Het Slot Van Handelingen 28
19-04-2015 - Geplaatst door Andre PietPresentatie gehouden op 19 april 2015 te Urk.
Met Handelingen 28 sluit het tweede boek van Lucas af. Het begon allemaal in Jeruzalem met de spannende vraag van de twaalf “Heer, herstelt u in deze tijd het Koninkrijk voor Israël?” (Hand.1:6). Het antwoord tekent zich af door de hoofdstukken heen. Jerzualem verwerpt ook de boodschap van de opgestane Messias en buiten het land wordt een dertiende apostel geroepen, Saulus alias Paulus. Als Jeruzalem officiëel het Evangelie verwerpt wordt het via Paulus gezonden naar de natiën. Dat is de boodschap die Paulus vanaf Handelingen 13, eerst aan de Jood (in de synagoge), bekend maakte. Totdat hij in de Romeinse hoofdstad als een geketende ambassadeur het slotwoord spreekt: Israël bekeert zich niet en zal in (deze tijd) niet worden hersteld.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: het Dubbelzinnige Slot van Handelingen
- De Voorgeschiedenis: Paulus Roept de Joodse Voormannen in Rome Bijeen
- De Onbekende Paulus en de Beruchte Sekte van de Nazareners
- Paulus Levert het Overtuigende Bewijs Vanuit de Schriften
- Het Treffende Slotwoord van Paulus uit de Profeet Jesaja
- Het Vette Hart en de Door God Beschikte Verharding van Israël
- Het Keerpunt: het Heil van God Werd Naar de Natiën Gezonden
- De Typologie van de Tweejarige Verborgen Tijd in Rome
Introductie: het Dubbelzinnige Slot van Handelingen ↑ hoofdstukken
Ik ben blij dat ik hier vanmiddag weer eens in uw midden mag zijn. U ziet hier achter mij geprojecteerd waar we het vanmiddag over moeten gaan hebben: het slot van Handelingen 28. In mijn aanvankelijke aankondiging had ik het iets anders geformuleerd, namelijk Handelingen 28 vers 28, maar ik heb me de vrijheid gepermitteerd om daar iets van af te wijken. Ik wil het wat breder trekken en niet alleen over dat specifieke vers spreken, maar ook het verband en de omliggende verzen aan de orde stellen. Met recht dus: het slot van Handelingen.
Ja, en dat is hoofdstuk 28, de laatste verzen die we eens nader willen bezien. Daarbij moet ik ook aantekenen dat als ik het zo formuleer – het slot van Handelingen 28 – ik dat ook dubbelzinnig bedoel. Het is namelijk niet alleen maar de afsluiting van het boek en de afsluiting van het hoofdstuk; het is ook in een ander opzicht, in zinnenbeeldig opzicht, een slot. Dat wil zeggen dat het niet alleen de afsluiting van het boek is, maar dat het ook gaat over een afsluiting. Een hoofdstuk, zoals wij dat ook in het Nederlands plegen te zeggen, wordt afgesloten. Namelijk een hoofdstuk waarin Israël als natie, als volk, centraal stond. Dat wordt afgesloten en in dat opzicht is het dus ook een slot: het slot van Handelingen 28.
En ik wil eerst even de voorgeschiedenis met u doornemen.
De Voorgeschiedenis: Paulus Roept de Joodse Voormannen in Rome Bijeen ↑ hoofdstukken
Ik begin te lezen vanaf vers 16. Ik wil daar niet al te veel over zeggen, maar om het gedeelte vanaf vers 23 goed te begrijpen – want ik wil echt de bespreking aanvangen bij vers 23 tot aan het einde, dat wil zeggen vers 31 – lijkt het me wel verstandig om eerst even te beginnen met lezen bij vers 16, zodat we een klein beetje weten waar we het over hebben: de situatie die daar wordt beschreven door Lukas.
En toen wij – en als daar staat 'wij', dan sluit de schrijver zich daarbij in, dat wil zeggen Lukas. Lukas is hier bij de apostel, bij Paulus die inmiddels dus in Rome is aangekomen. Waar het hele boek al – nou ja, ik zeg het hele boek, dat is niet helemaal waar, maar in ieder geval vele hoofdstukken hiervoor – al op gezinspeeld werd en aan gerefereerd werd. Paulus zou inderdaad naar Rome gaan. Hij had zich beroepen op de keizer en naar de keizer zou hij ook gaan, en dus naar Rome, naar de hoofdstad van dat rijk.
En toen wij te Rome aangekomen waren, kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaten die hem bewaakten. Dat wil zeggen dat Paulus dus een gevangene was; dat was hij al vele hoofdstukken lang trouwens. Hij had ook al twee jaar gevangen gezeten – let even op die termijn: twee jaar – in Caesarea, aan de kust ten noorden van Israel. En nu, door allerlei omstandigheden die ook bepaald niet makkelijk waren – u weet, Handelingen 27 beschrijft de schipbreuk – was de zeereis bepaald niet voorspoedig verlopen.
Maar ook dat alles – en dat vind ik zo mooi – blijkt weer niet alleen maar een historische beschrijving te zijn, zo van: zo is het gegaan. Nee, het dient ook het doel dat Lukas wil neerzetten, namelijk wat hij beschrijft: hoe de boodschap gericht aan Israel schipbreuk heeft geleden. En hoe het schip, een beeld van Israel, ten onder gaat in de volkerenzee. Dat is een prachtige uitbeelding. Maar ze kwamen wel, lees je dan, allemaal behouden aan; dat lees je aan het einde van hoofdstuk 27.
Afijn, hij is daar dus een gevangene, maar met een betrekkelijk grote vrijheid. Hij krijgt verlof om op zichzelf te wonen, maar geketend aan een soldaat, met de soldaat die hem bewaakte. Ik kom er straks nog wel even op terug. Maar dan lees je: en het geschiedde na drie dagen dat Paulus de voormannen van de Joden samenriep. Daar in Rome dus. Daar was een hele grote Joodse gemeenschap waar in die tijd trouwens nogal wat om te doen is geweest. Want de Joden hadden bepaald niet – dat is niks nieuws onder de zon – een goede reputatie, in ieder geval niet bij de keizer. Ook daarover wordt al eerder in het boek Handelingen gesproken.
In elk geval, de voormannen van de Joden riep hij samen en toen zij bijeengekomen waren, zei hij tot hen: "Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoonten" – dat wil zeggen alle gebruiken die zij als volk ook kenden – "ben ik uit Jeruzalem gevankelijk overgeleverd in de handen van de Romeinen." Dus het is door toedoen van zijn eigen volksgenoten dat hij nu gevangen is en is overgeleverd aan de Romeinen. Hij vertelt er trouwens niet bij wat daarvan de reden is; hij zegt alleen dat in ieder geval de aanklacht niet is dat hij iets heeft gedaan tegen ons volk, of iets gesproken heeft tegen ons volk of zelfs ook maar tegen de voorvaderlijke gewoonten.
Dan zegt hij: "Ik ben uit Jeruzalem gevankelijk overgeleverd in de handen van de Romeinen, die na onderzoek mij wilden vrijlaten." Dus als het aan de Romeinen had gelegen, was Paulus gewoon een vrije man. Dat hij een gevangene was, dat hij geketend was, dat was puur omdat zijn volk, het Joodse volk, dat zo heeft besloten en gedaan en in actie is gekomen. Dat is allemaal voorgeschiedenis die voorafgaat aan Handelingen 28. Lukas heeft het allemaal uitgebreid beschreven.
Afijn, die Romeinen dus, die na onderzoek mij wilden vrijlaten omdat er – zo was hun oordeel – bij mij van geen halsmisdaad sprake was waarop de doodstraf zou staan. Voor de Romeinen was de hele kwestie niks anders dan een interne Joodse discussie, en daar wilden zij zich niet mee inlaten.
Ik lees verder: "Maar toen de Joden in verzet gingen..." De Romeinen hadden geoordeeld dat hij onschuldig was en dat er geen sprake was van een halsmisdaad, maar de Joden waren het daar totaal niet mee eens. Toen de Joden in verzet gingen, werd ik genoodzaakt... Ook daarvan lees je in het voorafgaande, in Handelingen 25. Je leest daar dat toen de Romeinen zo geoordeeld hadden – de stadhouder Festus had dat geoordeeld – ze vervolgens een moordaanslag hebben beraamd op Paulus. Dat lees je in dat 25e hoofdstuk. Daardoor werd Paulus genoodzaakt zich op de keizer te beroepen.
Om er nog iets bij te zeggen: die Joden wilden namelijk dat hij berecht zou worden in Jeruzalem, maar ze hadden de gedachte dat hij gekidnapt zou worden en dat hij omgebracht zou worden tijdens zijn reis van Caesarea naar Jeruzalem. Dat was de reden dat ze in verzet gingen. Maar omdat Paulus daar via een neefje van hem op de hoogte was gebracht, heeft hij zich beroepen op de keizer. Hij wilde niet naar Jeruzalem, want dat zou zijn einde betekenen. Hij heeft zich toen op de keizer beroepen; daartoe was hij genoodzaakt.
Hij zegt niet – en dat zegt hij er heel uitdrukkelijk bij in dit Joodse gezelschap, hij praat hier immers tegenover Joodse voormannen, mannen van aanzien in de synagoge en wat dan ook – hij benadrukt niet dat hij zijn volk van iets wilde beschuldigen. Dat was totaal niet aan de orde.
Dan verhaalt hij verder: "Daarom heb ik verzocht u te zien en toe te spreken." Hij is zojuist kort daarvoor in Rome gearriveerd. "Ik heb verzocht u te zien en toe te spreken, want," zegt hij, "om de hoop van Israel..." Wat is die hoop van Israel? In ieder geval de beloofde Messias; dat was waar Israel naar uitzag. Immers, die was beloofd in hun eigen boeken, in hun eigen geschriften, in de Tenach. Bovendien ook de opstanding. Ik heb hier een aantal schriftplaatsen bijgezet zonder er trouwens naartoe te gaan, maar waarin ook duidelijk staat dat het inderdaad daarom gaat. De hoop van Israel, dat wil zeggen de Messias, om de Messias-verwachting en bovendien om de opstanding. Als je die twee combineert, dan krijg je dus: om de opgestane Messias, daarom draag ik deze keten.
Ik zeg dit er trouwens nog even bij omdat sommige mensen – en nu kom ik erg dicht bij het onderwerp wat de aanvankelijke aanleiding was voor deze middag en voor dit schriftgedeelte – hieruit geconcludeerd hebben: "Zie je wel, Paulus geloofde in zijn bediening gedurende het hele boek Handelingen nog dat Israel in zijn dagen tot bekering zou komen." Dat leidt men ook af uit zo'n formulering. Hij zegt: hier is nog sprake van de hoop van Israel. Maar dat is veel te kort door de bocht. Want de hoop van Israel is, zoals we zeggen, de Messias, de opstanding, of zo u wilt: de opgestane Messias.
Bovendien – maar dat zal ik straks ook nog wel laten zien, of daar zullen we het in ieder geval over hebben – wist Paulus dat Israel zich niet zou bekeren. Dat wist hij vanaf de aanvang. Dat is niet iets waar hij pas aan het einde van het boek achter komt. Nee, hij wist dat vanaf het moment dat hij naar de natiën toe ging. Paulus wist meer, veel meer dan de twaalf. De twaalf waren erop gericht dat Israel tot bekering zou komen, maar Paulus werd juist geroepen als een dertiende apostel buiten het land. Hij wist het; hij is ook door de Heer zelf onderwezen, rechtstreeks.
En hij wist: Israël zal zich niet bekeren in deze dagen. En daarom is het heil naar de natiën gegaan.
Nou, ik heb het al even aangestipt, maar ik lees verder. In de Efeziërsbrief, in de meeste vertalingen, staat het in het meervoud, maar het staat eigenlijk in het enkelvoud. Hij had kennelijk gewoon één keten om en daar zat hij meestal aan vast, met die soldaat dus. Het staat in het enkelvoud.
Maar hij was dus geketend. Ik ga ervan uit – hij was in ieder geval altijd bewaakt – en zo af en toe zal hij vastgeklonken zijn aan die soldaat. Ik weet niet precies hoe dat gegaan is, maar in elk geval kreeg hij dus betrekkelijke vrijheid. Ik neem toch aan dat hij niet altijd vastzat aan die soldaat, maar in elk geval droeg hij deze keten. En dan zegt hij: maar zij...
De Onbekende Paulus en de Beruchte Sekte van de Nazareners ↑ hoofdstukken
Dat zijn dus de Joodse voormannen die hij bijeengeroepen had. Zij zeiden tot hem: "Wij voor ons hebben geen brieven over u uit Judea ontvangen." De figuur van Paulus was hen kennelijk onbekend. Hoewel de algemene gedachten en de hele beweging hen zeker niet onbekend waren – dat zal ik straks ook nog laten zien – was de naam Paulus hen in Rome niet bekend. Dat staat in schril contrast met de situatie in Jeruzalem, want daar was het een beruchte naam. Ik zeg het expres zo: geen beroemde naam, maar een beruchte naam, uiterst berucht zelfs. Paulus had een zeer slechte reputatie in Jeruzalem, zoals we weten uit Handelingen 21.
Zij zeiden tot hem: "Wij voor ons hebben geen brieven over u uit Judea ontvangen en ook is niemand van de broeders iets kwaads van u komen boodschappen of spreken." Zij wisten dus verder niets specifieks over hem persoonlijk. "Maar," zeggen zij, "wij stellen het wel op prijs van u te vernemen welke uw denkbeelden zijn." Als u een Statenvertaling hebt, dan staat er letterlijk: "wat gij gevoelt." Hoe je gezind bent. Een andere vertaling geeft het heel vrij weer door te vertalen met "welke uw denkbeelden zijn": hoe je gedachten zijn, waar je naar uitgaat, hoe je geneigd bent. Dat is een beetje het idee.
Dat willen ze graag van hem vernemen en dat gaan ze motiveren. "Want," zeggen ze, "wat deze sekte betreft: ons is bekend dat zij overal tegenspraak vindt." Van hem specifiek wisten ze niets, maar van de sekte die hij vertegenwoordigde, daarvan was hen genoeg bekend. "Ons is bekend dat zij overal tegenspraak vindt." Dat is nog steeds zo. Alleen al het feit dat er staat dat ze overal tegenspraak vinden, betekent dat ze ervan op de hoogte zijn dat deze sekte zich wereldwijd verspreid had, ook onder de natiën. Die beweging was overal al aanwezig, en dat was juist via Paulus gegaan. Dus de naam kenden ze niet, maar het feit van wat er gebeurde door zijn boodschap, was hen wel bekend. En wat ze ook wisten: het riep overal tegenspraak op, met name natuurlijk binnen hun eigen volk.
Trouwens, dat woord 'sekte' heeft bij ons een heel specifieke, negatieve klank. We denken dan meteen aan een gesloten groep met een dictatoriale leider waar je wel in kan maar niet meer uit. Dat is echter niet de directe Bijbelse betekenis van het woord sekte. Ik zal u dat laten zien vanuit het boek Handelingen. Het gaat om het woord hairesis. In het Engels zeggen ze heretic, wat 'ketter' betekent. Bij een ketter denk je weer aan de uitdrukking 'roken als een ketter'. We hadden het er voor de Bijbelstudie nog even over: ketters belandden vroeger op de brandstapel en dus 'rookten' ze. Heeft u ooit die link gelegd? U dacht waarschijnlijk alleen aan het roken van een sigaar, maar dat woord komt daarvandaan.
Het woord sekte wordt in het boek Handelingen diverse keren gebezigd. Dan wordt er gesproken over de sekte van de Sadduceeën, wat simpelweg de partij van de Sadduceeën betekent. Het hoeft dus niet per definitie een negatieve klank te hebben; het is een bepaalde partij, een richting die een favoriete leider of leer heeft, of een bepaalde praktijk of gebruik. In hoofdstuk 15 vers 5 wordt gesproken over de sekte van de Farizeeën, waar de roots van Paulus zelf lagen. En in Handelingen 24 vers 5 wordt gesproken over de "sekte der Nazarenen". Dat is de groepering van de Nazarener, van die Man van Nazareth. Daar zat natuurlijk verachting in, maar zo werden zij genoemd: de sekte der Nazarenen.
Trouwens, in het modern Hebreeuws is dat nog steeds zo. Christenen worden in het Ivriet Notzrim genoemd, en dat komt weer van Nazareth. Nazareners dus. In hetzelfde hoofdstuk zegt Paulus nog over "de weg die zij een sekte noemen." Kijk, de Nazareners, de christenen zo u wilt... Het woord 'christenen' is overigens geen eretitel. Het was geen term die de gelovigen zelf gebruikten. In Antiochië lees je voor het eerst dat de discipelen christenen genoemd werden. Zij noemden zichzelf niet zo; anderen noemden hen zo, en waarschijnlijk was het geen eretitel. De gelovigen noemden zichzelf heel vaak "De Weg". Waarom het zo heet, lijkt me niet zo moeilijk: zij wezen op de weg, de enige weg. De Weg, de Waarheid en het Leven.
Zo noemden zij zichzelf, maar de Joodse leiders spraken over een sekte, een richting of partij, eventueel met nog negatievere gedachten. Maar het loutere feit dat dat hier zo staat, is toch wel weer treffend. Want in die dagen was de boodschap heel duidelijk. Paulus kwam inderdaad overal, maar overal riep hij tegenspraak op. Vandaag de dag heeft de boodschap bij de buitenwereld, en vooral onder godsdienstige mensen, nog steeds de reputatie een sekte te zijn. Dus als u zich ongerust maakt over het feit dat andere gelovigen vinden dat u 'ketterse' dingen denkt in hun ogen, dan ben je in hun ogen sektarisch. Als je buiten de mainstream godsdienstigheid valt, ben je een sekte die overal tegenspraak krijgt en protest oproept. Dan ben je eigenlijk een protestant. Nou ja, denk daar maar eens over na.
In elk geval, nu komen we bij de eigenlijke bespreking. Dit was de voorgeschiedenis die ik wilde noemen; de aanleiding voor het dispuut dat Paulus voert en zoals dat in het boek Handelingen afloopt en afgesloten wordt. Goed, die Joodse voormannen hebben dus hun verhaal gedaan.
Paulus Levert het Overtuigende Bewijs Vanuit de Schriften ↑ hoofdstukken
En dan lees je vers 23: "En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken..." Dat is eigenlijk letterlijk zoiets als 'verordend'. Ze hadden een dag geprikt, zal ik maar zeggen. En toen kwamen er meerderen tot hem. Er staat 'verscheidenen', maar het idee is in dit geval 'meerdere' of 'het merendeel'. Dat zou je niet direct denken bij het woord verscheidenen, maar het merendeel kwam tot hem. Zij waren kennelijk toch geïnteresseerd in die sekte die zoveel tegenspraak opriep. Wat is dat dan wel? En wat heeft hij, dat mannetje, dan wel te melden? Ik zeg het een beetje badinerend, maar ik stel me zo voor dat dit ook de toon is geweest in Rome, daar bij de Joodse voormannen.
Afijn, er kwam het merendeel tot hem in zijn verblijf. Eigenlijk staat er 'in zijn gastverblijf'. Dat was dus zijn eigen gehuurde woning. Straks zullen we dat nog zien; in de laatste verzen wordt dat zo gezegd. Paulus verbleef in zijn eigen verblijf. Trouwens, dat zagen we zojuist ook al, toch? Hij kreeg verlof om op zichzelf te wonen en hij heeft inderdaad een woning gehuurd, en daar is hij twee jaar gebleven.
Nou, ze komen daar in zijn verblijf en dan lees je dat, als zij daar zijn, hij met nadruk — of 'betuigend' staat er — het Koninkrijk van God voorstelde. En dan moet u zich goed realiseren dat als we het hebben over het Koninkrijk van God, dat een begrip is dat die Joden maar al te goed kenden. Gewoon omdat het een begrip is dat direct gekoppeld is aan dat wat de profeten, de Hebreeuwse profeten, hadden voorzegd. Wat God bij monde van Zijn profeten had gezegd, namelijk dat daar een koninkrijk zou komen. Inderdaad een koninkrijk, een rijk van een koning, en men wist ook wie de koning was en uit welk geslacht hij zou komen: uit het geslacht, uit het zaad van David. En hij zou de troon van David, die in die dagen al zoveel eeuwen vakant was, weer herstellen. De vervallen hut van David. Dat koningshuis, die monarchie of die dynastie, was vervallen; er was niets van overgebleven. Die zou hersteld, gereconstrueerd worden. En de Koning zou komen, de Messias, de Mashiach. En hij zou zijn koninkrijk vestigen. Dat wil zeggen: het Koninkrijk van God, maar dat is het koninkrijk in Israël en van Israël. En het zou zich vervolgens wereldwijd uitbreiden; het zou een wereldrijk worden, zoals men dat ooit gekend had in de dagen van Salomo, de zoon van David. Ik zeg het expres even zo dubbelzinnig.
Met nadruk stelde hij het Koninkrijk Gods voor. Ik benadruk dit nu dus ook even, zoals Paulus het trouwens ook met nadruk heeft gezegd. Dit zijn dingen die jullie kennen vanuit de wet van Mozes en de profeten. Want wat hij deed, was de Schrift openen. En hij heeft het Koninkrijk van God voorgesteld dat ze kenden, en dan staat er: "pogende hen te overtuigen". Dat 'pogen' staat er helemaal niet. Er staat 'overredende', letterlijk 'overtuigende'. En dat betekent dat het er niet zozeer om ging dat Paulus iets probeerde te overtuigen, hen probeerde te overtuigen; hij kwam gewoon met overtuigend bewijs. Dat niet iedereen dat slikte en dat niet iedereen dat wenste te zien, dat is wat anders. Maar Paulus overtuigde hen. Hij was hen overtuigende. Dat wil zeggen: hij bracht dingen waar ze niets tegenin konden brengen, behalve dan misschien als je er niet aan wilt, want dan kun je wel tegenspreken en je afsluiten. Maar dat neemt niet weg dat Paulus hen het overtuigende bewijs heeft geleverd ten opzichte van Jezus. Letterlijk staat er: "omtrent de Jezus". Dat bepaalde lidwoord is in dit geval veelzeggend, want we hebben het niet zomaar over iemand, maar over de Jezus. Namelijk degene over wie zoveel strijd was; degene van wie hij claimde dat hij de Messias was.
En wat betreft de weg die zij een sekte noemden: zij zeiden dat hij de beloofde Messias is. En Paulus — u moet zich realiseren dat hij zelf natuurlijk doorkneed was in de Joodse geschriften en in de overlevering, en ooit de meest fanatieke Jood en judaïst was die ook niets van die sekten moest hebben — nu was hij degene die daar in Rome dit allemaal vertelt omtrent 'de Jezus'. En hij heeft hen overtuigd. Nee, hij was bezig hen te overtuigen; zo moet ik het eigenlijk zeggen, want dat is wat er staat: 'overtuigende'. Dat wil zeggen: hij was bezig hen te overtuigen omtrent de Jezus, of aangaande de Jezus, vanuit — of uit — de wet van Mozes en de profeten. Dat is een standaarduitdrukking die we heel vaak in het Nieuwe Testament tegenkomen. Dat is gewoon wat de Joden de Tenach noemen en wat wij dan meestal het Oude Testament noemen.
Wat Paulus dus gedaan heeft, is de Schriften openen. Dat wil zeggen: de Schriften uit hun eigen geschriften. Wat was ook alweer het voorrecht van de Jood? Dat lees je in Romeinen 3, en dan zegt Paulus: "Nou, velen, maar in de eerste plaats toch dit: dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd." Welnu, die woorden vinden we zwart-op-wit in de Tenach. En vanuit de Tenach levert Paulus aan hen daar in Rome, in dat Joodse gezelschap, het bewijs. En hij bewees vanuit de Schriften — en dat is iedere keer de procedure die je weer vindt in het boek Handelingen — hij bewees vanuit de Schriften dat Jezus inderdaad is wie hij claimde te zijn. Namelijk de Messias, de Christus en dus ook de Koning. De zoon van David en degene die inderdaad leiding zal geven aan dat Koninkrijk van God.
En dat heeft hij daar dus gedaan, en dan staat erbij: "van de vroege morgen tot de avond toe", tot de avondschemering. Dat zal een prachtdag geweest zijn. En ik probeer me dat een beetje voor te stellen, hoe dat gegaan is. Nou, als je wel eens in de synagoge geweest bent, dan weet je dat er allemaal heel veel door elkaar gepraat en gelopen wordt enzovoorts. Maar de heftigheid waarmee dat ook gepaard zal zijn gegaan... ja, ik kan me er gewoon wel iets bij voorstellen, zoals Joden ook dan plegen te discussiëren. Maar Paulus, die bracht nogal wat, zeg! En vanaf de vroege morgen tot de avond toe heeft hij de Schriften geopend en hen overtuigd. Hij heeft dus geargumenteerd. Het was maar geen praatje voor de vaak; nee, hij had wat te melden. Hij wilde hen een bewijs leveren. Zij moesten iets weten en hij wilde gewoon ook de dingen onder bewijs stellen. En dat is wat hij gedaan heeft, vanaf de vroege morgen tot 's avonds.
En dan lees je: "Sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig." Anderen geloofden niet. Nou staat er: "bleven ongelovig". Kijk, als je nooit iets gehoord hebt, dan kun je ook niet ongelovig zijn. Je kunt alleen maar op het moment dat je iets hoort, ja, dan kun je het verwerpen. Maar als je het niet gehoord hebt, dan ben je gewoon onwetend. Dus dat "bleven ongelovig", dat staat er eigenlijk niet. Ze werden eigenlijk ongelovig. Pas op het moment dat je iets hoort, ben je niet meer onwetend en dan geloof je het wel of je gelooft het niet. Nou, het overtuigende bewijs was wel geleverd, maar ja, er kunnen zoveel redenen zijn om daar niet aan te willen. En ze werden wel inderdaad daadwerkelijk overtuigd, en anderen niet. Zo gaat dat; de een wel en de ander niet.
Nou ja, dat kun je van twee kanten bekijken. Van de menselijke kant: dan kun je argumenten noemen. Waarom willen ze er niet aan? Meestal is dat traditie, want dan moet je zoveel loslaten van zoals het altijd verteld is. En als je uitgaat van de Schriften en de waarheid, dan kan het niet anders en dan geloof je het. Dat is, als je het zeg maar van bovenaf bekijkt, dan is het God Zelf die een mens overtuigt, toch? Hij overtuigt je en dan geloof je het. En als Hij jou niet overtuigt, dan geloof je nog niet.
Ik ben er erg blij mee, met het feit dat Hij mij overtuigt en dat geloven ook in die zin geen keuze is. Ja, als het een keuze is, dan is het Zijn keuze. Hij overtuigt jou. Je kunt toch niet kiezen om iets te geloven? Ik kan er niet voor kiezen om te geloven dat Sinterklaas bestaat. Nee, ik moet uitkijken... Maar u begrijpt wat ik bedoel. Dat is geen kwestie van kiezen. Je gelooft iets wel of je gelooft het niet.
Afijn, sommigen gaven gehoor aan hetgeen gezegd werd. Dat wil zeggen aan hetgeen Paulus allemaal naar voren had gebracht. Anderen bleven ongelovig. En zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen. Letterlijk staat er: zij werden weggezonden. Paulus liet ze gaan.
Dus het gezelschap van die Joodse voormannen daar in Rome was aan het eind van de avond, op het einde van de dag, het oneens. Discussie. Maar Paulus had nog wel iets: een slotwoord.
Het Treffende Slotwoord van Paulus uit de Profeet Jesaja ↑ hoofdstukken
We komen nu bij het slot van Handelingen 28. Paulus heeft daar een slotwoord. Zonder het eens geworden te zijn, gingen de aanwezigen uiteen, nadat Paulus dit ene – ik noem het maar even zo – slotwoord gesproken had. Want ja, ze gingen vervolgens weg, dus het is met recht een slotwoord. Nadat Paulus dit ene woord gesproken had, zegt hij terecht: 'Treffend heeft de Heilige Geest zelf gesproken door de profeet Jesaja.' Hij gaat hier dus weer een profeet aanhalen. Hij had de hele dag al gesproken vanuit de wet van Mozes, de Torah, en de profeten, en nu sluit hij af met dit citaat.
Ik vraag me trouwens af hoe dat precies gegaan is in die dagen. Tijdens zo’n dag, lagen alle Schriften daar dan op tafel? Of konden ze dat allemaal zomaar uit hun hoofd citeren? Men kende in die tijd hele passages uit het hoofd; daar moet je niet gering over denken. Dat is trouwens nog steeds zo, al wil ik daarmee niet zeggen dat je er dan ook automatisch iets van begrijpt. Dat zijn twee heel verschillende dingen. Je kunt een hele passage uit je hoofd oplepelen en precies weten wat er staat, zonder een benul te hebben van wat het betekent. Afijn, hoe dat precies gegaan is, weten we niet; het staat er niet bij. In elk geval heeft Paulus vanuit de Schriften betoogd en sluit hij nu af met een woord waarvan hij zegt: 'Treffend heeft Jesaja dit al geprofeteerd en tot uw vaderen gesproken.' Tot hun eigen vaderen dus, waar hij trouwens zelf ook bij hoorde.
Het citaat komt uit Jesaja 6 vers 9 en 10. De bredere context van dat schriftgedeelte laat ik nu even buiten beschouwing, maar waar ik wel op wil wijzen, is dat we dit citaat nog twee keer eerder aantreffen in het Nieuwe Testament. Het staat in Mattheüs 13 – binnenkort gaat Gerard daarover een studiedag houden, niet hier in de zaal maar bij hem thuis, over de gelijkenissen van het Koninkrijk. Daar is het de Heer Jezus zelf die dit citaat uit Jesaja 6 geeft. Vervolgens lezen we het ook nog een keer in Johannes 12, waar diezelfde woorden worden aangehaald.
Welke woorden zijn dat? Wel, er wordt tegen Jesaja gezegd – en je moet dit even voor je zien: 'Ga heen tot dit volk en zeg...' Het gaat hier om Israël. 'Dit volk' is het grote onderwerp in het boek Handelingen. Natuurlijk gaat het over de wijze waarop het evangelie ooit begon. De verspreiding van het goede bericht begon in Jeruzalem, maar het gaat vooral ook over de wijze waarop het ontvangen is – of juist niet ontvangen is – door het volk, en wat het volk ermee gedaan heeft. Dat begint al in Handelingen 1 en dat is de rode draad die door het hele boek heen loopt. Het gaat in Handelingen niet om de gemeente, de Ecclesia. Ik zeg dat bewust zo: als je wilt weten wat de Ecclesia is, welke roeping zij heeft, waartoe zij bestemd is en al die verborgenheden, dan moet je de brieven van Paulus lezen.
Maar in het boek Handelingen, dat door Lukas is opgetekend, gaat het over hoe het evangelie ooit begon. Je kunt het makkelijk onthouden: hoe het begon in Jeruzalem, in Handelingen 1, en hoe het eindigde in Rome. Als ik het zo zeg, is dat eigenlijk heel treffend. Als je het beginpunt en het eindpunt neemt, weet je meteen waar het boek over gaat. Het evangelie begon in Jeruzalem en het zou daar eigenlijk ook moeten eindigen. Dat was de aanvankelijke bedoeling; daar zou het Koninkrijk immers worden opgericht als Israël tot bekering zou komen. Maar uiteindelijk eindigt het boek in Rome, bij een gevangen ambassadeur. Een man die nota bene in Rome was terechtgekomen, niet vanwege de Romeinen, maar vanwege het volk Israël. Het loutere feit dat Paulus daar in Rome geketend is, is eigenlijk al heel illustratief. Het volk moest niets hebben van het evangelie en van degene die het boodschapte. Je kent het spreekwoord: 'Don't shoot the messenger.' Maar ja, met de boodschap die werd afgewezen, werd ook de boodschapper afgewezen.
Ik wil onderstreept hebben dat het in dit citaat inderdaad gaat om 'dit volk', namelijk het volk Israël. Jesaja moest zeggen: 'Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zullen jullie horen, maar jullie zullen het geenszins verstaan.' Daar had ik het zojuist al even over: dat je hele schriftgedeelten uit je hoofd kunt kennen zonder te weten waar het in werkelijkheid over gaat of de betekenis ervan te verstaan. Dat is wat Jesaja al moest zeggen: 'Jullie horen wel, er mankeert niets aan je oren, maar je verstaat het niet.' Dat is een mooie woordspeling, ook in het Nederlands. 'Verstaan' heeft een dubbele betekenis. Het kan betekenen dat je iets niet goed hoort, maar meestal gebruiken we het in de zin van: 'Ik kan dit schriftgedeelte goed verstaan,' oftewel: begrijp je het? 'Verstaat gij wat gij leest?' Dat is trouwens ook een uitspraak uit het boek Handelingen.
'Met het gehoor zullen jullie horen, maar jullie zullen het geenszins verstaan,' zegt God bij monde van Jesaja tegen dit volk. En dat te bedenken voor een volk dat de reputatie heeft zo enorm op de hoogte te zijn van de Tenach en de Schriften, en alles wat God te melden heeft. Maar het was slechts oppervlakkig; ze hadden er wel van gehoord, maar ze verstonden het niet. 'En ziende zullen jullie zien, maar jullie zullen het geenszins opmerken.' Het feit dat Paulus dit aanhaalt, is niet zomaar. Deze woorden die Jesaja tot het volk sprak, waren nu opnieuw zo van toepassing. Het was treffend in deze context, want wat hadden ze deze dag gehoord in Rome? Aan het einde van het boek Handelingen moet je vaststellen dat dit volk, Israël, het goede bericht van de Messias, de Koning, heel duidelijk heeft gehoord, maar begrepen hadden ze het niet. Ze wilden er niet aan. We zullen straks zien waarom.
Het was niet alleen iets van het gehoor, iets auditiefs. Het was ook visueel. 'Ziende zullen jullie zien.' Israël heeft het ook daadwerkelijk gezien in de evangeliën, met al die wonderen die vaak tekenen waren. Een wonder met een betekenis, dat is wat een teken is. Zij hebben al die wonderen gezien, en in het boek Handelingen was er een herhaling daarvan door de handen van de apostelen. Ook door Paulus in het buitenland. Paulus had een boodschap voor de natie Israël – welke boodschap dat was, zien we straks – en die boodschap werd van Godswege bevestigd met tekenen en wonderen. Dingen die ze konden zien: genezingen en vele andere wondertekenen, waarvan er velen in Handelingen niet eens beschreven worden. Ze zagen het dus ook, maar net als bij wat ze hoorden, moet gezegd worden: het drong niet door. Ze merkten het niet op. Je ziet het wel, maar je neemt het niet echt waar.
Het dringt niet tot je door. Ik las van de week op internet een hele kernachtige spreuk: een mens ziet niet de dingen zoals ze zijn, maar een mens ziet de dingen zoals hij is. Dat wat je ziet, zegt niet iets over de dingen die je waarneemt, maar dat zegt vooral iets over jouzelf. En wat je niet wilt zien, zie je niet. Als je het wel wilt zien, als je hart ervoor openstaat, dan zie je het wel. Dus dat wat je ziet, zegt vooral iets over jouzelf en niet zozeer over dat wat er om je heen is.
Afijn, ze hadden het met hun eigen ogen allemaal kunnen zien. Overtuigend en overvloedig; in die dagen van het Evangelie en het boek Handelingen heeft er een stortvloed van wonderen en tekenen plaatsgevonden. Dat wordt trouwens hier ook afgesloten, maar daar kom ik straks ook nog even op terug. Hoe komt dat nou? Nou, dat lees je in vers 27. Dat wordt ingeleid met: want...
Het Vette Hart en de Door God Beschikte Verharding van Israël ↑ hoofdstukken
Hier wordt aangegeven waarom dat zo is. Het hart van dit volk – en het gaat hier nog steeds over Israël, of meer specifiek het Joodse volk – is vet geworden. Het is log geworden, dik. Eigenlijk heeft het woord te maken met dik worden. Feitelijk is dat vet een bedekking. Dat vind ik een mooi beeld in verband met dit volk, want er zit gewoon een vetlaag om het hart van dit volk, een eeltlaag, een bedekking of een verharding, zoals dat elders wordt genoemd. Het is een verharding, maar dat is eigenlijk niets anders dan een eeltlaag. Als er zo’n vetlaag of bedekking om dat hart heen zit, dan dringt het Woord domweg niet meer naar binnen.
De profeet gebruikt daar een bekende uitdrukking voor: dit volk is weliswaar naar het vlees besneden, maar het is onbesneden van hart. Dat is dezelfde gedachte: het hart is onbesneden. Dat wil zeggen dat die bedekking, die 'voorhuid' van het hart, er nog op zit. Het is misschien vreemd spraakgebruik, maar je vindt het vaker in de Bijbel dat het hart nog steeds die bedekking heeft. En het is de Heer die de bedekking wegneemt. Dat is feitelijk wat de echte besnijdenis is, maar dat is weer een heel ander onderwerp.
In ieder geval is het hart van dit volk vet geworden. Er ligt een bedekking op, en die bedekking is vooral ook traditie. Men heeft er iets bovenop gelegd. Je hebt het Woord, maar waardoor dringt het niet door? Omdat ze er iets op hebben gelegd, waardoor ze geen toegang meer hebben tot dat Woord zelf. In Mattheüs 15 lees je dat de Heer Jezus dat striemend zegt tegen de leiders van Zijn volk – de geestelijke, of liever de ongeestelijke leiders van het volk. Tegen hen zegt Hij: "Jullie hebben het Woord van God krachteloos gemaakt." Waarom? Ter wille van hun overleveringen en tradities; dat wat ze zelf bedacht hebben. Dat is een uitdrukking die we ook vinden in Jesaja: "Hun ontzag voor God is niet anders dan een aangeleerd gebod van mensen."
Laat ik u dit zeggen: in religie, ook in de christelijke religie, is het nog steeds precies zo. Je kunt de Schriften wel hebben, maar we menen precies te weten hoe het zit. En dan ben je 'vet' geworden. Dat wil zeggen: je zit vol. U weet hoe het is als je vet bent – ik moet trouwens uitkijken wat ik zeg – maar als je vol zit, hoef je helemaal niets meer, want je hebt alles al. Je bent ook niet meer hongerig naar het Woord. Ik bedoel dat natuurlijk geestelijk: dat zelfvoldane. "We zijn rijk en verrijkt en hebben aan geen ding gebrek." Je weet het allemaal al; de dominee heeft het zo gezegd of het is ons door de generaties heen zo geleerd.
In hun dagen was het ook zo. De boodschap van de Heer Jezus en van de apostelen werd afgewezend op basis van hun eigen tradities en overleveringen. Het is zo sterk – we hadden het er in de auto op weg hiernaartoe nog over – hoe tradities een mens verblinden. Verblinden is trouwens ook een bedekking. Je ogen moeten opengaan; de bedekking moet worden weggenomen. Maar traditie maakt een mens immuun voor het Woord. Vooral natuurlijk als men kan bogen op zoveel eerbiedwaardige godsmannen en deftige, geëerde concilies die dit allemaal hebben geleerd en opgetekend. "Denk jij het beter te weten? Dat is sektarisch, dat is ketters!" Maar goed, zo werkt dat wel.
Het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden. Hun ogen hebben zij toegesloten. Daar heb je weer die bedekking. Ze zijn toegesloten; het dringt domweg niet door. Maar wat blijkt nu? Dit is ook iets van Gods wegen. Het is niet alleen maar blindheid in de zin dat zijzelf hun ogen hebben toegesloten, maar het is ook God Zelf die hun ogen sluit, hun oren verstopt en hun hart toedekt. Ik heb er geen dia van en ik kan het niet direct uit het hoofd citeren, maar hoe staat het ook alweer in Romeinen 11?
In Romeinen 11 spreekt Paulus over hetzelfde fenomeen. Romeinen is immers ook gericht aan degenen die in Rome zijn. In Romeinen 11 vers 8 staat: "De overigen van het volk zijn verhard, gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden." God gaf hun een geest van slaap. Je zou zeggen: hoe kan dat nu? God opent toch juist ogen? Ja, maar Hij sluit ze ook. Hij beschikt al die dingen op Zijn tijd op de wijze waarop Hij dat wil.
Dat is een onderwerp op zich, maar ik kan er niet aan voorbijgaan, want er staat hier simpelweg: "Opdat zij niet zien met hun ogen, met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan." Het ging dus niet alleen om de boodschap, maar ook over de dingen die gezien werden: de wonderen en tekenen. Ook die drongen niet door tot het hart dat vet geworden was. Normaal gesproken, als ze gehoord en gezien hadden en het was doorgedrongen tot het hart, dan hadden ze zich bekeerd. Dan waren ze omgekeerd, want dat is wat het woord 'bekeren' hier betekent: een omkering.
Wat Paulus hier aan het einde van het boek Handelingen vaststelt, is: Israël bekeert zich niet. Dit volk bekeert zich niet. Hun ogen zijn toegesloten, hun oren zijn verstopt en hun hart is vet; ze kunnen het niet verstaan. En dat is van de Heer Zelf, opdat zij niet zien en zich ook niet bekeren. Hier valt de deur als het ware in het slot. Het volk kán zich niet bekeren.
In het begin van het boek was de prediking nog: Israël móét zich bekeren. "Komt tot berouw en bekering, opdat de tijden van verademing mogen aanbreken," zei Petrus op het tempelplein in Jeruzalem. En dat de Messias, die tevoren was opgenomen, teruggezonden zou worden. Dan zouden de tijden van verademing aanbreken. Dat was het begin in Jeruzalem: toen zou het volk zich bekeren. Nu in Rome stelt Paulus vast: het volk heeft zich niet bekeerd en kan zich zelfs niet meer bekeren. Dat station is gepasseerd. Tijdelijk natuurlijk, dat weet ik ook wel, maar in ieder geval niet in die dagen.
Dat brengt me op nog een punt, want er staat nog iets achter: "En Ik hen zou genezen." Herstellen. Al die wonderen van genezing in de evangeliën en in het boek Handelingen zijn niet alleen wonderen; het zijn ook tekenen. Ze zijn bedoeld om aan te geven wat er met dit volk zou gebeuren: dat het genezen zou worden. Wat Paulus hier aan het einde van het boek Handelingen vaststelt, nadat Israël als volk de boodschap heeft afgewezen – nu ook hier in Rome – is dat Israël zich niet bekeert. Er is geen genezing of herstel voor Israël.
Ik wil hier ook weer even het contrast laten zien met het begin van het boek. Vlak voordat de Heer ten hemel voer vanaf de Olijfberg, kwamen de discipelen bij de Heer en vroegen: "Heer, herstelt U in deze tijd het Koninkrijk voor Israël?" De Heer geeft dan een ontwijkend antwoord: "Het is niet uw zaak de tijden en gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen beschikking gehouden heeft."
Maar jullie zullen mijn getuigen zijn. Dat is een aankondiging, dat is een belofte.
En nu... dat was het begin. De verwachting van de discipelen was dat Israël tot bekering moest komen, ten einde dat het Koninkrijk in Jeruzalem zou aanbreken en vanuit Jeruzalem ook wereldwijd gevestigd zou worden. En nu eindigt het in Rome. De conclusie na 28 hoofdstukken is: Israël bekeert zich niet. Israël zal niet hersteld worden. "Heer, herstelt U in deze tijd het Koninkrijk voor Israël?" Nee. Dat is het antwoord.
Wat in Handelingen 1 nog onduidelijk was, en waar de Heer een ontwijkend antwoord gaf, is in Handelingen 28 volstrekt helder. Wanneer deze ambassadeur, deze geketende ambassadeur, in Rome gearriveerd is, sluit hij dit boek af met deze uitspraak: Israël bekeert zich niet, Israël zal niet genezen. Dat wil zeggen: niet in deze tijd, maar pas veel later. Het zij u dan bekend... En nu komen we bij vers 28.
Het Keerpunt: het Heil van God Werd Naar de Natiën Gezonden ↑ hoofdstukken
Het zij u dan bekend. Dat is een conclusie. Dat dit heil Gods — of dit 'redden van de God', want dat is wat er letterlijk staat — nu naar de natiën is gezonden. De boodschap van redding was uitgegaan tot het volk; de redding die aan Israël als volk was gepredikt. Welnu, dit heil, deze redding, die is nu naar de natiën gezonden.
Letterlijk staat er dat dit heil Gods aan de heidenen, aan de natiën gezonden is. Het specifieke werkwoordsvorm vinden we ook nog in Lukas 1 vers 26 en daar wordt het inderdaad vertaald met 'gezonden werd'. Dat is van belang, want wat Paulus hier zegt is: "Het heil Gods werd gezonden naar de natiën." Dat gebeurt niet pas nu in Rome. Dat is namelijk vaak de gedachte, en dat was ook de aanleiding waarom ik aanvankelijk deze studie 'Handelingen 28 vers 28' had genoemd. Men zegt over Handelingen 28 vers 28 — er zijn gelovigen die dat daaruit concluderen — dat dit een grenspaal is. Men zegt: "Kijk, vanaf hier is niet meer Israël het onderwerp, vanaf nu heeft Paulus niet meer de verwachting dat Israël bekeerd zal worden, maar nu gaat het naar de natiën."
Nou, dat staat er niet. Paulus zegt: "Het zij u bekend dat dit heil Gods aan de natiën gezonden werd." Dit moesten ze weten. Dit was namelijk het grote onderwerp wat Paulus iedere keer al naar voren had gebracht. Dat heil Gods dat nu aan de natiën was afgevaardigd, is trouwens niet begonnen in de dagen van Cornelius. U weet wel, toen Petrus de deur opende voor de natiën. Toen ging er inderdaad een deur open voor de natiën en werden er vreemdelingen toegevoegd, maar hier is iets heel anders aan de hand. Voor Petrus was het nog zo dat hij naar Cornelius ging, wat al heel wat voeten in de aarde gaf, maar dat was een vreemdeling binnen de poorten en ook aan hem werd de boodschap gebracht en ook hij hoorde erbij. Maar als Paulus hier zegt dat het heil Gods naar de natiën is gezonden, dan betekent dat: Israël als volk staat nu buitenspel, wordt niet bekeerd en zal ook niet hersteld worden in deze tijd.
Wat is er dan gebeurd? Wel, het heil Gods werd gezonden aan de natiën. Dat moesten die Joodse voormannen daar in Rome weten. Vanaf wanneer is dit al aan de orde? Wanneer werd het heil Gods gezonden naar de natiën? Nou, dat is niet zo moeilijk. Dat is niet in Handelingen 10, want toen stond Israël nog niet buitenspel. Dat gebeurde in Handelingen 13. Ik realiseer me terwijl ik nu spreek dat ik dit eigenlijk nog wat nader zou moeten toelichten, maar goed, dat komt misschien nog eens. In Handelingen 13 wordt Saulus Paulus. En in Handelingen 13 lees je inderdaad dat Paulus naar de natiën gaat. Waarom? Omdat Israël de boodschap afwijst.
Laat ik het op een andere wijze samenvatten: Israël had de gedachte dat de natiën pas in beeld zouden komen op het moment dat Israël hersteld zou zijn. Als Israël gelooft, dan wordt het hersteld en via Israël zal het heil naar de natiën gaan. Maar bij Paulus is het verhaal compleet anders: Israël gelooft niet en juist daarom gaat het naar de natiën — niet via Israël, maar juist buiten Israël om. Israël staat terzijde en nu gaat de boodschap naar de natiën. Dat is de boodschap die Paulus in de synagogen verteld heeft. U begrijpt hoe ondankbaar dat is geweest om dat aan de Joden te vertellen: "Jullie staan buitenspel." Hij vertelde hen inderdaad dat Jezus de Messias is, maar hij vertelde hen ook in de synagoge — waar eerst de Jood dit moest weten — dat het heil Gods is afgevaardigd naar de natiën en dat Israël buitenspel staat.
Nu vertelt hij dat daar in Rome en daar sluit het boek Handelingen ook mee af. Paulus moest dat aan het volk vertellen, en vandaar ook dat Paulus zo gevoelig lag. De twaalf apostelen hebben dit niet geweten; die leefden nog steeds met de missie dat Israël tot bekering moest komen. Ze zagen het natuurlijk wel bij de handen afbreken, maar dat was hun missie, hun opdracht en de boodschap die zij brachten: het evangelie van de besnijdenis. Maar Paulus had een boodschap en hij wist meer: Israël komt niet tot bekering, Israël zal niet hersteld worden en het heil is naar de natiën gegaan. Dat moest hij in de synagoge vertellen en dat heeft hij gedaan vanaf Handelingen 13 al. Vandaar ook dat hij zegt: "Het zij u bekend dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden werd." Dat moeten jullie weten.
Dan zegt hij erbij: "Die zullen dan ook horen." Mooi hè, dat dit zintuig in dit verband genoemd wordt? Niet: "Israël zou ook zien." Nu is er geen sprake meer van zien. Het zien is voorbij. Nu breekt er een periode aan van horen. Israël staat buitenspel, het Koninkrijk breekt niet aan en het vrederijk zal niet beginnen. Nee, alles is verborgen en de apostel die dat allemaal beheert, is ook degene die juist over die geheimenissen spreekt. Zij, de natiën, zullen horen.
Nou, en dan lees je in vers 29... maar dat kunnen we gewoon overslaan. Want dat vers staat er eigenlijk helemaal niet. Als u in uw NBG-bijbeltje kijkt, dan ziet u dat het tussen vierkante haakjes staat. Dat betekent dat het in de grote handschriften ontbreekt. Dus dit slaan we gewoon over. Ja, dat schiet nog eens op hè?
En dan lees ik nog in vers 30 — en ik zie dat ik niet al te veel tijd heb om daar nog op in te gaan, jammer genoeg, maar ik wil het toch in ieder geval genoemd hebben. Paulus bleef... nou ja, laat ik nog even dit zeggen: dit is dus het laatste wat hij hen vertelt. Met dit woord gingen ze weg. Dit was het slotwoord. En dan gaan ze al redetwistende weg, zoals de nieuwere handschriften dat zeggen.
De Typologie van de Tweejarige Verborgen Tijd in Rome ↑ hoofdstukken
In elk geval lees je dat Paulus de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning bleef. Dat had trouwens ook nog een juridische reden. Want als iemand gevangen was, dan had men nog een kleine twee jaar de tijd om aanklachten in te dienen; men moest dan naar Rome toe gaan. Juridisch was het zo geregeld dat je daar ook ruimschoots de gelegenheid voor had. Maar terwijl ik het zeg, denk ik: het is het minst interessante onderdeel. Het zal wel zo zijn, want het wordt alom zo bevestigd vanuit de historie, maar in de Bijbel heb ik daar geen aanknopingspunt voor. Het is echter ook niet nodig. Wat vooral interessant is, is die termijn van twee jaar. Waar vind je die termijn nog meer?
Laat ik eens een voorbeeld geven: Jozef in de gevangenis. Lees het maar na in Genesis 41 vers 1. Daar lees je dat Jozef twee jaar gevangen zit alvorens hij... Let even op. Hij was dus verworpen door zijn broeders – ik bedoel, heel dubbelzinnig – hij was verworpen door zijn broeders en hij zou onderkoning worden in Egypte. Maar in die tussentijd is hij gevangen, namelijk twee jaar. Dat is exact dezelfde termijn. Het spreekt van deze verborgen tijd: gevangenschap, buiten de maatschappij. En weet u wat die Jozef deed in de gevangenis? Geheimen vertellen en verborgenheden uitleggen aan de schenker en de bakker.
Maar wat gebeurt er nu in de gevangenis? Wat doet Paulus in deze tijd? Hij beheert... We zitten nu eigenlijk typologisch in die gehuurde woning van Paulus. Een termijn van twee jaar: tweeduizend jaar, twee millennia. En we luisteren naar Paulus en naar wat hij te melden heeft van Gods wegen. Hij legt dromen uit, verborgenheden. En er is nog iets: in Handelingen 19 vers 10 lees je ook over twee jaar waarin Paulus in de school van Tyrannus in Efeze lesgeeft; dagelijks handelende in de school van Tyrannus. Ik heb het al even eerder genoemd: hij heeft ook twee jaar gevangen gezeten in Caesarea. Ook een tweejarige gevangenschap; in Handelingen 24 vers 27 lees je daarover.
Om mijn verhaal korter te maken – want het is eigenlijk misdadig kort dat ik dit slechts even aanstip, ik mag er eigenlijk niet zo overheen gaan – maar ik moest het even genoemd hebben: het gaat uiteraard over de twee millennia. Het zijn de tweeduizend jaren waarvan de profeet Hosea op een hele cryptische, verborgen wijze spreekt. Israël zou twee dagen in het graf zijn en op de derde dag zou de Heere hen oprichten. Het is pas Petrus die later, na de Handelingenperiode, dat ook gaat uitleggen. Hij zegt: "Weet wel één ding, geliefden, dat bij de Heere één dag is als duizend jaar, en duizend jaar als één dag." Hij spreekt over twee keer een dag, twee keer duizend jaar. En dan weet je meteen hoe laat het is. Dan weet je hoe laat het is, zo aan het einde van deze twee millennia.
Van Paulus lees je dan nog dat hij twee jaar in zijn eigen gehuurde woning verbleef en hij ontving – letterlijk staat er: hij verwelkomde – allen die tot hem kwamen. Letterlijk staat er: zij die bij hem binnengingen. Het was niet meer zo dat hij uitging naar hen, maar zij gingen in tot hem. Ja, hij was gevangen. En er staat bij wat hij dan deed: hij verwelkomde iedereen die tot hem kwam, predikende, proclamerende, herautende het Koninkrijk Gods. Jazeker, en ook de verborgen vorm die dat nu in deze tijd aanneemt. Hij gaf onderricht aangaande de Here Jezus Christus. Wat een boodschap heeft die man gehad!
In het boek Handelingen vind je dat allemaal niet, wat hij allemaal te vertellen had. Het boek Handelingen sluit hier eigenlijk af met een boodschap voor Israël over dit volk. Het wordt afgesloten. Maar vanuit de gevangenis heeft Paulus de geweldigste brieven geschreven: de Efezebrief, waar zojuist nog uit geciteerd werd, de Colossensenbrief... die geweldige gevangenisbrieven. Daar waar het boek Handelingen afsluit, daar beginnen de hoogste brieven van de apostel Paulus, waarin hij vertelt wie de Here Jezus Christus vandaag is en wie wij in Hem zijn. Dat is niet het onderwerp van het boek Handelingen, maar het wordt wel aangestipt: onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, dat wil zeggen zonder iets terug te houden en bovendien zonder enige belemmering. Dit zijn de laatste woorden van het boek Handelingen; zo sluit het af.
Feitelijk gaat het daarbij vooral om hoe het evangelie van Jeruzalem terechtkwam in Rome. Hoe het evangelie aanvankelijk de prediking was van wat geopenbaard zou worden, maar we zien uiteindelijk dat het verborgen is. Gevangen, in gevangenschap, buiten de maatschappij, komt het terecht in Rome. En wij leven nu in die tijd. Het eindigt op een wat merkwaardige wijze; het is feitelijk een open einde. Zo officieel als het boek begint, zo open eindigt het. Maar wij zitten nog steeds "in dat schuitje", om het zo te zeggen – maar dat is meer Handelingen 27. We zitten nog steeds in die situatie. De boodschap van de apostel Paulus is dat hij allen ontving. Hij heeft hen iets geweldigs te melden en dat is voor ons vandaag ook zo. Buiten de maatschappij, buiten de legerplaats, "op het industrieterrein" zal ik maar zeggen, brengen we deze dingen. En aan ieder die het maar horen wil, vertellen we het: deze geweldige rijkdom.
Wat is het ook van belang om te begrijpen hoe dat gegaan is met het volk Israël. Wellicht dat Gerard een volgende keer – ik weet niet, we hebben dat nooit besproken of afgesproken – daar nog eens over wil doorspreken. Want ik geef toe dat ik vanmiddag in die zin in gebreke ben gebleven. Ik had graag nog wat meer verteld over die tweedeling in de brieven van Paulus die sommigen menen te moeten aanbrengen, maar ik ben er niet aan toegekomen. Ik wilde gewoon even het raamwerk neerzetten: waar gaat Handelingen 28 over? Dan kunnen we bij andere gelegenheden, Gerard of ik, daar nog eens over doorspreken. Ik zal het hier dan bij laten, want ik zie inmiddels dat het tien voor zes is.
UltimateGoodNews