GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Stromen Van Levend Water

11-07-2010 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 11 juli 2010 in 2B-Home te Zoetermeer.

Levend water verwijst naar het levende Woord van God. Levend omdat het spreekt van Leven dat sterker is dan de dood. Levend ook omdat het is als water dat stroomt. Via de oren komt het in het hart. En wanneer het hart er vol van wordt, dan stroomt de mond er als vanzelf van over.
Althans, dat laatste is de bedoeling. Want de mond kan gestopt worden zodat de stroom ophoudt. Ook daar vinden we voorbeelden van in de Bijbel. Het waren de Filistijnen die ooit de bronnen van Abraham hadden dichtgestopt met aarde. Ook de Dode Zee is een voorbeeld van een waterbron zonder mond en daardoor gekarakteriseerd door dood. En wat te denken van de man die leed aan waterzucht maar door Jezus werd genezen op de sabbat? Waterzucht is een ziekelijke aandoening (oedeem) waarbij het water ook niet weg kan. De kwaal van Israël was dat ze het Woord voor zichzelf hield. Het is de Messias die hen daarvan zal genezen zodat ze een bron van zegen voor alle volken zal worden.

Ook vandaag is een gelovige niet geroepen om consument van het Woord te zijn maar een “bron van leven”!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Het Loofhuttenfeest, en specifiek de achtste dag, verwijst naar het nieuwe leven dat door de verheerlijkte Heer wordt gegeven. Wie het levende water van Zijn belofte ontvangt en gelooft, wordt daardoor zelf een bron waaruit stromen van water vloeien. Dit levende water moet ongehinderd doorstromen om anderen tot zegen te zijn. Het mag niet worden tegengehouden door wereldse zorgen of religieuze introversie. Zodra het hart vol is van Gods woord, zal de mond daarvan overlopen om leven uit te delen.

“De bedoeling van het woord dat we ontvangen, is dat het eruit gaat.”

Het Loofhuttenfeest en de Achtste Dag ↑ hoofdstukken

Ik wil u vanmorgen heel graag eens meenemen naar Johannes 7. Slechts een paar verzen zijn dat waar ik speciaal uw aandacht voor wil vragen, maar we zullen vanzelf ook allerlei andere schriftplaatsen nog behandelen, dus maakt u zich niet ongerust. Het is een thema dat wel bij dit prachtige weer, dit dorstige weer, past, maar dat staat er eigenlijk min of meer los van.

Ja, stromen van levend water. Die uitdrukking vindt u in dit Bijbelgedeelte, Johannes 7, en ik stel voor dat we dat gedeelte eens zullen opslaan. U kunt het in uw eigen Bijbeltje natuurlijk volgen als u het allemaal goed wilt controleren, maar u kunt het ook gewoon meelezen vanaf het scherm. Daar lees je in het 37e vers: "En op de laatste, de grote dag van het feest..." En als Johannes zegt "het feest", dan verwijst dat terug naar het begin van het hoofdstuk, waar we lezen in vers 2 dat het hier gaat om het Loofhuttenfeest, het zogenaamde – zoals dat in het Hebreeuws heet – het Sukkot.

En dat feest, als je dat terugleest in het Oude Testament, in Leviticus, dan is dat de zevende grote hoogtijdag, ook de laatste hoogtijd moet ik zeggen. Want het was niet maar één dag; het was een hele week dat men dat feest vierde. En het was een oogstfeest, dat wil zeggen: de wijnoogst was net binnengehaald, zo in september, en dan werd gedurende een week lang dat feest van de loofhutten gevierd. En dat zevende feest – dat moet u niet verbazen, dat zit hem al in die zeven, maar er is nog veel meer – dat verwijst naar de grote zevende dag, naar de grote Sabbat die voor deze wereld zal gaan aanbreken, die God in petto heeft voor alle volkeren.

Het is ook opmerkelijk dat als je leest over dat Messiaanse Rijk dat gaat komen – we vinden dat in Zacharia – dat daar ook gezegd wordt dat wanneer dat Loofhuttenfeest dan gevierd zal worden, alle volkeren naar Jeruzalem zullen heengaan en zullen optrekken om juist bij die gelegenheid in Jeruzalem dat Loofhuttenfeest ook te vieren. Het is een feest dat spreekt van de grote vrede en de grote wijnoogst, mag ik ook zeggen. Want zo wordt dat in de Bijbel ook genoemd: het Messiaanse Rijk dat komen zal.

En hier wordt gezegd: "Het is op de laatste, de grote dag van het feest." Ik gaf zojuist al even aan: dat feest duurde een week. Maar ik moet er wel iets bij zeggen. Laten we deze eventjes nalezen in Leviticus 23. Daar wordt tegen Mozes gezegd: "Spreek tot de Israëlieten: Op de vijftiende dag van deze zevende maand – het was het zevende feest, maar het was ook nog eens een keer in de zevende maand, dan weet je wel hoe laat het is – dan begint het Loofhuttenfeest voor de Here, zeven dagen lang." Men heeft gezegd dat dit betekent dat als dit in vers 37 van Johannes 7 gezegd wordt van "de laatste, de grote dag", dat het dan de zevende dag geweest moet zijn.

Ik heb daar eerlijk gezegd mijn twijfels over. Ik denk namelijk dat het nog een dag later was en daar heb ik een goede reden voor. Want er staat namelijk vervolgens in Leviticus 23, nadat er gezegd wordt dat het feest zeven dagen lang gevierd wordt, dat dat feest niettemin nog een supplement heeft, een appendix, een toevoeging. Want er staat: "En op de achtste dag..." Van het Loofhuttenfeest dus. "...op de achtste dag zult gij een heilige samenkomst hebben en de Here een vuuroffer brengen. Het is een feest; generlei slaafse arbeid zult gij verrichten."

Ik denk eerlijk gezegd dat juist ook om wat de Heer hier in Johannes 7 naar voren brengt – Hij spreekt over nieuw leven, ik zal dat straks ook aantonen; Hij spreekt feitelijk over een hele nieuwe schepping – het niet kan missen of dat moet met de achtste dag te maken hebben. De acht heeft in de Bijbel altijd te maken met een nieuw begin. Trouwens, het heeft ook te maken met nog iets anders. Ik zal u vertellen: de achtste dag van dit feest, dat heet in het Hebreeuws – het is een belangrijke feestdag voor de Joden – Simchat Torah. En dat betekent letterlijk "de vreugde van de wet", maar ik hecht eraan om nu te zeggen: de vreugde van de Torah, van de onderwijzing.

En dat is een feest dat zeer uitbundig gevierd wordt door het Jodendom, waarin men de vreugde uitspreekt en beleeft; men danst en zingt dat het een lieve lust is met de boekrollen. Ik denk dat ze nog geen idee hebben van wat ze doen. Dat zullen ze wel krijgen als namelijk de bedekking zal worden weggenomen van de Torah en ze zullen zien waar die Torah van de eerste tot de laatste bladzijde van spreekt: namelijk van dat leven dat gevonden wordt in hun eigen Messias, de Heer Jezus Christus.

Ik zeg "als de bedekking weggenomen wordt", maar dat is trouwens wel opmerkelijk. Als ik het zo zeg, dan moet ik aan nog iets denken, namelijk aan de besnijdenis, ook op de achtste dag. Maar een besnijdenis is ook niets anders – nou ja, niets anders, je kunt het op allerlei manieren belichten – maar de besnijdenis is feitelijk ook niet anders dan het wegnemen van de bedekking. De voorhuid wordt weggenomen – nou ja, dat is een heel apart verhaal – maar in ieder geval wordt de bedekking weggenomen.

En dat spreekt – dat lezen we ook al in de Torah – dat de Heer zegt dat Hij ooit Zijn volk zou gedenken en hen verzamelen uit alle volkeren. En dan zegt Hij er ook bij: "En Ik zal de voorhuid van uw harten besnijden." Dan zie je meteen ook waar de besnijdenis een beeld van is, namelijk: dan wordt de bedekking van het hart weggenomen. De bedekking van de Torah zal ook, om het met de apostel Paulus te zeggen, worden weggenomen; of anders gezegd: de bedekking van hun hart. Ze zullen in elk geval zien waar de Torah van spreekt, waar de Torah op wijst. Onder de oppervlakte, met recht eronder wijst. Dat is een woordspeling die in het Nederlands in ieder geval heel gemakkelijk opgaat: die wijst wat er allemaal wijst onder de oppervlakte van de Torah. Nou, dat is die achtste dag.

En dan moet ik er ook nog even bij zeggen natuurlijk: het zal een geweldig feest zijn. Het is een feest waarbij geldt: "generlei slaafse arbeid zult gij verrichten." Dat is geen verbod, dat is juist ook een aankondiging. Het is een aankondiging van de bevrijding van de slavernij. Niet zij hoeven meer gebukt te gaan, want dat is wat ze straks ook zullen zien. Ik ben er vast van overtuigd dat als straks de bedekking voor Israël wordt weggenomen, ze zullen zien dat het niet gaat om wat zij moeten doen – de last, wat allemaal niet mag – maar om het feit dat God gewoon belooft, puur om niet, en dat God Zichzelf daarmee verplicht en het in vervulling zal doen gaan. En dan zullen ze geen slaafse arbeid meer verrichten. Dan is daar vrijheid. En dan hebben ze werkelijk reden om Simchat Torah te vieren. Alles in die Torah spreekt van de Heer Jezus Christus, ja.

Goed, nou, dat was dus die laatste. Als er staat "op de laatste, de grote dag van het feest", dan hebben we het dus naar mijn overtuiging over die achtste dag. Ja, en dan staat erbij.

Stromen van Levend Water en de Geest ↑ hoofdstukken

En op die achtste dag, de laatste, de grote dag van dat feest, stond Jezus daar. En Hij riep: "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke!" Je moet je realiseren dat daar gedurende dat Loofhuttenfeest – vermoedelijk niet meer op die achtste dag, maar dat weten wij uit de buitenbijbelse gegevens, uit de Joodse bronnen – dagelijks een waterprocessie plaatsvond vanaf de bron van Siloam naar de tempel. Hoe dat precies allemaal in zijn werk ging doet nu niet ter zake, maar men putte dan uit die bron van Siloam. Die komt trouwens ook even later in het Johannes-evangelie ter sprake bij de genezing van de blindgeborene.

In elk geval vond daar zo’n hele waterprocessie plaats. En tijdens die waterprocessie, of juist door het ontbreken daarvan op die achtste dag, roept de Heer Jezus tegen die achtergrond. Want zo staat het er: de Heer Jezus staat daar en Hij roept: "Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke!" En dan wordt er aan toegevoegd: "wie in Mij gelooft". Dan weet je meteen wat dat betekent: "komen tot Mij en drinken". Wat betekent dat dan? Nou, het antwoord is: dat betekent wie in Mij gelooft. Dat wil zeggen: beamen wat Ik geef, wat Ik vertel en wat Ik beloof. Dat is wat geloof immers is. Geloof is niet werken; geloof wil zeggen beamen wat God belooft.

Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt... De Heer Jezus refereert niet aan één specifieke schriftplaats, maar Hij verwijst eigenlijk naar een hele reeks van Bijbelse gedachten. Ik zal u daar straks nog op wijzen, maar eerst nog even deze tekst in het bijzonder. Er staat: "Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." Met andere woorden: het is niet alleen zo dat als je van dat water drinkt, je dorst gelest wordt. Nee, het is levend water. Levend water betekent dat het beweegt, dat het stroomt. En dat is precies wat er hier ook gebeurt, want men drinkt van dit water, maar wat gebeurt er vervolgens? Het komt ook weer uit je binnenste. Zoals hier staat: "Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." Dus je drinkt, maar tegelijkertijd word je daarmee zelf tot een bron. Ik kom daar straks ook nog even op terug, want elders in het Johannes-evangelie zegt Jezus dat je een fontein wordt, ook zo’n bron.

Waar doelt de Heer Jezus dan specifiek op? Dat wordt gewoon toegevoegd in vers 39. Daar staat de toelichting van Johannes zelf. Want wat de Heer Jezus daar op die laatste grote dag van het feest gezegd en geroepen heeft, was wellicht onbekend voor degenen die daarbij stonden en het hoorden. Maar Johannes brengt het in herinnering en dan zegt hij: "Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden." Dat moest namelijk nog gebeuren. Hoe weet ik dat? Dat staat er direct achteraan: "want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was."

De Geest waar Johannes hier over spreekt, dat levende water, spreekt van Geest die ontvangen wordt, maar die ook weer doorgegeven wordt. Wie is die Geest? Of laat ik het anders vragen: wanneer kwam die Geest? In ieder geval zou Jezus eerst verheerlijkt worden. Dat wil zeggen: opstaan en ten hemel varen. Opmerkelijk trouwens in het Johannes-evangelie is dat de opstanding, hemelvaart en Pinksteren bij Johannes allemaal op één dag vallen. Dat is echt zo. De dag dat de Heer Jezus opstond, diezelfde dag lees je ook dat Hij tegen Maria zegt: "Raak Mij nu niet aan, want Ik ben nog niet naar Mijn Vader opgevaren" (Johannes 20). En die dezelfde avond nog lees je dat Hij blaast op de mensen die daar vergaderd zijn, de elf discipelen. Dan lees je: Hij blaast op hen en zegt: "Ontvang de heilige Geest." Feitelijk Pinksteren.

Ik weet het, op de veertigste en de vijftigste dag zou dat veel publieker gebeuren, maar strikt genomen is de Heer Jezus ten hemel gevaren en heeft Hij de Geest aan Zijn discipelen gegeven al op de dag van Zijn opstanding. Zodat als je de vraag stelt: "Wanneer is Jezus nou verheerlijkt?", Johannes daar heel simpel in is: dat is gewoon de dag dat Hij is opgestaan. Toen is Hij ten hemel gevaren en toen heeft Hij ook van Zijn Geest gegeven.

Ik kan het nog sterker vertellen: die Geest is niemand anders dan de Heer Jezus Christus. Als we even terugbladeren in dit evangelie, dan lees je in Johannes 6 vers 63 – en dat is voor velen van Zijn toehoorders abracadabra geweest, je leest in die context ook dat velen Hem dan verlaten – maar dan zegt de Heer Jezus: "De Geest is het, die levend maakt." En dan voegt Hij eraan toe: "het vlees doet geen nut." Wij vinden dat misschien heel erg zwart-wit. Het is ook heel zwart-wit. Hij zegt niet: "het vlees is weinig", maar: "het vlees is van geen nut." Dat wil zeggen: als het gaat om levendmaking, kan het vlees daar niets aan bijdragen of toevoegen. De mens is volstrekt afhankelijk van Hém. Dat is eigenlijk de hele Bijbelse waarheid. Dat is maar goed ook trouwens, want Hij geeft ook, Hij belooft ook. Daarom staat geloof altijd tegenover werken, want het gaat er niet om wat het vlees moet doen, want dat heeft geen enkel nut. De Heer Jezus wijst op de Geest.

De Geest is het die levend maakt. Trouwens, ik kan het nog anders zeggen: Geest is niets anders dan leven. Als je de geest krijgt, ga je ademen en ga je leven. En als je de geest geeft – de laatste adem uitblaast – dan ben je dood. Hier gaat het over Geest met allemaal hoofdletters: over leven dat sterker is dan de dood. Ik zal het u laten zien. Nadat ik heb voorgelezen: "De Geest is het die levend maakt, het vlees doet geen nut", dan komt het: "De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven." Of: Geest, namelijk leven. Het woord dat de Heer sprak, dat zijn geen losse lettertjes of klanken. Nee, dat is leven.

Vandaar ook dat je in ditzelfde Johannes-evangelie leest dat het moment zal komen dat de Zoon van God zal spreken en Zijn woord inderdaad levend zal maken. En als je dat niet geloven wilt, dan zou je het maar eens een keer aan Lazarus kunnen vragen. Die was letterlijk dood en de Heer Jezus heeft hem aangesproken terwijl hij al een paar dagen in het graf lag: "Lazarus, kom uit!" En Lazarus kwam uit. Dat de woorden die de Heer sprak geest en leven zijn, daar kunnen we nooit te groots en te machtig over denken. Integendeel, dat onderschatten wij altijd.

Het enige wat wij de wereld te bieden hebben, zijn niet onze goede werken of onze sociale programma's. Houd toch op. Dat is allemaal mooi hoor, maar dan zeg ik: het vlees doet geen nut. Weet u wat werkelijk nut doet, wat werkelijk ertoe doet? Dat is het woord dat we bezitten. Spreek het maar en je zult zien dat het leeft en kracht heeft. Nou, dat woord, dat is geest en dat is leven. Daar moet je niet vaag over doen zoals er over "geest" altijd gedaan wordt. Dan denken mensen meteen... en het is niet helemaal zonder reden hoor, want het wordt ook vergeleken met de wind die je niet ziet, maar waarvan je wel het effect ziet. Maar dat neemt niet weg: het woord van God, dat is geest en dat is leven. Woord en Geest zijn feitelijk gewoon één en hetzelfde. Beide kun je...

Niet zien, maar wel horen. Het is ook allebei leven.

Maar ik heb het hier dus over die Geest die levend maakt. Maar wie is nou die Geest die levend maakt? Degene die de vorige keer aanwezig waren, die herinneren zich wellicht dat we het er toen over hebben gehad: 1 Korinthe 15. Daar lees je dat Adam geplaatst wordt als levende ziel. U weet: hij had de geest des levens ontvangen en alzo werd hij een levende ziel. Dat staat in vers 45 van 1 Korinthe 15. Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel. De laatste Adam – Hij die ook de hele mensheid insluit, want daarom heet Hij ook Adam, Hij representeert de totale mensheid – de laatste Adam is geen levende ziel. Nee, Hij is een levendmakende Geest. Zodat je dus ziet: de levendmakende Geest is niemand anders dan de laatste Adam. Ik zou het op allerlei andere manieren ook nog kunnen aantonen, maar ik beperk me nu even tot dit bewijs.

Maar als de Heere Jezus het dus heeft over de Geest die levend maakt, en de Geest was er nog niet want Jezus was nog niet verheerlijkt, wat is dan het verband? Nou, de verheerlijkte Jezus, dát is die Geest. Logisch dat die Geest er nog niet was; Jezus was nog niet verheerlijkt. De laatste Adam.

Daarover heeft de Heere Jezus het dus: over die Geest. Over dat leven dat aan het licht kwam toen Hij oprees uit het graf en daarmee sterker bleek dan de dood. En wat er tweeduizend jaar geleden gebeurde, dat is de garantie dat eens de hele mensheid dat leven zal ontvangen wat Hij aan het licht bracht. Een leven van onvergankelijkheid, van kracht en van heerlijkheid staat tegenover de vergankelijkheid, de ontluistering en de zwakheid van dit 'leven', tussen aanhalingstekens. Als je dít leven kent, dan noem je het hier ondermaanse eigenlijk al geen leven meer. Dat is gewoon sterven, een gestadige dood. Dít is leven!

Ik wilde daar nog iets over zeggen, maar ik ben het even kwijt. Maar dat is geen probleem hoor, want ik heb namelijk nog wat anders.

Waar het Hart Vol van Is, Spreekt de Mond ↑ hoofdstukken

Ik wil daar namelijk nog wat nader op ingaan, op wat de Heer Jezus had gezegd: "Wie in mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." Hoezo: gelijk de Schrift zegt? Ik gaf al eventjes kort aan dat de Heer Jezus hier niet naar één specifieke schriftplaats verwijst; het is ook niet een letterlijk citaat. Maar het idee, de gedachte van stromen van levend water dat vloeit uit het binnenste, dat vinden we op heel wat plaatsen terug.

Laat ik eens een voorbeeld geven uit Spreuken 10. Daar lees je al over de mond van de rechtvaardige. Wat is een rechtvaardige? Hoe rekent God? God rekent volgens Genesis 15 vers 6 — dat is echt zo'n tekst die je uit het hoofd moet kennen. Abraham geloofde God, nadat hem nageslacht werd beloofd zoals de sterren aan de hemel, onvoorwaardelijk. En dan lees je: "En Abraham geloofde." Hij beaamde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Dat wil zeggen: Abraham was een rechtvaardige in de ogen van God. Deed hij daar iets voor? Nee, hij deed helemaal niks. Hij hoefde ook helemaal niks te doen. Het vlees doet geen nut.

Nee, hij beaamde wat God zei. God zou het immers toch wel vervullen, want Hij had helemaal geen enkele voorwaarde gesteld. God had gezegd: "Zo zal jouw nageslacht zijn." En Abraham zal gedacht hebben: "U zegt het." En met recht: U zegt het, en zo is het. U bent in staat om Uw woord te vervullen. Ik niet. Het vlees doet geen nut. Dat is een hele goede om er altijd in te houden: het vlees doet geen nut. Want als dat namelijk je startpunt is, dan stelt het vlees ook niet meer teleur. Teleurstelling en frustratie krijg je alleen maar bij te hooggespannen verwachtingen. Daar komen we vandaag zelf misschien nog wel achter. Ja, of de Spanjaarden, dat kan ook nog. Dan krijg je frustratie. Als je helemaal niks verwacht, kun je ook niet teleurgesteld raken; dat is dan weer het voordeel daarvan.

Maar in Hem kun je niet gefrustreerd raken. Dat wil zeggen: in Zijn woord. Misschien wel in jouw ideeën over wie Hij is, maar Zijn woord kan nooit teleurstellen, want Hij vervult namelijk wat Hij belooft. Hij is bij machte; wat Zijn liefde wil bewerken, dat wordt niet ontzegd door Zijn vermogen. Hij kan wat Hij wil en Hij doet wat Hij zegt. Hij vervult wat Hij belooft.

Nou, de mond van de rechtvaardige, van degene die gelooft, dat is een bron van leven. Waarom is dat zo? Wat heeft die rechtvaardige? Gewoon het Woord. Dat heeft hij in zijn hart. En omdat hij het in zijn hart heeft, en omdat hij ook nog een mond heeft, is het een bron van leven. Want ja, het vat geeft uit wat erin zit.

Dat is meteen een mooie overstap naar de volgende schriftplaats. Ik wil u meenemen naar Lucas 6, want daar staat dat ook zo. We herkennen daar onmiddellijk een bekend Nederlands spreekwoord in dat rechtstreeks aan dit woord ontleend is. Daar staat: "Een goed mens..." Wat is een goed mens? We zijn toch helemaal geen goede mensen? Nou, dat hangt er vanaf wat erin zit. Van jezelf niet — het vlees doet geen nut. Ja, we houden die tekst erin vandaag: het vlees doet geen nut. Nee, maar een goed mens brengt uit zijn goede schat het goede voort. Dat maakt hem goed: hij heeft een goede schat, een rijkdom. Hij brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort. En een slecht mens brengt uit de boze schat het boze voort. Dus het geldt positief, maar negatief ook.

Wat is het achterliggende principe? Dat lezen we vervolgens: "Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond." Of zoals de Statenvertaling het heeft, als ik me niet vergis: "Uit de overvloed des harten spreekt de mond van." De mond loopt over van dat waar het hart vol van is. Als je hart ergens vol van is, dan kan het niet missen of je mond zal het verraden. Tenzij de mond gestopt wordt, maar daar zullen we het ook nog over hebben. Dat kan ook nog.

We weten allemaal dat het zo werkt. Dat geldt voor alles waar het hart vol van kan zijn. Zoals hier ook staat: als je een slechte schat hebt, als je met slechte dingen vervuld bent, dan zal je mond je altijd verraden. De mond spreekt van dat waar een mens zich mee bezighoudt. Al is het niet expliciet, dan wel impliciet. Een mens verraadt zichzelf daarmee altijd. Dat kan zelfs in het meest triviale zitten. Als iemand gek is van postzegels, waar praat zo iemand dan over? Ik ken zo iemand, dat is wel aardig. Ik ken iemand die te boek staat als iemand die altijd heel zwijgzaam is. Maar praat maar eens een keer over zijn liefhebberij, dan ben je de hele avond nog niet van hem af. Echt waar, hij zegt nooit een woord en eigenlijk is elk woord er bij hem één teveel. Maar praat maar eens een keertje... ik zal maar niet zeggen wat de liefhebberij was, want dan ben ik weer te expliciet, dat mag ik niet doen. Maar spreek hem aan over zijn hobby en hij blijft erover praten. Uit de volheid des harten, daar gaat het om. Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over. Dat kan niet missen.

Goed, ik ga u naar nog een schriftplaats meenemen.

Levend Water uit het Heiligdom en de Dode Zee ↑ hoofdstukken

Als de Heer Jezus zegt dat stromen van levend water uit zijn binnenste zullen vloeien, dan denk ik dat Hij daarmee ook verwijst naar een passage in Ezechiël. In een van de laatste hoofdstukken, Ezechiël 47, wordt een beschrijving gegeven van het toekomstige Jeruzalem. De tempel zal herrijzen, met alle bijzonderheden daaromtrent en over de afmetingen van het land. Maar het meest bijzondere hoofdstuk in mijn ogen is toch wel dat 47e, want daar lees je over een waterbron die uit het heiligdom zal ontspringen. Dat is op zich niet zo bijzonder, want ik denk dat ook de vroegere tempels van Salomo en Herodes op een bron waren gebouwd. Dat is trouwens een heel interessante kwestie.

In elk geval wordt het over de toekomstige tempel expliciet zo gezegd. Daar lees je dit: "Toen bracht hij" – dat is die engel, die boodschapper van Gods wege – "mij" – dat is Ezechiël – "terug naar de ingang van het huis." En dan staat er: "Zie, er stroomde water onder de drempel van het huis uit." Water komt uit het heiligdom, uit het binnenste heiligdom. Ik zeg het expres even zo, want in feite is wat we in Johannes 7 lezen: "Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." En dan staat er dat Hij dit zei van de Geest, die zij die tot geloof zouden komen, zouden ontvangen. Met andere woorden: de Geest van God Zelf komt daarin wonen. Die persoon wordt daarmee zelf tot een heiligdom, een tempel. Toch? Een tempel is niets anders dan een plaats waar God woont.

Daar sprak de Heer Jezus ook over. En wat gebeurt er dan? Dan zullen stromen van levend water gaan uitvloeien. Dat is figuurlijk zo, als we het hebben over waar water een beeld van is, maar ook letterlijk, want Ezechiël 47 spreekt over die tempel die ooit in Jeruzalem gebouwd zal worden in het Messiaanse rijk. En wat gebeurt daar? Wel, uit dat heiligdom – de Heer Zelf zal trouwens ook in de Sjechina bezit nemen van dat heiligdom – de Here zal gaan wonen in dat huis. En wat gebeurt er dan? Ja, je kunt het al raden: daar gaat water, levend water, uit die bron komen.

Waarom zeg ik levend water? Wel, het is water dat stroomt en dat ook maar blijft stromen. Wat lezen we namelijk? Ik sla nu een aantal verzen over in Ezechiël 47. Daar staat: "En hij zeide tot mij..." – nadat Ezechiël zich daar helemaal in heeft ondergedompeld – "Hij zeide tot mij: dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee." In de zee, dat wil zeggen: het gaat hier over de Dode Zee. "In de Dode Zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt." Op een paar uitzonderingen na, dat wordt er ook nog bij vermeld. Maar de Dode Zee gaat een levende zee worden. Daar kun je je nu nog echt helemaal niets bij voorstellen.

Maar nu even wat anders: waarom is de Dode Zee een dode zee? Het antwoord is: er komt wel water binnen, er komt levend water binnen, stromend water. En toch is de Dode Zee een Dode Zee. Hoe komt dat? Het kan er niet uit. De Dode Zee heeft geen mond. Ook in deze terminologie spreken we van een mond. Een rivier heeft een mond, daar waar het water er weer uit kan. Dat is trouwens een mooie beeldspraak. Het heeft geen opening, het kan niet weg en daardoor wordt de stroom, het leven, onderbroken. Daarmee is de zee dood geworden. Het is de meest dode zee die er bestaat; het is het dieptepunt van deze wereld, ook letterlijk bedoel ik. Het is een embleem van de dood en het is een zee waarin geen enkele vorm van leven te bespeuren is. Helemaal niets. Geen vissen, nog geen waterplanten, helemaal niets.

Het is met recht dus een dode zee. Waarom? Omdat het geen mond heeft. Het kan niet stromen, het kan er niet uit. Maar dat gaat veranderen. Dan lezen we: "En alle levende wezens die er wemelen" – letterlijk staat er: "alle levende zielen die er wemelen" – "die zullen leven overal waar de beek komt." Of letterlijk, zoals er in de Statenvertaling staat: "waar één der twee beken zal komen", want er gaat nog veel meer gebeuren. Ik denk dat die Dode Zee ook werkelijk een levende zee wordt doordat het een open verbinding krijgt met de Golf van Eilat. Maar dat is nog een ander punt. Het gaat in elk geval doorstromen. "Overal waar één der twee beken zal komen, en er zal zeer veel vis zijn. Want als dit water daarheen komt, dan wordt het water van de zee gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven."

Begrijpt u nu waarom het levend water heet? Het heet levend water om meer dan één reden. Het is levend water omdat het stroomt, maar het is ook water dat zo bijzonder is dat het een levenskracht heeft. Overal zal het leven voortbrengen. "Overal waar de beek komt, zal alles leven. Vissers zullen erlangs staan van Engedi tot En-Eglaïm. Het zal een plaats zijn om de netten uit te spreiden en de vissen erin zullen van allerlei soorten zijn, zoals de vissen van de Grote Zee: zeer talrijk." Moet je je voorstellen. Deze Dode Zee, waar je hier het plaatje van ziet... Er zijn er heel wat, denk ik, die daar ooit wel eens geweest zijn en erin gezwommen hebben. Dat hoef je ook maar één keer in je leven te doen hoor, vind ik, want zo'n plezier is dat nou ook weer niet. Maar je blijft dan toch maar drijven. In elk geval zal dat straks dus niet meer kunnen, dus als je dat wilt doen, moet je het nu nog echt doen. Want straks kun je wel in de Dode Zee gaan zwemmen, maar dan kun je dus ook vissen gaan bekijken.

Nou, dat lijkt me heel wat. Ik ben ooit speciaal naar Eilat gegaan om daar te snorkelen, en dan kunnen we in de toekomst ook naar de Dode Zee gaan, de voormalige Dode Zee, en daar gaan snorkelen. Wat dacht je daarvan? Nou, dat is wat er gaat gebeuren met die zee. Er komt water uit het binnenste heiligdom dat gaat stromen, en bovendien gaat die zee zelf ook weer stromen. Dat is het wonder wat de Heer met die zee gaat verrichten. Dat wil zeggen: het komt er binnen, maar het zal er ook weer uitgaan.

Een Fontein van Water en het Gevaar van Zwijgen ↑ hoofdstukken

Ik neem u mee naar nog een schriftplaats, naar Johannes 4. Daar is de Heer Jezus in gesprek met de Samaritaanse vrouw gedurende die twee dagen dat Hij daar in Samaria was. Daarna zou Hij naar Kana gaan. Nou ja, dat is een heel apart verhaal; die hele setting heeft allemaal een profetische betekenis. Maar wat Hij tegen die vrouw dan zegt... zij die vervolgens de ontdekking doet dat zij in gesprek is met de Redder der wereld. Zo zegt ze dat ook. Maar goed, de Heer Jezus spreekt: "Wie gedronken heeft van het water dat Ik hem zal geven..."

Ineens heeft Hij het niet meer over letterlijk water, maar over dat waar water een beeld van is. Wie gedronken heeft van het water dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen; letterlijk staat er dan: "tot in de Aion". Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein of tot een bron van water dat springt ten eonische leven, tot in het aionische leven. Dat leven van die toekomende Aion, daar verwijst het naar.

Hier vinden we dezelfde gedachte als een paar hoofdstukken later in Johannes 7, namelijk dat wie drinkt van dat levende water, zelf vervolgens een bron wordt. Want hoe gaat dat? Het komt via de oren naar binnen, het vervult het hart, het doet het hart overvloeien. En als het hart overvloeit, dan komt het via de mond er weer uit. De mond spreekt... dat is ook precies de bedoeling van dat woord. De bedoeling van het woord dat we ontvangen, is dat het eruit gaat. Een heleboel mensen begrijpen dat niet of willen dat niet begrijpen, en die stoppen de mond. Dat is een heel ernstig ding.

Kijk, er is een ander item dat voor velen heel gevoelig ligt – ik denk niet hier zozeer, maar in het algemeen – en dat is uitverkiezing. Waarom kiest de Heer iemand uit? Dan zeggen de mensen: "Omdat de Heer jou in de hemel wil hebben" of "Omdat de Heer jou wil zegenen". Nee, dat is het helemaal niet. De Heer kiest jou uit, niet alleen om jou te zegenen – nou ja, het is niet helemaal onwaar, maar het is maar de helft van de waarheid – de waarheid is: de Heer kiest iemand uit om hem te zegenen en juist daardoor tot een bron van zegen of een kanaal van zegen te maken. Dat is de bedoeling.

De bedoeling is niet dat je het voor jezelf houdt. Als je het wel voor jezelf houdt en je stopt de mond... er zijn soms hele goede redenen voor om te zeggen: "Ik spreek er niet meer van." En als ik eventjes in de terminologie mag blijven, dan denk ik: nu breekt me de bek niet open. Nee, dat heb ik vaak genoeg meegemaakt. Dan ontdek je dingen in het Woord van God. Ik heb meegemaakt, ook in een kring of gemeente, dat men daar blij is met een woord. Geweldig! Dat ging over het feit dat Hij de Redder is van deze wereld. Men was blij, en weet u wat er gebeurde? Uiteraard ga je erover spreken. En wat merk je dan? Je krijgt tegenstand. Niet iedereen stelt het op prijs. En dan druk ik me nog heel zachtjes uit. Dan zeggen ze: "Nou ja, dan kan het zomaar zijn dat je te maken krijgt met heel veel kritiek of met afwijzing, dus daar moet je maar niet over praten."

Ik heb het meer dan eens meegemaakt dat men dan zegt: "Je kunt er beter maar niet meer over praten." En dat is dodelijk. Ik bedoel dat letterlijk. Dat is dodelijk, want op dat moment breekt de stroom af. De stroom wordt onderbroken, de stroom wordt afgebroken. Dan komt het er misschien nog wel in, dan kun je nog fijn Bijbelstudies gaan houden met elkaar, maar het gaat er niet meer uit. Het mág er niet meer uit. Of je denkt, vanwege de tegenstand of vanwege andere redenen waarom het nadelig voor je zou zijn – u weet: het vlees doet geen nut – dat er gezwegen moet worden. Maar op het moment dat er gezwegen gaat worden, is het net als de Dode Zee: dan heb je geen mond meer en kan het er niet uit. Terwijl het juist de bedoeling is dat we een bron van leven zijn. Putten uit die bron van levend water is zo'n enorme rijkdom, maar laat u niet het zwijgen opleggen. Ga niet de bron volstoppen.

De Dichtgestopte Putten van Abraham ↑ hoofdstukken

Ja, dat is een mooie trouwens, want dan gaan we meteen naar Genesis 26. Dat is een heel mooi voorbeeld van waar ik het nu over heb. Het is nog niet zo heel erg lang geleden dat ik om een andere reden ook aandacht heb gevraagd voor dat hoofdstuk over Isaak die bij de Filistijnen is. In vers 15 lees je over de putten, de bronnen: "Al de putten nu die de knechten van zijn vader" – dat wil zeggen Isaaks vader – "in de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden..." U weet waar die putten een beeld van zijn, hè? Daar hebben we het toen ook over gehad, dat is niet zo moeilijk. Dat is gewoon datgene waar Abraham uit putte. Dat is uiteraard een beeld van de bron, het Woord, of beter gezegd in dit geval de belofte waar Abraham zijn dorst leste. Hij ontving er leven van, ook letterlijk trouwens, want Abraham was een 'verstorven' man en het Woord van God heeft hem levend gemaakt. Ook zijn vrouw trouwens nog. Ja, dat is lachen – zo noemde hij zijn kind ook.

Kijk, wat er was gebeurd met die putten... Laat ik het even verder lezen. Er staat: "Al de putten nu die de knechten van Isaaks vader in de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden, hadden de Filistijnen dichtgestopt en met aarde gevuld." Dat is wel een aardige hoor. "Aardige" ja, want wat gebeurt hier? Kijk, die bronnen waren er nog. Ze konden nog net zoveel water produceren als voorheen. Ware het niet dat de mond van de put dichtgestopt was. En waarmee? Met aarde. Weet u, het woord wat hier gebruikt wordt, wordt elders vertaald met bijvoorbeeld "stof". "Stof zijt gij en tot stof zult gij weerkeren." Gewoon aarde, dat is het, uit de aardbodem.

Ik had het net over afwijzing en tegenstand die kunnen maken dat je je mond maar houdt; dat je denkt: daar kun je beter niet over spreken. Om even de draad op te pakken van wat ik net vergat te zeggen: dat geldt ook voor geloofsgemeenschappen, niet alleen persoonlijk en individueel. Als je je individueel het zwijgen laat opleggen, gebruik je de mond niet voor dat waar hij voor bedoeld is: namelijk om te spreken van dat wat je hebt ontvangen en zo andere mensen te zegenen en tot een zegen te zijn. Maar dat geldt voor een geloofsgemeenschap ook. Dan krijg je de klacht: "Ja, het is zo dood allemaal." En we hebben zulke fijne Bijbels... Ja, maar het gaat er helemaal niet uit! Als je het gewoon voor jezelf houdt, is dat niet de bedoeling.

Die bronnen waren dus 'naar de Filistijnen' gegaan. Waar komt het op neer? Wat hadden ze gedaan? Ze hadden die putten volgestopt, dichtgestopt. Dat is een mooi woord, "gestopt", zodat die bron niet meer kon produceren. Ze waren met recht dichtgestopt, verstopt; je kon ze op die manier ook niet meer vinden. En ze waren gevuld met aarde, met de dingen van de aarde. Weet u waar ik aan moet denken? Bijvoorbeeld aan een tekst in Matteüs 13. Dat is een heel ander verband, maar daar lees je over degenen bij wie er in de dorens gezaaid is: dat zijn zij bij wie de zorg van de wereld en het bedrog van de rijkdom het Woord verstikken. En het wordt onvruchtbaar.

Dat is nou zo'n prachtig voorbeeld van een bron die dichtgestopt wordt met aarde, gevuld met de dingen van de wereld. Dan krijg je dit: je hebt het Woord van God leren kennen, de machtige belofte die Hij heeft gegeven, en dan denk je op een gegeven ogenblik: "En toch moet ik weer van alles doen." De zorg van de wereld. Hoe overleven we? Hoe zal het gaan met mijn baan? Hoe zal het gaan met mijn gezin, met de kinderen, met mijn huis? Of in een wat groter verband: waar kan een mens zich al niet zorgen over maken? Laat ik maar ophouden. Waar Nederland zich nu zorgen over maakt, dat zijn allemaal de zorgen van de wereld. Gewoon zaken waar een mens zich allemaal druk om kan maken.

En weet u hoe dat komt dat een mens zich daar druk om maakt? Dat komt omdat hij denkt dat hij er zelf voor moet zorgen. Je bent bezorgd omdat jíj denkt dat je ervoor moet zorgen. Terwijl het nu juist zo is dat de Heer zegt: "Ik zorg voor je." Dat betekent dat als je dat gelooft, er een last van je wordt afgenomen. Het besef dat er Eén is die geeft wat ik nodig heb, en die trouwens ook niet geeft wat ik niet nodig heb. Dat vind ik ook wel mooi hoor. Ik hoorde hem van de week, de mond loopt er dan van over. Ik las van iemand die schreef: "De Heer weet precies hoeveel geld ik níét nodig heb." Wij denken altijd: Hij weet hoeveel geld ik nodig heb. Maar Hij weet ook hoeveel geld ik niet nodig heb en dat het niet goed voor me zou zijn als ik dat wel zou hebben. Nou, de Heer zorgt voor je. Hij geeft je wat je nodig heb en Hij geeft niet wat niet goed voor je zou zijn. Hij gaat Zijn weg.

Kijk, die bron, de belofte, wordt dichtgestopt met aarde op het moment dat je je weer druk gaat maken over de aarde. Over al dat stof, over dat wat van de mens is. Dan wordt de bron dichtgestopt door het bedrog van de rijkdom. Rijkdom is heel bedrieglijk en heeft allemaal te maken met de aardse dingen. Hoe zegt de apostel Paulus dat ook alweer? "Bedenk niet de dingen die van de aarde zijn." Dat is namelijk allemaal zo vluchtig. Richt je op Hem en dan zul je daarvan spreken. Niet: "je moet" ervan spreken; nee, als het levend water is, dan zúl je ervan spreken. Als je de mond stopt of laat stoppen, dan zul je inderdaad ondervinden dat de levensstroom verdwijnt. En dan gaan we klagen over 'dood in de pot'.

Spreek vrijmoedig over dat wat de Heere gegeven heeft en over Zijn belofte. Laat je niet het zwijgen opleggen door mensen, door religie of door de zorgen, want de Heer zegt: "Ik zorg voor je." De Filistijnen hadden die bronnen dichtgestopt en gevuld met aarde, zodat er helemaal geen water meer uit kon komen. Er zat wel water in, maar het kon er niet uit.

En Isaak groef... en dan lees je er nog bij, want dat is het goede nieuws natuurlijk: "En Isaak groef de waterputten, die men gegraven had in de dagen van zijn vader Abraham en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgestopt, weer op." En hij noemde ze met dezelfde namen waarmee zijn vader ze genoemd had. Dat wil zeggen: hij ging gewoon weer terug naar de bronnen van zijn vader Abraham. Ik bedoel dit uiteraard ook overdrachtelijk: Isaak putte uit dezelfde bronnen waar ooit zijn vader Abraham ook uit geput had. Daarom noemde hij ze ook gewoon met dezelfde namen. Hij ging gewoon weer terug naar af. Dáár moet je wezen, daar vind je water. Daar vind je genoeg. Isaak heeft dat ondervonden en dat stelde hem ook in de ruimte. Dat lees je later over Rehobot. Dat gaf hem de ruimte. Vrijheid. Goed.

De Waterzuchtige op de Sabbat: Water Vasthouden ↑ hoofdstukken

Ja, ik zou nog heel wat voorbeelden kunnen geven, maar ik beperk me nog even tot een tweetal. Zo lees je in Lukas 14 — ik ga niet de hele schriftplaats opzoeken, misschien kunnen we die bij een andere gelegenheid nog eens nader bezien — maar ik geef het als voorbeeld van levend water. Misschien een beetje vreemd, maar in Lukas 14 lees je dat de Heer Jezus op de sabbat — houd hem vast — een waterzuchtige geneest.

Weet u wat een waterzuchtige is? Tegenwoordig — ik heb er niet zoveel verstand van, er zitten hier mensen met veel meer kennis van zaken over wat dat voor verschijnsel is — weet ik dat het te maken heeft met zout. Het zout houdt het water vast; oedeem heet dat. Dan houd je het water vast en kan het water niet weg. Ik geef dit als voorbeeld omdat het eigenlijk alles te maken heeft met die stromen van levend water die de Heer geeft.

Kijk, daar was een waterzuchtige, iemand die leed aan oedeem; hij hield het water vast. Maar uiteraard is dat niet zomaar een wonder op zich, het is een teken. En dat het op de sabbat gebeurde, is een teken, want die waterzuchtige was feitelijk een uitbeelding, een wandelend voorbeeld van wat Israël en het jodendom waren. Zij waren namelijk ook 'waterzuchtig'. Ze hadden de woorden van God toevertrouwd gekregen, maar ze dachten allemaal dat het voor henzelf bedoeld was. Ze hielden het gewoon vast.

En weet je wat je dan krijgt? Dan krijg je ook introversie: naar binnen gekeerd zijn. Het gaat er dan niet meer om dat je beseft: 'Ik heb het Woord ontvangen en ik mag het nu ook doorgeven.' Nee, dan houd je het voor jezelf en dan word je naar binnen gekeerd. En dat is het: dan mag je weliswaar goed en gezond water gedronken hebben, maar als je het vervolgens vasthoudt, dan krijg je mooi wel een dodelijke kwaal, of in ieder geval een hele zieke lucht. Het is echt een ziekte.

Met Israël was dat gebeurd. Het jodendom dacht ook dat het allemaal voor henzelf was en daardoor werd het stilstaand water. Daardoor werd het water zelf ook bitter. Men dacht allemaal dat het om henzelf ging. Ik had van de week een gesprek met iemand — Petra was erbij — een vrouw die vertelde over de kerkgemeenschap waar zij deel van uitmaakte. Het was met recht allemaal bitter wat eruit kwam. Over het Woord van God ging het helemaal niet.

Maar weet u wat er dan gebeurt, zoals dat dan verteld wordt over zo'n hele kerkgemeenschap? Men kijkt alleen nog maar naar elkaar. Je krijgt dan van die vetes en families die tegenover elkaar staan. Dat is een verschijnsel van introversie. Als men het over het Woord had, zou men elkaar helemaal niet eens meer op die manier zien, in de zin van elkaar die dingen aanrekenen. Nee, dan gaat het eruit: we hebben een woord, een levend woord, een krachtig woord! Maar als het allemaal bitter is, wordt het stilstaand. Dan krijg je zo’n kring die helemaal voor zichzelf is, in wezen een sektarisch verschijnsel. Het is stilstaand water.

Van het jodendom lees je dat dit hen wordt verweten: de woorden Gods waren hun toevertrouwd, maar het was geen levend woord. Men kende het Woord niet werkelijk als belofte en daardoor ging het er ook niet uit. Daardoor was het feitelijk een kwaal waaraan men leed. Maar de Heer gaat het genezen hoor, net zoals wat we zojuist lazen in Ezechiël 47. Dat is wat de Heer zal doen: Hij zal het volk aanraken en de bedekking wegnemen.

Welnu, op de sabbat, jazeker. Op de sabbat, als straks de grote sabbat zal aanbreken, dan zal Hij het volk genezen van de waterzucht. Dan zal Hij die als het ware lek prikken. Dan kan het water eruit en dan wordt het gezond en dan wordt het levend. Dat is wat de Heer gaat doen: levend water produceren. Het was het beeld van Israël dat het Woord van God voor zich hield, maar straks genezen zal worden op de sabbat.

De Genezing van de Doofstomme: het Levende Water Moet Eruit ↑ hoofdstukken

En dan tenslotte nog de zevende. Die heb ik er maar bij gezet, want ik dacht: ik moet toch het getal zeven krijgen. Nee hoor, ik had ook nog de achtste kunnen geven, maar dat doe ik niet. Maar je leest in Marcus 7 over de genezing van een doofstomme. Een doofstomme, dat is iemand die het Woord niet goed hoort, maar in dit geval ook niet kon spreken. Hij was stom. Dat betekent dat hij niet in staat was om te spreken.

En dan lees je die gedenkwaardige woorden dat de Heere Jezus hem apart neemt. Hij stopt Zijn vinger in zijn oren. Dat had op zich uiteraard geen functie, behalve dan dat het tekenend was. Had dat een betekenis? Met recht! Hij opende de oren en de Heere spuugde, zo lees je, op zijn mond. Spugen — sorry, misschien niet zo fris, maar het is niets anders dan dat er ook water uit je mond komt. Maar het was inderdaad geneeskrachtig levend water, want zijn tong werd los. Hij was in staat om te spreken en zo kreeg je het voorbeeld van iemand bij wie het water, het Woord van God, binnenkomt en er vervolgens ook weer uit gaat. Dat is precies wat de Heere gaat doen: opening geven. De oren openen, het hart openen en vervolgens ook de mond openen. En dan krijg je die stroom van levend water.

Dat gebeurt straks met Israël. Maar laten we wel wezen, het is voor ons natuurlijk niet anders. Het hele idee is dat de Heere ons het Woord heeft gegeven en ons daarmee vervult, juist ook om ons nog rijker te maken. Want zo werkt het: als je erover spreekt en andere mensen mag wijzen op dat leven dat wij hebben gevonden in Hem, bij het geopende graf. Nietwaar? En weet je wat je dan krijgt? Je kunt er helemaal niet over zwijgen.

In diezelfde geschiedenis in Marcus 7 lees je dat die doofstomme genezen is. Dat is het laatste waar ik op wil wijzen. Het is echt grappig. Hij gebood het hun — want het was in het buiten-Israëlische gebied, het waren geen Joden waar Hij Zich bevond — Hij gebood hun nadat Hij dat wonder verricht had om het aan niemand te zeggen. Maar hoe meer Hij het hun gebood, des te meer maakten zij het ruchtbaar.

Ik moet zeggen, ik vergelijk dat met al die armzalige acties waar ik weleens over lees; over hoe men een evangelisatiecommissie in het leven roept en al dat getop daaromheen. Want ja, 'het moet naar buiten'. Nou, als het zo 'moet', houd je mond dan maar, want dan komt er geen levend water uit. Het moet helemaal niet! Als het levend water is, dan komt het eruit en dan houd je het niet eens binnen. Hoe meer Hij het hun gebood, des te meer maakten zij het ruchtbaar. Met andere woorden: het hart was er vol van en de mond liep ervan over.

🎧 Stromen Van Levend Water
Delen: