zoals klei…
23-10-2022 - Geplaatst door Andre Piet23 oktober 2022, Rotterdam (Gezonde Woorden)
De mens in het algemeen is uit de aarde, aards. Vanuit dat perspectief laat zich de metafoor van klei in de hand van de pottenbakker gemakkelijk verstaan. We zijn een creatie en niemand van ons heeft zichzelf gevormd. Het is deze waarheid die de Schrift ons zo vaak voorhoudt. Voor zover we iets zijn, dan is dat omdat de grote Pottenbakker iets van ons maakt.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: Zoals Klei en de Regie over Onze Omstandigheden
- De Mens als Klei en het Misverstand van de Vrije Wil
- De Verharding van Farao en Gods Verborgen Agenda
- Wat Verwijt Hij Nog? het Verschil Tussen Gods Wil en Bedoeling
- Wie Bent U, O Mens? het Onzinnige van Verantwoordelijkheid
- Het Recht van de Pottenbakker: Vaten van Eer en Zonder Eer
- De Bevoorrechte Eerstelingen en Ontferming voor Allen
Introductie: Zoals Klei en de Regie over Onze Omstandigheden ↑ hoofdstukken
Dankjewel, Art, voor deze mooie presentatie om daarbij bepaald te worden. Ik bedank je ook om nog een reden, en dat is dat je me op het spoor hebt gezet om een onderwerp voor morgen te kiezen dat geheel in lijn ligt met wat jij naar voren hebt gebracht. Ik was namelijk in dubio, maar toen jij dit mij aanleverde en zei dat je vanmorgen de introductie mocht doen, wist ik het ineens zeker: ik ga het hierover hebben. Zoals klei.
Eigenlijk hangt het er een klein beetje vanaf wat je achtergrond is, maar als ik dit lees, ben ik haast geneigd om te gaan zingen. Ik zie bepaalde mensen nu ook instemmend knikken. Als je opgegroeid bent met de liedjes van Elly en Rikkert, dan ken je het wel: “Zoals klei in de hand van de pottenbakker”. Nee, ik ga het niet zingen, want melodieus zou ik het niet kunnen maken, maar het gaat er dus inderdaad in hoge mate over dat er Eén is die alles bepaalt en beschikt.
Het was een beetje tricky, want ik wist natuurlijk niet precies wat Art over de omstandigheden naar voren zou brengen, maar ik heb het goed ingeschat. Ik wilde namelijk graag even inzoomen op dat woord ‘omstandigheden’. Kijk, God is de grote Creator, de Schepper en ook de Plaatser. Dat is wat het woord God betekent: theos. Het Griekse woord voor God betekent letterlijk zelfs degene die alles hun plaats toewijst of geeft of beschikt.
Als je inzoomt op het woord ‘omstandigheden’ – wat Art niet heeft gedaan, dus dat is een mooie gelegenheid om dat alsnog te doen – dan zie je dat dit woord is opgebouwd uit twee elementen, namelijk ‘om’ en ‘stand’. Letterlijk betekent het vanuit die elementenopbouw: wat rondom staat. Dat is wat omstandigheden zijn. We bevinden ons ergens en om ons heen zijn allerlei situaties en voorvallen, en dat heet dan omstandigheden.
De aardigheid is dat dit in zoveel talen het geval is. Ik heb gekeken naar het Scandinavisch – voor alle Scandinaviërs daar – het Deens, het Zweeds en het Noors; daar is het ook allemaal zoiets als omstandigheden. Het klinkt zelfs een beetje zo. In het Engels heb je trouwens ook circumstance, en dat is in het Frans hetzelfde fenomeen. Maar ook in het Latijn: circumstare. Ik weet niet of ik het goed uitspreek, maar in ieder geval herken je direct dat woord. Je hoort in circum al het woordje circle, wat de gedachte van rondom weergeeft. En dat stans of stare, of hoe je het in welke taal dan ook zegt, heeft te maken met staan. Zodat je in vrijwel alle Europese talen dat fenomeen krijgt dat we allemaal ‘omstandigheden’ zeggen op onze eigen manier.
De gedachte is iedere keer: dat wat om ons heen staat of wat om ons heen geplaatst is, waar we in hoge mate geen of weinig invloed op hebben. Soms wel natuurlijk; er zijn omstandigheden waarvan we in ieder geval de indruk hebben dat we ze enigszins kunnen beïnvloeden, nietwaar? Maar ja, hoe gaat het ook alweer: de mens wikt, maar God beschikt. Daar ging het verhaal van Art vooral ook over: hoe allerlei omstandigheden – zelfs die je op korte termijn plant en waarvan je eigenlijk zeker weet dat het zo zal gaan – door een gebeurtenis totaal anders kunnen blijken te zijn.
Trouwens, ik kwam erachter dat in het Grieks hetzelfde fenomeen zich voordoet. De aardigheid is trouwens – of het aparte – dat ik het heb opgezocht, maar noch in de Septuagint, noch in het Nieuwe Testament tref je dit Griekse woord aan. Maar er is dus gewoon een Grieks woord, peristasis, wat exact weer dezelfde opbouw heeft. Peri- is het voorzetsel dat ‘rondom’ betekent. Er zijn zoveel woorden waarin dat voorzetsel besloten ligt, zoals periferie… perfectie? Nee, perfectie is weer wat anders, jammer. In ieder geval zijn er heel veel woorden waarbij peri dus rondom betekent. En stasis herken je eigenlijk direct; dat is dezelfde gedachte als bij het Latijnse stare of het ‘staan’ bij ons. Je hoort direct de overeenkomst, zodat al die talen linksom of rechtsom tot elkaar te herleiden zijn.
Dat onderdeel stasis betekent dus staan. Dat komt in het Griekse Nieuwe Testament wel heel uitdrukkelijk naar voren in het woord voor opstanding: anastasis. Ana betekent naar omhoog – dat geeft een richting aan – en stasis is staan. Opstaan, opstanding. De aardigheid van dat woord omstandigheden heeft dus te maken met dat waar we ons in bevinden: de dingen om ons heen.
Zoals we inmiddels al geconcludeerd hebben, heeft de mens daar geen of weinig invloed op en is er Eén die dat alles doet toevallen. Daarover kun je natuurlijk altijd discussiëren: in hoeverre bestaat er nu toeval? Art zei dat er geen toeval bestaat. Ik zeg: er bestaat wel toeval. Maar we bedoelen hetzelfde. Want voor zover het ons ’toevalt’, is Hij het die het ons doet toevallen. Uiteindelijk is dat in de praktijk toch exact dezelfde gedachte. Er is een Plaatser. Maar niet alleen de omstandigheden zijn Gods creatie en de wijze waarop Hij dat in ons leven plaatst – Art gaf daartoe al een voorzetje en ik wil daar nog wat dieper op ingaan – maar ook wijzelf. Hij is de Creator in alles wat we zijn en alles wat we hebben.
De Mens als Klei en het Misverstand van de Vrije Wil ↑ hoofdstukken
Zo zijn wij, en nu komen we bij ons onderwerp: wij zijn als klei in de hand van de Pottenbakker. Dat betreft niet alleen onze omstandigheden, maar ook onszelf, ook intern. Vaak is de gedachte: God heeft de omstandigheden wel in de hand, maar wij hebben een vrije wil. Er zou in ons een entiteit zitten – ik weet niet hoe men zich dat precies voorstelt – die maakt dat God in de omstandigheden misschien wel de doorslaggevende factor is, maar dat Hij van wat wij zelf kiezen afblijft.
Dat is in feite ook de essentie van de leer van de vrije wil. Met de leer van de vrije wil bedoelt men niet te zeggen dat we nooit iets vrijwillig kunnen doen, want dat is duidelijk; er zijn zoveel dingen die je vrijwillig doet. Er zijn ook heel veel dingen die we niet vrijwillig doen maar die we toch moeten doen, en dat is dus onvrijwillig. Maar er zijn ook gewoon dingen die je van harte en dus vrijwillig doet. De leer van de vrije wil betekent echter dat men daarmee wil zeggen dat onze wil buiten de invloed staat van een Almachtige, dat God daarop geen invloed heeft. Dat was in de theologie een aantal eeuwen terug ook de reden voor de strijd tussen Gomarius en Arminius. Dat ging eigenlijk over die vrije wil. Arminius stond op het standpunt van een vrije wil.
Door de hele geschiedenis heen, trouwens niet alleen in het christendom maar in de hele filosofie en religie, speelt die kwestie van de vrije wil een grote rol. Altijd weer klinkt de vraag: in hoeverre kun je werkelijk vrijwillig kiezen of is onze vrije wil gewoon een illusie? Je bent je vaak niet bewust van de factoren waardoor jij een bepaalde keuze maakt, maar in werkelijkheid betekent het loutere feit dat je je er niet van bewust bent niet dat die factoren er niet zijn.
Het is deze waarheid, dat wij als klei zijn, dat wijzelf – niet alleen die omstandigheden, maar wijzelf – als klei zijn in de hand van de Pottenbakker, waar Paulus in Romeinen 9 op ingaat. We zoomen in op een slechts kleine passage van vers 17 tot 23, waar Paulus daar nader op ingaat. Het is nog niet eens zo heel erg lang geleden dat Gerard hier zelf ook over gesproken heeft, maar dat is alweer zo lang geleden dat u het wellicht alweer vergeten bent. Af en toe moet je het herhalen en ik ga het, dat weet ik vrij zeker, inhoudelijk alleen maar bevestigen en wellicht ook nog wat van een andere kant benaderen. Het gaat nu dus echt specifiek om dit onderwerp.
Ik begin te lezen vanaf vers 17, wat altijd lastig is omdat het midden in het betoog zit. Dat blijkt al uit het eerste woordje: “Want”. De Schrift zegt tot Farao… Paulus legt hier dus iets uit, hij motiveert iets. Het punt is namelijk dat Paulus in het voorgaande had gesproken over het “uitverkiezend voornemen van God”. Zo noemt hij dat in hoofdstuk 9 vers 11. Hij spreekt over het uitverkiezend voornemen van God en dat God altijd een keuze maakt die helemaal losstaat van menselijke inbreng. God heeft een plan en in dat plan maakt Hij ook keuzes.
Als je even terugbladert naar de voorgaande verzen, dan zie je dat Paulus ingaat op de kwestie van Izaäk versus Ismaël. God had tevoren al gezegd dat Hij door Izaäk van het zaad van Abraham zou spreken. Dat wil zeggen: het beloofde zaad zou niet via de lijn van Ismaël, maar via Izaäk verlopen. En bij de volgende generatie krijg je exact hetzelfde. Dan zegt Paulus dat God al, nog voordat de tweeling geboren was, had gezegd: “De oudste zal de jongste dienstbaar zijn.” Ze werden min of meer tegelijkertijd geboren, maar toch had je uiteraard ook bij een tweeling een oudste en een jongste. En de oudste zou de jongste dienstbaar zijn. Er staat bij: nog voordat ze geboren waren en goed of kwaad hadden gedaan. Ze hadden nog helemaal niks gedaan en ze wisten van niks. Nee, maar God had al in Zijn plan, in Zijn voornemen, een keuze gemaakt. Dat is het uitverkiezend voornemen van God.
Dit is voor velen een groot probleem, alleen al in ons land. Waar ik het nu over heb, over uitverkiezing, daar hebben we het zo nog wel over, maar ik zal u vertellen: als je eenmaal zicht daarop hebt ontvangen van God, dan wordt het een geweldige waarheid. Ik moet er ook bij zeggen dat je je er des te meer van bewust wordt dat wij inderdaad slechts klei zijn. Strikt genomen zijn wij ook klei; wij zijn uit de aarde genomen. Stof ben je en tot stof keer je weer terug. Dat is gewoon het materiaal waaruit we zijn opgebouwd. “Zoals klei” is in die zin nauwelijks een metafoor. Maar goed, Jakob en Ezau, en trouwens, dan gaat Paulus nog verder.
De Verharding van Farao en Gods Verborgen Agenda ↑ hoofdstukken
Het was ook al het verhaal in de geschiedenis van Mozes. Toen Mozes geroepen werd, was hij inmiddels tachtig en moest hij naar Farao toe. Je leest dat God al van tevoren zei dat Farao niet zou gaan luisteren. Paulus citeert uit Exodus 9 als hij zegt: “Want de Schrift zegt tot Farao…” Hij citeert vervolgens hoofdstuk 9 vers 16 van Exodus: “Want de Schrift zegt tot Farao: Hiertoe wek Ik u op.” Let op, dit was op voorhand al tegen Mozes gezegd. Dat lees je namelijk in hoofdstuk 3 vers 19: dat de Farao niet zou luisteren.
Wat lees je dan in de loop van de geschiedenis op het moment dat Farao onder druk van de omstandigheden dreigt te bezwijken? De ene na de andere plaag kwam over Farao en het hele Egypteland heen, dus de druk werd groter en groter. Maar Farao was een machtig man; het was de machtigste man in die dagen op aarde. In die orde moet je denken. Op een gegeven moment lees je dat hij dreigt te bezwijken en dan lees je in het Hebreeuws: “God versterkte zijn hart.” In het Grieks klinken dan de woorden: “God verhardde zijn hart.” In beide gevallen is de gedachte dezelfde. Van nature werd Farao’s hart week en zacht; hij dreigde te bezwijken en hij zou gaan toegeven aan de druk. En dan is het God die Farao alsnog zo halstarrig maakt en de kracht geeft om “nee” te blijven zeggen.
Iedere keer kwam van Godswege, bij monde van Mozes, de oproep: “Laat Mijn volk gaan.” Dat was Gods wil. Dus als je nu vraagt: “Wat was de wil van God voor Farao om te doen?”, dan was dat duidelijk. Iedere keer klonk het: “Laat Mijn volk gaan.” Maar Mozes wist: het gaat niet gebeuren. Achter de schermen – want Farao was zich er niet van bewust dat zijn hart versterkt werd door God, het was wel zo, maar wist hij veel – werd zijn hart sterker. Dat betekent het loutere feit, en daar gaat het maar om, en dat is wat Paulus hier ook bedacht: het loutere feit dat Farao “nee” bleef zeggen en ook “nee” kón blijven zeggen, dat was Gods regie.
Gods wil was volstrekt bekend, maar Gods bedoeling, Zijn intentie, het plan dat Hij had – Zijn verborgen agenda, hoewel dat een politiek belaste term is – was dat Farao “nee” zou blijven zeggen. Het was niet alleen Gods agenda, maar het was ook Gods regie. Hij is de Regisseur. Want de Schrift zegt tot Farao: “Hiertoe wek Ik u op, zodat Ik in u Mijn kracht zou betonen.” Als je hierover doordenkt, dan betekent dat dus dat God bij uitstek het grootste zwaargewicht neemt. Ik bedoel dat figuurlijk: de politiek meest gewichtige persoon op aarde was in die dagen Farao. Als God Zijn kracht wilt betonen, dan heb je een tegenstander nodig die echt gewicht in de schaal legt.
Als ik zou willen laten zien dat ik heel erg goed kan schaken – wat ik trouwens niet kan, maar stel je voor – dan moet je een goede schaker uitkiezen om tegen te spelen. Tegen een klein kind dat nauwelijks de spelregels kent, is het niet zo moeilijk om te winnen. Nee, als je je kracht wilt betonen, je competentie en je vermogen, dan heb je gewoon een contrast nodig dat werkelijk gewicht in de schaal legt. Dat contrast had God nodig en zet Hij dan ook daadwerkelijk in. “Hiertoe wek Ik u op,” zegt de Schrift tot Farao, dus met dit doel: “Zodat Ik in u Mijn kracht zou betonen, zodat Mijn naam verkondigd zou worden over heel de aarde.”
Als je de hele geschiedenis leest, zie je inderdaad niet alleen de plagen, maar hoe Farao uiteindelijk daadwerkelijk het onderspit delft en met heel zijn leger of legers letterlijk verdwijnt in de Rode Zee. We praten inmiddels 3500 jaar later, en dit staat nog steeds opgetekend; dit is exemplarisch. Het staat in de boeken en Gods triomf over zo’n wereldmacht is toen daadwerkelijk gedemonstreerd, zodat Zijn naam verkondigd zou worden.
Paulus brengt dit niet zomaar ter sprake. Hij zegt dit ook om aan te geven dat… want dat is de eigenlijke aanleiding voor deze bespreking in Romeinen 9, 10 en 11. Het gaat over het Joodse “nee” tegen de Messias. Israëls ongeloof en hoe het ongeloof van Israël tegen Gods wil ingaat. Dat is waar, want de Messias was voor hen bestemd en het volk heeft “nee” gezegd. Niet alleen door Hem te kruisigen, maar ook in het boek Handelingen, toen Hij gepredikt werd als de Opgewekte, toen heeft Israël alsnog wederom dat “nee” bevestigd.
Wat Paulus nu zegt – en het is voor hem een voortdurend hartzeer – is: “Ja, maar zo is het eigenlijk altijd gegaan.” Het loutere feit dat het Joodse volk nu “nee” zegt, is alleen maar – en dat is Romeinen 11 – hun val, en dat is rijkdom voor de natiën. Zodat Gods naam juist door hun “nee” verspreid wordt over de ganse aarde. Dus het is niet zomaar out of the blue dat hij deze dingen naar voren brengt. Het dient zijn betoog om uit te leggen waarom ook het ongeloof een plaats heeft in Gods plan, en zelfs essentieel is.
Dan lees je bijvoorbeeld in Romeinen 11 dat God hen – en dat gaat over het Joodse volk – ogen heeft gegeven om niet te zien en oren om niet te horen. Zodat hun hart – zo staat het er ook, hetzelfde als wat je leest over Farao – wordt verhard. Ook van Israël wordt in onze dagen gezegd: hun hart is verhard. Ze kunnen niet eens geloven. Dat is dus Gods plan. Ik weet dat daar van alles tegen ingebracht kan worden, en dat gaat Paulus ook doen; hij gaat die argumenten ook bespreken. Maar dat is de Bijbelse waarheid. Mensen hebben er zoveel moeite mee, omdat het grootste probleem met deze waarheid is dat de mens zo ontzettend nietig en gering is. Elke waan van “ik ben toch wat”, hetzij als gelovige of als ongelovige, wordt doorbroken. Wat verbeeld je je?
In vers 18 komt de conclusie na alles wat zojuist door de apostel naar voren is gebracht: “Dus dan ontfermt Hij Zich over wie Hij wil, maar net zo goed, Hij verhardt ook wie Hij wil.” Wie Hij wil. Dus wat hier heel essentieel is, is dat God niet alleen de omstandigheden regisseert, maar ook het hart en de wil van de mens volkomen regisseert. Daar zijn trouwens tal van voorbeelden van. In Spreuken staat: “Het hart van de koning is in zijn hand als waterbeken. Hij leidt het heen waarheen Hij wil.” Niet zomaar een willekeurig mensje, nee, de koning. Het is als een stroompje water: als Hij het daarheen wil hebben, dan dirigeert Hij het naar die kant. Dat wil zeggen dat Hij het overal heen leidt waar het Hem behaagt.
Zelfs de machtigste wil is in Zijn hand. Niemand hoeft zich ook maar iets te verbeelden. Ik zal u nog een voorbeeld geven, want ik las dat zojuist over Farao wiens hart verhard werd, maar weet u, je leest het zelfs over het hele volk van Egypte. Dat staat in Psalm 105, een psalm waarin de psalmist terugblikt op de geschiedenis van Israël en allerlei wapenfeiten van God noemt. In vers 25 van Psalm 105 staat: “Hij keerde hun hart om.” Niet alleen dat van Farao dus, maar hun hart om, zodat zij… meervoud.
We praten hier over de situatie — kijk het maar na in dat hele verband — dat Israël, of het volk van Israël, zich bevindt in het land van Egypte. De druk wordt groot. Dat volk van Egypte haatte dat volk van Israël, dat maar bleef groeien. Dat kun je je trouwens ook makkelijk voorstellen, want door al die plagen had iedereen wel in de gaten dat al die plagen die het volk overkwamen, direct te maken moesten hebben met dat volk dat zo de kont tegen de krib gooide en zich zo verzette tegen de Farao.
En dat hele politieke sentiment, laat ik het zo zeggen: als de Farao in die tijd een verkiezing had uitgeschreven, dan had hij die echt ruimschoots gewonnen. Dus ja, niet alleen de Farao, maar het hele volk van Egypte haatte dat volk van Israël. Je moet nagaan wat hier staat: “en God keerde hun hart om.” God zelf had dat dus geregisseerd. We hebben het hier in de strikte zin van het woord over antisemitisme. Zij haten het volk van Israël. Wie is daarvan de auteur?
Ja, ik weet het, dit zijn hele lastige dingen om naar voren te brengen. Want dit gaat zo in tegen alles… Alles wat maar riekt naar de vrije wil. Is het nou werkelijk zo dat dat afschuwelijke kwaad wat tegen Israël werd gepland in Egypte, de goddelijke regie was? Dan zeg je: jazeker, het staat zwart op wit zo in de Bijbel. God regisseerde dat zo.
Tot dusver is het betoog duidelijk en helder, maar ik kan me wel heel goed voorstellen dat Paulus nu een denkbeeldige opponent invoert die zijn betoog gaat bestrijden. Want het argument dringt zich gewoon aan je op. Als dat zo is, als dus het grootste onrecht, het kwaad dat tegen Israël werd gesmeed — een Farao die niet eens kon luisteren en gehoor kon geven aan de roepstem van “laat mijn volk gaan” — als dat dan zo is, nou, dat is gewoon een inkoppertje. Iedereen kan dit argument bedenken, iedereen zal zeggen: “maar u zal nu tot mij zeggen…”
Wat Verwijt Hij Nog? het Verschil Tussen Gods Wil en Bedoeling ↑ hoofdstukken
Wat verwijt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn bedoeling weerstaan? Hoe kan God het Farao nou verwijten dat hij zijn volk niet liet gaan, als God notabene Farao zelf verhardde? Ik weet wel dat mensen hebben gezegd: “Ja, maar dat kwam doordat God zijn hart verhardde; eerst had hij dat zelf gedaan en pas bij de zesde keer lees je dat God zijn hart verhardde.” Maar stel dat je meegaat in die redenering, dan zou God dus bij die zesde gelegenheid alsnog Zijn zin krijgen door Zelf het hart van Farao te verharden. Maar als je bij dat punt aankomt: hoe kan God dan nog een verwijt maken? In dit geval richting Farao, of richting het volk van Egypte in het algemeen. Wat verwijt Hij daar nog?
Ik ben zo blij met dit gedeelte in Romeinen 9, omdat Paulus hier vanuit de Schrift zelf zo’n duidelijke vraag behandelt. Het mooie vind ik dat Paulus niet alleen helder is, maar dat hij ook het standaardargument noemt en bespreekt wat je hiertegenin zou kunnen brengen. We hoeven dus niets te verzinnen of uit de duim te zuigen; het staat er gewoon. Paulus behandelt dit en het antwoord is magistraal, dat kan ik u vertellen.
Eerst trouwens nog even dit, want dit is een heel belangrijk ding. Ongetwijfeld zal dat destijds door Gerard ook naar voren gebracht zijn, maar dit kan niet genoeg benadrukt worden. Er staat in deze tweede zin: “Want wie heeft Zijn bedoeling weerstaan?” Waarom wijs ik daarop? Omdat in bijna alle gangbare vertalingen — ik noem de NBG ’51 en de Telos-vertaling, maar ik weet dat het in Engelse vertalingen hetzelfde liedje is — men vertaalt: “Want wie heeft Zijn wil weerstaan?” Maar ik zal u vertellen dat dit niet is wat Paulus zegt.
Er is namelijk een heel ander woord voor ‘wil’. Het woord voor wil in het Grieks is theléma. Het woord voor ‘bedoeling’, ‘intentie’ of ‘raad’ is het woordje bouléma. Theléma en bouléma. Het ene heeft te maken met de wil, het andere heeft te maken met de bedoeling. Er is een Schriftplaats waarin beide termen in één frase worden gebruikt, en dat is in Efeze 1 vers 11 — makkelijk te onthouden, allemaal eentjes. Daar wordt gesproken over de raad, want er staat dat God in het al werkt naar de raad van Zijn wil, ofwel naar de bedoeling. De raad is dat wat je plant, wat je beraamt, wat je intenties zijn.
In dit geval is het onmiskenbaar: “Wie heeft Zijn bedoeling weerstaan?” Dat is wat Paulus hier zegt. Heeft Farao Gods bedoeling weerstaan? Het antwoord op deze retorische vraag is: nee. Niemand heeft Gods raad weerstaan, ook Farao niet. Maar om het even zuiver te stellen: heeft Farao Gods wil weerstaan? Jazeker, want Gods wil was: “Laat Mijn volk gaan.” Maar wat Farao niet wist, was de opzet, de bedoeling, de verborgen agenda om het zo te zeggen. Gods intentie, Zijn raad of welk woord je er ook voor wilt gebruiken; daarvan was Farao niet op de hoogte. En die raad van God heeft Farao niet weerstaan.
Ik ga het nog anders zeggen: nooit en niemand heeft ooit Gods bedoeling weerstaan. Wat er ook gebeurt, alles is — en dat is het geweldige van die waarheid in Efeze 1 vers 11 — naar Zijn raad. Er gebeurt heel veel tegen Gods wil. Eigenlijk gaat in de hele wereld bijna alles wat er gebeurt tegen Gods wil in. Maar niets gaat tegen Zijn bedoeling in. Dat is het grote verschil. Daarom is het zo belangrijk om dat onderscheid scherp te hebben: er gebeurt heel veel tegen Gods wil, maar er gaat niets in tegen Zijn bedoeling. Ik zeg trouwens niet eens dat alles Zijn bedoeling is, maar alles is naar Zijn bedoeling, naar Zijn raad. Hoort u het verschil? Het is een subtiel verschil: het is in overeenstemming met Zijn raad. Was het de bedoeling dat Farao omkwam? Je kunt ja en nee zeggen, maar het is niet de uiteindelijke bedoeling, want God heeft een uiteindelijke bedoeling met Farao die nog lang niet gerealiseerd is. Maar het was wel naar Zijn raad, in overeenstemming daarmee en helemaal conform dat wat God Zich voorgenomen heeft in Zijn plan.
Dus: wat verwijt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn bedoeling weerstaan? Het antwoord is dus: niemand. Maar er is nog een tekst die ik in dit verband moet noemen. Ik had het zojuist al even over de wil van de koning, maar in dit geval haal ik een tekst aan uit het boek Spreuken. Die blijf ik magistraal vinden, omdat het hier ook zo expliciet staat. Zelfs als je denkt: “Ja, dat ‘alles’ zal wel tussen aanhalingstekens staan en niet letterlijk bedoeld zijn,” dan worden hier de puntjes op de i gezet. Er staat: “Jahweh (of de Heer) heeft alles gemaakt voor Zijn doel, ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het kwaad.” Je zou misschien verwachten dat er stond: “God heeft alles gemaakt voor Zijn doel, behalve de goddeloze,” maar nee, er staat: “ja, zelfs de goddeloze voor de dag van het kwaad.” Die dag van het kwaad en die goddeloze zijn daar dus helemaal volgens Zijn bedoeling.
Daarom blijf ik zeggen: het is de waarheid die zo logisch voortvloeit uit het feit dat God de Plaatser is. Bij Hem gaat er nooit iets mis, oftewel: alles wat plaatsvindt, heeft een bedoeling. Waarom? Omdat God de Plaatser is, Hij is de Theos. Afgelopen vrijdag hadden we bezoek en toen hadden we een heel gesprek over deze dingen. Het is iets waar zoveel mensen tegenaan lopen: “Dat kan toch niet?” Maar dank God op je blote knietjes dat we werkelijk zo’n God hebben. Want als er inderdaad een God is, dan is zelfs de meest goddeloze daad die je maar kunt bedenken, of het kwaad dat nog gaat komen, onder Zijn regie. Nooit gaat er bij Hem iets fout.
U zal nu tot mij zeggen: “Wat verwijt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn bedoeling weerstaan?” Het antwoord is: nou, niemand. Maar nu komt Paulus met zijn reactie: “Zeker, o mens…” Hij bevestigt in feite de conclusie dat niemand Zijn bedoeling heeft weerstaan, maar hij zegt: “Nu even wat anders.”
Wie Bent U, O Mens? het Onzinnige van Verantwoordelijkheid ↑ hoofdstukken
Wie bent u dat u God tegenspreekt? Voordat Paulus nu antwoord gaat geven op de vraag zelf, zet hij de vraagsteller even op zijn plek. Het gaat er niet om wat het antwoord is op de vraag, maar hij zegt: wie bent u dat u God tegenspreekt? Eigenlijk: wat verbeeld je je hier nou? Weet je het beter soms?
Maar nu het antwoord op de vraag zelf. Eigenlijk beantwoordt hij het aan de hand van een metafoor. Ik zei al: eigenlijk is het meer dan een metafoor dat wij klei zijn. Dat is letterlijk zo. Maar hier is de gedachte vooral: wij zijn klei en er is Eén die ons gevormd heeft. Je kunt zeggen dat we uit de klei getrokken zijn. Door wie dan? En wie zijn wij? Nou, we zijn geformeerd. Dat is een mooi woord in dit verband als we het dan toch hebben over pottenbakken. We zijn gevormd. Hij is de Schepper, de Creator, Hij heeft ons bedacht en bovendien: Hij vormt ons.
Nu komt het: “Het geboetseerde zal toch niet tegen de boetseerder zeggen: waarom maakt u mij zo?” Ik bedoel, dan kun je zeggen: iets wat geboetseerd is door een pottenbakker kan niet praten. Nee, maar gesteld dat het wel zou kunnen praten, hypothetisch, dan nog is de vraag buiten de orde. Waarom? De verhouding mens-God loopt volstrekt parallel met die van het geboetseerde en de boetseerder. Paulus vervolgt dan met: “Of heeft de pottenbakker van het leem niet de volmacht of het recht om uit hetzelfde kneedsel…” – je hebt dus een klomp klei, en daar maak je het ene uit en het andere.
Dat is ook het punt waar we zojuist in dat gesprek op kwamen: hoe zit het dan met onze verantwoordelijkheid? Als God de boetseerder is en wij zijn het geboetseerde, hebben wij dan geen verantwoordelijkheid? Wie is er verantwoordelijk? Het hele verhaal is dat in deze vergelijking, in deze setting, het hele begrip ‘verantwoordelijkheid’ gewoon misplaatst is. Dat begrip dient geen enkel doel; het gaat daar nergens over. Het leem is niet verantwoordelijk ten opzichte van de pottenbakker. Wat doet leem? Leem is gewoon het lijdend voorwerp dat wordt gevormd. Is leem verantwoordelijk ten opzichte van de pottenbakker?
Maar nu even omgekeerd: is de pottenbakker verantwoordelijk voor het leem? Verantwoording in de zin van: moet hij verantwoording afleggen? Het hele idee dat God verantwoordelijk is… ik heb mensen dat horen zeggen, maar dat is niet Bijbels. Want dat suggereert alsof wij Hem op het matje kunnen roepen en zeggen: “Waarom doet u dat zo?” Hoezo? Hij is de pottenbakker. Als jij een pot bakt… oké, je bent een pottenbakker. Je kunt ook een koekenbakker zijn, maar dat kun je beter in de politiek doen. Maar als je een pottenbakker bent, dan ben je toch volkomen vrij om te maken wat je wilt? Net wat jij beoogt. En dat hoef jij toch niet te verantwoorden? Naar wie dan toe? En ook niet naar dat wat je maakt. Dat is gewoon bizar. Zoals het ook bizar is om te denken dat het boetselsel verantwoordelijk is. Het hele begrip verantwoordelijkheid speelt hierin geen rol.
Natuurlijk bestaat er wel zoiets als verantwoordelijkheid. Ik ben verantwoordelijk ten opzichte van bijvoorbeeld Petra. Nou, dat is een beetje een lastig punt nu natuurlijk, want ze zit erbij. Nee, ik bedoel dit te zeggen: laat ik een ander voorbeeld nemen. Dat geldt ook voor ouders en kinderen. Je kunt je kind ter verantwoording roepen, nietwaar? Feitelijk is het zo dat zolang een kind nog niet volwassen is, het in de juridische zin niet eens verantwoordelijk is. Een kind van tien jaar kan een moord begaan, maar is het verantwoordelijk? Nee, helemaal niet. Het kan inderdaad zijn dat er maatregelen genomen moeten worden, maar verantwoordelijk is dat kind zelfs in de juridische zin niet. Sterker nog, de vader of de ouders zijn verantwoordelijk. Zij wel.
Begrijp me goed: ik ontken dus niet het begrip verantwoordelijkheid. Er zijn allerlei verhoudingen waarin dat geldt. Je moet maar eens aan je baas vragen of je verantwoording moet afleggen. Je bent verantwoordelijk; jij moet respons geven. Dat is ‘responsibility’, dat is eigenlijk een mooi woord: ‘response-ability’. Je hebt het vermogen om te responderen, om te antwoorden, om te reageren. En je kunt ook inderdaad op het matje geroepen worden. Dat is verantwoordelijkheid. In allerlei verhoudingen bestaat dat begrip verantwoordelijkheid, maar als het gaat om de verhouding pottenbakker-leem, gaat het helemaal nergens over. Niet naar de ene kant, en niet naar de andere kant.
Zo is het ook met God en de mens. God vormt ons. De pottenbakker vormt dat klei. Laat ik het anders zeggen: toen God bij Farao al die plagen over het land Egypte bracht en over het huis van Farao, verweet God hem toen iets? Nee, God vormde Farao daardoor. “Oh, nog steeds niet? Oké, dan vormen we weer verder.” Dus eigenlijk vormden al die acties en al die omstandigheden Farao. Alles wat ons in ons leven tegemoetkomt of wat op ons pad komt, wat ons toevalt, dat vormt ons. Soms misvormt het ons, maar in ieder geval beïnvloedt het ons. En dat is God. Hij vormt ons.
In feite gaat dat proces ook door. Zelfs straks bij de grote witte troon, als de doden worden opgewekt en de boeken opengaan. In feite is dat het klapstuk, het grote werk dat God dan nog met de mens gaat doen. Dan gaat Hij vertellen wie Hij is en wat Hij ooit gedaan heeft. Reken maar dat Farao straks nog wat te zien gaat krijgen hoor. Als hij bij de grote witte troon staat, zal hij Gods weg zien. Hij kwam om in de Rode Zee met zijn hele leger; dat is het laatste wat Farao heeft meegemaakt en sindsdien stond voor hem de klok stil. Straks wordt hij weer opgewekt – dat duurt nog dik duizend jaar zeker – maar dan staat hij bij die troon en gaan de boeken open. Alles wordt openbaar. Dan gaat Farao nog dingen zien.
Niet in de zin van verwijten. Ik lees bij de grote witte troon helemaal niet over verwijten. Er wordt trouwens ook geen wanklank vernomen. Alles wordt zodanig openbaar dat er ook geen woord van kritiek meer zal zijn. “Hoe heb je dat kunnen doen?” Nee! Het wordt allemaal duidelijk. Alles wordt duidelijk. Ook wie God is geweest ooit, en Farao zal daar gewoon zijn knieën buigen. Hoe dat dan verder gaat, dat is nog even een ander verhaal, maar in ieder geval is God nog niet klaar. Zijn werk is nog niet gereed en Zijn schepselen gaan het allemaal nog zien.
Dus ja, om even terug te komen op dat begrip verantwoordelijkheid: forget it. Hij vormt ook door kritiek. God criticeert inderdaad ook door de omstandigheden. Zo vormt Hij ons naar wat Hem voor ogen staat. Trouwens, ‘kritiek’… dat bedenk ik me nu terwijl ik het zeg: ons woord ‘crisis’ komt gewoon direct van het woord voor kritiek. Als God kritiek uitoefent, dan brengt Hij een mens in een crisis. Ik weet dat dat soms allerlei gevoelswaarden kan hebben, maar u begrijpt nu wat ik bedoel. Door een crisis wordt een mens namelijk gevormd. Dat is ook waarom een crisis zich vaak ‘keert’; zo gebruiken wij het ook. Het keert zich tegen ons, zo voelen we dat ook. We zijn nooit blij met een crisis, nee, maar het heeft wel een hele vormende waarde. Kijk, dat is de grote Pottenbakker en Hij brengt inderdaad Zijn schepselen, zoals een pottenbakker doet, zo onder druk.
Het Recht van de Pottenbakker: Vaten van Eer en Zonder Eer ↑ hoofdstukken
Of heeft de pottenbakker van het leem niet het recht om uit hetzelfde kneedsel het ene voorwerp te maken tot eer? Hij kan een siervaas maken, of een servies, of een wandbord. Dat is allemaal iets om mee te pronken; dat is een voorwerp van eer. Maar hij kan uit diezelfde klomp — of hoe staat het hier: hetzelfde kneedsel — ook een vat maken, een voorwerp zonder eer. Er staat ‘zonder eer’. Dat is een beetje een lastig begrip, want het hoeft niet per se te betekenen wat men in het Engels ‘dishonor’ noemt. Het is gewoon ‘zonder eer’. Het betekent niet het tegenovergestelde van eer, zo moet ik het zeggen; het is niet per se een ontering, maar het is gewoon zonder eer. Zonder dat het een pronkende waarde heeft.
In feite is dat ook wat een pottenbakker doet: hij kan ook een afvalbak maken of een toiletpot of weet ik veel wat. Nou, daar pronk je niet mee. Het is trouwens in al die gevallen zo dat die pottenbakker niet zomaar wat doet. Hij maakt er geen potje van. Nee, ik heb het over de Pottenbakker: Hij vormt ook die toiletpot, die afvalbak of een asbak heel bewust. Het is allemaal nuttig. Alleen zit het ene onder het bed, zeg maar, en het andere hang je aan de muur. Ja, dat is het verschil, maar in beide gevallen heeft het allemaal een nut. Het idee is: de pottenbakker maakt gewoon, en het ene met eer en het ander zonder eer. Met Mozes en het volk van Israël had Hij een bepaald plan om mee te pronken, inderdaad. En Farao en het leger, dat waren voorwerpen, vaten zonder eer.
Dan zeg ik maar: dat is sneu en zielig voor hem. Ja, als je het hele verhaal niet kent wel. Maar daar gaat het trouwens in dit geval niet eens om. Het gaat erom: heeft God dat recht, ja of nee? En natuurlijk, wat verbeeld je je om Hem daarin tegen te spreken, dat Hij het recht niet zou hebben? Want dezelfde mensen die daar God op critiseren, die hebben er niet de minste moeite mee om te zeggen: ‘Nou, als ik pottenbakker ben, dan vind ik dat ik uit het ene stuk leem het ene tot eer en het andere zonder eer maak.’ Niemand heeft daar enige moeite mee. Dat is evident, daar hoef je je niet voor te verantwoorden; dat is gewoon logisch, dat is jouw recht. Maar waarom zou je het God dan ontzeggen? Dat is bizar, het slaat helemaal nergens op en het mist elke grond.
En dan vers 22: “Indien God nu zijn toorn wil betonen en zijn capaciteit bekendmaken…” Zijn vermogen, zijn dynamis staat hier. Ik denk trouwens dat het woordje ‘en’ hier de betekenis heeft van een nadere verklaring, in de zin van ‘namelijk’. Indien God nu Zijn toorn wil betonen, namelijk Zijn capaciteit wil bekendmaken. Want Gods toorn maakt duidelijk waartoe Hij in staat is. En als God dat nou wil, als God Zijn capaciteit wil etaleren en bekend wil maken… en er staat bij, het is eigenlijk een bijzin die ik expres even tussen haakjes heb gezet: “(in veel geduld voorwerpen van toorn heeft verdragen)”. An passant doet God dat daar ook nog eens. Hij gaat niet alleen Zijn toorn betonen, maar voordat Hij dat doet, heeft Hij ook betoond dat Hij geduldig is en niet zomaar ingrijpt. Dat zie je ook in de geschiedenis van Farao. Het is pas bij de tiende gelegenheid dat het definitief was, maar God heeft veel geduld gedemonstreerd.
Om even nog terug te grijpen op wat ik er zojuist over had: als Farao straks na de duizend jaren bij de Grote Witte Troon staat, dan kan hij niet zeggen: ‘U hebt mij ook niet de kans gegeven.’ Nee, in veel geduld heeft God voorwerpen van toorn verdragen. En ik weet wel, het bezwaar tegen deze hele gedachtegang is vaak: ‘Ja, maar eigenlijk zijn wij dan niet meer dan een robot.’ Maar met een robot geef je jezelf nog te veel eer. Nee, want je bent namelijk gewoon klei. Bij een robot weet u wel hoe dat gaat in de techniek: die wordt bestuurd, maar op een gegeven ogenblik gaat het fout en die kan allerlei dingen doen die de maker dan weer niet bedoeld heeft. Nee, we zijn gewoon klei, we zijn gewoon klei in de hand van de Pottenbakker. Herken dat nou gewoon. En God heeft een plan.
In feite is wat God doet heel creatief. Hier wordt het dan vergeleken met een pottenbakker die vormt, maar er zijn zoveel creatieve dingen. Ik bedoel bijvoorbeeld een schrijver. Wat doet een schrijver? Die maakt bepaalde personages en je hebt de good guy en de bad guy. Of je bent een scriptwriter en je schrijft een film, en dan heb je ook de good guy en de bad guy. Dat zijn allemaal rollen die je op dat toneel ziet, want dat is eigenlijk een beetje de gedachte: God is creatief en Hij voert iets op. The world is a stage. Wie was dat die dat zei? Nou ja, het was Shakespeare, ik meen van wel. En dat wij daar allemaal actoren in zijn.
Maar God is de Regisseur. En God inderdaad, elk mens en alle situaties, het is geregisseerd. Of Hij is de Beeldhouwer, Hij vormt, of de Muziekschrijver. En Hij gebruikt daarin allerlei elementen om Zijn intentie te demonstreren. En dat is in feite wat elk creatief iemand ook doet. Je hebt materiaal ter beschikking en ongeacht of je nou schrijver bent of je bent beeldhouwer of weet ik veel wat, je gebruikt je materiaal en je vormt dat. Je hebt daar een bepaalde gedachte mee, je hebt een intentie en je schrijft dat. Je hebt een plan en God wil Zijn capaciteit demonstreren, maar ook Zijn toorn, maar ook Zijn geduld. Alles heeft een plaats in Zijn plan.
En er staat nog bij: “ook in geduld heeft hij voorwerpen van toorn verdragen die toebereid waren tot ondergang.” Dat is in dit geval dus het voorbeeld wat zojuist door Paulus beschreven was: Farao en zijn leger. Dat kwam om daar in de Schelfzee — de Rode Zee. Ze waren inderdaad toebereid tot de ondergang, dat was ook de bedoeling. En er staat al bij in vers 23: “juist opdat hij bekend zou maken de rijkdom van zijn heerlijkheid over voorwerpen van ontferming.” En ik heb expres dit plaatje dan maar even bijgezet, want aan de ene kant heb je daar het leger van Farao dat omkwam in de zee. Ja, maar dat was juist omdat God een plan had met die voorwerpen van ontferming om hen juist iets te bewijzen. En beide elementen hebben een plaats in dat plan. En wat Paulus feitelijk hier doet is laten zien: ja, God heeft een voornemen en in dat voornemen roept Hij mensen.
De Bevoorrechte Eerstelingen en Ontferming voor Allen ↑ hoofdstukken
Ik vraag me wel eens af – en ik vraag het ook mezelf af: hebben we wel voldoende in de gaten hoe geweldig het is als je in deze tijd geroepen wordt? Ik bedoel, God heeft een geweldig plan met de heilige schepping en met elk mens: Farao, de legers, noem maar op, niemand uitgezonderd. Maar het feit dat er enkelingen zijn – en relatief is dat toch zo – die geroepen worden; Hij opent je ogen. Je mag dingen zien. Waarom? Omdat je Hem gezocht hebt? Als je het al zo wilt zeggen, dan heb ik een medevraag: hoe komt het dat je Hem gezocht hebt? Wie heeft dat dan in jouw hart gelegd? Wie heeft zichzelf gemaakt? Het hele idee dat je zegt: “Ja, maar dat heb ik van mezelf.” Ik bedoel, jouw hele DNA, waar we geboren worden, waar ons wiegje gestaan heeft, wie ons opgevoed heeft, met welke kennis we bijgebracht zijn en hoe de genen zich gekoppeld hebben en hoe dat dan vervolgens uitwerkt… Dat het gebeurt, is niet aan ons gevraagd, toch? En hóé het gebeurt, is ook niet aan ons gevraagd.
Al die omstandigheden die ons gemaakt hebben tot wat we zijn – extern, ik bedoel de omstandigheden, maar ook intern, gewoon hoe we denken en wat we denken, en waaróm we op die manier denken, onze zwakheden, onze sterke punten, et cetera – wij zijn creatie. We zijn gemaakt. Dus wat verbeeld je je? Het loutere feit dat je dat zicht mag hebben, dat komt omdat Hij jouw ogen daarvoor geopend heeft, of je oren geopend heeft en je hart geopend heeft. Dat lees je allemaal in de Bijbel. En als je het niet ziet… je gaat een ander ook niet verwijten dat hij blind is of doof. Ik bedoel, God… “het oog dat ziet, het oor dat hoort, beide heeft Hij gemaakt”. That’s it. Ja, en waar is de roem? Nou, nergens; die is uitgesloten. Ja, roem nu maar in God die mensen bevoorrecht. Ik bedoel, Hij heeft een geweldig plan met elk schepsel, maar als je Hem vandaag al mag kennen, dan ben je echt wel een hele grote bofkant hoor. En bevoorrecht; een lot uit de loterij.
Je kunt het ook van de andere kant benaderen: omdat het een loterij is, voel ik me soms vaak wel verrekte eenzaam. Want met wie kan ik het delen? Dat is dan weer de andere kant. Ja, maar it’s all in the game, dat hoort er ook bij. Een eersteling is eenzaam. Niet iedereen kan winnen? Nee, precies, er kan er maar één de eerste zijn. Dus ja, er staat nog bij: “de voorwerpen die Hij tevoren gereed had gemaakt tot heerlijkheid, naar Zijn voornemen geroepenen en voorbestemd”. Dat is ook Romeinen.
Maar laat ik nu even afsluiten met deze woorden van Paulus. Waar we het nu over gehad hebben, is Romeinen 9. Uiteindelijk is het zo, in Romeinen 11 vers 32… Paulus gaat stapje voor stapje verder in zijn betoog en dan komt hij uiteindelijk bij de conclusie: “Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten” – onder weerbarstigheid – “om Zich over allen te ontfermen.” Daarom. Kijk, dat “niet ontfermd” zijn, dat is geen definitieve status. Dat is trouwens ook Romeinen 9. Paulus zegt – als we even hadden doorgelezen – over de status van… want God heeft de niet-ontfermde, “niet-Mijn-volk”, Lo-Ammi, Lo-Ruchama, heeft Hij tot ontferming gemaakt. Dus “niet-ontfermd” is geen definitieve status. Het is een bepaalde rangorde. Zoals Israël momenteel Lo-Ruchama is, Lo-Ammi. Ja, maar dat is juist opdat Hij op Zijn tijd en wijze dat volk weer tot Ruchama en Ammi maakt, of “Mijn volk”. Dus: geen definitieve status.
Ik vind het ook mooi dat in het Hebreeuws het woord voor “gehaat” – en dat staat daar over Ezau: “Jakob heb ik liefgehad, Ezau heb ik gehaat” – dat woord in het Hebreeuws letterlijk betekent: “op de tweede plaats gesteld”. Er zit het woordje sheni in en dat betekent eigenlijk “de tweede”. Het is een rangorde: “de oudste zal de jongste dienstbaar zijn”. Jakob was de tweede, maar hij kreeg de eerste plaats, en Ezau wordt op de tweede plaats gezet. Hoe was het ook weer? “Vele eersten zullen de laatste zijn”. En omgekeerd. Zo gaat dat. Maar het is een kwestie van rangorde. Ieder in zijn eigen rangorde. Dat is net als in het leger; er zijn hoge posities. En bij een wedstrijd, zoals zojuist al naar voren werd gebracht: je hebt eerste plaatsen, je hebt een tweede plaats. Christus is de Eersteling, en wij vandaag zijn ook eerstelingen. En de rest gaat nog volgen.
Eén ding is – en dat is waar ik aan het begin van de toespraak op wees – waarom mensen zoveel problemen hebben met uitverkiezing: dat ze niet zien dat God altijd uitkiest ten dienste van de rest, niet ten koste van. “O, jij wel, jij bent voor de hemel bestemd en de rest is allemaal brandhout voor de hel.” That’s it. Ja, sorry, het is bizar, maar het is ook blasfemisch om zulke dingen te leren. Ik vind dat echt vloeken in de kerk. Namelijk… ik bedoel God… je vervloekt feitelijk God als je Hem van zulke dingen beticht. Wie denkt? God beschikt! God sluit ogen, maar Hij opent ook ogen, allemaal op Zijn tijd. Om Zich over allen te ontfermen. Ieder in zijn eigen rangorde. En daar wilde ik het bij laten, want ik zie dat ik inmiddels al over het uur heen ben.
UltimateGoodNews