Slaaf Van Christus
22-02-2015 - Geplaatst door Andre PietPresentatie gehouden op 22 februari 2015 in Zoetermeer.
Een gelovige is iemand die Jezus Christus als Heer erkend. Daarmee is gezegd dat we niet van onszelf zijn maar het exclusieve eigendom van Hem. Rechtmatig (duur) gekocht en betaald. Een slaaf dus. Geen knecht of dienaar, zoals wat de meeste vertalingen ervan gemaakt hebben. Niet ‘part-time’ of ‘full-time’ in dienst maar 24/7 zijn eigendom. Geheel voor zijn rekening. Niet onze eigen wensen en doelstellingen doen iets ter zake maar uitsluitend die van onze Eigenaar en Rechthebber. Gehoor geven aan wat Hij te zeggen heeft en dus beschikbaar zijn voor Hem is het enige wat voor een slaaf telt.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
De Betekenis van het Woord Doulos ↑ hoofdstukken
Ik wil u vanmorgen graag bepalen bij het thema dat u hier ziet geprojecteerd. Ik ga het niet hebben over tatoeages, mocht u dat denken, maar ik ga het hebben over de inhoud van wat er op die tatoeage staat. "Doulos" ziet u hier, en dat is een Grieks woord – u ziet het ook wel aan de letters – en dat betekent: slaaf. Wat is de betekenis van dat begrip? Ik zal u vertellen, en dat is eigenlijk ook een van de punten die ik deze morgen naar voren wil brengen, dat de wijze waarop het vaak – om niet te zeggen in de meeste gevallen, ik heb het niet helemaal nageteld – vertaald wordt, heel verzwakt en daarmee dus ook onjuist is weergegeven.
Slaaf van Christus, wat betekent dat? Laat ik eerst even zeggen dat wij als mensen in de 21ste eeuw er sowieso al moeite mee hebben om daarover te spreken, zelfs om daar überhaupt iets positiefs over te kunnen denken en zeggen. Dat maakt het op voorhand lastig om de Bijbel daarin te openen, omdat wij allerlei gevoelselementen erbij betrekken die het begrip in het Nieuwe Testament of in de Bijbel in het algemeen niet heeft. Als wij aan slaven en slavernij denken, dan denken de ouderen onder ons wellicht aan dit bekende boek. Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat ik het nooit gelezen heb, maar dat neemt niet weg dat het zeer bekend is: De Negerhut van Oom Tom. Later werd het De Hut van Oom Tom genoemd, want toen mocht je het woord "neger" niet meer gebruiken. Het is een boek uit ongeveer 1850, als ik me niet vergis, dat een grote rol heeft gespeeld bij de bewustwording en de uiteindelijke afschaffing van de slavernij.
En ik weet niet of u deze film destijds gezien hebt; dat is nog niet zo heel erg lang geleden: Twelve Years a Slave. Wij hebben hem als gezin met z'n vijven bekeken, vorig jaar geloof ik, nietwaar Petra? Dat de film in de bioscoop draaide... een zeer heftige film, mag ik wel zeggen, maar erg indrukwekkend. Dat alles is natuurlijk heel negatief gestempeld als het gaat om slavernij en alles wat daarmee verband houdt. Begrijp me trouwens goed: ik ben vanmorgen helemaal niet hier gekomen om een pleidooi te houden voor slavernij of om te zeggen dat ik tegen de afschaffing daarvan zou zijn. Ik wil alleen dat we ons gaan verplaatsen in het Bijbelse gedachtegoed en eventjes alle negatieve associaties die wij als westerse mensen daarover hebben aan de kant zetten.
Daar moet je trouwens wel diverse obstakels voor overbruggen. Kijk naar nog zo'n plaatje. Hoe ging dat met de slavernij? Wij westerse mensen uit Europa gingen naar Afrika toe, naar Ghana bijvoorbeeld, Dirk. Nee, dat is een grapje hoor, een familiegrapje. Mijn broer gaat met enige regelmaat naar Ghana; hij is gisteren geloof ik nog teruggekomen uit dat land. Nu wek ik de suggestie dat hij daar om die reden naartoe ging, maar je moet straks maar wat gaan uitleggen, Dirk. Of ik, dat kan ook nog.
Maar in elk geval: men ging massaal naar Afrika en daar werden mensen gewoon geroofd, want dat was het. Hele scheepsladingen werden in het schip gedumpt onder de meest onmenselijke omstandigheden. Want ja, die mensen die daar woonden, dat waren in de ogen van de handelaars geen mensen. Dat waren negers, zwarten, en dat zouden dan nakomelingen van Cham zijn. Daar zat ook nog weer een heel fout gedachtegoed achter, dikwijls zelfs theologisch onderbouwd – tussen aanhalingstekens. In elk geval nam men trouwens nog veel meer mee. Die slaven werden dan, zoals u weet, naar Zuid-Amerika en Noord-Amerika gebracht, en vervolgens gingen de schepen weer terug naar West-Europa met suiker, koffie en tabak. Dat was die driehoek, die kringloop. Die negatieve associaties hebben trouwens ook met dit punt te maken: die slavernij was feitelijk gebaseerd op huidskleur. Het was echt een vorm van het meest afschuwelijke racisme. Men was slaaf of gedoemd om slaaf te worden op basis van je ras of van je huidskleur.
Slavernij in Bijbelse Tijden ↑ hoofdstukken
In de Bijbel is dat anders. In de Bijbelse tijden – en dan bedoel ik niet specifiek in de Bijbel alleen, maar in de tijden waarin de Bijbel werd opgetekend – was slavernij een gegeven en ook een sociale status. Het is zelfs zo, en dat is heel boeiend (voor velen van u zal dat misschien geen nieuws zijn), dat het niet zo was dat slaven per definitie een hele lage positie hadden. Dat hoefde helemaal niet. Een slaaf kon ook een advocaat zijn, of zelfs een politicus. Het was iemand die lijfeigene was. Je kon jezelf ook verkopen.
Kijk waar we het hier over hebben als we denken aan die negatieve associaties. Dat kwam voort uit de gedachte dat je zwart was of geboren was in Afrika; in ieder geval lagen daar je roots en dat bezegelde feitelijk je slavenlot. Maar in de Bijbelse tijden was een van de motieven dikwijls dat wanneer je te veel schuld had, je jezelf ging verkopen. Dan werd je de lijfeigene van een heer.
Daar moet ik trouwens nog iets bij zeggen: we kennen het begrip slavernij op basis van ras wel degelijk ook in de Bijbel. Het volk van Israël heeft er zelfs heel sterk mee te maken gehad, want toen zij in Egypte waren, waren zij ook slaven van de Egyptenaren. Gewoon, waarom? Omdat ze nakomelingen waren van Abraham, Isaak en Jakob. Daarom. Honderden jaren lang is men een slavenvolk geweest en ze zijn ook met recht uit het 'diensthuis' – of liever gezegd: uit het huis van slavernij – bevrijd. Dat is de weg naar het beloofde land.
Trouwens, in de wet van Mozes waren er ook hele specifieke voorzieningen en regelingen getroffen voor de slaven. Een van die regelingen was dat slavernij per definitie nooit langer kon duren dan 49 jaar, want in het vijftigste jaar was daar bevrijding. Ja, ik zie Arie al lachen als ik het getal vijftig noem, maar u begrijpt de gedachte. Als er zeven sabbatsjaren gepasseerd waren, dan brak het jubeljaar aan en dat betekende inderdaad bevrijding. Daar zit een geweldige typologie achter.
Ik wil er maar mee zeggen dat er in de Bijbelse tijden, en zeker ook in de wet van Mozes, hele specifieke regelingen waren ter bescherming van slaven. Als we nu al die negatieve associaties van huidskleur en de enorme mishandeling van slaven zoals we die kennen – en die ook geleid hebben tot de algehele afschaffing van de slavernij – even buiten beschouwing laten en puur kijken naar het begrip slavernij (namelijk: je bent een lijfeigene, een bezit van de ander), dan komen we echt weer op Nieuwtestamentische bodem.
Het Verschil Tussen een Slaaf en een Knecht ↑ hoofdstukken
Laat ik eerst eens een aantal elementen en gegevens rond dit begrip vaststellen. Het begrip 'slaaf' komt als stamwoord — er zijn allerlei varianten en vervoegingen van — maar liefst 182 keer voor in het Nieuwe Testament. Dat is nogal veel. Vele tientallen keren wordt het echter weergegeven met 'knecht' of 'dienstknecht', of met 'dienaar', en het begrip 'slavernij' wordt vertaald met 'dienstbaarheid'. Dat zijn hele mooie en vriendelijke weergaven, maar het is niet wat het woord betekent.
Een knecht is namelijk echt iets anders dan een slaaf. Het grote verschil tussen die twee is dat een knecht gehuurd is. Volgens de maatschappelijke en sociale maatstaven van vandaag zit hier in de zaal geen enkele slaaf; wij kennen dat domweg niet meer. Sommige werknemers vinden misschien wel dat ze een slavenbestaan hebben, maar dat is alleen maar 'alsof'. Daarin zie je trouwens ook weer die negatieve associatie: als je zegt dat je een slavenbestaan hebt, betekent dat in onze praktijk dat je een slecht bestaan hebt. In de Bijbel is dat echter niet de standaard associatie. Je kon als slaaf een zeer puik bestaan hebben en zelfs een hoge status genieten.
Dat bevestigt precies waar ik het zojuist over had: wij hebben eigenlijk uitsluitend negatieve associaties bij dit woord. De Bijbel kent die ook wel, zoals de 'slavernij der vergankelijkheid' of 'slavernij aan de zonde', maar dat is niet het volledige beeld. De Bijbel denkt veel genuanceerder en presenteert het begrip veel kleurrijker dan wij dat doen. Wij hebben vaak alleen die negatieve link.
Om er even op terug te komen: een knecht en een slaaf zijn twee totaal verschillende begrippen. Een knecht of een werknemer is gehuurd. Als je een werknemer bent, verhuur je jezelf voor een x-aantal uren aan iemand. Dat is allemaal keurig geregeld in een arbeidscontract; op nationaal en internationaal niveau zijn er allerlei regelingen getroffen die jou in die positie beschermen. Maar het meest karakteristieke punt is: je bent gehuurd. Een slaaf is niet gehuurd, maar gekocht. Daarom gebruikte ik zojuist het begrip 'lijfeigene'. Je bent van die ander; je bent bezit. De laptop die hier voor mij staat, is mijn bezit. Die huur ik niet; hij is van mij. Dat betekent dat u daar helemaal niets over te zeggen hebt; ik mag ermee doen wat ik wil. U hoeft er trouwens ook niet voor te zorgen, want het is mijn eigendom. En dat is het meest karakteristieke van het begrip slaaf: je bent gekocht, je bent eigendom.
Op de titeldia zag u dat plaatje van een slaaf, een doulos. Dat is het Griekse woord: doulos, slaaf. Wat stond eronder? "Not my own." Ik ben niet van mijzelf, ik ben het eigendom van... Dat is wat dat begrip slaaf betekent. Ik moet eraan denken dat de Heidelberger Catechismus, waar ik maar zelden over spreek — en als ik erover spreek is het meestal negatief — hier heel positief begint. Zondag 1 begint goed. Iemand zei eens een keertje, en dat begrijpen alleen de insiders: "Daarna begint de ellende." Maar Zondag 1 vraagt: "Wat is uw enige troost in leven en sterven?" Het antwoord is: "Dat ik niet van mijzelf ben, maar het eigendom van mijn getrouwe Zaligmaker." Ik weet niet wat de exacte formulering is in de vertaling die u heeft, maar waar het om gaat is dit: wat is je troost? Dat ik het eigendom ben van Hem.
Er zijn mensen die tientallen jaren in de kerkbanken verslijten met als groot ideaal dat ze op hun sterfbed in elk geval kunnen zeggen: "Ja inderdaad, ik ben Zijn eigendom." Dat is treurig, diep treurig. Ik zal u namelijk wat anders vertellen, en dat is meteen een heel goed bericht: Zijn eigendom bent u op voorhand. Er is een hele simpele reden: u bent gekocht en betaald. De losprijs is betaald. Als u daar een tekst voor wilt hebben: 1 Timotheüs 2 vers 5. De losprijs is betaald, wat wil zeggen dat er een prijs voor u is neergeteld. Tweeduizend jaar geleden aan het kruishout werd de prijs betaald. Niet voor u alleen, maar voor allen. Heel het mensdom werd daar gekocht en is dus Zijn eigendom.
Wat dat betekent, daar gaan we het nu over hebben. Maar u ziet wel dat het begrip slaaf heel wat anders is dan knecht. Ik vind het eigenlijk ook treurig dat men het woord zo dikwijls anders heeft weergegeven. Ik ga vanmorgen een aantal voorbeelden laten zien aan de hand van schriftplaatsen die ik heb verzameld. Het zal u opvallen hoe allerlei begrippen totaal anders ogen, voelen en beleefd worden wanneer je van 'slaaf' een 'knecht', 'dienstknecht' of 'dienaar' maakt. Daar zijn in het Grieks namelijk gewoon andere woorden voor. Een dienaar is bijvoorbeeld een diakonos, een diaken. Dat is echt wat anders dan een slaaf, maar door de vertalingen is het begrip essentieel verzwakt. Het meest essentiële is feitelijk...
Twee Heren en de Slavin van de Heer ↑ hoofdstukken
En dat brengt me meteen bij Matteüs 6. Laten we dat vers eerst eens vermelden. Trouwens, dat is wel interessant: het eerste voorkomen van dat begrip. Alleen komt het in de vertalingen niet uit de verf. Matteüs 6 vers 24. U kent wellicht deze tekst: "Niemand kan twee heren dienen." Hier staat het werkwoord "dienen", maar ik zal u vertellen dat dat er niet staat. Er staat: "Niemand kan van twee heren slaaf zijn." Dat is echt iets heel anders.
En let daarbij trouwens op: er staat "kan". Het kán niet. Er staat niet: "Niemand mag twee heren dienen." Het kan niet. Als je niet weet wat een slaaf is en het dus vertaald wordt met "dienen", dan ontbreekt de logica. Kijk, ik kan een werknemer zijn en mijn werkgevers dienen door overdag hier te werken en 's nachts ergens anders te gaan werken. Dan heb ik twee heren, twee werkgevers, en die kun je allebei prima dienen. Dat kan, waarom niet? Maar een slaaf niet.
Je bent slaaf, dat wil zeggen: je bent het bezit, het eigendom van die heer. En dan zie je trouwens ook meteen dat de begrippen "slaaf" en "heer" twee kanten zijn van dezelfde medaille. Een slaaf veronderstelt een heer en een heer veronderstelt een slaaf. Een heer is namelijk gewoon een bezitter, een eigenaar. Dat is wat het woord "heer" in het Grieks, kurios, betekent. Ook dat weten we nauwelijks meer, want bij ons is "heer" zoiets als een meneer. Een soort aanspreektitel; "Aan de heer Piet" staat er dan. De Belastingdienst bijvoorbeeld weet je op die manier keurig te vinden: "Aan de heer Piet". Maar een heer in de bijbelse terminologie — trouwens bij ons van origine ook, dat blijkt nog uit allerlei begrippen die daar weer van afgeleid zijn — betekent eigenlijk gewoon zoiets als je bezit hebben en daarover op die manier ook daarmee omgaan. Dat is heersen: een heer zijn van.
Hier staat niet "dienen", hier staat "slaaf zijn". Je kunt niet van twee heren slaaf zijn, want je bent of het eigendom van de één, of je bent het eigendom van de ander. Daarom is de eerste keer meteen al in de NBG-vertaling... maar ik weet eigenlijk niet eens hoe het in de Statenvertaling is, ik heb de moeite niet genomen om het na te kijken. Staat daar ook hetzelfde? Hetzelfde. Oké. Nou, dus die hoeven we niet uit elkaar te trekken. In het algemeen wordt dit niet goed weergegeven. Niemand kan slaaf zijn van twee heren, het bezit zijn van twee heren. "Want hij zal of de ene haten en de ander liefhebben, of zich aan de ene hechten en de ander minachten."
Ik moet erbij zeggen dat hier trouwens ook iets uitgebeeld zit — maar dat is weer een ander onderwerp, maar goed, het komt zo voorbij — dat "haten" in de Bijbel niet altijd per se de betekenis heeft van een intense, hartelijke haat. Maar het heeft inderdaad de betekenis van minachten, achterstellen op. Er zijn heel wat bijbelse voorbeelden daar ook van te geven. De ene hechten en de andere minachten: "Gij kunt niet God dienen en Mammon." En Mammon is dan de godheid, de god van het geld. Ook hier staat weer "dienen". Dit werkwoord is eigenlijk "slaaf zijn". Je kunt niet slaaf zijn, het eigendom zijn van de één én van die ander. Het is het een of het ander. Het is heel zwart-wit dus. Dat is bij werknemerschap of knechtschap niet het geval, dat kun je combineren. Maar slaaf zijn, bezit zijn, niet. Dan ben je óf aan de één, óf aan de ander.
Laten we gaan naar Lucas 1. Ja, het wordt echt bladeren vanmorgen hoor. In Lucas 1 wordt een geweldig bericht aan Maria doorgegeven door een boodschapper, een hemelse boodschapper. Die vertelt deze jonge vrouw dat zij zwanger zal worden. Nou, ik hoef u verder niet te vertellen wat er dan staat. Dan komen daar vragen over: "Hoe kan dat, want ik ben ongetrouwd? Ik ben maagd, ik heb geen omgang met een man." En dan zegt de hemelse boodschapper: "Je zult zwanger worden en een zoon baren." Waarom? "Omdat de kracht van de Allerhoogste u zal overschaduwen." Daarom zal dat wat uit u voortkomt Zoon van God genoemd worden. Nou, verbazing alom natuurlijk over zulke mededelingen.
Het zijn berichten, en dan zegt Maria in vers 38: "Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord." Maar u voelt hem al aankomen: er staat niet "dienstmaagd". Het woordje "dienst" staat er niet, en het woordje "maagd" ook al niet. Dat was zij wel, maar dat staat hier niet. Er staat: "een slavin". "Zie de slavin van de Heer." Je ziet precies weer — en we zullen het nog heel wat keren vanmorgen zien — dat het begrip "slaaf" en "Heer" aan elkaar gelinkt zijn. Als wij zeggen "de Here Jezus", dan zeggen we daarmee iets over de verhouding tot Hem. En dat is niet maar een soort aanspreektitel zoals wij dat gebruiken, "meneer" of zoiets. Nee, het wil zeggen: Hij is eigenaar en ik ben Zijn bezit. Zoals alles Zijn bezit is.
Romeinen 10 zegt: "Hij is Heer van allen." "Rijk voor allen die Hem aanroepen", wordt eraan toegevoegd. Heer van allen. En in 1 Korinthiërs 10 zegt Paulus: "De aarde is des Heren en haar volheid." Dat wil zeggen: alles op aarde en bovendien alles wat erin zit, dat is allemaal van Hem. Rechtmatig, om meerdere redenen. Hij is de Schepper, alleen al om die reden. Hij is God. Bovendien is het gekocht. Er zit nog wat meer aan vast dan ik nu zeg, maar het idee is: deze metafoor is op zich zo helder als glas. Je bent Zijn bezit.
En deze Maria, deze jonge vrouw, die zegt: "Ik ben de slavin van Hem." En wat betekent dat? "Ik ben van Hem." En omdat ik van Hem ben, doet Hij met mij wat Hij zegt. Ziet u de logica nu ineens? "Zie, de slavin van de Heer; mij geschiede naar uw woord." U bent mijn Heer, ik ben niet verantwoordelijk voor mezelf. Dat is het mooie van een slaaf zijn. Laten we het nou eens een keertje zo aanpakken. Ja, als vrije mensen hebben we allerlei verantwoordelijkheden die zwaar op onze schouders rusten; allerlei keuzes die je moet maken. U kent het woord "keuzestress" toch al? Die had een slaaf niet, hè? Hij had ook geen zorg voor zijn onderhoud. Nee, dat helemaal niet. Allerlei zorgen die een vrij mens heeft en waardoor hij belast wordt en dus niet vrij is, die heeft een slaaf niet, want er wordt voor hem gezorgd. Hij is het eigendom van... not my own, ik ben van Hem.
Deze Maria zegt: "Ik ben van Hem." En er wordt nu een mededeling gedaan van Hem. En wat kon zij doen? Er viel niks te doen, want het zou haar overkomen. "De kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen." Dat zou met haar gebeuren. Zij is daarin lijdend voorwerp. "Mij geschiede naar uw woord." Als U het zegt, dan gebeurt het gewoon. "Ik ben van Hem." Dat is toch prachtig? Als ik zeg: "Hij is mijn Heer", dan betekent dat: ik ben van Hem en Hij draagt zorg voor mij. En als Hij iets over mij uitspreekt, dan gebeurt dat. Is dat mijn zorg? Nee, helemaal niet. Dat is Zijn zorg. En dus worden we daarmee ontzorgd.
De Apostelen als Slaven van Christus ↑ hoofdstukken
Ik ga u nu meenemen naar vier keer het eerste hoofdstuk in het eerste vers om te laten zien hoe centraal dit gegeven staat in het hele Nieuwe Testament. Jakobus 1. We weten dat Jakobus de broeder des Heren was. Eigenlijk een halfbroer, maar in de Bijbel is dat ook gewoon een broer en mede-erfgenaam. Die Jakobus schrijft een brief aan de twaalf stammen in de verstrooiing. Over die adressering zullen we het verder niet hebben, hoewel het van groot belang is om deze brief te verstaan. Trouwens, Jakobus is één van dat drietal dat genoemd wordt in Galaten 2, waarvan gezegd wordt dat zij naar de besnijdenis zouden gaan, dus die adressering hoeft niet te verbazen. Maar daar gaat het me nu vanmorgen even niet om.
Hij introduceert zich meteen op voorhand in onze vertaling als dienstknecht, maar dat staat er niet. Er staat: 'Jakobus, slaaf van God en van de Here Jezus Christus'. Ziet u? Daar staat eigenlijk nog iets anders: slaaf van God en van de Here Jezus Christus. Ik ben het eigendom van God en daarmee ook van de Here Jezus Christus. Moet je nagaan, zo noemt hij zijn broer. Hij is een slaaf, een eigendom, het bezit van de eigenaar, namelijk Jezus Christus. En dat is dus maar niet zomaar een dienstknecht; nee, hij is een bezit, het eigendom van. Kijk, bij een dienstknecht denk je gewoon aan iemand die gedurende een bepaalde tijd is ingehuurd en die diensten verricht. Die doet klusjes ofzo. Dat is niet wat een slaaf is; dat is niet een klusjesman. Hij is gewoon bezit, dat is de fundamentele gedachte bij dat woord slaaf. En dat tekent ook onze verhouding tot Hem.
In evangelische kring is het nogal gewoon om te zeggen: 'Wat betekent het om een gelovige te zijn?' Dan zegt men – en dat klopt op zich wel – dat het betekent dat je een persoonlijke verhouding of een persoonlijke relatie hebt met Jezus Christus. Alleen de gedachte die daarbij zou kunnen ontstaan is dat je een persoonlijke verhouding hebt zoals je die met zoveel mensen hebt. Je praat daar wel eens een keertje mee, je kent ze, je hebt er af en toe wel eens een gedachtenwisseling mee, of je spreekt met zulke mensen en hebt er waardering voor. Dan heb je een persoonlijke relatie. Maar een persoonlijke relatie met Jezus Christus is niet wat dat is. Je moet zeggen dat onze persoonlijke verhouding tot Hem wordt gekenmerkt door het feit dat Hij mijn Here is. Hij is Here; zo noem je Hem. Een heleboel mensen praten altijd maar over 'Jezus'. In een specifieke context kan dat, en in de evangeliën vind je meestal die aanduiding omdat Hij hier op aarde nog Jezus was. Nu niet meer, want Hij is door God gemaakt tot Here en tot Christus. Dat is een titel: Hij is Here. Nadat Hij de prijs heeft betaald, is Hij juist uit hoofde daarvan ook Here en eigenaar. Een gelovige is iemand die dat herkent: Hij is Here, Hij is mijn Here. Dat is mijn verhouding, mijn persoonlijke verhouding. Dat is niet omdat ik zo af en toe met Hem praat of een liedje voor Hem zing. Dat is niet wat Hem Here maakt. Nee, ik ben van Hem.
En niet veertig uur in de week. Wij noemen dat dan fulltime, maar dat is helemaal niet fulltime. Weet je wat fulltime is? Dat is wat de Engelsen zeggen: 24/7. Vierentwintig uur per etmaal, zeven dagen in de week en 365 dagen in het jaar. That's it. Dat is wat een slaaf is: een eigendom, gewoon altijd. Ik ben van Hem. Ik heb niks in te brengen – hoort u goed wat ik zeg? Mijn belangen zijn volstrekt oninteressant. Je bent het eigendom van en Hij bepaalt de gang van zaken. Mijn interesses, mijn ambities... Hoeveel mensen zijn geen slaaf, ik zeg het expres zo, van hun ambities? Zo'n probleem heeft een slaaf nooit. Je bent bezit van Hem en Hij regelt de dingen voor jou. Het geweldige is nu juist dat wij een Here hebben. Zo geweldig, daar zijn wij blij in. We zullen daar trouwens mee afsluiten: met zo'n Here die ons gekocht heeft. Met wat voor prijs! Daarmee geeft Hij ook precies aan hoeveel we voor Hem waard zijn. Hij gaf Zijn leven voor mij. Zo'n Here hebben wij. Hij gaf Zichzelf voor mij; Hij leed en stierf op die afschuwelijke manier voor mij. En Hij, die persoon die dat voor mij deed – ik zeg het even heel persoonlijk – dat is mijn Here. En gaat het om mij? Nee, het gaat totaal niet om mij. Jakobus, een slaaf. Niet een dienstknecht. Kras het gewoon door in uw Bijbel: slaaf. Dat is het.
Simeon Petrus doet precies hetzelfde, want het is allemaal hetzelfde liedje hoor. In die zin is het vanmorgen wel heel simpel. Het wordt mij wel eens verweten dat ik wat ingewikkeld en complex doe, maar vanmorgen is het niet ingewikkeld, vind ik. Uiteindelijk is dat oordeel natuurlijk aan u. Simeon Petrus zegt: 'Een dienstknecht en apostel van Jezus Christus'. Ook daar staat het niet; er staat: een slaaf. Ik ben het bezit, het eigendom van Hem. We bladeren even door naar Judas, de broer van Jakobus en dus ook de broer van Jezus. Judas, een slaaf van Jezus Christus, niet een dienstknecht. Ziet u dat ze allemaal pontificaal hun brief beginnen met deze aanduiding? Dat is wat hen karakteriseerde en dat is wat ze te melden hadden. Als Petrus zegt: 'Ik ben een slaaf, en ook een apostel, afgevaardigd', dan begint het ermee dat ik van Hem ben. Mijn belangen zijn totaal ondergeschikt – met recht ondergeschikt – en doen niet ter zake. Hij is Here.
Dan gaan we naar de Romeinenbrief. Wat zegt Paulus in hoofdstuk 1 vers 1? Paulus, dat is het eerste woord, zijn naam, en vervolgens: slaaf. Niet een dienstknecht, hij is slaaf van Christus Jezus. De oplettende lezer heeft wel in de gaten dat dat verschilt met die andere aanduidingen, die andere aanheffingen. Jakobus, Petrus en Judas begonnen met 'slaaf van Jezus Christus', maar hier is het 'Christus Jezus'. Dat heeft alles te maken met het feit dat Paulus Hem op een heel andere manier had leren kennen. Hij kende Hem niet vanaf Zijn aardse loopbaan als Jezus die later Christus werd. Nee, bij Paulus was het precies omgekeerd: hij leerde Hem juist kennen als de Christus, als degene die daar verhoogd is, de Eigenaar van alles. Toen hij vroeg: 'Wie bent u, Here?', was het antwoord: 'Ik ben Jezus'. Het begon met het Hem leren kennen als de Christus, als de Here, en vervolgens: wie is dat dan? Dat is Hij die hier op aarde Jezus was. Die volgorde: Christus Jezus. Ook dat is nu niet het punt; het gaat erom dat hij slaaf is. Hij is slaaf van Christus Jezus, van Hem die hem vanuit de hemel riep.
Vervolgens staat er: 'geroepen apostel'. Hij werd geroepen en vervolgens werd hij afgevaardigd. En dan: 'afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God'. U ziet, dat woord verkondiging staat er eigenlijk niet eens. Afgezonderd voor of tot in het goede bericht van God. Dat dat verkondigd wordt, is logisch, want daar is een bericht voor. Een bericht vertel je, dat geef je door. Maar dat staat er eigenlijk niet. Er staat gewoon: 'Ik ben afgezonderd'. Hij was een slaaf, en waartoe was hij gereserveerd?
En dat was ook precies wat Paulus wist, en waar hij eigenlijk ook iedere keer mee begint. Want ik citeer nu de Romeinenbrief, maar je zult andere brieven ook vinden waarin hij zegt: "Ik ben een slaaf, ik ben zijn bezit." En waarom ben ik zijn bezit? Nou, ik ben gekocht hiervoor: voor het goede bericht van God. Het enige wat er dus toe deed in zijn leven, was daarvoor beschikbaar te zijn. Want dat is wat een slaaf geacht wordt te doen. Hij hoeft helemaal niks te doen, behalve beschikbaar te zijn.
Het gaat er niet om dat een slaaf altijd maar zo hard moest werken. Dat denken wij vaak hè, dat een slavenbestaan altijd maar hard werken is. Maar een slaaf is het bezit van iemand. En als jouw heer jou gekocht heeft voor die functie, voor deze doelstelling – namelijk het goede bericht – dan betekent dat, dat het maar om één ding in zijn leven ging: het goede bericht van God. Meer niet. Simpel hè? En geweldig hè! Voor een goed bericht was hij helemaal speciaal gereserveerd. De rest deed totaal niet ter zake. Hij hoefde helemaal niet voor zijn eigen leven te zorgen, want dat was ook nog zo mooi: er wordt voor je gezorgd. Hij doet gewoon wat hem te doen staat: beschikbaar zijn en luisteren naar gehoor. Want dat is wat gehoorzamen eigenlijk ook betekent: gehoor geven aan. Je heer zegt je wat, en zijn Heer heeft hem heel veel verteld. Nou, dat mag hij doorgeven. Alsjeblieft, ga het maar doorgeven onder de natiën. Dat is het enige wat hij gedaan heeft. Voor een goed bericht van God was hij gereserveerd; hij was een slaaf en al het andere deed niet ter zake.
En al het andere... ik citeer weer een ander woord, ook uit Matteüs 6 waar we mee begonnen: "En al het andere ontvangt u bovendien." In 1 Thessalonika 1 lees je over de Thessalonicenzen dat ze waren omgekeerd. Dat was in de omgeving enorm spraakmakend. Dus wat gebeurde daar in de streken van Macedonië en Thessalonika? Dat alle mensen spraken over hun grote ommekeer. Dat deden zij zelf niet; nee, er werd over gesproken. Kijk, dat is mooi hè. Want zelf – je moet maar even in de context nalezen – zeggen ze: "De mensen daar in hun omgeving verhalen van ons hoe wij bij u ontvangen zijn, of van welke aard onze entree was bij jullie, en hoe gij u van de afgoden tot God bekeerd hebt."
En weet je wat ik nou zo mooi vond? Het was me nooit eerder opgevallen, maar het staat er andersom. Er staat niet dat jullie je omkeren van de afgoden naar God toe. Nee, het begint zo: dat jullie je omkeren... Kijk maar gewoon mee. Dat jullie je omkeren staat in de onbepaalde aorist, gewoon als een feit, in de onbepaalde tijd. Naar dé God toe. Let op dat bepaalde lidwoord: niet zomaar een god – kijk, dit zijn zomaar goden – nee, dé God, de enige echte dus. Oftewel de levende en de waarachtige. Die anderen zijn dus dood en bovendien leugenachtig; een prachtige tegenstelling. Maar het gaat er niet om dat zij zich van de afgoden bekeerd hadden tot God; nee, het was andersom. Ze hadden zich omgekeerd – we moeten dit letterlijk nemen – ze hadden zich omgekeerd. Waarom? Nou, naar de God toe, en dus van de afgoden áf. Het is niet negatief in de zin van: we hebben ons al afgekeerd van de afgoden en nu naar de God. Nee, ze hadden zich omgekeerd naar de levende en de waarachtige God. Dat was het. En daarmee heb je dus ook je afkeer, want als je je keert náár, dan keer je je ook af ván.
Maar het is positief, en dat is wat hier ook staat. In het Nederlands is het wat lastiger te formuleren, maar zo staat het in het Grieks en daar wijs ik u alleen op. We keren ons om, en dat is wat er met die Thessalonicenzen gebeurd was. Ze waren eerst actief, zoals ze daar in Griekenland allemaal heel erg actief waren met het dienen van demonen, van afgoden, idols. Ons woordje idolen komt eigenlijk uit het Grieks. Ze dienden de idols, de afgoden, en keerden zich vervolgens naar de God toe. Dat is het enige waar het om gaat. Er staat inderdaad bij: "om de levende en waarachtige God te dienen." Nou, ik zou zeggen: vul het plaatje nu zelf verder in. Daar staat eigenlijk geen "dienen", er staat: om slaaf te zijn. Om slaaf te zijn van, gewoon het eigendom te zijn van. Dat is wat het is.
Dat dit dienst betekent, dat ontken ik allemaal niet. Ik wil alleen maar zeggen dat het woordje "dienst" eigenlijk een reductie is op de betekenis. De essentie is: je bent het eigendom van. En het enige wat telt, is totale beschikbaarheid. Je bent van Hem. En dat is geweldig, want Hij is namelijk de levende en de waarachtige en bovendien dé God. Om daar de slaaf van te zijn, om Zijn eigendom te zijn... want dat is het geweldigste wat er is: als je van Hem mag zijn. Niet parttime, ook niet fulltime, maar altijd. Want dat is een heel groot geheel. Ja, ik heb nog heel wat schriftplaatsen.
Vrijheid Door het Eigendom van Christus te Zijn ↑ hoofdstukken
Ik zal straks waarschijnlijk wat moeten gaan overslaan, denk ik, maar laten we eerst kijken naar 1 Korinthe 7. Daar lees je wat Paulus schrijft aan de geadresseerden in Korinthe, die allerlei verschillende posities hadden. Dat waren mensen die vrij waren, de vrijen, en je had slaven: mensen die het bezit waren van een ander. Maar, zegt Paulus, dat is eigenlijk heel betrekkelijk. Hij zegt: "De slaaf die in de Heere geroepen werd, is een vrijgelatene van de Heere." In feite is hij een vrijgelatene. Maar omgekeerd kun je het ook zo zeggen – het is maar hoe je het bekijkt – evenzo is hij die als vrije geroepen werd, een slaaf van Christus, Zijn eigendom.
Eén ding is zeker, en dat geldt voor alle gelovigen: dat is waar ze zich van bewust zijn geworden en wat hen ook tot gelovigen maakt. Ze zijn tot de erkenning gekomen dat ze gekocht en betaald zijn. Dat wil zeggen: je bent het eigendom van een ander. En niet zomaar; er is een hoge prijs voor jou betaald. Het enige wat telt, is dat Hij jouw Eigenaar is en dat ik volledig van Hem mag zijn.
Paulus verbindt daar direct een consequentie aan: "Wordt toch geen slaven van mensen." Dat is een prachtige consequentie. Als je vrij kunt komen, dan moet je dat vooral doen, schrijft hij ook in ditzelfde hoofdstuk. Het gaat erom dat je ook in de praktijk volledig kunt leven naar wat het betekent dat Hij jouw Heer is. Word daarom geen slaven van mensen. In godsdienstig opzicht kan het heel gemakkelijk gebeuren dat je je gaat koppelen of binden aan wat mensen zeggen. Je kunt bijvoorbeeld lid worden van een organisatie die jou vertelt wat jij moet denken en wat jij moet zeggen, terwijl dat misschien wel ingaat tegen wat jouw Heer zegt. Dat kan toch niet? Dan word je een slaaf van mensen. Er zijn mensen die dat vrijwillig doen, maar je bent van Hem; het enige wat telt, is Zijn Woord. Waarom zou je dan een slaaf van mensen worden en jezelf verplichten tot het erkennen en zeggen van bepaalde dingen? Ik geloof dat dit duidelijk is, ook al wordt het misschien een beetje moeilijk. Het gaat er alleen om wat Hij te zeggen heeft. Koester die vrijheid; dat wil zeggen, het feit dat je van Hem bent. Want de echte vrijheid is dat ik het eigendom ben van Hem, en van niets of niemand anders.
Dat is trouwens ook wat we in de Romeinenbrief vinden. Ik wil u overtuigen met vele schriftplaatsen en ik wil u ook heel wat voorbeelden geven waarbij het begrip 'slaaf' – het bezit of eigendom zijn van – totaal is wegvertaald. We doen niet zomaar een klusje voor Hem; nee, we zijn Zijn bezit. Dat is de kern. Kijk maar naar 2 Korinthe 4: "Want wij prediken – wij proclameren of herauten – niet onszelf." Nee, waarom niet? Omdat het totaal niet om een mens gaat, niet om onszelf. Dat is iets wat in onze hele tijdgeest sterk wordt benadrukt. Ik weet niet of het echt typisch van deze tijd is of van alle tijden, maar vandaag de dag ligt de nadruk heel erg op de rechten van de mens. Internationaal is dat allemaal vastgelegd: een mens heeft rechten, het gaat om zelfontplooiing en dergelijke. Maar dat is volledig oninteressant voor iemand die zegt: "Ik ben het eigendom van Hem." Hoezo rechten? Ik ben van Hem. Zelfontplooiing is eigenlijk absurd voor iemand die zegt dat hij van een ander is. Het enige wat telt is: ik ben van Hem, en Hij mag Zijn werk in mij en door mij doen. Wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heer, en onszelf als uw slaven om Jezus' wil. Dat is de consequentie, de andere kant van dezelfde medaille: Hij is Heer en wij zijn slaven.
In Galaten 1 gaat Paulus in op de zaken die speelden in Galatië, waar hij niet lang daarvoor het evangelie van de genade had gepredikt. Werkelijk een blijde tijding. Maar wat was er gebeurd? Er waren infiltranten gekomen, judaïsten; mensen die de gelovigen onder de wet van Mozes wilden stellen. Dat zou hen zogenaamd helpen om te groeien in het geloof. Paulus zegt echter dat wat daar verteld wordt, geen evangelie is. Hij spreekt zelfs een anathema uit, een banvloek, over zo’n boodschap en over degenen die die boodschap brengen. Daarmee maakte hij zich onder die Galaten natuurlijk niet populair. Maar dan zegt hij in vers 10: "Tracht ik thans mensen te winnen, of God? Of zoek ik mensen te behagen?" Daar reageert hij heel simpel op: "Indien ik nog mensen behaagde, dan zou ik geen slaaf van Christus zijn." Een slaaf heeft maar één ding te doen, en dat is doorgeven wat zijn heer zegt. Paulus was afgezonderd tot het goede bericht; dat was wat hij vertelde. Als er nu iets werd verteld dat daar haaks op stond, dan zei hij dat gewoon. Hij maakte zich totaal geen zorgen over populariteit en hij was er ook niet afhankelijk van. Jezus Christus is zijn Heer. Het enige wat hem te doen stond, was luisteren naar wat Hij te melden had en dat doorgeven. Hoezo dan andere mensen trachten te behagen? Dat is ook slavernij, hoor. Er zijn veel mensen die er altijd maar mee bezig zijn om anderen te 'pleasen'. Ze zeggen dan dat ze vrij zijn, maar dat ben je dan helemaal niet. Paulus was wel vrij: "Ik ben vrij van dat soort mensenbehaagzucht." Als je bezig bent om in een goed blaadje te komen bij je gehoor of bij het publiek – omdat ze een duimpje moeten opsteken of vanwege de kijkcijfers – dan weet je niet wat het betekent om het bezit, de slaaf en het eigendom van Christus te zijn. Dat is namelijk helemaal jouw zaak niet. Je hebt maar één ding te doen: luisteren naar wat de Heer zegt. Hij heeft een goed bericht en Hij heeft mij afgezonden om dat te vertellen. Dat is het enige wat telt. Punt. Of, zo u wilt, een uitroepteken.
Laten we tot slot kijken naar Romeinen 6. Ik wist vanmorgen niet zeker of die tekst er nog bij stond, omdat ik een aantal dia's had verwijderd waarvan ik dacht dat ik er niet aan toe zou komen. Maar hij staat er: "Maar thans," zegt Paulus, "vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen." Letterlijk staat daar: "slaafgemaakt worden van Hem." Maar dat is juist de vrijheid! Ik ben van Hem en Hij geeft mij alles wat nodig is. Is dat mijn zorg? Nee, dat is juist de last die van mij is afgenomen. Daar hoef ik me helemaal geen zorgen over te maken. Mensen denken vaak: "Ik moet nu gaan dienen, ik moet nu actief worden." Nee, het punt is: je bent van Hem. Het enige wat nodig is, is dat je je realiseert dat je van Hem bent en dat Hij geeft wat je nodig hebt. Als je denkt dat Hij niet voorziet, dan realiseer je je niet dat Hij Heer is. Dank Hem daar dus gewoon voor, op voorhand, want Hij zorgt voor je. Waarom? Omdat Hij je Heer is.
En dus ben je vrij van de zonde, wat een heel algemeen begrip is natuurlijk, maar wel een heel ruim begrip. Want een mens doet niet anders dan doelmissen. En zo hebt gij tot vrucht uw heiliging; dat is namelijk de vrucht van je apart gezet zijn voor God. Het einde daarvan is het aionische leven, het eeuwige leven, wat gereserveerd is voor degenen die vandaag al mogen geloven. Dat is nog eens een genade extra, zeg maar, als je vandaag al mag geloven en klaargemaakt wordt voor je functie straks in de toekomende eeuwen.
Romeinen 12 staat in een context van allemaal korte instructies die Paulus zo doorgeeft. Hij zegt daar in hele korte zinnen: "In ijver onverdroten." Nou, dat is geen echt modern Nederlands, "onverdroten", maar dat betekent dus niet dralend. Dat is een eigenschap: dat je niet draalt. Er staat bij: "in ijver", qua ijver niet dralen. Qua geest vurig, kokend heet zijn. Heel veel mensen leven zo’n gemiddeld leventje – sorry dat ik het zeg – een pislauw leven. Niet koud, niet heet, maar wel lauw. En weet je hoe de Heer erover denkt? Hij spuugt erop, Hij spuugt het ook uit. Een lauw leven, waar het allemaal maar zo’n gangetje gaat.
Paulus was iemand... Kijk, dat is het begrip slaaf zijn. Het eigendom zijn van is heel radicaal. "In dienst zijn", dat is weer zo typisch westers, zogenaamd genuanceerd en tolerant. Nee, dit is een radicale boodschap. Ik ben totaal, 100% van Hem. Mijn belangen en mijn ideeën zijn volledig ondergeschikt; het gaat om Hem alleen. En dat is radicaal, dat is vurig of kokend heet. Dat is waar de Heer van houdt. Niet dat slappe, dat halfslachtige. Nee, er staat dan bij: "dient de Here", maar er staat letterlijk ook hier weer: "een slaaf zijnde voor de Heer", Zijn eigen.
U voelt wel aan dat al deze begrippen aan elkaar gekoppeld zijn. Als ik Zijn bezit ben, dan gaat het dus niet aan om maar halfslachtig te leven. Nee, want ik ben Zijn bezit. Ik ben niet half Zijn bezit, ik ben niet gehuurd en ik doe niet een klusje voor Hem. Nee, ik ben van Hem.
Romeinen 14. "Want het koninkrijk Gods," zegt Paulus, "bestaat niet in eten en drinken." Daar waren discussies over: wat een gelovige nou wel of niet zou eten of drinken. Nou, daar was Paulus heel makkelijk in. Of het nu gaat over vasten... ik heb het er wel eens over; voor sommige mensen speelt dat nu heel erg. De veertigdagentijd is afgelopen woensdag begonnen, geloof ik, en dan is het belangrijk, want ja, de lijdenstijd is nu begonnen. Zo heet dat dan allemaal. Dat zijn allemaal kerkelijke instellingen, moet ik erbij zeggen. De Heer heeft daar nooit over gesproken. Maar goed, we zeggen dan: dat zijn toch wel goede instellingen van de kerk geweest dat ze dat hebben bedacht. Nou ja...
Koninkrijk Gods is niet eten en drinken. Als je daarop gefocust bent... Begrijp me goed, ik heb het helemaal niet over het nut van je onthouden of van vasten. Vast wel, maar daar gaat het niet om. Het gaat om rechtvaardigheid, gerechtigheid, vrede en vreugde door – of letterlijk staat er: in – Heilige Geest. Want wie door deze Geest... nou ja, er staat eigenlijk gewoon: wie daarin een slaaf is van Christus. Hoe ben je slaaf van Christus? Nou, daarin. En wat betekent dat? Dat je recht doet aan je positie als slaaf. En dat betekent dus: ik ben van Hem en ik ben beschikbaar.
Romeinen 12 vers 1: "Met een beroep op de barmhartigheden Gods roep ik u ertoe op, moedig ik u aan: stelt uw lichamen als een Gode welgevallig offer." Dat wil zeggen: hier is het, beschikbaar stellen. Dat is recht doen aan je positie. Dat is dus wat ik bedoelde met rechtvaardigheid, vrede en blijdschap. Ja, dat zijn de drie componenten van het slaaf-zijn van Christus, of drie aspecten daarvan, dat is beter gezegd. Slaaf: je doet recht aan je positie. De vrede: want dat is namelijk het directe gevolg ervan. Hij zorgt namelijk voor me. Hij geeft wat ik nodig heb. En dat is dan ook nog eens vreugde: Hij voorziet, de toekomst is gegarandeerd.
Hij is Heer van allen. Dat is trouwens hét goede bericht bij uitstek: Hij is Heer van allen. Jij bent Zijn eigendom. Al die miljarden mensen... slechts een enkeling weet het. En degenen die het wel erkennen, die denken vaak dat ze een dienstknecht zijn. Nee, je bent Zijn eigendom! En dat betekent dus: Hij zorgt, Hij voorziet, Hij geeft een gegarandeerde toekomst. En ik ben van Hem, ik mag van Hem zijn en ik mag daar recht aan doen. Nou, en dat is welgevallig, staat er dan nog bij, voor God. Als je dat beseft, die waarheid onder ogen ziet en beseft, dan is dat welgevallig bij God.
Er staat ook: "welbeproefd bij de mensen." Iedereen heeft wel in de gaten, ook al moeten ze niks hebben van dat wat je doorgeeft en wijzen ze dat af, hoe ze daar ook op reageren... maar één ding kunnen ze niet ontkennen: dat deze eigenschappen, dat je recht doet, dat je vrede hebt en dat je vreugde hebt, dat dat geweldig is. Daarmee bewijs je de kwaliteit van je leven. Dat is welbeproefd bij de mensen. En nou ga ik dit vers even overslaan.
Onbezorgd Leven als Eigendom van de Heer ↑ hoofdstukken
Ten slotte kom ik dan bij Filippenzen 4, want dat moet ik nu echt afronden. In dit gedeelte komt het begrip 'slaaf zijn' trouwens niet eens letterlijk voor, maar ik wil het hier graag genoemd hebben als slot. U kent het gedeelte. Daar begint Paulus in vers 4, wat ik hier nu projecteer: "Verblijd u in de Heer". Je bent Zijn slaaf, dus verblijd je in het feit dat Hij Heer is. En niet slechts af en toe. Hij is toch niet soms jouw Heer? Je bent toch niet iemand van wie je zou kunnen zeggen: "Ik ben Zijn dienstknecht voor een bepaald aantal uren"? Nee, ik ben Zijn eigendom, altijd.
En dus kan ik me altijd verblijden in het feit dat Hij alles van mij afneemt; ook mijn zorgen neemt Hij af. Ik mag er zijn voor Hem en ik ben gereserveerd voor het goede bericht. Die schriftplaats heb ik nu verwijderd, want wat Paulus daar over zichzelf zegt, dat zegt hij nog eens een keertje om het goede bericht door te geven. Jij in jouw klein hoekje en ik in het mijne. Wederom zal ik zeggen: verblijd je!
Uw vriendelijkheid, uw welwillendheid, uw inschikkelijkheid... Je hoeft namelijk helemaal niet op je eigen rechten te staan. Nee, je schikt je gewoon in de omstandigheden, want er is een Heer. Laat uw inschikkelijkheid aan alle mensen bekend zijn. Iedereen weet dan: "Ah, hij schikt zich." Waarom? Nou, hij heeft een Heer; de Heer is nabij. Dus daar hoeft hij zich over zijn rechten niet druk te maken. Dat is ook nog zoiets waar je van bevrijd bent: om je altijd maar in te zetten en druk te maken over je rechten. Dat doet er totaal niet toe. Als Hij jouw Heer is, dan regelt Hij dat keurig. Nou, dat is weer een zorg minder.
En dan zegt Paulus erbij: "Wees in geen ding bezorgd." Er staat nog wat achter, vandaar die puntjes op de dia, maar dit is precies waar het vanmorgen over ging. Hij is jouw Heer. En ziet u dat u daarmee een enorme last minder hebt? Je hebt helemaal geen zorgen. Wees in geen ding bezorgd. Hij is Heer en Hij voorziet in alles. Waarom? I'm not my own, ik ben van Hem.
UltimateGoodNews