GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

De Setting Van De Hebreeen-Brief (II)

13-06-2010 - Geplaatst door Andre Piet
Tweede presentatie gehouden tijdens studiedag op 13 juni 2010 in 2B-Home te Zoetermeer.

De Hebreeën-brief is gericht aan een tweede generatie gelovigen die zeer vertrouwd blijkt met de Hebreeuwse Bijbel en de tempeldienst. De geadresseerden worden gewaarschuwd voor een aanstaand debacle en “een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur”. “De Here zal zijn volk oordelen”. Het centrum van het oude verbond was “niet ver van de verdwijning” en de oproep klinkt daarom uit te gaan “buiten de legerplaats”. We bevinden ons in deze brief aan de vooravond van de complete verwoesting van de tempel en de verbranding van Jeruzalem in het jaar 70 AD. Slechts tegen deze achtergrond worden allerlei obscure passages in één keer helder.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt de datering en het doel van de Hebreeënbrief, geschreven in de jaren zestig van de eerste eeuw. De brief waarschuwt een tweede generatie gelovigen in Jeruzalem voor de naderende verwoesting van de stad en de tempel. Het naderende einde van het oude verbond loopt parallel aan de veertig jaren in de woestijn. De gelovigen worden aangespoord om de zichtbare religie achter zich te laten. Zij worden opgeroepen om in geloof vast te houden aan een verborgen Hogepriester in plaats van terug te vallen in het jodendom.

“Wat zij moesten leren, was: geen zichtbare koning, maar een verborgen Hogepriester.”

De Datering van de Brief: een Tweede Generatie in de Jaren Zestig ↑ hoofdstukken

Wij gaan weer verder met onze studie over de setting van de Hebreeënbrief. We hebben daarbij vanmorgen inmiddels al een paar vragen beantwoord, en wel de twee meest voor de hand liggende vragen. In de eerste plaats: aan wie is de Hebreeënbrief gericht? Dat lijkt een open deur intrappen, maar als je zo je oor te luisteren legt, dan is dat bepaald niet het geval. Er gaan allerlei meningen de ronde en toch hebben wij heel vrijmoedig de conclusie getrokken. Nou ja, ik heb die conclusie getrokken en u hebt het aangehoord, en ik ga er min of meer van uit dat u hem inmiddels wel zult delen: deze brief is met recht de Hebreeënbrief genoemd. Het is gericht aan de Hebreeën en dat is van groot belang, zoals we in de loop van deze bijeenkomst vanzelf nog zullen zien.

Vervolgens hebben we vanmorgen ook de vraag behandeld wie de schrijver is. De schrijver vermeldt zijn naam niet in de brief, en toch moet het duidelijk zijn – we hebben daar een heleboel redenen voor opgegeven – dat het onmiskenbaar Paulus is geweest die deze brief heeft opgetekend.

Dat betekent dat er nu nog drie vragen liggen voor deze bijeenkomst en die gaan we dan ook maar eens beantwoorden. De eerste vraag die nu in het rijtje voorkomt, is deze: wanneer is de Hebreeënbrief geschreven? We hebben daarvoor inmiddels al een paar verzen gezien die daar impliciet al antwoord op gaven. In de eerste plaats is er een tekst die ik vanmorgen al noemde in verband met de beantwoording van de vraag wie de schrijver is. Nu wil ik hem nog een keertje aan u tonen om aan te geven dat dit niet een brief is aan een eerste generatie gelovigen. Dat is volstrekt duidelijk; er wordt gesproken over het heil dat verkondigd is, allereerst door de Heer en door hen die het gehoord hebben, en het is op betrouwbare wijze aan ons overgeleverd. Hier praten we dus over informatie die door anderen is overgeleverd. Dat is een typische uitdrukking die aangeeft dat we hier te maken hebben met een tweede generatie.

We vinden daar in de brief nog veel meer aanwijzingen voor. Ik wil bijvoorbeeld wijzen op Hebreeën 5, waar Paulus – want zo noem ik hem inmiddels met gemak; ik verspreek me er vaak over, maar nu heb ik de redenen gegeven en de bonnetjes erbij geleverd, dus we noemen hem voortaan gewoon Paulus, want dat kan niet missen. In vers 12 van Hebreeën 5 staat: "Want hoewel gij naar de tijd gerekend leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert. En gij hebt nog melk nodig, geen vaste spijs."

Deze tekst noem ik niet omdat we net lunch hebben gehad – dat zou ook nog kunnen – maar ik noem hem omdat hiermee aangegeven wordt dat er inmiddels al een hele lange tijd is verstreken voor die Hebreeën. In plaats van dat men verder was gekomen in de zin van gegroeid in inzicht, was het eigenlijk weer nodig zo eenvoudig te schrijven om ze gewoon weer melk te geven. Alsof het pasgeboren baby'tjes zijn; ze moeten weer helemaal vertrouwd worden met het ABC, de eerste beginselen, de elementen van het evangelie en van het fundamentele onderwijs. Paulus heeft het over Melchizedek en hij zegt: "Ik kan het allemaal maar zo moeilijk aan jullie kwijt." In de tijd gerekend hadden jullie inmiddels al lang en breed zelf onderwijs kunnen geven, maar jullie hebben nu eigenlijk zelf weer onderwijs nodig, en dan nog wel onderwijs over de eerste beginselen. Dat is niet wat je progressie noemt. Naar de tijd gerekend hadden ze leraars behoren te zijn. Dat betekent ook hier dat we te maken hebben met een geloofsgemeenschap die al lange tijd op de weg is – hoewel ze eigenlijk van het pad kwijtraakten. Maar de tweede generatie wordt hier wel bevestigd.

In Hebreeën 10 staat: "Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt." Trouwens, daar lezen we in het boek Handelingen ook over: de enorme vervolgingen in Jeruzalem en in Judea.

Deze tekst is ook al voorbijgekomen, maar nu noem ik hem opnieuw ter beantwoording van een andere vraag: "Weet dat onze broeder Timoteüs in vrijheid gesteld is. Als hij spoedig komt, zal ik met hem u bezoeken." En dan staat er nog bij in vers 24: "De broeders uit Italië laten u groeten." Dat is eigenaardig. Dat betekent dat Paulus deze brief kennelijk vanuit Italië schrijft en de groeten overbrengt van de broeders die zich daar bevonden. Ook dat plaatst ons meteen in een bepaalde tijd, namelijk ergens in de jaren zestig van de eerste eeuw. Ja, dat kan niet missen. Geschreven vanuit Italië, en Paulus was inmiddels in Rome in het bijzonder, vandaar ook dit taalgebruik. Zo vinden we hier niet alleen aanwijzingen over wie de schrijver is, maar zelfs over wanneer het geschreven is. Met het boek Handelingen ernaast kom je er gewoon met gemak uit: de jaren zestig van de eerste eeuw, kennelijk geschreven vanuit Italië.

De Veertig Jaren in de Woestijn als Actuele Waarschuwing ↑ hoofdstukken

In Hebreeën 3 lees je iets heel opmerkelijks waar ik graag speciale aandacht aan wil geven. Paulus schrijft daar het volgende: "Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt..." – en dan citeert hij Psalm 95 – "Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering, ten dage van de verzoeking in de woestijn, waar de vaders Mij verzochten door Mij op de proef te stellen, hoewel zij Mijn werken zagen, veertig jaren lang."

Dat is historisch natuurlijk; het verwijst naar de woestijnreis. Trouwens, ik moet erbij zeggen dat bijna alles in deze brief verwijst naar de woestijnreis. Het loutere feit – ik zal me tot één voorbeeld beperken – dat er zo breed wordt uitgemeten over de betekenis van de tabernakel en alles wat zich daarin bevond en wat daar verricht werd, is al zo'n verwijzing. Waarom niet naar de tempel? Nee, het is de tabernakel die uitgelegd wordt en waarvan de betekenis telkens weer wordt aangegeven. Er zijn voortdurend van die verwijzingen naar de woestijnreis en naar Jozua, die hen niet in de rust heeft gebracht. Dat is Hebreeën 4 trouwens, dat volgt op dit hoofdstuk.

Er wordt dus telkens verwezen naar die veertig jaren van de woestijnreis, waarvan trouwens ook gezegd wordt: "Daarom heb Ik een afkeer gekregen van dit geslacht." Dat lezen we er in de Psalmen nog bij. Maar weet u wat het is? Die veertig jaren zijn niet alleen historisch. Het was op dat moment ontzettend actueel voor de Hebreeën aan wie dit geschreven werd. Want het betrof precies ook dat geslacht, die generatie. Het waren de veertig jaren die de Hebreeën hadden meegemaakt vanaf het jaar 30 tot aan het jaar 70. Een jaartje meer of minder maakt me nu even niet zoveel uit, maar ik persoonlijk ga uit van het jaar 30 als het jaar waarin de Heer Jezus is gestorven en opgestaan. Tot aan het jaar 70 zijn dat precies veertig jaren waarin God hardhandig een einde maakte aan de complete tempel en de hele offerdienst. Sterker nog, de hele stad Jeruzalem ging in vlammen op.

Veertig jaren. En als de schrijver dan verwijst naar die tijd, dan zegt hij: "Verhardt uw harten niet zoals toen, in die veertig jaren." Zoals het is afgelopen met dat geslacht in de woestijn, zo zal het ook met dit huidige geslacht gaan. Dat is wat de schrijver zegt. Het is een heel ernstige brief. Als je begrijpt dat Paulus hier vanuit Italië schrijft aan de Hebreeën – het volk daar in Jeruzalem dat vasthield aan de tradities en zelfs helemaal terug dreigde te vallen in het jodendom en de tempeldienst – dan besef je dat ze daarmee de Messias zouden afzweren.

De schrijver weet wat er binnenkort gaat gebeuren. Wij praten nu achteraf, maar hij wijst op het grote drama dat binnenkort zal plaatsvinden. Hebreeën 10 zegt dat er over een korte, korte tijd een enorm drama zou gaan plaatsvinden. In het jaar 70 is dat ook daadwerkelijk vervuld. Ik kom daar straks op terug, maar ik wil er nu alvast even op wijzen dat deze brief niet geschreven is in de eerste jaren van de Handelingen-periode, maar juist in de laatste jaren daarvan. Het plaatst ons achterin het boek Handelingen, toen er inmiddels al een tweede generatie was gekomen die de dingen niet meer uit de eerste hand wist, maar die het simpelweg overgeleverd had gekregen.

We praten dus over de periode tussen 30 en 70 van onze jaartelling, in die eerste eeuw. Die veertig jaren. Wanneer hier verwezen wordt naar de periode van de woestijnreis, dan is dat veelzeggend. Het is veel meer dan alleen maar een verwijzing naar een toevallige periode uit het verleden. Nee, het is namelijk exact dezelfde tijdsduur die synchroon loopt met de periode die de Hebreeën op dat moment zelf hadden meegemaakt.

Het Doel van de Brief: het Naderende Einde van het Oude Verbond ↑ hoofdstukken

Dit brengt ons, na deze formulering, direct bij het doel van deze brief. Ik zei u al dat deze brief buitengewoon ernstig is. Hoe vaak wordt er niet gewaarschuwd? In hoofdstuk 1 is dat al het geval, en ook in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3. Iedere keer opnieuw wordt er gewaarschuwd voor afval, om niet te vervallen van de levende God en dat men de rust niet zou ingaan. Dat is trouwens ook de kern van Hebreeën 4: beijvert u om de rust in te gaan. Dat is een prachtige term trouwens: je beijveren om de rust in te gaan.

Weet u waar het om gaat? Het gaat erom dat ze zouden blijven staan en niet zouden afwijken van het geloof. En geloof is rust. Geloof heeft namelijk te maken met wat God belooft, en daarop zouden ze blijven staan. Ze moesten niet terugkeren naar al die rituelen van het jodendom; rituelen waar trouwens binnenkort hardhandig een einde aan gemaakt zou worden. Dat is waar het om gaat. Deze brief is zo ernstig omdat hij waarschuwt voor een drama dat aanstaande is. Ik zal dat straks ook nog laten zien. Juist daarom steekt de schrijver deze gelovigen een hart onder de riem.

Laten we eens een paar dingen noemen die de schrijver aangeeft. Hij geeft in hoofdstuk 8 een lang citaat over het oude verbond en het nieuwe verbond dat gesloten zou worden met Israël en met Juda. Dat is trouwens opnieuw een aanwijzing voor de adressering van de brief. Maar goed, dan zijn we inmiddels bij het einde van dat hoofdstuk, Hebreeën 8, en moet u eens opletten wat Paulus dan zegt. Als hij spreekt van een nieuw verbond, heeft hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En nu komt het: wat veroudert en verjaart, zegt hij, is nabij de verdwijning. Dat is de Statenvertaling. De NBG zegt: is niet ver van verdwijning. Maar de betekenis is natuurlijk volkomen identiek.

Het gaat erom dat het oude verbond en alles wat daarmee verband houdt — die hele tempeldienst zoals die functioneerde in Jeruzalem — voor oud verklaard was. Ja, want er is inmiddels een nieuw verbond. Weliswaar is de feitelijke sluiting van dat nieuwe verbond nog toekomstig, maar de basis, het bloed van het nieuwe verbond, heeft reeds gevloeid. Het gaat om dat hele bestel waarbij God volledig alle verantwoordelijkheden op Zich neemt, want dat is de essentie van het nieuwe verbond. Geen last meer op de schouders van het volk; nee, God neemt alle verplichtingen op Zich en Hij belooft alleen maar.

Lees het maar na in Hebreeën 8, maar ook in Jeremia 31. God zegt niet meer van 'jullie moeten' of iets dergelijks. Geen last, maar: 'Ik zal hun zonden niet meer gedenken' en 'Ik zal Mijn wetten in hun harten schrijven'. En 'Ik zal, Ik zal, Ik zal'. Het is in totaal zeven keer 'Ik zal'. Mooi, zeven keer. En niet één keer iets wat van de mens verwacht wordt. Dat is de essentie. Als er sprake is van het nieuwe verbond, zegt Paulus, dan moet het duidelijk zijn dat het oude dus met recht verouderd is verklaard. Hij zegt: en wat veroudert en verjaart, dat is niet ver van de verdwijning. Dat oude verbond en alles wat erbij hoort, zou binnen zeer afzienbare tijd daadwerkelijk gaan verdwijnen.

Het plaatje wat u hierbij ziet, illustreert dat ook. Want hier ziet u dat de tempel in het jaar 70... Dit is een illustratie zoals dat gegaan moet zijn: de menorah en alle attributen van de tempel zijn meegevoerd naar Rome, en de tempel is compleet in rook en as verdwenen. En niet alleen de tempel, maar ook de hele stad. U moet zich realiseren dat deze brief is geschreven in de zestiger jaren en binnen een paar jaar — dat hangt ervan af wanneer de brief exact is geschreven, maar in elk geval binnen zeer afzienbare tijd — zou dit allemaal zijn beslag krijgen. Niet ver van de verdwijning. Ziet u hoe concreet dat voor die Hebreeën was?

Hebreeën 10 Verklaard: Opzettelijk Zondigen en het Oordeel van Vuur ↑ hoofdstukken

Hebreeën 10 zegt: "Want indien wij opzettelijk zondigen nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over." Ook dit moet je weer zien in het kader van wat daar aan de hand was. Deze mensen stonden onder enorme druk. Ik heb het dan over de Messiasbelijdende Joden. Je leest in Hebreeën 10 dat zij gedwongen werden om de Zoon van God met voeten te treden en op het bloed te spuwen. Daarmee moesten ze aangeven dat ze radicaal afstand namen van hun belijdenis dat Jezus de Messias is. Het punt is: het ging er niet om dat zij niet langer geloofden dat Jezus de Messias was. Dat wisten ze; ze waren tot erkentenis van die waarheid gekomen. Maar nu dreigden ze te bezwijken onder de druk en waren ze eigenlijk vervreemd van de genade. Maar daar hadden we het al eerder over.

Ze waren tot erkentenis van de waarheid gekomen en zondigden opzettelijk. Dat wil zeggen dat men wist dat men afstand nam van de waarheid. Paulus doet in deze brief ook geen moeite om aan te tonen dat Jezus de Messias was. Dat wisten ze! Daarvan waren ze ooit overtuigd. Wat hij wel laat zien, is dat wat we inmiddels weten over de Messias, zo onvergelijkelijk beter, hoger, mooier en heerlijker is dan wat in het oude verbond ooit bekendgemaakt was. Zoveel beter! Dat laat hij wel zien: het uitnemende ervan.

Maar stel je voor dat men dat allemaal aan de kant zou schuiven. De omstandigheden waren niet eenvoudig, dat geef ik direct toe. Men kan daarover lezen in de geschriften over de Joodse oorlogen van Flavius Josephus, die uitgebreid geschreven heeft over die jaren zestig en de uiteindelijke val van Jeruzalem. Ik kom daar straks nog even op terug en zal er iets uit voorlezen. Het is een vreselijke tijd geweest en de druk was enorm. Laten we die mensen daar dus vooral niet hard over vallen. Maar het gaat erom wat Paulus zegt: indien wij opzettelijk zondigen — dus bewust weten dat we nu afstand doen van de waarheid nadat wij tot erkentenis van die waarheid gekomen zijn — dan blijft er geen offer voor de zonden meer over.

Dat was voor hen ook heel letterlijk zo. De offerdienst stond op het punt te verdwijnen en het enige waarachtige Offer hadden ze verworpen; daar hadden ze afstand van genomen. Wat bleef er dan nog over? Het Offer was afgewezen en de offerdienst zou gauw verdwijnen. Kortom, dan bleef er letterlijk en concreet geen offer meer over. Ziet u? Maar, vervolgt Paulus dan in Hebreeën 10, er blijft slechts "een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur dat de wederspannigen zal verteren". Er wordt vaak gedacht dat dit over de hel gaat, maar daar gaat het helemaal niet over. Het gaat hier over dat drama wat binnen een paar jaar daadwerkelijk zou gebeuren. Alles zou in vlammen opgaan, tenzij men de wijk zou nemen en de stad zou verlaten. Ik kom daar straks nog op terug. Men zou dit ondergaan: een vreselijk uitzicht op een oordeel en de felheid van een vuur dat de wederspannigen — dat wil zeggen degenen die nadat zij tot erkenning van de waarheid gekomen zijn, daar afstand van nemen — zou verteren. En zo is het ook gegaan.

Een paar verzen later lezen we trouwens: "Want wij weten wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden! En wederom: De Here zal zijn volk oordelen." Dit liegt er niet om; dit zijn vreselijke dingen die gebeurd zijn in die jaren. Hoe God inderdaad het oude verbond niet alleen oud verklaard had, maar hoe er hardhandig een einde aan is gekomen, precies veertig jaar nadat de Heere Jezus gestorven en opgestaan is. Precies veertig jaar later. De Heere zou Zijn volk oordelen en daar staat nog bij: "Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God!"

Ik wees er zojuist al even op, maar ik wil het vers ook op het scherm tonen: Hebreeën 13 vers 13. Dat is het laatste hoofdstuk, maar daar werkt alles naartoe. "Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen," schrijft Paulus. Natuurlijk is het waar dat dit ook figuurlijk zo is. Je kunt het in het algemeen toepassen en zeggen dat we de menselijke godsdienst, de menselijke werken, het systeem en religieuze filosofie achter ons laten en tot Hem uitgaan. Dat is waar, daar wil ik niets aan afdoen. Maar als u zich realiseert dat dit geschreven is aan Hebreeën in de stad Jeruzalem — een stad die binnenkort in vlammen zou opgaan en die door een vreselijk oordeel van vuur getroffen zou worden — dan begrijpt u dat de lezers worden opgewekt om de stad te laten voor wat ze is en naar buiten te gaan. Zoals de Heere Jezus buiten de legerplaats had geleden, zo zouden zij ook Jeruzalem verlaten vanwege de aanstaande verwoesting.

Trouwens, dat was al iets wat ze wisten uit de evangeliën, wat de Heere Jezus veertig jaar eerder al had gezegd. We lezen in Lucas 21: "Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabij is." Jarenlang is de stad inderdaad belegerd geweest voorafgaand aan de uiteindelijke val in het jaar 70. Zodra je nu Jeruzalem door de legerkampen omsingeld ziet — dit zijn woorden van Jezus — weet dan dat de verwoesting nabij is. "Laat dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en die binnen de stad zijn, de wijk nemen." Hebreeën 13 borduurt daar gewoon op voort. Daar komt trouwens bij dat deze woorden inderdaad in die dagen vervuld zijn. Ze zullen ook nog in de toekomst een vervulling krijgen, maar hier in Lucas 21 heeft het speciaal betrekking op die tijd. Dat Jeruzalem inderdaad omsingeld zou worden en haar verwoesting nabij was. In de jaren zestig was het inmiddels zeer, zeer nabij. Het zou nog slechts enkele jaren duren voordat dit alles waar zou worden.

De Historische Vervulling: Titus en de Verwoesting van Jeruzalem ↑ hoofdstukken

Ik heb daar heel wat over gelezen, maar ik wil u toch niet onthouden wat je daarover in het algemeen leest. Je kunt het raadplegen in allerlei handboeken, maar in Wikipedia, de internet-encyclopedie, vond ik een uitgebreid verhaal waaruit ik een paar elementen heb overgenomen. Daar lees je dat hoewel Titus — de Romeinse veldheer en zoon van de keizer (Domitianus, ja) — de veldheer was die eropuit was gezonden om de Joodse opstand in de jaren zestig de kop in te drukken, de tempel toch in vlammen opging. Hoewel Titus de tempel ongeschonden in handen wilde krijgen, is deze eveneens verbrand.

Naar schatting kwamen honderdduizend verdedigers en inwoners om het leven. Het totale aantal slachtoffers van deze Joodse oorlog wordt geschat op 600.000 tot 1,3 miljoen doden. Er heeft zich daar een enorm drama voltrokken. De Romeinen slachtten hele families af, waaronder iedereen die ze ervan verdachten een afstammeling te zijn van het huis van David. Zij wisten niet dat de Zoon van David inmiddels al lang in veiligheid was gebracht; dan moet ik meteen weer denken aan de geschiedenis van de kleine Joas. Maar goed, dat even voor de kenners.

Verder lees je dat de overlevenden werden verkocht op de slavenmarkten van het Midden-Oosten. Zij werden gedeporteerd naar bijvoorbeeld Egypte, waarbij de prijs door de grote aanvoer enorm kelderde. Die slaven waren niets meer waard omdat er simpelweg een overvloed was; zozeer was hun waarde gedegradeerd. De laatste verzetshaarden, waaronder het fort Massada aan de Dode Zee — een aantal van u is er ongetwijfeld weleens geweest — werden in het jaar 73 opgeruimd. Dat is nog een hele strijd geweest. Het was trouwens een onneembare vesting waar je eigenlijk niet fatsoenlijk kon komen, maar het is tot op de dag van vandaag een begrip dat met name de laatste eeuwen bijna legendarisch is geworden. Massada heeft voor een Israëli een grote betekenis; een Israëlische soldaat legt hier zijn belofte af om in militaire dienst te gaan. Het staat model voor het verzet tegen de Romeinen.

Hoe dan ook, dit is wat daar heeft plaatsgevonden aan het einde van de jaren zestig en met name in het jaar 70, toen er geen steen op de andere is gelaten van de hele tempel. Daarbij kun je trouwens ook vragen stellen over de Klaagmuur — al is dat weer een ander onderwerp. Waar zou die van dateren? Is dat een restant van de tempel of gewoon van het Romeinse fort Antonia? Terwijl ik het zeg, denk ik: 'André, wat breng je nu weer ter sprake?', want dat is een heel ander onderwerp, maar ik kon het even niet laten. Waar het om gaat is dat de hele stad compleet met de grond gelijk is gemaakt. Zelfs heuvels zijn volledig geslecht; de berg Sion is bijvoorbeeld gewoon vlak gemaakt. Dat valt met geen pen te beschrijven. Flavius Josephus heeft geprobeerd te verwoorden wat er is gebeurd.

Er zit een draadje bij me los, mensen, dat is ook ernstig hoor. Toch probeer ik het tot een goed einde te brengen. Extern, ja... Goed, dat is wat ik wilde zeggen: de stad is compleet met de grond gelijk gemaakt en de tempel is in vlammen opgegaan. Dat is wat er gebeurd is, en dat is waar de schrijver van de Hebreeënbrief op wijst.

Nu we toch met plaatjes bezig zijn: dit is de boog. Ik ben nooit in Rome geweest en heb dit dus nooit met eigen ogen gezien, maar het monument is vrij pontificaal aanwezig. De boog ter ere van Titus wordt altijd de Titusboog genoemd. Dat is niet helemaal terecht, of in elk geval is het niet de boog die Titus zelf heeft opgericht. Hij is namelijk postuum voor hem klaargemaakt door zijn broer, die daarna de keizer werd en waarvan ik even de naam kwijt ben. In elk geval geloof ik dat deze boog in het jaar 81 van de eerste eeuw is neergezet. Het was een kolossaal monument, ter ere van Titus die enorm vereerd werd voor al zijn heldendaden als veldheer in de strijd tegen Jeruzalem.

Als je op de afbeeldingen op die boog kijkt, dan zie je ook voorwerpen uit de tempel die als krijgsbuit worden meegevoerd. Je ziet hier dat de menorah is meegenomen. Al eerder was er een gigantische aanslag gepleegd op alle schatten van de tempel, en daar moet je niet gering over denken. Keizer Nero had dat ooit al eens laten doen; het vele goud en alle schatten werden verwijderd. Ook de tienden die de Joden daar brachten, hadden de Romeinen zich onrechtmatig toegeëigend. Wat je nu dus nog in Rome ziet, zijn de stille getuigen van dat drama dat zich ooit in Jeruzalem heeft voltrokken en waar de schrijver van de Hebreeënbrief zo ernstig op wijst: op dat wat er zou gaan gebeuren.

De Setting als Sleutel: Waarom Hernieuwde Bekering Onmogelijk Werd (hebreeën 6) ↑ hoofdstukken

Goed, nou met dit in gedachte: wie de schrijver is, is in wezen nog het minst interessante of belangwekkende in dit verband. Maar goed, het draagt allemaal wel bij tot begrip, maar vooral ook aan wie het gericht is, in welke tijd, wat er op handen was en ook wat er zou gaan gebeuren – het enorme drama wat zich zou gaan voltrekken. Als je dat begrijpt, dan ga je ook die allerlei passages begrijpen die zo moeilijk zijn, waar ik vanmorgen de eerste bijeenkomst al over begon. Mensen die het pad kwijt zijn geraakt, denken ze dan. Maar ze zijn echt het pad kwijtgeraakt doordat ze de Schrift niet verstaan en daardoor niet meer het Evangelie kennen.

Wat doet het ertoe? Nou, in eerste plaats de misverstane Schriftgedeelten, want de Hebreeënbrief is in zijn geheel een zwaar misverstane brief. Allerlei passages worden volstrekt obscuur wanneer je de setting niet in ogenschouw neemt; wanneer je niet weet aan wie het gericht is, in welke tijd en wat er zou gaan gebeuren. Laten we nou dat hele gedeelte, of die verzen die ik vanmorgen al eventjes liet zien, nu nog één keertje lezen. Als je eenmaal weet wat de setting is, als Paulus dan schrijft: "Het is onmogelijk degenen die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben, deel hebben gekregen aan de Heilige Geest en het goede woord Gods en de krachten van de toekomende eeuw gesmaakt hebben..." Weet u wat hier beschreven wordt? De glorie van de Handelingenperiode. Dat wat het Joodse volk ten deel viel op de Pinksterdag en al die tijd daarna, toen ze inderdaad rijkelijk mochten smaken en proeven van de krachten van de toekomende eeuw. Die trouwens op dat moment ook zeer aanstaande was; men verwachtte dat.

Israëls bekering, dat was de grote doelstelling van het evangelie van de besnijdenis. En Petrus, die dat op het tempelplein gepredikt heeft, spreekt over berouwvolle bekering opdat de Christus, die tevoren is opgenomen in de hemel, zal terugkeren en tijden van verademing zal doen aanbreken. Dat was de prediking in die dagen. En ze hebben de hemelse gaven genoten, ze hebben deel gekregen aan dat wat de Heilige Geest allemaal gaf. Ze zijn verlicht geweest, het woord is hen gepredikt, al die dingen zijn hen getoond en het is bewezen. Nou, het is onmogelijk degenen die eens verlicht zijn geweest, et cetera, en dat gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen.

Ja, waarom? Nou, dat is nogal logisch. Wat kon hen nog gebracht worden? Het evangelie van de Messias hoefde je hen niet meer te prediken, want dat hadden ze verworpen. Dus hoe zouden ze ooit nog weer opnieuw tot bekering gebracht kunnen worden? Naar de mens gesproken... bij God is niks onmogelijk, dat weet ik ook wel, maar naar de mens gesproken was dat gewoon voorbij. Ze wisten – dat was trouwens hier in dit geval ook het punt, ik gaf het zojuist al even aan – de Hebreeën wisten dat Jezus de Messias was. Daar was de twijfel niet over. Daar gaat de Hebreeënbrief ook niet over. Nee, ze namen daar opzettelijk afstand van. Ja wat, dan is het onmogelijk om hen nog ooit tot bekering te brengen. Dat wat ze nodig hadden, ja, dat hadden ze verworpen.

En dan lees je dat zij, wat hen betreft, de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken. Letterlijk ook door dat wat van hen wordt afgedwongen. Ze moesten spugen op de boodschap, letterlijk moesten ze daarop spugen, en de Zoon van God moesten ze met voeten treden. Tot zulke dingen werden ze gedwongen door hun volksgenoten. Maar het was ook zo dat men, door weer terug te keren naar de religie die de Zoon van God ooit kruisigde, aan het kruis bracht, de Zoon van God feitelijk opnieuw kruisigde. Ooit hadden ze er afstand van genomen; ze hadden zich laten dopen en hadden ze afstand genomen van dat verkeerde geslacht, zo lees je dat ook in Handelingen. En nu keerde men weer terug. Maar daarmee maakte men opnieuw weer deel uit van die religie die de Zoon van God had gekruisigd. En zo kruisigde men de Zoon van God dus weer opnieuw en maakte men Hem tot een bespotting.

Want, staat er dan in vers 7: "de grond die de regen welke er telkens op valt indringt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, die ontvangt zegen van God." Kijk, daar spreekt hij over – ik schrijf er natuurlijk ook uitgebreid over – over die zegen van God, namelijk die gelegen is in geloof in Gods belofte. Niet in werken, niet in rituelen, maar alleen in Gods belofte. Maar daar namen ze afstand van, of in ieder geval dreigde dat voor het merendeel. En dan staat er nog bij in vers 8: "toch als hij doornen en distelen draagt, dan is die ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking die uitloopt op verbranding."

Ja, los van zijn context, los van de setting van de brief zoals we dat vandaag ook hebben overwogen, begrijp je zo'n vers nooit. Dit gaat namelijk over de totale verwoesting, ondergang en verbranding van Jeruzalem, enige jaren nadat deze brief geschreven is aan de Hebreeën. Heel concreet, zonder dat je daar mythologische voorstellingen van de hel bij moet betrekken, wat altijd gedaan is. Kijk, hier zijn mensen altijd bang mee gemaakt. En waarom kon men dat doen? Omdat men gewoon totaal geen inzicht had in de bijzondere boodschap van Paulus en het evangelie van de besnijdenis. Men gooide alles door elkaar. Dat vind ik trouwens ook dramatisch, want daarmee doe je namelijk het evangelie van Gods genade zo tekort. Dit hoef je niet te vergeestelijken, dit moet je nemen zoals het er staat. Over die vervloeking – dat wil zeggen dat de zegen onthouden wordt, de zegen wordt weggenomen. En wat blijft er over? Wel: verbranding. Het loopt uit op verbranding, precies zoals het is gegaan.

Ik doe daarmee dus niets af van de ernst, integendeel, ik laat u juist zien hoe ernstig dit alles waar is geworden. En dat is van belang om zo'n passage in Hebreeën 6, maar ook Hebreeën 10, te lezen en de hele setting, het doel en het oogmerk van de brief in ogenschouw te nemen.

Hebreeën 11: Vreemdelingschap en het Geloof in de Onzienlijke ↑ hoofdstukken

Tenslotte kom ik op één onderdeel dat ik niet onvermeld wil laten. In de Hebreeënbrief wordt hier eigenlijk vanaf het begin op gewezen, maar hoofdstuk 11 is natuurlijk het machtige hoofdstuk over de — zoals dat meestal wordt genoemd — geloofshelden. Ik heb het zelf echter liever over de geloofsgetuigen: mensen die allemaal hebben gewandeld in geloof. Paulus laat ze allemaal de revue passeren; hij noemt een Abel, een Noach en een Abraham. Het zijn namen van mensen die stuk voor stuk geleefd hebben in geloof.

Waarom brengt hij dit ter sprake bij deze Hebreeën? Omdat zij dit ook moesten leren. Hij zegt in vers 13: "In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de belofte verkregen te hebben." Datgene waar ze op hadden gerekend, waarvan ze hadden gedacht dat ze het in hun leven nog zouden zien, ontvingen zij nog niet. Deze Hebreeën hadden namelijk gedacht dat het Koninkrijk in hun dagen openbaar zou worden, maar zij worden nu bemoedigd; er wordt hen een hart onder de riem gestoken. Hij zegt: kijk nu eens naar al die mensen die jullie zijn voorgegaan. Zonder de belofte verkregen te hebben, hebben zij die slechts uit de verte gezien en begroet. En ze hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Hier tellen zij niet mee.

Ik ben bijna geneigd om er de verkiezingen bij te halen en de vraag of onze stemmen dan wel meetellen, maar laten we de politiek er alsjeblieft buiten houden. Was het maar omdat we beseffen dat we vreemdeling en bijwoner zijn. Deze mensen leefden in dat geloof; zij maken geen deel uit van het systeem. Het zal allemaal wel goed zijn, wij zijn hier immers gasten. Waar het om gaat is dat al deze mensen hebben geleefd in geloof. En geloof wil zeggen: niet zien. Dat is precies wat die Hebreeën ook moesten leren. Geen zichtbare Messias, geen Messiaans Rijk en geen tempeldienst — want die zou binnenkort verdwijnen. Geloof alleen! Dat zie je in deze hele brief.

Je leest in Hebreeën 11 over Mozes dat hij standvastig bleef, "ziende de Onzienlijke". Of wat dacht u van hoofdstuk 2, waar we lezen: "Thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn." Nee, totaal niet zelfs. Maar wij zien Jezus, gekroond met eer en heerlijkheid, maar wel achter het voorhangsel. Kijk, geloof betekent: alleen geloven en niets zien. Dat is wat deze Hebreeën moesten leren. Geen zichtbaar koninkrijk dat in hun dagen manifest zou worden. De krachten van de toekomende eeuw verdwenen zo langzamerhand ook. De speciale plaats van Israël en van de rituelen zou ophouden; aan de tempeldienst zou binnen afzienbare tijd compleet een einde komen. Wat er over zou blijven? Geloof alleen.

De Hoofdzaak van de Brief: Onze Verborgen Hogepriester ↑ hoofdstukken

Tenslotte wil ik nog op één ding wijzen in Hebreeën 8 vers 1, wat daar natuurlijk direct op aansluit. Paulus schrijft daar over de vraag waar het nu eigenlijk over gaat in deze brief. Nadat hij een heel uitvoerige uiteenzetting heeft gegeven over Melchizedek – u weet wel, die koning-priester uit de dagen van Abraham die brood en wijn voortbracht – zegt hij: "De hoofdzaak van ons onderwerp is dat wij zulk een Hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen."

Eerder in de brief, aan het einde van Hebreeën 6, had hij al gezegd: "achter het voorhangsel". Waar het om gaat, is dat de Hebreeën hiermee vertrouwd moesten worden. De grote massa, degenen die niet langer aangesproken konden worden, zou inderdaad omkomen, letterlijk in de stad. Er waren er trouwens die inderdaad de wijk hebben genomen; dat is bekend. Zij zijn gevlucht naar bijvoorbeeld Pella, vlak over de Jordaan – trouwens nog steeds te bezoeken. Een hele menigte gelovige mensen heeft daar, de woorden van Jezus en van Paulus indachtig, de wijk genomen. Zij hebben de stad verlaten en hebben inderdaad een veilig onderkomen gevonden, ergens in de bergen.

Wat zij moesten leren, was: geen zichtbare koning, maar een verborgen Hogepriester. Hij is trouwens wel de Koning, hoor; Hij is Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek. Maar thans is Hij als Priester verborgen achter het voorhangsel in het hemels heiligdom. Dat wordt allemaal uiteengezet in deze brief, en daarom zeg ik: het is een schitterende brief.

Waar het in deze brief om gaat, is dat er op Hem wordt gewezen. Er komt een dag dat die Hogepriester weer uit het heiligdom zal komen. Jazeker, dan zal Hij zichtbaar worden en Zijn handen opheffen, zoals een hogepriester dat altijd deed op de Grote Verzoendag. Want dat is wat er dan zal gebeuren: Jom Kippoer, de Grote Verzoendag van Israël, zal dan aanbreken en dan zullen ze Hem zien.

Dan zal Hij inderdaad als Koning Zijn heerschappij opnemen en Koning van vrede zijn – Koning van Salem, maar dan ook letterlijk in Jeruzalem. In alle opzichten gaat Hij dat vervullen. Hij is de persoon die wij vandaag kennen als de Hogepriester naar de ordening van Melchizedek. Al die dingen worden in deze brief ter sprake gebracht, en het is schitterend. Ik hoop dat ik u één ding vanmorgen en vanmiddag duidelijk heb gemaakt: hoe enorm belangrijk het is om de setting van de Hebreeënbrief te verstaan.

🎧 De Setting Van De Hebreeen-Brief (deel 2)
Delen: