Jozef maakt zich bekend
09-10-2022 - Geplaatst door Andre Piet9 oktober 2022, Benthuizen
In Genesis 45 wordt de aangrijpende ontknoping beschreven van Jozefs bekendmaking aan zijn broeders. Het volgt op een al even aangrijpend pleidooi van Juda die namens zijn broeders het woord voert. Het maakte Jozef duidelijk dat zijn broers niet langer haatdragend en jaloers waren, maar solidair en opofferingsgezind. Nu kon hij zich niet langer bedwingen en vertelt hij hen huilend dat hij de door hen doodgewaande Jozef is. Het is één van de mooiste verhalen van de Hebreeuwse Bijbel maar bovenal ook een geschiedenis met een onmiskenbaar profetische lading!
De eerste video hieronder begint bij de toespraak van Art de Boer (’technocratie vs. theocratie’).
Helemaal onderaan deze pagina is ook de pdf van de presentatie te zien.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Recapitulatie: de Beker in Benjamins Tas als Profetisch Beeld
- Juda Treedt Nederig Naar Voren als Woordvoerder
- De Omkering: Juda Stelt Zich Borg voor Benjamin
- Hoofdstuk 45: Jozef Weent en Stuurt de Egyptenaren Weg
- De Grote Onthulling: Ik Ben Jozef
- Goddelijke Regie: Niet Jullie Schuld, maar Gods Reddingsplan
- De Verweving van Menselijke Schuld en Goddelijk Lot
Recapitulatie: de Beker in Benjamins Tas als Profetisch Beeld ↑ hoofdstukken
Ik ga jullie vanmorgen meenemen naar een geschiedenis die ik de vorige keer al heb aangekondigd en die eigenlijk een vervolg is op wat we de vorige keer hebben besproken. Toen hadden we het over Genesis 44 en nu ga ik daarmee verder tot we uiteindelijk aankomen in Genesis 45. Dit is de geweldige ontknoping van de geschiedenis van Jozef, namelijk dat hij zich bekendmaakt aan zijn broers. Maar daaraan voorafgaand horen we de belijdenis die Juda doet, wat de aanleiding wordt voor het feit dat Jozef zich niet langer kan inhouden en zich inderdaad openbaart aan wie hij is, aan zijn broers.
Laten we voor de goede orde de dingen recapituleren, zoals dat zo deftig heet. De vorige keer hadden we het over het tweede bezoek van de broers aan Egypte. Er was hongersnood in het land en al eerder waren de broers genoodzaakt om naar Egypte te gaan, want daar was een onderkoning die graanschuren had aangelegd voor de magere jaren die zouden komen. Bij het eerste bezoek ging het niet helemaal goed; Simeon was vastgehouden. Nu, ongeveer een jaar later, gaan ze voor een tweede keer naar Egypte. Maar er was een voorwaarde die de onderkoning – incognito, want zij wisten veel met wie ze van doen hadden – had gesteld. Ik ga er gemakshalve vanuit dat u de geschiedenis van Jozef kent zoals de kinderbijbel die weergeeft. Als ik dat namelijk ook nog moet gaan vertellen, dan wordt het wel heel erg laat allemaal.
Met dat voorbehoud vertel ik het nu even kort. Jozef had gezegd: "Als jullie de volgende keer hier weer komen, dan wil ik beslist – en anders krijg je ook helemaal niks – dat jullie je jongste broer meenemen." Dat gaf veel voeten in de aarde, want Jakob wilde dat helemaal niet. Hij was al een zoon kwijtgeraakt. Wat er dan gebeurt, is dat Benjamin eigenlijk een VIP-behandeling krijgt als ze daadwerkelijk met hem aankomen; daar krijgt hij op een bijzondere wijze een bevoorrechte plaats. Daar hebben we het de vorige keer over gehad.
Wanneer zij uiteindelijk vertrekken, krijgen ze alles gratis mee, want het geld waarmee ze betaald hadden voor het graan kregen ze gewoon weer terug; het zat in hun zakken. Maar er was een list die Jozef had bedacht: hij heeft zijn zilveren beker stiekem in de tas van Benjamin gestopt. Daar komen ze dan achter, terwijl zij onwetend waren. Het was een plan dat Jozef uitvoerde, een list eigenlijk. Maar waar we het vooral ook over gehad hebben, is de profetische kant. Dat wil zeggen: de laag die daaronder zit en hoe deze hele geschiedenis vooruitwijst naar de Messias. Heel de Schrift spreekt van Hem en over dat plan dat God heeft, Zijn agenda – om even in de termen van Art te blijven – Gods agenda, en hoe Hij alles al heeft ingepland. Elke bladzijde van de Bijbel wijst vooruit naar Hem die zou komen.
Jozef is een schitterend type: de geliefde van zijn vader maar miskend door zijn broeders en verkocht, waarna men denkt dat hij van de aardbodem is verdwenen. Uiteindelijk openbaart hij zich aan zijn broers, aan het huis van Jakob, aan Israël. Die profetische lijn, daar gaat het vooral om. Wat ik de vorige keer ook heb laten zien, is dat Benjamin de zoon van Rachel was, de volle broer van Jozef. Hij deelt als zoon van Rachel in de bevoorrechte plaats van Jozef. De typologische – de diepere zin – daarvan is dat Benjamin een type is van dat volk wat God vandaag uitroept in deze tussentijd waarin alles verborgen en onbekend is. De broers wisten immers veel wie hij was.
De beker is het embleem van de overwinning en ook van Gods wijsheid. Want Jozef kon met behulp van deze beker – dat is een verhaal apart – inderdaad een blik in de toekomst werpen. Deze Benjamin kan niet missen. Het loutere feit dat, voordat de broers bekend zijn met wie hij is, de grote voorrechten van Jozef aan Benjamin ten deel vallen, is veelzeggend. De beker van Jozef komt bij Benjamin terecht in de tussentijd, voordat Israël hem leert kennen. Dat plaatje kun je eigenlijk zo zelf invullen. Als we het hebben over datgene wat God vandaag verzamelt en over degene die dat mag openbaren en onthullen, dan was dat een man uit de stam van – u raadt het al – Benjamin, de zoon van de rechterhand. Het loutere feit dat die zilveren beker inderdaad stiekem verborgen bij Benjamin terechtkomt, verwijst profetisch naar die lijn.
Nu was het dan zo dat Benjamin was geschaakt en de diefstal was uitgekomen. De zilveren beker was bij hem terechtgekomen en dat zou een misdaad zijn. De broers stonden echt met zulke ogen te kijken, want dit kon niet. Maar ze zijn volledig solidair met hun jongste broer. Alleen dat is al een ommekeer. Ze keren terug naar Jozef, want ze moesten wel. Eigenlijk was het zo dat alleen Benjamin geschaakt was en hij daarvoor moest boeten, maar dat doen de broers niet. Die gaan met hem mee. En daar pakken we nu ook de draad op.
Juda Treedt Nederig Naar Voren als Woordvoerder ↑ hoofdstukken
Vanaf vers 18 gaat Juda het woord nemen. Ik ga ook nu weer, net als de vorige keer, snel door de tekst, want het is een hele lap tekst die we nog bespreken. In vers 18 staat: "Toen naderde Juda tot hem" – dat wil zeggen: tot Jozef – "en zei: Ach mijn heer, laat uw dienaar alstublieft een woord spreken ten aanhoren van mijn heer." Wat hier gebeurt, is dat Juda optreedt namens zijn broers. Dat is trouwens heel typologisch, want tot op de dag van vandaag representeert de naam Juda het volk. Wij spreken immers over het Joodse volk.
Dat is een uitgebreid verhaal waar we nu niet te diep op ingaan, maar het loutere feit dat wij spreken van "Joden" betekent gewoon "van Juda". In het Nederlands komt dat niet zo heel erg uit de verf, maar als je het bijvoorbeeld in het Ivriet zegt, het moderne Hebreeuws, dan spreek je over Jehudim, van Jehuda. Dat is gewoon hetzelfde woord. Een Jood betekent "van Juda". En dat is wat hier staat: het is Juda die namens zijn broers het woord voert.
Ik moet er trouwens bij zeggen dat Juda ooit hoofdverantwoordelijk was voor het feit dat Jozef verkocht werd naar Egypte; het was zijn idee om dat te doen. Juda treedt hier dus niet alleen op als representant – hoewel aan Juda later ook de scepter zou worden toegekend, maar dat is een anachronisme, want dat gebeurt pas later – maar hij is in ieder geval degene die verantwoordelijk was voor de verkoop van Jozef. Zo kennen we de geschiedenis ook uit het Nieuwe Testament: het is het Joodse volk dat haar Messias heeft verworpen. En nu is het Juda die het woord voert.
De biecht die hij doet, de belijdenis die hij hier uitspreekt, is een prachtige toespraak. Heel nederig vraagt hij: "Ach mijn heer, laat uw dienaar alstublieft een woord spreken ten aanhoren van mijn heer" – dat wil zeggen: van Jozef – "en laat uw toorn tegen uw dienaar niet ontsteken, want u bent als Farao." Hij stelt zich buitengewoon nederig op. Hij zegt niets ten nadele van Jozef en klaagt niet over het onrecht dat Benjamin nu gepakt is, terwijl die volstrekt onschuldig is. Helemaal niets! Hij toont volstrekte ondergeschiktheid. Hij zegt: "U bent als Farao", wat betekent dat Jozef totaal niet verplicht is naar hem te luisteren. Heel gedwee en onderdanig vraagt hij om het woord te mogen voeren.
Dan steekt hij van wal. "Mijn heer vroeg zijn knechten..." – en met "mijn heer" bedoelt hij iedere keer Jozef. "Mijn heer vroeg zijn knechten en zei: Hebben jullie een vader of broer?" Juda gaat hier uitgebreid het verhaal vertellen. Van vers 19 tot en met vers 29 haalt hij de geschiedenis aan. Ik geef enkele highlights, een samenvatting. Hij zoomt in op de details die te maken hebben met Benjamin en vooral op wat Benjamin betekent voor zijn vader. Dat is wat hij in de komende verzen uitgebreid uiteenzet; hij neemt het nu helemaal op voor zijn jongste broer.
Hij vervolgt: "En wij zeiden tot mijn heer: Wij hebben een oude vader en een klein kind van zijn ouderdom." Dit is de letterlijke versie zoals het er staat: een klein kind van zijn ouderdom. Jakob kreeg Benjamin immers toen hij al een oude man was; het was de jongste. De naam Benjamin is tot op de dag van vandaag bekend. Trouwens, dat gold ooit ook voor Jozef; hij wordt zo genoemd in hoofdstuk 37 vers 3. "Wij hebben een oude vader," zeggen ze, "en een klein kind van zijn ouderdom, wiens broer dood is."
Als je dit leest, moet je eigenlijk even in beelden denken. Er wordt een verhaal verteld, maar het roept voortdurend beelden op. Stel je voor: Juda treedt naar voren en neemt het op voor zijn broer. En Jozef staat daar... hij hoort zijn broer zeggen: "Die Benjamin die wij hebben meegenomen, zijn broer die is dood." Dat dachten ze trouwens ook echt. Ze hadden het verhaal aan hun vader verteld dat hij verscheurd was, maar dat hij dood was, leed voor hen kennelijk ook geen twijfel.
"En hij alleen" – Benjamin dus – "is van zijn moeder overgebleven." Zijn moeder, Rachel, was inmiddels overleden bij diens geboorte. "En zijn vader heeft hem lief." Moet je nagaan: dit was ooit de reden waarom ze Jozef haatten, nietwaar? Dat zijn vader hem liefhad, was de reden waarom ze hem ooit hebben verkocht en waarom ze zo stinkend jaloers waren. En nu is ditzelfde motief de reden waarom ze om genade vragen.
Dan gaat hij verder: "Toen zei u tot uw knechten: Doe hem afdalen tot mij, dat ik mijn ogen op hem sla." Jozef stond er dus op dat, áls ze weer terugkwamen, de jongste er beslist bij zou zijn. Ik geef iedere keer de tekst erbij om te laten zien dat dit inderdaad de geschiedenis is; zo is het gegaan. Juda vertelt hier gewoon wat er is gebeurd en we vinden dat ook zo terug.
Hij vertelt verder: "En wij zeiden toen tot mijn heer: De jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; indien hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven." Dat konden ze Jakob echt niet aandoen. "En toen zei u tot de knechten: Indien uw broer, de kleine, de jongste, niet met jullie afdaalt" – van Israël naar Egypte – "zult u mijn aangezicht niet meer zien." Jozef was heel streng en zei dat hij hen niet eens meer wilde zien als de jongste niet meekwam.
Juda vervolgt: "En het geschiedde, toen wij tot uw dienaar, mijn vader, optrokken..." – dat is wat Jozef ooit tegen zijn broers had gezegd. "Toen wij inderdaad naar onze vader teruggingen in het land Kanaän, verhaalden wij hem de woorden van mijn heer." Uiteindelijk, na een jaar, werd de honger zo nijpend dat hun vader zei: "Keert terug, koop voor ons een beetje voedsel."
Maar wij zeiden: "Wij kunnen niet afdalen" – dat wil zeggen: naar Egypte – "indien onze broer, de kleine Benjamin, niet bij ons is. Alleen dan zullen wij afdalen, omdat wij het aangezicht van die man, die heer en onderkoning, niet kunnen zien als onze broer, de kleine, niet bij ons is." Jakob wilde Benjamin echter pertinent niet meegeven.
"Toen zei uw knecht, mijn vader, tot ons..." – hier wordt nog steeds kort samengevat hoe het de afgelopen twee jaar is gegaan – "Jullie weten dat mijn vrouw" – en hij doelt hier op zijn geliefde vrouw Rachel – "mij twee zonen gebaard heeft." Jozef en Benjamin. Moet je nagaan, die andere zonen worden hier eigenlijk niet eens meegerekend. Je kunt je voorstellen wat voor verhoudingen er in het huis van Jakob geweest moeten zijn. Maar daarover vallen hier geen onvertogen woorden.
Ik wil er toch nog even op wijzen: wat Juda hier doet, is Jozef totaal niet ergens op aanspreken of hem iets verwijten. Ook Jakob wordt niets verweten. Er wordt niet op een bittere manier over gesproken dat Benjamin het lievelingetje is.
Nee, integendeel. Ze nemen het juist compleet voor hem op. En Juda is hier de woordvoerder. En dan staat erbij – en Jakob had dat dus gesproken: "Jullie weten dat mijn vrouw mij twee zonen gebaard heeft. En de ene is van mij weggegaan." Dat zegt Jakob nog steeds: die ene is ooit weggegaan. En ik heb gezegd: "Voorwaar, hij is verscheurd." Ja, verscheurd. Dat zegt Jakob, want dat was namelijk het verhaal wat de broers ooit hadden verteld. Zijn mantel, die veelkleurige mantel, hadden ze in bloed gedoopt en zo hebben ze Jakob op de mouw gespeld dat hij was verscheurd. En Jakob heeft dat geloofd.
Trouwens, Jozef verneemt hier nu voor het eerst wat zijn broers inderdaad aan Jakob hebben verteld. Niet eerder wist hij dat of had hij dat vernomen. En dan staat er nog bij: "Voorwaar, hij is verscheurd? Ja, verscheurd. En ik heb hem tot nu toe niet gezien." Dat is trouwens wel een opmerkelijke uitspraak: "Ik heb hem tot nu toe niet gezien." Verwachtte hij dan dat hij hem weer terug ging zien? De suggestie is duidelijk: ik verwacht hem weer terug te zien. Was dat omdat hij geloofde in de opstanding en wist: uiteindelijk zie ik ooit mijn zoon weer terug? Of was het omdat hij zich ook nog herinnerde wat Jozef ooit had gedroomd en wat Jozef met overtuiging aan zijn broers had verteld? Nou ja, dat was precies ook de reden waarom daar zoveel venijn en jaloezie was ontstaan. Verwijst hij daarnaar?
Had Jakob geloof, als we Hebreeën 11 mogen geloven? En dat doe ik. Dan staat er dat Jakob inderdaad in geloof handelde. In deze uitspraak – het is heel subtiel, het is een suggestie, maar wel veelzeggend genoeg – verwachtte Jakob kennelijk zijn zoon inderdaad weer terug te zien, hoewel hij verscheurd was. Hoe kan dat dan? Ja, maar goed, als God gesproken heeft, dan loopt alle menselijke logica – die vaak uitgaat van verkeerde vooronderstellingen, zoals in dit geval trouwens – altijd stuk. Geloof gaat uit van wat God gesproken heeft en dat overtreft alles. Art heeft het zojuist al prachtig laten zien: dat overtreft en sluit ook alle menselijke agenda's in.
Jakob zegt dat zo: "Hij is verscheurd, ja, verscheurd, en ik heb hem tot nu toe niet gezien. Indien jullie nu ook deze Benjamin van mijn aangezicht wegnemen en hem een ongeluk overkomt, zouden jullie mijn grijze haren in kwaad ten grave dragen." Dat klinkt wat archaïsch, maar dat is de Hebreeuwse spreekwijze: in grijsheid zal ik nederdalen in het dodenrijk, in Sjeool, in het kwaad en het verdriet dat mij is aangedaan. En nu, zegt Juda.
De Omkering: Juda Stelt Zich Borg voor Benjamin ↑ hoofdstukken
"En nu, als ik tot uw dienaar mijn vader kom en de jongeling is niet bij ons, wiens ziel aan zijn ziel verbonden is." Met dit "en nu" eindigt de beschrijving van het verleden. Tot dusver heeft Juda verteld hoe het gegaan is: de onderkoning stelde vragen, de broers zijn teruggegaan, de vader reageerde en zo is het gekomen. Dit is de historie, de beschrijving van het verleden in deze tien tot elf verzen.
Dan volgt er een aantal verzen waarin Juda een "wat als"-situatie schildert. Wat als Benjamin niet terugkeert? Hij bouwt zijn betoog heel zorgvuldig op: eerst de historie, dan het scenario dat ze Benjamin weliswaar hebben meegenomen, maar wat er zou gebeuren als hij niet zou terugkeren. Op basis daarvan komt hij in de laatste verzen met zijn verzoek. Je ziet hier ook voortdurend het accent op "mijn vader", "uw dienaren" en "wij zijn uw knechten". Maar de grote nadruk in dit relaas ligt op de verknochtheid van Jakob aan zijn jongste zoon: wiens ziel aan zijn ziel verbonden is. Dat wil zeggen dat Jakobs ziel aan die van Benjamin is verbonden.
"Als ik tot uw dienaar mijn vader kom en de jongeling is niet bij ons, als wij dan weer terugkeren en hij is er niet bij, dan zal het geschieden dat als hij ziet dat de jongeling er niet is, hij zal sterven." Dat wordt zijn dood als hij dat moet meemaken. Juda vervolgt: "En uw dienaren zullen de grijze haren van uw dienaar onze vader in kwelling ten grave dragen." Het is heel opvallend dat Juda hier namens zijn broers zegt dat als dit inderdaad de dood van hun vader wordt, zij daar de schuldigen van zijn. Ze zeggen niet dat het de schuld is van de onderkoning omdat hij hen onterecht heeft bejegend. Nee, zij zijn zich heel schuldbewust.
Deze dingen die hen nu overkomen, zo realiseren zij zich, komen door wat zij ooit hebben gedaan. God heeft gevonden wat zij ooit hebben afgedekt en onder het tapijt hebben geschoven. De geschiedenis wordt door mensen vaak gewist of veranderd, dat is typisch mensenwerk, maar God openbaart de waarheid. Zij zijn zich daarvan bewust. Juda zegt: als Benjamin niet terug zou keren en onze vader sterft, dan is dat onze schuld. "Uw dienaren zullen de grijze haren van uw dienaar onze vader in kwelling ten grave dragen." Dat ligt aan ons.
Ik kan me zo ontzettend goed voorstellen hoe enorm emotioneel dit moet zijn geweest voor Jozef terwijl hij dit aanhoorde. De broers weten van niets, maar hoor wat Juda vervolgens zegt: "Want uw dienaar – dat ben ik dus – is voor deze jongeling, Benjamin, borg bij mijn vader. Ik sta voor hem garant." Dit is de grote ommekeer bij Juda. Hier geeft hij expliciet woorden aan datgene wat Jozef wilde horen. Die listen die Jozef had, en waar de broers uiteraard geen weet van hadden, waren juist bedoeld om hen te oefenen. Dat was niet sadistisch, maar om de waarheid bij hen in te prenten.
Kijk naar de ommekeer: uitgerekend Juda, die ooit zijn broer verkocht, zegt nu: "Ik ben borg voor mijn jongste broer, de geliefde van zijn vader." Hij zegt: "Indien ik hem tot u niet terugbreng, zo zal ik tegen mijn vader gezondigd hebben al de dagen." Dat wil zeggen: als Jakob hem niet terugkrijgt, dan is dat mijn zonde naar hem toe, al de dagen. Hij stelt zich hier volledig garant.
Dan komt zijn verzoek: "Nu dan, laat alstublieft uw dienaar in plaats van deze jongeling dienaar van mijn heer blijven." Benjamin zou eigenlijk moeten boeten, want bij hem was de beker gevonden, maar nu zegt Juda: laat mij hier blijven in plaats van Benjamin, en laat de jongeling met zijn broers opgaan naar Jakob. Dat is de belofte die ik gedaan heb, de garantie die ik hem gegeven heb, en dat is de belofte die ik zal nakomen. Hij offert zich dus helemaal op voor zijn jongste broer.
Ten slotte zegt hij: "Want hoe zou ik opgaan tot mijn vader als de jongeling niet met mij is? Ik zou het kwaad niet kunnen zien dat mijn vader zou treffen." In dit hele relaas dat Juda nu heeft uitgesproken, komt zo duidelijk naar voren hoe de verandering in hun hart heeft plaatsgevonden. Juda geeft woorden aan hoe de vlag erbij hangt. Ooit waren ze zo haatdragend ten opzichte van die geliefde zoon van hun vader, dat lievelingetje dat zo bevoorrecht was. Die haat heeft nu plaatsgemaakt voor solidariteit. In plaats van dat Benjamin naar Jozef gestuurd wordt en de rest zegt "daar gaan wij weer", zijn ze nu absoluut solidair en blijven ze bij elkaar. Waar ze ooit jaloers waren, zijn ze door al deze omstandigheden tot de conclusie gekomen dat die jaloezie van ruim twintig jaar geleden heeft plaatsgemaakt voor liefde en opofferingsgezindheid. Dit is de climax: Juda zegt "laat hem gaan" en stelt zichzelf beschikbaar.
Hoofdstuk 45: Jozef Weent en Stuurt de Egyptenaren Weg ↑ hoofdstukken
En nu begint het nieuwe hoofdstuk, hoofdstuk 45. Toen kon Jozef zich niet meer bedwingen voor allen die bij hem stonden en hij riep: "Doe iedereen van mij uitgaan!" Twee keer eerder lezen we bij de bezoeken die de broers hebben gebracht aan Jozef, dat Jozef moeite doet om zijn tranen te verbergen. Dat was bij het eerste bezoek ook al; toen werd het hem even teveel en is hij weggegaan. De vorige keer heb ik het ook gelezen: als hij Benjamin ziet en hem begroet op een hele bijzondere wijze, dan werd het hem ook teveel. Toen moest hij weglopen en heeft hij in een kamer daarnaast gewoon zitten huilen, om zich vervolgens weer te vermannen en het spel verder te spelen.
Maar nu kon hij zich niet langer meer bedwingen voor allen die bij hem stonden en hij stuurt iedereen weg. Er stond niemand bij hem toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte. Dit is dus een hele intieme gebeurtenis. Tot dusver waren er allerlei figuren bij, officials en wie weet wat voor mensen daar allemaal ongetwijfeld nog bij geweest zijn, maar ze worden allemaal weggestuurd. Dit is iets tussen Jozef en zijn broers alleen.
Ik geloof trouwens dat dit ook in hoge mate profetisch is. Want als de Heer — ik bedoel de Messias, de doodgewaande Jozef, als u begrijpt wat ik bedoel — zich straks gaat bekendmaken aan zijn volk, dan zal hij dat ook doen in de intimiteit. Want ze zullen roepen, ze zullen de naam van Yahweh aanroepen, en dan zal hij verschijnen en zal er een vluchtweg gecreëerd worden. De Olijfberg scheurt en dan zullen ze naar de woestijn vliegen. Daar in de woestijn zal het volk wereldwijd vergaderd worden en daar zal hij zich bekendmaken.
Je leest daar allerlei passages over. In Zacharia 12 staat dat zij zullen zien wie zij doorstoken hebben. Daar zullen ze vragen: "Wat zijn dat voor wonden in uw handen?" Dat staat in Zacharia. "Wat zijn dat voor wonden?" "Daarmee ben ik geslagen in het huis van mijn liefhebbers." Dat wil zeggen: in mijn eigen huis, in het huis van mijn eigen familie. En dan zullen ze wenen als over een eerstgeborene. Dat is hij ook. Het staat allemaal zo in de Hebreeuwse Bijbel aangekondigd en dit is een fantastisch plaatje daarvan.
Dan lees je ook dat het volk verzameld wordt in de woestijn en daar zal geen mens bij zijn. Als Jozef, de ware Jozef, zich straks gaat bekendmaken aan zijn broers en gaat vertellen wie hij is, dan is er niemand bij. Er stond niemand bij hem toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte.
Hij verhief zijn stem in huilen. En dat 'verhief zijn stem' was echt, want de Egyptenaren hoorden het. Die waren waarschijnlijk in de kamer ernaast. Het huis van Farao hoorde het ook. Er zijn twee verklaringen voor: of het was aangrenzend gelegen, óf zij hebben het vernomen via de Egyptenaren. Dat zou ook nog kunnen. Het eerste lijkt mij het meest waarschijnlijk, maar goed. In ieder geval dient dit juist om aan te geven: kijk, die Egyptenaren wisten niet wat er aan de hand was. Wisten zij veel wat Jozef ging doen en waarom zij weggestuurd waren? Nee, maar één ding hoorden ze wel: dat het daar een emotionele poel was in die kamer hiernaast. Zij hoorden dat hij zijn stem verhief in geween. De weggestuurde Egyptenaren hoorden het en het huis van Farao hoorde het, direct of via via.
De Grote Onthulling: Ik Ben Jozef ↑ hoofdstukken
En dan zegt Jozef tot zijn broers: "Ik ben Jozef." Ja, eigenlijk: "Ik ben Jozef als uit de doden opgestaan." Want zojuist had Juda nog het verhaal verteld over Jakob: hij is verscheurd en hij is dood. Daar gingen de broers dus ook vanuit. En nu: "Ik ben Jozef." Wat een lading zit er in deze drie woorden. "Ik ben Jozef." En zij zullen... ja, dat staat er nou zo achter, ze moeten helemaal een hoedje geschrokken zijn. In de eerste plaats omdat je iets hoort wat je totaal niet kunt plaatsen, wat je ook totaal niet verwacht. Dan moet eerst dat kwartje vallen en dan vervolgens: oh nee! En dat ook nog in zijn eigen taal. Ja, dat is ook nog zoiets.
In zijn eigen taal. Eerder lees je dat hij nog een tolk gebruikte; ik denk dat er in die hele conversatie een tolk geweest moet zijn. Dat lees je ook bij de eerste ontmoetingen: hij maakte gebruik van iemand die hem vertaalde. Jozef was de Egyptenaar, zeg maar, en hij spreekt Egyptisch met die jongens. Zo werd er vertolkt. Maar nu niet. Ja, waarom zou hij nog? Dus gewoon in het Hebreeuws: "Ik ben Jozef. Leeft mijn vader nog?" Ik denk niet dat dit een echte vraag is, het is meer een retorische uitroep: "Leeft mijn vader nog!" Want dat hadden ze zojuist gezegd. Je zou kunnen zeggen: dat hadden ze toch al verteld? Maar dit was ook de ontsteltenis voor Jozef: leeft mijn vader écht nog?
En zijn broers konden hem niet antwoorden, want ze waren verschrikt voor zijn aangezicht. De eerste reactie was geen blijdschap hoor. Dat lees je trouwens ook als de Heer zich straks gaat bekendmaken aan Zijn volk: ze zullen zien wie zij doorstoken hebben en ze zullen een rouwklacht over Hem aanheffen. En in dit geval zijn de broers ongetwijfeld bang geweest. Nou gaat er wat zwaaien! Ze waren verschrikt voor zijn aangezicht.
En Jozef zei tot zijn broers — het is zo aandoenlijk en aangrijpend wat je leest — Jozef zei tot zijn broers: "Kom alsjeblieft dicht bij mij." En ze kwamen dichtbij. Dat konden ze alleen doen door de gepaste afstand te overbruggen. En nu: "Ik kom dichtbij." En toen zei hij: "Ik ben Jozef, jullie broer." Nou, daar komt hij ook heel dichtbij hoor, als hij het zo zegt. Niet: "Ik ben jullie rechter" ofzo, maar: "Ik ben jullie broer. Ik ben één van jullie." En dan ook nog: "die jullie naar Egypte hebben verkocht."
Nu kan ik me voorstellen dat dat in eerste instantie geen geruststelling is geweest, want dit zou als een verwijt kunnen worden opgevat. Maar dit is geen verwijt. Hij deelt dit mee om aan te geven dat hij echt Jozef is, want er was er maar één die dit wist. Die elf wisten het — nou ja, in ieder geval tien, van Benjamin weet ik het niet helemaal zeker — maar de broers wisten dat zij hem verkocht hadden naar Egypte. Ze dachten dat hij wellicht inmiddels dood was, maar er was er nog één die wist dat hij verkocht was: Jozef zelf. En nou zegt hij: "Ik ben Jozef." Hij openbaart hier iets wat alleen hij kon weten: "Jullie hebben mij verkocht naar Egypte." Dit is dus geen verwijt, maar een historisch feit en het bewijs dat hij daadwerkelijk die Jozef is, hun broer.
Wat er dan vervolgens komt, nadat Jozef zich inderdaad heeft blootgegeven: "Ik ben Jozef." Maar dan zijn reactie. Dit is zo onvoorstelbaar wat hij dan zegt: "En nu? Wees niet bedroefd en laat jullie ogen niet gloeien." Dat betekent: wees niet ontsteld. Letterlijk staat er in het Hebreeuws de gedachte dat je ogen branden of heet zijn. Eigenlijk zeggen wij dat trouwens ook: de tranen branden in je ogen. Dat is de beeldspraak die hier gebruikt wordt. "Laat jullie ogen niet gloeien omdat jullie mij hierheen verkocht hebben."
Ja, dat was gebeurd. Maar waarom zou dat voor hen geen reden zijn om bedroefd te wezen? Dat ze bedroefd waren en dat ze schuldbewust waren, dat had Juda inmiddels wel bewezen als woordvoerder van zijn broers. En nu was ook het moment aangekomen dat Jozef zich kon bekendmaken, want hun harten waren nu toebereid om dit te ontvangen. Anders was het ook prematuur geweest. Dit moest eerst gezegd zijn en nu kon Jozef zich openbaren. Hij zegt: "Laat jullie ogen nou niet gloeien omdat jullie mij hierheen verkocht hebben."
Goddelijke Regie: Niet Jullie Schuld, maar Gods Reddingsplan ↑ hoofdstukken
Waarom is Jozef in Egypte? Hij zegt: "Want God zond mij hierheen voor jullie aangezicht om te doen leven." Dit vind ik eigenlijk wel het hoogtepunt van de geschiedenis. Er is geen enkel spoor van verwijt in wat Jozef hier nu tegen hen zegt. Hij zegt: "Jullie hebben mij hier niet heen gezet." Natuurlijk was dat feitelijk wel zo, maar dat was niet de hoogste, of beter gezegd de diepste reden waarom hij in Egypte was. Het was niet omdat zij hem hadden verkocht, omdat zij snode plannen hadden gesmeed of omdat ze zo’n afschuwelijke misdaad hadden begaan. Dat was het wel aan de oppervlakte, maar de echte reden wist Jozef. Dat is ook wat hem tot zo’n geweldige man van geloof maakt en hem tot een prachtig type van de ware Jozef maakt.
Jozef wist dat er Eén is die alles in Zijn hand heeft en die door alle menselijke 'ongein' heen — en dit is een voorbeeld van enorme ongein en van grote schuld — Zijn weg gaat. Jozef zegt eigenlijk: "Uiteindelijk gaat het niet om schuld, dit moest zo zijn. God zond mij." Natuurlijk was er schuld, maar er is een veel hogere en belangrijkere reden: God heeft hem daarheen gezonden om hen te doen leven. Wanneer je op deze wijze naar de geschiedenis kijkt, in dit specifieke geval maar ook in het algemeen naar het wereldgebeuren en alles wat er plaatsvindt, verandert je perspectief. Wij hebben de neiging om te denken in termen van schuld. Op dat niveau klopt het ook en is het niet onwaar, maar het is de onderkant.
Om de bekende metafoor van het borduurwerk aan te halen: wij staan aan de onderkant en kijken tegen een wirwar van draden en factoren aan. Wij spreken dan van schuld. Maar er is er Eén die alles een plaats geeft, toewijst en bestuurt. Het is goddelijke regie. Zelfs bij een misdaad zoals zij die hebben begaan, gaat God op het hoogste niveau Zijn weg. Ik weet dat je daar theologisch over kunt stoeien: heeft God dan werkelijk alles in Zijn hand? Maakt dat God de schepper van het kwaad? Als je vertelt dat God alles een plaats geeft, ook het kwaad, dan roept dat vaak conflict op. Maar de Schrift leert dat Hij alles in Zijn handen heeft en juist ook met het kwaad Zijn weg gaat. Dat zien we hier heel duidelijk.
Als je dat persoonlijk mag weten en je gaat realiseren dat de dingen die plaatsvinden niet zomaar gebeuren, dan geeft dat rust. Je denkt soms dat het misgaat, maar bij God gaat er nooit iets mis. Dat is een van de slogans die ik heel vaak aanhaal. Ging er hier iets mis? Oogschijnlijk van alles, maar voor God niet. Daarom hebben we hier ook een werkelijk goed bericht: er gaat nooit meer iets mis en de dingen die gebeuren, die moeten gebeuren. Later in Genesis 50, het laatste hoofdstuk, zegt Jozef het ook tegen zijn broers: "Jullie hebben kwaad gedacht, maar God heeft dat ten goede gekeerd." Die minnen heeft God tot plussen gemaakt. En ik zal u dit vertellen: er bestaat geen plus zonder een min. Teken maar eens een plus waar de min niet in zit; dat lukt je niet. Dat negatieve, die ellende en die schuld waren nodig, want nu bewijst Jozef dat er een God is die juist daardoor hen in het leven houdt.
Ooit haatten de broers Jozef en hebben ze hem verkocht, maar nu blijkt dat Jozef werkelijk van hen houdt. Het duurde even voor dat kwartje bij hen viel, maar het viel. En nu waren ze verzoend. Dat is meer dan alleen weer 'on speaking terms' zijn; er is eenheid en liefde. Daar was deze diepe weg voor nodig. Dit is een enorme troost voor iedereen die in de ellende zit: bij God gaat er nooit iets mis. Dat denk je soms wel, en het moet soms jaren duren voor je dat ziet. In dit geval duurde het tweeëntwintig jaar — twintig jaar plus twee jaar honger. Dat is een hele tijd, maar Jozef heeft dit altijd geweten. Daarom heeft hij in al die jaren dat er getobt werd, rust en vrede gehad. Hij kende zijn God en wist dat God Zijn woord altijd waarmaakt.
"God zond mij hierheen voor jullie aangezicht." Voor Jozef was dit de absolute waarheid. "Vergeet dat jullie het gedaan hebben." Natuurlijk was het zo, maar daar gaat het niet om. Er is een God die door alles Zijn weg gaat en Zijn plannen uitvoert om hen te doen leven. Dat lees je ook van de Messias. Het volk doodde Jezus; zij hadden de Leidsman van het leven gedood, maar God heeft Hem opgewekt. Dat is het grote verschil: de mens kan doden, maar God maakt levend. Waarom? Om dat leven dat Hij aan het licht bracht aan allen te geven. Hier gaat het specifiek over het huis van Jakob en over Israël, maar de waarheid blijft dat het kwaad van de verwerping van Jozef nodig was om hen het leven te geven. Het loopt perfect parallel met het verhaal van de ware Jozef: miskend en verworpen, maar het moest gebeuren om leven te brengen.
Jozef zegt er nog bij: "Want dit zijn twee jaren van honger in het midden van de aarde en er zijn nog vijf jaren waarin niet geploegd noch geoogst zal worden." Er zouden zeven magere jaren komen; ook dat was voorzien. Er is een God die voorziet. Jozef maakt hen erop attent dat er nog vijf jaar geen oogst zal zijn vanwege de droogte. En dan zegt hij nogmaals: "God heeft mij voor jullie aangezicht heen gezonden om voor jullie een overblijfsel te stellen op de aarde." Een overblijfsel betekent een volk dat overleeft. Hoe? Doordat ze het leven krijgen tot een grote verlossing. Zo wordt alles in perspectief geplaatst. Dit is het echte verhaal. Wat we tot dusver gelezen hebben, wat Juda kende en wat hij heeft verteld over hun schuld en het hele traject, was het verhaal van onderaf bezien. Maar dan krijg je een level hoger, vanuit Gods standpunt: er is een God en Hij gaat Zijn weg.
De Verweving van Menselijke Schuld en Goddelijk Lot ↑ hoofdstukken
Ik heb thuis een boek liggen, en dat is het laatste wat ik daarover nog wil zeggen. Het is een boek van Pagé, een predikant. Dat boek gaat over deze geschiedenis en het heeft als titel: 'De verwarring van schuld en lot'. Daarin lopen draadjes door van schuld aan de ene kant, en van nood, tragedie, misstappen en zonden aan de andere kant.
Maar er loopt ook een andere draad doorheen, en dat is het lot. Dat wil zeggen: God die het zo beschikt en het doet toevallen. Deze geschiedenis hangt immers ook van toevalligheden aan elkaar. Maar als er Eén is die alles doet toevallen, dan wordt toeval iets heel anders dan in de ogen van de wereld. Die twee draden lopen door elkaar heen.
Houd dit vast: de menselijke geschiedenis is uiteindelijk het verhaal van God. Het is His story. Amen.
UltimateGoodNews