twaalf jaar bloedvloeiend
07-06-2026 - Geplaatst door Andre PietUrk
Een vrouw die twaalf jaar aan bloedvloeiingen leed, raakt de kwast van Jezus’ kleed aan. Volgens de wet was zij onrein, maar wat dan gebeurt is opmerkelijk: niet haar onreinheid gaat op Hem over, maar zijn kracht gaat van Hem uit naar haar. Vers voor vers volgen we deze geschiedenis en ontdekken we hoe zij licht werpt op de onderbroken komst van de Messias en het contrast tussen het oude en nieuwe verbond.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: de Verweven Geschiedenis in Marcus 5
- Twaalf Jaar Bloedvloeiend en de Onreinheid van het Oude Verbond
- Een Opeenstapeling van Leed en Vruchteloze Behandelingen
- De Bewuste Aanraking van de Zoom van Zijn Kleed
- De Brede, Fundamentele Betekenis van Redding
- Terstond Genezen: het Snelle Tempo van het Marcus-evangelie
- De Wet als Schaduw en de Uitgaande Kracht van Christus
- Uit de Verborgenheid: Geloof als Vertrouwen op de Bron
- De Opwekking van Jaïrus' Dochtertje: de Dood als een Slaap
- Het Typologische Panorama: een Intermezzo in Israëls Geschiedenis
Introductie: de Verweven Geschiedenis in Marcus 5 ↑ hoofdstukken
Vanavond, of vanmiddag zo u wilt, gaan we ons bezighouden met deze min of meer bekende geschiedenis. In de auto had ik zojuist met Dirk een gesprek en toen bleek dat hij wat minder op de hoogte is dan ik eigenlijk had verwacht. Zo, die kun je in je zak steken!
Het gaat over de twaalf jaar bloedvloeiende vrouw. Een geschiedenis die we aantreffen in Marcus 5, en ik ga die inderdaad lezen vanaf vers 21 tot en met 43. Ik wil daar een paar inleidende opmerkingen over maken. In totaal wordt deze geschiedenis drie keer vermeld: in Mattheüs 9, vervolgens in Lukas 8 en dan in het gedeelte waar we het vanmiddag over gaan hebben, Marcus 5. Daar wordt het ook het meest uitgebreid beschreven.
Even voor het perspectief: deze geschiedenis speelt zich uiteraard af in het begin van Jezus’ bediening, rondom het Meer van Galilea. Als u mij vraagt, is dat precies tweeduizend jaar geleden geweest, ergens in het jaar 27 van onze jaartelling. Ik heb het als titel ‘De bloedvloeiende vrouw’ genoemd en daar wil ik inderdaad speciaal op inzoomen. Aanvankelijk was het mijn planning om het uitsluitend daarover te hebben, maar dat bleek uiteindelijk toch niet zo’n goede zet te zijn. Want deze geschiedenis maakt namelijk onlosmakelijk deel uit van de geschiedenis van het dochtertje van Jaïrus. Feitelijk is het daarvan een intermezzo, een onderbreking of een pauze. Je kunt het gedeelte van de bloedvloeiende vrouw eigenlijk nooit echt begrijpen als je ook de omliggende geschiedenis niet kent, namelijk die van het dochtertje van Jaïrus.
Ik heb daarom besloten dat ik begin te lezen bij vers 21 en daar wil ik een beetje snel doorheen gaan totdat we bij de geschiedenis van de vrouw als zodanig komen. In Marcus 5 staat beschreven: “Toen Jezus met het schip weder overgestoken was naar de overkant…” Dat wil zeggen dat Hij eerst vanuit de westelijke oever, vanuit Bethsaïda of Capernaum, was overgetrokken naar het heidense zuiddeel van het Meer van Galilea. Dat is de geschiedenis van de Gerasenen; die man, de bezetene in Marcus 5. In het begin, de eerste twintig verzen van het hoofdstuk, gaat het over de genezing van de bezetene. Er staat: “En zij kwamen aan de overkant der zee in het land der Gerasenen of van de Gadarenen.” Het wordt verschillend benoemd. Maar inmiddels was Jezus weer opnieuw overgestoken en dus van oost naar west gegaan. Waar het precies was, is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk ergens bij Capernaum, waar Jezus gedurende die tijd ook woonde.
Toen Jezus met het schip weer overgestoken was naar de overkant, verzamelde zich een grote schare bij Hem en Hij was bij de zee. Dat laatste is natuurlijk feitelijk de beschrijving van wat er aan de hand was, maar ik denk dat daar zelfs een typologische link in gelegen is, zoals je dat wel vaker leest: de zee als een uitbeelding van de volkerenwereld. Houd dat even in gedachten, misschien dat we er later nog even op terugkomen.
Er staat dat er zich een grote schare bij Hem verzamelde. Dat is heel opmerkelijk. Met name in Galilea was Jezus uiterst populair. Populair betekent eigenlijk letterlijk ‘geliefd bij het volk’, van ‘populus’. Ik moet er meteen bij zeggen dat je daar ook niet al te veel waarde aan moet toekennen. Dat deed Jezus zelf ook niet, want weliswaar lees je dat ze Hem graag volgden, maar begrijpen deden zij het niet, en geloven evenmin. Je vindt dat bijvoorbeeld ook in de geschiedenis van de spijziging van de vijfduizend. Ze wilden Hem koning maken, maar Jezus ontweek hun handen en trok Zich terug, omdat ze totaal niet in de gaten hadden waar het Hem werkelijk om te doen was. Ze verkeken zich gewoon op de wondertekenen, de effecten en de sensatie, maar veel dieper dan dat ging het niet. Hier lees je in ieder geval ook weer over een grote schare. Dat is trouwens van belang om de rest van de geschiedenis ook te begrijpen.
Dan staat er: “En er kwam een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus, en toen deze Hem zag, wierp hij zich neder aan zijn voeten.” Welke synagoge dat was, weten we niet precies; je leest wel vaker dat de Heer optrad in de synagoge te Capernaum, maar ik weet dus niet waar dit precies geweest is. Een van de oversten, een van de leiders daar, heette Jaïrus, wat trouwens een Griekse vorm van een Hebreeuwse naam is. Jaïr betekent ‘Hij verlicht’. De naam Jaïr is vooral bekend als een van de twaalf richters in het boek Richteren.
Goed, hij heette zo en dan lees je vervolgens dat hij naar de Heer Jezus toe ging. Jaïrus riep Hem dringend op en zei: “Mijn dochtertje ligt op haar uiterste; kom toch en leg haar de handen op, opdat zij gered wordt en zal leven.” Dat is de introductie en vanaf vers 24 gaan we dat wat nader bezien. De Heer Jezus ging met Jaïrus mee en opnieuw volgde een grote schare Hem; zij drongen tegen Hem op. Ik vond het interessant dat het woordje dat hier in het Grieks gebruikt wordt, eigenlijk letterlijk ‘samen klemmen’ betekent. Het wordt ook gebruikt voor druiven die geperst worden. Dan begrijp je precies wat dit dringen is: samengeperst worden zoals bij een hele menigte. Jezus gaat dus naar dat huisje toe – u kunt het zich zo voorstellen – en ondertussen is er die hele schare die zich tegen Hem opdringt. Dit is eigenlijk de opzet van het hele decor, want dat zal in de navolgende verzen vanzelf blijken.
Twaalf Jaar Bloedvloeiend en de Onreinheid van het Oude Verbond ↑ hoofdstukken
En een vrouw die twaalf jaar aan bloedvloeien geleden had, is dat nog eens onderstreept te bezien. Er staat: ‘een vrouw’. Hier is eigenlijk al sprake van een abrupte onderbreking van de hele geschiedenis, dat zal blijken, maar wat opvalt is dat zij niet benoemd wordt. Haar naam wordt niet genoemd, en in tegenstelling tot het voorgaande vers — daar lezen we van een overste van de synagoge, dat was een man van enig aanzien — wordt haar naam niet genoemd in tegenstelling tot die van hem. Dat wordt er uitdrukkelijk bij vermeld en dat is niet voor niets. Dat kun je op voorhand natuurlijk wel zo opmerken. Ik bedoel, we zijn hier samen rondom de Schriften en wij geloven en weten vanuit die Schriften zelf dat dat een levend Woord van God is en dat elke schriftwoord geïnspireerd is, ‘van God geblazen’ is. Zodat het niet alleen maar waar is, maar het is ook betekenisvol en in dit geval kan het je eigenlijk ook niet ontgaan.
Want later in de geschiedenis zal blijken — dat is hier nog niet vermeld, maar later in de geschiedenis zullen we dat zien — dat het dochtertje van Jaïrus namelijk ook twaalf jaar oud was. En ja, daar hoef je nog niet eens zo heel veel verstand van Bijbelse typologie of symboliek te hebben om te weten dat twaalf sowieso al verwijst naar Israël. De Heer was gezonden tot het huis van Israël. Eigenlijk is in dit geval ook de gedachte dat toen het dochtertje van Jaïrus geboren werd, deze vrouw bloedvloeiend werd. Want zo wordt dat genoemd, ik had het in de titel ook al zo weergegeven. Haar naam kun je dus niet vermelden want die kennen we niet, die wordt niet vermeld. Maar het enige wat we vooral van haar weten, is dat ze twaalf jaar aan deze kwaal leed. Letterlijk staat er: ‘zijnde in vloeiing van bloed’. Dat geeft nog wat treffender aan dat dit eigenlijk haar hele bestaan was. Haar bestaan werd gekenmerkt door het feit dat ze ‘in vloeiing van bloed’ was.
Zijnde in vloeiing van bloed dus, maar niet zomaar een keer in de maandelijkse menstruatie ofzo, nee, voortdurend was dat zo. En in type — want we lezen deze geschiedenis natuurlijk, maar onder de oppervlakte verwijst dit in zoveel details naar grootsere, diepere waarheden — is dit ook van belang. De geschiedenis zelf is in al haar eenvoud te begrijpen, is mooi en ook als je dan het geheel leest — we hebben dat nog niet eens gedaan — dan treft dat, dan raakt dat. Maar vooral als je ook de hele context en vooral de waarheid die daaronder ligt, die daarin uitgebeeld wordt, en de betekenissen van twaalf daar ook bij betrekt, ja, dan ontstaat daar een panorama. Dan wordt iets zichtbaar gemaakt.
In dit geval leed zij aan bloedvloeiingen. En in het algemeen is bloed een type van leven. De ziel van alle vlees is in het bloed, staat er in Leviticus 17. En ja, bloedverlies is een uitbeelding van sterven, dat behoeft nauwelijks betoog. Daar komt in dit geval nog iets bij. Want kijk, dit is sowieso al een vreselijke kwaal waaronder zij leed, maar onder het Oude Verbond had dat ook nog eens de consequentie dat zij daarmee ook onrein was. Dat geldt trouwens in het algemeen voor een heleboel van dat soort dingen. Want kijk, ‘onrein’, dat is wat toch wel even enige toelichting behoeft. Want ik denk dat een heleboel mensen daarmee de associatie maken — niet eens zo gek trouwens — dat als iets onrein is, het dan vies is of slecht of zondig. En dat is in de Bijbel in ieder geval niet de link. Het is dus geen morele kwalificatie, het heeft niets met afwijzing te maken. Als iets onrein is, dan betekent dat dat het ongeschikt is voor het heiligdom. Dat is de gedachte: om een heilige activiteit in verband met God uit te voeren. Meer in het algemeen, zoals ik het hier dus heb: het is ongeschikt voor het heilige.
Dat blijkt ook wel bijvoorbeeld. Een vrouw die bevallen was, die was onrein. Is dat zonde? Nee, natuurlijk niet. Maar ze was ongeschikt voor het heiligdom. Waarom dat zo is, doet nu even eigenlijk niet ter zake. Maar bijvoorbeeld ook bij een man die een zaadlozing had gehad, om welke reden dan ook, die was onrein tot de avond. Bij melaatsheid was je onrein. De aanraking van een lijk maakte je ook onrein. Is dat fout? Nee, want bij allerlei gelegenheden is het gewoon noodzakelijk om — zoals bij een vader — een lijk aan te raken. Dus het idee dat dat zondig zou zijn of verkeerd, dat is helemaal niet aan de orde. Het heeft te maken met het feit dat het onreine zich niet laat verenigen met het heiligste van God.
En ik denk dat dat een hele belangrijke overweging is, want deze vrouw was daarmee, doordat ze — je leest dat heel expliciet ook in Leviticus 15 — voortdurend bloedvloeiend was, al die tijd onrein. Het ging niet alleen over een menstruerende vrouw, maar juist als zij voortdurend bloedvloeiend was. Zij kon dus ook niet in de tempel komen en was in hoge mate buitengesloten. Dus het is dan niet alleen maar een medisch probleem, maar ook nog eens een keer een sociaal probleem of religieus, zoals je het hebben wilt.
Ik zal het eerlijk vertellen: ik had aanvankelijk een ander onderwerp in gedachten voor vanmiddag, maar deze week kwam mij via-via een artikel onder ogen. Het was nogal grof en ik ga het ook niet voorlezen, want dat zou ik niet durven. Nou ja, dat is ook weer overdreven, maar in ieder geval was de woordkeuze nou niet erg kies allemaal. Maar dat ging erover hoe vrouwen, in dit geval een menstruerende vrouw, beoordeeld werd onder het Oude Verbond en hoe die behandeld werd. En daar werd heel erg op afgegeven. Het stond boordevol met misverstand. Het was op zich smeuïg geschreven en ook begrijpelijk, maar het sloeg compleet de plank mis. En dat bracht mij trouwens, toen ik dat nog eens wat ging onderzoeken, eigenlijk ook op deze geschiedenis.
Wat ik vooral ook wil laten zien, is hoe het Oude Verbond allerlei bepalingen geeft die in hoge mate beperkend zijn. Hoe kan God dat dan zo zeggen? Ja, maar dat heeft alles te maken met het feit dat het Oude Verbond een ‘schaduw heeft van de toekomende goede dingen’. Ik kom er straks nog even op terug; sterker nog, dat is juist een heel belangrijk element, maar ik sorteer daar nu alvast even op voor. Zoals dat dus onder het Oude Verbond werd beschouwd: zij was gedurende die twaalf jaren onrein, met alle consequenties van dien.
Een Opeenstapeling van Leed en Vruchteloze Behandelingen ↑ hoofdstukken
Er staat nog bij dat ze veel had doorstaan van vele dokters en al het hare daaraan ten koste had gelegd. De formulering is wel apart. Ik merkte trouwens op dat Lucas – die zelf een arts was – dit iets vriendelijker opschrijft voor de dokters. Want bij Marcus is de gedachte vooral, of in ieder geval roept het de suggestie op, dat de dokters zelf hier schuld aan hadden. Dat staat er niet expliciet, maar je zou het eruit kunnen afleiden. In het evangelie van Lucas staat het wat vriendelijker beschreven ten aanzien van de geneesheren of artsen.
Maar ze had veel doorstaan van vele dokters; letterlijk staat er “veel lijdende onder vele dokters”. Dus die behandelingen van de dokters hadden niet alleen geen effect, maar sterker nog: de behandelingen hebben haar lijden alleen maar vermeerderd. Niet van één arts, maar moet je je voorstellen hoe dat gaat. De ene behandeling helpt niet, dus ga je naar een volgende arts. En dat helpt ook al niet. Dat kunnen dan ook nog eens heel zware behandelingen zijn. “Veel doorstaan van vele dokters” – er zit een wereld van tragiek in zo’n enkel zinnetje besloten.
Dat geldt trouwens ook voor het vervolg: “al het hare daaraan ten koste had gelegd”. Je zou zelfs kunnen verdedigen dat ook dat een deel van haar lijden is geweest; namelijk dat het haar enorm veel gekost had. Al die behandelingen en tja, als je dan ook nog eens niet in het ziekenfonds zit ofzo… Nee, dat hadden ze toen nog niet, dat denk ik ook niet. Maar ze had al het hare daaraan ten koste gelegd.
Behalve haar gezondheid was ze dus ook nog eens al haar geld kwijt. Zo staat het er letterlijk: al het hare daaraan ten koste gelegd. Alles wat ze had, heeft ze hieraan gespandeerd. En ze had er geen baat bij gevonden, maar was veeleer achteruitgegaan. Het is eigenlijk, zoals het hier beschreven wordt, een opeenstapeling van leed. Ze had veel geleden onder vele dokters, ze had alles uitgegeven en ze had er geen baat bij gevonden. Het was frustratie op frustratie en sterker nog: het was er alleen maar erger door geworden. Hoe tragisch wil je het hebben? Het is hier door Marcus heel schrijnend neergezet en opgetekend.
De Bewuste Aanraking van de Zoom van Zijn Kleed ↑ hoofdstukken
Zij had gehoord, staat er dan in vers 27, wat er van Jezus verteld werd. ‘Horende omtrent de Jezus’. Wat ze precies had vernomen, wordt niet gezegd, maar ze had over Hem vernomen. Ongetwijfeld – ook dat kan haast niet missen – ging dat juist over het feit dat er zoveel mensen door Hem werden genezen. Je leest zelfs op meerdere plaatsen dat allen die tot Hem kwamen, werden genezen. En niet voorwaardelijk ofzo; geen verhalen dat als het niet lukte, dat je daar niet genoeg geloof had. Nee, niets. De Heer genas hen allen en zij had in ieder geval van Hem of omtrent Hem vernomen.
En zij kwam tussen de schare en raakte van achteren Zijn kleed aan. Ik vond het wel grappig trouwens: er staat letterlijk het Griekse woord haptomai. Wat herken je daarin? Ja, haptonomie. En dat heeft ook met aanraking te maken. Het idee is niet zomaar een willekeurige of toevallige aanraking, maar heel bewust aanraken. Zoals een haptonoom jou ook niet toevallig aanraakt, maar heel bewust op een bepaalde manier en op bepaalde plaatsen. Dat was de gedachte. En dat deed ze ongemerkt. Ze kwam tussen de schare – wat op zich al een hele toestand geweest moet zijn, want ze werden allemaal samengedrongen – om daar dan nog tussendoor te komen. Maar ze raakte Hem van achteren aan. Dus van achteren, dat betekent buiten het zicht, verborgen. Dat moet je ook even vasthouden, wat hier plaatsvindt. Niemand merkte iets en de Heer Zelf heeft dit ook niet gezien, want ze kwam van achteren naar Hem toe en raakte van achteren Zijn kleed aan – Zijn overkleed, Zijn bovenkleding.
Het is boeiend, want in Mattheüs 9 lezen we ook details. Dat is sowieso het aparte bij al die beschrijvingen die we in de evangeliën vinden. Je hebt de zogenaamde synoptische evangeliën – Mattheüs, Marcus en Lucas – die in hoge mate een gelijk perspectief hebben, maar ook veel parallelle gedeelten kennen. Maar altijd is het zo dat het ene gedeelte weer informatie verschaft die in het andere evangelie juist ontbreekt. Zo krijg je een aanvullend getuigenis, een compleet geheel, waarbij je ook altijd heel sterk in gedachten moet houden dat elke evangelist niet zomaar een herhaling geeft van wat al eerder door een ander was beschreven. Nee, elke evangelist heeft zijn eigen perspectief. Het zou te ver voeren om daar nu dieper op in te gaan, maar Mattheüs belicht Hem op een andere wijze dan Marcus, en die weer anders dan Lucas. Mattheüs beschrijft de Koning van Israël; Marcus is vooral de Slaaf die voortvarend Zijn werk doet, waarbij veel minder de nadruk gelegd wordt op wie Hij is, maar vooral op wat Hij doet. Ook daar kom ik straks nog even op terug.
In Mattheüs wordt er dus gesproken over het feit dat zij de zoom van Zijn kleed aanraakte. Ik wil daar toch even op wijzen, want dat betekent ‘de zoom’, dus onderaan. Maar het idee daarbij is vooral – en dat is ook wat je moet weten – dat Mattheüs Hem als de Koning van Israël beschrijft. Hij is Jood, een Israëliet. En hoe was dat geregeld? Ik ben vergeten om daar nu een schriftplaats bij te vermelden, maar je leest in Numeri 15, als ik me niet vergis, over de kwasten van het kleed. Aan de hoeken van de bovenkleding moesten gebedskwasten – zo wordt het meestal vertaald – daaraan verbonden zijn. De meesten van jullie kennen dat ongetwijfeld wel; als je in Israël komt – wat tegenwoordig niet meevalt, zoals we vanmiddag nog even memoreerden in de auto – dan zie je al die orthodoxe Joodse mannen met de tsitsit. Dat zijn die gebedskwasten, die touwtjes die aan de bovenkleding verbonden zijn. In de Statenvertaling staat dat in die kwasten van het kleed een hemelblauwe draad geweven is. Op een heel speciale manier moest dat plaatsvinden, maar in ieder geval was het karakteristiek voor elke Israëlitische man dat je die kwasten aan de zoom hebt, aan de uiteinden van het kleed. Dat zij dat heeft aangeraakt… ik dacht altijd dat dat er zo expliciet staat. Er wordt niet gesproken over die gebedskwasten, maar wel over de zoom van Zijn kleed. Wellicht is de gedachte vooral dat zij inderdaad die kwasten heeft aangeraakt die zo karakteristiek aan de zoom van zo’n Israëlitisch bovenkleed zijn. Hier in Marcus – wat toch vooral ons uitgangspunt is vanmiddag – wordt dat eigenlijk niet zozeer naar voren gebracht; ze raakte van achteren Zijn kleed aan. Dat is het enige wat hier wordt vermeld.
Want zij had daarbij een overweging. Zij zei – wellicht bij zichzelf: ‘Indien ik slechts Zijn klederen kan aanraken, dan zal ik behouden of gered worden.’ Later zullen we zien dat zij echt ook haar verhaal gaat doen en dan zal zij ongetwijfeld ook dit hebben gezegd. Haar overweging was deze: ik hoef alleen maar de klederen van Hem aan te raken en dat zal al mijn redding geven. En dit vind ik ook echt heel opvallend, maar ook prachtig. Zij vraagt helemaal geen publieke aandacht, in tegendeel. En ook niets om handoplegging ofzo. Jaïrus zei: ‘leg haar de handen op’, maar zij niet. Zij had één gedachte: ik hoef alleen maar Zijn kleed aan te raken, dat is al genoeg. De geringste aanraking is al voldoende. Ik vind dat woordje ‘slechts’ hier zo mooi, want het contrasteert zo prachtig met de vele dokters aan wie ze alles had uitgegeven. Dat had allemaal geen soelaas geboden; dat had geen effect, integendeel. Maar nu realiseert ze zich: ik hoef maar één ding te doen. Niet vele dokters, niet veel geld; één ding is genoeg. Als ik het zo zeg, dan moet ik aan een andere schriftplaats denken: ‘één ding’, daar gaat het maar om. Dat is wat deze vrouw heel goed heeft begrepen. Wat heeft zij gehoord? Ze heeft gehoord en ze heeft geloofd, want anders had ze dit niet gedaan. En daarmee gaat ze door de massa heen en raakt Hem van achteren ongemerkt aan. Niemand heeft het gezien of opgemerkt met deze overweging: dit is genoeg. ‘Indien ik slechts Zijn kleding kan aanraken, dan zal ik gered worden of behouden zijn.’ Of letterlijk staat er inderdaad: ‘dan zal ik gered worden’.
De Brede, Fundamentele Betekenis van Redding ↑ hoofdstukken
Het is goed om daar even aandacht aan te geven, want het woordje ‘redding’ is nogal een breed begrip. Hier in de geschiedenis van de bloedvloeiende vrouw is het heel duidelijk: het betekent gewoon genezing. De vrouw zegt bij zichzelf: “Dan zal ik gered worden.” Gered waarvan? Van de kwaal waar ze inmiddels al twaalf jaar mee tobt en waar ze al twaalf jaar onder lijdt. Hier is redding dus heel uitdrukkelijk genezing.
Maar het begrip ‘redding’ zelf, het Griekse woord sozo, is veel breder. Eigenlijk is de fundamentele betekenis ervan per definitie steeds dezelfde, maar doordat het in heel veel verschillende contexten gebruikt kan worden, is het vertaalwoord dat daarvoor gebezigd wordt soms heel verschillend. Je kunt immers gered worden van een ziekte, dan betekent het genezing. Een schip kan gered worden van de ondergang. Je kunt gered worden van de vergankelijkheid. De voorbeelden die ik hier geef, vind je ook allemaal letterlijk zo terug in de Bijbel.
Gered worden van de vergankelijkheid betekent dat je onvergankelijkheid ontvangt. Je wordt dan gered uit een noodtoestand of uit een toestand waarin je iets kwijt bent, waarin je iets niet hebt. Denk bijvoorbeeld aan een blinde die gered wordt: wat ontvangt hij? Zicht! Dat wat hij mist, dat ontvangt hij; hij wordt daarmee gered van zijn blindheid. Of een gevangene die gered wordt; die wordt bevrijd. Ziet u, de betekenis blijft iedere keer hetzelfde: het is redden. Maar de toepassing is afhankelijk van de context.
In de brieven van Paulus wordt dit woord ook vaak gebezigd. Hij spreekt erover dat God ons gered heeft, of dat Hij ons redt in de toekomende zin. In Romeinen 8 lezen we bijvoorbeeld dat wij de geest van het zoonschap hebben ontvangen en dat wij de verlossing van ons lichaam verwachten. Dat is een redding in de toekomende zin. Ons lichaam is immers nog steeds onverlost; dat is een ding dat zeker is en het behoeft nog steeds redding. Het is namelijk vergankelijk, sterfelijk en onderhevig aan ziekte en moeite. Als daarvan gered wordt, betekent dit dat de onvergankelijkheid wordt aangedaan.
Maar ook vandaag kan een mens het Woord van God ontvangen. Zoals Luppert in de aankondiging al even aangaf: je wordt aangeraakt door het Woord. Wat gebeurt er dan? In een wereld die in de duisternis wandelt, word je gered van die duisternis. Dat betekent dat je verlicht wordt. Je gaat dingen zien, of beter gezegd: je gaat Hem zien. Je krijgt zicht en uitzicht op dat wat je eerst ontbrak. Als alles duister is, heb je geen zicht, maar als je uit die duisternis gered wordt, dan is dat nu al redding. Je wandelt dan niet meer in de duisternis, maar in het licht. Dat is redding in de meest concrete zin van het woord, in de tegenwoordige tijd.
Redding is dus een heel breed begrip en afhankelijk van de setting en de context heeft het allerlei toepassingen, hoewel de fundamentele betekenis iedere keer dezelfde is. Hoe dan ook, deze vrouw weet: “Ik ben twaalf jaar bloedvloeiend, met alle consequenties van dien, maar ik weet ook dat ik slechts Zijn kleed hoef aan te raken en ik zal worden gered.” Als er ergens een uitspraak van geloof en vertrouwen is, dan is het wel deze. En dat is het enige: in aanraking komen met Hem.
Terstond Genezen: het Snelle Tempo van het Marcus-evangelie ↑ hoofdstukken
En terstond, zo staat er, droogde de bron van haar bloed op en zij bemerkte aan haar lichaam dat zij van haar kwaal genezen was. Ik heb dat woord ’terstond’ even onderstreept. Ik had het net nog over het Marcusevangelie waarin de Heer beschreven wordt. Het is het kortste evangelie en er zit heel veel vaart in. Je bent ook het snelst bij het einde, want het heeft maar zestien hoofdstukken. Er zit enorm veel vaart in, ondanks het feit dat deze geschiedenis uitgebreid beschreven wordt.
Over het woordje ’terstond’ struikel je bijna; Marcus doet niet anders dan de woorden ’terstond’, ‘meteen’ of ‘onmiddellijk’ gebruiken. Daar zit natuurlijk de gedachte van vaart in. Het past ook perfect bij de beschrijving van de Heer als slaaf. Wat wordt een slaaf geacht te doen? Wel, in actie komen en de dingen doen die hem opgedragen worden. En dat doet Hij ook, en wel meteen, terstond. Het is eigenlijk heel karakteristiek voor dit evangelie.
Om u een indruk te geven dat ik dit niet zomaar verzin: in Mattheüs komt het woordje ’terstond’ of ‘meteen’ maar zes keer voor. In Lucas drie keer en in Johannes ook maar drie keer. Maar in Marcus maar liefst 42 keer. Dat is toch een heel opvallend verschil, vindt u niet?
En ook hier: zij raakt Zijn kleed aan en terstond, meteen — dus geen termijn van herstel of revalidatie, niets — droogde de bron van haar bloed op. Ze bemerkte aan haar lichaam dat zij van haar kwaal genezen was. Ze had niet eens meer een arts nodig om dat te bevestigen; ze wist het meteen. Dat geldt wel vaker met dit soort zaken, dat je zo volledig bevestigd wordt in iets. In dit geval wist zij: ‘Als ik dat doe, dan zal dat gebeuren.’ En inderdaad, zij raakt Hem aan en onmiddellijk gebeurt datgene wat ze al verwachtte. Zij wist het. In feite heb je op zo’n moment een ander helemaal niet meer nodig, ook geen deskundige of expert die zegt: ‘Ja, het klopt.’ Dat wist ze immers al; ze bemerkte aan haar lichaam dat zij van haar kwaal genezen was.
Die kwaal wil ik ook nog even kort toelichten, want in het Grieks staat daar een woord dat eigenlijk niet ‘kwaal’ betekent, maar ‘gesel’. U ziet het hier: een gesel. Het woord wordt ook gebezigd als de Here Jezus later in de evangeliën gegeseld wordt; dan wordt dit woord, of een daarmee samenhangend woord als werkwoord, gebruikt. Dat geeft precies aan wat die kwaal van haar was. Dat was met recht een gesel, een geseling van twaalf jaar lang. Het was uiterst pijnlijk in fysieke, maar ook in emotionele en sociale zin. In alle opzichten was het een gesel. Maar ze was dus in één keer hersteld. Ze wist het, ze bemerkte het aan haar lichaam: in één keer genezen en gezond gemaakt. Dat woord ‘gezond gemaakt’ wordt hier gebruikt.
De Wet als Schaduw en de Uitgaande Kracht van Christus ↑ hoofdstukken
“En Jezus,” staat er dan vervolgens in vers 30, “besefte…” Ik heb het woord ‘besefte’ expres even gecursiveerd, want in het Grieks staat hier weer het woordje epigenosis. Ik heb daar wel vaker over gezegd: je hebt het woordje ‘kennen’ — zij bemerkte het, ze wist het — maar hier wordt voor ‘kennen’ een woord gebruikt, epigenose, dat meer te maken heeft met beseffen. In de NBG-vertaling staat ‘besefte’. Ik bedoelde het helemaal niet als kritiek ofzo, totaal niet, maar het idee is dat Hij het zich realiseerde. Terstond — heb je weer dat woord wat Marcus zo dikwijls bezigt — besefte Jezus terstond bij Zichzelf, of in Zichzelf, de kracht die van Hem uitgegaan was. Niet in de zin dat Hij iets kwijt was, maar Hij realiseerde zich de kracht die van Hem was uitgegaan.
Nu wordt het al echt even tijd om op iets te wijzen waar ik zojuist al even op hintte, namelijk dat het onder het Oude Verbond zo was dat als iemand die onrein was — bijvoorbeeld in dit geval een bloedvloeiende vrouw — iets aanraakte, dan was datgene of degene die zij aanraakte daarmee ook onrein. Dat was onder het Oude Verbond het geval. Maar hier vind je precies het omgekeerde, want de vrouw raakte de Heer Jezus aan, maar de Heer Jezus werd niet onrein; het is precies omgekeerd. De vrouw die onrein was, wordt nu door die aanraking in één keer genezen. Dus het is niet de onreinheid die op de Heer overgaat, maar het is juist de kracht die van Hem uitgaat tot haar. Precies omgekeerd.
Ik zie hierin ook heel duidelijk zo’n contrast tussen de regeling of de hele setting van het Oude Verbond. Een Oud Verbond dat van Gods wege is gegeven — laat ik daar eventjes heel duidelijk over zijn en dat onderstrepen; ik bedoel hier niks negatiefs te zeggen over de wet. Ja, wel eigenlijk: de wet is namelijk negatief. Maar dat bedoel ik niet als afkeuring, maar ik bedoel daarmee juist aan te geven dat de wet daarvoor ook is bedoeld. Ik citeerde zojuist al even de wet, maar dat doe ik bij dezen nog wel drukkelijker: in Hebreeën 10. Daar lees je de Hebreeënbrief, die brief die eigenlijk van het begin tot het eind gaat over personages, maar ook over de hele regeling en de hele wetgeving onder het Oude Verbond. Met name ook over de offerdienst. Dieren die geslacht werden. En dan zegt de Hebreeënbriefschrijver: “Het is onmogelijk dat het bloed van stieren en kalven een redding zou verschaffen” — of hoe staat het er nou precies? “Het is onmogelijk dat het bloed op dieren komt…” Nou wil ik het nog wel eventjes goed zeggen ook. “De zonde van het volk werkt niet meer…” Het stond wel in de Bijbel. Dat is altijd wat vroeg, hè? Ja. Het is onmogelijk… Wat is het nou? Is het Hebreeën 19? Wie helpt mij? Tien vers 4. Tien vers… Ah, toch wel! O, daar zat ik net overheen. Ja precies, dat is het. Dankjewel. Daar staat: “Het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen.”
Maar waarom was het dan dat God dat dan wel zo heeft ingesteld? Er staat ook later in diezelfde brief dat ze naar de wet worden gebracht. Dat wil zeggen: God wilde dat dat zo zou zijn. Maar het hele idee, en dat is feitelijk de clou van de uitleg die in de Hebreeënbrief gegeven wordt, is dat het allemaal vooruitwijst. De wet is niet… nou, dat is Hebreeën 10 vers 1: “Daar de wet slechts een schaduw heeft van de toekomstige goederen.” Goederen, dat klinkt bij ons meteen een beetje als een expeditieproduct ofzo, weet je wel, maar letterlijk is het in het Grieks het meervoud van ‘goede dingen’. Dus goederen zijn letterlijk de goede dingen. De wet heeft een schaduw van de toekomende goede dingen; het is niet de gestalte van de dingen zelf. Zij zijn nimmer in staat om met dezelfde offers, die onafgebroken gebracht werden, degenen die toetreden te volmaken.
Ik lees even verder, nu heb ik het toch voor me. Dan staat er: “Slachtoffers en offergaven” — dat is trouwens ook een citaat uit de Psalmen dan weer — “slachtoffers en offergaven, brandoffers en zondoffers hebt U niet gewild, noch daarin een welbehagen gehad, hoewel zij naar de wet gebracht worden.” Dus de Heer had het ingesteld, zo moest het gaan, maar God heeft er nooit een behagen in gehad. Waarom? Omdat het niet de gestalte van de dingen zelf is, maar een schaduw. En dat is in feite wat een schaduw ook is. Als je een schaduw van een lantaarnpaal ziet, dan is dat niet de lantaarnpaal zelf. Het is een schaduw ervan; je ziet de contouren van de lantaarnpaal, maar het is niet de lantaarnpaal zelf. In feite is het in zichzelf donker en duister. Dit is ook heel typerend voor het Oude Verbond. Ik weet zeker dat iedereen die wel eens echt kennis heeft genomen van het Oude Verbond en al die bepalingen die erin staan, die voelt eigenlijk aan: dit is een schaduw. Hier gaat een sprake van uit; dit is niet zomaar, het is allemaal minutieus geregeld, maar dit kan nooit de bedoeling zelf zijn. In zichzelf is het ook vaak zo duister. Ik bedoel, als je ziet dat het hier gaat over die offergaven en slachtoffers; dat is zo’n bloederige toestand. Er wordt een dier geslacht en vervolgens kan er van alles mee gebeuren met het bloed dat in het heiligdom terechtkomt, maar het dier wordt vervolgens op een altaar gelegd en stijgt dan op voor God tot een liefelijke reuk. Als je dat letterlijk observeert, dan zeg je: “Wat een geslachting, wat een bloederige toestand.” Vervolgens komt dat op een verhoging en dat stijgt daarop op, en dat is voor God een liefelijke reuk? Ik denk bij mezelf — sorry dat ik het zeg — dat het een enorme stank geweest moet zijn.
Maar daar zie je nou precies wat het is, wat een schaduw is. Het is in zichzelf dan duister, maar het spreekt van Hem die inderdaad geslacht werd en vervolgens verhoogd werd. Juist in die verhoging is Hij voor God tot een liefelijke reuk. Terwijl je dus een dier ziet dat gestorven is en dan in rook opgaat, spreekt de werkelijkheid van Hem die stierf en opstond uit de dood. Hij is verrezen en dat is voor God die liefelijke reuk. Wat je leest in die bepalingen is een schaduw die in zichzelf donker, duister, bloederig, macaber en doods is. Maar het spreekt in de cultuur zodra het licht erop schijnt. Schaduw bestaat immers bij de gratie van het licht, toch? Het licht schijnt erop. En dat is precies wat het Nieuwe Testament ook is. Dan spreekt het van Hem die gestorven is en die opgestaan is uit de doden, en wiens leven inderdaad doodverslindend is. Hij heeft de dood overwonnen; Hij is de Levensvorst en Hij verandert de dood en doet de dood teniet — ingefaseerd allemaal, tot onze dienst.
Daarin klinkt dus de wetgeving door. Het gaat mij er nu vooral om dat die wet een schaduw heeft, en dit gedeelte illustreert dat meesterlijk. Waarom? Omdat je hier een vrouw ziet die onrein is en de Heer Jezus aanraakt. Wat gebeurt er? In plaats van dat Jezus onrein wordt, wordt die vrouw zelf van haar kwaal — van haar ‘gesel’ om zo te zeggen — waar ze al twaalf jaar lang gebukt onder ging, in één keer onmiddellijk, terstond, meteen genezen. Ze bemerkte het meteen. En Jezus besefte terstond bij Zichzelf, in Zichzelf, de kracht die van Hem is uitgegaan. Ja, dat vind ik geweldig. Hier zie je het Oude Verbond nog steeds; in feite was het Oude Verbond formeel nog steeds van kracht.
Het oude verbond was op dat moment nog van kracht; dat is pas beëindigd bij de dood van de Heer. Maar Hij kwam, en in Zijn optreden en in alles wat Hij gedaan heeft – in al die genezingen, zoals ook hier – heeft Hij al iets gedemonstreerd van wat Hij onder het nieuwe verbond aan het licht zou brengen. Trouwens, dat nieuwe leven en het nieuwe verbond hebben heel specifiek met Israël te maken, het volk waarmee ook het oude verbond gesloten was. Maar in het algemeen gaat het om de nieuwe bescherming die Hij aan het licht brengt.
Het is een werkelijkheid waarin de dood verbroken wordt. Of, hoe zal ik dat anders zeggen? Waarin de dood getransformeerd wordt in leven. Nee, laat ik het nog anders zeggen – dat is echt de mooiste manier: waarin de dood verslonden wordt in overwinning.
Kijk, dat is wat de Messias, de opgewekte Messias, werkelijk aan het licht brengt. Jezus besefte terstond bij Zichzelf de kracht, de dynamiet, die van Hem uitgegaan was.
Uit de Verborgenheid: Geloof als Vertrouwen op de Bron ↑ hoofdstukken
En Hij keerde Zich om in de schare en zei: “Wie heeft Mij aangeraakt?” Ja, Hij keerde Zich om in de schare. Hij staat stil en keert Zich om; daar is weer die onderbreking. Hij was onderweg, maar Hij keert Zich om en vraagt: “Wie heeft Mij aangeraakt?”
Let trouwens op: “wie” is enkelvoud en ook “aangeraakt” staat in het Grieks in het enkelvoud. Dus terwijl die enorme schare al heel veel mensen omvatte, zegt Hij: “Er heeft één iemand Mij aangeraakt.” Dat is bizar natuurlijk, want de discipelen reageren daar ook meteen op. Ze zeggen: “U ziet dat de schare tegen U opdringt” – datzelfde woord waar ik het eerder over had: samenpersen. Je wordt helemaal samengeperst door de mensen en dan zegt U: “Wie heeft Mij aangeraakt?” Dat is toch eigenlijk belachelijk?
Vervolgens zie je het haast filmisch beschreven: Hij keek rond. Hij zag rond om te zien wie dat gedaan had. Tot dusver was alles nog verborgen; dat moet je je goed realiseren. De vrouw kwam van achteren en raakte ongemerkt Zijn kleed aan. Slechts zij wist wat er gebeurd was en dat ze genezen was. Alles wat tot op dat moment had plaatsgevonden, was nog verborgen.
Maar dan de vrouw: bevreesd en bevende. Phobia wordt hier als woord gebruikt, en een tremor… hoe noem je dat? In ieder geval een woord dat in het Nederlands “beven” is. Precies dat woord wordt hier afgeleid van een Grieks woord voor vrezen en beven. Dat is in dit geval ook vrij logisch; zij probeerde het immers allemaal verborgen te houden. Waarschijnlijk was ze zich er ook pijnlijk van bewust dat zij Hem als onreine heel welbewust had aangeraakt.
Er staat bij dat zij wist wat er met haar geschied was. Ze kwam en wierp zich voor Hem neer, zoals Jaïrus dat eerder had gedaan, en ze vertelde Hem de volle waarheid. Kortom, ze heeft haar hele verhaal gedaan. Ook wat ze bij zichzelf had gezegd, haar overwegingen, de twaalf jaren, de vele dokters die ze had bezocht en het totale gebrek aan succes. Alles had gefaald. En wat kun je dan nog, na zo’n lange periode? Dan heb je alle hoop opgegeven. Maar nu vertelt zij Hem de volle waarheid, haar hele verhaal.
En de Heere Jezus zei tot haar: “Dochter, uw geloof heeft u gered.” Dat Hij haar “dochter” noemt, vind ik prachtig. Hij zegt niet “vrouw”, maar “dochter”. Daar klinkt dezelfde intimiteit in door als wanneer Jaïrus het over zijn dochtertje heeft. Precies dat woord wordt hier gebruikt: “Dochter, uw geloof heeft u gered.”
Ik denk dat we ons dat goed moeten realiseren: de Heere bracht haar nu niet naar voren om haar te beschamen, maar juist om zichtbaar te maken wat geloof vermag. Dat moet ik misschien even toelichten. Je zou kunnen denken dat het geloof zelf de krachtbron is: “Uw geloof heeft u gered.” Maar dat is niet omdat geloof de krachtbron is, alsof geloof in zichzelf kracht bezit. Nee, het punt is: ze vertrouwde. Geloof is vertrouwen. Zij vertrouwde op Hem en ze wist: één aanraking is genoeg. Dat bracht haar in aanraking met de kracht.
Want geloof is – we hadden het voor het begin al even over die beeldspraak – niet het stopcontact, maar de stekker. De kracht zit in datgene waarmee je in verbinding wordt gebracht; dáár zit de kracht. Geloof zegt daar “amen” op. Dat is wat geloof is.
En dan nog: “Ga heen in vrede.” Die vrede had ze inmiddels gevonden en daarmee kon ze nu verder gaan. “En wees genezen van uw kwaal.” Ze was genezen en zou ook genezen blijven. En terwijl Hij nog sprak… nou, daar moet ik dan toch even mee afsluiten.
De Opwekking van Jaïrus' Dochtertje: de Dood als een Slaap ↑ hoofdstukken
Feitelijk hebben we nu de geschiedenis gelezen, maar laten we nog eventjes kort de verzen die nog volgen bezien, zodat u ook het hele verband begrijpt. Dan zullen we ook nog eventjes inzoomen op wat dit typologisch betekent. Eerst vers 35: terwijl Hij nog sprak, kwam men uit het huis van de overste van de synagoge om Jaïrus te zeggen: “Uw dochter is al gestorven. Waarom valt u de Meester nog lastig?” Aanvankelijk stond ze op het punt te sterven, maar nu is ze inmiddels overleden. Het idee van de omstanders is: als ze stervende is, kan het misschien nog worden voorkomen, maar nu ze is gestorven, is dat het einde.
Maar Jezus luisterde niet naar wat er gezegd werd. Hij zei tot de overste van de synagoge: “Wees niet bevreesd, geloof alleen.” In feite is dat voor Jaïrus geen andere boodschap dan voor die bloedvloeiende vrouw: je moet bij Hém zijn. Hij is het die dit kan, als ik het zo mag zeggen, kan fixen. “Wees niet bevreesd, geloof alleen.” En Hij stond niemand toe met Hem mee te gaan, dus in de intimiteit gaat Hij verder, behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. Dat ruikt al naar de verheerlijking op de berg, nietwaar? Het zijn deze drie namen die de apostelen van de besnijdenis zijn — daar hebben we het in een heel ander verband ook wel eens over gehad.
Ik geloof ook dat juist hun getuigenis straks een grote rol zal gaan spelen als Israël herleeft en op zal staan uit de doden. Want daar is het dochtertje van Jaïrus sowieso een beeld van. Dan zal het evangelie van de besnijdenis klinken en daar hebben deze drie namen alles mee van doen. In vers 38 staat dat ze in het huis van de overste kwamen en Hij zag de misbaar en de mensen die luid weenden en weeklaagden. In feite is de situatie hier nog hopelozer dan bij die vrouw. Luid wenen en weeklagen. Binnengekomen zei Hij tot hen: “Waarom maakt u misbaar en wat weent u? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.”
Dat roept natuurlijk meteen weerstand op, maar dit is nou precies de goddelijke waarheid die je in heel de Schrift vindt. Voor God is de dood niet anders dan slaap. Wat is de link tussen beide? Ten eerste: als je slaapt, ben je je van niets bewust. Je hebt je ogen dicht en je weet niets. Dat is precies ook wat de dood is. Ten tweede: uit de slaap ontwaak je normaal gesproken weer. ’s Morgens als je gewekt wordt, dan ontwaak je en je staat op. Het is een prachtig beeld natuurlijk. Dat is precies wat voor God de dood is en dat is wat de Heer hier gewoon neerlegt.
Dat roept natuurlijk meteen de weerstand en de spot op; men lachte Hem uit. Maar de Heer dreef hen allen het huis uit — wegwezen jullie. Hij nam de vader en de moeder van het kind mee en degenen die bij Hem waren, en Hij ging het vertrek binnen waar het kind lag. Hij vatte de hand van het kind en Hij zei tot haar: “Talita koem.” Dat betekent: “Meisje, Ik zeg je, sta op.”
Eerst even dit: Hij vatte de hand van het kind. Hier krijg je weer hetzelfde verhaal als waar ik het net over had. Als je een onreine aanraakte, bijvoorbeeld een bloedvloeiende vrouw, dan werd je onrein. In dit geval raakt Hij een lijk aan en zou Hij daarmee verontreinigd worden. Maar precies het omgekeerde gebeurt: niet Hij wordt verontreinigd door het lijk, maar het lijk wordt levend door de kracht die van Hem uitgaat. Dat is hier het geval. Ik vind het wel apart dat je juist in het Marcusevangelie een aantal keren specifiek verwezen ziet naar de Aramese woorden die geklonken hebben. Waarschijnlijk heeft dit op de ooggetuigen, van wie Marcus dit optekent, zo’n indruk gemaakt. Hij zei: “Talita koem.” Dat betekent: meisje, sta op. Dat is precies de boodschap van het evangelie.
Vervolgens staat er: en het meisje stond terstond op. Daar is weer dat woordje: terstond! Metéén. Het meisje stond terstond op en kon lopen, want ze was twaalf jaar oud. En zij ontzetten zich terstond bovenmate. Ik zei het al: over het woordje “terstond” struikel je haast, zo vaak als het gebezigd wordt. Wij zouden zeggen dat het een stopwoord is, maar het is functioneel in dit hele relaas waarin Marcus dit naar voren brengt. Het is de boodschap van opstanding. In dit verband wordt nog heel uitdrukkelijk gezegd door de Heer dat Hij hun nadrukkelijk gebood dat niemand dit te weten zou komen, en Hij zei dat men haar te eten zou geven. Dat laatste laat ik even buiten beschouwing, maar het loutere feit is dat de Heer de sensatie niet zocht. Dit is een wonder, maar het is bovenal een teken.
Het Typologische Panorama: een Intermezzo in Israëls Geschiedenis ↑ hoofdstukken
Want dat is eigenlijk vooral wat ik hierbij naar voren wil brengen. Kijk, de Heer kwam tot Zijn volk, tot Israël – de twaalfjarige dochter Israëls, om zo te zeggen. Maar terwijl Hij tot Zijn volk komt, wordt Hij onderbroken. De geschiedenis wordt onderbroken, maar niettemin wordt de bestemming bereikt. En in die onderbreking – dat is wat ik daar zo mooi vind, want ik zie daar heel uitdrukkelijk een type in van de komst van de Messias.
Hij komt tot Zijn volk, maar voordat Hij Zijn volk daadwerkelijk zal doen opstaan, vindt er een onderbreking plaats in de geschiedenis, een intermezzo. Zijn komst wordt onderbroken en in die breuklijn leven wij. Terwijl Israël op een zijspoor staat – of laat ik het anders zeggen: Israël is nog aan de beurt – komt er nu in die onderbreking een volk tot Hem. Wie zij zijn weten we niet; zij is verborgen. Maar zij vindt genezing bij Hem.
Uiteindelijk, als dat heeft plaatsgevonden, dan zal Hij alsnog bij deze dochter van Jaïrus aankomen. Hij zal bij dit meisje komen, dat wil zeggen: bij Zijn volk. Hij zal haar tot nieuw leven wekken, de dood zal worden overwonnen en ook zij zal genezen worden. Ik bedoel dan Israël; dat is de grote verwachting die we hebben.
Israël zal binnen niet al te lange tijd – ik durf zelfs te zeggen: zeer binnenkort – die derde dag zien aanbreken. En wat gebeurt er dan? Wel, de Heer gaat Zijn volk herstellen, hen doen herleven en de dood overwinnen. Dan zal gebeuren wat eigenlijk al veel eerder aanvankelijk verwacht werd, maar wat onderbroken werd. Maar Hij bereikt hoe dan ook altijd Zijn doel. Dat lijkt mij een heel mooi punt om te zeggen.
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews