GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

wie ben ik?

22-01-2023 - Geplaatst door Andre Piet
22 januari 2023, Zeewolde

Vragen als ‘waar kom ik vandaan?’ en ‘waar ga ik naar toe?’ behoren tot de meest fundamentele vragen die een mens zich kan stellen. ‘Wie ben ik?’ hoort ook thuis in dat rijtje. Maar met het stellen van zulke vragen komt er nog een belangrijke vraag bij, en dat is: aan wie stel ik deze vragen? Wie is bij machte om deze vragen naar waarheid en beslissend te beantwoorden? Want daar moeten we wezen!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De studie beantwoordt de fundamentele levensvraag naar onze ware identiteit. Waar de mens zijn identiteit baseert op het verleden en uiterlijke kenmerken, bepaalt God onze identiteit op basis van de bestemming en wat Hij voor ogen heeft. Als de Maker weet Hij precies wat we zijn, namelijk stof, maar ook wat we zullen worden. Gelovigen worden opgeroepen om zich niet langer als zwakke zondaren te zien, maar om met God mee te rekenen. Dit betekent onszelf dood rekenen voor de zonde en levend voor God in Christus Jezus.

“Geloven is niet voelen. Geloven is "amen" zeggen op wat Hij verklaart. Zo reken je. Dit is echt logica: rekenen zoals God rekent.”

De Vier Elementaire Levensvragen en de Naamvallen ↑ hoofdstukken

Een heel goede middag allemaal. Ik ben blij dat ik hier weer eens een keer mag wezen, want ik kom hier altijd bijzonder graag. Samen met mijn vrouw en mijn mevrouw-moeder zijn we hier gekomen en we zagen ernaar uit. Erwin heeft al wat mooie dingen naar voren gebracht over precies dat wat ik eigenlijk ook wilde vertellen. Nee, dat is geen verwijt... Waar zit je eigenlijk? O, daar. Want uitgerekend Psalm 103, waar jij uit las, dat is ook een van de schriftgedeelten die ik in gedachten had. Maar het lijkt mij goed om dat nog eens te herhalen en te onderstrepen.

Duidelijk is dat het onderwerp voor vanmiddag is: Wie ben ik? Who am I? Het is voor mij een beetje vreemd, want normaal gesproken heb ik een laptop voor me staan en dan zie je ook wat de volgende dia is. Ik heb deze presentatie gisteravond vrij laat gemaakt en ik weet niet eens meer precies in welke volgorde de dia's komen. Dat moet ik nu dus raden, dus ik hoop dat u daar enig begrip voor hebt. Nou, dat wordt lastig hoor. Ja, meer kun jij ook niet doen. Hij is wel komend? Het lijkt wel zo, ja. Nee, het maakt niet uit, we zien gezellig wel wat de volgende dia brengt. Dat is voor u net zo’n verrassing als voor mij.

Wie ben ik? Het is een van de belangrijkste vragen die een mens zich in zijn leven kan stellen. Wie ben jij nou eigenlijk? Er zijn nog veel meer vragen die zo enorm elementair zijn, waar je – zelfs als je er niet eens bewust van bent – toch mee bezig bent en onbewust een antwoord op hebt. Naast deze 'wie ben ik?' is daar de vraag die ook onvermijdelijk is: waar kom ik eigenlijk vandaan? En dan bedoel ik niet in de eerste plaats van mijn ouders of de woonplaats waar ik geboren ben, maar: wat is mijn oorsprong? Ook is er de vraag: waar bevind ik mij? In welke tijdspanne en op welke plek in de ruimte en in de tijd bevind ik mij? En misschien wel de meest elementaire vraag is: waar ga ik naartoe? Al die vragen zijn zo elementair omdat een antwoord daarop noodzakelijk is om je weg te vinden.

De grote vraag daarbij is – en ik had het in de aankondiging van dit onderwerp ook al gezegd: bij wie stel je eigenlijk die vragen? Want dat is de vraag die daar nog weer onder ligt. Je stelt jezelf die vragen, maar wie is daarbij je klankbord? Aan wie spiegel je dat en wie is daarbij bepalend? Terwijl ik zo bezig was met de voorbereiding van deze dingen en ik alles voor mezelf op een rijtje zette, kwam ik erachter dat die vragen die ik zojuist stelde – en het was met opzet in deze volgorde – overeenkomen met iets waarvan bij sommige mensen meteen het angstzweet uitbreekt als ik het woord noem. Ik heb het namelijk over naamvallen. Zeker als je Duits hebt gehad... ik ben nooit verder gekomen en dat moet maar zo blijven. Maar deze vragen die ik zojuist stelde, die komen overeen met die naamvallen.

Dat is trouwens een heel interessant woord, want als we het hebben over 'wie ben ik', dan hebben we het over onze identiteit, oftewel over onze naam. Want de naam heeft, zeker in de Bijbel, alles te maken met de uitdrukking van wie je bent; ik kom daar straks op terug. De aardigheid van dat woord 'naamval' is dat het eerste deel nogal logisch is, daar zien we het woord 'naam' in, maar dat '-val' heeft te maken met een 'geval', een casus. De juristen onder ons weten wel waar ik het over heb. Een naamval identificeert, ze bepalen de identiteit in verband met die vier vragen waar ik het zojuist over had.

Ik zal het nog even op een rijtje zetten. De eerste naamval beantwoordt altijd de vraag naar het 'wie', het onderwerp. Dat heet dan ook in het duur de nominatief. Daar zit het woordje 'nomen' in en dat heeft weer te maken met 'naam'. Het onderwerp dus. De tweede naamval beantwoordt de vraag: vanwaar? De afkomst. De genitief is daarbij heel interessant, want daar zit het woordje 'gen' in. Dat heeft dezelfde oorsprong als het materiaal waarmee wij onze afkomst aanduiden: de genen. Het beantwoordt daarmee vaak ook de vraag naar het bezit: van wie is iets? Dat komt omdat bezit erg sterk bepaald wordt door waar het vandaan komt en van wie je het hebt gekregen.

De derde naamval beantwoordt de vraag naar het 'waar' en 'wanneer'. De datief, de bepaling van tijd en plaats. En die vierde vraag komt dan overeen met de vierde naamval, die de vraag beantwoordt naar onder andere de richting: waar naartoe? In het Nederlands speelt dat allemaal niet zo’n grote rol meer, hooguit in wat oud-Nederlandse uitdrukkingen, maar zeker in andere talen – met name het Duits – zie je dat de naamvallen een enorme rol spelen. Vooral die eerste vier waar ik het nu over heb; in werkelijkheid zijn er nog wat meer. Waarom zeg ik dit? Omdat je dus zelfs taalkundig al op die fundamentele vragen stuit, en dat vond ik boeiend.

Menselijke Identiteit: Gefocust op het Verleden en Uiterlijk ↑ hoofdstukken

Kijk, normaal gesproken, als ik de vraag aan iemand stel: wie ben je? Hoe antwoord je daar dan op? Wat zeg je dan? Het eerste wat je dan doet, is je naam vermelden, toch? Wie ben jij? Ja, dan zeg je: "Ik ben André." Je kan dat ook heel officieel doen, zoals je dat in het plaatje ziet met je paspoort. Daar staat ook heel formeel in beschreven wie jij bent. In feite zit in de naam ook al het geslacht besloten, wat tegenwoordig natuurlijk heel erg omstreden is. Maar in de voornaam wordt de sekse al aangegeven. Ik bedoel, ik heet André en dat is echt een jongensnaam. Dat betekent namelijk ook "mannelijk". Er zijn ook vrouwen die Andrea heten – dat is mijn schoonzus, dan wordt het wel ingewikkelder – maar goed, dat is dan wel weer een typische vrouwennaam. Dus zelfs in de naam geef je dat al aan; dat zit erin. Dat is heel elementair. Ik zei al: zwaar omstreden tegenwoordig, maar ja, verwarring.

Kijk, het is zo buitengewoon belangrijk om antwoord te hebben op de vraag wie je bent, op je identiteit. Ik beschouw het ook als zo tekenend voor de tijd waarin we leven, waarin zelfs over de meest fundamentele, elementaire dingen verwarring wordt gecreëerd. Dingen die zo evident zijn; als er iets duidelijk is, ook als we het hebben over het geslacht, dan wordt daar al twijfel over gezaaid. En wie zou dat nou doen? De belangrijkste vraag die ook richting geeft aan je leven – die wil ik nog even vermelden – er is geen vraag die zozeer richting geeft aan je leven als juist het beantwoorden van je identiteit. We spreken nu over je zelfbeeld: waaraan ontleen je dat? Juist hoe je jezelf ziet, zal bepalen welke richting je opgaat in het leven. Nog veel meer dan ethiek, van "hoe moet ik leven". Nee, de vraag is in de eerste plaats: wie ben ik? En als je die vraag kunt beantwoorden, dan weet je een heleboel andere vragen te beantwoorden.

Oké, wie ben je? Dan zeg je je naam. Je kunt ook de afkomst vermelden. Feitelijk doen we dat ook in onze achternaam, want onze achternaam vertelt waar we vandaan komen. Dat zie je in de Bijbel ook. Dan wordt iemand genoemd, meestal bij name, bijvoorbeeld David, en dan staat er: "de zoon van Isai". Nou, wij zeggen dan Jansen of Pietersen, maar dat betekent gewoon zoon van Jan of zoon van Piet. Maar die achternaam geeft dus de afkomst weer. Ja, en daar zijn natuurlijk nog heel veel andere bijzonderheden te vermelden, zoals je dat bijvoorbeeld op het identiteitsbewijs van je paspoort of op je rijbewijs ziet.

De achtergrond, dat zie je in de Bijbel ook. Ik zat het zo eens na te gaan, maar als bepaalde personages in de Bijbel worden geïntroduceerd, dan wordt er heel dikwijls gezegd: "die en die, de zoon van" of "de dochter van". Ik noem maar wat: Rebekka, de dochter van Betuel, die haar verwekt had, zoiets. Dan wordt de afkomst vermeld, maar vaak worden er nog allerlei andere bijzonderheden bijgehaald, iedere keer die herhaling, zodat we weten over wie we het hebben. Bijvoorbeeld ook over het beroep: "David de koning", zo wordt dat dan benoemd. Of "Rachab de hoer" – die is wat minder edel, maar het was allemaal wel familie, moet ik u erbij zeggen. Ja, Rachab was de voormoeder van David.

Of het uiterlijk, dat zullen we straks ook nog zien. Maar van Saul lees je dat hij een kop boven het volk uitstak; dat was een rijzige gestalte. Juist dat onderscheidde hem van anderen. In feite is dat ook in de praktijk de functie van een naam, of in ieder geval één van de functies: het dient ter onderscheiding. Als we alle mannen hier André zouden heten, dan is dat niet erg handig. Nee, want het gaat er juist om dat je iemand noemt zodat diegene daarop kan reageren. Dat is alleen nuttig wanneer je daarin te onderscheiden bent van anderen. Het zou wel heel mannelijk zijn als we allemaal André heetten, dat zou je wel willen, allemaal André...

Voor sommige mensen is een naam niet zo heel erg belangrijk; eigenlijk is een naam vaak een nummer, een soort rugnummer. Een naam moet lekker bekken, of een beetje leuk klinken, of gangbaar zijn. Petra en ik hebben daar wat dieper over doorgedacht toen we ooit de kinderen hun namen gaven. Dat heeft een betekenis. Ja, dat heeft ook een Bijbelse achtergrond: de naam is de expressie van het wezen. Maar ik moet er ook bij zeggen dat je in de Bijbel trouwens ook dat fenomeen terugziet dat namen in feite gewoon een nummer waren. Je leest van een Secundus in de brieven van Paulus, maar dat betekent gewoon "de tweede". Of Tertius, of een Quartus, de broeder. Een Quintus lees je ook nog. Heel eigenaardig: je vindt geen Primus. Maar ik weet wel waarom dat is. Primus is de eerste. Er is maar Eén voor wie die naam en die titel is weggelegd. Secundus, Tertius, Quartus, Quintus... maar de Eerste, dat is Hij die daarboven is.

Nou ja, dat zijn dus van die antwoorden die je geeft op de vraag: wie ben je? Waarbij ik op iets heel eigenaardigs wil wijzen als we straks echt de Schrift gaan openen. Er is een heel belangrijk verschil tussen de wijze waarop de mens de identiteit bepaalt en de wijze waarop God dat doet. Ik zal dat duidelijk proberen te maken. Kijk, als wij het hebben over iemand en over iemands identiteit, wie dat is, dan doen we dat altijd op basis van wat wij nu zien. Op basis van wat voor ogen is, bijvoorbeeld lichamelijke kenmerken: groot, mooi, blond of rood, of weet ik veel wat allemaal. Dat zijn dingen die voor ogen zijn, en we doen het ook heel dikwijls op basis van het verleden. Je vermeldt: "Ja, ik ben André, ik ben geboren op 2 maart 1961 in Haarlem." Weet u dat ook weer. Dat is het verleden. Of je vermeldt de naam van je ouders, of je opleiding, of – als je daar trots op bent – je strafblad. Ja, die vertellen allemaal wat over wie jij bent. Als je een strafblad hebt, dan zeg je trouwens ook dat je een verleden hebt. Wij bedoelen dat meestal negatief: "Dat is iemand met een verleden." Dat zeggen we nooit over iemand met een grote staat van dienst. Maar ook handicaps, dingen die een mens beperken maar waarin hij zich ook weer onderscheidt van anderen. Dit zijn allemaal kenmerken die feitelijk voor ogen zijn.

Gods Perspectief: Identiteit Bepaald Door de Bestemming ↑ hoofdstukken

En nu komt het grote verschil met wat God doet als Hij het over iemand heeft, de identiteit bepaalt of zegt wie iemand is. Dan doet Hij dat juist met het oog op de bestemming. Dan heb ik het weer over die vierde naamval, zeg maar. Waar gaat het naartoe?

Maar dat is nu precies datgene wat een mens niet kan zien: de toekomst, dat wat nog voor de boeg ligt. Laten we wel wezen: zoals we hier zitten, heeft de een er al heel wat jaren op zitten en de ander wat minder. Dat is wat we weten, dat is wat voor ogen is. Maar over wat nog voor ons ligt, daar kunnen wij als mens niets zeggen. Voor zover we daar iets over weten, dan is het omdat we daar openbaring over hebben verkregen en God er iets over heeft gezegd. Maar dat is slechts aan Hem.

Zoals zojuist in de quiz ook nog naar voren kwam – hoe was dat ook weer? In Jesaja 46. Die tekst helpt mij verder. Juist ja, die bedoel ik, Jesaja 46: "Ik ben God, die van het begin de afloop verkondigt." Als er één ding is wat een mens nu uitgerekend niet kan, dan is het wel iets zeggen over de toekomst.

Maar laten we wel wezen: God heeft ons bestemd voor het leven. En dan bedoel ik letterlijk een eindeloze toekomst. Dat bedoel ik zowel kwantitatief als kwalitatief: eindeloos, zoals je vakantie ook eindeloos kon zijn. God heeft een eindeloze toekomst voor ons weggelegd – en sterker nog, voor deze hele schepping – om niet.

Wat ik nu zo geweldig vind, is dat het belangrijkste van onze identiteit nog in de toekomst ligt. Wat God van ons gaat maken en wat blijkt als het om onze identiteit gaat – onze naam – dat is wat God voor ogen heeft. Dat staat dus even los van het verleden en van het heden. Nee, het gaat over wat Hij voor ogen heeft: Zijn voornemen, Zijn plan. Daarin geeft Hij ons de identiteit mee.

Psalm 103: Vraag Je Maker Wie Je Werkelijk Bent ↑ hoofdstukken

Ik zei al: Erwin had een Bijbelgedeelte voorgelezen en dat vond ik inderdaad heel erg voor de hand liggend om als eerste te bespreken. Want als we het hebben over de vraag 'wie ben ik?', aan wie stel je die vraag dan? Normaal gesproken, als je wilt weten wat iets is, dan moet je bij de maker wezen. Dat geldt voor elk product. De enige die werkelijk informatie over een artikel, een maaksel of een creatie kan geven, dat is per definitie de maker.

Wie ben ik? Dat kan ik natuurlijk wel aan een mens gaan vragen of aan een ander: "Wie denk jij dat ik ben?" De meeste mensen ontlenen hun hele zelfbeeld en identiteit aan dat wat anderen over hem of haar zeggen. Of er is een variant, en meestal grijpt dat ook in elkaar — het is vaak een combinatie: wat denk ik zelf? Wat zijn mijn eigen gevoelens? Dat is minstens zo misleidend. Alsof ik degene ben die ik vóél dat ik ben. Nee, er is er maar één die weet wie we zijn. Dat is Psalm 103 en daar staat in vers 14 inderdaad dit: "Want Hij weet wat maaksel wij zijn."

Dit is pure logica: slechts de Maker kan uitsluitsel geven over wat Zijn creatie is. Hij weet dat, en Hij is gedachtig dat wij stof zijn. Dat 'gedachtig' zijn kan betekenen dat Hij het Zichzelf herinnert, maar Hij herinnert ons er ook aan. Hier staat inderdaad het Hebreeuwse woord voor gedenken en herinneren. Hij herinnert ons er ook aan dat wij stof zijn, gewoon uit de aarde genomen. Zoals we hier zitten, we zijn allemaal uit de aarde genomen, vaak via via, maar we zijn stof en we keren ook weer terug naar de aarde.

Dat is de mens: aards. Eigenlijk betekent het woord 'mens' dat ook. Hij is Adam, en dat betekent dat hij uit de aarde voortkomt. Daarom keert hij ook weer gewoon terug. Dit is het materiaal waar we van gemaakt zijn. Wie zijn wij? Dat heeft alles te maken met wat wij zijn en waar we van gemaakt zijn; het materiaal. Dat weet Hij. Hij heeft ons geformeerd en wij zijn stof. We hoeven ons niks te verbeelden; voor zover wij wat zijn, dan is dat omdat Hij wat van ons maakt. Ik moet zeggen dat ik dat een heel goed bericht vind. Want dat betekent dus dat we ook daarin totaal afhankelijk zijn van Hem. En wat nog het allermooiste is: daaraan kan een mens niets toedoen en daaraan kan een mens ook niets afdoen. Waar het om gaat, is dat je gaat beseffen waar Hij je aan herinnert: dat Hij je Maker is en ook dat wij van onszelf slechts stof zijn.

Dat staat trouwens even verderop in vers 15 van diezelfde Psalm 103: "De sterveling, zijn dagen zijn als het gras, als een bloem in het veld, zo bloeit hij." Prachtig, heel mooi allemaal. Maar kijk er niet te lang naar, want voor je het weet is het alweer weg. Dat staat vervolgens in vers 16: "Want als de wind eroverheen gaat, dan is zij niet meer en haar plaats kent men niet meer." Je weet niet eens meer waar die bloem gestaan heeft. Dat is wat we zijn: all we are is dust in the wind, of een bloem.

Er zijn trouwens nogal wat meer Bijbelse beelden die eigenlijk diezelfde waarheid uitdrukken van de vergankelijkheid. Ik weet niet wie me iedere keer herinnert, maar ik blijf gewoon doorgaan. Er zijn inderdaad nogal heel wat meer beelden: gelijk het gras is ons kortstondig leven. Het wordt ook vergeleken met een weverspoel, of met een damp die uit de aarde komt en dan ook weer zo verdwijnt. Allemaal met dezelfde gedachte van ijdelheid, vergankelijkheid en voorbijgaan. We zijn gewoon passanten, stervelingen. Dat is waar God ons ook aan herinnert.

Maar het geweldige is natuurlijk, en dat was ook mijn bedoeling door Psalm 103 aan te halen: als we willen weten wie we zijn, dan moeten we per definitie bij de Maker zijn. Eigenlijk is Hij de enige die werkelijk iets zinnigs te melden heeft over wie we zijn. Ik zeg niet dat het niet goed is om te reflecteren op wat anderen zeggen of om daar eens over na te denken. Integendeel, dat kan heel goed zijn om niet eigenwijs te wezen, maar ook te luisteren naar raad. Maar als er toch één ding voor alles gaat, dan is het: wees bij je Maker. Bij degene die ons gecreëerd heeft. Met deze overwegingen kom je op nog een ander punt.

1 Samuël 16: God Ziet het Hart en het Wezen aan ↑ hoofdstukken

Er is een heel uitgesproken menselijke handicap als het gaat om het beantwoorden van de vraag: "Wie ben ik?" Ik verwijs daarvoor naar 1 Samuël 16. Daar lees je dat Samuël naar Bethlehem moet gaan om een andere koning aan te stellen en te zalven. Hij komt terecht in het huis van Izaï – zijn naam viel zojuist al even – en daar komt het hele huis van Jesse, van Izaï, opdraven.

De eerste die daar binnenkomt, heet Eliab. "Mijn God is vader", dat is een hele mooie naam. En JAHWEH zei tot Samuël – de letterlijke weergave dan: "Kijk niet naar zijn verschijning, noch naar zijn verheven statuur." Kennelijk was die Eliab een man met een rijzige gestalte, een mooie vent. Het loutere feit dat God dit zo aan Samuël laat weten, geeft aan dat Samuël ongetwijfeld gedacht heeft: dat moet hem wezen. Hij ziet er echt heel goed uit; dat is echt een man die geschikt is voor het koningschap. Maar God zegt dan juist dat Samuël daar niet naar moet kijken, naar die verschijning en zijn verheven statuur, want: "Ik verwerp hem." Voor sommige mensen betekent dat dan meteen dat hij verdoemd is ofzo, maar dat is volstrekte onzin. Het gaat hier gewoon over het verkiezen van een koning. Eliab is ongeschikt en ook niet degene die God daarvoor bestemd heeft. Hij is dus verworpen om koning te zijn.

De reden dat God dat zo aan Samuël laat weten, is deze: "Immers, het is niet wat de mens aanziet; de mens ziet wat voor ogen is, maar JAHWEH ziet het hart aan." De Godsnaam JAHWEH betekent trouwens "Ik ben die Ik ben". Hij ziet het hart aan, en dat hart staat voor het wezen, de binnenkant. Wij denken bij het hart vaak medisch, alsof het die holle spier is die in onze borstkas klopt, maar in de Bijbel is dat nooit het geval. In de Bijbel is het hart de binnenkant van de mens, dat wat niet gezien wordt. Dat klopt voor die holle spier natuurlijk ook wel, maar het hart is ook het wezen, de essentie, het centrum. Zo spreken wij daar trouwens ook over: het hart van de stad, het centrum, het knooppunt waar alles samenkomt. Uit het hart zijn de uitgangen des levens. Dat wil zeggen: alle facetten van het leven komen daar samen.

Slechts Één is bij machte dat te zien. Een mens kan per definitie niet het hart aanzien. Daarmee bedoel ik niet alleen maar dat wat er in ons omgaat. Tot op zekere hoogte denken we wel daartoe in staat te zijn, om de gedachten van een ander te lezen, maar dat is nog niet eens het hart. Het hart is gewoon wie wij zijn. Het is ook wat Hij voornemens is met ons te maken en wat we zullen worden. Want het hart van de mens, dat is wat je werkelijk bent en wat Hij ook voornemens is met jou te gaan doen.

In feite is dat hier ook aan de orde. God zag het hart aan bij de keuze van een koning. Het zou nog tijden duren voordat David daadwerkelijk op de troon zou zitten, maar God zag dat al. Dat is het wezen, dat is het hart, daar ging het om. Het is een mens niet gegeven om daar zicht op te hebben, maar God wel. Daarom moet je ook bij Hem zijn als je wilt weten hoe de vork werkelijk aan de steel zit en als je werkelijk wilt weten wie je bent.

Naamgeving: God Roept in Abraham Wat Nog Niet Is ↑ hoofdstukken

What's in a name? De naam is de uitdrukking van wie je bent. Dat is ook het eerste wat we zeggen als de vraag gesteld wordt: "Wie ben je?" Dan noem je je naam. What's in a name? Heel veel. God doet ook niet anders; dat zie je al vanaf het begin. In Genesis 1 geeft God namen. Hij noemde het droge aarde en de samengevloeide wateren noemde Hij zeeën. Hij noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Zo was het. En het uitspansel noemde Hij hemel. God benoemt de dingen en daarmee geeft Hij namen die de essentie uitdrukken. Het is niet alleen maar een nummertje of een code eraan geven; het drukt de essentie uit. Dat is naamgeving: veel meer dan alleen een code, een etiketje of een rugnummer. Later lees je trouwens ook dat een mens ook de taak krijgt om al het leven en de dieren een naam te geven. Ook dat is iedere keer de uitdrukking van het wezen van zo'n creatie. De mens kreeg als heerser, als koning, ook de taak om dat te doen: om de dingen te benoemen, een naam te geven.

Dan bladeren we even door naar het boek Genesis en dan komen we bij Abraham. Dat vind ik een geweldig verhaal als we het hebben over "what's in a name". In Genesis 17 lees je daar een prachtig voorbeeld van. Inmiddels is Abram al een bekend figuur, want hij komt al op het toneel in Genesis 12. Hij heette altijd Abram, wat letterlijk 'verheven vader' betekent. In Genesis 17 is Abram nog steeds, strikt genomen, kinderloos. Voor God in ieder geval. Hij is dan 99 jaar oud. Het is een prachtige geschiedenis, Genesis 17, waarin God ook het teken van de besnijdenis geeft met alles wat daaraan vastzit. In vers 5 van Genesis 17 staat dat God tegen hem zegt: "Jouw naam zal niet meer genoemd worden Abram, maar jouw naam zal zijn Abraham." In het Hebreeuws komt de letter he erbij, een venster, of een vijf. Daarmee verandert de naam qua betekenis enorm. Want er staat: "omdat Ik jou tot vader van een menigte naties stel." Vanaf dit moment krijgt hij die naam.

Stel je voor dat hij voortaan zo genoemd wordt: Abraham. Een man die strikt genomen nog kinderloos was. Formeel, vanuit Gods optiek, moest de zoon van de belofte nog steeds geboren worden. En toch werd hij al een vader van een menigte naties genoemd. Kijk, dit is nou typische goddelijke identificatie. God wist wat geen mens kon weten en, sterker nog, wat mensen voor onmogelijk achtten. Maar God regisseert, Hij plaatst de dingen en zegt: "Zo zal het zijn." En niemand ziet het nog. Ga niet te rade bij de gynaecoloog of bij de dokter of Sarah inderdaad nog moeder kan worden, want zij weten het niet. Daarmee beledig je hen helemaal niet, maar het is gewoon het menselijk onvermogen. En dat vind ik zo geweldig: dat God de naam geeft. Hier zie je typisch dat hij al iets is voordat het gezien wordt. Hij is Abraham. Hij was Abraham en anderen noemden hem zo, niet omdat ze het zagen of omdat ze het voelden. Het doet er helemaal niet toe wat je ziet of wat je voelt – al die dingen waar wij zo enorm veel waarde aan toekennen. De Bijbel negeert dat.

Het gaat erom dat God zegt: "Jij." Alle menselijke mogelijkheden zijn afgesneden. Jij kunt geen vader worden, mede vanwege je vrouw wier lichaam verstorven is: dood, impotent om leven voort te brengen. Maar Ik breng leven voort uit de dood. God passeert het menselijk onvermogen. Jouw naam zal zijn: Abraham. De geschiedenis gaat verder in Genesis 21. Abraham was honderd jaar oud toen hem zijn zoon Isaak geboren werd. Isaak betekent 'lachen'. Dat was trouwens ook al voor de geboorte bepaald. Zeven keer lees je in de Bijbel dat God al voor de geboorte van een kind de naam geeft. Dat was bij Ismaël ook het geval, en bij Isaak. Ik kan ze niet allemaal even opnoemen, maar ik kan u verzekeren dat het klopt: van Johannes de Doper en van de Heer Jezus Zelf natuurlijk. Bij Hosea lees je het ook.

Daarmee zegt God: "Jullie weten daar nog niks van, maar dit is Mijn voornemen. Dit ga Ik van die persoon maken." Dat kun je niet zien, dat kun je niet voelen, dat is niet op basis van het verleden – helemaal niets. Dit is zoals Ik weet dat hij of zij zal zijn. Dat is toch geweldig? Dat we zo'n Woord hebben en zo'n God hebben die dat alles overstijgt. Eigenlijk zit Hij de mensen daarmee ook een beetje te kijken, om het netjes te zeggen. Hij geeft zoveel redenen tot vreugde, om te lachen over alles. Wij doen misschien heel serieus over ons onvermogen en wat we niet kunnen; we doen er dramatisch over. Maar God zegt: "Jouw zoon gaat 'lachen' heten." Er gaat een geboorte plaatsvinden die, helemaal naar de mens gesproken, niet kan. Dat is een bron van vreugde. Je kunt natuurlijk zeggen: "Als het eenmaal zover is, dan ga ik ook lachen," maar als God van tevoren al die garantie geeft, dan heb je echt veel voorpret. Neem Hem maar gewoon op Zijn woord. Geloof Hem nou maar; Hij doet wat Hij zegt. Dat kwam zojuist in de quiz: Hij doet wat in Zijn raad van tevoren was vastgesteld en Hij gaat het vervullen. Absoluut! Als je dat weet, dan heb je geen identiteitsprobleem. Dat kan ik u vertellen.

Romeinen 5 en 6: Reken Jezelf Levend voor God in Christus ↑ hoofdstukken

Ja, en hoe rekenen we? Ik wil tenslotte nog een paar schriftplaatsen noemen uit de brief aan de Romeinen, waarin de apostel Paulus, de apostel van de natiën, ons voorhoudt wie wij zijn in Gods ogen. Dat is zo elementair, want daarmee wordt ook een heleboel theologie aan de kant geschoven. In Romeinen 5 vers 8 staat: "God echter bewijst zijn liefde jegens ons, dat toen wij nog zondaren waren, Christus ten behoeve van ons stierf." Als er één ding is, of één feit waarin God bewijst deze wereld te behouden, dan is het wel dat Christus voor ons stierf. De wereld sloeg hem aan het kruis en God zegt: "Wat jullie ook doen, toen Hij stierf: Ik hou van jullie." Die liefde is niet kapot te krijgen.

Verderop in ditzelfde hoofdstuk staat trouwens ook dat Hij dat deed toen wij nog vijanden waren. Vijandschap is voor God geen verhindering om ons lief te hebben. Integendeel, Hij verzoent vijanden. In feite is het de enige voorwaarde die ik in de Bijbel gelezen heb om verzoend te worden: je moet eerst een vijand wezen. De rest neemt Hij voor zijn rekening; Hij doet dat. God bewijst zijn liefde, en deze liefde is agape. Dat is onvoorwaardelijk. Hier staat: "toen wij nog zondaren waren". Weet u wat dat betekent? Nou, dat betekent gewoon dat wij nu in Gods ogen geen zondaren meer zijn. Als je gerechtvaardigd bent, als Hij jou rechtvaardig verklaart – dat is Romeinen 8 trouwens – wie zal dan veroordelen? Als God mij rechtvaardig verklaart, wie ter wereld zou dan durven te zeggen dat ik een zondaar ben? Op basis van het verleden en op basis van wat je ziet, zou je het denken, maar als God nu rechtvaardigt, dan ziet Hij ons nu al aan in wat we straks zullen zijn. Vanwege wat Christus gedaan heeft, neemt Hij ons mee.

"Met Christus ben ik gekruisigd." Dat is niet meer mijn 'ik'. Of, zeg ik het goed: maar Christus. Ja, precies. In Galaten 2 vers 21 en 19 staat: "Maar Christus leeft... niet meer ik, maar Christus leeft in mij." Hij neemt ons mee door de dood heen naar het nieuwe leven. Dat is het lot van het hele mensdom, want zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen levend gemaakt worden, iedereen in zijn eigen rangorde. Maar het gaat mij nu even om de vraag: wie ben ik? Dan zeggen we vaak: "Wij zijn zondaren, wij blijven arme zondaren." Volgens de Bijbel niet. Wij waren zondaren. De truc – dat is het foute woord, maar ik gebruik het in dit verband toch even – is om daaruit te leven en daarop te staan als God dat zo zegt.

Dat staat trouwens een paar verzen eerder nog: "Want Christus, toen wij nog zwak waren, stierf bij gelegenheid ten behoeve van goddelozen." Waaruit dus ook weer blijkt dat aan het sterven van de Heer Jezus en de waarde die Hij daaraan toekent voor ons, geen voorwaarden verbonden zijn. Hij stierf namelijk ten behoeve van goddelozen, toen wij nog zwak waren. Ik zeg krachteloos; letterlijk staat er zoiets als 'onsterk'. Dat wil zeggen dat het ons aan kracht ontbrak, waarmee gezegd is dat wij nu wél kracht hebben. Niet van onszelf, maar van Hem die het ons geeft. Als we staan op zijn woord, dan hebben we die kracht. Je kunt daarover praten en je kunt er ook heel moeilijk over doen en het gaan betwijfelen, maar daarvoor moet je niet bij een mens wezen, ook niet bij professionals. Uiteindelijk haalt geen mens jou uit de put; bij God moet je wezen als je werkelijk wilt weten wie je bent. Hij zegt: "Hoor je bij Mij, herken je Mij? Dan ben jij geen zondaar meer. Je bent nu al geen zondaar meer, je bent namelijk gerechtvaardigd. En denk jij zelf zwak te zijn voor jezelf? Ik geef jou kracht." We zongen het vanmiddag nog: "Ik vermag alle dingen in Hem die mij kracht geeft." Is dat overdreven? Nee, het is gewoon wat zijn woord zegt. Die kracht staat ons ter beschikking.

Dit is de laatste tekst die ik nog wil laten zien: Romeinen 6 vers 11. Als we het hebben over identiteit, vind ik dit wel heel mooi om mee af te sluiten. Paulus spreekt midden in zijn betoog over Christus, die eens voor altijd stierf, is opgewekt uit de doden en de Levensvorst is die de dood achter zich heeft gelaten. Dan staat er in vers 11 van Romeinen 6: "Zo ook jullie. Reken jezelf inderdaad..." Nogmaals, dit is rekenen. Dus niet zien, niet voelen, maar geloof. Hij zegt het, en Hij kan het weten. Reken jezelf zoals God rekent. Hij ziet ons als volmaakt. Als Hij mij ziet, als Hij jou ziet en je bent in Hem, dan ben je volmaakt rechtvaardig. Geen zondaar meer, niet meer krachteloos; er is een stralende toekomst dichtbij. Hij geeft dat; dat ben jij. En dan zeg je: "Ja, maar dat voel ik niet." Nogmaals, geloven is niet voelen. Geloven is "amen" zeggen op wat Hij verklaart. Zo reken je. Dit is echt logica: rekenen zoals God rekent.

"Reken jezelf inderdaad doden te zijn voor de zonde." Dat betekent niet strijden tegen de zonde. Ook dat is zo'n theologie: dat we moeten vechten tegen de zonde. Het beste bewijs dat je het juist niet begrijpt waar het hier over gaat, is als je denkt dat dat onze roeping is. Wij waren zondaar, maar wij rekenen ons nu gewoon doden. Dat betekent dat wij niet strijden tegen de zonde; wij negeren het. Hoe kun je de zonde nou negeren? Door jezelf doden te rekenen voor de zonde en levenden voor God in Christus Jezus. Kijk, je kunt tegen iemand zeggen dat hij de zonde moet negeren, maar u weet hoe dat gaat: je mag niet aan blauw denken en dan denk je juist aan blauw. Zo werkt dat. Je mag niet aan de zonde denken, en dan denk je dus aan de zonde. Dat is dat hopeloze van dat strijden tegen de zonde, waar Romeinen 7 uitgebreid op ingaat. Als je gaat strijden tegen de zonde, is dat hopeloos, want dan ben je er juist voortdurend mee bezig. De zonde negeren kan slechts als je je realiseert dat je simpelweg leeft voor God. Dat is positief. Je negeert de zonde door te leven voor God en Hem te danken voor wie jij bent en wat je in Christus Jezus mag zijn: volmaakt rechtvaardig.

Zo leef je. Hoe mooi is dat? Je staat 's morgens op en je dankt God: "Deze dag is van U. U bent met mij bezig om iets geweldigs tot stand te brengen. Dat is Uw werk en ik dank U daarvoor." Alles daarin is genade. Hij geeft dat, en zo leef je voor God. En de zonde? Hoezo? Ik weet dat sommige mensen vinden dat dat niet kan als je het zo zegt, maar het is precies wat de Bijbel zegt: een dode te zijn voor de zonde. Je stelt je er volstrekt als een lijkje tegenover op; je hebt er niets mee te maken. Wij leven voor God in Christus Jezus. Ik wil graag nu ook met elkaar gaan zingen. Ik had het tegen Erwin al gezegd, het lied uit de Opwekkingsbundel: "Breng dank aan de Eeuwige". Daarin staat: "En nu zegt de zwakke: ik ben sterk, en zegt de arme: ik ben rijk." Naar de mens gesproken kun je dat allemaal zo zeggen, maar het gaat erom wat Hij zegt. Dat is bepalend, en dan weet je wie je bent. Ik stel voor dat we daarover gaan zingen.

🎧 wie ben ik?
Delen: