Strijd Tegen De Zonde?
11-11-2012 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van samenkomst gehouden op 11 november 2012 in Zoetermeer
De gemiddelde christen meent tot z’n laatste snik te moeten strijden tegen de zonde en ‘het vlees’. Een weinig bemoedigende onderneming voor wie op voorhand weet het onderspit te moeten delven..
Tegenover dit getob staat de triomf die Paulus ons voorhoudt in Christus. Meer dan overwinnaars!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: een Vraagteken bij de Strijd Tegen de Zonde
- De Inwendige Strijd Beschreven in Romeinen 7
- De Ellende van Ons Onvermogen en het Keerpunt van Genade
- Romeinen 6: Eens en voor Altijd Gestorven met Christus
- Geloof Is Niet Voelen, maar Rekenen met Wat God Zegt
- Vrij van de Zonde: Niet Onder Wet, maar Onder Genade
- Romeinen 8: Leven bij de Geest en Niet Naar het Vlees
- Johannes 6: het Overwinningsleven Door Zijn Levendmakende Woord
Introductie: een Vraagteken bij de Strijd Tegen de Zonde ↑ hoofdstukken
Ja, ik zei zojuist al dat wij samenkomen in deze bijeenkomsten rondom het Woord van God en een goed bericht. Maar het onderwerp dat we vanmorgen gaan bespreken en dat ik wat nader uiteen wil zetten – dat moet ik er eerlijkheidshalve bij zeggen – is bepaald niet vrolijk stemmend als je alleen al de titel leest: Strijd tegen de zonde?
Zowel het begrip ‘strijd’ als het begrip ‘zonde’ zijn nou niet bepaald woorden waarvan je zegt: fijn dat we het daarover hebben en heerlijk om daarover te spreken. Strijd vind ik altijd erg vermoeiend, en van zonde zou je iets soortgelijks kunnen zeggen. Het mist het doel; dat is immers wat het woord zonde betekent.
Maar ik heb er een vraagteken bij gezet. En ik heb er nog iets bij gezet, namelijk een plaatje waarbij er heel duidelijk een omkeer is, een scheidslijn. Je ziet een kruis met daarvoor zwarte silhouetten van iemand die gebukt gaat onder een zware last, maar die last uiteindelijk neerlegt daar bij die paal, bij dat kruis, om vervolgens in vrijheid verder te gaan na dat kruis. Het is geen plaatje van mezelf, maar ik heb het van het internet gehaald en ik heb daarmee aardig aangegeven waar het vanmorgen over gaat. Ik kan u dus op voorhand zeggen – zodat u niet tussentijds wegloopt – dat we een heel goed bericht mogen doorgeven, en daar ben ik erg blij mee.
Dat er een vraagteken achter staat is nogal suggestief, en dat is niet zonder reden. Laat ik, om het probleem zelf eerst eens neer te leggen, vast te stellen en zelfs te beschrijven, uw aandacht vragen voor Romeinen 7. Ik wil vanmorgen nog wat dia's laten zien waarbij ik vrij precies uw aandacht vraag voor dat wat er echt staat geschreven. Ik laat u ook iedere keer een interlineair zien; dat wil zeggen de Griekse tekst die de apostel Paulus zelf heeft genoteerd. De woorden die hij ooit opschreef, met daaronder de letterlijke weergave. Concordant is die weliswaar in het Engels, met daaronder de NBG-vertaling zoals het is weergegeven. Dat is soms gelukkig, soms wat minder gelukkig, maar daar komen we vanzelf wel op.
Ik wil gewoon wijzen op dat wat er staat geschreven. Dat lijkt me het enige waardevolle, want u bent hopelijk niet geïnteresseerd in wat ik vind, maar u bent geïnteresseerd in dat wat er staat opgetekend, al zoveel duizenden jaren geleden. Met name door die apostel die voor ons van belang is: de apostel en leermeester van de naties, Paulus dus.
De Inwendige Strijd Beschreven in Romeinen 7 ↑ hoofdstukken
In Romeinen 7 vinden we een strijd beschreven van iemand die wordt opgevoerd als een ik-figuur. Daar is al heel veel vraag over geweest: wie die ik-figuur nou eigenlijk is. Was dat Paulus zelf? Was dat zijn persoonlijke ervaring? Of noemt hij het juist de 'ik' omdat iedereen zich daar min of meer in zou kunnen herkennen? Dat laat ik eventjes in het midden, maar laat ik dan wel dit zeggen: Romeinen 7 is voor sommige mensen bijna spreekwoordelijk geworden, omdat dat hoofdstuk aangeeft hoe smartelijk en hoe ellendig die strijd in jezelf kan zijn.
Ik haak in bij vers 21, maar u moet weten dat aan dat 21e vers nogal wat verzen voorafgegaan zijn die juist daar ook over gaan. Voor de goede orde zou je die verzen er eigenlijk ook bij moeten betrekken, maar aangezien ik niet de hele zondag voor mijn rekening kan nemen wat deze toespraak betreft, ben ik maar hier begonnen. Paulus begint hier met een samenvatting, dus dat is wel gelukkig. Hij schat samen wat hij eerder heeft beschreven en vastgesteld. "Zo vind ik dan," zegt hij, "deze regel." Eigenlijk staat er gewoon de wet. Hij gaat hier nu een wet neerzetten. Het woord wet komt hier heel vaak voor en hij gebruikt het in allerlei verbanden. Een wetmatigheid. Hij spreekt over de wet van het verstand en over de wet der zonde. Welgeteld zijn het zeven verschillende betekenissen die hij in dit ene korte stukje aan het woord wet geeft.
Hij zegt: "Ik vind deze wet." Na alles vastgesteld en beschreven te hebben wat hieraan voorafgaat, vindt hij deze wetmatigheid. En dan zegt hij: "Als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig." Letterlijk staat er: "Als ik het goede doe" – of letterlijk: "het ideale wil doen" – "dan is het kwade... dat ligt ernaast." Dat is erbij aanwezig, maar het ligt als het ware altijd op de loer. Dat is op zich al een ellendige vaststelling. Ik gebruik expres dit woord, want Paulus noemt dit woord even later zelf ook. Hij had geschreven van: "Ja, ik had van de zonde niet geweten... totdat die wet dan kwam." Die wet mag dan in zichzelf goed zijn, maar die wet zegt: "Gij zult niet begeren," en die wet bleek juist een prikkel te zijn tot de zonde. Dus ja, dan mag die wet ideaal zijn, maar de uitwerking ervan – zonder daarbij van schuld te spreken van de wet – die uitwerking is precies tegenovergesteld.
Dat levert een vreselijk intern conflict op. "Als ik het goede wens te doen..." – en wie herkent dit niet? Wie een klein beetje zichzelf kent, die zal in elk geval hier voorbeelden uit zijn eigen leven kennen. Als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade bij mij op de loer of het ligt daarnaast. Dat ligt zo dicht bij elkaar. De intenties zijn wel goed, de wil is er wel, maar hoe was het ook alweer? Dat is een woord dat weer elders geschreven staat: "De geest is wel gewillig, maar de drank is sterk..." Oh nee, het vlees is zwak. Het vlees is zwak. Dan is het kwade bij mij aanwezig.
Wat zegt Paulus dan? Ik ga wat sneller door de verzen heen, want ik wil hier aandacht vragen voor veel meer schriftplaatsen. "Want naar de inwendige mens" – de mens binnenin – "verlustig ik mij in de wet van God." Hij verblijdt zich in zijn hart, gewoon de innerlijke mens, in wat God gesproken heeft; in die wet van God, in de Torah van God. Dat is het punt nu. "Maar," zegt hij dan, "in mijn leden" – dat wil zeggen in mijn lichaam: in mijn handen, in mijn voeten, in mijn tong en nog meer lichaamsdelen – "in mijn leden zie ik een andere wet." Hier weer een wet. Hij had het over de wet Gods, daar verblijdt hij zich naar de inwendige mens in. Maar hier schrijft hij: "In mijn leden, in mijn lichaam, zie ik een andere wet." Een andersoortige wet. Een wet die met recht anders is. Heteros staat er eigenlijk. Dat wil zeggen: het is niet alleen een andere wet, het is een wet die andersoortig is. Een wetmatigheid. Welke is dat? Die strijd voert. Hier zijn we bij het onderwerp: de strijd. Die strijd voert tegen de wet van mijn verstand.
Dat is precies ook wat Paulus zegt en correct weergeeft. Dit is een beschrijving van een intern conflict in de mens zelf. De inwendige mens, het verstand, onderkent dat wat die wet zegt volkomen correct is. Daar kan ik niks tegenin brengen, zo is het. Maar ik zie in mijn lichaam, in mijn lichaamsleden een andere wetmatigheid en die twee conflicteren. Die voeren een strijd in mij. Een strijd buiten je kan vermoeiend zijn, maar dit is een hele ellendige strijd omdat dat binnenin de mens zelf plaatsvindt. Zodat de mens inderdaad uiteengescheurd wordt, want eigenlijk is dat wat je krijgt: waarbij het ene deel, het verstand, de inwendige mens die kant op wil en het andere deel van de mens de andere kant op. Dat is een conflict, dat is een strijd.
En dat is echt ellende. Paulus zegt dan vervolgens in hetzelfde 23e vers: "...en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde." Heb je weer een wet dus. De wet van God en de wet van het verstand onderkennen dat er op die wet Gods niks aan te merken is, maar dat conflict is killing, oftewel dodelijk. En daarom is dit absoluut niet blijmakend. Waarom die strijd, waarvan velen ook in de christenheid zeggen: "Dit is het normale christelijke leven"? Wij worden geroepen om altijd maar die strijd te voeren, elke dag weer opnieuw. We weten dat we die strijd verliezen en toch gaan wij daarmee door. Dat vind ik geen evangelie. Iedereen die eerlijk is, moet dat onderkennen. Het is geen evangelie, het is geen blijde boodschap. Men kan dan wel spreken over een blijde boodschap van Jezus Christus die bevrijdt van zonden, men zingt ook wel die liederen, maar in werkelijkheid, in de praktijk, worstelen juist christenen met de zonde.
Niet-christenen hebben er doorgaans geen boodschap aan, die zal dat worst wezen. Ik zeg niet dat die geen innerlijke conflicten kennen; in wezen is dit namelijk een universeel verhaal van iets wat je weet dat je moet doen maar wat je toch niet lukt. Dat is niet iets voorbehouden aan christenen. Maar bij christenen ligt dat nog wat sterker omdat die weten: "Ja, dat is de wet Gods en die hebben we na te horen." Wij zijn geroepen om die strijd te voeren. Ik zou zo passages uit de catechismus of uit het doopformulier kunnen aanhalen – allemaal van die geschriften die in ons christelijk vaderlandje bekend zijn – waarbij inderdaad wordt aangegeven dat dit de strijd is die wij hebben te voeren.
Waarom is dat zo'n kwalijke zaak? Omdat die strijd bij voorbaat negatief voor onszelf uitvalt. Kijk, een strijd die moed geeft – waarvan je weet: "Het is een strijd, maar we winnen" – daarvan zeg ik: "Oké, die kunnen we voeren." Met een opgewekt hoofd kun je dat doen. Maar deze strijd die hier beschreven wordt, van de innerlijke mens die weet hoe het moet, terwijl ik in mijn leden een andere wet zie... dat conflict gaat precies de kant op die jij in je inwendige mens niet wilt. Het voert strijd tegen de wet van mijn verstand – dat wat ik weet – en het maakt mij tot krijgsgevangene. Elders staat er: "die mij..." – hoe staat het er precies? Dit woord wordt elders vertaald met "mij inpakt". We weten allemaal wat een krijgsgevangene is: dat is iemand die de strijd verloren heeft en meegenomen wordt in gevangenschap. Je hebt gestreden, oké, dat is dan misschien in jouw voordeel – je hebt dan toch maar gestreden – maar dat vind ik nou niet echt blijmakend. Want het viel mij alleen maar...
Het pakt in mijn nadeel uit en maakt mij tot krijgsgevangene van de wet der zonde; die zonde die gewoon zijn werk doet. Zonde is natuurlijk geen ding, dat weet ik ook wel, maar niettemin: er blijkt dus een wetmatigheid te zijn van dat doel missen. De intenties zijn er wel, de goede wil, jawel, maar het lukt niet.
Die wet, wat je er ook van kunt zeggen, die wet mag dan de goede richting aanwijzen, maar ze is niet in staat jou de kracht te geven om dat te doen. Dat zegt trouwens het vervolg van Romeinen 7 – Romeinen 8 dus – ook heel duidelijk. Die zegt ook over wat de wet niet vermocht omdat zij zwak is in het vlees, dat wil zeggen: onvermogend. De wet mag jou dan de spiegel voorhouden, perfect, en ook vertellen: zo is het. Jawel, maar als ze je niet de kracht kan geven om te doen wat zij vereist, ja, dan heb je er dus nog niets aan. Sterker nog: dan word je eigenlijk alleen maar meer in de put getrapt of getrokken, of hoe u het ook maar zeggen wilt.
Dit zeg ik allemaal gewoon als beschrijving die de apostel Paulus zelf geeft van die strijd en waarvan we eerlijkheidshalve, christen of niet, moeten erkennen: ja, zo werkt het wel. En als je een christen bent die leeft bij de wet Gods en denkt: "daar moet ik me aan houden en die strijd moet ik voeren", dan ben je er nog des te ellendiger aan toe.
Zijn dat mijn woorden? Nee, dat zijn woorden die Paulus zelf gebruikt. Ik ben een krijgsgevangene van die wet der zonde die in mijn leden is. Zie daar die innerlijke strijd. En dan zegt hij in vers 24:
De Ellende van Ons Onvermogen en het Keerpunt van Genade ↑ hoofdstukken
Ik ellendig mens, ik ellendeling! Hoe ellendig is het met mij gesteld. Ik voer een strijd, ik ben van goede wil. Mijn verstand onderkent dat wat de wet vereist correct is, juist is. En toch ben ik niet in staat tot... Ik ellendig mens, want die strijd valt namelijk in mijn nadeel uit. En hij voegt eraan toe: "Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" Want daar heeft het allemaal mee te maken. Dat had Paulus in het voorgaande trouwens ook al gezegd: dat heeft er allemaal mee te maken dat wij in een sterfelijk lichaam leven.
In zekere zin zou je kunnen zeggen: dat is een goede boodschap. Je zal toch maar eeuwig moeten leven in dit lichaam waar die strijd plaatsvindt, die jou voortdurend tot krijgsgevangene maakt en waarbij je voortdurend het onderspit delft. Dus het feit dat je op een gegeven ogenblik de laatste adem uitblaast en dat je afscheid neemt van dit "lichaam dezes doods"... dat klinkt erg plechtig, maar het betekent gewoon: het lichaam van deze dood. Het lichaam dat in ieder geval is opgeschreven om dood te gaan. Dat is negatief, maar je zou ook kunnen zeggen dat het positief is.
Maar zolang dat moment er niet is, dus in die hele tijd die wij hier op aarde gaan, zitten wij in die strijd. Dat is wat Paulus hier beschrijft: die strijd van een vroom iemand — laten we het wel wezen — die goedwillend is, die zich naar de inwendige mens verlustigt in de wet van God. De wet van zijn verstand zegt: "Yes!" Maar in zijn leden ziet hij een andere wet en hij wordt ingepakt. Hij wordt een krijgsgevangene. Die strijd wordt in zijn nadeel beslecht. Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Wie zal me eruit redden? Uit deze strijd en uit die noodlottige uitkomst.
Aan deze uitroep die Paulus hier doet, is een heel traject voorafgegaan. Het zijn allemaal ervaringen die hij beschrijft en dan volgt de conclusie: "Ik ben een ellendeling." En de vraag is: wie zal mij daaruit verlossen, uit het lichaam van deze dood? En dan krijg je vanaf dit vers een complete omkeer. Want het antwoord is vervolgens... in onze vertalingen — als u een concordante versie hebt, staat er zelfs nog iets tussen — daar staat namelijk nog: "Voor genade." Ik ga u de technische details even onthouden, daar gaat het nu even niet om, maar vermoedelijk staat daar zelfs nog een woord tussen. Maar zelfs als het er niet staat, dan is het nog overduidelijk dat dit een keerpunt is. En zelfs wát het keerpunt is: Genade!
Trouwens, als u hier op de dia kijkt, dan ziet u hier charis. Maar charis is niks anders dan het Griekse woord voor genade. Als we zeggen: "Gode zij dank", ja, in onze taal komt dat niet zo uit de verf, maar in het Grieks zit het woord genade erin. Dank en genade zijn als het ware broertje en zusje. Als je genade ontvangt, dan komt dank daaruit voort. Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!
Dus na deze beschrijving van die ellendige strijd waarbij je helemaal wordt ingepakt, waarvan je weet: zo moet het, maar het lukt je niet... dat eigen onvermogen. Een van de kenmerkende dingen van dit hoofdstuk van Romeinen 7 is hoe vaak het woordje "ik" klinkt. Ik, ik, ik, ik, ik... Ik heb het ooit eens geteld — en dat is alweer een hele tijd geleden — maar ik kwam geloof ik boven de twintig uit. Allemaal "ik". En het feit dat dat woord zo op de voorgrond treedt, is heel karakteristiek. Als je daarop let, zie je ook je "vrome ik", want daar gaat het hier eigenlijk over. Over een goedwillende ik, ja, maar onvermogend. Dat is de ellende.
Dat betekent op voorhand dat we het van onszelf niet hebben te verwachten. Dat is wat Paulus beschrijft. Maar dat betekent tevens dat een mens nog maar één kant op kan kijken. Als je het van jezelf niet hebt te verwachten, wat doe je dan? Dan kijk je nog maar één kant op. En dat is precies ook wat het grote keerpunt is in deze beschrijvingen. Als ik het van mezelf niet kan verwachten, als ik niet in staat ben tot... dan betekent dat ik maar één kant op kan kijken. Als het moet gebeuren, dan moet het van U komen. En dat is precies wat Paulus zegt: Gode zij dank! Dat wil zeggen: door de genade die Hij geeft. Niet ik, maar Hij.
Kijk, je kunt natuurlijk zeggen: wij zijn onvermogend. Ja, maar Hij niet, toch? Je kunt natuurlijk zeggen: "Ik ben niet in staat tot..." Als we het hebben over ons vermogen, dan valt dat altijd tegen. Als je verwachtingen hebt van jezelf, raak je gefrustreerd. Dat wil zeggen: je hebt verwachtingen en het blijkt niet uit te komen. Dan mag je zeggen: "Ja, maar ik ben van goede wil." Mensen geloven daar vaak in; in het Engels spreken ze over willpower. Nou, daar geloof ik niet in. Waarom niet? Omdat je wel van goede wil kunt zijn — die wil kan heel erg goed zijn — maar hoe meer je dan strijdt tegen die zonde, hoe meer blijkt dat je het niet kunt winnen.
Tot dusver is wat ik nu gezegd heb feitelijk een ellendig bericht. Maar ik zou het niet ter sprake hebben gebracht als ik niet werkelijk een uitkomst had kunnen bieden vanuit het Woord van God zelf. En die uitkomst is dit: Gode zij dank! Ik mag dan onvermogend zijn, maar ik heb een hele hoge pet op van de God die ons gemaakt heeft. We hebben daar trouwens zojuist ook over gezongen: "Ik ben gebroken, U bent de Maker." Hij heeft ons gemaakt, en Hij heeft ons niet voor niets "vlees" gemaakt. Dat wil zeggen: gewoon zwak. By design. Zo zijn wij ontworpen: dat we zouden stuklopen op onszelf om daardoor op te zien naar boven. Ons plafond is Zijn vloer. Waar wij eindigen, daar begint Hij.
Kijk, en dat is nou het evangelie: dat ziet af van "ik", maar het gaat puur om Hem. Gode zij dank door Jezus Christus. Dat was een Mens die hier op aarde leefde en stierf als Jezus, en vervolgens opstond uit de doden en gemaakt werd tot Christus. Hij is onze Heer. In deze beschrijving — naam en titel — verwijzen ze allebei naar Zijn opstanding, en daarin is precies het antwoord gelegen. Dit is Romeinen 7.
Nu ga ik u meenemen naar Romeinen 6. Dat lijkt een wat onlogische volgorde, maar dat is het toch niet. Ik wilde eerst de vraag schilderen: die strijd tegen de zonde die Paulus zelf ook beschrijft, heel duidelijk en heel realistisch. Ieder die eerlijk is, zou zich daar gemakkelijk in kunnen herkennen. De een misschien sterker dan de ander — mensen zijn nu eenmaal verschillend — maar het principe herkennen we allemaal op de een of andere manier. Ik ben blij dat Paulus het verder ook niet invult, die zwakheden waar het over gaat, want die kunnen heel erg verschillen. Uiteindelijk maakt het namelijk ook niet zoveel verschil: we zitten allemaal in een sterfelijk lichaam. Daar zitten we in gevangen, daar hebben we het mee te doen.
En wat nu? Die strijd tegen de zonde blijkt dus een hopeloze strijd te zijn. Maar wat Paulus beschrijft in Romeinen 7... het antwoord had hij al gegeven in Romeinen 6. Daarom is Romeinen 7 een hopeloze strijd, maar dat is niet omdat Paulus dat op zich zo naar voren wil brengen alsof dat normaal is. Nee, hij geeft dat als een beschrijving van de realiteit. En vooral, let op wat ik nu ga zeggen: dit is de strijd waar ik het zojuist over had in Romeinen 7. Dit is typisch het conflict van iemand die het van zichzelf verwacht, en meer speciaal van een godsdienstig iemand, van een vroom iemand die strijdt tegen de zonde. Want je kunt het natuurlijk op allerlei manieren benaderen, maar laten we het nu eens van de positieve kant bekijken.
Het is toch maar wat om dagelijks een strijd te voeren waarvan je op voorhand weet dat het gaat mislukken. Ik heb ook vaak genoeg gesprekken gehad met mensen. Ja, ik herinner me – ik heb zelf ook zo'n reformatorische achtergrond – waarbij het als het hoogste goed wordt gezien om elke dag inderdaad te strijden en aan het einde van de dag dan gefrustreerd en schuldbewust vast te stellen: "Heere, ik kon het weer helemaal niet, maar morgen ga ik weer verder."
Ja, dit klinkt nu wat lachwekkend, het is ook wat komisch, ware het niet dat zoveel mensen zo hun hele leven voorttobben.
Romeinen 6: Eens en voor Altijd Gestorven met Christus ↑ hoofdstukken
Ik ga nu weer midden in dat hoofdstuk vallen, midden in een betoog. Dat blijkt sowieso al uit het eerste woord, want Paulus zegt: "Want". Daaruit volgt dat hij iets uitlegt. Dat klopt ook, maar het is niet zo moeilijk om hier binnen te vallen, want waar hij het over heeft, blijkt vanzelf. Het gaat hier over de Heer Jezus Christus. Er staat: "Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven." Dat wil zeggen: wat de zonde aangaat, stierf Hij eenmaal. Dat "voor altijd" staat er strikt genomen niet, maar het idee is dat Hij eenmaal stierf. Eén keer was ook genoeg; dat is definitief. Hij stierf één keer voor de zonde, met het oog daarop.
Vervolgens staat er: "Wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God." Ik heb expres dat plaatje van die weggerolde steen erbij gedaan; dat gaat over het leven dat Hij aan het licht bracht. Aan de ene kant is Hij gestorven – we hadden het zojuist al over het "lichaam dezes doods" – en daar is een einde aan gekomen. Waar het hier over gaat, is dat leven aan de andere kant van het graf, waarbij het lichaam van deze dood voorbij is. Dat ligt dus met recht achter je. Het donkere dal, wat Paulus straks ook de "oude mens" noemt: de mens voordat hij sterft.
Wat Paulus in deze hoofdstukken uiteenzet, is de aanname dat wij verbonden zijn met Iemand die stierf voor ons, voor deze hele wereld. Ook dat laat Paulus in deze brief geweldig zien in Romeinen 5. Zoals Adam alle mensen insluit en alle mensen zondaren zijn – het is geen keuze dat wij allemaal in een lichaam van deze dood zijn en dat we allemaal zondaren en stervelingen zijn – zo is dat gewoon de beschrijving van ons wezen als Adamieten, als nakomelingen van Adam. Zo zijn wij. Maar Paulus zegt in Romeinen 5 dat het ook door één Mens is dat God dat hele probleem gaat oplossen. Ook dat is allemaal design; er is nooit iets misgegaan bij God. Door die ene Mens, die eens voor altijd stierf, heeft Hij de dood nu achter Zich. Er staat in Romeinen 6 dat Hij de dood achter Zich heeft en onvergankelijk leeft. Als je de dood achter je hebt, betekent dit dat je onvergankelijk leven vóór je hebt.
Wij zijn verbonden met Hem en God ziet ons aan in Hem. Voelen wij dat? Nee, dat is geen gevoel. God ziet ons nu al zoals wij straks zullen zijn. God kijkt precies op de omgekeerde manier naar ons dan hoe wij naar elkaar kijken. Wij beoordelen elkaar op basis van het verleden, nietwaar? Als ik iemand zie, of u ziet mij, dan weet u wie ik ben op basis van wat u al met mij hebt meegemaakt of wat u van mij weet. Maar dat is allemaal mijn verleden. God doet het precies omgekeerd. Dat is onze menselijke beperking: wij kennen de toekomst namelijk niet, tenzij God daar mededeling over doet. Maar God ziet ons niet aan op ons verleden; Hij ziet ons aan op wat we straks zullen zijn. Zo ziet Hij ons nu al, zo rekent Hij. Met het oog daarop heeft Hij ons ook zo gemaakt, namelijk met het oog op de toekomst. Welnu, Christus Jezus stierf en Hij leeft nu voor God. Onvergankelijk leven bracht Hij aan het licht; leven dat eens een deel zal worden van elk mensenkind. Niet omdat ze ervoor gekozen hebben, maar gewoon omdat God dat zo gepland heeft. Gode zij dank!
Wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God. "Zo moet het ook voor u vaststaan." Inmiddels zijn we aanbeland bij vers 11 van Romeinen 6. Dat woordje "moeten" staat er eigenlijk niet; ik wijs er altijd graag op dat er helemaal niks moet. Heel vaak kun je dat woord "moeten" wegschrappen. Daarom noem ik dit ook "Goed Bericht ontmoetingsbijeenkomsten". Het is een ontmoeting. Je doet de Bijbel open, je kijkt in de vertalingen en je ziet zo vaak "moeten" staan, maar dat staat er niet. Wij ontmoeten de Bijbel en wij ontmoeten elkaar. De Heer neemt namelijk een last van ons af en dat is met recht een ontmoeting. Het is niet alleen maar een bijeenkomst. Toegegeven, dit woordspelletje gaat alleen in het Nederlands op, maar niettemin is het opmerkelijk. We komen bij elkaar om elkaar aan te moedigen. Er moet niks.
Geloof Is Niet Voelen, maar Rekenen met Wat God Zegt ↑ hoofdstukken
Maar wat Paulus hier voorhoudt, dat moet voor u vaststaan. Als je goed kijkt, dan herken je het woordje 'logica' namelijk in rekenen. Dit woord wordt heel dikwijls in het Nieuwe Testament gebruikt en het betekent inderdaad rekenen, toerekenen of aanrekenen. Het heeft niet te maken met wat je ziet of wat je voelt, maar gewoon met rekenen. Geloof is niet een kwestie van voelen. Sommige mensen denken dat wel, dat het een heel heilig gevoel is dat opgebouwd moet worden. Er komen mensen bij elkaar omdat dat gevoel opgebouwd moet worden, zodat je steeds 'higher' en 'higher' wordt. Maar geloof is heel nuchter. Het heeft niet te maken met voelen, het heeft te maken met rekenen. Dat kan trouwens ook gevoelens van vreugde veroorzaken, absoluut. Daar word je blij van. Maar begin met rekenen. Niet met zien, ook niet met ervaren.
Als je wilt weten wie je bent, moet je niet in de spiegel kijken. Dat klinkt nu wat vreemd, en je moet ook niet afgaan op je verleden of op de vraag: "Hoe is het met je?" Dan zeg je: "Nou, ik voel me wel goed." Maar dan zegt hij heel graag iemand anders na en dan zegt hij: "Hoe is het ermee?" En dan zegt hij: "Alles komt goed, en alles is ook goed in goede handen." Zo rekenen wij. En dan kun je inderdaad opgewekt zijn. Als je afgaat op je gevoel, tja, dan is het weer zus en dan is het weer zo. Sommige mensen zijn helemaal zo. Ik had zojuist in het toiletgebouw even een gesprekje met iemand die zei: "Nou ja, hoe het precies ging, daar zullen we het maar niet over hebben, maar in elk geval: stabiel." Dat is mooi. Kijk, dat is het mooie trouwens ook als je afgaat op wat je weet, op wat God gesproken heeft. Zo reken je, dat is stabiel. Dat verandert niet. Het heeft er niets mee te maken of ik lekker geslapen heb of dat ik een leuke dag heb gehad met mijn collega's. Dat heeft er allemaal niets mee te maken. Dat zijn ervaringen. Nee, het gaat om hoe je rekent.
Ik was gisteravond bij een zaalvoetbalevenement in Aalsmeer. Matthijs was daarbij. Er werd gevoetbald — ja, dat verbaasde me natuurlijk niet. Op een gegeven ogenblik, aan het eind van de wedstrijd waar mijn zoon ook in meespeelde, ging het fluitsignaal af. De scheidsrechter had de wedstrijd afgefloten, dus de tijd was voorbij. Net op het moment dat hij fluit, wordt er nog gescoord. Maar het was net een seconde daarna. Wat daarbij van belang is, is niet of het nou nog net voor of tijdens dat fluitje was, of dat het echt buitenspel was. Dat is uiteindelijk niet van belang; het gaat erom: hoe rekent de scheidsrechter? Dat is het enige wat telt. In dit geval was het in jullie voordeel, maar dat doet nu even niet ter zake. Het gaat erom: hoe wordt er gerekend?
Wij rekenen gewoon zoals God spreekt. God ziet ons volmaakt. U zegt: "Maar dat zie ik niet, dat voel ik niet." Nee, dat heeft er ook helemaal niets mee te maken. God ziet ons zo in Zijn Zoon, Christus Jezus. En als je het dus hebt over je identiteit: waar ontleen ik die nou aan? Aan mijn gevoelens? Aan mijn cv? Aan mijn prestaties? Aan hoe anderen mij zien? Alsof dat bepalend is voor wie ik ben! Er is maar één ding interessant: de Schepper, de Almachtige, Degene die mij bedacht heeft, Degene die mij gemaakt heeft, die een plan met mijn leven heeft. Hoe ziet Hij mij? En al begrijp ik daar helemaal niets van, wat dan nog? Hij heeft gesproken. God is het die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Dat kan buiten de orde vallen van hoe wij dat voelen of ervaren. Reken daarop. Dat wil zeggen: afgaande op Christus Jezus, die eens voor altijd stierf en verrezen is tot nieuw leven. Hij is opgestaan en met Hem zijn wij verbonden. Reken daarom ook dat gij dood zijt voor de zonde.
Dit is in feite het machtige antwoord dat Paulus schreef. Niet een strijd tegen de zonde. Let ook op wat er niet staat. Er staat niet dat die zonde dood is. Hij zegt: jullie zijn dood. Jullie zijn verbonden, eengemaakt met Hem die stierf, dus zijn jullie ook gestorven. Zo rekent God. Aan de zonde heb je helemaal geen enkele boodschap meer. Wat Paulus leert is niet een strijd tegen die zonde, maar het volstrekt negeren. Dood voor de zonde. Reken zo. Reken jezelf zo dood voor de zonde, en er staat bij: levend voor God in Christus Jezus.
Dat is wel van belang, want ik weet dat negeren voor sommige mensen ook een soort strijd kan worden. Dan zeg je: "Ik mag niet denken aan, ik mag niet denken aan, ik mag niet denken aan..." Ja, dan ben je nog bezig met een strijd. Je haalt twee keer adem en daarna denk je er weer aan. Het doet me altijd denken aan dat grapje van iemand die een papegaai had gekocht en die hem inmiddels al een aantal weken in zijn bezit had. Toen kwam er een vriend bij hem langs en die papegaai kraamde allemaal van die vieze, lelijke, rare woorden uit. Hij vroeg: "Wat heb jij met die papegaai gedaan?" De eigenaar zei: "Ja, ik begrijp er ook helemaal niets van. Ik instrueer hem dagelijks wat hij niet mag zeggen." Dan weet je hoe dat ook werkt. "Dat mag je niet, dat mag je niet, denk niet aan, denk niet aan..." Nee, maar kijk, negeren is inderdaad het antwoord. Maar negeren betekent niet: niet denken aan. Negeren kan door één ding: niet door jezelf dat verbod voor te houden, maar door een alternatief te hebben.
Ik ben dood voor de zonde. Wat betekent dat? Hoe werkt dat in de praktijk? Ik leef gewoon voor God. Maar wel levend voor God in Christus Jezus. Dat wil zeggen: Christus Jezus is opgestaan uit de doden. Hij leeft, en in Hem leven wij. Wij leven gewoon onbekommerd voor God. En met de zonde? Hoezo zonde? Dat ligt achter ons. We zijn een nieuwe schepping. Feitelijk nemen wij dan al een voorschot op wat zal zijn in de nieuwe schepping. Daar hebben we die strijd ook niet meer en hebben we niets meer te maken met de zonde. Dat mag niet en dat helemaal niet... Nee, we leven alleen voor God en de zonde is gewoon voorbij. Wat Paulus voorhoudt, is dat wij nu al zo leven. Met de zonde hebben we niets meer te maken.
Ik weet wat ik nu zeg; er worden altijd stevig verkeerde conclusies uit getrokken. En ik moet zeggen: ik ben daar eigenlijk wel blij mee, want ik bevind me namelijk in goed gezelschap. Paulus had dat namelijk ook. Moet u maar opletten wat er vervolgens staat in Romeinen 6: "Wat zullen wij dan zeggen? Laten we zondigen, want God rekent het allemaal toch niet aan?" Dan zou het betekenen dat je jezelf nog steeds rekent als een zondaar. Ik zal u nog eens wat vertellen: wij die geloven en verbonden zijn met Christus, wij zijn gestorven. De zonde is voorbij. Wij waren zondaren. Dat zegt Paulus ook in Romeinen 5: toen wij nog zondaren waren. Dat ligt achter ons. Maar ben je dan geen zondaar meer? Nee. Maar ervaar je dat? Zo reken ik! En ik leef gewoon voor God, onbekommerd; met de zonde hebben we niets te maken. Begin de dag dus niet met: "Heer, helpt U me vandaag in de strijd tegen de zonde." Hoezo zonde? Die bestaat niet en is volstrekt buiten de orde. Dat ligt niet eens in onze horizon. Dat is wat Paulus zegt: reken daar niet mee. Leef gewoon! Ik bedoel: leef, ja. Niet overleven, maar leef. Want dit is helemaal geen overleven; dit is een leven dat de dood met recht volkomen achter zich heeft liggen. Het is niet meer in het vizier. Wij leven voor God in Christus Jezus.
Ik ga even verder in hetzelfde hoofdstuk, vers 14. Daar zegt Paulus: "Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren." Die zal geen heer over jullie zijn.
Nu weet ik wel wat mensen daarover zeggen. Ik bedoel christelijk-godsdienstige mensen, vrome mensen. Ik zeg het met alle respect, al klinkt er een cynische ondertoon in, maar die kan ik helaas niet wegtoveren, want daar zit inderdaad iets cynisch in als het er helemaal op aankomt.
Wat er altijd over die wet gezegd wordt: die is inderdaad volmaakt. De eisen zelf zijn... daar is niets kwalijks over te zeggen. De wet is heilig, rechtvaardig en goed. Maar ze is compleet onvermogend om u een beter leven te geven.
Sterker nog, dat was Romeinen 5 vers 20: de wet is 'erbij gekomen', staat er. In de vertalingen wordt het vaak weggemoffeld, maar daar staat het echt: er staat 'bij'. De wet is gegeven opdat de zonde zou toenemen. Ik weet wel dat alom wordt verteld: "Ja, je moet de mensen de wet voorhouden, want dan gaan mensen beter leven." Het tegendeel is waar.
En ook daarvoor kan ik de Schrift laten spreken, maar ik kan ook gewoon eerlijk een beroep doen op wat u weet. Het is namelijk zo: iedereen weet dat Paulus zegt in 1 Korinthiërs 15 vers 56 dat de kracht van de zonde de wet is. Romeinen 7 spreekt over de prikkel der zonde; de wet prikkelt het alleen.
Nu lees ik even verder: "De zonde zal over u geen heerschappij voeren." Waarom? "Nee, want wij leven onder de wet", zou je kunnen verwachten. De zonde zal over u geen heerschappij voeren, want wij voeren die strijd, wij leven onder de wet... maar nu gaan we kijken wat er echt staat.
Vrij van de Zonde: Niet Onder Wet, maar Onder Genade ↑ hoofdstukken
Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren. Want – let op – gij zijt niet onder wet. Het gaat hier niet eens over een specifieke wet, maar gewoon over het principe van wet. Gij zijt niet onder wet, maar onder genade.
Hoe komt het dat je werkelijk leeft zonder dat de zonde heerschappij over je voert? Dat komt omdat je onder genade leeft. Ik kan het ook andersom zeggen: als je leeft onder de wet, dan voert de zonde heerschappij over je leven. Want wij denken bij de heerschappij van de zonde vaak dat dit betekent dat je voortdurend aan het zondigen bent. Maar ik zal u vertellen: je bent net zo goed een slaaf van de zonde en je wordt er net zozeer door beheerst als je er altijd maar strijd tegen voert. Dan word je er net zo goed door beheerst.
Het geldt niet alleen voor degenen die – u kunt de voorbeelden voor uzelf wel bedenken – gewoon voor het vaderland wegleven en zich nergens om bekommeren. Dan zeg je: dat is leven onder de heerschappij van de zonde. Maar wat Paulus hier zegt, is dat leven onder de heerschappij van de zonde juist plaatsvindt wanneer je leeft onder wet. Dan word je namelijk net zo goed beheerst door die wet: "Dat moet je niet doen." En vervolgens volgt de ervaring van Romeinen 7, dat je niet in staat bent tot wat het goede is. Dat is ellende.
Maar wat Paulus hier vertelt, is dat wij met de zonde niets meer te doen hebben. We zijn dood voor de zonde en we zijn verbonden met Christus Jezus. Hij stierf eens voor altijd; Hij leeft en wij leven met Hem. En de zonde? Hoezo zonde? Wij regeren! Het is makkelijk te onthouden: wij regeren in het leven. Zo zegt Paulus dat ook in Romeinen 5 vers 17. Wij regeren door te negeren. Dood voor de zonde, levend voor God.
Romeinen 8: Leven bij de Geest en Niet Naar het Vlees ↑ hoofdstukken
Dan gaan we naar Romeinen 8, een vers dat nog wel eens een keertje wordt aangehaald om aan te geven dat wij inderdaad zouden moeten strijden tegen de zonde. Tot dusver hebben we precies het tegenovergestelde gezien. Ik had veel meer schriftplaatsen kunnen aanhalen, maar ik beperk me vandaag alleen maar tot een paar cruciale hoofdstukken en uit die hoofdstukken nog weer een aantal verzen. Je zou natuurlijk het hele betoog moeten lezen; het is zo duidelijk en het wordt zo dikwijls altijd weer verdraaid. Want zo wordt het namelijk verteld: altijd weer die strijd tegen de zonde. Dat wordt dan opgehemeld, dat is dan het ideaal, ook al weet men dat het tot niets leidt. Het is dramatisch. Onderwijl spreekt men over Jezus Christus die ons bevrijdt van de zonde. "Hoezo?", denk ik dan. Dat is toch hypocriet? Of in ieder geval — nou ja, hypocriet is misschien meteen een moreel oordeel, maar zo bedoel ik het niet — ik wil zeggen dat die twee conflicteren. Dat is toch niet een leven in de zonneschijn? Kijk naar wat Paulus in Romeinen 6 beschrijft: dat we dood zijn voor de zonde, want we leven onbekommerd voor God. Dat vind je heerlijk om zo te mogen leven, dag in dag uit voor Hem. Dat is met recht onbekommerd, want die zonde en de dood heb ik achter me gelaten. Dat is met recht een nieuw leven.
Maar nu even Romeinen 8 vers 13: "Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven." Weet u wat dat is? Niet "in het vlees"; het vlees zelf, ja, dat is gewoon het lichaam. Ik weet wel dat daarvan ook maar wordt gezegd dat het zondig is, maar dat zegt Paulus niet hoor. Paulus zegt in Efeziërs 5: "Niemand haat toch ooit zijn eigen vlees, maar je voedt het en je koestert het." God is degene die dat gemaakt heeft. Oké, het is sterfelijk, dat is waar; beperkt houdbaar, zeg maar. En het is niet geschikt om leiding te geven. Dat is waar het hierover gaat. "Naar het vlees leven" wil zeggen dat het vlees jouw patroon is; het is datgene waar jij je naar voegt. Het vlees geeft de lijn aan. De impulsen en de prikkels die dat vlees geeft, daar voldoe je aan. Dat is jouw leidmotief. Kijk, dat is naar het vlees leven. Nou, dan zul je sterven. Dat is een stervensproces, ook geestelijk gezien.
Ik moet even vervolgen: "...maar indien gij door de Geest..." Ja, nu lijkt dat misschien een erg puntkomma-kwestie, maar ik moet er toch even op wijzen. Er staat niet "door de Geest". Dat woord "door" kun je doorschrappen. Er staat hier een naamval — dat kennen wij in het Nederlands allemaal niet zo erg meer — die de plaats aanduidt: in geest of bij-GEEST. Het is niet een instrument; het is niet zo van... nou ja, ik kom er straks nog even op terug. Laat ik eerst nog even verder lezen: "Indien gij in geest of bij geest de werkingen van het lichaam..." Letterlijk staat er: de praktijken van het lichaam. Dat wil zeggen de praktijken als je leeft naar het vlees en gewoon alles doet wat je lichaam ingeeft. Ja, dan zijn de werkingen van het vlees heel dom, dat weten we allemaal. Als een mens alleen maar doet wat zijn lichaam aangeeft, of reageert op alle prikkels, daar word je dood- en doodongelukkig van. Daar ga je van dood, daar sterf je aan. Dat is wat Paulus ook zegt.
"In geest" of "bij geest" de praktijken van het lichaam doden, dan zult gij leven. En weet u wat men dan zegt? "Wij moeten die praktijken van het lichaam doden." Maar dat is niet wat er staat. Er staat gewoon: "Indien gij in geest de praktijken van het lichaam doodt..." Het punt is: daar waar wij leven bij geest, daar worden de praktijken van het lichaam gedood. Dat is namelijk eigen aan het leven bij geest. Ik kom straks bij die uitdrukkingen nog even terug om te vertellen wat dat dan is.
Maar het leven bij geest, laat ik een voorbeeld geven: als ik in het water spring, dan worden mijn kleren nat. Dan máák ik mijn kleren nat. Moet ik daar iets voor doen om mijn kleren nat te maken als ik in het water ben? Nee, dat gaat automatisch. Ik bevind mij in het water en het water doet gewoon zijn werk. Dat is de omgeving waarin mijn kleren nat worden. Dus ik maak mijn kleren nat door mij in het water te begeven. Wat Paulus zegt is: als je bij geest of in geest leeft, dan dood je de werkingen, de praktijken van het lichaam. Niet omdat je dáármee bezig bent — integendeel, je leeft bij geest en dat is "killing". Ik gebruik expres dat woord. Dat is dodelijk voor die praktijken van het lichaam. Dan leef je met recht.
En nu wil ik nog iets zeggen, en dat is echt het laatste: wat dat leven bij geest dan is. Is dat vaag? Nee, ik heb het zojuist al even aangegeven. Dat is leven waarbij je rekent met het Woord van God, met wat Hij gesproken heeft. Er is een prachtig vers dat antwoord geeft op de vraag wat dat leven bij geest is.
Johannes 6: het Overwinningsleven Door Zijn Levendmakende Woord ↑ hoofdstukken
En dat heb ik gevonden in Johannes 6. Er zijn meer plaatsen die dat antwoord geven, maar Johannes 6 maakt het zo perfect duidelijk. In vers 63 gaat het ook weer over dat geopende graf. De hele Bijbel gaat feitelijk daarover: de dood heeft niet het laatste woord. Dat mag ons plafond zijn, ons einde, maar daar begint juist het goede bericht met nieuw leven, onvergankelijk leven dat de dood achter zich heeft. Die steen is weg.
De Geest is het die levend maakt. Waarbij ik trouwens zeg dat Geest en leven feitelijk synoniem zijn. Geest is dat wat maakt dat je leeft; als je de Geest ontvangt, dan ga je leven, en als je de Geest geeft, dan sterf je. Geest is leven. En die Geest is het die ook levend maakt. De Bijbel spreekt over Christus Jezus als de laatste Adam; Hij is een levendmakende Geest. Dat is met recht vitaliteit. Wij kennen hier natuurlijk ook vitaliteit in zekere zin, maar ach, dat is heel betrekkelijk. Een vitaal lichaam? Hoe vitaal je ook bent, het is toch een stervend lichaam. Maar dít is echt vitaliteit: onvergankelijk, bruisend, krachtig en alles trotserend. Dat moet je van boven hebben.
Het vlees doet geen nut; het lichaam kan daar geen bijdrage aan leveren. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje: het vlees doet geen nut. Als je leeft volgens de impulsen van het lichaam — dat zijn de praktijken van het lichaam — dan kom je alleen maar in een steeds dieper dal en een diepere put terecht. Het vlees doet geen nut en kan jou geen leven geven. We praten nu over iets wat geeft, niet over iets wat vraagt waar jij aan moet voldoen. God zegt: "Ik ga volkomen voorbij aan jouw onvermogen, daar hebben we het niet eens over. Ik ben in staat tot Geest en leven."
Het vlees doet geen nut. De woorden die Hij gesproken heeft — en ik voeg eraan toe: ook de woorden die Hij later gaf toen Hij eenmaal opgevaren was en via de apostel Paulus de openbaringen deed — dat zijn de woorden van de Heer. Wat Paulus doorgaf in de Romeinenbrief zijn de woorden van de Here Jezus Christus zelf. Daarvan zegt Hij: "Die zijn Geest en zijn leven." Waarbij je trouwens weer ziet dat Geest en leven synoniem zijn en hand in hand gaan. Geest is leven. Maar het heeft allemaal hiermee te maken: met het geopende graf dat leven geeft. Dat is Geest.
Mensen denken bij Geest altijd aan iets heel vages. Nou, ik niet. Ik denk bij Geest aan dat wat leven maakt, en dan denk ik aan Zijn woorden. Ik leef bij Zijn Woord. Als ik wandel in de Geest, dan leef ik bij Zijn woorden. Daar reken ik mee. Wie ben ik? Wat is mijn toekomst? Wat is deze schepping? Ik reken vanuit het Woord van God. Dat geeft Geest, leven, vitaliteit en kracht. Dat overwint alles. Die woorden zijn Geest en ze zijn leven.
Dat is met recht overwinningsleven. Niet doordat wij strijden, want de strijd is gestreden. Hij heeft die strijd gestreden en wij staan gewoon in Zijn overwinning. Dat is de mooiste overwinning die je kunt bedenken: een overwinning kennen, een triomf, zonder dat we zelf een strijd hebben gevoerd. Daarom zegt Paulus ook dat we meer dan overwinnaars zijn. Dat is een overwinning kennen terwijl een ander de strijd heeft gestreden. Moet je je voorstellen dat er een bokser thuiskomt bij zijn vrouw nadat hij een wedstrijd heeft gewonnen en een heel kapitaal heeft verdiend. Hij zegt tegen haar: "Alsjeblieft, dit is van jou." Die vrouw krijgt de prijs terwijl hij heeft gestreden. Dan ben je meer dan een overwinnaar: de prijs krijgen terwijl Hij de strijd streed. Hij is degene die alles verricht. Nou, is dat een blijde boodschap of niet?
UltimateGoodNews