginfase van deze ecclesia in Korinthe en hij zou de stad gaan bezoeken. Paulus had graag gewild dat hij dat al eerder had gedaan, maar daar is het tot dusver niet van gekomen. Apollos zou nog wel naar Korinthe gaan, maar niet eerder dan wanneer het hem uitkwam. Paulus is dan weliswaar een apostel, maar hij zegt niet: “Jullie moeten naar mij luisteren” of “Hij moet naar mij luisteren en dat doen.” Helemaal niet. Iedere dienstknecht is daarin zelf verantwoordelijk. Paulus voerde geen heerschappij over wiens geloof dan ook. Nou, en dan zijn wij inmiddels aangekomen bij het vervolg.

Waakzaam Zijn en Vaststaan in het Geloof ↑ hoofdstukken

Dus bij het dertiende vers, en ik stel voor dat we daar de bespreking ook oppakken. Dan begint hij met deze laatste mededelingen, losse opmerkingen die min of meer los lijken, want ze hangen toch ook wel weer samen. Dat zullen we vanzelf wel zien. “Blijft waakzaam.” Als u in de interlineaire kijkt, ziet u dat daar helemaal niet staat “blijft waakzaam”, maar: “waakt!”. Dat is eigenlijk ook helemaal niet zo ter zake, want als je één ding van de Korinthiërs kunt zeggen, is het dat ze juist niet al te waakzaam waren.

Deze woorden lees je wel vaker in de brieven van Paulus. Hij zegt bijvoorbeeld in 1 Thessalonica 5: “Laten wij ook niet slapen gelijk de anderen, maar wakker en nuchter zijn.” Waakzaamheid heeft alles te maken met alert zijn en ook nuchterheid; bij zinnen zijn. Als je daar trouwens even verder leest, dan lees je ook over hen die slapen, dat zij ’s nachts slapen, en zij die dronken zijn, zijn ’s nachts dronken. Nou, dan ben je dus ook niet meer nuchter en helder van geest. Het heeft dus te maken met alertheid en nuchterheid. 1 Petrus 5 zegt hetzelfde: “Weest nuchter en waakzaam.” Die combinatie. De tegenpartij, de diabolos, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.

In Kolossenzen 4 zegt Paulus: “Volhardt in het gebed, weest daarbij waakzaam in dankzegging.” Daar zie je dat volharden en waakzaam zijn: blijf alert en volhard daarin. Laat je gebeden niet verzanden in vragen, maar wees waakzaam in dankzegging. Door te danken en in het danken betoon je je alert en waakzaam. In Efeze 6 staat iets soortgelijks; daar wordt gesproken over een smeekbede, biddende bij elke gelegenheid in de geest, en daartoe ook wakende in alle volharding en smeekbede aangaande al de heiligen. Ook ten behoeve van mij, zegt hij dan, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde om vrijmoedig het geheim van het evangelie bekend te maken. Ook hier gaat het dus om waken en volharden, om waken en ook nuchterheid.

Waar dat hier in 1 Korinthe 16 mee te maken heeft, is niet zo moeilijk, want het staat er eigenlijk precies bij. Wees waakzaam, wakker, alert. Hoezo? Met het oog waarop dan? Nou, dat staat er pal achter: “Staat in het geloof.” Of zoals u in de interlineaire ziet: “Staat vast.” Staat vast in het geloof. Dat wil zeggen dat wat aan jullie is overgegeven, meegedeeld en verkondigd – en wat ik jullie heb verkondigd – blijft daarin staan.

We hebben dat in het voorgaande hoofdstuk ook gezien, in 1 Korinthe 15 over de opstanding. “Ik maak u bekend, broeders, het evangelie dat ik u verkondigd heb, dat gij ook ontvangen hebt, waarin gij ook staat, waardoor gij ook behouden wordt, indien gij het zo vasthoudt als ik u verkondigde.” Er staat dus heel veel op het spel. Hij begint het hoofdstuk met dat jullie ontvangen hebben en waarin jullie ook staan, en hij eindigt het hoofdstuk met: “Daarom, mijn geliefde broeders, wordt standvastig.” Wees standvastig, of liever: word standvaster. Jullie staan wel, maar laat je er niet van afbrengen. Laat je niet van de wijs brengen door hoeveel geruchten, geluiden, beweringen en filosofieën er ook de ronde mogen doen; blijf daarin staan. Dat is een oproep die je heel dikwijls ziet.

En dat is ook de basis, want als je staat in dat evangelie, kan de Heer overvloedig Zijn werk in en door ons doen. In Galaten 5 zien we dat Paulus ook zegt dat Christus ons heeft vrijgemaakt opdat we waarlijk vrij zouden zijn. Tot vrijheid dus. “Houdt dus stand.” Hier wordt het vertaald met “houdt stand”, maar er staat in het Grieks exact hetzelfde als wat we in 1 Korinthe 16 zien: “Staat vast.” Houd stand, dat wil zeggen: blijf daarin staan. Waarin moet je dan standhouden? Nou, in die vrijheid waarin Christus ons geplaatst heeft. In het geloof, en niet in werken. Geloof staat tegenover werken. Dat wat jullie is meegedeeld als blijde tijding, als een goed bericht: blijf daarin staan. Het geweldige is dat dit effect heeft in je leven. Die blijde tijding maakt ons blij en zorgt ervoor dat het vervolgens zijn weg weet te vinden.

Dus: waakt? Hoezo? Wel, staat in het geloof, staat vast in dat geloof. En dat tweede deel heeft daar ook weer alles mee te maken, want dat is namelijk het resultaat als je vaststaat in het geloof. Wacht even hoor, het eerste wat er gezegd wordt…

Mannelijk Zijn en Bekrachtigd Worden: de Medialis ↑ hoofdstukken

Gedraag je als man of wees mannelijk. Er staat trouwens een woord in het Grieks — en dat zeg ik met enige trots — want daar is mijn eigen voornaam ook van afgeleid. André betekent eigenlijk gewoon ‘mannelijk’. Ik weet nog heel goed dat destijds — misschien even tussendoor — er een nieuwe predikant bij ons in Aalsmeer kwam en die raakte nogal bevriend met mijn ouders. De eerste keer dat hij bij ons thuis was — en die man was nogal een expert op het gebied van de Bijbelse talen, Grieks en Latijn, maar ook Hebreeuws — stelde ik me voor. Ik was een ventje van een jaar of negen, tien, elf. Ik stelde me voor en zei: “Mijn naam is André.” Die man was wat verstrooid, keek me aan en zei: “André, André… Ah, dat komt van het Griekse Andreas.” Zoiets moet hij gezegd hebben. “En dat betekent sterk, mannelijk, dapper.” Nou, dat was niet tegen dovemansoren gezegd, want dat vond ik natuurlijk wel leuk om te horen. Maar dat was de eerste keer dat ik hoorde wat mijn naam dus betekent.

Dat is wat Paulus hier formuleert: mannelijk. En ja, wat is dat, mannelijk? Het is eigenlijk heel grappig hoe dat zichzelf soms ook uitlegt. Want als hij zegt “waakt”, wat betekent dat? Nou, dat betekent: staat in het geloof, wees alert, blijf staan in het geloof. En hier zie je: “wees mannelijk”. En wat betekent dat dan? Dat betekent: word krachtig gemaakt, wees sterk. Dit is het resultaat wanneer je alert bent en vaststaat in het geloof; dat wil zeggen in dat wat Paulus had verkondigd. Wel, het resultaat is dat je mannelijk wordt. Dat wil zeggen: sterk, dapper, oftewel: je wordt krachtig gemaakt.

Dit tekentje in de tekst is geen foutje op mijn toetsenbord, maar dat is een speciale werkwoordsvorm. Ik wil dat toch even gezegd hebben. Dat zeg ik niet om grammaticaal interessant te doen, maar het is wel boeiend. Men noemt dat in het Grieks de ‘medialis’. Kijk, je hebt een actieve werkwoordsvorm, wat betekent dat je iets doet. Bijvoorbeeld: “ik praat”. Dan ben ik degene die praat. Maar je kunt ook iets ondergaan, de lijdende vorm. Ik geef eens een voorbeeld van een woord dat je ondergaat… “ik drink, ik word…” Nee, dat is een stom voorbeeld. “Je wordt gedronken.” Ja, ik zeg dat nu omdat ik een glas water in mijn handen heb. Zou dat het zijn, Arie? “Ik neem, ik word genomen.” U begrijpt het, dat is de lijdende vorm.

Maar je hebt in het Grieks nog een derde vorm en dat is wat er tussenin zit. Dat noemen ze de medialis. Die heeft een actief element en een passief element. Onze taal kent dat niet. Iets doe je zelf, of je ondergaat het, maar we hebben niet een werkwoordsvorm waarbij beide elementen aanwezig zijn. Het Grieks wel. En dit “wees sterk”, dat staat in de medialis. Dat wil zeggen: er zit een actief element in. Het actieve element is dat wij staan in het geloof. Het passieve element is dat je daardoor krachtig gemaakt wordt. Je ontvangt daardoor kracht. Je wordt bekrachtigd — dat is weer leidend — maar het is niet zo dat het helemaal buiten ons omgaat. Er zit dus een actief element in en een passief element. Die kracht ontvang je.

Hoe zit dat? Wel, dat heeft te maken met het feit dat je staat in het geloof. Dat maakt ons mannelijk en sterk en dapper, en het bekrachtigt ons. Ik wil daar in de toekomst nog eens wat meer over uitweiden, over die typische vorm, want het zegt heel dikwijls heel veel over wat er eigenlijk aan de hand is. Iets wat je doet, maar wat je ook ondergaat. Beide. Maar goed, ik heb er in dit verband alvast even op gewezen.

Agape: Gods Onvoorwaardelijke Liefde ↑ hoofdstukken

En dan voegt Paulus er in het veertiende vers nog aan toe: “Laat alles bij u in liefde toegaan.” En hier gebruikt hij dat bekende Griekse woord agape. We hebben daar destijds een heel hoofdstuk aan gewijd, 1 Korinthe 13, het beroemde hoofdstuk over de liefde. Het is ook niet zomaar dat het daar zo staat; in dat specifieke verband is het een lofzang op de liefde van God.

Want agape is niet zomaar ‘lief vinden’, dat is eigenlijk phileo. Daar heeft het Grieks ook een woord voor. Het Grieks is in zoveel opzichten rijker aan taal en woordkeus, maar ook in allerlei werkwoordsvormen. Maar goed, ik heb het nu dus over het woord zelf. Agape wil zeggen dat het liefde is van goddelijke aard. Het is liefde die ook onvoorwaardelijk is, zoals Gods liefde onvoorwaardelijk is. Gods liefde wordt niet meer als wij ons best doen en wordt niet minder als we niet ons best doen, of als we Hem bedriegen of wat dan ook doen. Gods liefde staat vast. Dat is agape.

Kijk, ‘lief vinden’ heeft altijd iets te maken met de sympathie en de affiniteit die je met iets of iemand hebt. Op het moment dat iemand in jouw ogen minder sympathiek of aardig is, dan wordt die affiniteit en dat houden van ook minder. Maar dat is bij agape niet zo. Je kunt de ander liefhebben zonder dat dit betekent dat je de eigenschappen van die ander ook waardeert; dat staat er namelijk los van.

Er is één soort liefde op aarde die daar heel dichtbij komt en dat is de liefde van een vader en een moeder voor hun kind. Die is namelijk ook onvoorwaardelijk. Je houdt gewoon van je kind. Waarom? Omdat het je kind is. Bij allerlei andere soorten liefde is het vaak afhankelijk van allerlei voorwaarden. Dat hoor je wel, Ina. Maar het is mooi als de apostel dat ook zo zegt: “Laat alles bij jullie in liefde toegaan.” Dat wil zeggen: laat alles gekenmerkt worden door die liefde van God, die ook onvoorwaardelijk is.

Als je God kent en je weet dat Hij die ander — en wie dan ook — liefheeft, gewoon onvoorwaardelijk en ook ongelimiteerd (wat wil zeggen dat er nooit een einde aan komt), dan is het ook niet moeilijk om, als je die liefde en Hem kent, die ander in diezelfde liefde lief te hebben. Het is ook prachtig als je dat elders in de brieven leest, waar Paulus aanwijzingen geeft over de gang van zaken in een huisgezin. Bijvoorbeeld tussen een man en een vrouw, of tussen de ouders en de kinderen, maar ook in allerlei andere verhoudingen. Daarbij gaat het ook niet om phileo, maar om deze liefde die onvoorwaardelijk is. Nou, laat alles bij jullie in liefde toegaan.

Het Huis van Stephanas en Organisch Leiderschap ↑ hoofdstukken

En nog een verzoek, broeders. Nou, eigenlijk staat er niet ‘nog een verzoek’, alsof hij al eens eerder een verzoek zou hebben gedaan. Misschien is dat wel zo, maar dat is niet wat hij hier zegt. Hij zegt: “Ik roep jullie echter op, broeders.” Het woord is ‘oproepen’ of ‘aanmoedigen’. Het wordt hier vertaald met ‘een verzoek’, maar elders wordt het bijvoorbeeld in de NBG of de Statenvertaling ook vertaald met ‘vermanen’. Maar dat is het allemaal niet; het is echt het oproepen en het aanmoedigen. “Ik roep jullie echter op, broeders.”

Dan zegt hij: “Jullie weten van het huis van Stefanas.” Die Stefanas waren we al een keer eerder tegengekomen, helemaal in het begin van de brief. In 1 Korinthe 1 vers 16 en 17 schreef Paulus over hem: “Ook heb ik nog het gezin,” of letterlijk staat er het huis, “van Stefanas gedoopt.” Een huis staat niet alleen voor het bouwwerk, maar gewoon ook voor de bewoners, dikwijls inclusief het personeel dat daar eventueel bij betrokken is. “Verder weet ik niet dat ik nog iemand gedoopt heb,” zegt Paulus. Dan legt hij ook uit waarom hij daar helemaal niet zo trots op is. Hij zegt: “Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen.” Waarom dan wel? “Om het evangelie te verkondigen; om te evangeliseren.”

Trouwens, hier zie je weer dat specifieke kenmerk waar ik toevallig deze week nogal wat over heb geschreven in correspondentie: dat ‘evangeliseren’ staat in de mediale vorm, de medialis. Dat heeft twee kanten. Natuurlijk was Paulus drukdoende en actief in het doorgeven van dat goede bericht, maar het was tegelijkertijd passief. Hij kon namelijk niet anders. Als je een goed bericht kent, en het is echt een goed bericht, dan móét je dat doorgeven. Waarom? Omdat het een goed bericht is! Het is moeilijk om dat voor je te houden. Daarom zie je dat woord ‘evangeliseren’, zoals het tientallen keren gebruikt wordt in het Nieuwe Testament, vrijwel altijd in die medialis-vorm staan. Dat wil zeggen dat Paulus, of wie dan ook, er weliswaar heel actief in is, maar hij kon ook niet anders. Hij was zelf gegrepen; in die zin was het ook passief.

Of zoals hij een hoofdstuk eerder zegt in 1 Korinthe 15, sprekend over zijn collega-apostelen: “Ik heb meer gearbeid dan zij allen.” Kijk, dat is het actieve. “Maar,” zegt hij, “niet ik, maar de genade Gods die met mij is.” Kijk, dat is het passieve. Dat wil zeggen dat het de Heer zelf is die dat in, door en aan mij verricht. En het mooie daarvan is dat Hij weliswaar Zijn werk door ons heen doet, maar aan Hem is alle eer. Wij zijn niets anders dan een instrument in Zijn handen. Als ik een hamer in mijn handen heb en ik sla een spijker in het hout, dan is dat niet de verdienste van die hamer. Dat is alleen maar een instrument; het is de verdienste van de timmerman die dat doet. Dat zijn allemaal van die gedachten die zich koppelen aan die speciale vorm.

Maar goed, even terug naar dat huis van Stefanas. Paulus zegt: “Ik roep jullie op, broeders. Jullie weten van het huis van Stefanas.” Hij vermeldt hem met ere en zegt dat het een eersteling is van Achaje. Ik herinner er nog even aan: Achaje is dat deel van Griekenland waar Korinthe in lag. Athene is er waarschijnlijk net geen onderdeel meer van, maar dit deel heet in elk geval Achaje. Paulus zegt dat dit huis van Stefanas een eerste vrucht is van de oogst. Er zijn nog vele andere gevolgd – de hele ekklesia daar in Korinthe is later gevolgd – maar de eersten die daar het geloof beaamden, dat was Stefanas met zijn huisgenoten.

Die uitdrukking “een eersteling van Achaje” doet denken aan wat we lezen in hoofdstuk 16 van de Romeinenbrief. Daar staat iets soortgelijks, maar dan gaat het over een eersteling uit Asia: “Groet mijn geliefde Epenetus, de eersteling voor Christus uit Asia.” Paulus ging overal naartoe en de boodschap droeg vrucht. Dat waren eerstelingen: in Achaje was dat Stefanas, in Asia was dat Epenetus.

Er wordt nog iets over het huis van Stefanas gezegd: zij waren eerstelingen van Achaje en Paulus zegt dat zij zich ten dienste van de heiligen gesteld hebben. “Ten dienste van”; in het Grieks staat hier het woord diakonia, wat letterlijk ‘dienst’ betekent. Er worden nog meer mensen genoemd, want twee verzen later komen we Stefanas weer tegen. Paulus spreekt over het huis van Stefanas als een eersteling van Achaje en dat zij zich ten dienste van de heiligen gesteld hebben. Dan worden niet alleen Stefanas genoemd, maar ook Fortunatus en Achaïkus. Waarschijnlijk waren dat dus ook huisgenoten van Stefanas; in ieder geval woonden zij ook daar in Korinthe.

Paulus voegt eraan toe: “Stelt u dan ook onder zulke mensen.” Onderschik je aan zulke mensen, dat is eigenlijk wat hij wil zeggen. Hij begint te spreken over het huis van Stefanas en herinnert de lezers eraan dat dit huis een eerste vrucht is van de oogst in Achaje, en ook dat zij zich ten dienste van de heiligen hebben gesteld. Maar nu komt zijn punt: onderschik je aan deze mensen, erken ze gewoon in dat wat zij doen. Dat is mooi, want wat deden zij? Ze waren ooit de eerste vrucht en vervolgens hebben zij zich ten dienste gesteld. Zij waren niet gecertificeerd, ze waren niet officieel aangesteld door Paulus of wie dan ook. Het ging ook niet om papieren.

Als je dit in de Korinthebrief leest, dan valt het zo op dat dit geen kerkelijke brief is. Totaal niet. Paulus had het evangelie verkondigd, het goede bericht, en dat had resultaat gehad. Er waren vruchten en er waren mensen die zich actief inzetten voor het werk. Dat heeft niets te maken met certificatie of met papieren. Zij waren niet gecertificeerd, maar zij waren gekwalificeerd. Waarin bleek dat? Gewoon in het werk dat ze deden; ze hadden zich ten dienste gesteld. Paulus zegt: herken zulke mensen ook en onderschik je daaraan; schik je daarin en ook daaronder.

In 1 Thessalonicenzen 5 zie je iets soortgelijks. Daar schrijft Paulus: “Wij verzoeken u, broeders, hen die onder jullie zich inspannen en die jullie leiden in de Heer en u attenderen…” In de NBG staat dan ’terechtwijzen’, maar dat is niet het juiste woord. Het betekent: “die jullie attent maken op” of “attenderen”. Het idee is dus niet dat zij jullie terechtwijzen, maar dat zij jullie attent maken op de rijkdommen van het Woord. Welnu, degenen die zich zo inspannen en die jullie leiden… we moeten eens kijken wat dat woord ‘leiden’ is. Letterlijk betekent het gewoon ‘vooraan staan’. Ze gaan gewoon voor. Dat is een mooi woord; ‘voorgaan’ betekent dat zij gaan en dat anderen hen daarin volgen. Dat is wat leiding gewoon is. Het is geen kwestie van gezag claimen in de zin van: “Jij moet naar mij luisteren.” Nee, zij gaan hun weg en dat blijkt een voorbeeld ter navolging te zijn.

Paulus zegt dus tegen die Thessalonicenzen: “Wij verzoeken jullie, broeders, om hen die zich onder jullie inspannen, die jullie leiding geven en vooropgaan in de Heer – dat wil zeggen in dat wat de Heer te melden heeft in Zijn Woord – en die jullie daarop attenderen, te erkennen en zeer hoog te schatten in liefde.” Waarom? Om hun werk.

Dus dat heeft niets te maken met officiële aanstellingen of met papieren of iets wat ze konden claimen. Maar zij waren medewerkers, zij bewezen zich in hun werk en wat Paulus zegt is: herken dat, dat wat ze doen. Nog even verder: stelt u zich ook onder zulke mensen en ieder die meewerkt? Ja, meewerkt, dat wil zeggen ten dienste van de heiligen, want daarover had hij het. En ook meewerken in het evangelie en het doorgeven en het verspreiden van het goede bericht. En ook arbeid. Meewerk en arbeid.

Dit woord ziet u in de interlineair. In de concordante weergave wordt het consequent vertaald met zwoegen. Dit woord wordt in de NBG-vertaling vertaald met arbeiden, zoals hier. Maar het wordt ook vertaald met ‘zich moeite getroosten’ of ‘zware arbeid verrichten’. En weet u, wat is er nou? Kijk, dat is het misleidende soms van Bijbelvertalingen: zo kom je er als lezer nooit achter wat de precieze betekenis van het woord is. En daarom heb ik ook hier altijd een interlineair om aan te geven: kijk, dit is het concordante woord. Dat wil zeggen, concordant betekent eensluidend; gewoon consequent wordt dit woord vertaald met zwoegen. Soms doet de NBG daar ook aan mee en geeft aan: ‘zich moeite getroosten’ of ‘zware arbeid verrichten’. Maar hier vertalen ze het weer gewoon met ‘arbeiden’. Dus als je echt wilt weten wat het dan is, ja, daarom is het zo waardevol als je zo’n interlineair hebt. Want dan zie je echt wat de precieze betekenis van dat woord is, die in de gewone vertaling dikwijls ontgaat. Het gaat hier dus echt over zich moeite getroosten. Zware arbeid, zwoegen dus. Dus daaruit blijkt ook wel dat Paulus het heeft over mensen die zich volledig inzetten en zwoegen. Ja, dat is het woord. Dat is wat ook wel duidelijk opvalt natuurlijk.

Ik verblijd mij, zegt hij dan nog in vers 17, over de komst van Stefanas. Nou, hij had zijn naam zojuist genoemd: die eersteling uit Achaje. En nu noemt hij ook nog twee andere namen erbij: Fortunatus en Achaïkus. Als je een beetje let op het woord, dan weet je eigenlijk ook wat de naam betekent. Nou, in het Nederlands… ja, ‘fortune’ in het Engels. Het is eigenlijk een Latijns woord, het is een Romeinse naam dus. Maar Fortunatus heeft te maken met geluk; wij zeggen dat ook: gefortuneerd. En Achaïkus, dat is ook echt wel een leuke naam, want de naam is ontleend aan de landstreek waar hij woonde, namelijk Achaje. Dus hij werd genoemd naar de streek waar hij vandaan kwam.

Ja, zo gaat het met namen. Je hebt ook mensen in de Bijbel die gewoon genummerd worden. Je hebt een Secundus, en Secundus betekent gewoon tweede. Dus waarschijnlijk was hij de tweede thuis en dan haalden ze het een beetje moeilijk… ik zeg maar wat hoor, want je kunt nog wel andere verklaringen bedenken, maar Secundus betekent gewoon tweede. Waren de vader en moeder van plan een groot gezin te stichten? Dan nummeren we ze maar. Ik zeg dat nu zo, want je hebt een Secundus, dat betekent tweede, maar je hebt ook een Tertius. Dat is een schrijver. Tertius betekent derde. En je hebt ook een Kwartus, ‘Kwartus de broeder’ in Romeinen 16. Kwartus betekent de vierde. Je hebt ook nog een Kwintus, dat is de vijfde. En ik herinner me ooit iemand die zei: van eentje heb je niet. Je hebt de Secundus, je hebt Tertius, je hebt Kwartus, je hebt Kwintus, maar Primus heb je niet, de eerste. Weet u waarom? Dat is de Eerste. Hij heeft de eerste plaats.

En Stefanas betekent trouwens kroon of krans. Deze Stefanas is niet zo bekend als die andere uit het boek Handelingen, u weet wel, die gestenigd werd. Maar goed, Paulus zegt: ‘Ik verblijd mij over de komst van Stefanas, Fortunatus en Achaïkus.’ Dat waren mannen die nu bij Paulus waren gekomen, maar ze kwamen uit Achaje, uit de streek van Korinthe. En Paulus zegt: ‘Ik verheug mij echter op de aanwezigheid.’ Hier staat trouwens het Griekse woord parousia. Parousia, de aanwezigheid, dat is wat het woord betekent. Ja, hier de komst van Stefanas en dit drietal dus. ‘Want,’ zegt hij, ‘hetgeen van uw kant nog ontbrak hebben dezen aangevuld.’ Jullie tekort, jullie gemis. Hij bedoelt het gemis aan jullie, want Paulus schrijft deze brief vanuit Efeze, dat weten we. Hij schrijft deze brief vanuit Efeze en hij zegt: ‘Ja, ik ben nu al een tijd inmiddels bij jullie weg en ik mis jullie. Maar nu komen er drie Korinthiërs naar mij toe en ik verheug me zeer.’ Hij zegt: ‘Wat van jullie kant ontbrak, namelijk dat ik jullie miste, dat heeft dit drietal aangevuld, gecompenseerd.’ De rest van de Korinthiërs waren er dan niet, maar deze drie Korinthiërs vullen dat gemis zozeer aan en Paulus verblijdt zich daarover. Het spreekt ook over de warme band die hij heeft en ondervond met deze ekklesia. Er was wel het een en ander dat er gespeeld had, maar desalniettemin was die liefdesband, agapé, een blijvende.

En dan zegt hij er nog bij: ‘Want zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt.’ Dit woord verkwikt is een aardig voorbeeld van wat ik zojuist bedoelde over concordant. Kijk, hier zie je de wijze hoe het concordant wordt weergegeven: altijd met rust. Zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt, maar letterlijk rust gegeven. De NBG vertaalt het ook heel vaak met rust, zoals u ziet, maar andere keren dan weer met verkwikken. Is dat nu zo boos of is dat nu zo kwalijk? In dit geval zou ik zeggen: dat maakt mij niet zoveel uit. Maar het gaat even om het principe. Het gaat erom dat je, als je het concordant doet, woorden gaat herkennen. Je zegt: ‘Aha, het gaat over dit woord.’ En dan is het zo waardevol als je weet dat dat consistent, gewoon consequent zo weergegeven wordt. ‘Ze hebben mijn geest en de uwe rust gegeven.’

Ook in de zin van — dat zit er namelijk ook nog achter — niet alleen maar dat Paulus zich verheugde in hun komst, maar ook: ze hadden hem gerustgesteld over wat er in Korinthe gaande was. Want ondanks de dingen die er speelden, konden ze ook het geweldige werk dat God daar in hun midden deed melden. En dat gaf Paulus ook rust. Paulus zegt: ‘Erkent deze mensen.’ Zulke mensen die zich zo hebben ingezet, zo gezwoegd hebben ten dienste van de heiligen. Dat is buitengewoon waardevol, erkent ze. Geef ze de credits. Eer, zoals dat elders gezegd wordt: eer wie eer toekomt. Ja, ik stel voor dat we het eventjes hierbij laten. De laatste verzen kunnen we straks na de pauze bespreken. Dan krijgen we nog een paar interessante verzen ter afsluiting.

Intermezzo: Paulus en de Waterdoop ↑ hoofdstukken

Waarom heeft Paulus die eerste mensen nog gedoopt? Ja, het is een soort concessie. Eigenlijk klinkt het zo als hij zegt dat de Heer hem niet gezonden heeft om te dopen, maar kennelijk werd dat door hen op prijs gesteld. Paulus was niet tegen de waterdoop, zo was het niet. Het was natuurlijk ook een heel Joods ritueel en Paulus was zelf Joods. Dus Paulus is zelf ook gedoopt. Je leest het in Handelingen 9: als hij daar in Damaskus komt, komt Ananias bij hem en een van de eerste dingen die Ananias zegt, is: “Word gedoopt.” Toen werd Paulus, of toen nog Saulus, gedoopt.

Was het een reinigingsritueel? Voor Joden was dat zo vanzelfsprekend om te doen. Met Paulus’ achtergrond heeft hij daar ook geen moeite mee gehad om dat te doen. Was hij de Joden een Jood? Dat zegt hij ook: de Joden een Jood, de Grieken een Griek. Maar de Heer had hem niet gezonden; het was niet zijn missie om anderen te dopen. En dan te bedenken dat juist die waterdoop zo enorm belangrijk geworden is in de christenheid. Daar komt het toch op neer? Of dat nu de kinderdoop is of de volwassenendoop, dat maakt me even niets uit, maar het gaat om dat ritueel van het dopen. In wezen is een hele kerkgemeenschap daarop gebaseerd.

Ja, en dan kom je natuurlijk weer op de vraag welke betekenis die waterdoop heeft. Voor een heleboel mensen — en dat geldt niet alleen voor de reformatorische, maar van origine ook voor de rooms-katholieke wereld — ging men ervan uit: wij zijn Israël. Wij vervullen de rol van Israël en de waterdoop heeft de plaats ingenomen van de besnijdenis van vroeger. Dat staat ook in doopformulieren die in de protestantse kerken worden voorgelezen: “In plaats van de besnijdenis is de doop gekomen.” En vandaar dus: zoals kleine jochies in het jodendom en in Israël werden besneden, zo moeten kleine kinderen gedoopt worden. Dat is het idee. Het ene ritueel heeft plaatsgemaakt voor het andere ritueel.

Maar daar zitten zo enorm veel misverstanden aan vast, namelijk dat er geloof wordt geëist en dat daarop de doop volgt. Dat speelt bij de baptisten wel. De evangelischen verwerpen dus dat idee van de vervangingsleer, maar wat er vervolgens gebeurt, is dat men toch weer aan een ritueel zo’n grote waarde toekent. Want ook bij de baptisten en de evangelischen moet je beslist gedoopt worden. Terwijl bij Paulus, in zijn evangelie, de waterdoop helemaal geen rol speelde.

Natuurlijk mag je de diensten bijwonen, bijvoorbeeld het avondmaal dat ze hebben, maar vaak is dat alleen voor degene die gedoopt is. Precies, dus het heeft daar echt de functie van een deur. Dat wil zeggen: als je gedoopt bent, dan ben je echt binnen. Als je niet gedoopt bent, dan sta je uiteindelijk buiten, want ook binnen die kringen heeft men doopleden, alleen dan door onderdompeling en bij volwassenheid. Maar ook daar is het doopritueel zeer fundamenteel. Het is eigenlijk de basis van het hele kerkelijk leven, waarmee een ritueel — iets wat een mens doet, een bepaald symbool — de basis wordt voor een geestelijke gemeenschap. Maar dat kan toch nooit?

Paulus zegt in de Efezebrief: “Voor ons is er één God en één Heer en één geest, één lichaam, één doop.” En als hij het heeft over één doop, dan heeft hij het niet over de waterdoop, maar over de doop in Christus; het ondergedompeld worden in Hem. In 1 Korinthe 12 hebben we dat nog gelezen. In 1 Korinthe 12 vers 13 zegt Paulus: “Want wij allen zijn door één Geest — of letterlijk: in één Geest — tot in één lichaam gedoopt.” In één Geest. Dat we leden van het lichaam zijn, is niet door een ritueel dat we hebben ondergaan. We horen niet bij de gemeente doordat we kopje-onder gegaan zijn, of voor mijn part slechts een paar druppels op ons voorhoofd hebben gekregen. Wij horen bij dat lichaam door geloof dat Hij ons geeft. Dan is het Zijn Geest die ons toevoegt aan dat ene lichaam, de gemeente. En daar komt geen druppel water aan te pas. Of het nu een paar druppels zijn als je een zuigeling bent, of een heel bad waar je kopje-onder gaat op volwassen leeftijd, dat is het niet. Het is niet het water; het is die doop in Christus. Dat is een geestelijke zaak.

Maar ja, een mens hangt er toch altijd weer erg aan om zichtbare dingen te hebben, rituelen, en om daar waarde aan toe te kennen. Dat is toch wat je altijd weer ziet. En dan zeggen ze: “Maar als je dat niet hebt, hoe kun je dan een kerkgemeenschap vormen?” Ik vind het altijd leuk als men zoiets tegenwerpt, want dan denk ik bij mezelf: een kerkgemeenschap, waar hebben we het over? Een kerk met een kerklidmaatschap, waarbij men met lidmaatschap ook bedoelt dat je ingeschreven staat in een bepaald ledenregister… dat zijn allemaal menselijke bedenksels, menselijke formaties en instituten.

We hadden het zojuist over leiding. Ook dat kent de Bijbel wel, maar dat is geen formele zaak doordat jij bent aangesteld door een commissie ofzo. Nee! Het Woord wordt doorgegeven en daar zijn mensen actief in betrokken die daarin leiding geven. Niet omdat ze iets kunnen claimen, of omdat ze autoriteit hebben, of omdat ze gezag of heerschappij kunnen oefenen. Nee, dat is gewoon werk dat ze verrichten. En dan zegt Paulus: “Erken hen.” Maar dat is geen formele kerkenraadsfunctie ofzo, en dan ben je geen bisschop — laat staan met een vissenbek op je kop. Daar is heel veel mis in gedaan.

Als je het hebt om nog even terug te koppelen naar die waterdoop: zelfs de baptisten hebben natuurlijk echt een stap voorwaarts gemaakt doordat ze iets aan de kaak hebben gesteld. Dat hele idee van de doop in plaats van de besnijdenis klopt niet. Dat is waar, daar hebben de baptisten gelijk in; dat is niet bijbels. Maar vervolgens hebben zij het doopritueel minstens zo belangrijk gemaakt in hun kerkelijk leven. Zij onderkennen ook niet dat die waterdoop een Joodse aangelegenheid is. Nee, ze menen dat dat ook onder de gelovigen van de naties essentieel en heel belangrijk is. Zonder dat ben je niet eens een volwaardig christen. Ja, en als je de consequenties daarvan overdenkt en trekt… Is dat zo? Nee, wacht even. Dat zijn de boeddhisten en de hindoes hè. De hindoes in de Ganges. Ja, dat soort reinigingsrituelen vind je onder andere godsdiensten natuurlijk ook. Ik stel voor dat we even ter zake zullen komen, want anders komen we nog niet uit bij vers 23 en 24.

Groeten uit Azië en de Ekklesia aan Huis ↑ hoofdstukken

Vers 19, daar schrijft Paulus dit: “U groeten de gemeenten van Asia.” De ekklesia’s van Asia. Ik liet net een landkaartje zien van Achaje, daar in Griekenland. Maar Paulus schreef deze brief vanuit Efeze en dat ligt in het gebied van Asia. Vroeger werd heel Turkije wel Klein-Azië genoemd, maar het gebied Asia waar Paulus over spreekt, is veel kleiner. Het is een provincie van wat wij nu Turkije noemen, de streek waar al deze bekende namen vandaan komen.

Als Paulus hier spreekt over de ekklesia’s van Asia, dan weten we dat hij doelt op Efeze. Daar bevond hij zich en van daaruit schreef hij deze brief. We weten ook van de ekklesia in Hiërapolis, in Kolosse en in Laodicea. En Miletus — nou, dat zeg ik niet helemaal juist, want daar was het niet een ekklesia; daar was Paulus op doorreis. Maar in ieder geval zijn dat allemaal ekklesia’s die we vanuit het Nieuwe Testament kennen en waarvan we weten dat Paulus daar werkzaam is geweest. Die ekklesia’s waren ontstaan door zijn evangelieprediking en hij zegt nu: “U groeten de ekklesia’s van Asia.” Het waren dus al deze gemeenten uit die plaatsen.

“Vele groeten in de Heer.” Misschien hebben wij dat niet zo meer in de gaten, maar een groet is eigenlijk een gelukswens. Vandaar ook dat hier staat: “Vele groeten in de Heer.” Wij denken bij groeten misschien aan ‘hoi’, maar dat is niet wat een groet is, zeker in de Bijbel niet. Een groet is echt een gelukswens. In het Hebreeuws zeggen we bijvoorbeeld ‘shalom’ als je ergens komt; dan zeg je ‘vrede’. In het Grieks was de gebruikelijke groet ‘gratia’, wat eigenlijk vreugde of genade betekent. In feite is het ook een wens als wij ‘goedemorgen’ zeggen. Goedendag of goedenavond; we staan daar vaak niet meer bij stil. In Rijnsburg zeggen ze dan alleen ‘morgen’, maar dan is het eigenlijk geen wens meer, dan is het alleen nog maar een mededeling. Maar de oorsprong ligt in een wens en dat is een echte groet. Vele groeten in de Heer wil dus zeggen: het beste wat je iemand maar kunt wensen als het gaat om het kennen van Hem.

Paulus brengt deze groeten over van Aquila en Prisca. In het boek Handelingen wordt zij Priscilla genoemd. Aquila en Priscilla waren een echtpaar dat destijds ook betrokken was bij het ontstaan van de ekklesia in Korinthe. Dat lees je in Handelingen 18. Aquila was samen met Paulus werkzaam in het maken van tenten. In de anderhalf jaar dat Paulus in Korinthe was en de ekklesia ontstond, waren Priscilla en Aquila daar ook actief. Paulus brengt nu de groeten over van Aquila en Prisca, en van de gemeente, de ekklesia bij hen aan huis.

Wanneer Paulus dit vanuit Efeze schrijft, was de ekklesia in Efeze dus een gemeente die in een huis bijeenkwam. Ze kwamen ook dagelijks bij elkaar in de school van Tyrannus, zoals je leest in Handelingen 19, maar dus ook in het huis van Aquila en Priscilla. Het leuke is dat we weten dat zij later naar Rome zijn vertrokken. Dat lees je in Romeinen 16. Ze waren eerst in Korinthe, daarna zijn ze naar Efeze gegaan waar ze een ekklesia aan huis hadden, en toen ze later weer in Rome woonden, hadden ze daar wederom een ekklesia aan huis. Dat weten we uit de Romeinenbrief, want daar zegt Paulus: “Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, mensen die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben. Niet ik alleen ben hen dankbaar, maar ook al de ekklesia’s van de natiën, de heidengemeenten.” En dan komt het: “Groet insgelijks de ekklesia bij hen aan huis.” Dit schrijft hij aan de ekklesia in Rome. Dus ook daar hadden ze weer een ekklesia bij hen aan huis.

Je leest dat wel vaker over ekklesia’s ten huize van. Wij denken vaak traditioneel kerkelijk in termen van kerkenraden en kerkgebouwen, maar dit was een heel natuurlijk, organisch gebeuren. De boodschap ging rond. Men had geen kathedralen, geen kerken, geen instituten en geen bisschoppen; helemaal niets. Het was ‘low profile’, zoals we tegenwoordig zeggen, maar het was zo organisch. De ekklesia was geen organisatie, het was een organisme. Dat is een groot verschil. Een organisatie wordt geleid door een instituut, heeft een ledenlijst en een bestuur. De ekklesia heeft dat alles niet, maar zij heeft een Hoofd: een lichaam met een Hoofd in de hemel die de gemeente leidt. Je ziet hier hoe organisch dat allemaal functioneerde en men kwam gewoon samen in de huizen. Het is geweldig om zo te ontdekken hoe het er toen aan toeging.

Paulus gaat dan nog even verder: “U groeten al de broeders.” Mocht hij er nog meer vergeten zijn — hij noemde die van Asia al — maar hij voegt toe: “U groeten al de broeders.” En in onze huidige geëmancipeerde tijd moeten we er wellicht bij zeggen dat wanneer Paulus ‘de broeders’ formuleert, dat inclusief de zusters is.

De Heilige Kus en Paulus' Eigenhandige Waarmerk ↑ hoofdstukken

Groet elkaar met de heilige kus. Ja, maar de vraag is dan: hoe dan? Want wat is een kus? Ik wil nu niet moeilijk gaan doen, maar is dat een knuffel? Is dat elkaar gewoon op de wangen raken? Is dat wat wij een kus op de mond noemen? Dat is het in ieder geval niet; dat is wat minnaars doen. Het Griekse woord voor kus bevat trouwens het woordje phileo. Dat heeft te maken met een uiting van genegenheid, dat is het.

Maar hier gaat het over de heilige kus. Dat wil zeggen: de kus zoals heiligen — de gelovigen, degenen die apart gezet zijn — elkaar begroeten. Het gaat er niet om dat hij een voorschrift geeft en zegt: “Groet elkaar met een kus!” Nee, hij zegt: “Jullie komen elkaar tegen en jullie groeten elkaar, laat het dan een heilige kus zijn, zoals heiligen dat doen.” Het is geen voorschrift over hoe we elkaar móeten groeten, het gaat om de heilige kus. Dat wil zeggen: met het besef en het bewustzijn dat je bij elkaar hoort als heiligen, als apart-gezetten. En zo elkaar al het goede wensen en delen met elkaar; dat is wat “groet elkaar” echt inhoudt. Datzelfde zien we trouwens nog in andere passages, zoals Romeinen 16, 2 Korinthe 13 en 1 Thessalonika 5. Overal komen we diezelfde uitdrukking tegen: de heilige kus.

En dan voegt Paulus nog een eigenhandige groet toe. Je ziet echt dat dit afsluitende opmerkingen zijn. “Een eigenhandige groet van mij, Paulus.” Het loutere feit dat hij dat zegt — dat er nog een eigenhandige groet volgt — betekent dat de rest van de brief gedicteerd is. Hij schreef dat niet zelf. Vermoedelijk heeft hij de brief gedicteerd aan Sostenes, een naam die we verder niet veel meer tegenkomen, maar Paulus begint deze brief in hoofdstuk 1 vers 1 met: “Paulus en Sostenes aan de ekklesia van Korinthe”. Waarschijnlijk — ik kan het niet honderd procent bewijzen — is die Sostenes degene die de brief heeft opgetekend terwijl Paulus hem dicteerde.

Dat lezen we ook in Romeinen 16. Daar staat zelfs: “Ik, Tertius, die de brief op schrift gebracht heb, groet u in de Here.” Daar hebben we hem! Ik had het eerder op de avond al over Tertius, weet u nog? Zijn naam betekent “derde”. Hier komen we er dus expliciet achter wie de Romeinenbrief inderdaad heeft opgetekend.

Ik moet er ook bij zeggen dat die eigenhandige groet kenmerkend was voor de brieven van Paulus. In 2 Thessalonika 3 vers 17 zegt hij bij het afsluiten van de brief: “Een eigenhandige groet van mij, Paulus. Dit is een waarmerk in elke brief; zo schrijf ik.” Want het punt is — en dat lezen we ook in diezelfde brief aan de Thessalonicenzen — dat er toen al valse brieven in omloop waren. Vandaar dat het van belang was om een waarmerk te hebben. Toen al, ja! Onder zijn naam werden er dus ook valse dingen geschreven. Tegenwoordig heb je een vals account op internet, maar toen bracht men een valse brief in omloop. Paulus deed dit dus in elke brief.

In de brief aan de Galaten staat ook nog iets interessants — ik heb daar nu geen aantekening of dia van — maar daar lees je dat Paulus schrijft: “Zie met hoe grote letters ik u eigenhandig schrijf.” Dat heeft dan weer te maken met het feit dat Paulus kennelijk een oogaandoening heeft gehad. Als Paulus dan zelf ging schrijven, waren dat “koeienletters”. In diezelfde Galatenbrief lees je ook aanwijzingen in die richting, dat er iets mankeerde aan zijn ogen. Hij zegt tegen de Galaten: “Jullie hielden zoveel van mij; als het mogelijk was geweest, hadden jullie je ogen aan mij gegeven.” Dat suggereert dus al dat er iets aan zijn ogen mankeerde. Maar goed, hij sloot zijn eigen brieven altijd af met een eigenhandige groet en soms nog een paar andere dingen, zoals: “Zie met hoe grote letters ik u met mijn eigen hand schrijf.”

En dan vinden we nog iets: een woord waar velen zich aan gestoord hebben en dat ook zeer misverstaan is.

Anathema: Afwijken van de Genadeboodschap ↑ hoofdstukken

Bijna het laatste vers van de eerste Korinthebrief. “Indien iemand…” – laten we het even zinsdeel voor zinsdeel lezen – “Indien iemand de Heer niet liefheeft.” Eerst even dit: “de Heer”. Dat wil zeggen: de Heer zoals ik Hem jullie verkondig. De Heer en Zijn genade. Ik licht het nog niet helemaal toe, want dat zullen we in het volgende vers ook zien: de Heer Jezus Christus en alles wat in Hem verankerd ligt. Let trouwens op, er staat: de Heer. Er staat niet zomaar “een heer”, nee, de Heer; Hij die ik jullie heb gepredikt.

“Indien iemand de Heer niet liefheeft.” Nu heb ik vanavond al een paar keer gesproken over dat woordje agape, maar dat is niet wat hier staat. Hier staat het woordje phileo. Dat is dus niet die goddelijke liefde, dat is in die zin zwakker. Het is houden van, affiniteit hebben met. Zoals wij trouwens ook nog heel veel woorden hebben die eindigen op “-filie”. U denkt nu misschien aan homofilie of pedofilie, dat kan ook, maar er zijn zoveel woorden die daar natuurlijk mee te maken hebben. Het is affiniteit hebben met, houden van. “Indien iemand geen affiniteit heeft met die Heer.” Dat is het. Zelfs hier spreekt hij de ekklesia van Korinthe aan: indien iemand de Heer – Hij die ik jullie verkondig – daar niets mee heeft, geen affiniteit mee heeft, dan zegt hij: “Hij zij vervloekt.”

Daar staat: “Laat hem zijn anathema.” En anathema is eigenlijk niet eens een vervloeking in de zin zoals wij dat vaak denken. Anathema betekent eigenlijk – ana betekent iets omhoog brengen en thema is iets neerzetten – dat je je handen ergens van aftrekt. In de Griekse vertaling van het Oude Testament komt het woord ook heel vaak voor. Het betekent bijvoorbeeld dat wanneer Jericho verwoest is, er een banvloek ligt op alles wat daar in de legerplaats van Jericho lag. Men mocht dat niet pakken; men mocht daar niets van nemen. Het lag onder de ban, wat wil zeggen dat het aan de Heer gewijd was. De mensen mochten daar niet aan zitten, het was van de Heer en de Heer zou ermee doen wat Hij wilde. Dat is het woord anathema. Een mens trekt zich daarvan terug en je laat het oordeel aan God over. Dat is anathema.

Paulus gebruikt dat woord vaker. Een bekend voorbeeld is Galaten 1. Paulus had daar in Galatië het evangelie van Gods genade verkondigd, maar wat gebeurde daar? Er waren predikers gekomen, judaïsten, en die zeiden: “Ja, maar je moet ook de wet houden. Als je echt wilt groeien in het geloof enzovoort, moet je ook de wet houden.” Dan reageert Paulus furieus. Hij zegt in vers 8: “Maar ook al zouden wij” – Paulus sluit zichzelf erbij in – “of een engel uit de hemel u een evangelie verkondigen afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.” Hier staat weer exact hetzelfde woordje: anathema. Het is een banvloek. Iets wordt in de ban gedaan; de mens trekt zijn handen ervan af en zegt: “Dat is aan God.” Dat is dat woord anathema.

Hier gaat het dus eigenlijk over iets soortgelijks als waar het ook in 1 Korinthe 16 over gaat. Als je geen affiniteit hebt met de Heer en Zijn genade, met die boodschap, dan wijk je dus af van het evangelie van Gods genade en dan zegt Paulus: “Anathema.” Ik heb er geen moeite mee om dan te zeggen “die zij vervloekt”, maar dan moet je goed weten wat vervloekt zijn hier betekent. Want vervloeken wil zeggen: je onttrekt je ervan. Je hebt er geen deel aan, je wilt er geen gemeenschap mee hebben en je laat het oordeel aan God over. Dat is anathema.

En dat is wat Paulus hier ook over die afwijkende opvattingen over het evangelie zegt. Paulus zegt niet: “Nou ja, doe maar je ding, het maakt niet zoveel uit.” Nee, het is zo cruciaal dat het goede bericht van Gods genade verteld wordt; daar mag je geen millimeter van afwijken. Als het afwijkt van dat wat Paulus verteld had, zegt Paulus: “Anathema.” Ik heb daar geen deel aan en God zal Zijn oordeel daarover geven. Wat hij tegen die Korinthiërs dus zegt, is: blijf in die boodschap staan. Als je daarvan afwijkt – zoals bijvoorbeeld ook in Korinthe gebeurde waar sommigen leerden dat er geen opstanding der doden is – dan is dat zo’n fundamentele afwijking van het evangelie dat Paulus daar niets mee van doen wil hebben. Hij zegt ook: dat is geen evangelie, en daarover spreekt hij het anathema uit. En dan hebben we er nog één.

Maranatha: een Bittere Vloek of Blijde Verwachting? ↑ hoofdstukken

En nu wordt het misschien voor sommigen wat schokkend. Paulus zegt daar: “Maranatha”. En wat betekent Maranatha? Ja, het is waar — of bijna waar — maar ik moet erbij zeggen dat het meestal niet zo verteld wordt. Maranatha is ons wachtwoord, zeker als je een “Zoeklicht”-achtergrond hebt. Maranatha-christenen zijn christenen die geloven en uitzien naar de uitredding van de Heer. Dat is niet helemaal ten onrechte, maar ik zal u dit vertellen: Maranatha betekent in het Hebreeuws gewoon “een vloek ben jij”.

Ik kan het ook bewijzen. In Maleachi 3 vers 9 zie je “Mara Ata” of “Atem”. Dat laatste is dan meervoud. “Ata” betekent “ben jij” en “Atem” betekent “zijn jullie”. In Maleachi 3 staat dat woord “Mara Atem” en in de NBG-vertaling staat daar: “een vloek zijn jullie”. Maar dat is toch precies waar Paulus het over had? Indien iemand geen affiniteit heeft met de Heer die ik jullie verkondigd heb: Anathema. En dan zegt hij het vervolgens in het Hebreeuws erachteraan: Maranatha. In Korinthe spraken ze natuurlijk geen Hebreeuws, maar Paulus noemt die twee dingen gewoon naast elkaar. Anathema is een Grieks woord, Maranatha is geen Grieks woord. En dat is precies wat het betekent.

Maar dat is niet het hele verhaal, want er zit ook nog een woordspeling in. Het klopt wat anderen erover zeggen; het bekende verhaal dat het in het Aramees — een Hebreeuws dialect — “onze Heer, kom” betekent. Het hangt er dus vanaf met wat voor oren je luistert. Ik geef Nederlandse lessen aan Polen en juist gisteravond hadden we het over een woord. Dat was wel grappig. Het ging over het woord “stoel”. Dat woord kennen ze in Polen ook, maar weet u wat “stół” in het Pools is? Een tafel. Dat is heel verwarrend voor hen natuurlijk, want voor ons is een stoel iets heel anders. Dus wat hoor je? Als je een bepaald begrip hoort, zoals Maranatha, welk accent leg je dan en wat hoor je? Als je met Hebreeuwse oren luistert, dan zeg je: “een vloek ben jij”. Als je luistert met Aramese oren — dat is trouwens daaraan verwant — dan wil het zeggen: “onze Heer, kom”. Paulus kende Grieks, hij kende Aramees en hij kende Hebreeuws. Dus als hij dit zo zei, dan wist hij natuurlijk donders goed waar hij het over had. Dat zit er allemaal in.

Maar vooral dat eerste, dat het in het Hebreeuws “een vloek ben jij” betekent, wordt eigenlijk nooit verteld. Dat maakt je wat terughoudender om te zingen “Maranatha blijft ons wachtwoord”. Paulus gebruikt het in een context waarin hij zegt: “Anathema, daar wil ik niets mee van doen hebben”. Als je afwijkt van de Heer en Zijn boodschap, dan zeg je: “Anathema Maranatha”. Die twee noemt hij in één adem, zoals hij dat vaker doet. Dan zegt hij: “Abba Vader”. Abba is Hebreeuws, Vader was dan het Griekse woord daarvoor. En dat doet hij hier ook: Anathema Maranatha. Twee woorden die hetzelfde betekenen: een vloek ben jij. Met daarin ook nog de gedachte van “onze Heer komt”. Dat ook.

“Jezus komt” staat erachter. Dat is op zuiver Aramees. Maar wat ik ermee wil zeggen, is dat het altijd uit zijn context gelicht is. Het woordje Maranatha komt in de Bijbel maar één keer voor en dat is in dit vers. Het wordt tegenwoordig altijd gebruikt als een aanduiding voor “onze Heer komt”, ons blije vooruitzicht. Maar dat is niet de essentie. Kijk naar de context, dan gaat het juist over “Anathema Maranatha”. Het is dus niet een verblijdend woord; het staat juist in de context van iemand die de Heer niet liefheeft, en dan wordt er tegen diegene gezegd: Maranatha.

We kennen dat woord “Mara” trouwens wel uit het Hebreeuws als “bitter”. Denk aan Naomi. Naomi betekent “lievelijk”, maar toen ze al die verschrikkingen in het land van Moab had meegemaakt — de hongersnood en het verlies van haar man en haar beide jongens — kwam ze terug in Bethlehem. De mensen vroegen: “Is dat niet Naomi?” Maar zij zei: “Noem mij geen Naomi meer, noem mij Mara, want de Heer heeft mij altijd kwaad aangedaan. Vol ben ik heengegaan en leeg ben ik teruggekeerd. Noem mij Mara: bitter.” Nou, dat is dit woord. Anathema Mara. Zo vreugdevol is dat dus niet. Kijk het maar na in de context, het is gewoon zoals het is.

Mensen kennen de achtergrond vaak niet van die combinatie Anathema Maranatha. Ik moet zeggen dat ik er veel moeite mee heb om nu nog zulke liederen te zingen, vooral omdat je weet wat er ook aan dat woord gekoppeld is. Dat is de andere kant van het verhaal. Ik vraag mij nu af in hoeverre ik u verrijk met dit inzicht. Eigenlijk dacht u dat Maranatha zoiets moois betekende en nu stel ik u teleur door te zeggen dat die betekenis niet zo mooi is. Maar weet u, ik wil u geen mooie verhaaltjes vertellen. Ik wil u gewoon vertellen wat er staat.

Afsluiting: de Genade en Liefde in Christus Jezus ↑ hoofdstukken

De genade van de Heer Jezus zij met u. Zo eindigt Paulus trouwens al zijn brieven: met de genade van de Heer. En ziet u, dat is precies wat ik bedoelde toen hij het in het voorgaande vers zei: “Indien iemand de Heer…”. Wie is die Heer? Dat is de Heer met zijn genade. Waar Paulus zijn anathema over uitspreekt, is als mensen afwijken van die Heer en zijn genade. De genade van de Heer Jezus — de Heer, de kurios — zij met u.

Mijn liefde is — hier is het weer, ziet u: agape. Mijn liefde is met u allen, met jullie allen in Christus Jezus. Het gaat namelijk over de Liefde Gods die geopenbaard is in Christus Jezus. Daar gaat het om, en om die genade. En daar zouden mensen niet van moeten afwijken, want dan kom je inderdaad in het anathema terecht: Anathema Maranata.

Als we dit 24e vers lezen, dan zijn we aangekomen bij het allerlaatste van deze lange brief. Dus daar kan ik niets meer aan toevoegen. Zo eindigt Paulus de brief zeer liefelijk met zijn geliefkoosde uitdrukking voor de aanduiding van Jezus Christus, namelijk zoals hij het dan altijd formuleert, of meestal bij voorkeur, typisch Paulinisch: Christus Jezus. Hij die daarboven is en Gods liefde in Hem.

🎧 38 Korinthe 16:13-24


Powered by RedCircle

Powered by RedCircle

Delen: