verdeeldheid om de Christus
16-10-2022 - Geplaatst door Andre Piet16 oktober 2022, Rotterdam EH
In Johannes 7:37-52 wordt beschreven hoe Jezus op de laatste, grote dag van het Loofhuttenfeest (21/22 Tishri! – vandaag dus), een profetie uitriep over levende wateren die vanuit het binnenste zouden vloeien. In Jeruzalem nam ondertussen de verdeeldheid over Jezus’ persoon, tekenen en woorden met de dag toe. Vooral de leidslieden zagen deze verdeeldheid met lede ogen aan en probeerden Jezus te arresteren. Maar zijn tijd was nog niet gekomen…
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: de Profetische Betekenis van het Loofhuttenfeest
- De Laatste, Grote Dag van het Feest en de Achtste Dag
- Stromen van Levend Water en de Levendmakende Geest
- Verwarring over de Afkomst van Dé Profeet en de Christus
- Schisma: Verdeeldheid Omwille van de Waarheid
- Het Onweerlegbare Gezag: Nooit Heeft een Mens Zó Gesproken
- De Drogredenen van de Religieuze Oversten
- Minachting voor het Volk en de Verdediging Door Nicodemus
- Afsluiting: een Onweerstaanbare Bron van Levend Water
Inleiding: de Profetische Betekenis van het Loofhuttenfeest ↑ hoofdstukken
Een hele goede morgen, vrienden, hier in Rotterdam! Goed om hier weer eens te mogen zijn. Het is enige maanden geleden dat ik hier voor het laatst stond. Ik stel voor dat wij het inderdaad gaan hebben over het gedeelte dat zojuist is voorgelezen door Els. Weet u dat het vandaag een heel bijzondere datum is? Ik moet er iets bij zeggen: niet zozeer op onze kalender, althans niet bij mijn weten, maar als je het converteert naar de Hebreeuwse datum, dan zie je het zeker. Als u zich wel eens hebt beziggehouden met de kalender van Israël, dan weet u – of zou u kunnen weten – dat het vandaag de 21ste Tishri is. Dat zegt u misschien nog niet zoveel, maar het betekent dat het de laatste dag is van het Loofhuttenfeest. Dat betekent eigenlijk ook, want de Joodse dagen rekenen van zonsondergang tot zonsondergang, dat vanavond de 22ste aanvangt. Dat is ook weer een heel bijzondere dag, die ook wel wordt gerekend tot de laatste dag van het Loofhuttenfeest. Ik kom daar straks nog even op terug. Morgen, eigenlijk dus vanavond, begint de achtste dag van het Loofhuttenfeest. Dat wordt ook wel genoemd – ik zeg het even kort door de bocht, want het is wat genuanceerder dan ik het nu zeg – Simchat Torah: de vreugde der wet. Dat is de afsluiting van een reeks dagen.
U moet weten: er waren een drietal hoogtijden waarbij Israëlieten geacht werden, wanneer zij in het land waren, om naar Jeruzalem te trekken. Dat was met Pascha, vijftig dagen later met Pinksteren, en ook in de zevende maand, in het najaar. De exacte datum hangt er een beetje vanaf, want de Hebreeuwse kalender is gebaseerd op de maan en de onze op de zon. Dat betekent in de praktijk dat een nieuwe maand bij de Joden – dat geldt trouwens voor de moslims ook, zij hebben ook een maankalender – per definitie nieuwe maan is. Zoals de vijftiende van de maand per definitie altijd volle maan is. Vorige week begon het Loofhuttenfeest op de vijftiende, en vandaag is het dus de zevende dag. Vanavond begint de achtste dag. Simchat Torah, waar ik het zojuist over had, is een dag waarvan de naam het al zegt: de vreugde der wet. Men viert dan werkelijk het feest dat God aan het volk de Torah heeft gegeven.
Laat ik een aantal dingen ter inleiding zeggen over het gedeelte dat we zojuist hebben gelezen. We gaan er straks vers voor vers doorheen, maar eerst even wat vooraf. Dit waar we het nu over hebben, speelt zich af tijdens het Loofhuttenfeest. Dat heeft Els zojuist niet voorgelezen, maar als je de tekst die daaraan voorafgaat erbij zou betrekken, dan zou je zien dat het inderdaad over het Loofhuttenfeest gaat. In het jaar 29 van onze jaartelling – maar dat doet er verder niet toe – lees je dat de broers van Jezus vanuit Galilea naar Jeruzalem optrekken. Jezus gaat dan niet, maar later gaat Hij toch. Hij arriveert wat later tijdens het Loofhuttenfeest, als het feest inmiddels al halverwege is. Dat deed Hij echter ‘stiekem’; Hij ging op een verborgen wijze, buiten zijn broers om.
Ik hoop dat u ook een beetje met een ‘dubbele bodem’ luistert. Dat is misschien wat vreemd gezegd, maar ik bedoel dat u voelt dat hier meer achter steekt. Zijn broeders hadden hier even niets mee te maken; voor hen was het verborgen, maar de Heer ging wel, zij het verborgen. Dit Loofhuttenfeest vindt trouwens exact een half jaar voorafgaand aan de kruisiging plaats. In het najaar, ergens in september of oktober, viert de Heer Jezus deze hoogtijd nog, en een half jaar later – dan praten we over de eerste maand van het Joodse jaar – is Hij gekruisigd. Dat was op de dag van het Pascha. Alles was voorzegd. Het is zo bijzonder hoe al die hoogtijden een profetische betekenis hebben.
Er zijn eigenlijk twee groepen hoogtijden: de hoogtijden in de eerste maand en de hoogtijden in de zevende maand. De hoogtijden in de eerste maand – het Pascha, de eerstelingschoof – zijn allemaal vervuld bij de eerste komst van Christus. Zoals de hoogtijden in de zevende maand – als de bazuin zal klinken, als de Grote Verzoendag voor het volk zal aanbreken, maar ook het Loofhuttenfeest – allemaal te maken hebben met de tweede komst van Christus, wanneer het Messiaanse Rijk zal aanbreken.
De Laatste, Grote Dag van het Feest en de Achtste Dag ↑ hoofdstukken
Laten we naar dat gedeelte toegaan en er vers voor vers doorheen gaan. Zoals u van mij gewend bent, ziet u onderaan de tekst staan. Ik weet niet of het daar achterin helemaal goed mee te lezen is, maar voor degenen die het later op internet bekijken, is het mogelijk om in te zoomen. In ieder geval staat daar de grondtekst, zoals die in het origineel staat, met de meest letterlijke weergave. In vers 37 staat: “En op de laatste, de grote dag van het feest nu, stond Jezus.” Het feest waar het hier om gaat, is het Loofhuttenfeest. De vraag is echter: wat is die laatste dag? De meeste uitleggers zeggen dat dit de zevende dag van het feest is, en daar is zeker wat voor te zeggen. Maar laten we daar eens op inzoomen.
Wat lezen we in Leviticus 23? Dat is het hoofdstuk bij uitstek waarin we in goede orde de hoogtijden van JAHWEH vinden. Zo worden ze namelijk genoemd: het zijn niet zomaar Joodse hoogtijden, het zijn de hoogtijden van JAHWEH, zoals Hij die aan Zijn volk Israël heeft gegeven. In Leviticus 23 wordt ook het Loofhuttenfeest besproken en wordt uitgelegd hoe dat gevierd moet worden. Er staat: “Spreek tot de Israëlieten: op de vijftiende dag van deze zevende maand begint het Loofhuttenfeest voor JAHWEH, zeven dagen lang.” Dit is de maand Tishri. Als je dat naar onze tijd omzet, begon dat feest vorige week zondag; dat was trouwens ook volle maan. Het Loofhuttenfeest voor JAHWEH duurt zeven dagen lang en aangezien het nu de 21e is, is dit dus de laatste dag van het feest.
Over die zevende maand moet ik nog iets zeggen: de zeven is echt zo’n getal waar je over struikelt. Het is de zevende maand, maar het is ook de zevende hoogtijd in het boek Leviticus. Bovendien duurt het feest zeven dagen lang. Als er één getal is dat dit feest markeert, dan is het wel het getal zeven. Het getal zeven verwijst naar de grote Sabbat, de zevende dag die God gereserveerd heeft voor Zijn volk. Daarmee bedoel ik niet de zevende dag van de week, maar de grote dag die God gereserveerd heeft voor deze schepping: de wereldsabbat. Dat is het Messiaanse Rijk en, als u het mij vraagt, het zevende millennium. Als je rekent vanaf Adam, dan zijn er nu zes millennia voorbijgegaan en staan we op het punt dat het zevende millennium gaat aanvangen. We zitten hier echt aan het einde.
Els vroeg zich af of de dingen die we om ons heen zien te maken hebben met de eindtijd. Als u het mij vraagt – en dan heb ik het niet specifiek over de Oekraïne – hebben de dingen die nu gaande zijn zeker te maken met dat wat voorzegd is en wat in de nabije toekomst gaat aanbreken. Dat kan niet missen. Daar heeft het Loofhuttenfeest ook alles mee te maken. Ik lees even verder in Leviticus 23 over dat feest: “Zeven dagen zult u JAHWEH een vuuroffer brengen. Op de achtste dag zult u een heilige samenkomst hebben.” Dat begint dus vanavond: de achtste dag van Sukkot. “Op de achtste dag zult u een heilige samenkomst hebben en JAHWEH een vuuroffer brengen.” Eerst stond er dat u zeven dagen lang een vuuroffer moet brengen, maar wat moeten ze op de achtste dag doen? Dan brengen ze de Heer ook een vuuroffer. Is het dan toch acht dagen? Het is in ieder geval een feest, een hoogtijd. Mijn stem wordt er niet beter op, geloof ik; dat was de vorige keer dat ik hier stond ook al zo. Het zal toch niet aan deze zaal liggen? Nee, het is geen ontroering. Nog niet. Ik hoop dat het allemaal goed blijft gaan.
Het is een feest, een hoogtijd: “Generlei slaafse arbeid zult u verrichten.” Dat gaat over die achtste dag. In vers 39 wordt er nog iets samenvattends gezegd over dat Loofhuttenfeest: “Op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer u de opbrengst van het land inzamelt, zult u zeven dagen het feest van JAHWEH vieren. Op de eerste dag zal er rust zijn en op de achtste dag zal er rust zijn.” Nu stel ik nog een keer de vraag: wat is nu de laatste, de grote dag van het feest? Wat zou u zeggen? We doen het niet democratisch, maar lees wat er staat. Dan zijn er eigenlijk twee opties. Het feest duurt zeven dagen, dus de 21e is gewoon de laatste dag van het Loofhuttenfeest. Maar die achtste dag geldt kennelijk als een afsluiting, maar ook eigenlijk als een soort bijlage. Zo wordt het trouwens ook gevierd. Die achtste dag hoort er strikt genomen niet bij, en toch stiekem wel. Meer kan ik er niet van maken, want het heeft een wat geheimzinnige functie.
Over die achtste dag is trouwens nog een heel apart verhaal te vertellen. Als je een beetje kennis van de Schrift hebt, weet je dat we die dag vaker tegenkomen. Het eerste waar je aan denkt bij de achtste dag, is de besnijdenis. Een Israëlisch jongetje werd op de achtste dag besneden. Er is nog een voorbeeld, en als u het mij vraagt heb je dan ook meteen de vervulling: de eerstelingsschoof. Daarover lees je ook in Leviticus 23. Die wordt gebracht op de dag “daags na de Sabbat”. Dat was dus de Sabbat en de dag daarna de achtste dag. Het is ook de dag waarvan je van tevoren had kunnen weten dat de Heer Jezus zou opstaan uit het graf als Eersteling. Hij stierf op de dag van het Pascha en Hij stond op op de dag van de eerstelingsschoof, daags na de Sabbat.
De achtste dag vind je inderdaad bij meerdere gelegenheden terug. Het is heel opmerkelijk – en dit is geen Bijbels argument, maar het laat wel zien hoe God werkt met zeventallen – hoe wij die reeksen ook in de muziek kennen. Een toonladder bestaat uit Do, Re, Mi, Fa, Sol, La, Ti; dat zijn er zeven. De achtste is echter weer de eerste van een nieuwe reeks: het octaaf. “Octo” betekent ook weer acht. Oktober betekent eigenlijk ook de achtste, ook al is het nu de tiende maand om het ingewikkeld te maken. November is de negende en december is de tiende. Januari is dan de elfde en februari de twaalfde. Dan weet u ook meteen waarom februari de schrikkelmaand is; oorspronkelijk begon het jaar te tellen in maart. Maar dat even terzijde.
God werkt in zeventallen. Wij rekenen in weken van zeven dagen. En hoeveel kleuren zijn er? Dat is tegenwoordig een beetje lastig, want u ziet overal vlaggen wapperen met een regenboog. Maar die regenboogvlag kunt u vergeten, want die heeft maar zes kleuren. Dan weet je meteen al dat het niet klopt. De echte regenboog heeft zeven kleuren. De zevende dag spreekt van die laatste dag die God gereserveerd heeft voor deze schepping: die duizend jaren, het millennium dat nog gaat aanbreken.
Stromen van Levend Water en de Levendmakende Geest ↑ hoofdstukken
Op de laatste, de grote dag van het feest — en nu weten we waar we het over hebben, de zevende of de achtste dag. Ik opteer voor de laatste, maar daar gaan we geen ruzie over maken. Op die dag stond Jezus daar en Hij riep: “Als iemand dorst heeft, laat hem naar Mij toe komen en laat hem drinken!” Waarom Hij dat juist bij die gelegenheid zei? De gangbare verklaring, die mij heel logisch lijkt, is dat er tijdens het Loofhuttenfeest een waterprocessie plaatsvond vanuit Siloam, dat badwater. Dan is de link met water natuurlijk meteen gelegd en wordt deze uitspraak een stuk begrijpelijker. Het is niet zomaar ‘out of the blue’ dat de Heer Jezus zoiets zei.
Hij zegt — en zo gaat de toespraak toch nog lang duren met al die onderbrekingen — “Laat hem naar Mij toe komen en laat hem drinken. Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: rivieren van levend water zullen stromen vanuit zijn binnenste.” Dit is trouwens een heel interessante uitspraak, want wat zegt de Schrift over levend water? Je leest dat tijdens het Messiaanse Rijk — daar hebben we dat ‘zevende’ weer waar het Loofhuttenfeest naar verwijst — er in Jeruzalem vanuit het binnenste heiligdom een rivier zal ontstaan. Die rivier gaat naar twee kanten toe: vanuit Jeruzalem naar de Middellandse Zee aan de westelijke kant, en naar de oostelijke kant, naar de Dode Zee. Die Dode Zee zal vanaf die tijd geen Dode Zee meer zijn, maar een levende zee gaan worden. Vergis je niet, de Dode Zee wordt over enige tijd een levende zee waar zelfs weer vissersplaatsen zullen zijn. Het is algemeen bekend dat dit momenteel de enige zee is waar geen vis in zwemt en waar überhaupt geen leven mogelijk is. Maar waarachtig, de Bijbel zegt dat deze zee weer een levende zee wordt en er zullen zelfs weer vissersplaatsen zijn. Die plaatsen kennen we nu nog niet, maar ze worden al bij name genoemd. Kijk, dat is de Bijbel. Gods Woord voorspelt niet, zeg ik altijd graag, het voorzegt.
In ieder geval zullen er vanuit het binnenste heiligdom levende watervloeden stromen. Dat is letterlijk zo, maar hier is de gedachte dieper: “Wie in Mij gelooft zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen stromen vanuit zijn binnenste.” Men heeft zelfs geopperd dat dit ‘binnenste’ over de Heer Jezus Christus Zelf gaat. Dat lijkt me niet direct de bedoeling, maar je zou het zo kunnen lezen. In beide gevallen klopt het trouwens, dus ik denk niet dat we daar een dispuut over hoeven te maken.
Vervolgens wordt dit in vers 39 verklaard. Ik ga ervan uit dat Johannes dit ter toelichting zei toen hij dit later optekende: “Dit zei Hij nu omtrent de Geest, die zij die in Hem geloven, aanstonds zouden ontvangen.” Hoezo ‘aanstonds’? Want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was. Als je even doorbladert naar het einde van ditzelfde evangelie, in Johannes 20, dan lees je over de dag dat de Heer Jezus verrees. Dat was op de dag van de Eerstelingschoof, de dag na de sabbat. Hij verscheen toen in de kring van de Zijnen, terwijl de ramen en deuren gesloten waren. Hij verscheen in hun midden, blies op hen en zei: “Ontvang heilige Geest.”
Dat blazen was met recht inspirerend. Ze ontvingen een Geest, maar niet zomaar een geest; dit was de levendmakende Geest. De Geest van de opstanding, de Geest van de nieuwe schepping, de Geest die onvergankelijk is. Wij als mensen hebben ook allemaal de geest ingeblazen gekregen, maar wij blazen die geest ook weer een keer uit en dan sterven we. Maar deze Geest is de levendmakende Geest, de Geest van onvergankelijkheid. Die was er op dat moment in Johannes 7 nog niet. Die Geest is er pas sinds de Heer Jezus is opgestaan uit de dood en verheerlijkt is. Vanaf het moment dat Hij verrezen en ten hemel gevaren is — wat overigens ook op de dag van Zijn opstanding gebeurde, maar dat terzijde — vanaf dat moment is die Geest er. De Heilige Geest, een hele bijzondere, aparte Geest: de levendmakende Geest. De Heer Jezus Zelf wordt in 1 Korinthe 15 ook zo genoemd. Daar lees je dat Adam een levende ziel werd doordat er geest in hem geblazen werd, maar de laatste Adam is een levendmakende Geest. Hij heeft dus niet alleen de Geest ontvangen, Hij is ook een levendmakende Geest geworden.
Verwarring over de Afkomst van Dé Profeet en de Christus ↑ hoofdstukken
Nou, we lezen verder en dan staat er in vers 40… Ik bedoel, de Heer Jezus heeft dat dus op die dag luid geroepen. Een hele groep mensen moet dat gehoord hebben en vervolgens lees je de reacties daarop. Vanuit de schare die deze woorden hoorden, zeiden sommigen: “Deze is waarlijk dé profeet.” Dé profeet, dus met een bepaald lidwoord; niet zomaar een profeet, maar dit is dé profeet die zou komen.
In Deuteronomium 18 staat inderdaad dat God tegen Mozes heeft gezegd: “Een profeet als u – dus een profeet als Mozes – zal Ik hun verwekken en naar hem zullen jullie luisteren.” Daar gaat het heel duidelijk over de Christus die zou komen. Het is trouwens heel opmerkelijk: een profeet als u, als Mozes. Dan denk ik eraan dat Mozes de man was die eerst door zijn broeders en door zijn volk werd verworpen en pas jaren later weer terugkwam, waarna hij door zijn volk werd erkend en hen mocht leiden. Met recht zijn het plaatje, de typen en de lijnen zo duidelijk. De parallel met dé profeet die zou komen is treffend, want in feite is dat precies hetzelfde verhaal. Jezus Christus is gekomen, maar Zijn broeders hebben Hem niet herkend. Hij ging los van hen naar het Loofhuttenfeest. Zijn broeders gingen naar dat feest, maar Zijn volksgenoten hebben Hem niet herkend. Maar straks, bij de gelegenheid waar naar verwezen wordt – dat Messiaanse Rijk – dan komt Hij terug en dan wordt Hij wel herkend.
Er ontstaat dan een reflectie op wat men hoorde. Velen – de Statenvertaling zegt velen – zeiden: “Deze is waarlijk de profeet.” Anderen zeiden: “Deze is de Christus.” Kennelijk was het allemaal niet helemaal duidelijk, want als u het mij vraagt, is de profeet waar ze het over hadden de Christus. Maar goed, de Christus, dat wil zeggen op zijn Hebreeuws gezegd: de Messias. Weer anderen zeiden: “Ja maar wacht even, de Christus komt toch niet vanuit Galilea? Zegt de Schrift niet…” En dat vind ik wel een goede. Als je iets uitsluit of als je zegt dat je niet gelooft dat het zo is, kom dan in ieder geval met een Bijbels argument. En dat hadden ze: “Zegt de Schrift niet dat vanuit het zaad van David de Christus komt en van het dorp Bethlehem, waar David was?” Inderdaad, dat zegt de Schrift heel duidelijk. Dat Hij een telg zou zijn uit de dynastie, het koningshuis van David; dat staat op vele bladzijden in de Bijbel. En dat Hij geboren zou worden in Bethlehem is ook voorzegd van de Messias.
Maar nu krijg je dus een verwarring van begrippen, want ze zeggen: “Nee, Hij kan nooit de Christus zijn, want de Christus komt niet uit Galilea maar uit Bethlehem.” Wisten zij veel. Dit is typisch een tamelijk oppervlakkige verwarring. Kijk, waar komt André Piet vandaan? Dat kan ik zeggen: vanuit Haarlem. Ik kan ook zeggen: vanuit Aalsmeer. Ik kan trouwens ook nog zeggen: vanuit Rijnsburg. In het eerste geval ben ik daar geboren, maar ik ben opgegroeid in Aalsmeer en vervolgens ben ik gaan wonen in Rijnsburg. De Heer Jezus is geboren in Bethlehem, maar uiteindelijk heeft Hij daar maar heel kort verbleven. Al op zeer jonge leeftijd is Hij in Nazareth gaan wonen en daar is Hij opgegroeid. Dat is wat zij wisten. Hij komt uit Galilea, dat klopt wel, maar het was niet Zijn geboorteplaats. De Messias zou geboren worden in Bethlehem en dat klopt ook. Ziet u? Het was een verwarring van begrippen. Uiteindelijk waren de verschillende geluiden die gehoord werden gebaseerd op onwetendheid.
Er staat nog bij: “het dorp Bethlehem, waar David was.” Nu ben ik geneigd om hetzelfde te denken als wat ik zojuist zei over Mozes. Mozes was de man die eerst tot zijn volksgenoten kwam en verworpen werd, toen veertig jaar lang in de woestijn helemaal buiten het zicht was en uiteindelijk toch weer terugkomt om door zijn volk herkend te worden. Van David valt iets soortgelijks te zeggen. David was de man die eerst gezalfd werd tot koning – jazeker, gezalfd, dat wil zeggen dat hij mashiach werd – maar pas jaren later zou hij daadwerkelijk koning worden. Ik zou zeggen: kleur het plaatje nu zelf verder in, want dit is precies ook weer het verhaal van de Heer Jezus Christus. Hij is de Gezalfde, Hij is gezalfd met heilige Geest. Hij is opgestaan uit de doden en daarom is Hij de Christus. Maar voordat Hij daadwerkelijk koning zal zijn, dat duurt nog even. Het is zelfs tot op de dag van vandaag ook nog toekomst, in ieder geval het moment dat Hij daadwerkelijk de heerschappij zal opeisen. Dat doet Hij nu nog niet, ondanks allerlei opwekkingsliederen die zeggen dat Hij nu al regeert. Ik zou me doodschamen om dat te moeten zeggen, dat de Heer Jezus nu regeert. God heeft alles in handen, maar Koning Jezus regeert nog niet. Maar goed, David dus. En daar is trouwens ook de titel van deze toespraak, of predikatie zo u wilt, aan ontleend.
Schisma: Verdeeldheid Omwille van de Waarheid ↑ hoofdstukken
“Er ontstond dan scheuring in de schare vanwege Hem.” Hier staat in het Grieks — dat kent u misschien wel — schisma. Dat is ook in onze taal, en trouwens ook in het Engels, een tamelijk ingeburgerd begrip. Eigenlijk is een schisma in de letterlijke zin ook een scheuring. De eerste keer dat het genoemd wordt in het Nieuwe Testament, gaat het bijvoorbeeld over een scheur in een kleed. Schisma is dus echt een scheuring, maar meestal wordt het in de overdrachtelijke zin gebruikt, namelijk voor een scheuring in groepen. Vandaar ook dat er in de NBG-vertaling “verdeeldheid” staat.
Deze term is heel boeiend en komt in het Johannesevangelie drie keer voor. De eerste keer is dus hier, en dan staat er dat er scheuring was in de schare. Daar in Jeruzalem ging het om de vraag: wie is Hij nou eigenlijk? Wat is Zijn identiteit? Daar ontstaat dan verdeeldheid over; dat is dat schisma. Er is scheuring om Hem. Als je de tweede keer opzoekt, dan gaat het over de geschiedenis van de blindgeborene. In hoofdstuk 9 vers 16 lees je weer dat woord schisma, en daar was verdeeldheid over de tekenen die Hij deed. En als je nog een hoofdstuk doorbladert, lees je: “Er ontstond weer scheuring onder de Joden.” Opnieuw schisma, verdeeldheid om Zijn woorden.
Zo is het eigenlijk altijd. Is het het ideaal dat er verdeeldheid ontstaat als de Heer Jezus ergens komt of Zijn woord spreekt? Nee, natuurlijk niet. Maar soms is het onvermijdelijk. Dat zie je hier ook: Hij bracht de waarheid, en de schare raakte daaromtrent verdeeld. Om Hem, om wat Hij deed en om wat Hij sprak. Dat is het fenomeen: in een wereld waar de waarheid ten onder gehouden wordt, is het altijd zo dat waar de waarheid verteld wordt, degene die het spreekt wordt gehaat en het verdeeldheid oproept. Dat is wat je met name in het Johannesevangelie ziet. Daar komt het woordje schisma een aantal keren voor, en iedere keer lees je dat dit plaatsvindt.
Trouwens, in de brief aan de Korinthiërs gebruikt Paulus dit woord ook. Hij schrijft dat iedereen daar zo zijn eigen partijleiders had, en op een gegeven ogenblik zegt hij in 1 Korinthiërs 11: “Want er moeten ook scheuringen (schisma’s) onder u zijn, opdat de beproefden openbaar worden.” Dus hoe negatief en hoeveel conflict dat ook met zich mee mag brengen, één ding moet duidelijk zijn: de beproefden worden openbaar. Dat wil zeggen in dit geval ook: degenen die Hem erkenden als de Christus, Zijn claims serieus namen en geloofden wat Hij sprak, die werden op deze wijze openbaar.
Het Onweerlegbare Gezag: Nooit Heeft een Mens Zó Gesproken ↑ hoofdstukken
Welnu, we lezen vervolgens in vers 44 dat sommigen vanuit de scharen Hem wilden grijpen. Je ziet dus dat het niet zomaar een discussie onder hen was; het liep heel hoog op, want sommigen uit de scharen wilden Hem zelfs pakken en grijpen. Maar, zo staat er, niemand sloeg de handen aan Hem. Even eerder, in vers 30 van ditzelfde hoofdstuk, lees je al dat men eenzelfde poging deed. Ook toen lukte het niet. Er wordt niet gezegd waarom niet, maar er staat wel iets bij: “Zijn uur was nog niet gekomen.” Wij weten nu later dat het nog een half jaar zou duren. Zijn uur was nog niet gekomen. Dus ja, wat er ook gebeurde en hoezeer ze Hem ook wilden grijpen, iets verhinderde dat. Vanuit de menselijke kant weet ik niet wat de reden is, maar eigenlijk wordt het hier alleen maar vanuit de goddelijke kant bezien: God had een ander tijdstip gereserveerd waarop dat zou gebeuren. En nu nog niet. Vandaar dat het toen ook niet lukte.
De assistenten dan – de dienaren, zegt de NBG-vertaling, of de functionarissen – die kwamen terug naar de hogepriesters en de Farizeeën. Zij zeiden: “Waarom hebben jullie Hem niet hierheen geleid?” Ik moet hier even iets bij vertellen, want als je eerder in dit hoofdstuk leest, in vers 32, dan zie je dat de Farizeeën en de overpriesters een aantal mensen eropuit hadden gestuurd; assistenten dus, om Hem te grijpen. En nu komen zij onverrichter zake terug. Ja, eigenlijk volledig onverrichter zake. En ze vragen: “Waarom hebben jullie Hem niet hierheen geleid? Dat was toch jullie opdracht? Jullie missie was om Hem te grijpen en om Hem hier te brengen.” En dan komen ze bij hen terug met lege handen.
Moet je nagaan trouwens wie daar tegenover hen staan: de hogepriesters en de Farizeeën. In het godsdienstig bestuur daar in Jeruzalem, het godsdienstig bestuur, had je de Sadduceeën en je had de Farizeeën. De Sadduceeën leverden in de praktijk altijd de hogepriesters af. Eigenlijk was dat water en vuur, die twee stromingen daar in het Jodendom en daar in het Sanhedrin, de Joodse Raad. De hogepriesters en de Farizeeën worden hier in één adem genoemd, maar in werkelijkheid moesten ze niets van elkaar hebben. En toch vonden ze elkaar hierin. Een beetje onder het motto: de vijand van mijn vijand is mijn vriend. Dat zie je in de politiek ook heel vaak; dan worden er verbonden en connecties gemaakt. Je leest dat ook van Herodes en Pilatus, die bevriend werden op het moment dat ze eigenlijk hetzelfde oogmerk hadden, wat je daar verder ook van denkt. Maar in ieder geval zijn die overpriesters en Farizeeën behoorlijk gebelgd dat de assistenten met lege handen terugkomen.
En de assistenten antwoorden; dat is dus hun reactie, eigenlijk ook hun verantwoording: “Nooit heeft een mens zo gesproken.” Ik kan me eigenlijk maar één ding voorstellen om dit goed te begrijpen, en dat is dat ze Hem niet konden pakken omdat wat Hij zei zo loepzuiver was. Zo onweerlegbaar, dat zij met goed fatsoen geen enkele aanleiding konden hebben om Hem daadwerkelijk te arresteren of bij hen te brengen, ongeacht wat ze precies van plan waren. Nooit heeft een mens zo gesproken. Je leest dat veel eerder ook al in Mattheüs 7: Hij sprak niet zoals de schriftgeleerden en de Farizeeën, want Zijn woord was met gezag. Niet met macht, in de zin van: “Je moet geloven wat ik zeg.” Nee, Zijn woord had gezag. Gezag betekent letterlijk dat je wat te zeggen hebt, en als je echt wat te zeggen hebt, dan is het ook dát wat je zegt. En misschien – nou, dat weet ik wel zeker – doet het de tanden knarsen en ben je zo boos dat je het niet wilt horen, maar er is één ding dat je niet kunt ontkennen. Ik vind het vreselijk om te horen, maar één ding moet ik toegeven: het is wel waar. Dáár gaat het over bij echt gezag. En dat was ook wat deze assistenten feitelijk vertelden: “Ja, hoe kunnen we Hem pakken? Zijn woord is zo onweerlegbaar. Nooit heeft een mens zo gesproken.” En lees dan maar eens vers 47…
De Drogredenen van de Religieuze Oversten ↑ hoofdstukken
De Farizeeën antwoorden hen: “Jullie zijn toch ook niet misleid?” En kijk dan naar het loutere feit dat zij met deze reactie terugkwamen… Dat was voor hen een aanwijzing van: zijn zij nou ook ingepakt door deze misleider? Door deze man die de mensen doet dwalen?
Hun argumentatie is heel boeiend. Boeiend, maar ook herkenbaar en vol met drogredenen. “Niemand vanuit de oversten gelooft toch in Hem?” Dat is een dubbele drogreden. Er is een officiële verzameling van drogredenen; ik geloof dat het er een stuk of veertien of vijftien zijn. Je moet maar eens kijken op Wikipedia. Een drogreden is een bedrieglijk motief, een bedrieglijke redenering die, juist omdat hij bedrieglijk is, een schijn van juistheid heeft maar niet solide is.
De dubbele drogreden hier is wat ze het autoriteitsargument noemen. Dat wil zeggen: “Nee, dat is echt waar, want ik heb het op internet gelezen.” Of: “Dat is echt waar hoor, want de paus heeft het gezegd.” Nou, dat is hier niet zo erg overtuigend, geloof ik. Voor mij ook niet. Maar begrijpen jullie het principe? Je beroept je op een autoriteit, maar de vooronderstelling daarvan is dat degene op wie je je beroept, inderdaad wel juist is. Dat wordt daarbij aangenomen. “De oversten hebben gelijk, en natuurlijk hebben wij gelijk.”
Wij bezitten de waarde… Nee, hoe zeiden ze dat onlangs bij het World Economic Forum? Een paar weken geleden had een dame daar iets gezegd: “Wij bezitten de wetenschap.” Wij weten het. En als het dus niet overeenkomstig is met wat wij zeggen, dan is het geen wetenschap, want wij hebben de autoriteit. En als je dat dan nog op allerlei manieren kunt afdwingen… Dat is dat autoriteitsargument: wij hebben gelijk.
Zij hadden Jeruzalem in handen; het godsdienstige gezag was aan hen gedelegeerd. Zij hadden de tempel ter beschikking en hen tegenspreken was uit den boze. Zij waren trouwens als de dood voor Jezus, want zij merkten wel dat er onder de schare heel veel affiniteit met Hem was. Juist omdat iedereen doorhad dat wat deze man zegt – ongeacht hoe het precies zit – en wie Hij is, zo bijzonder is. Dit moesten ze de kop indrukken, want ze zagen de bui hangen. Dat lees je later ook heel uitdrukkelijk in Johannes 10 of 11. Ze komen bij elkaar en zeggen: “Als we Hem niet een kopje kleiner maken, dan komen de Romeinen en die zullen de stad innemen. Dan zijn wij de tempel kwijt én ons gezag over het volk.” Kortom, dan zijn we onze positie kwijt. Dat wat we hier bezitten, moest koste wat kost behouden worden. En zij waren de overste autoriteiten.
Dan zeggen ze ook nog: “Niemand van de oversten gelooft toch in Hem?” Dat is echt een drogreden. Hoewel, als je democratisch denkt, zeg je: de meerderheid heeft altijd gelijk. In een democratie mag de helft plus één de mening uitvoeren. Zo werkt democratie nu eenmaal. Maar als het gaat om de waarheid – wat je ook van democratie vindt – de waarheid is niet democratisch. Ik dank God op mijn blote knieën dat dat zo is. Als de hele wereld zegt dat 2 plus 2 gelijk is aan 5, is 2 plus 2 dan 5? Volgens het meerderheidsargument van “iedereen doet dat toch” of “iedereen weet dat toch” of “de grote instanties zeggen dat toch” wel. Maar wat zegt dat over de waarheid?
Hier zie je dat argument: “Niemand van de oversten gelooft in Hem.” Wat trouwens niet waar was. Dit was een onjuiste waarneming. Je leest namelijk over Nicodemus – we komen hem straks weer tegen – dat hij wel degelijk geloofde. En Jozef van Arimathea. Dat waren twee mannen uit het Sanhedrin die in Hem geloofden. Maar ik moet erbij zeggen: dat was stiekem. Ze durfden er niet openlijk voor uit te komen. Vandaar dat het de schijn had dat alle oversten niets van die Jezus van Nazareth moesten hebben. De schijn hadden zij in dit geval mee, omdat niemand wist dat degenen die wel in Hem geloofden, dat stiekem deden; die durfden er niet echt voor uit te komen.
Dat is lastig hoor. Je kunt nu heel makkelijk zeggen: “Goh, dat ze dat niet durfden.” Maar als het erop aankomt en je staat voor iets waarvan je absoluut weet dat het de waarheid is – zo zegt het Woord het – terwijl iedereen het tegendeel beweert en er allerlei sancties aan verbonden worden… Blijf dan maar eens op je positie staan en laat je niet gek maken. Als je je positie daardoor kwijtraakt, dan kost het je wat. Laten we dus over Nicodemus en Jozef van Arimathea, en wie er nog meer geweest mogen zijn, niet al te hard vallen.
In de praktijk is dit gewoon de realiteit. Je gelooft de waarheid en je spreekt ervan, en er is toch niks aan de hand? Nee, laten we wel wezen: we hebben een blijde boodschap, zo’n geweldige goede tijding, daar moet iedereen toch blij mee zijn? Nou, probeer het maar eens uit. Het is het mooiste – ik kan het met de hand op het hart zeggen – wat een mens kan overkomen. Zelfs al zou je zelf iets moois mogen bedenken, dan nog haalt het niet bij wat het Evangelie zegt: dat er een God is die alle dingen welmaakt, die alles in Zijn hand heeft en alles tot een goed einde brengt door Zijn Zoon, en leven gaat geven. Dat is het mooiste wat er is.
En weet je wat de “onaardigheid” daarvan is? Op het moment dat je het vertelt, wijzen de religieuze autoriteiten, de instanties en de grote instellingen je de deur. Vertel daar maar eens een keer wat de Schrift werkelijk zegt. Om populair te worden moet je dat dus niet vertellen, want het kan je heel veel kosten.
Minachting voor het Volk en de Verdediging Door Nicodemus ↑ hoofdstukken
Maar goed, die oversten die dus gebelgd zijn over het feit dat die assistenten Jezus niet hebben gearresteerd of gepakt, die geven dus dit soort argumenten. En dan zeggen ze nog iets; die minachting, dat dédain waarvan ze zeggen: “Maar deze schare die de wet niet kent.” Dat is omdat daar eigenlijk heel veel support was. Er was onder het volk support. Als wij zeggen dat het volk Jezus heeft afgewezen, dan moet je er eigenlijk iets bij zeggen, namelijk de representanten van het volk. Getalsmatig lees ik namelijk heel dikwijls in de evangeliën dat de scharen graag naar Hem luisterden. Alleen de autoriteiten, die konden er totaal niet mee overweg.
U leest trouwens ook — dat was ik vergeten te zeggen — dat als er mensen waren, niet alleen oversten, maar ook mensen die openlijk voor Hem uitkwamen daar in Jeruzalem, dan werden ze uit de synagoge gebannen. Laat staan dat je in het Sanhedrin nog een plaats zou hebben. Met andere woorden: op het moment dat je daarvoor uitkwam, dan kon je het wel vergeten en was je gewoon een outcast. Je werd erbuiten geworpen en maakte er geen deel meer van uit. Is dat een aangename positie? Nee. Maar het is eigen aan een boze aion waar de waarheid ten onder gehouden wordt.
En dan die schare; de wijze waarop men spreekt over de schare: “Deze schare die de wet niet kent.” Weet u wat het Griekse woord voor volk is? U kent in ieder geval de afgeleide zin. Het Griekse woord voor het volk is laos. Ons woord ‘leek’ is daarvan afgeleid. Leken. Je hebt de geestelijken en de leken. En de leken, dat is het volk. Wij praten eigenlijk ook heel vaak met dédain: “Ja, ik ben maar een leek.” Als ik zeg dat ik een leek ben, dan betekent het dat ik er geen verstand van heb. Maar het is dus afgeleid van het woord voor volk.
Ik heb er nog eentje als je het via de Latijnse aanvliegroute benadert. Dan krijg je het woord populus. Dat is het woord voor volk. Weet u dat daar het Engelse woord ‘people’ ook van is afgeleid? Maar ook ons woord ‘gepeupel’. Gepeupel is gewoon het volk. Daar zit ook dat dédain in. En trouwens, wat dacht u van populisme? Populisme wil eigenlijk ook zeggen: het volk. Ook daar wordt altijd met dédain over gesproken, zo van: het volk heeft er natuurlijk geen kaas van gegeten, die weet niet hoe het zit.
In dit geval is het eigenlijk omgekeerd. Het volk zat voor een groot gedeelte op het goede spoor. Ik zeg voor een groot gedeelte, want ook daar was verdeeldheid. Maar eigenlijk vrijwel unaniem daar in het Sanhedrin zat men op het foute spoor. Dat dédain waarmee men sprak over het volk, dat gepeupel: “Vervloekt zijn ze!” Nou, dat komt echt uit de tenen hoor als je dat zegt. “Vervloekt zijn ze!” Zo van: dat volk heeft er totaal geen kaas van gegeten. Niet alleen geen kaas van gegeten, maar het is echt een verwensing; een complete verwensing van hen. Men zei van de schare: “Ze kennen de wet niet.” Nou, dat kan best waar wezen. En zij kenden de wet wel, dachten ze. Ze wisten hoe de dingen waren, maar ze geloofden er geen barst van. Daar komt het echt op neer.
Dat zie je iedere keer. Ik zie dat ook. Maar goed, ik heb er nog een paar. Hebt u nog even geduld? Ik moest ook een paar keer hoesten, want het is allemaal zo lang. En als je over water spreekt, dan krijg je dorst. Oké.
Nicodemus, die eerder naar Hem toe kwam en één van hen was, zei tot hen… Nicodemus, die was ooit in de nacht bij Hem gekomen; u leest daarover in ditzelfde evangelie. Nicodemus betekent trouwens ‘overwinnaar van het volk’. Demos is volk en Nico is de overwinnaar. Hij zei tot hen… Kijk, die Nicodemus was nou iemand die eigenlijk in het geniep of verborgen tot Jezus kwam, want hij wilde niet gezien worden. Maar die neemt het dan toch voor Hem op zonder Jezus bij name te noemen. Hij zegt: “Onze wet oordeelt toch niet een mens als men niet eerst van hem hoort en weet wat hij doet?” De gewone rechtsgang is dat we toch eerst fatsoenlijk naar iemand luisteren, zodat er hoor en wederhoor plaatsvindt. Dat is toch recht?
En dan ook meteen weer de reactie: Zij antwoordden en zeiden: “Bent u soms ook uit Galilea?” Wat trouwens niet waar was, en dat wisten zij ook wel. Maar het was zo van: nu lijkt het net alsof u ook uit Galilea komt. Over drogredenen gesproken: dit is ook een drogreden. Dat noemen ze op de man spelen, ad hominem. Dat is geen argument, maar je gaat puur op de man spelen: “Oh, jij komt ook uit Galilea, dus jij bent ook zo één.” En dan zeggen ze: “Doorzoek en let op dat vanuit Galilea geen profeet opstaat.” Er staat “opgestaan” onjuist in sommige vertalingen, want dat staat niet in de grondtekst. Dat zou ook niet kloppen trouwens, want we weten van Jona dat hij uit Galilea kwam. En van Nahum ook. Die kennen we allemaal nog, want weet u waar Nahum gewoond heeft? In Kvarnahum. Kvarnahum. Maar goed, dat klopte dus niet, dat wisten ze ook wel. Maar zij zeiden: “De profeet zou niet opstaan daar in Galilea.”
Afsluiting: een Onweerstaanbare Bron van Levend Water ↑ hoofdstukken
Nou, het wordt inderdaad tijd om af te sluiten, want ik zie op mijn klokje dat de tijd om is. Laten we hier duidelijk over zijn: wat tweeduizend jaar geleden gold, is nu nog steeds de waarheid. In de wereld, en ook in de godsdienstige wereld, hoef je met de waarheid vaak niet aan te komen; het roept steevast verdeeldheid op. Maar so be it. Laat dat nooit een reden zijn om de waarheid niet gewoon onverkort te brengen. Dat is het enige wat telt. Aantallen of macht zeggen niets; het Woord, dat wat geschreven staat, dát is wat telt. En ja, daar kom ik ook voor uit, want dat is waar het om gaat.
Weten we wat de allermooiste manier daarbij is? Dan kom ik weer terug bij waar ik mee begonnen ben, bij wat de Heer Jezus zei: “Als iemand dorst heeft, laat hem naar Mij toe komen en laat hem drinken!” Hij zal je levend water geven. En zoals de Schrift zegt: rivieren van levend water zullen stromen vanuit zijn binnenste. Het zal in je worden tot een bron.
En let wel: dat is geen wet. Dat wil zeggen: het is niet iets wat ‘moet’. Dat zeggen ze vaak, hè? “Je moet wel getuigen” of “je moet over het Evangelie spreken.” Dan denk ik: alsjeblieft, houd je mond. Als het vanuit een ‘moeten’ voortkomt, dan kun je het beter laten. Er is maar één goede reden en dat is: drinken van het levende water. En weet je wat het mooie daarvan is? Dan kún je het op een gegeven moment niet eens meer voor je houden. Probeer het maar eens tegen te houden, maar dat is net als met een hoestbui; we weten allemaal hoe dat gaat. “Ja, ik wil het wel inhouden, maar het lukt gewoon niet.” Nou, dát is de allerbeste manier. Drink van het levende water en het zal in je worden tot een fontein en tot een bron van rivieren. Ik stel voor dat wij nu een lied gaan zingen over…
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews