waarom hebt U mij zo gemaakt?
06-10-2024 - Geplaatst door Andre Piet6 oktober 2024, Urk
Bovenstaande vraag behoort tot één van de meest indringende vragen die een mens zich kan stellen. Waarom ben ik wie ik ben? Waarom stond mijn wieg hier en niet daar? Wat maakt dat ik in bevoorrechte omstandigheden mocht groot worden en een ander van jongs af aan niets dan ellende ondervond? Enzovoort, enzovoort. Al dit soort vragen bepalen ons bij het feit dat niemand zichzelf heeft gemaakt en dat ook niemand ook maar iets van zichzelf heeft. Er is één GOD en HIJ is de Schepper en Formeerder.
Het geluid dat u tijdens de opname op de achtergrond hoort, was van een draaiende motor buiten.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- De Intrigerende Vraag: Waarom Ben Ik Wie Ik Ben?
- Romeinen 9 en Gods Verkiezend Voornemen
- Zou Er Onrechtvaardigheid Zijn bij God?
- Farao als Instrument Om Gods Kracht te Tonen
- Wie Heeft Gods Raadsbesluit Weerstaan?
- De Pottenbakker en het Tegensprekende Geboetseerde
- De Blindgeborene: Opdat Gods Werken Openbaar Worden
- De Vrije Beschikking van de Pottenbakker
- Uit Hem, Door Hem en tot Hem Zijn Alle Dingen
De Intrigerende Vraag: Waarom Ben Ik Wie Ik Ben? ↑ hoofdstukken
Een hele goedemiddag allemaal. Dankjewel Luc voor deze mooie introductie. De bijbeltekst die jij verkoos te lezen zal vanavond verder niet meer aan de orde komen denk ik zo, maar ik vond hem eigenlijk wel heel mooi gevonden; ik dacht zelf helemaal niet aan dat bijbelgedeelte. Bij nader inzien blijken er echter heel wat Bijbelgedeelten te zijn die je naar aanleiding van deze titel zou kunnen lezen en bestuderen. Maar ik moet erbij zeggen: de titel die ik aan deze presentatie, aan deze toespraak heb gekoppeld, is een direct citaat uit de Bijbel. Je treft hem maar één keer aan. Wat denkt u, waar staat dat? Laten we eens beginnen met een quiz. In Job? Nee, niet in Job. Romeinen 9? In de Psalmen? Nee, ook de Psalmen niet, maar ik hoor hem daar aan mijn rechterhand wel correct: inderdaad, Romeinen 9. Daar staat letterlijk deze tekst en we zullen hem straks vanzelf tegenkomen.
Ik moet zeggen, en ik heb dat in de introductie ook al even aangegeven, dat het een hele intrigerende vraag is. Wie heeft zich deze vraag eigenlijk nooit eens gesteld: waarom hebt U mij zo gemaakt? Of meer algemeen nog: waarom ben ik wie ik ben? Waarom ben ik geboren — om even voor mezelf te spreken — op 2 maart 1961 in Haarlem? Mijn wiegje stond vervolgens in Aalsmeer en ik groeide op in een reformatorisch milieu. Ik kreeg de familie, de ouders en de omgeving waarin ik groot werd; zij hebben mij allemaal zo gemaakt als ik nu ben.
Ze zeggen wel eens dat een mens gevormd wordt door twee grote factoren. In het Engels kun je dat heel mooi formuleren als nature en nurture. Bij nature gaat het over je DNA, je genen. Die maken je voor een groot gedeelte tot wie je bent: je temperament, je psyche, maar ook je gezondheid en je lichamelijke kenmerken. Of je knap bent of lelijk, of iets ertussenin, wat dan ook; al die factoren spelen mee. En dan is er nog de nurture: de omgeving met wie je in aanraking komt, degenen die jou onderwijs geven, de kranten en tijdschriften die je leest. Al die miljarden factoren maken je uiteindelijk tot wie je bent.
Want laten we wel wezen — het is een uitspraak die ik vaak in de mond neem: niemand heeft zichzelf gemaakt. Wie je ook bent, en of je nu tevreden bent met je identiteit, je afkomst of je gezondheid; het zijn allerlei dingen die je toebedeeld zijn en waar je verder geen invloed op hebt. Wie heeft daarvoor gekozen? Niemand. Vaak ben je je er niet eens van bewust, en we zullen dat vanmiddag trouwens vanzelf nog wel zien: een heleboel dingen waarvan je denkt dat je ze zelf kiest, de weg die je gaat of de prestaties die je hebt geleverd, ben je geneigd om aan jezelf toe te schrijven, zeker als het positief is. Als het negatief is, doen we dat liever niet en worden we ineens een slachtoffer. Dan zeggen we: “Ja, maar dat zijn de omstandigheden,” en weten we vaak allerlei mensen of situaties aan te wijzen, of God aan te wijzen als de schuldige. Maar als het even kan, zetten we onszelf graag op een voetstuk.
De Bijbelse waarheid waar we op voorhand eigenlijk al mee geconfronteerd worden, is echter: niemand heeft zichzelf gemaakt. Er is maar één Schepper, er is maar één Maker, één Formeerder. En dan is de vraag: waarom ben ik gemaakt zoals ik gemaakt ben, wanneer ik gemaakt ben, hoe ik gemaakt ben en waar ik gemaakt ben? Al die journalistieke vragen van wie, wat, waar, hoe en wanneer; daarin krijg je een rol toebedeeld. Je bent een creatie. Dit zijn zo van die mijmeringen die je kunt hebben als je de titel zo leest: waarom ben ik eigenlijk wie ik ben?
Als je een klein beetje nadenkt over de dingen van het leven en wat dieper graaft, dan zal de gedachte je vast wel eens overvallen: voor hetzelfde geld had ik in Gaza gewoond, of in Beiroet of Kabul. Wie was ik dan geweest als mijn wiegje daar had gestaan, in die omstandigheden? Bij al die mijmeringen geldt: hoe diep je ook gaat en hoe ver je daarin je vragen ook stelt, je krijgt er geen antwoord op. Het zijn hele intrigerende vragen, maar waarom? We zullen vanmiddag zien dat de Bijbel een heel andere vraag daarbij opwerpt en die ook beantwoordt. En dan verbleekt deze vraag.
Romeinen 9 en Gods Verkiezend Voornemen ↑ hoofdstukken
Wij gaan vanmiddag naar Romeinen 9, dat is een geweldig hoofdstuk, juist ook in het licht van dit onderwerp. Alleen het probleem is even: waar begin ik en waar eindig ik? Omwille van de tijd haak ik hier aan in vers 14. Dat doe ik met enige pijn in het hart, want ik zou het liefst eigenlijk nog wat verzen eerder bespreken, maar dat doe ik nu niet. Paulus zegt dan: “Wat zullen wij dan zeggen?” Het is logisch dat hij hier midden in zijn betoog is, dus je moet de vraag stellen waarover hij het had. Dat kan ik nu wel even kort samenvatten, vandaar dat ik hier ook aanhaak. Het onderwerp dat hij bespreekt, is wat hij in vers 11 noemt: het verkiezend of het uitverkiezend voornemen van God.
Hij begon het hoofdstuk over Israël. Feitelijk is de vraag die Paulus stelt: hoe zit het nou met de Israëlieten die gewoon als volk, als geheel, hun Messias afwijzen, terwijl de Messias toch in de eerste plaats voor hen is? Hoe zit het dan met de beloften die God aan dat volk heeft gegeven? Zijn die dan vervallen? Dan begint Paulus over uitverkiezing. Hij zegt: “Niet alles wat Israël heet, is Israël, en niet alles is zaad van Abraham wat uit hem voortkomt.” Want hoe was het ook alweer? Tegen Abraham was al gezegd: “Door Isaak zal van nageslacht, of van zaad, van u gesproken worden.” Met andere woorden: het nageslacht van Ismaël, dat strikt genomen biologisch gezien naar het vlees gesproken nageslacht is van Abraham, wordt niet zo gerekend. Die lijn zet zich in de volgende generatie ook weer voort. Want niet Ezau én Jakob, niet beiden, maar alleen Jakob. Het is de God van Abraham, Isaak en Jakob. God kiest uit.
Dan kom je op een heleboel vragen. Als God het dan uitkiest… Ik wou bijna zeggen “het eiland Urk”, maar daar loop ik een beetje achter als ik het zo formuleer, maar we zijn nu op Urk. Als er één concept, één leerstuk of een bijbels begrip is dat hier op Urk in de prediking over het algemeen een grote rol speelt, dan is dat wel de uitverkiezing. In de reformatorische wereld is dat een heel groot punt. Dat is vooral ook omdat bij uitverkiezing altijd wordt gedacht: de één wel en de ander niet. Dat is van eeuwigheid eigenlijk ook besloten. Is dat niet onrechtvaardig? Laten we het gewoon maar verder doorlezen. “Wat zullen wij dan zeggen? Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God?”
Dit is de redenering. Paulus had al wat voorbeelden gegeven. Voordat Rebekka zwanger werd, lees je al dat er, nog voordat zij baart, wordt gezegd: “De oudste zal de jongste dienstbaar zijn.” Maar goed, dan kun je de vraag stellen: wat kon Jakob eraan doen dat hij de jongere was? We hadden het er net zo over: waar je geboren wordt, zelfs het feit dát je geboren wordt, dat is toch geen keuze? Dat is een gegeven. Wat kun je eraan doen welke plaats je hebt in de volgorde van geboorte, dat je de jongste of de oudste bent? Je kunt het ook omkeren: wat kon Ezau eraan doen dat hij de oudere was?
Dat is een problematisch punt waar heel veel foute theologie aan gekoppeld is. Paulus haalt dan ook een tekst aan uit Malachi: “Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.” Het probleem met dat woord “haten” is vooral dat daar een betekenis aan wordt gekoppeld die het in de Bijbel niet heeft. De bijbelse betekenis van haten is: op de tweede plaats stellen. Dat is heel mooi als je dat in het Hebreeuws ziet. Het Hebreeuwse woord voor haat of gehaat is sane. Dat heeft te maken met het woord voor “tweede”: sheni. Jom sheni, dat wil zeggen de tweede dag. Dat is het grondwoord voor haat. Iemand die gehaat is, is niet per se iemand aan wie je een hartgrondige hekel hebt, maar het is degene die niet de eerste plaats inneemt. Je leest dat ergens in Deuteronomium over een man die twee vrouwen heeft, een polygame situatie. Dan staat er: de een is geliefd en de ander is gehaat. De NBG-vertaling geeft het correct weer met “de niet-beminde”. Dat wil zeggen: degene die niet de voorkeur geniet van de man.
Al die vragen: is dat niet onrechtvaardig? Je kan er toch helemaal niks aan doen dat God die keuze maakt? Is dat geen discriminatie? Als er nog één begrip is dat in onze dagen heel slecht staat aangeschreven, dan is het wel discriminatie. Eigenlijk is het wel leuk om er wat contrair tegenaan te kijken. Discrimineren betekent gewoon letterlijk onderscheid maken. Dat is wat wij voortdurend doen: het verschil zien tussen het een en het ander. Ik vind het al heel tendentieus dat dat tegenwoordig in zo’n kwaad daglicht staat. Er is heel veel onderscheid. Vroeger bad mijn vader aan tafel nog wel eens een gebed waarin hij formuleerde: “Gij maakt onderscheid daar waar het niet is.” Het ging er dan om dat wij voorrechten genieten, dat we gezond zijn, dat de tafel vol staat met eten, terwijl anderen het missen. Waarom hebben wij dat wel en een ander niet? Dus zijn wij beter?
Met andere woorden: God maakt kennelijk onderscheid. De ene krijgt het wel en de ander krijgt het niet. Hoe zit dat dan? In alles is er onderscheid. We zijn allemaal verschillend. Maar goed, is dat onrechtvaardig? Op die vraag gaat Paulus nu verder in. Dat bepaalt ons heel sterk bij een item dat in de loop van de jaren in deze bijbelstudies op deze locatie al vaak naar voren is gebracht en eigenlijk als een rode draad door alles heen loopt, namelijk de Godheid van God. Hij is God. Romeinen 9 is ook wel een kroonjuweel in die bijbelse waarheid.
Zou Er Onrechtvaardigheid Zijn bij God? ↑ hoofdstukken
Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Paulus haast zich te zeggen: “Volstrekt niet!” En dan gaat hij nog meer Bijbelse voorbeelden geven. Wat Paulus hier doet, is een Bijbelstudie geven. Hij opent de Hebreeuwse Bijbel en hij zegt: “Kijk, daar staat dat.” Hij citeert Exodus waar God tot Mozes spreekt: “Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn.” Met andere woorden: dat bepaal Ik. Ik ontferm Mij over degene die Ik wil en Ik bewijs barmhartigheid over degene die Ik wil.
Dat is buitengewoon essentieel in verband met dit onderwerp. De fundamentele Bijbelse waarheid is dat Gods barmhartigheid over al Zijn werken is; dat staat ook in Psalm 145 vers 9. God houdt van Zijn schepping, simpelweg omdat het Zijn schepping is. Hij laat de werken van Zijn handen niet varen.
Dat neemt niet weg dat God werkt in een rangorde. Later zullen we deze studie eindigen met Romeinen 11, waar staat dat God Zich uiteindelijk ontfermt over allen, maar Hij doet dat niet allemaal tegelijk. Dat is het onderscheid dat hij maakt. Het is dus niet zo dat God de ene uitkiest en de rest Hem niet interesseert, of dat de rest verdoemd is. Dat zijn afgodische, vreselijke en gruwelijke ideeën. Het Bijbelse idee bij uitverkiezing is: God kiest de één uit juist om de ander te bereiken. God koos Jakob uit zodat Ezau hem kon vasthouden. En God koos Abraham uit opdat Hij via Abraham en zijn zaad alle geslachten van de aardbodem zou zegenen. Dan zie je hoe God inderdaad een universeel perspectief heeft, maar Hij kiest een kanaal van zegen. Dat is uitverkiezing: het is nooit ten koste van de ander, maar juist ten dienste van de ander.
Als je dat eenmaal ziet, dan wordt Romeinen 9 ineens een compleet ander hoofdstuk. God kiest uit. De één wel, de ander niet. Maar dat betekent nooit dat de rest buiten Gods interesse valt. Never, nooit. Sterker nog, je zou zelfs kunnen verdedigen dat degene die uitverkoren wordt weliswaar een voorrecht en een heerlijkheid ontvangt, maar dat het ook een enorme last is. Ik heb dat vaak uit Joodse pennen gelezen: “Waarom heeft God ons nu uitgekozen? Had Hij niet een ander volk kunnen uitkiezen?” Want er hangt wel een prijskaartje aan. Niet omdat het gekocht is, zo bedoel ik het niet, maar omdat het consequenties met zich meebrengt. Zelfs als je niets van God wilt weten, dan nog hoor je bij een volk dat God gereserveerd heeft.
God werkt in rangorden en Hij heeft het geheel op het oog. Zoals Paulus in 1 Korinthiërs 15 zegt: zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus ook allen worden levend gemaakt. Maar we sterven niet allemaal tegelijk en we leven ook niet allemaal tegelijk. Ieder wordt levend gemaakt in zijn eigen rangorde en volgorde. Die volgorde is ook een rangorde, want degenen die de eerste zijn, krijgen de hoogste positie. Het heeft alles te maken met eerstgeboorterecht en eerstelingen. En hoe God dat doet? Wel, dat is aan Hem. Over wie Hij Zich ontfermt, ontfermt Hij Zich, en jegens wie Hij barmhartig is, is Hij barmhartig.
Dan staat er in vers 16: “Het hangt er dus niet daarvan af of iemand wil, dan wel of iemand rent.” Dat is het woord dat hier eigenlijk staat; niet “loopt”, maar “rent”. Het is een sportief begrip. Paulus gebruikt het ook in 1 Korinthiërs 9 als hij het heeft over de renbaan en de lopers. Dan gaat het echt over hardlopen. In het Nederlands krijg je dan een soort rijm: het hangt niet af van degene die rent, maar van God die Zich ontfermt.
Wat Paulus dus zegt: God kiest uit, God beschikt, God bepaalt. Eerder in dit hoofdstuk had Paulus het al over Jakob gezegd: voordat de twee geboren waren en goed of kwaad hadden gedaan — opdat het verkiezend voornemen van God zou blijken — had God al gezegd dat de oudste de jongste dienstbaar zou zijn. Met andere woorden: het is God die dat doet. Het hangt helemaal niet af van de mens die iets wil. De vrije keuze, u weet het. Ik had het net over Urk en hoe bepaalde gedachten over de soevereiniteit van God daar een hoofdrol spelen. Maar in de evangelische wereld zeggen ze juist: “Ja, maar het hangt ervan af of jij dat wilt. Jouw keuze!” En vaak ook: “Je moet er wel wat voor doen.” Nou, Paulus zegt heel laconiek dat het dus niet daarvan afhangt of iemand wil of iemand rent, maar van de ontfermende God.
Net zoals Paulus in de Timotheüsbrief zo schitterend zegt: “Ik was blasfemisch bezig.” Dat wist hij trouwens niet; integendeel, hij dacht het omgekeerde te doen. Maar hij zegt: “Mij is ontferming bewezen.” En hij werd overweldigd door Zijn genade. Dat vind ik zo geweldig. Paulus is daar zo’n krachtig voorbeeld van. Hij heeft nooit voor Jezus gekozen. Hij werd overweldigd door de heerlijkheid en door het licht en hij viel op zijn aangezicht. Dat is nooit een keuze geweest. Kijk, zo opereert God, de ontfermende God. Dat geldt trouwens ook in het negatieve, want als we even gewoon doorlezen…
Farao als Instrument Om Gods Kracht te Tonen ↑ hoofdstukken
Vers 17: “Want het schriftwoord zegt tot Farao…” Eerst had Paulus het over Mozes. God had Mozes uitgekozen, ook toen hij trouwens nog alleen maar kon huilen en bevuilen — toen had God hem al uitgekozen. Hij werd uit het water getrokken; dat verzin je niet, maar zo is het gegaan. Maar in het negatieve is dat dus ook zo. Paulus verwijst naar Farao, want het schriftwoord zegt (ook weer uit Exodus): “Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u Mijn kracht zou tonen.”
Tegen Farao wordt dit gezegd. Mozes wist dat trouwens allemaal van tevoren, maar Farao wist het niet. Tegen Farao wordt gezegd: “Daartoe heb Ik u doen opstaan”, en dat wil zeggen: opstaan tegen God. Let op, hier staat: “Daartoe heb Ik u doen opstaan tegen Mij.” Waarom? Dat staat erbij: “Opdat Ik in u, Farao, Mijn kracht zou betonen.” God wilde Zijn kracht betonen en laten zien hoe sterk Hij is. En wat doe je als je wilt laten zien hoe sterk je bent? Dan kies je een hele sterke tegenstander uit, de machtigste man toentertijd op aarde. Dat was de farao van Egypte. Dat was, zoals wij er nu over spreken, de machtigste president op aarde. Hij was de vader van het land en God koos Farao uit om op te staan tegen Hem.
Dan lees je dat Farao “nee” zegt. God stuurde Mozes naar het hof van Farao en zei: “Laat Mijn volk gaan.” “Nee, dat doe ik niet.” Op een gegeven moment — u kent de geschiedenis — komt hij onder steeds grotere druk door de plagen die over Egypte komen. Bij de zesde plaag bezwijkt hij bijna, en dan lees je: “En God verhardde zijn hart.”
Ik spreek nu eigenlijk met de kennis achteraf, maar ook met de kennis die Mozes al had. Farao was zich van niks bewust. Dacht u werkelijk dat Farao wist dat God hem deed opstaan tegen Hem? Nee, helemaal niet. Hij wist het niet, hij was zich er niet van bewust. Maar God had hem doen opstaan tegen Zichzelf: “Opdat Ik in u Mijn kracht zou tonen.” Dat heeft God ook gedemonstreerd. En toen Farao onder de druk dreigde te bezwijken, toen verhardde God zijn hart, zodat hij “nee” kon blijven zeggen.
Er staat nog achter: “En Mijn naam verbreid zou worden over de hele aarde.” Nou, dat is wel gelukt, want we praten inmiddels pakweg 3500 jaar later over deze geschiedenis. Waarom is deze geschiedenis van de Exodus en de uittocht uit Egypte zo indrukwekkend? Juist vanwege die plagen die over Egypte kwamen en een farao die “nee” bleef zeggen. Dan krijg je dus het verhaal van een farao die weerstond, die ongehoorzaam was aan de oproep die God had gedaan, namelijk: “Laat Mijn volk gaan.” Farao zei: “Nee.” En toen hij dreigde “ja” te gaan zeggen, toen zei God: “Nee, nog even door. Even geduld. Je blijft nee zeggen.”
Dat is de geschiedenis. Het is een van de meest indrukwekkende geschiedenissen. Het Joodse volk viert dat nu nog jaarlijks: het Pesach, de uittocht uit Egypte en hoe God hen heeft uitgeleid uit het slavenhuis van Egypte. Maar dat is allemaal dankzij een onwillige farao. Was farao ongehoorzaam? Jazeker. Heeft God hem verhard? Jazeker, ook dat. En daarom denken we er nu nog steeds aan terug.
We hebben het er hier natuurlijk ook dikwijls over gehad: dat is het bekende contrast-principe. Als je je kracht wilt betonen, heb je een contrast nodig. En dat geldt eigenlijk voor elke eigenschap. Dat geldt niet alleen voor het betonen van kracht, maar ook voor het betonen van genade. Daar heb je ontferming voor nodig. Je kunt je alleen ontfermen wanneer daar iemand is of daar mensen zijn die zich in deerniswekkende omstandigheden bevinden. Je kunt alleen maar liefde bewijzen… je kunt wel tegen iedereen zeggen: “Ik hou van je”, maar je kunt je liefde pas echt bewijzen als iemand in de shit zit, in de ellende, en het ook helemaal niet meer verdiend heeft. Juist dan kun je liefde bewijzen. Dat is het contrast. Het goede leer je slechts kennen tegen de achtergrond van het kwade.
God had Farao om die reden tegen Hem doen opstaan, opdat via hem de naam van God verbreid zou worden over de hele aarde. En dan trekt Paulus zijn conclusie in vers 18: “Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.” Hij ontfermde Zich in dit geval over Mozes en, meer in het algemeen, over het volk dat Hij zou gaan uitleiden. Maar aan de andere kant verhardde Hij ook wie Hij wilde.
Paulus zegt dat trouwens om even het brede verband te bedenken. Hij zegt dat ook met het oog op het volk van Israël. Want dat was de aanleiding van zijn overwegingen en de studie die hij hier geeft. Even later in ditzelfde hoofdstuk lees je ook over het Israël van vandaag. Tot op de dag van vandaag heeft God aan hen gegeven een geest van verdoving: ogen die niet zien en oren die niet horen. Paulus citeert: “tot vandaag de dag.” Dat kunnen wij nu, bijna 2000 jaar later, ook nog zeggen. Tot de dag van vandaag is dat aan de orde. Het volk is verdoofd; ze zijn niet in staat om te horen, of ze horen het wel, maar ze verstaan het niet. Ze zijn blind en ze zijn doof, maar dat heeft God aan hen gegeven.
Dit zijn waarheden, zulke essentiële en fundamentele waarheden die ons bepalen bij het feit dat God, God is. Maar ze liggen zo moeilijk. Als je deze dingen naar voren brengt, wil het er vaak niet in. Want het grootste probleem met deze waarheid is dat de mens er zo enorm klein van wordt.
Het is mooi zoals Paulus dat hier naar voren brengt. Hij voert ook een denkbeeldige opponent op die stelling neemt tegen de gedachtegang die hij hier ontvouwt: “Gij zult nu tot mij zeggen…”
Wie Heeft Gods Raadsbesluit Weerstaan? ↑ hoofdstukken
Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn raad, of Zijn raadsbesluit, weerstaan? Ik ga er nu eventjes aan voorbij dat hier… nou nee, ik ga er niet aan voorbij, want ik memoreer het nu, maar ik ga het nu verder niet toelichten. De meeste vertalingen zeggen hier: “Want wie heeft Zijn wil weerstaan?” Maar dat staat er niet. Er staat niet het woordje voor ‘wil’, maar er staat het woord voor ‘bedoelen’ of het woord voor ‘raad’.
In het ene geval deugen de huidige gangbare verklaringen en vertalingen niet om de simpele reden dat Farao Gods wil wel degelijk weerstaan heeft, maar Gods raad niet. Want het was Gods bedoeling dat Farao tegen Hem zou opstaan. Heeft Farao dan Gods wil gedaan? Nee, want Gods wil was: laat Mijn volk gaan. Maar Gods bedoeling kon slechts gerealiseerd worden doordat hij Zijn wil wel weerstond. Zie je?
Maar Paulus gebruikt hier dus het woord voor raad. In feite is wat Paulus hier aangeeft een retorische vraag. Je zou tegen dit alles kunnen inbrengen en zeggen: “Ja, maar wat heeft God dan überhaupt nog aan te merken, want wie heeft Zijn raad weerstaan?” Dat is retorisch. Het antwoord is namelijk: niemand. Ook Farao niet. Hij weerstond Gods wil, maar niet Gods raad, Gods bedoeling. Er gaat bij God nooit iets mis. Ook toen niet. Integendeel zelfs.
Ik heb hier Spreuken 16 vers 4 aangehaald, want dat is een prachtige tekst in het boek Spreuken, dat de Heer alles heeft gemaakt voor Zijn doel. Zelfs de goddeloze voor de dag van kwaad. Ook hiervan zeg ik: take it or leave it. Dat is het. Wie heeft Zijn raadsbesluit weerstaan? Het antwoord is niemand.
En betekent dat dat God dus niet het recht zou hebben om zulke dingen te doen met Farao? Of dat God Farao niet tegen Hem kon laten opstaan en dat Farao dan bijvoorbeeld… nou ja, u weet hoe het afgelopen is met Farao en zijn legers. Want je leest trouwens van Farao dat zijn hart verhard werd, maar je leest ook in Psalm 105 dat God het hart van de Egyptenaren verhardde, zodat ze Zijn volk weerstonden of haatten. Zo staat er. Dus heel Egypte had een aversie tegen dat volk. Ja, maar dat heeft God zo inderdaad geregisseerd. Maar hoe kan God dat dan doen? Is dat niet onrechtvaardig? En dan krijg je deze vraag. Paulus beantwoordt deze vraag feitelijk niet. Eigenlijk stelt hij een tegenvraag.
De Pottenbakker en het Tegensprekende Geboetseerde ↑ hoofdstukken
Maar gij, o mens… wie ben jij dat jij God zou tegenspreken? Eigenlijk wordt de vraag beantwoord met een tegenvraag: wie verbeeld je wel dat je bent dat jij zo’n vraag zou kunnen stellen? En dan licht hij die tegenvraag toe. In feite is de tegenvraag tevens het antwoord: een mens heeft simpelweg het recht niet om God tegen te spreken.
Misschien denk je: wordt de vraag nou niet serieus genomen? Juist wel! Let op de toelichting: “Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen…”. Veel mensen denken bij het lezen, zeker op het eerste gezicht: “Dat is ongerijmd, want een boetseersel kan immers niet spreken.” Maar dat is niet de ongerijmdheid waar het om gaat. De ongerijmdheid is niet dat een stukje klei niet kan praten; het gaat erom dat het boetseersel geheel in de vrije beschikking staat van de boetseerder. De ongerijmdheid is dat een creatie zijn creator niet kan tegenspreken. Dat is gewoon belachelijk.
Paulus geeft hier het voorbeeld van een stukje klei. Denk aan de pottenbakker. Je leest in Jeremia dat Jeremia naar het huis van de pottenbakker moest gaan. Er staat specifiek bij: “Daal af naar het huis van de pottenbakker.” Daal af! Om deze lessen te leren, moet je inderdaad afdalen; dat is een weg van vernedering waarin je heel erg klein wordt. Maar een creatie kan zijn creator niet ter verantwoording roepen.
Is God verantwoordelijk? Het probleem met het begrip ‘verantwoordelijkheid’ is vooral dat het bij ons twee betekenissen heeft. Meestal, als je zegt: “Is God verantwoordelijk?”, dan bedoel je daarmee of Hij garant staat voor de goede afloop. Dan zeg ik: ja, daarvoor is Hij verantwoordelijk. Maar Hij is niet verantwoordelijk in de zin dat wij Hem ter verantwoording kunnen roepen. Dan is het precies omgekeerd: Hij roept de mens ter verantwoording.
Dat is ook wat wij kunnen zijn: we kunnen respons geven. Ik vind het trouwens erg mooi van het Engelse woord voor verantwoordelijkheid, responsibility; dat is eigenlijk de ability om te responderen, om te antwoorden. Dat is wat wij als mensen zijn: je kunt iets horen en je kunt een antwoord geven. En als je niet wilt horen, dan moet je voelen. In feite is dat wat God ook doet: als je het niet wilt horen, dan zal je het voelen. Maar dat voelen maakt ook deel uit van dat pottenbakkerswerk. Dat is ook het vormwerk dat Hij doet met die vaten. Hij vormt voortdurend met de klei en de mens is responsief; de mens reageert daarop. Als het niet via het gehoor is, als een mens niet wil horen, dan zal hij het ondervinden. Maar God krijgt de mens altijd, en trouwens elke creatie, precies daar waar Hij haar hebben wil. Prijs Zijn naam!
Nu komt het: “Waarom hebt gij mij — of waarom hebt U mij — zo gemaakt?” Dat is de titel van deze toespraak. De vraag was dus: “Gij o mens, wie ben jij dat je God zou tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?” Waarom heeft U mij zo gemaakt en niet anders?
Het hele punt is dat we een creatie zijn. Het bekende Bijbelse beeld is dat van de pottenbakker en wij zijn de klei. Ik leerde dat ooit van een Engelse bijbelleraar die reageerde op de tegenwerping van mensen die nogal gecharmeerd zijn van het idee van de vrije wil. Zij zeggen vaak: “Als je deze dingen naar voren brengt, zijn wij dan maar gewoon robotten?” Toen zei Martin Zender: “Robotten? Wat verbeeld je je wel? We zijn maar klei!” We zijn klei in de hand van de pottenbakker. Een robot heeft nogal eens de neiging om allerlei dingen te doen die de maker eigenlijk niet in gedachten had, maar klei is wat we zijn. Je moet echt afdalen om dat werkelijk te verstaan.
Waarom heb je mij zo gemaakt? We zijn creaties. Hier wordt het voorbeeld van een pottenbakker gegeven, maar in feite doet elke creator dat. Iemand die creatief is, of hij nu een boek schrijft of een filmscript maakt, die maakt eigenlijk alles, inclusief de personages. Zo’n personage is gewoon een creatie. Stel je voor: je heet Piet Bakker en je schrijft een boek over Ciske de Rat. Kan die Ciske dan vragen: “Waarom moet ik nou Ciske wezen?” Of een scriptschrijver die de ‘good guy’ en de ‘bad guy’ bedenkt: waarom moet ik nou de ‘bad guy’ zijn? Dat is gewoon wat de auteur, de scriptschrijver, in gedachten heeft.
Of denk aan een schilder die gebruikmaakt van allerlei verfkleuren. Je hebt mooi wit of blauw, maar je hebt ook zwart. De kleur kan niet zeggen: “Wat kan ik er nou aan doen dat ik zwart ben?” Of de noten in een muziekstuk of de instrumenten in een orkest. Het is allemaal creatie en de creator — en dat is wat Paulus dan ook zegt in het vervolg — die heeft de vrije beschikking daarover. Ik zal u nog zo’n heel mooi voorbeeld daarvan geven; daarvoor gaan we even een uitstapje maken.
De Blindgeborene: Opdat Gods Werken Openbaar Worden ↑ hoofdstukken
Als we naar Johannes 9 gaan, dan lees je daar de geschiedenis van de blindgeborene. De Heer Jezus was net de tempel uitgegaan en terwijl Hij voorbijging, zag Hij een man die vanaf zijn geboorte blind was. En dan krijg je de vraag waar we het eigenlijk de hele middag over hebben. Zijn discipelen vroegen Hem: “Rabbi, wie heeft gezondigd? Deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?”
Die laatste of de eerste optie vind ik eigenlijk vrij belachelijk. Dan zou je haast moeten denken in termen van reïncarnatie. Als je in reïncarnatie gelooft, dan geloof je immers vaak dat je geboren bent vanwege wat je in vorige levens hebt gedaan of uitgehaald. Daar kan ik me nog iets bij voorstellen, maar de discipelen denken hier in termen van het verleden: waarom is deze man blind geboren? Hij bleek, zo lees je later in de geschiedenis, een volwassen kerel te zijn. Al die jaren was hij dus al blind. De discipelen kunnen niet anders; ze geven eigenlijk maar twee opties. Wie heeft gezondigd: deze man of zijn ouders? Met andere woorden, welk antwoord de Heer Jezus hier ook geeft, Hij moet in hun ogen sowieso denken in termen van: iemand heeft gezondigd en daarom is de situatie zoals die is. Toch?
Dit doet me weer denken aan een andere Bijbelse geschiedenis: het hele boek Job. De vrienden die bij Job komen, brengen alles ook in verband met Jobs eigen foute daden of met zijn ouders. Ze brengen het in elk geval in verband met dingen die fout zijn gelopen, de schuld van anderen of met name die van hemzelf.
En het geweldige is dan het antwoord dat de Heer Jezus hier geeft. Hij antwoordde: “Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders.” Natuurlijk kun je zeggen dat zij ook zondaars waren, maar wat de Heer Jezus zegt, is dat dit geen rol speelt in het feit dat deze man blind geboren is. Ze mogen dan wel gezondigd hebben, maar dat is niet de reden van zijn blindheid. “Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar de werken van God moesten in hem openbaar worden.” Daarom!
Ik vind dat zo schitterend. Weet u waarom ik het vooral schitterend vind? Omdat dit een prachtig voorbeeld is van ‘omdenken’, van het totaal omkeren van de perspectieven. De man werd niet genezen omdat hij blind was. Nee, het antwoord dat de Heer hier geeft, is: deze man was blind opdat hij genezen zou worden! In de eerste verklaring werd de man genezen omdat hij blind was, maar dat geeft geen antwoord op de vraag waarom hij blind wás. Dan moet je iets gaan zoeken in het verleden, maar het antwoord ligt niet in het verleden. Het antwoord ligt in de toekomst. Hij was blind opdat hij genezen zou worden.
Stel je die man voor: al die jaren dat hij daar blind aan de weg lag, dat hij moest bedelen en gedoemd was om dit bestaan te leiden. Een volwassen man die altijd blind is geweest; dat is een groot geheim. Wat kun je daar nou aan doen? “Waarom heeft God mij zo gemaakt?” Al die jaren heeft hij zich misschien suf gedacht en zichzelf misschien dingen verweten. Het zou kunnen dat hij zichzelf of zijn ouders van alles verweet. Hij zat vol verwijt, vooral misschien wel naar de Maker: “Waarom moet mij dit overkomen?”
En dan krijg je hier echt een goddelijk antwoord. Het komt erop neer: Gods werk is nog niet af. Dat geldt in feite voor het hele grote plaatje van de schepping, die nu aan het lijden en aan het kwaad is onderworpen. In Romeinen 8 staat dat de schepping aan de ijdelheid is onderworpen, maar ‘in hope’. Waarom dan? Het antwoord is: Gods werk is gaande en moet nog openbaar worden in deze schepping.
Kijk, we hebben het hier over creaties. Je gaat een film, een boek of een schilderij toch ook niet beoordelen als het nog niet af is? Als je dat wel doet, dan praat je voor je beurt. Dat is een vooroordeel; dan oordeel je al voordat je dat zou kunnen en mogen doen. Het is niet redelijk. De grote Creator zegt: “Wacht met je oordeel, want mijn werk is nog niet af.” De werken Gods gaan openbaar worden.
Deze man heeft dat ondervonden. Hij moest naar de bron van Siloam gaan. Lees die geschiedenis in Johannes 9 maar eens, het is een prachtig, lang hoofdstuk. Maar het gaat natuurlijk om dit antwoord dat de Heer gaf op de vraag: “Waarom hebt Gij mij zo gemaakt?” Nou, opdat de werken van God openbaar zouden worden. Weet je, als je dat vertrouwen mag hebben en het zicht mag hebben dat er een God is die nooit een fout maakt, wiens hand nooit mistast en die houdt van Zijn schepping en van elk schepsel… Het feit dat ik ben wie ik ben, in de situatie waarin ik zit, met de handicaps die ik heb en de moeite die mij is toebedeeld… er is een God die alles beschikt. Als je dat vertrouwen mag hebben, dan ben je een rijk en gezegend mens. Want dan weet je ook: er is een Vader. Hij maakt alle dingen en het gebeurt niet zomaar. Sterker nog, het is niet alleen maar een goede weg; het is de beste weg.
De Vrije Beschikking van de Pottenbakker ↑ hoofdstukken
Ik ga nu weer terug naar Romeinen 9. Paulus zet zijn betoog voort: heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking, de volmacht over het leven? Of het nu een pottenbakker is, een auteur, een schilder of een componist: elke creator heeft simpelweg de volmacht en de autoriteit. Hij is geen verantwoording schuldig aan zijn creaties. Dat is op menselijk vlak zo, en dat is zeker ook het geval als we het hebben over de grote Creator. Het is volstrekt ongepast en bovendien praten we voor onze beurt, want het is een vooroordeel als we zo praten. Gods werk is nog niet af. De werken van God zijn nog niet openbaar geworden; dat zal nog moeten blijken. En als je dat van tevoren weet, dan kun je met Paulus in Romeinen 8 zeggen: ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet eens waard is vergeleken te worden met de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden. Maar dat is op voorhand al het vertrouwen uitspreken: God gaat het allerbeste maken van alle dingen. Ja, dat is hoop, dat is echt een verwachting.
Heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit hetzelfde kneedsel – dezelfde klomp, maar ‘klomp’ is in Nederland eigenlijk wat anders natuurlijk – het ene voorwerp of het ene vat te vervaardigen? Elders wordt het vertaald met een kruik. ‘Voorwerpen’ is denk ik het meest correcte, maar goed, dat kan dus ook een kruik zijn. In het geval van de pottenbakker lijkt me dat de meest logische gedachte: hij maakt een pot of een kruik om uit hetzelfde kneedsel het ene voorwerp te vervaardigen tot eer en het andere tot alledaags gebruik. Er staat daar letterlijk: ‘zonder eer’. De Samenvoeging vertaalt dat correct. Het idee is daarbij niet dat hij de ene maakt tot eer en de andere bedoeld is om verworpen te worden. Daar zit trouwens weer dat calvinistische idee achter: je bent uitgekoren, of als je niet bent uitgekoren, ben je gepredestineerd voor de hel. Dat soort afschuwelijke en gruwelijke ideeën. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat het ene een eervoller doel heeft en het andere geen speciale eer geniet. En dat doet een pottenbakker ook. Een pottenbakker maakt niet zomaar een pot om hem vervolgens kapot te gooien. Dat doet toch geen enkele pottenbakker? Nee, maar het ene heeft een eervolle bestemming, daar maakt hij een siervaas van, en van het andere maakt hij een andere pot, wat wij dan een po noemen die je onder het bed zet. Maar het ene is niet minder dan het andere in die zin dat je allerlei voorwerpen kunt maken met een bepaald doel. Het ene zet je op de schoorsteenmantel en het andere houd je liever een beetje heimelijk. Is het ene minder dan het andere? Nee. Maar er is wel verschil in heerlijkheid. Er zijn dingen die je voorrang geeft en dingen die je een lagere plaats geeft. In beide gevallen – en dat is het punt – is het de pottenbakker die zijn werk maakt. Al die creaties van hem zijn het werk van zijn handen. Wij zullen een pottenbakker het recht niet ontzeggen om dat te doen, want hij heeft vanzelfsprekend de vrije beschikking over zijn creaties. Elke creator heeft dat recht en dé grote Creator, met allemaal hoofdletters, behoudt zich ook dat recht voor om het op Zijn wijze te doen. Hij gaat alle dingen wel maken, maar alles op Zijn tijd en op Zijn wijze.
En als God nu Zijn toorn wil tonen en Zijn kracht bekend wil maken? Hier refereert Paulus feitelijk weer aan Farao. Want God wilde Zijn kracht bekendmaken en daarmee demonstreerde Hij ook Zijn toorn, uiteindelijk met dat leger van Farao in de Schelfzee. Als God nu Zijn kracht wil betonen aan de voorwerpen van toorn, dat wil zeggen: degenen die niet luisterden naar Zijn stem en die ten verderve toebereid waren… Oei, daar zit nog iets heel moois aan dat ik graag wil toelichten. Ik heb hier expres een tekentje gemaakt; in de interlineair zie je dat ook. Het is een grammaticale aanduiding van een Griekse werkwoordsvorm die wij niet kennen, maar die ik zo mooi vind omdat het een geweldige Bijbelse waarheid tot uitdrukking brengt: de medialis. De medialis is letterlijk een middenvorm. Het idee is dat er een werkwoordsvorm is die zowel passief als actief is. Wij kennen dat niet in het Nederlands. Je kunt zeggen: ‘ik rijd’, dat is actief, of ‘ik word gereden’, dat is passief. Of: ‘ik eet’ of ‘ik word gegeten’. In het ene geval ben je actief, in het andere passief. Dat is eigenlijk heel dualistisch, we maken daar een tweedeling in. Maar het Grieks kent dus een middenvorm die aangeeft dat het zowel passief als actief is. In feite zijn er een heleboel dingen die, als je het op de keper beschouwt, zowel passief als actief zijn.
Laat ik een voorbeeld geven: ademen. Is ademen een activiteit? Ja, je ademt. Ik adem, jij ademt en wij ademen. Maar je leest ook wat Paulus zegt in Handelingen 17: want God heeft niet van node dat Hem iets gegeven zou worden, daar Hij zelf aan allen leven, adem en alles geeft. Dat is God. De God van hemel en aarde is degene die leven en adem en alles geeft. Dus adem krijg je, dat is passief. En toch is ademen ook een activiteit. Dus als je vraagt: is dat nou actief of passief? In het Grieks kun je dat heel mooi aangeven met deze grammaticale vorm. In feite is het de expressie van een geweldige Bijbelse waarheid. Want neem nu geloven: is dat passief of actief? Dit is een hele theologische strijd. De evangelist waar ik het zojuist over had, zei: “Dat is een keuze, jíj gelooft.” En dan doe je het dus actief. Maar nee, geloof krijg je. We hebben het net gelezen in Efeze 2: het is een gave Gods. Het allerbelangrijkste is dat je bij God moet beginnen: je krijgt het. Er is niks van een mens bij. Eigenlijk vind ik dat als je niet ziet dat het inderdaad een gave is, dat een grotere zonde is – omdat je God dan wegredeneert – dan wanneer je niet inziet dat het ook een activiteit is. Maar het is beide waar. De Bijbel zegt: geloof in de Heer Jezus Christus. Dan kun je wel zeggen: “Ik kan helemaal niet geloven, want het moet me gegeven worden,” maar over het algemeen is dat een hele vrome drogreden.
Kijk, ik kan ook zeggen: het loutere feit dat je kunt eten, dat je eten op tafel hebt, maar ook dat je kunt eten, dat je het tot je kunt nemen en dat het allemaal werkt, dat is een gave Gods. Maar ik zeg toch gewoon: “Ga nu eens een keer eten.” Je geeft allerlei opdrachten. Je zegt tegen je kind: “Je gaat nu naar school” of “Je gaat nu naar bed.” Stel je voor dat het kind zou zeggen: “Ja, maar dat kan ik helemaal niet van mezelf, dat moet ik krijgen.” Wat een onzin. Het is natuurlijk waar: wat heeft een mens van zichzelf? Dan zou je eigenlijk een lesje moeten krijgen in de medialis. Je ontvangt het, maar juist dat maakt je actief. Om even terug te komen bij het voorbeeld: God deed Farao tegen Hem opstaan. Daarin is Farao passief, want God dééd hem opstaan. Maar Farao weigerde naar Gods stem te luisteren, en daarin was Farao actief. Dus als je vraagt of het verzet van Farao nou passief of actief was, dan is dat net zo’n onmogelijke vraag. Het was beide.
Wat is belangrijker: de linker- of de rechtervleugel in een vliegtuig? Zeg het maar. Dan moet je een keuze maken tussen iets waarin geen keuze gemaakt kan worden. Beide is waar, maar ik moet er wel bij zeggen: het belangrijkste is God. Hij staat daaronder; Hij geeft het. Alles.
En dat geldt trouwens voor geloof ook. Uiteindelijk, ja, geloof… Ik haal deze dingen naar voren. Geloof het nou maar, vertrouw Hem daar nou maar op. En als u zegt: “Ja, maar dan moet het me ook gegeven worden”, dan is dat waar. Ik speel het niet tegen elkaar uit. In de praktijk heb je ook – dat is heel grappig als het gaat over alledaagse dingen, ik gaf zojuist een paar voorbeelden – dat je er niet de minste moeite mee hebt dat je aan de ene kant erkent dat het een gave is en aan de andere kant dat je het gewoon ook doet, toch?
Nou ja, de voorwerpen van toorn, die waren ten verderve toebereid. En dat is de medialis; we zouden kunnen zeggen: waren ze toebereid door God? Ja. Deden ze het zelf? Ook waar. Dus beide is waar. Met de nadruk op God uiteraard. Die staat altijd op de eerste plaats, dat lijkt me nogal logisch.
En er staat nog bij dat God hen in veel lankmoedigheid gedragen heeft. Die wil ik ook nog even onderstrepen. Heb ik hem erop gezet? Ik heb hem al onderstreept. Want de meeste vertalingen, of je nu de Statenvertaling hebt of de NBG-vertaling, die geven dit weer met “verdragen heeft”. En ik zal u dit vertellen: dit Griekse woord, met dit Strong-nummer, komt 62 keer voor in het Nieuwe Testament en slechts één keer wordt het vertaald met “verdragen”, en dat is hier. Maar dat staat er niet; er staat gewoon “gedragen”. God draagt. En dat vind ik geweldig. God draagt al Zijn schepselen, ook de vaten van toorn, ook degenen die toebereid zijn, die een rol krijgen die minder is, die tweede is. Maar Hij draagt hen in veel geduld. Ook de voorwerpen van toorn.
En ja, dat is dus het feit dat God ook hén draagt. Het is onderstreept en bevestigd dat het Zijn creaties zijn. God is de Pottenbakker van beide. En beide zijn werken van Zijn handen. Hij geeft dat een plek, Hij geeft ze een rol, maar ze zijn elk universeel geliefd. En God is getrouw aan Zijn plannen. Hij laat nooit varen de werken van Zijn handen. Hij laat het wel los, Hij kan het soms verderven, maar Hij laat het nooit varen. Nooit!
Ziet u hoe geweldig Romeinen 9 is? Geweldig, zulke dingen als die hier naar voren gebracht worden. Dan lees ik nog even door: “…juist om de rijkdom van Zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid.” En hier heeft hij het weer over degenen die uitverkoren zijn tot heerlijkheid. En wie dat zijn? Nou, dat zegt vers 24: “En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft.” Het uitroepsel in onze dagen, de ekkesia. Niet alleen uit de Joden, maar ook uit de natiën. Dan gaat hij dat ook toelichten; dat parkeer ik nu even.
Maar het is zo: God roept uit, en dat is uitverkiezing. Het is ook heel exclusief, laten we wel wezen. Degenen die het Evangelie horen, wie zijn dat? Er zijn zo weinig mensen die het nu te horen krijgen en bij wie God ook de ogen en de harten opent. Het valt je zomaar ten deel. Ik denk dat heel vaak: waarom ik? Ik weet niet waarom Gods genade… Ja, ik weet het echt niet. Ik weet het niet. Ik zeg het al eens vaker: het is als een lot uit de loterij. Het is me toegedeeld; ik heb er niks voor gedaan. Hij heeft mij dat bekendgemaakt, Hij heeft mijn ogen er ook nog eens voor geopend en mijn hart ervoor geopend.
En ik word eigenlijk laaiend als mensen zeggen: “O, daar heb ik voor gekozen.” Want dan denk ik – sorry dat ik het zeg – dan heb je het nog niet gezien. Want dan geef je Hem namelijk niet de eer; dan ben jij het nog zelf. Dan is het nog geen genade. Er is niks van onszelf, anders is genade geen genade meer. Dat is trouwens ook Romeinen 11: een beetje genade bestaat niet. Dit is, lieve mensen, dit is echt zo zwart-wit: op het moment dat er iets van de mens bij komt, is het geen genade meer.
En die ekkesia… straks, als de ekkesia van deze aarde is weggerukt, dan pakt God de draad weer op met Israël. Dat is trouwens ook weer in feite een ekkesia, een uitroepsel. Maar God heeft altijd uiteindelijk het geheel op het oog. En dat…
Uit Hem, Door Hem en tot Hem Zijn Alle Dingen ↑ hoofdstukken
Dat blijkt ook wel, en daarmee wil ik afsluiten als Paulus aan het einde van dit betoog komt in Romeinen 9 tot en met 11. Ik ga ervan uit dat het even bekend is: Romeinen 9 tot en met 11 is dat betoog waarin Paulus doordenkt, spreekt en van Gods wegen laat zien; de weg die God gaat in de geschiedenis. En dan is de uitkomst, en dat is ook de aanleiding voor dat geweldige loflied in Romeinen 11 als Paulus zijn conclusies gaat trekken, hij zegt: God heeft allen onder de verbarstigheid of de ongehoorzaamheid besloten. Geen mens is daarvan uitgezonderd. Geen mens. Allen hebben — dat is trouwens Romeinen 3 — allen hebben gezondigd en derven of missen, ze komen tekort aan Gods heerlijkheid. En ze worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door het geloof van Jezus Christus. Ja, allen! Maar God heeft allen besloten onder de ongehoorzaamheid. Waarom? Om Zich over allen te ontfermen. Daar zijn geen limits, geen grenzen. Niemand valt daarbuiten. Wat een God, mensen!
O, en dan zegt Paulus: “O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen!” Dit zijn dingen die niet te traceren zijn. De vragen die we stellen: Waarom ben ik wie ik ben? Waarom heeft God mij dit gegeven? Waarom heeft Hij dat toebedeeld? En waarom moet het zus gaan en niet zo? Geen idee. Dat is: ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen. Maar vertrouw Hem er nu maar op. Zijn weg is niet alleen goed, Zijn weg is de beste. Altijd. En dat is wat Paulus ook zegt: “Wie heeft de zin des Heren gekend?” Dat wil zeggen: Zijn denkzin. Wie kan daar zijn vingers achter krijgen? Of wie is Hem tot raadsman geweest?
Wie heeft God van advies gediend? Zou het “Pietje zus of zo” kunnen zijn? Hoewel er trouwens hele grote hordes zijn die Hem altijd van adviezen dienen… “Als ik God was…” Ik moet dan trouwens denken aan een liedje dat ooit in de hitparade stond van Peter Koelewijn: “Als ik God was”. Ja, weet je wel, dan denk jij Hem tot raadsman te kunnen zijn, want wij weten het beter. Wat een verbeelding! Eigenlijk ook blasfemisch. Wie is Hem tot raadsman geweest? Niemand! Of wie heeft Hem eerst iets gegeven waarvoor hij vergoeding ontvangen moet?
En dan eindigt Paulus hiermee: “Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.” En daarom, aangezien dat zo is: Hij is de Oorsprong. Hij is Degene die het allemaal beschikt. En Hij is ook Degene die het allemaal naar Zichzelf terugbrengt. Wie doet dat? Hij, en Hij alleen. En daarom staat er ook: “Aan Hem zij de heerlijkheid.” Aan wie anders? Hij doet dat! Hem zij de heerlijkheid tot in de… niet eeuwigheid, maar tot in de aeonen, de wereldtijdperken. Amen!
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews