van zielig tot geestig
12-09-2021 - Geplaatst door Andre Pietsamenkomst gehouden zondag 12 september 2021 in Benthuizen
Ziel en geest, inclusief de bijvoegelijke vormen (ziel-ig en geest-ig) vormen een belangrijke tegenstelling in de 1e Korinthe-brief. Al is deze tegenstelling in de meeste vertalingen helaas verdwenen. Terwijl de meeste mensen ziel en geest hopeloos door elkaar halen, maakt de Schrift een scherp onderscheid tussen beide begrippen. Ziel staat voor de psyche, het zien en voelen, bloed, sentiment, enz. Geest daarentegen staat voor het weten, de waarheid, niet het visuele maar het gehoor, het blijvende. En daarmee ook voor resp. dit vergankelijk bestaan tegenover de onvergankelijkheid van het opstandingsleven. De ontwikkeling van ziels tot geestig is daarmee ook de ontwikkelingsgang die heel de mensheid doormaakt. Van Adam, een “levende ziel” tot “de laatste Adam, een levendmakende geest”!
Helaas houdt onderstaande video op na ongeveer veertig minuten van de toespraak terwijl er nog zo’n twintig minten te gaan waren. Ongeveer ruim vijf minuten van de video is verloren gegaan. Zie hier het vervolg van de video: vimeo.com/603114602
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: de Begrippen 'zielig' en 'geestig' Verklaard
- Het Scherpe Zwaard: de Scheiding Tussen Ziel en Geest (hebreeën 4:12)
- De Geest Vanuit God en de Woordenschat van de Schrift
- De Zielsmens Versus de Geestelijke Mens (anacrino)
- Groeien van Vleselijk en Onmondig Naar Zelfstandig
- Korinthe 15: van Zielslichaam Naar Geestelijk Opstandingslichaam
- Gods Ontwerp: Eerst het Zielse, en Vervolgens het Geestelijke
Inleiding: de Begrippen 'zielig' en 'geestig' Verklaard ↑ hoofdstukken
Dat is een mooi thema dat we vanmorgen eens gaan bespreken. Het heeft niets te maken met de aanloop naar deze samenkomst toe, want vanmorgen zat in mijn eigen bedoelinkje en in het traject hiernaartoe zo ongeveer alles tegen wat je maar kan bedenken, dus ik voelde me eventjes heel zielig. Maar de keuze voor het onderwerp was al veel eerder gemaakt en het heeft iets van doen met dit boek — mag ik daar reclame voor maken? Ik neem gewoon even de gelegenheid om dat te doen, overigens zonder dat het mij iets uitmaakt of u het nu koopt of niet, want je kunt het namelijk gewoon gratis downloaden. Dus die optie geef ik dan ook meteen maar eventjes door.
Het gaat om dit boek, dat vorige week is uitgekomen: 'Zielig is niet geestig'. Dat is een vers-voor-vers bespreking van de eerste Korinthe-brief. Het is een compilatie van allemaal dagboekstukjes die ik zo in de loop der jaren heb geplaatst. Een paar maanden geleden was er al een boek uitgekomen over de Efeze-brief, en nu dan een dubbel zo dik boek, want de Korinthe-brief is nu eenmaal veel dikker dan de Efeze-brief. Van dit exemplaar heb ik maar liefst 450 pagina's.
Sommige mensen hebben zich afgevraagd waarom ik dat boek over de Korinthe-brief nu deze titel heb gegeven. Is dat alleen maar om een beetje geestig te zijn of een woordspelingetje te maken? Nee, ik denk het niet. Het is veel meer dan dat. De begrippen zielig en geestig, bijvoeglijke naamwoorden van ziel en geest, zijn hele typerende begrippen in deze eerste Korinthe-brief. Dat geldt trouwens ook voor het zelfstandig naamwoord ziel en geest; dat wordt nogal eens een keer gebruikt, al moet ik er dan meteen bij vermelden dat de gangbare Bijbelvertalingen daarin niet erg behulpzaam zijn. Je herkent het niet, en dat geldt trouwens voor zowel de Statenvertaling als de NBG-vertaling. Van de NBV-vertaling weet ik het niet, maar waarschijnlijk is dat nog broerder. Nou ja, dat klinkt natuurlijk helemaal negatief, maar u weet ongeveer hoe ik tegen moderne vertalingen aankijk.
Het is in die vertalingen eigenlijk heel moeilijk te herkennen, en dat heeft vooral te maken met de weergave van dat woord zielig. Ik geef overigens direct toe dat het woord zielig in het Nederlands natuurlijk een betekenis heeft die niet direct gebaseerd is op — wel ontleend aan, maar niet gebaseerd op — het woord ziel. Men had het keurig kunnen ondervangen door het niet te vertalen met 'zielig', maar met 'ziels'. Ik geef toe dat ook dat misschien niet zo'n heel bekend woord is, maar dat geeft een prima betekenis. In elk geval ben je dan heel dicht bij het woordgebruik van de apostel Paulus. Men heeft dat woord zielig — ik kom daar straks op terug — weergegeven met 'natuurlijk'. Dat is niet goed, en dat doen zowel de NBG-vertaling als de Statenvertaling. Natuur is namelijk een heel ander woord, en 'natuurlijk' ook. Ook die begrippen zijn degelijk ontleend aan de Schrift, maar het is gewoon een heel ander woord. Ons woord fysica komt eigenlijk van het Griekse woord voor natuur. In de NBG-vertaling wordt dat 'ziels' of 'zielig' dan weer weergegeven met 'ongeestelijk'. Dat is een uitleg, maar dat is niet het woord wat Paulus gebruikt. Kortom, dat zielige en dat zielse is in onze vertalingen geheel verdwenen.
Ik moet er ook bij zeggen dat 'geestig' eigenlijk ook een vreemd fenomeen is; hoe dat dan werkt in de taal. Want zijn geestig en geest nou helemaal hetzelfde? Meestal is het zo dat het bijvoeglijk naamwoord van geest 'geestelijk' is. Maar geestelijk heeft ook weer allerlei bijklanken. Een geestelijke in de kerk is bijvoorbeeld iemand die een ambt bekleedt. Zeker als je het hebt over de Rooms-Katholieke Kerk is dat iemand die een ambt bekleedt, een geestelijke, maar dat heeft niets te maken met het Bijbelse begrip. Ik geef dus direct toe dat vertalen soms verrekte lastig kan zijn. Maar ik vind het dan toch ook wel weer grappig — ik moet eigenlijk zeggen geestig — hoe die bijvoeglijke naamwoorden zielig en geestig eigenlijk toch via een omweg weer heel goed weergeven wat ziel en geest is.
In het zielige zit de tragiek. Als je zegt dat het zielig is... ik zei net dat mijn morgenochtend wat zielig begon allemaal. Daar zit iets tragisch in. Dat is vrij zwaar aangezet, dat geef ik direct toe, maar u begrijpt de hint. En dat geldt trouwens ook voor geestig. Wanneer gebruiken we dat woord? Daar ga je van lachen; dat is wat je doet lachen als iets geestig is. En dat is precies het verhaal, want ziel heeft inderdaad te maken met dat wat vergankelijk is en wat inderdaad niet zo leuk is. Maar de geest, en dat wat met de geest verband houdt, dat doet een mens lachen. Dus daar zit toch veel meer in die woorden dan je op het eerste gezicht zou denken.
Wat ik eigenlijk ook wil vertellen vanmorgen — en dat ga ik ook aantonen, dus blijf bij de les — is dat deze beide begrippen, zielig en geestig of ziels en geestig, de ontwikkeling beschrijven van de mensheid als geheel. Dat wil ik later beschrijven als ik in 1 Korinthe 15 aankom. En trouwens ook de ontwikkeling van de mens meer specifiek, de gelovige mens individueel.
Over die woordspeling gesproken: dit boek zou eigenlijk in aanvang geheten hebben 'Van zielig naar geestig'. Maar als je dan de spatie tussen de beide laatste woorden weglaat, dan krijg je iets heel anders: 'Van zielig nageestig'. En dat wilde ik ook niet, dat vond ik weer niet geestig genoeg. Nageestig is namelijk precies het tegenovergestelde. Zie je hoe lastig taal kan zijn? Vandaar ook dat de titel van deze spreekbeurt 'Van zielig tot geestig' is; dan heb ik dat probleem weer omzeild. Mocht u denken dat ik zomaar een beetje voor de vuist weg klets en dat ik daar niet over nagedacht heb, dan heb ik dat nu bij dezen weer rechtgezet.
Dit is echt heel mooi. Ik vind dit een heel mooi embleem daarvan. Er zijn heel wat meer dingen in de natuur die daarvoor als illustratie kunnen dienen, maar ik zal u dit vertellen: deze rups is inderdaad het zielse, wat aan de aarde vastzit. En die vlinder heeft een weg doorgemaakt van ziel naar geest. Die gaat zomaar de hemel binnen met vele kleuren, en vreet niet meer, maar drinkt alleen nog maar, namelijk honing. Nu staat mijn broer Dirk weer op het punt om te interrumperen, want hij is tegenwoordig imker en daar gaat hij in de toekomst waarschijnlijk nog veel meer over vertellen, maar hij moet nu even zijn mond houden.
In ieder geval is die weg van ziel naar geest precies zoals God dat heeft ontworpen en wat Hij ook illustreert in de natuur. Die rups is geen foutje, zo van: dat had je over kunnen slaan. Het móést zo gaan. Waarom niet meteen die vlinder? Omdat God daar een bedoeling mee heeft, zoals God met alles een bedoeling heeft. En het feit dat dit tijdelijk is, zoals dit zielse bestaan ook tijdelijk is, wil niet zeggen dat het zinloos is. Gelukkig niet. Alleen dat feit al vind ik het geestige van het zielse. Begrijpt u wat ik bedoel? Het feit dat dit zielse bestaan, en in vele opzichten ook zielige bestaan, een betekenis heeft en een doel heeft, dat doet mij lachen, of in ieder geval glimlachen.
Geweldig, het is allemaal in goede handen. Er is een God die daar een bedoeling mee heeft en Zijn plan uitwerkt. Maar goed, ik zei al: van ziel tot geest, van ziel-ig tot geest-ig. Daar zit heel veel aan vast, ook op individueel niveau.
Ik wil daarbij ook heel duidelijk en uitdrukkelijk vaststellen dat Gods Woord heel uitdrukkelijk een verschil maakt tussen ziel en geest. Dat zeg ik er even bij omdat wij – dat is ook weer zo’n taalding – die dingen consequent in onze taal verwarren. We doen het consequent, dus dat pleit er dan weer voor, maar we verwarren het echt altijd.
Ik vind het – ook dat is wel weer geestig – wanneer iemand bijvoorbeeld psychische problemen heeft. Maar psyche is ziels; hij heeft een probleem met de ziel. En wat doet hij dan? Nou, dan gaat hij geestelijke hulp zoeken. Of omgekeerd: je hebt geestelijke problemen en je gaat naar een zielzorger. Waarmee we eigenlijk zeggen: ja, ziel, geest, wat is het verschil? Ze worden dikwijls gewoon door elkaar gebruikt. Je hebt geestelijke problemen; we zeggen niet zo gauw dat we zielse problemen hebben, maar we gebruiken dan wel weer het woord psyche. Wat ik wil vertellen is dat wij het altijd maar door elkaar gooien en wij weten echt niet meer het verschil tussen beide begrippen. Dat doet het Woord van God wel.
Het Scherpe Zwaard: de Scheiding Tussen Ziel en Geest (hebreeën 4:12) ↑ hoofdstukken
Een prachtig vers dat dat perfect aangeeft is Hebreeën 4 vers 12. Daar lees je dit – en de context laat ik even helemaal voor wat die is. Maar Paulus... of ja, als hij de schrijver hiervan geweest is, wat ik denk. Maar in ieder geval de schrijver van de Hebreeënbrief, die zegt: want het woord van God is levend. Dat heeft trouwens ook alles te maken met het feit dat het geest heeft, want iets wat leeft, daar is de geest in geblazen. Dat is geïnspireerd. Adam werd geïnspireerd, ingeblazen – dat is inspiratie – en werd alzo een levende ziel.
Ja, maar het woord van God is levend en het is effectief. Er staat in de vertaling die ik hier heb 'scherper', 'snijdender', nou ja, in ieder geval effectief. Namelijk... pardon, dat zeg ik nu niet goed... het is krachtig, dat is het woord. Neem me niet kwalijk. Dit woord is krachtig. Namelijk, het heeft precies dat effect wat het ook beoogt. En het is levend en effectief en scherper dan ieder tweesnijdend zwaard. Het zwaard van het woord van God snijdt aan alle kanten, of aan beide kanten zogezegd. Aan de bovenkant, aan de benedenkant, aan de onderkant. Zo scherp!
En hoe scherp wel? Het is doordringend, maar dat betekent dus dat het doordringt tot de verdeling van ziel en geest. Mensenwoorden gooien dat door elkaar of op een hoop, maar het woord van God is scherp en dat verdeelt het. Het is met opzet dat ik eventjes een Bijbelwoord op een bijna omgekeerde manier aanhaal. Je leest ergens in Matthéüs 19 dat wat God verenigd heeft, de mens niet zou scheiden. Maar het omgekeerde is namelijk net zo waar: wat God gescheiden en verdeeld heeft, zou de mens niet moeten verenigen. Er zijn dingen die God heel uitdrukkelijk onderscheidt. De mensen zeggen dan dat het allemaal hetzelfde is, allemaal gelijk. Ik zou zomaar in de verleiding komen om het nu over genders te gaan hebben, maar dat doe ik niet. Maar ik heb er toch wel even genoeg over gezegd.
Het woord van God verdeelt die dingen, waarmee dus gezegd is: het is niet hetzelfde. Ja, volgens mensen misschien wel en we kunnen nauwelijks het verschil nog zien, maar het woord van God is scherper. Het is zo doordringend en het verdeelt ziel en geest, gewrichten en merg, buitenkant en binnenkant. En het is oordeelkundig van gevoelens en gedachten van het hart. Het weet ook te onderscheiden wat gevoelen is en wat gedachten zijn. Het denken, dat weet het woord allemaal perfect te onderscheiden. Dat is ook eigenlijk wat het oordeel is. Een oordeel heeft alles te maken met het feit dat je de dingen kunt delen en dat je ze kunt onderscheiden; dat je ze uit elkaar kunt houden.
Er is niets wat zo scherp is als het woord van God. Daar waar het menselijk vermogen ophoudt, daar begint het woord van God. Daar kan geen mensenwoord, hoe knap bedacht ook, tegenop. Goed, dat heb ik bij voorbaat dan al even vastgesteld. Dat wat wij door elkaar gooien – ziel en geest, en zielig en geestig – dat onderscheidt de Schrift. Dat is één ding. Oké, dan gaan we nu naar 1 Korinthe 2 en deels ook naar hoofdstuk 3.
De Geest Vanuit God en de Woordenschat van de Schrift ↑ hoofdstukken
En dan haak ik aan bij vers 12, waar Paulus dit schrijft: "Wij nu hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de geest vanuit God." Geest is het Griekse woord pneuma. Ook dat kennen wij wel, al gebruikt men dat meestal in een iets andere context, zoals een pneumatische boor. Maar dat heeft met geest te maken. Het Hebreeuwse woord is roeach. Dat woord 'geest' staat eigenlijk voor alles wat onzienlijk is. In feite is het niet zozeer een beschrijving van wat het is, maar van wat het niet is: namelijk dat je het niet kunt zien. Dat kan betrekking hebben op bijvoorbeeld de adem of de wind, waarvan wij zeggen dat het twee totaal verschillende dingen zijn. Maar in beide gevallen kun je het niet zien. De effecten ervan wel; de wind blaast en je ziet de blaadjes bewegen. Dat is het effect. Maar de wind zelf kun je niet zien. En dat is wat pneuma is.
Dat kan dus ook betrekking hebben op de geest van de mens of de geesten, de engelen; die kun je ook niet zien. Geest is per definitie dat wat je niet kunt zien. Dat geldt zelfs voor een boodschap: een woord dat klinkt, is ook geest. Dat is misschien wat wennen, maar dat is echt de Bijbelse gedachte die hier naar voren komt. Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen – dat wat in de wereld gebracht wordt, ook als woord. Een woord kun je optekenen en opschrijven, en dan heb je een boek, maar een woord op zich hoor je. Het is niet wat je ziet, maar wat je hoort. Geloof is ook uit het gehoor. De geest van de wereld is de boodschap, de wijsheid van de wereld. Want als je even terugleest, blijkt dat Paulus daarop doelt. Wij hebben niet ontvangen de geest – en daarmee ook de wijsheid, die je ook niet kunt zien – van de wereld, maar de geest vanuit God.
Dat wil zeggen: dat wat God te melden heeft, Zijn Woord, is ook geest. Gods Woord is geest. Woord en geest zijn dus feitelijk synoniem. Wij hebben dat uit elkaar getrokken: Woord en geest als twee verschillende dingen. Mensen zeggen weleens: "Het gaat niet om het Woord, het gaat om de geest." En dan gaan ze meteen helemaal zweven, wat ik me dan wel weer kan voorstellen. Maar Woord is geest. Waaruit blijkt dat ook? "Opdat we zouden weten de dingen die ons door God genadig worden gegeven." Geest heeft inderdaad alles te maken met weten, in tegenstelling trouwens tot gevoelens. Gevoelens gaan op en neer, ze gaan heen en weer; daar kun je nooit van op aan. Dat is per definitie beweeglijk. Ik wijs heel vaak op het woord 'emotie'; daar zit het woordje 'motion' in, en dat betekent dat het beweeglijk is. Dat is heel aardig. Daarmee zeg ik niks negatiefs over gevoel, ik zeg alleen: het is beweeglijk. Dingen die je weet, bewegen niet. Gewoon: twee plus twee is vier. Dat heeft niks te maken met of je dat nou leuk vindt of dat je dat zo voelt. Nee, dat weet je.
Weten, niet 'wetten' – dat is met een dubbele 't'. Geest heeft te maken met wat je weet, en niet met wat je moet doen. Dat laatste is de wet. Nee, je weet het. Het is heerlijk, ook voor het evangelie: het is een bericht. En dan hoor je dat. Als het hier binnenkomt en ook nog eens een keertje daalt, het hart bereikt aan de binnenkant, dan weet je dingen. En dat doet heel veel met een mens. Heel veel, want het is een kracht Gods. Juist omdat die geest van God ervoor zorgt dat wij dingen weten – het is Zijn mededeling; God vertelt wie Hij is, wat Zijn plannen zijn, wat Zijn wil is en wat Zijn voornemen is – daarom zouden wij weten de dingen die ons door God genadig worden gegeven. In 'genadig' zit het woordje charis, en dat heeft te maken met dat wat blij maakt. Het aardige is dus: juist als je de dingen weet, de dingen die ons door God gegeven zijn, dan maakt dat blij. Dat is een effect. Die vreugde begint niet met blij zijn om vervolgens te zeggen: "Juist omdat ik er zo blij van word, weet ik het." Nee, je weet het, en dát maakt je zo blij. Het is heel belangrijk om die twee in de goede volgorde te houden: je weet dingen, en dat maakt blij. Gooi het niet om, want dat is heel dramatisch. Dan word je weer zielig.
"Opdat we zouden weten de dingen die ons door God genadig worden gegeven." Van deze dingen, zegt Paulus dan in vers 13, spreken wij ook. Niet onderwezen in woorden van menselijke wijsheid. Moet u nagaan: Paulus was zeer goed op de hoogte van de wijsheid van de wereld. Wat wij van hem weten, bijvoorbeeld van zijn toespraken in Athene – wat overigens niet zo ver van Korinthe lag – is dat hij met het grootste gemak de filosofen van die dagen aanhaalt om aansluiting te vinden bij zijn publiek. Hij kende die filosofie, hij kende die wijsheid van de wereld wel. Hij kende trouwens ook de wijsheid van de Joodse wereld, de godsdienstige wijsheid, of wat daarvoor doorging. Hij kende het allemaal. Maar hij zegt: "Die dingen spreken wij niet." Geen woorden van menselijke wijsheid. Wat zijn dat voor woorden? Dat zijn woorden die bedacht zijn door hele knappe koppen, mensen die goed ontwikkeld zijn en daarvoor misschien ook de titels hebben verkregen. Dat is menselijke wijsheid. En Paulus zegt: "Die woorden spreek ik niet. Geen woorden van menselijke wijsheid, maar onderwezen in die van de geest." Namelijk: van God gegeven.
Dat wat Paulus vertelde, had hij niet uit de boeken vernomen of uit zijn opleiding bij Gamaliël. Hoezeer hem dat misschien ook wel van pas is gekomen – dat zal allemaal waar zijn – maar dat wat hij te melden had, heeft hij direct van de Heer zelf ontvangen. Hij zegt in de Galatenbrief ook: "Ik heb het niet van een mens; het is de Heer zelf die mij heeft geleerd en onderwezen." Toen hij geroepen werd, is hij meteen naar Arabië gegaan, dezelfde plek waar ooit Mozes de wet heeft ontvangen, en daar heeft de Heer hem onderwezen en hem een woordenschat gegeven van God zelf. Daarom is het ook zo belangrijk om de woordenschat van de Schrift te kennen. Dat is geen hobby of een persoonlijke afwijking, zo van: "Ik vind het leuk om over dat soort woordjes te praten." Nee, de woordenschat van de Schrift is daarom zo belangrijk. Juist daarom moet je die dingen die de Schrift onderscheidt, zoals ziel en geest, nauwkeurig benoemen. We kunnen wel zeggen: "Ach, wat maakt dat nou toch uit?", maar het gaat erom dat je de woorden van menselijke wijsheid terzijde schuift en je weer richt op de woorden die onderwezen zijn door de geest, de woorden die God zelf heeft uitgekozen.
Daarom is het essentieel om terug te gaan naar de Schrift en zo dicht mogelijk bij de woordenschat van de Schrift te komen. Het is al lastig genoeg dat wij geen Grieks maar Nederlands spreken; je moet altijd die vertaalslag maken. Maar het gaat erom telkens weer terug te keren naar de bron. Dat is soms lastig. U weet het: als je naar de bron wilt gaan, moet je tegen de stroom in zwemmen. Toch? Ja, dat is zo. Maar het is een bezigheid, een inspanning die zo rijk beloond wordt: om bij de bron en bij die zuiverheid te komen. Paulus spreekt dan over onderwezen zijn in de dingen van de geest: "Geestelijke woorden doen passen bij geestelijke dingen." Dat klinkt misschien wat ingewikkeld, maar het idee is dit: God heeft een Godsgeest – dat is Zijn boodschap – en die is ook gegoten in die...
Woorden die de Geest heeft gekozen. Dus niet alleen de boodschap aan zich is van Godswege geestelijk en van Hem, nee, maar ook de woorden die daarvoor gebruikt zijn, de vocabulaire, zoals wij dat netjes noemen. De woordenschat die gekozen is, is daar ook geheel bij passend. Het is dus niet zo dat je maar willekeurige woorden kan gebruiken. Nee, geestelijke woorden die passen bij geestelijke dingen.
En dat is wat Paulus elders noemt in 2 Timotheüs 1: "gezonde woorden". En waar ik zojuist al even op wees: "alle Schrift is van God geïnspireerd". Die woorden zijn niet alleen de inhoud, maar ook de vorm, en de woorden zelf zijn geestelijk. En daarom is het ook zo ontzettend belangrijk om zo dicht mogelijk bij het taalgebruik, het spraakgebruik en het woordgebruik van de Schrift te blijven.
Ik ben er echt vast van overtuigd dat op het moment dat je van dat pad afwijkt, je inderdaad bij woorden van menselijke wijsheid uitkomt. De theologie is ervan vergeven. En dan zeggen mensen: "Ja, maar dat waren toch ook niet de eersten de besten? Dat waren toch knappe koppen?" Ja, dáárom juist! Dat zijn dus woorden van menselijke wijsheid. Ik ontken niet dat het knappe koppen waren; ik zeg alleen: juist dat maakt dat het woorden van menselijke wijsheid zijn.
Er zijn zoveel begrippen geijkt in de theologie, in de dogmatiek, in de christenheid, die zelfs normgevend zijn, normatief. Denk aan termen als drie-eenheid, "vóór de eeuwigheid", gelukzaligheid en de hel. Dat zijn woorden die men heeft gekozen. Knappe koppen? Ik vind het trouwens vies tegenvallen als we het van naderbij zien. Maar dat is mijn mening. Want ik vind het heel vaak, als je erover doordenkt, zo onlogisch als wat.
Vraag maar eens een keertje. Vraag! Dat is een leuke test. Vraag maar eens aan een theoloog — ik heb het al heel wat keren uitgeprobeerd — vraag maar eens of hij kan uitleggen wat hij bedoelt met drie-eenheid. Bij de tweede zin loopt hij al helemaal vast, maar waarschijnlijk ook al bij de eerste. Echt! Men weet het niet. Ja, ik kan wel zeggen: "één wezen, drie personen". Maar wat bedoel je? Weet je, niemand weet het. "Eén wezen, drie personen"... zijn dat woorden van de Schrift? Nee. Die zijn door mensen bedacht. Ja.
Hierin spreekt men de Schrift niet na. Niet "God de Zoon", maar "de Zoon van God". Waarom? Er is maar één God, de Vader. Ik bedoel dit: blijf dicht bij de Schrift. Dat lost niet alleen problemen op, het voorkomt ze. Je hebt ze daar niet eens. Hoe was het ook weer? Voorkomen. Iemand die voor het gerecht gedaagd was, was het daar niet mee eens: "Voorkomen?" Nee, dat is dan weer niet zo leuk.
Oké. Geest. Maar ik moet echt verder gaan. Oh, ik ben vergeten in te tikken wanneer ik begonnen ben, sorry. Maakt dat ons iets uit? Oké. Ik dacht: ben ik nou 53 minuten aan de gang? Het gaat niet goed. Maar het valt mee. Ja, vers 14.
De Zielsmens Versus de Geestelijke Mens (anacrino) ↑ hoofdstukken
Maar, zegt Paulus, nadat hij over die pneumatische dingen heeft gesproken – over pneumatische woorden en een pneumatische boodschap, de dingen die van de geest van God zijn – een zielsmens ontvangt deze dingen niet. In de NBG-vertaling staat 'een ongeestelijk mens', de Statenvertaling spreekt over 'een natuurlijk mens', maar er staat gewoon psychikos. Dat is een zielsmens. Daar valt veel voor te zeggen, maar het is niet het woord dat we in het dagelijks spraakgebruik meestal gebruiken.
Wat is een zielsmens voor iemand? Dat is een mens die beheerst wordt door de ziel. Het is belangrijk te weten dat 'ziel' en 'ziels' – alles wat met de ziel verband houdt – datgene is wat de mens gemeen heeft met het gedierte. Het aardige is dat als je een concordantie pakt en kijkt naar het woord 'ziel' in het Hebreeuws, je dat in Genesis 1 al vier keer tegenkomt als een aanduiding voor het gedierte. Dieren zijn zielen. Dat is vaak wegvertaald met 'levende wezens', maar er staat echt 'levende zielen'. Pas de vijfde keer heeft het betrekking op de mens. Het zielse is wat de mens gemeen heeft met het gedierte, niet met de plant. Een plant is geen ziel, maar een dier wel. Dat heeft alles te maken met het vermogen om dingen te beleven, om sensaties en emoties te hebben. Dat heeft een dier ook. Trouwens, de ziel is in het bloed; Leviticus 17 zegt dat de ziel gelegen is in het bloed. Alles wat door het bloed gedreven wordt – de sensaties, de gevoelens, de indrukken via de zintuigen waardoor je dingen beleeft – dat is wat de mens gemeen heeft met een dier. Een dier ziet dingen en wordt bang, of ervaart dingen die lekker of aangenaam zijn. Al dat soort sensaties, gevoelens en emoties onderscheiden de mens niet van de dieren. Integendeel, dat is juist wat we met hen gemeen hebben.
Een zielsmens ontvangt niet de dingen van de geest van God. Dat is voor hem een dwaasheid. De dingen van de geest van God hebben namelijk te maken met waarheid. En dat komt niet binnen via de gewone zintuigen van de tastzin of via de ogen, maar heel specifiek via het gehoor. Het geloof is door het gehoor, en dat heeft te maken met een boodschap. Dat is wat een dier niet kan. Een dier ontvangt geen boodschap, ook geen wijsheid en dergelijke. Die overdenkt de dingen niet en vraagt zich niet af: 'Wie ben ik nou?' Ik hoor u denken: 'Hoe weet jij dat?' Ja, je ziet die koeien soms weleens in de wei staan denken. Wat zou hij nou denken? Dat is typisch zo'n vraag die wij ons stellen over zo'n dier, maar die koe vraagt zich dat over ons niet af. Hooguit denkt hij: 'Dat is volgens mij een ezel.' Maar waarheid, en wie ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik naartoe, wie is God, wat is de zin van het bestaan? Het is gewoon ridicuul om te veronderstellen dat een dier zich daarmee bezighoudt. Dat zijn de dingen van de geest. Het gedierte kan prachtige sensaties beleven, maar geest... nee, dat heeft een dier niet.
Een zielsmens ontvangt niet de dingen van de geest van God, want het is hem dwaasheid. Hij kan het niet kennen. Iemand die door de ziel beheerst wordt en die gevoelens, emoties en sensaties als basis heeft – ook al is dat op het menselijke niveau – ontvangt het niet en begrijpt het niet. Sterker nog, het is voor hem belachelijk, dwaas, dom of stom; welk etiket je daar ook op wilt plakken. Hij kan het niet kennen omdat het op een geestelijke, pneumatische wijze kritisch wordt beoordeeld. Hij kan het niet kennen, want een zielsmens heeft daar gewoon geen antenne voor. De dingen van God moet je krijgen zodat je ze gaat verstaan.
In vers 15 staat: "De geestelijke mens echter..." In het Grieks staat daar eigenlijk gewoon de pneumatikos. Houd dat vast: niet de psychikos, degene die door de psyche of de ziel beheerst wordt, maar de pneumatikos, voor wie het pneuma leidend is. De geestelijke mens echter beoordeelt kritisch alle dingen. Het is interessant om naar dit woord voor 'kritisch beoordelen' te kijken: dat is het woord anacrino. Anacrino betekent checken of nagaan. Het is feitelijk een juridisch woord en je ziet het in het boek Handelingen diverse keren terugkomen. Waar houdt een rechter of een jurist zich mee bezig? Met anacrino, met dat kritisch beoordelen: is dit waar of is dit niet waar?
Het mooiste voorbeeld is ongetwijfeld dat van Handelingen 17 vers 11, waar je over de Bereeërs leest dat zij zich gunstig onderscheidden van degenen die in Thessalonica waren. Waarom? Omdat zij het woord van Paulus bereidwillig aanhoorden. Dat is heel mooi; dat je niet op voorhand de boodschap afwijst. Dat kan ook anders, zoals we lezen over Paulus bij Athene. Hij was nog maar net van wal gestoken of ze zeiden al: "We horen u hierover nog wel een keer." Dat was een heel vriendelijke manier om te zeggen: 'Val ons niet lastig. Don't call us, we'll call you.' Nee, de Bereeërs hoorden alles bereidwillig aan en zij gingen dagelijks in de Schriften na of het zo was. Dat is dit woord: anacrino. Zij waren namelijk geïnteresseerd in de waarheid. En dat is het meest kenmerkende van de pneumatikos, van de geestelijke mens.
Dat zou je misschien niet zeggen. Meestal hebben wij bij 'geestelijk' een zweverig idee, zoals ik eerder in deze toespraak al zei. Andere mensen denken daar juist weer hoog-liturgisch over. Dan denken ze aan een geestelijke of aan iemand die met wierook staat te slingeren, met een mooi gewaad en prachtige koormuziek in de kerk. Dat is dan 'een geestelijke'. Heel veel mensen vinden dat prachtig en ik kan me dat heel goed voorstellen. Je bent in een kathedraal en je ervaart de ruimte, de geur van wierook – hoewel sommige mensen daar anders over denken – je ziet die gewaden, je hoort de orgelmuziek... Dat streelt de zintuigen en het raakt je. En dan denken we: dat is geestelijk. Zonder daar op zich iets negatiefs over te zeggen – mooie muziek, mooie kleding of lekkere geuren zijn prima – maar met pneumatikos heeft het echt geen bal te maken.
Net zo goed als wanneer je denkt dat je helemaal in de zevende hemel bent (de vorige keer heb ik u uitgelegd dat er geen zeven hemelen zijn, maar slechts drie). Als je helemaal in de zevende hemel bent en staat te zweven met je handen in de lucht en allerlei brabbeltalen uitstoot, en denkt: dat is geestelijk. Ook dat heeft niets met geestelijk te maken. Sterker nog, ik durf te zeggen dat het heel ziels is. Die gevoelens op zich zijn niet verkeerd, maar het is wel wat het is: dat is gewoon de ziel. Wat echt pneumatikos is, is dit: de geestelijke mens beoordeelt alle dingen. Hij checkt alle dingen, gaat alles na: klopt dat?
Weet u waarom? De pneumatikos is geïnteresseerd in waarheid. Daarom ga je de dingen na, toch? Waarom zou je het anders nagaan? Waarom zou een jurist iets checken? Gewoon omdat je wilt weten hoe het zit. Je wilt de waarheid weten. Dat is de pneumatikos. Niet om droog allerlei data te verzamelen, maar omdat je passie hebt voor de waarheid. Hoe zit de vork aan de steel? Wat klopt er? Wat zijn de feiten? Waar kan ik op staan? En waarin kan ik me dus verblijden?
Dat is de volgende vraag dan: wat geeft werkelijk vrede? Maar dat is een gevolg. Het gaat om waarheid. En dat is die pneumaticus, de geestelijke mens; hij beoordeelt de dingen kritisch. Iets kan wel heel mooi zijn, of leuk klinken, of indrukwekkend, of iedereen zegt: "Wauw, wat een spreker is die man." Ja, maar er is maar één vraag.
Ik hoop ook dat... Het grootste compliment wat je aan een evangelist kunt geven, of iemand die het woord doorgeeft in het algemeen, dat is: "Hij sprak helemaal zo droog," of hij stotterde van mijn part, "maar het was wel waar wat hij zei. En het was prachtig." Kijk, daar gaat het om. Het is waar. Hij legt de bonnetjes erbij; ga het zelf na. Op het moment dat je zegt: "Jij moet dat zo aannemen," dan is dat voor mij altijd al een signaal: die heeft wat te verbergen. Als iets de waarheid is, dan nodig je juist de ander uit: check it. En als het waar is, dan kom je bij elkaar, dat kan niet anders. Dat is mooi, omdat er maar één waarheid is namelijk. Leugens zijn er vele, maar die waarheid brengt ook bij elkaar. Er is één waarheid en de waarheid maakt ook één.
Maar goed, die geestelijke mens, de pneumaticus, die beoordeelt kritisch alle dingen, maar zelf wordt hij door niemand kritisch beoordeeld. Hij wordt wel beoordeeld, want iedereen heeft er een mening over, maar niet kritisch. Dat wil zeggen: ze kunnen dat niet checken. Ze begrijpen het niet. Het is een beetje... ja, hoe willen we dat noemen? Mensen hebben er geen vat op. En dat kan zich in onbegrip uiten in een zielse wereld. Dat kan trouwens ook heel religieus, in een religieuze setting zijn. Maar in een zielse wereld wordt die pneumaticus niet echt begrepen, of echt niet begrepen. Hij wordt door niemand kritisch beoordeeld. Men heeft wel een etiketje op hem geplakt. Dan kijkt hij erop en dan is het: "Hè, het woord niet, hij wijkt af." Of: "Dat is een wappie." Ja, nee, maar men heeft geen vat daarop. Zelf wordt hij door niemand kritisch beoordeeld. En dan sla ik nog één vers over en dan kom ik in hoofdstuk drie, vers één uit.
Groeien van Vleselijk en Onmondig Naar Zelfstandig ↑ hoofdstukken
Paulus zegt: "En ik, broeders, ik kon niet tot jullie spreken als tot geestelijke mensen." Hij gebruikt hier het meervoud: tot geestelijke mensen, pneumatikos dus. Ik wilde tot jullie spreken als pneumatische mensen, dat wilde ik. Die Korinthiërs waren gelovige mensen; ze hadden de boodschap ontvangen, maar Paulus zegt dat hij graag tot hen had willen spreken op dat niveau. Hij zegt: "Ik kon het niet als tot geestelijken, maar ik sprak als tot vleselijken."
Hier heb je eigenlijk weer een tegenstelling. In het vorige hoofdstuk was het pneumatikos tegenover psychikos – geestelijk of "geestig" tegenover "ziels". Hier is de tegenstelling geestelijk en vleselijk, waaruit dus blijkt dat "ziels" min of meer synoniem is met "vleselijk". En vleselijk, dat is iemand die wandelt naar het vlees. Dat moet je heel letterlijk nemen: dat is iemand die beheerst wordt door de impulsen van het vlees. Voor de goede orde: die impulsen van het vlees zijn nooit fout. Daar gaat het niet om. Je kunt daar geen moreel etiket op plakken in de zin van: dat gevoel mag je hebben en dat gevoel mag je niet hebben. Wat is dat voor onzin? Ook dat is trouwens iets wat altijd beweerd wordt: dat de ziel of het vlees zondig is. Dat is niet waar. Het lichaam heeft allerlei impulsen, verlangens, enzovoort. De vraag is: de vleselijke mens is niet iemand die impulsen van het lichaam heeft – die hebben we allemaal – maar het is iemand die wandelt naar het vlees en het vlees leidend laat zijn, die daardoor beheerst wordt.
Dat is trouwens ook weer synoniem met "vleselijken als tot onmondigen", want dat is eigenlijk dan ook hetzelfde. Dus "ziels" is én vleselijk, maar dan ben je een onmondige. Een onmondige is iemand die eigenlijk nog niet kan spreken en die dus ook nog geen begrip heeft; een klein kind is nog onmondig. Paulus zegt trouwens in vers 2 en 3: "Ik wilde jullie vast voedsel geven, maar ja, jullie zijn als baby's, zelfs melk." Naar de tijd gerekend had hij hen inmiddels verder verwacht. Hoe gaat dat? Hij zei: "Ik wilde dat, maar ik kon het niet kwijt bij jullie." En jullie zijn nog onmondig, jullie hebben eigenlijk geen begrip. Jullie kunnen het Woord nog niet echt verstaan en dus ook niet uitspreken, want als je het niet begrijpt, dan kun je het ook niet met goed fatsoen doorgeven.
Een onmondige is iemand die ook nog niet zelf kan staan. Die moet gedragen worden, die moet verschoond worden. Ja, die onmondigen, dat zijn baby's. Wat die doen heb ik altijd verteld. Wat doet een baby? Dat is een heel onaardige samenvatting, maar: huilen en bevuilen. Ja, u zegt nu misschien: "Jij bent geen moeder, dat is wel duidelijk, want die zou dat anders zeggen." Maar een vader zegt: "Nou, huilen en bevuilen." Die jankt, en dat is ook weer zielig trouwens. Maar ja, zoiets hè? Nee, dat doe ik niet nog een keer. Maar inderdaad: huilen en ook bevuilen. Je hebt eigenlijk verzorging van anderen nodig. Je staat ook niet zelf, je leunt eigenlijk tegen anderen aan. Je hebt leiding nodig.
Kijk, we zijn allemaal zo begonnen als onmondigen. Je begint als baby. Ja, maar de bedoeling is dat je zelfstandig wordt. Dat is in feite ook wat voeding doet: dat je zelf gaat staan. Letterlijk hè? Dat je zelf kunt staan en dat je op een gegeven moment zelfstandig bent en die ander niet meer nodig hebt. Dat geldt trouwens ook voor de waarheid: dat je niet meer aanleunt tegen een ander die zegt dat het zus of zo is, zodat het dan wel zo zal zijn. Nee, de bedoeling is dat je zelf ook het vermogen ontwikkelt van: "Ja, dat is het, daar kan ik op staan." En het grote voordeel is dat als de hele meute dan die kant op gaat – links, dus niet de rechte weg, the right way (in het Engels kan dat beter) – dat jij het weet te onderscheiden. Nee, dan moet ik zo. Dan heb je die bevestiging van een ander niet nodig. Dat kan aardig zijn en mooi zijn, maar je weet zelf hoe het zit.
Kijk, dat is het geweldige van die pneumatikos. Paulus zegt: "Ja, jullie zijn nog vleselijken, onmondigen, oftewel psychikos." Ja, zielse mensen. Ziet u trouwens hoe belangrijk het is om van een ziels mens een pneumatikos te worden? Een geestig mens. En het heeft inderdaad ook alles te maken met het moment dat je een pneumatikos wordt: dan kun je zelf staan. Dan kun je de dingen onderscheiden, dan heb je de ander ook niet meer nodig en je gaat de dingen ook relativeren. Dat is trouwens ook "geestig": dan kun je ook de dingen hier op aarde allemaal wat betrekkelijk achten.
Goed, we gaan nu een hele stap maken van 1 Korinthe 2 en 3 naar 1 Korinthe 15. Zijn we van de radar? Ja, daar heb je ook een antenne voor nodig. Die doet het. Ja, nou ja, goed. Ik kan mijn excuses maken naar de kijkers thuis, maar dat heeft dus ook geen zin. Het kan zijn dat het straks alsnog weer goed is in de opname. Maar goed, we gaan het zien.
Korinthe 15: van Zielslichaam Naar Geestelijk Opstandingslichaam ↑ hoofdstukken
Ik zei al dat we nu de overstap maken naar 1 Korinthe 15. Dat machtige hoofdstuk dat u waarschijnlijk goed kent; we hebben het er al zo vaak over gehad en we komen er altijd weer op terug. Naar mijn persoonlijke smaak – een mening die velen met mij delen – is dit hoofdstuk het meest elementaire en basale wat je maar kunt bedenken. Hier legt Paulus zo duidelijk het evangelie voor en de boodschap dat de dood is overwonnen.
In dat verband schrijft Paulus over Jezus Christus, die als eersteling de dood heeft overwonnen. Tweeduizend jaar geleden is het graf leeg achtergelaten, eens voor altijd en definitief. Sindsdien is Hij de eersteling, maar Hij is ook de garantie dat heel de mensheid gaat volgen. Paulus beschrijft dat als een geschiedkundig feit, een bericht, een mededeling. En niet alleen dat, hij beschrijft ook de geweldige consequenties daarvan.
Hij beschrijft hoe dit lichaam vergankelijk en zwak is. In de voorafgaande verzen wordt dat zo gezegd: er wordt een vergankelijk lichaam gezaaid. Aanstaande woensdag mag ik een uitvaart leiden van een vrouw die de gezegende leeftijd van 94 jaar mocht bereiken. Als je dan daar bij het graf staat en ik die woorden uit 1 Korinthe 15 lees – "er wordt een lichaam in zwakheid of in vergankelijkheid gezaaid" – dan besef je dat het aan de aarde toevertrouwen in feite een heel hoopvolle daad is. Je vertrouwt het aan de aarde toe zoals een boer zaait. Geen mens krijgt er de vinger achter hoe het precies zit, dat is een godswonder, maar het leven komt daaruit voort. Het sterft af en wordt opgewekt.
Er worden diverse kenmerken van dit lichaam gegeven. Dit lichaam is zwak, verderfelijk en vergankelijk. En wat was dat andere woord ook alweer? Het wordt opgewekt in heerlijkheid, maar dit huidige lichaam is een lichaam van 'oneer'. Van ontluistering ook. Dat is het hele proces van dit zielse bestaan: heel ontluisterend. U zegt misschien: "Dat vind ik erg zielig om aan te denken," maar het is wel wat we allemaal hebben.
Er wordt een zielslichaam gezaaid. Dat is een onderwerp apart waar ik nu niet te diep op in ga, maar een zielslichaam is een lichaam waar bloed doorheen stroomt. Dat is maar goed ook, zult u zeggen, maar het is tevens het manco. Dit zielse lichaam wordt beheerst en aangedreven door bloed. De ziel is immers in het bloed. Maar vlees en bloed, zegt Paulus ook in 1 Korinthe 15, zullen het koninkrijk van God niet beërven. Dat opstandingslichaam is echt een lichaam van vlees en beenderen, jazeker, maar niet van bloed.
Er wordt een zielslichaam gezaaid en een pneumatikos lichaam opgewekt. Hier zie je weer hoe misleidend de weergave in de NBG-vertaling is, waar staat: 'een natuurlijk lichaam'. Daardoor ontgaat je nou net de clou. Door 'natuurlijk' te zeggen, mis je de essentie dat het om een ziels lichaam gaat. Zo wordt dat echter wel gezegd: er wordt een zielslichaam gezaaid en een pneumatikos lichaam opgewekt.
Ik kan daar eigenlijk nauwelijks iets over vertellen, maar ik vind dit echt mindblowing als ik eraan denk. Dat lichaam van heerlijkheid, het lichaam van de levendmaking en de opstanding, is pneumatikos. Het wordt niet door bloed aangedreven, maar door pneuma, door geest of adem. En als u vraagt of ik dat uit kan leggen... nee, dat kan ik niet. Stroomt er pneuma door de aderen? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat dit huidige lichaam een psychikos lichaam is, een zielslichaam, en dat toekomstige lichaam pneumatisch. De geest denkt ergens te willen zijn, en hij is er. Dat is nog eens wat! Dan blijken dichte deuren en ramen niet eens een verhindering te zijn. De eersteling heeft het bewezen: zulke kenmerken heeft dat lichaam.
Op het moment dat je over zulke dingen gaat nadenken, ga je ineens heel anders aankijken tegen de mankementen van dit huidige lichaam. Die kunnen heel reëel zijn en heel pijnlijk. Maar dan denk je: "Nou ja goed jongens, daar komen we ook wel weer vanaf." Want dit is namelijk tijdelijk en dat andere is blijvend; dat is onvergankelijk. Is dat niet geweldig? Alleen al door hieraan te denken, word ik al pneumatisch. Dat vind ik zo geestig. Het leert je inderdaad om de dingen op waarde te schatten en te relativeren. Dit zielse bestaan is heel betrekkelijk. Paulus zegt ook dat het slechts kort duurt en niet opweegt tegen wat komt. Het is bij wijze van spreken vergelijkbaar met een wolpluisje en een olifant – en zelfs dat is nog een eufemisme. Zo groot is het verschil.
Er wordt een pneumatisch lichaam opgewekt. Indien er een zielslichaam is, dan is er ook een geestelijk lichaam. Zo is er ook geschreven: "De eerste mens, Adam, werd tot een levende ziel" (Genesis 2:7). Trouwens, die levende ziel werd een stervende ziel toen hem vervolgens de toegang tot de boom des levens werd ontzegd. En aan het eind van het proces is het een dode ziel. Ja, dat staat allemaal in de Bijbel. En weet u wat de theologie over 'ongezonde woorden' gesproken heeft gezegd? Dat komt trouwens uit de Griekse filosofie: men spreekt over een 'onsterfelijke ziel'. De mens zou een onsterfelijke ziel hebben. Nee, onzin. De mens is een sterfelijke ziel. En als hij de laatste adem uitblaast, is hij een dode ziel. Dat is de taal die de Bijbel gebruikt.
Die eerste mens, Adam – wat gewoon 'mens' betekent – representeert de hele mensheid. Alles wat uit hem voortkomt: wij zijn zielen. Zielige mensen, ja. De eerste mens Adam werd een levende ziel. De laatste Adam – niet de tweede trouwens, want dat zou kunnen suggereren dat er nog een derde komt; nee, Hij is de laatste, de definitieve versie – de laatste Adam representeert net zo goed de mensheid. Daarom heet Hij ook Adam. Hij representeert de hele mensheid, want zoals in Adam allen sterven (dat staat in vers 22 van hetzelfde hoofdstuk), zo zullen in Christus dezelfde 'allen' worden levend gemaakt. Niet allemaal tegelijk, iedereen in zijn eigen rangorde: Christus de eersteling in het verleden, en de rest gaat volgen. Ingefaseerd, maar dat is absoluut het traject. Heel de mensheid wordt pneumatikos.
De laatste Adam werd een levendmakende geest. Niet alleen een levende geest, maar ook nog eens levendmakend. Dat is de potentie van dat opstandingsleven, die kracht. "Ik ben de opstanding en het leven," zei Hij bij het graf van Lazarus. Hij zei: "Lazarus, kom uit!" Het mooiste antwoord op de vraag waarom Hij specifiek 'Lazarus' zei, was: anders had de hele begraafplaats waarschijnlijk opgestaan. Maar alleen Lazarus moest het nog even uitzitten. Of Lazarus daar blij mee was, weet ik niet; ik denk het wel. Naar zijn ervaringen is verder niet gevraagd; hij was gewoon dood, hij sliep. Hoe dan ook: de laatste Adam is een levendmakende geest. Wat een garantie en wat een belofte. Maar, zegt Paulus dan...
Gods Ontwerp: Eerst het Zielse, en Vervolgens het Geestelijke ↑ hoofdstukken
Dat is het laatste vers dat ik noem, ik moet nu echt gaan afsluiten. "Maar niet eerst het geestelijke, maar het zielse en vervolgens het geestelijke." Zie je hoe enorm je in de verwarring terechtkomt op het moment dat je dit gaat weergeven met "natuurlijk"? Als je eenmaal weet hoe het zit, dan weet je dat het een natuurlijk verhaal is. Geheid! Maar dat kan niet. Het gaat juist om deze tegenstelling: ziels en geestelijk. Zielig of psychikos en... psychikos en pneumatikos. Zo leer je in de wandelgangen, in het voorbijgaan, ook nog eens een keertje wat Grieks bij. Maar deze tegenstelling is het. En het is de bedoeling dat het zo gaat: eerst het zielse.
En weet u wat ik hiervan het allermooiste vind? Bij God gaat er nooit iets fout. Het is dus niet zo – en dat is trouwens ook theologie – dat het ooit in het verleden fout ging en dat God toen op plan B moest overschakelen. Want ja, dat was dan niet de bedoeling en toen moest er een reddingsplan komen om te redden wat er te redden valt. Wat dan ook nog eens vies tegenvalt, want ja, dat hangt dan weer af van de mens. Dat is eigenlijk een zielig verhaal. Men noemt het de blijde boodschap, maar ik vind het helemaal niet blij.
Wat echt blij maakt, is dat eerst het zielse er moest zijn; Adam als levende ziel. Dat was niet Gods definitieve versie. Dat was voorbijgaand. Eerst het zielse en vervolgens het geestelijke. Dus toen Adam gemaakt werd, had God de laatste Adam al in het vizier. Maar kijk, dit is gewoon by design. Gewoon volgens het ontwerp. Dit is fase 1. Zo moet het beginnen. Het begint met die watertor... ja, het is geen watertor, maar ik bedoel... en uiteindelijk ben je een libelle. Want in de hele natuur zie je dit fenomeen geïllustreerd: van dood en opstanding. Zo moet het! Maar er bestaat niet zoiets als opstanding zonder eerst de dood. De enige wijze waarop God dit kon demonstreren dat inderdaad het leven van Hem triomfeert, is juist door een donkere achtergrond van dood, zonde, enzovoort te maken.
Eerst het zielse, daarna vervolgens het pneumatische. Met andere woorden: God heeft alles perfect in de hand. En het feit dat het zo is gegaan, met het zielse en het zielige, dat is geen fout. God tast nooit mis. Hij maakt alles goed, en niet alleen voor u en voor mij, maar voor de hele mensheid, van de hele wereld. En of je het nu gelooft of niet, dit is God en Zijn plan en het leven dat Hij geeft. Amen.
UltimateGoodNews