GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

niemand heeft ooit God gezien

05-09-2021 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden op zondag 5 september 2021 te Urk

Christus Jezus is Gods gestalte. Het beeld van de onzienlijke God. God zelf wordt niet gezien, maar wel degene door wie Hij zich openbaart. Maar hoe was dat in ‘het Oude Testament’? Bij heel wat gelegenheden lezen we immers dat God verschijnt en zichtbaar wordt. En van Mozes lezen we dat hij Gods gestalte aanschouwde (Num.12:8). Hoe kan Johannes dan zeggen: “niemand heeft ooit God gezien…”? Of verscheen God soms via… ‘boodschappers’ (engelen)? Wat zegt de Schrift?

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

God is wezenlijk onzienlijk en kan door geen mens direct aanschouwd worden. In de periode van het Oude Testament maakte God Zich uitsluitend zichtbaar via engelen, die optraden als Zijn vertegenwoordigers en boodschappers. In deze laatste dagen spreekt en verschijnt Hij echter definitief in Zijn Zoon. De Zoon fungeert als het volmaakte beeld, de afstraling en de exacte afdruk van wat God is. Omdat Hij God perfect representeert, heeft Hij een positie verkregen die verheven is boven alle engelen.

“in het Oude Testament verscheen God via engelen, maar nu in deze laatste dagen verschijnt Hij definitief in de Zoon. De Zoon die Zijn beeld is, Zijn afstraling en Zijn afdruk.”

Terugblik: Christus in de Gestalte van God ↑ hoofdstukken

Een hele goede middag allemaal, vrienden, en hartelijk dank, Koos, voor deze inleidende woorden. We gaan vanmiddag min of meer verder met het onderwerp dat de vorige keer ook is besproken. Toen hadden we het over Christus, die in de gestalte van God is en dat geen roof heeft geacht. Ik was toen al van plan om een vraag die eigenlijk zo voor de hand ligt toen al te behandelen, maar de tijd ontbrak me. Naderhand ben ik echter door diverse mensen — jij was de eerste bij mij, ja — getackeld, die zeiden: 'Ja, maar hoe zit dat dan met die gestalte van God in het Oude Testament?' Kijk, ik had verteld dat Christus Jezus nu de gestalte Gods is, het beeld Gods, en als God Zich uitdrukt, dan doet Hij dat in en via Hem. De vraag is dan: hoe deed Hij dat dan in het Oude Testament?

Laat ik eerst nog eventjes samenvatten wat ik de vorige keer daarover heb gezegd. Dat ging inderdaad over de gezindheid van Christus Jezus, want zo worden die woorden ingeleid: 'Laat die gezindheid in jullie zijn, die ook in Christus Jezus is'. Hij, die in Gods gestalte is en God gelijkend, van Hem staat erbij: Hij acht deze positie geen roof. Dat wil zeggen, Hij heeft het Zich niet zelf eigen gemaakt of zelfs onrechtmatig toegeëigend. Integendeel, en dat wordt op vier verschillende manieren gemotiveerd waarom Hij dat geen roof achtte en waaruit dat vervolgens blijkt.

In de eerste plaats: Hij ontledigde Zichzelf. Hij was de Zoon van God, maar Hij nam de gestalte van een slaaf aan. Vervolgens staat er dat Hij Zichzelf vernederde. Dat wordt in de tekst ook gewoon toegelicht, namelijk toen Hij gehoorzaam werd tot de dood, ja, tot de dood van het kruis. Dat was de vernedering. En vervolgens was het God die Hem verhoogde. Dus Hij ontledigde Zichzelf — dat was Zijn gezindheid — Hij vernederde Zichzelf, en vervolgens was het niet Hijzelf, maar God die Hem daarom verhoogde en Hem de naam schonk boven alle namen.

Als vierde motief waaruit blijkt dat het voor Christus Jezus geen roof was: dat blijkt uiteindelijk ook in de grote voltooiing van de hele heilsgeschiedenis, als uiteindelijk alles — al het hemelse, het aardse en het onderaardse, zo staat er letterlijk — de knieën gaat buigen. En alle tong, van binnenuit dus, niet de lippen, nee, de tong zal belijden: 'Jezus Christus is Heer'. En dan staat erachter: 'tot eer van God de Vader'. Dus als heel de schepping één groot halleluja zal klinken en zal belijden dat Jezus Christus Heer is, dan is dat ook dan nog steeds geen roof voor Christus Jezus dat Hij Zich dit heeft toegeëigend. Nee, het is allemaal tot eer van God de Vader, wiens beeld en wiens gestalte Hij is. En toen heb ik vervolgens ook wat verteld over wat de Bijbel zegt over wie Hij was.

Het Woord Werd Vlees en de Unieke Zoon ↑ hoofdstukken

Wat hij was vóór zijn geboorte, is misschien wat heikel om zo ter sprake te brengen. Meestal wordt er gezegd dat de Zoon van God mens is geworden, maar zo zegt de Schrift het niet. Hij was het Woord van God. Hij is het Woord dat vlees geworden is; het Woord waardoor alle dingen tot stand zijn gekomen. Alle dingen zijn door Hem geworden en er is geen ding geworden dat geworden is, dan door het Woord. Wel, dat Woord kwam duizenden jaren later tot Maria met de boodschap dat zij zwanger zou worden, en dat Woord werd vlees. Het is met name Johannes die dat zo naar voren brengt.

Sinds dat Woord vlees is geworden, is hij de Zoon van God. God verwekte hem in de maagd Maria zonder tussenkomst van een man. Daarom is hij ook de Zoon. Dat is niet de enige reden, maar het is de belangrijkste en eerste reden waarom hij de Zoon van God is. Hij is namelijk als enige de eniggeboren, de unieke Zoon van God. Het is dus niet zo dat de Zoon van God mens werd; nee, het Woord werd vlees en sindsdien is hij de Zoon van God. Het idee is niet dat hij voor zijn geboorte al een persoon was, maar toen was hij het Woord van God. Dat is misschien wat abstract, maar dat is precies de wijze waarop de Schrift dat benoemt.

Het is dus ook niet zo dat God een assistent had bij zijn schepping. Ik weet dat het in de dichterlijke boeken zo wordt genoemd, bijvoorbeeld in Spreuken 8, waar staat dat de wijsheid Gods hem terzijde stond. Dat wordt dan gepersonifieerd. Personificatie is een heel bekende stijlfiguur, een vorm van beeldspraak. Als ik een standbeeld zie van bijvoorbeeld Abraham Kuyper, dan zeg ik: "Dat is Abraham Kuyper." Dat is beeldspraak, want het is namelijk niet Abraham Kuyper zelf, maar de representatie daarvan. Christus Jezus is het beeld van God. Is hij God? Jawel, maar dat is met recht beeldspraak.

Ik heb het hier over de stijlfiguur waarbij je iets abstracts een persoon noemt. Wij spreken bijvoorbeeld over 'vadertje staat'. Er zijn veel van die begrippen die wij als een persoon aanduiden. Moeder natuur of moeder aarde zijn ook zulke voorbeelden. Dat is een personificatie waarbij de natuur, wat een tamelijk abstract begrip is, als persoon wordt aangeduid. In de Schrift zie je daar ook voorbeelden van. Een aardig voorbeeld is dat je leest over Levi. Toen Abraham neerknielde voor Melchizedek, zo lezen we in Hebreeën 7, was Levi al in de lendenen van zijn voorvader Abraham. Niet dat Levi daar letterlijk al was, maar dat is ook een vorm van personificatie, een stijlfiguur. Een stijlfiguur is waar, maar niet letterlijk waar. Zoals gezegd noemt Spreuken 8 dat ook: daar lees je over de wijsheid die God assisteerde bij de schepping. De schranderheid was bij Hem. Dat is vooral taal die je gebruikt in een poëtische zetting.

De vraag is dan: als Christus Jezus nu de gestalte van God is, hoe zat dat dan in de tijd vóór Christus? Wie was toen de gestalte van God? Want per slot van rekening verschijnt God bij heel wat gelegenheden in het Oude Testament. Hoe vaak vind je dat niet? Je vindt het al bij Abraham, en de bekendste voorbeelden zijn wel verbonden met de geschiedenis van Mozes. Wie was het dan die toen verscheen? Het gangbare, traditionele christelijke antwoord daarop is: "Ja, dat was de Zoon van God eigenlijk al voor zijn geboorte."

Maar ik geloof niet dat dat Bijbels is. De Zoon van God is hij namelijk sinds hij mens is, sinds hij hier op aarde was. Sindsdien is hij de Zoon van God en nu zelfs de opgestane Zoon van God. Daarvóór was hij inderdaad het Woord, het Woord van God. Maar de vraag blijft natuurlijk: hoe zit het met die verschijningen in het Oude Testament? Daar wil ik vanmiddag heel graag eens op inzoomen.

Het Bijbelse Fundament: Niemand Heeft Ooit God Gezien ↑ hoofdstukken

Laten we eerst beginnen met het vers dat ook al op de titeldia stond; de titel van deze studie is: 'Niemand heeft ooit God gezien'. Dat zegt Johannes in de inleidende woorden van zijn toch wel heel bijzondere evangelie. Niemand heeft ooit God gezien. Dit is zo’n bekende Bijbelse waarheid: dat God de Onzienlijke is. Dat vinden we op zoveel verschillende plaatsen: de Onzienlijke.

Laten we daar eens een paar voorbeelden van geven. In Kolossenzen 1 vers 15 lees je van de Zoon van Gods liefde dat Hij wordt genoemd: het beeld van de onzienlijke God. God Zelf is de Onzienlijke en Hij maakt Zichzelf zichtbaar; Hij wordt gerepresenteerd in Zijn 'eikoon' — dat is het Griekse woord. En wie Hem ziet, die heeft daarmee God gezien: het beeld van de onzienlijke God. In 1 Timotheüs 1 wordt God de onvergankelijke, de onzienlijke, enige God genoemd. Daar staat trouwens eigenlijk 'monos theos', waar ons woord monotheïsme ook van afgeleid is: de enige God. En in 1 Timotheüs 6 wordt er gezegd van die God, dat geen mens Hem gezien heeft en ook geen mens Hem zien kan.

Tegen Mozes wordt ook zoiets gezegd in een prachtige geschiedenis waar we het vanmiddag verder niet meer over gaan hebben. Het gaat over het moment dat hij in een rotskloof geplaatst wordt en dat God voorbijgaat, waarbij hij de achterste delen ziet, zo staat het er dan. Maar vooraf wordt al gezegd: "Geen mens zal Mij zien en leven." Een heel bekende is ook Hebreeën 11 vers 27, waar het over Mozes gaat. Dat is natuurlijk een paradox. Letterlijk kan dit niet, maar wie het begrijpt, ziet het pas als hij het doorhebt. Hoe was die uitspraak van Cruijff ook alweer? "Je hebt het pas door als je het ziet", of iets in die geest. In elk geval lees je van Mozes dat hij voortdurend was als ziende de Onzienlijke. Inderdaad 'als ziende', want letterlijk kan dat niet. Dat wil zeggen dat hij zijn oog gericht had op de Onzienlijke. Nogmaals, dat is paradoxaal omdat het letterlijk niet kan, maar u begrijpt het: de ongeziene God.

Ik heb hier nu een vijftal of zestal voorbeelden gegeven, maar ik kan u verzekeren dat er heel wat meer schriftplaatsen zijn. God Zelf transcendeert de schepping. Dat wat zichtbaar is, is schepping en is per definitie door God geschapen. Hijzelf gaat de schepping te boven en is voor geen oog waarneembaar. Vandaar de aanduiding 'de Onzienlijke'. Er zijn zelfs een paar teksten die eigenlijk niet zozeer spreken van de Onzienlijke, maar van de ongeziene God.

Niemand heeft ooit God gezien; dat is fundamenteel. Dat is het uitgangspunt en de Bijbelse waarheid, ondanks het feit dat we vele schriftplaatsen vinden waarin God verschijnt. Ik weet dat dit de vraag oproept: hoe dan wel en via wie dan wel? Maar in directe zin is het zo dat nooit iemand God gezien heeft. Zo zegt Johannes dat ook, en dan vervolgt hij: "De eniggeboren Zoon, de unieke monogenes..." Hij is uniek in Zijn soort. Er is maar één iemand van al die miljarden mensen die zó de Zoon van God is zoals Hij dat is, namelijk door God Zelf verwekt. Twee keer trouwens, maar daar kom ik straks op terug: verwekt in Maria en later verwekt uit de doden. In beide gevallen is dat de reden om Hem de Zoon van God te noemen.

De eniggeboren Zoon die in de boezem van de Vader is — let op, dat is tegenwoordige tijd. Waar is die Zoon? Hij onttrekt zich nu ook aan ons oog, maar niettemin is Hij aan de rechterhand Gods. Ook dat is trouwens niet letterlijk. Dat begrijpen we op voorhand wel. Het is net zoals de aanduiding: "Wie zit er op de troon in Nederland?" Dan zeg ik dat dit de koning is, of de koningin. Maar ik denk dat zij toch maar heel zelden letterlijk op die troon zitten. Het is een stijlfiguur en een uitbeelding van de heerschappij: wie de koning is. Dat geldt vooral ook voor de rechterhand. De rechterhand staat gewoon voor voorrang, dat weten we allemaal. Iets wat rechts een plaats toegewezen krijgt, krijgt de voorrang. Behalve in Nederland geloof ik; ik hoorde ooit de spreuk: "Daar geldt: left is right and right is wrong." Maar rechts is inderdaad aan de boezem van de Vader. Dat is een erepositie, maar het heeft vooral te maken met de plaats dicht aan Zijn hart.

De Zoon die aan de boezem van de Vader is, die ontvouwt Hem. Niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeboren Zoon ontvouwt Hem. Dus voor zover wij God kennen en voor zover Hij Zich zichtbaar maakt, is dat via, in en door Hem. Echt moeilijk is het niet, maar je moet het wel weten. En dan kom ik voor de tweede of derde keer terug op de vraag: hoe en via wie verscheen God dan in het Oude Testament? Het mooiste is natuurlijk om de Bijbel daar zelf antwoord op te laten geven. Als ik dat niet zou kunnen doen, dan had ik deze vraag vanmiddag echt niet opgeworpen. Of ik had het alleen maar opgeworpen zonder er verder iets zinnigs over te kunnen zeggen. Maar ik kan er wel iets zinnigs over zeggen, omdat de Bijbel dit zelf ook aangeeft.

De Verschijning aan Mozes Via de Boodschapper van Yahweh ↑ hoofdstukken

We gaan eerst eens naar Exodus 3 toe. Dat is de geschiedenis waar inderdaad God verschijnt aan Mozes. Dat was in de tijd dat zijn leven inmiddels was onderverdeeld in een drietal van veertig jaren: drie keer veertig jaar. Veertig jaar heeft hij aan het hof van Farao gezeten. Veertig jaar was hij in de woestijn als herder en ook als miskende. En vervolgens nog veertig jaren, later van zijn tachtigste tot honderdtwintigste, als leider van het volk. Maar hier werd hij geroepen toen hij inmiddels tachtig jaar oud was. Toen begon het pas, hè?

Sommigen zeggen dat het leven begint bij de veertig. Toen zei Mozes van: nou, weet je wat, we doen er nog eens een keertje veertig bij. Dat klopt trouwens wel, want dat staat volgens mij in het begin van vers 1: na het verloop van veertig jaar. Dus misschien is dat ook wel de reden waarom men zegt dat het leven begint bij de veertig. Terwijl ik het zeg, corrigeer ik mezelf ook weer, want dat heeft weer te maken met de zwangerschap. Veertig weken, ja, en dan begint het leven en ga je ademen.

Eens, zo lees ik voor uit de NBG-vertaling, toen Mozes de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had – op zich alweer mooie typologie, want het geeft al aan wat hij zou gaan doen, namelijk de kudde naar de andere kant van de woestijn leiden – toen kwam hij bij de berg Gods, en dat is Horeb. En daar verscheen hem de engel des Heren, of eigenlijk staat er een boodschapper, melech. Maar dat is inderdaad de engel. De engel des Heren, of de boodschapper van Yahweh. Hier staat het al wie hem verscheen. Verscheen Yahweh? Dan zeg ik ja, maar zo staat het hier niet. Er staat dat er een boodschapper van Yahweh aan hem verschenen is.

Dat is heel eigenaardig, zoals dat in deze geschiedenis iedere keer omgewisseld wordt. Daar zijn heel wat meer voorbeelden van te geven; dat zie je in de geschiedenis als Hij verschijnt aan Abraham, je ziet het ook als Hij verschijnt aan Gideon of bij Manoah. Iedere keer heb je die vraag: is dit nou de boodschapper van Yahweh of is het Yahweh Zelf? Maar de vraag zelf verraadt dat wij niet goed begrijpen hoe dat werkt met representatie. Er is een hele theologische discussie ontstaan over de vraag of Jezus Christus nou God Zelf is of dat Hij het beeld van God is. Dat is geen goede vraag. Je scheidt iets wat God verenigd heeft. Juist omdat Hij het beeld Gods is, is Hij God Zelf. Hij representeert Hem namelijk. Je moet eigenlijk nooit meegaan in zulke tweestrijden, want dat leidt tot niks. Het is eigenlijk geen theologische discussie, maar een semantische kwestie, zoals dat met een duur woord heet. Het heeft te maken met taalgebruik. Als je begrijpt hoe dat werkt met beeldspraak en stijlfiguren, dan is dit geen probleem.

Maar goed, daar verscheen hem de engel des Heren als een vuurvlam midden uit een braamstruik, of een doornstruik staat er gewoon. Hij keek toe, en zie: de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd. Ook dit is trouwens een prachtig type van de situatie waarin het volk zich bevond. Het volk Israël bevond zich in Egypte, in de vuurvlam. Niettemin werden ze bewaard. Het stond in brand, maar werd niet verteerd. Dat is hoe God Zijn volk ook bewaarde te midden van de verdrukking. Juist vanuit die situatie verschijnt God, want die doornstruik, die braamstruik, is een type van Israël. God verschijnt vanuit die braamstruik die brandt; God is bij dat volk. Dat is het hele idee. God verschijnt nu in deze hoedanigheid, of zo u wilt, de engel des Heren, de engel van Yahweh.

Mozes dacht: laat ik toch dat wonderlijke verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt. Toen de Here zag dat hij het ging bezien – oftewel Yahweh – riep God hem uit de braamstruik toe: "Mozes, Mozes!" En dit is precies wat ik bedoel te zeggen. In vers 1 of 2 lazen we dat een engel of een boodschapper van Yahweh hem verscheen, en hier staat vervolgens: "toen de Here zag dat hij het ging bezien". Weer die vraag: hoe zit dat nou? Wie verscheen er nou? Was het de engel of was het de Here Zelf? Het was de Here Zelf via Zijn engel, Zijn representant. Wie die engel was, wordt niet benoemd; dat doet namelijk ook niet ter zake. Het gaat erom dat hij een boodschapper is namens Yahweh.

Toen de Here zag dat hij het ging bezien, riep God hem uit de braamstruik toe: "Mozes, Mozes!" En dan gaat er iets heel belangrijks volgen. Als je naam twee keer genoemd wordt – dat gebeurt een stuk of zeven keer in de Bijbel – dan wordt dat een naam. "Marta, Marta", zo is het. "Saul, Saul, wat vervolg je Mij?" Ik heb ooit eens een keer over Melsie gesproken, ook een mooi thema. Maar goed, Mozes antwoordde: "Hier ben ik." En daarop zei Hij: "Kom niet dichterbij, doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop je staat is heilige grond."

Ook dat is weer een prachtig type. Ik zou haast in de verleiding komen om daar wat dieper op in te gaan. Als u weet dat schoeisel een type is van de wandel van de mens... dat lijkt me niet zo moeilijk, hè? Als je gaat wandelen, dan heb je schoeisel onder je voeten. Maar op het moment dat je bij God verschijnt, in Zijn aanwezigheid bent, dan moet je de schoenen van je voeten doen. Wij kennen die gewoonte niet en begrijpen dat vaak niet goed, maar het is een heel Bijbelse gedachte dat op het moment dat je op heilige grond staat, je de schoenen van je voeten moet doen. Waarom? Die schoenen staan voor de wandel van de mens, zijn buitenkant, wat een mens van zichzelf is. Dat moet je afleggen. Op grond van je werken of op grond van je wandel kun je namelijk never nooit bij God verschijnen. Dat hoeft ook helemaal niet, dus die schoenen moet je gewoon uitdoen als je op heilige grond staat. Daar gaat een geweldige sprake van uit. Ik denk dat geen moslim dat begrijpt op het moment dat hij de moskee of het heiligdom ingaat, maar dit is de gedachte: het is puur op grond van genade dat een mens bij God verschijnt en niet op grond van je wandel.

In vers 6 staat vervolgens: "Voorts zei Hij" – dat is dus Yahweh – "Ik ben de God van uw vader." Hier zie je opnieuw dat die engel gewoon namens God spreekt. Dat is wat een boodschapper of een afgezant bedoelt: hij spreekt als God Zelf zijnde. "Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jakob." Toen verborg Mozes zijn gelaat, want hij vreesde God te aanschouwen. Later lees je trouwens dat er geen mens is geweest die God zo heeft aanschouwd als Mozes, vele malen meer dan het volk. Hoe lees je dat in de psalmen? Hij maakte Israël Zijn daden bekend, maar Mozes Zijn wegen. Mozes verscheen bij God en kwam in en uit in het heiligdom. Zo vertrouwelijk sprak Mozes met God. Ook hier moet ik er weer bij zeggen dat de boodschapper zich inderdaad identificeert met God. Hoe is de boodschap via de andere kant? Dat lijkt tegenstrijdig, maar dat is de beeldspraak waar ik het over heb. Je kunt net zo goed zeggen: het is God Zelf, namelijk Zijn representant, Zijn vertegenwoordiger, Zijn boodschapper. Dit is een getuigenis daarvan. Want we weten allemaal dat deze verschijning in Exodus 3...

Mozes wordt door God zelf vanuit de braamstruik geroepen. Dat was de Heer zelf, dat weten we. Ja, maar in het gedeelte zelf wordt al aangegeven dat het de boodschapper was. En als je het niet geloven wilt, dan zou je nog een schriftplaats kunnen noemen, want daar staat het ook letterlijk.

Wanneer Stephanus in zijn rede voor het Sanhedrin de geschiedenis van Israël nagaat en een lange rede houdt, dan staat er ergens halverwege dat hoofdstuk: "En toen er veertig jaren voorbijgegaan waren, verscheen hem, Mozes, in de woestijn van de berg Sinai een engel in de vlam van een brandende braamstruik."

Ook hier weer een engel. De godsverschijning aan Mozes was een engel. Hiermee heb ik dus eigenlijk al een antwoord gegeven. Het gaat over één verschijning, dat weet ik wel, maar het is een van de meest markante verschijningen van God zelf in het Oude Testament, waarbij toch gezegd wordt: het was een boodschapper. Waarom? Wel, niemand heeft ooit God gezien. Letterlijk, direct. Als God verschijnt, dan is dat via. Oké, we zijn dus inmiddels wel wat wijzer geworden.

De Wetgeving Bemiddeld Door Engelen ↑ hoofdstukken

Ik zou nog een vraag kunnen stellen over de wetgeving, en dan gaat het natuurlijk ook weer over de tijd van Mozes. Van wie kreeg het volk Israël, of liever gezegd: van wie kreeg Mozes als middelaar de wet Gods in handen? Laten we Exodus 31 het antwoord geven. Ook daarvan zou ik heel wat meer voorbeelden kunnen geven, maar in vers 18 van Exodus 31 staat dat Hij – en dan gaat het dus over Yahweh – aan Mozes gaf, toen Hij geëindigd had met hem te spreken op de berg Sinaï, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger Gods. De wet is dus door God Zelf, Yahweh, gegeven aan Mozes. Dat is de vaststelling, en dat rijtje is met gemak uit te breiden.

Maar dan gaan we eens wat bladeren. Met name in het Nieuwe Testament ontdekken we nog iets anders. Ook in het Oude Testament zijn daar al aanwijzingen voor, maar die zijn iets vager. In het Nieuwe Testament wordt dat echter heel duidelijk. Met name uit de pen van Paulus in Galaten 3 lees je dit. Paulus gaat in die hoofdstukken uiteenzetten hoe dat gegaan is met de belofte die God ooit aan Abraham heeft gegeven. Hij stelt dat God een onvoorwaardelijke belofte heeft gegeven aan Abraham, en dat pas 430 jaar later de wet via Mozes aan Israël werd gegeven. Dat betekent dus dat men al die tijd daarvoor slechts de belofte had, en de wet nog niet.

Het hele idee dat de wet er altijd al was, is een beetje een calvinistisch idee. Veel mensen denken dat het Oude Testament bij Genesis 1 begint, maar strikt genomen is dat ook niet waar. Het Oude Verbond begint bij Exodus 20. Ik zal u vertellen: toen waren er al 2500 jaren menselijke geschiedenis voorbijgegaan. Van Adam tot Mozes is 2500 jaar – op het jaar nauwkeurig trouwens. Die 2500 jaar is aanzienlijk korter dan de periode van Abraham tot Christus; dat is 2000 jaar.

De vraag is dan: waartoe dient dan de wet? Als Paulus zegt dat die wet pas later is gegeven en eraan is toegevoegd, stelt hij zelf de vraag: "Waartoe dient dan de wet?" Ik bedoel, God had de belofte, waartoe dient dan de wet? Wel, er staat: "Ten gunste van de overtredingen is zij erbij gevoegd, totdat het Zaad zou komen." Waaruit dus twee dingen blijken. Ten eerste is die wet van het Oude Verbond tijdelijk; zij heeft een "totdat", een houdbaarheidsdatum dus. Totdat het beloofde Zaad zou komen. Aan Abraham was de belofte gegeven en aan zijn Zaad, en via Zijn Zaad zouden alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Als dat Zaad zou komen, zou de werkzaamheid van dat Oude Verbond dus beëindigd zijn.

Maar er staat hier ook nog bij waarom die wet dan gegeven werd: ten gunste van de overtredingen. Om de overtredingen te doen blijken. Als je dat naleest in Romeinen 5 vers 20, staat daar dat de wet erbij gevoegd is opdat de overtreding zou toenemen. Over calvinisme gesproken: het idee is in de christelijke wereld zo diep geworteld dat God de wet heeft gegeven opdat de mens in het gareel gehouden zou worden en een beter mens zou worden door de wet. Maar dan moet je heel goed naar Paulus luisteren en kennis nemen van wat hij te zeggen heeft. Hij zegt precies het tegenovergestelde: de wet is erbij gegeven, bijgevoegd, met de bedoeling en de opzet dat de overtreding of de zonde zou toenemen. Dat was geen bijkomend ongewenst effect, nee, het was juist de bedoeling. En dan staat er nog bij: "Opdat de zonde zou toenemen; waar de zonde evenwel toeneemt, daar wordt de genade des te overvloediger."

Uiteindelijk was de toeneming van de zonde een subdoel. Het uiteindelijke doel was dat de overvloeiende genade bewezen zou worden; daarom werd de wet gegeven opdat de zonde zou toenemen. God wil namelijk bewijzen dat Hij genadig is en dat niets van de mens Hem daarin kan hinderen. Daarom die overvloed van genade. Wordt de mens er beter op door de wet? Nee, integendeel. Maar juist daaraan bewijst God des te sterker dat Hij genadig is, zodat het onweerlegbaar is: Hij is genadig, ongeacht de mens. Dat bewijs wil God leveren.

Waartoe dient dan de wet? Ten gunste van de overtreding is zij bijgevoegd. Het is wezenlijk een bijgevoegde; een soort appendix met een tijdelijk doel. Maar wat Paulus eigenlijk wil zeggen, is dat de belofte er natuurlijk niet door verandert, want die was onvoorwaardelijk. Het is niet zo dat die wet de belofte ineens voorwaardelijk zou maken, alsof God zou terugkomen op Zijn woord. Nee, absoluut niet!

"Ten gunste van de overtreding is zij bijgevoegd totdat het Zaad zou komen aan wie Hij heeft beloofd." En dan staat erachter – en daar gaat het nu vooral even om, want wat ik hier nu over zei was eigenlijk een soort voetnoot die ik te boeiend vond om onvermeld te laten: "Verordend door boodschappers." De MBG-vertaling zegt: "Op last van engelen", door engelen gegeven. Verordend door boodschappers, door engelen, in de hand van een middelaar. Dat is hier Mozes, want hij bemiddelde toen in die functie. Hoe dan ook, wat hier staat is dat de wet aan Israël werd gegeven via Mozes, de middelaar, maar dat dit werd verordend door boodschappers, door engelen.

Ook die gedachte is bekend in het jodendom, en Paulus refereert daaraan. Het wordt diverse keren gezegd. In Handelingen 7 vers 53 zegt Stefanus in zijn reden dat de wet "op beschikking van engelen" is gegeven aan Israël. Hoe kwam de wet terecht in de handen van Mozes en zo via hem bij Israël? Wel, het was op beschikking van engelen. Aan de ene kant lees je dus dat het God was, maar dat gebeurde via engelen (meervoud). In Hebreeën 2 staat zelfs dat die wet het woord was dat "door engelen gesproken" werd. Kijk het maar eens na. Op de berg Horeb, waar de wet gegeven werd, geschiedde dat van Godswege, maar het was door middel van engelen dat dit plaatsvond.

Ten slotte neem ik u mee naar Hebreeën 1, en dat is in feite de bekroning van deze studie. Ik weet niet hoe het in uw Bijbeltje erboven staat, maar ik meen dat er in de MBG-vertaling een kopje boven het eerste hoofdstuk staat dat treffend weergeeft waar het over gaat, namelijk: "De Zoon boven de engelen." Daar gaat hoofdstuk 1 over. Vervolgens wordt Hij in hoofdstuk 2 of 3 boven Mozes gesteld, boven Jozua en boven Melchizedek. Kortom: Hij is zoveel beter. Wat we in Jezus Christus vinden, dat is zoveel meer.

Hebreeën 1: God Spreekt Nu in de Zoon en Zijn Zeven Heerlijkheden ↑ hoofdstukken

Oké, er is geen inleiding bij deze brief. Over wie de auteur is, hoeven we het nu even helemaal niet te hebben, maar de schrijver valt direct met de deur in huis. Hij zegt — en dit is een wat letterlijke weergave: "In vele delen en op vele wijzen sprak God van oudsher tot de vaderen in de profeten." Dat dit inderdaad vele malen gebeurde, is bekend. En dat het op velerlei wijze gebeurde, lijkt me ook duidelijk. Soms verschijnt Hij in een braamstruik en bij een andere gelegenheid spreekt Hij via een ezel. Ja, dat kan ook nog. Terwijl ik dat zeg, moet ik denken aan dat grapje van de Bijbelleraar die zei dat hij zich erover verbaasde dat een ezel kon spreken. Hoe kan dat nou weer? Toen zei hij: "Ik vind er niets geks aan, want ik spreek zelf zo vaak voor ezels." Ook dat is weer beeldspraak, laten we dat maar aannemen.

Maar inderdaad, op vele wijzen en op vele locaties — dat behoeft verder geen betoog — sprak God van oudsher tot de vaderen in de profeten. Waaruit trouwens ook weer blijkt dat dit inderdaad aan de Hebreeën geschreven is, want God sprak inderdaad tot de vaderen, namelijk de vaderen van Israël, de Hebreeën. Maar dan staat er: "Op het laatst van deze dagen" — dus die hele periode tot nu toe, zegt de schrijver — "heeft God gesproken." Waar Hij voorheen op vele malen en vele wijzen sprak, spreekt Hij nu, op het laatst van deze dagen, tot ons in de Zoon, of eigenlijk: "in Zoon". Voorheen op veel wijzen, maar nu pas spreekt God door de Zoon. Voorheen niet, maar nu wel; nu pas, namelijk in het laatste van de dagen.

Vervolgens worden er zeven heerlijkheden genoemd door de schrijver (van wie ik denk dat het Paulus was, maar dat doet nu verder niet ter zake). Hij noemt zeven heerlijkheden over wie die Zoon is, door wie God nu spreekt, in tegenstelling tot al die millennia die daaraan voorafgegaan zijn. Nu, in het laatste van deze dagen, spreekt Hij tot ons in de Zoon. Ik nummer er zeven, want dat getal is natuurlijk niet voor niets; het vertegenwoordigt een volheid van heerlijkheid die hier genoemd wordt.

De eerste heerlijkheid is dat Hij Hem heeft gesteld tot een lotbezitter, oftewel een erfgenaam. Het idee is eigenlijk dat Hij een lot bezit. In de Bijbelse gedachte is een erfenis ook iets wat je toevalt, en Hij is gesteld tot een lotbezitter van alle dingen. Dat gaat inderdaad over het al, over het hele heelal. Aan wie komt dat toe? Wel, aan Hem. Vandaar ook dat Hij de Zoon is, want waar sprake is van een Zoon, is ook sprake van een erfgenaam. Die twee begrippen zijn feitelijk zelfs synoniem.

De tweede heerlijkheid is: "Door wie Hij ook de aeonen maakt." Niet "door wie Hij de wereld heeft gemaakt", zoals de NBG-vertaling zegt; dat rekenen we niet goed. Er staat hier een meervoud: de aeonen. Met dat begrip hebben de vertalers veel problemen gehad; ze hebben er veel problemen mee gemaakt, zou ik zeggen. Dat is helemaal niet problematisch. Het gaat erom dat het door middel van de Zoon is dat God de toekomende aeonen vorm gaat geven, de toekomende wereldtijdperken. Dat zijn de meest overtreffende aeonen, de wereldtijdperken door wie God ook de aeonen maakt. Dat is heerlijkheid twee.

De derde heerlijkheid van de Zoon is dat Hij een afstraling is van de heerlijkheid. De heerlijkheid die daar is bij God Zelf — hoe wordt die gezien? Hoe zie je licht, hoe zie je heerlijkheid? Dat zie je door afstraling. En wie is die afstraling? Hier staat het: Hij is de afstraling van de heerlijkheid. Naast het feit dat Hij het beeld en de gestalte is, is Hij hier ook de afstraling.

De vierde heerlijkheid is de afdruk van de aanname van Hem. Ik zou het veel makkelijker kunnen zeggen, namelijk dat Hij de afdruk is van Zijn wezen, zoals de NBG-vertaling het weergeeft. Dan wordt het begrijpelijker, maar er staat eigenlijk "de aanname", de hypostasis. Dat heeft te maken met wat God veronderstelt. Dit is precies de rode draad door deze twee studies: God is de Onzienlijke, Hij kan niet gezien worden, maar alles wat Hij veronderstelt te zijn, wordt in de Zoon afgedrukt. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid, de uitstraling zo u wilt, en ook de afdruk. Het Griekse woord is trouwens charaktèr, ons woord karakter, zoals een afdruk van een letter. Hij is het karakter van wat God veronderstelt. God Zelf wordt niet zichtbaar, maar in de Zoon zie je de afdruk daarvan. Dat is wat de heerlijkheid van de Zoon is: de uitstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk, het karakter, het stempel. Hij draagt het stempel van Hem die alle dingen draagt.

Er staat namelijk bij: "De afdruk van de aanname van Hem, van Hem die ook het al draagt in het woord van Zijn kracht." De Heer Jezus Christus, de Zoon van God, is de afdruk van Hem die de hele schepping draagt. Hoe doet Hij dat? In het woord van Zijn kracht. Dat is een geweldige aanduiding van wie God is. Het woord van God is zo geweldig; Hij spreekt en het is er. Door het woord zijn alle dingen geworden. Hij zegt: "Er zij licht", en er is licht en de duisternis verdwijnt. Als Hij rust gebiedt over de zee, dan wordt het rustig. Zijn woord is kracht, Zijn woord is trouwens ook daad (dabar). Als Zijn woord klinkt, dan gebeurt er iets. Daarom gaat er niets boven dat woord; dat woord is alles, dat is licht. Het heeft ook altijd effect; het keert nooit ledig tot God terug, maar doet altijd datgene wat Hem behaagt. De Heer Jezus Christus is de afdruk van Hem die niet gezien wordt, maar in die afdruk maakt God Zich zichtbaar.

De vijfde heerlijkheid is dat de Zoon reiniging van de zonden teweegbrengt. Dat laat ik nu even voor wat het is, hoewel het prachtig genoeg is. Vervolgens nummer zes: "Rechts is gaan zitten van de Majesteit in de hoogten." Waar is Hij nu? In de hoogte, en wel rechts, de erepositie. Hij heeft de hoogste positie van Gods wege verleend gekregen. Daar is Hij bovendien gaan zitten, wat duidt op rust. Het is een volbracht werk — dat is trouwens een van de thema's van de Hebreeënbrief. Hij is gaan zitten; Hij zít daar dus.

Nu komen we bij de zevende heerlijkheid, want je zou nog steeds de vraag kunnen stellen waarom ik nu naar Hebreeën 1 ga. Het is om antwoord te geven op de vraag wie of wat die verschijningen van God in het Oude Testament nu eigenlijk waren. Ik zeg dan: God verscheen via Zijn boodschappers, via engelen. Dat brengt me tevens bij die zevende heerlijkheid: "Zoveel beter geworden dan de engelen." Hij is zoveel meer geworden dan de engelen. Hoezo wordt dat dan gezegd? Wel, vergis u niet: engelen vertegenwoordigen in het Oude Testament de verschijning van God Zelf. Als God verscheen, dan gebeurde dat via engelen.

Maar nu wordt hier gezegd: in het laatst van de dagen spreekt God in en via de Zoon, die de allerhoogste positie heeft gekregen. Er wordt een hele rits van heerlijkheden genoemd; Hij is zoveel meer en beter geworden dan de engelen. En hoezo? Nou, die engelen hadden in feite de allerhoogste positie in Gods wegen in het Oude Testament. Zij representeerden de Godheid namelijk.

Ik denk trouwens ook aan de cherubs op de ark of het verzoendeksel. Maar die engelen dus, de engelen door wie God eertijds verscheen. Hij is zoveel meer. Hij is ook geen engel. Daarom geloof ik ook niet wat men zegt, dat die Engel des Heren in het Oude Testament de Heer Jezus Christus was. Nee, Hij is geen engel.

Hij is de Zoon, zoveel meer dan de engelen door wie God voorheen verscheen. Hij is beter geworden dan de engelen, daar Hij een uitnemender naam dan hen als lotbezit, als erfenis, heeft ontvangen. En die naam, dat is hier natuurlijk de Zoon. Ik zeg 'natuurlijk', maar kijk maar, lees verder.

Die uitnemende naam... Vanmorgen had ik een gesprek; ik heb vanmorgen gesproken in Nieuw-Buinen. We hadden het er naderhand nog even over – hoe het zo kwam, weet ik niet meer – maar toen ging het over de islam en dat God in de Koran 99 namen heeft. Dan weet je eigenlijk al meteen dat er eentje ontbreekt als je er 99 hebt. Eén naam vind je in de Koran niet terug en dat is de naam Vader.

Dat God Vader is, uit wie alle dingen zijn, maar die ook alles tot Zichzelf terug vergadert. Dat is de heerlijkheid van God. Maar de heerlijkheid van de Heer Jezus Christus is dat Hij de Zoon is van God, de eniggeboren Zoon. Dat is die naam die Hij heeft gekregen als lotbezit, want dan staat er vervolgens in vers 5...

Psalm 2: "vandaag Heb Ik Je Verwekt" en Eindconclusie ↑ hoofdstukken

Tot wie van de engelen zei Hij ooit... en nu volgt er een citaat. In de Hebreeënbrief vinden we één grote verzameling van allemaal citaten uit de Hebreeuwse Bijbel. De geadresseerden, de lezers, kenden die Schriften maar al te goed; het waren Hebreeën. Tot wie van de engelen heeft Hij dit ooit gezegd? Dit is trouwens een retorische vraag; het geeft aan dat Hij dit nooit tot de engelen heeft gezegd. Waarmee trouwens ook gezegd is dat Hij niet in de categorie engelen valt. Tot wie van de engelen zei Hij ooit: "Jij bent Mijn Zoon" of "U bent Mijn Zoon", zo u wilt, "Ik heb Je vandaag verwekt"?

Dat staat in Psalm 2. Daar gaat het over de Messias. Hoe staat het daar dan? Dat gaat over de setting: zie de volkeren samenspannen tegen Jahweh en Zijn Gezalfde. Waarom woelen de naties, zinnen de koningen op ijdelheid? Ja, zo staat het er precies. En dan staat er: "Hij die in de hemel zetelt..." Moet je nagaan. De 'Verenigde Nazi's' – want de naties spannen samen tegen de Heer en tegen Sion – en daar staat Hij in de hemel. Dat is zo’n onovertroffen Schriftplaats. Als je God kent, dan ga je de waarheid zien. Wij denken dat het allemaal zo ernstig is wat er op het wereldtoneel plaatsvindt, en in zekere zin begrijp ik dat ook wel, maar vergeet nooit: Hij die in de hemel zetelt, die lacht.

Zo'n hele vervelende 'nazi' die plechtige verklaringen afgeeft, of presidenten die aantreden en communiqués uitgeven: "Wij verklaren, we hebben een resolutie aangenomen over dat staartje, dat kleine landje daar in het Midden-Oosten..." En Hij die in de hemel zit, lacht. Het is volstrekt belachelijk waar ze mee bezig zijn. Want wat stellen ze zich aan, maar ook: wat dénken ze dat ze voorstellen? Ze zeggen: "Het lukt Hem toch niet." Dat vind ik ook altijd zo mooi bij de toren van Babel. Mensen maken een hoge toren en dan staat er dat Jahweh zegt: "Laat ons nederdalen om te zien waar ze mee bezig zijn." De mens maakt iets heel hoogs en God Zelf moet naar beneden komen. Ook dat is beeldspraak natuurlijk, maar de humor klinkt daarin door, een soort bijtende humor. De mens denkt het allerhoogste te hebben bereikt, maar God moet helemaal naar beneden om te kunnen zien waar ze mee bezig zijn. Peanuts! Het is belachelijk. Het gaat helemaal nergens over.

En zo antwoordt God. Hij zegt: "Ik toch heb Mijn Koning gesteld op Sion." Dus wat denken jullie nou wel? Ik ga vanuit Sion niet alleen Israël, maar de hele wereld beheersen. En als de wereld het daar niet mee eens is, hebben ze pech gehad, want Ik heb dat besloten. Dan staat er in vers 7 dat van die Koning, de Messias, gezegd wordt dat Hij de Zoon van God is. Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: "Jij bent Mijn Zoon, Ik heb Je vandaag verwekt"? Dat heeft Hij tegen een engel nooit gezegd. Tegen één Mens is dit gesproken.

Dit is trouwens ook een prachtige bevestiging van wat we eerder memoreerden. De Heer Jezus Christus is de Zoon van God, want "de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen", werd tegen Maria gezegd. "Daarom zal het Heilige dat uit u voortkomt, Zoon van God genoemd worden." Daarom is Hij de Zoon van God. Maar 33 jaar later werd Hij weer verwekt door God Zelf, namelijk opgewekt uit de doden. En het was op die dag dat Hij zegt: "Jij bent Mijn Zoon, Ik heb Je vandaag verwekt." Dat was uiteraard niet op de dag dat Maria zwanger werd, want toen kon de Zoon nog niet zo aangesproken worden, maar wel op de dag van Zijn opstanding. Toen heeft God gezegd: "Ik heb Je vandaag verwekt."

Dat het inderdaad over de opstanding gaat, staat zwart op wit in Handelingen 13. Het wordt in de Psalm al gesuggereerd. Lees even met me mee in Handelingen 13. Paulus is dan in Antiochië en hij zegt daar: "Wij evangeliseren jullie dat de belofte die aan de vaderen geschiedde, dat God deze volledig heeft vervuld aan hun kinderen door Jezus te doen opstaan." Zoals ook in de tweede Psalm staat geschreven: "Jij bent Mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt." Waaruit dus blijkt: dat Hij Jezus deed opstaan, is de vervulling van het woord uit de tweede Psalm. Dat slaat dus niet alleen op het feit dat Hij ooit verwekt werd uit Maria – dat is wel waar – maar het gaat over de dag dat Hij verwekt werd uit de doden.

En waar het nu om gaat, en dat is feitelijk ook de conclusie van deze boodschap en wat ik vanmiddag duidelijk wilde maken: die verschijningen van God in het Oude Testament. Ik heb er maar een paar genoemd, maar wel twee hoofdmomenten: de verschijning aan Mozes bij de braamstruik en later de wetgeving op de Sinaï. Dat was God, jazeker, maar door middel van engelen. Hoe groots en heerlijk dat ook is, nu, in het laatst van de dagen... en dat is dan inderdaad de conclusie: in het Oude Testament verscheen God via engelen, maar nu in deze laatste dagen verschijnt Hij definitief in de Zoon. De Zoon die Zijn beeld is, Zijn afstraling en Zijn afdruk. Dat is de positie die Hij nu heeft. Hij is nu de gestalte Gods.

Het is ook zo dat als God straks zal verschijnen – je leest het in een prachtig onderwerp dat ik nu alleen even wil aanstippen in Zacharia 12, 13 en 14 – wanneer Israël in de benauwdheid komt en uiteindelijk de Naam gaat aanroepen, dan zal Hij verschijnen. "Ze zullen Mij zien," zegt Jahweh, "Mij, die zij doorstoken hebben." Jazeker, Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg die voor Jeruzalem ligt, ten oosten. En wie is dat? Gods afdruk, Gods afstraling, Zijn icoon door wie Hij Zich zichtbaar maakt. Want God is de Onzienlijke en Hij verschijnt via de Zoon.

Als u zegt: "Dan snap ik het nog niet," dan weet ik even niet hoe ik het nog duidelijker moet maken. Maar dit is wat ik graag vanuit de Schrift naar voren wilde brengen. Ik zou zeggen: check het zelf na en neem niks aan op mijn woord. Maar ik hoop genoeg te hebben aangedragen dat het in ieder geval enigszins duidelijker is geworden.

🎧 niemand heeft ooit God gezien
Delen: