Saul Op De Hoogte
15-08-2010 - Geplaatst door Andre PietPresentatie gehouden op 15 augustus 2010 in 'de Heere zal voorzien' in den Haag
In 1Samuël 9 en 10 wordt verhaald hoe Saul koning werd over heel Israël. Hoofdstuk 9 beschrijft hoe Saul samen met een knecht op zoek gaat naar de ezellinen van zijn vader. Aanvankelijk tevergeefs, totdat hij bij Samuël komt die hem letterlijk en figuurlijk op de hoogte brengt. Samuël meldt Saul dat de ezelinnen die hij zocht op deze derde dag gevonden zijn. Maar meer nog: hij vindt het koningschap! Hij zocht ezelinnen maar hij vónd het koninkrijk van Israël! En daarmee weten we ook dan meteen waar deze ezelinnen een type van zijn. Saul ontvangt tijdens de maaltijd ter gelegenheid van het offer, het hoogste, priesterlijke deel. Als de aspirant-koning van Israël daalt hij vervolgens af naar de stad…
Ook 1Samuël 9 is veel meer dan alleen een verhaal over hoe Israëls eerste koning werd gevonden. Het verwijst naar Hem die definitief Koning van Israël zal zijn en over de wijze waarop en wanneer Hij dat zou worden.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie en de Afkomst van Saul
- De Toekomstige Koning als een Goede Herder
- Met Lege Handen Naar de Ziener (genade Is Om Niet)
- De Meisjes bij de Bron en het Offer op de Hoogte
- Door Gods Woord 'op de Hoogte' Gesteld Worden
- De Derde Dag: het Vinden van het Verloren Koninkrijk
- De Schenkel: een Priesterlijk Deel voor de Koning
- Afsluitend Dankgebed
Introductie en de Afkomst van Saul ↑ hoofdstukken
Een hele goede morgen, beste vrienden, broeders en zusters, jongens en meisjes. Het is goed u hier weer te treffen, uitgerust, al of niet met gebruinde gezichten van de zon, dan wel van de regen – want dat roest dan weer, hè. Ik wil u graag meenemen naar een merkwaardige geschiedenis. Eigenlijk zou ik twee hoofdstukken moeten lezen en die beide zijn nogal lang, dus dat gaan we maar niet doen. Ik stond een beetje voor een probleem bij het behandelen van dit verhaal, want de geschiedenis waar we het over hebben, namelijk hoe Saul tot koning gezalfd wordt, vinden we in zowel 1 Samuël 9 als 10. Die twee hoofdstukken vormen één geheel; je zou het een tweeluik kunnen noemen. Maar ik heb me de vrijheid veroorloofd om het verhaal toch maar in tweeën te knippen en ons te beperken tot het negende hoofdstuk. Zojuist zei Ron al dat we zouden bedenken de dingen die boven zijn. Het plaatje van de bergen waar u al enige minuten naar hebt kunnen kijken, bracht ons al in die sferen. Het hoofdstuk waar we het nu over hebben eigenlijk ook, want we gaan inderdaad de hoogte op, in de dubbele zin van het woord. Ik kom daar straks nog wel even op terug.
Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat 1 Samuël 9 gaat over de geschiedenis van Saul, die hier voor het eerst in de Bijbel voorkomt, terwijl hij de ezelinnen van zijn vader zoekt. We zouden wellicht het beste gewoon bij het eerste vers kunnen beginnen. Ik kan natuurlijk allerlei achtergrondinformatie geven, maar laten we de tekst lezen. Het is een vrij lang hoofdstuk, dus ik kan niet bij alles al te uitgebreid stilstaan. Soms gaan we er snel doorheen. Het is nog steeds vakantietijd, dus ik kreeg anderhalf uur of zo, is het niet Peter? Of twee uur? Nee hoor, we doen dat heel fatsoenlijk allemaal.
In vers 1 van 1 Samuël 9 lezen we: "Er was een man uit Benjamin, Kis geheten, de zoon van Abiël, de zoon van Seror, de zoon van Bekorat, de zoon van Afiach." Nou, dan weten we dat ook weer en weten we in ieder geval over wie we het hebben en wat zijn afkomst was. Over de betekenissen van die namen gaan we het nu niet hebben. Hij woonde niet alleen in het gebied van Benjamin, hij was zelf ook een Benjaminiet. Hij was een vermogend man; elders lezen we "een rijk man". Hij kon zich veel veroorloven, hij vermocht veel. Dat betekent in de praktijk dat hij rijk was. Want u weet: rijkdom geeft je heel veel mogelijkheden. Aardse rijkdom is trouwens maar heel beperkt uiteindelijk, want de belangrijkste dingen kun je er niet mee verkrijgen. Maar hoe dan ook, deze Benjaminiet was een vermogend man.
Deze had een zoon, Saul geheten. Saul betekent "gevraagd". Hij was jong en schoon, wat betekent dat hij mooi was. Er staat dat er onder de Israëlieten niemand schoner was dan hij. Of er ooit een wedstrijd is gehouden, weet ik niet, maar de tekst lijkt het te suggereren. In elk geval was hij een zeer knappe man; niemand was schoner dan hij. Er staat ook nog bij dat hij een hoofd uitstak boven al het volk. Wij zouden zeggen: hij stak met kop en schouders boven iedereen uit. En als ik het zo zeg, dan klopt dat eigenlijk aardig. Want als u de Statenvertaling leest, dan ziet u die formulering, en dat blijkt precies de formulering te zijn die we vinden in de grondtekst. Er staat namelijk letterlijk: "van zijn schouderen en opwaarts was hij hoger dan al het volk." Zo staat het in het Hebreeuws geformuleerd. Het was dus inderdaad een zeer groot man. Hij keek op iedereen neer, maar dan in de letterlijke zin des woords.
De Toekomstige Koning als een Goede Herder ↑ hoofdstukken
Nu waren van Kis, de vader van Saul, de ezelinnen zoekgeraakt. Letterlijk staat er dat ze verloren waren. En toen zei Kis tot zijn zoon Saul: "Neem toch een van de knechten mee en ga heen, zoek de ezelinnen." Dat is heel eigenaardig. Eigenlijk wilde ik zojuist al even zeggen dat deze geschiedenis gaat over hoe Saul koning wordt over Israël. Trouwens, Saul was degene die daarmee ook de Richterenperiode afsloot. Hij was de eerste koning van Israël; bij hem begon het koninkrijk van Israël.
Maar de wijze waarop dit verhaald wordt, die hele eigenaardige geschiedenis over het feit dat hij ezelinnen ging zoeken, is bijzonder. U begrijpt wel dat dit niet alleen maar een verhaal of historie is van 'zo is het gegaan'. Nee, het loutere feit dat die dingen gecombineerd en aan elkaar gelinkt worden, betekent dat het een diepere betekenis heeft. Dat kun je op voorhand al vaststellen, want in de Bijbel staat namelijk niets voor niets. Het heeft een betekenis.
Hij ging de ezelinnen zoeken. Eigenlijk vinden we een soortgelijke achtergrond bij David. Hij was ook een herder, een goede herder, die zijn leven letterlijk inzette voor zijn schapen. Eigenlijk is dat hier ook het geval. Saul wordt geïntroduceerd als een goede herder, iemand die op zoek gaat naar het verlorene. Dat is een kenmerk van de goede herder. Trouwens, dat is eigenlijk ook het kenmerk van een goede koning. Een koning is niet zomaar iemand die heerst met zijn heersersstaf. Nee, die heersersstaf zou een herdersstaf moeten zijn. Het is iemand die zich bekommert om de kudde, die daarmee begaan is. Het is niet iemand die heerst, maar iemand die zich inzet; een goede herder. Feitelijk is dat de wijze waarop Saul in deze geschiedenis geïntroduceerd wordt: hij ging op zoek naar de ezelinnen.
Ezelinnen vinden we trouwens nog wel vaker in de Bijbel. Herinnert u zich dat? Ezels vinden we heel vaak. Ik ken iemand die het had over de geschiedenis van Bileam — dat vond ik wel heel grappig. Daar vinden we trouwens ook een ezelin. Critici zeggen dan weleens: "Dat kan toch niet, dat een ezelin gaat spreken?" Maar die Bijbelleraar zei: "Nou, dat vind ik helemaal niet zo gek, want ik hoor zo vaak ezels praten." Wat ik ermee wil zeggen — en ik bedoel het een beetje dubbelzinnig — is dat er een sprake uitgaat van ezelinnen. Dat is hier ook het geval, en ik kom daar straks nog op terug.
Ik wil trouwens op nog één hele eigenaardige geschiedenis wijzen, namelijk dat je ook leest over een ezelin waar twee mannen naar op zoek gingen. Waar zou ik op doelen? Ja, in het Nieuwe Testament, waar de Heer Jezus twee van Zijn discipelen eropuit stuurt om een ezelin te zoeken bij de Olijfberg. Bij Betfage lees je dat. Die ezelin was vastgebonden en die moesten ze losmaken, want de Meester had haar nodig. Met die ezelin gaat de Heer vervolgens de Olijfberg af. We zeggen altijd dat dit de intocht in Jeruzalem was, maar dat is het niet hoor. Het was een optocht naar Jeruzalem, maar eigenlijk was het een aftocht, want ze gingen van de Olijfberg af, zo naar beneden. Dat is een veelzeggende richting in dit verband, want het was de nederige Koning. Het was door Zacharia ooit geprofeteerd: "Zie, uw Koning komt tot u, Jeruzalem, nederig." Niet rijdend op een paard, maar rijdend op een ezelin, op een ezelsveulen. Ja, daar waren namelijk twee ezels bij betrokken: een ezelinnejong en een ezelin. Zo was het. Als je de geschiedenissen in het Nieuwe Testament van Mattheüs, Markus en Lukas vergelijkt, dan kun je dat zo reconstrueren.
Maar goed, er waren dus ezelinnen. En wat toen eigenlijk bleek... Want toen de Heer Jezus op die ezelin zat, barstte Hij in tranen uit toen Hij de stad Jeruzalem zag. Dat was op een hele gedenkwaardige dag: de tiende Nisan. Dat was de dag dat het paaslam in huis genomen moest worden. En dan zegt de Heer Jezus, met de tranen in Zijn ogen, over Jeruzalem: "Dat gij heden, op deze dag, verstond wat tot uw vrede dient! Maar thans is het verborgen voor uw ogen." Het Koninkrijk zou niet aanbreken; het zou verborgen worden. Daar hebben deze ezelinnen ook alles mee te maken. Het is misschien nu nog allemaal wat wazig, maar goed.
We hebben het nu dus over ezelinnen die zoek zijn. Saul is de aspirant-koning — dat weten wij natuurlijk achteraf al. De toekomstige koning van Israël blijkt een goede herder te zijn; hij gaat op zoek naar de ezelinnen. Hij trok het gebergte van Efraïm door. Ik heb hier een kaartje bijgeplaatst, zodat u een klein beetje weet waar we het over hebben. Hier is de Dode Zee, hier ligt ergens Jeruzalem en daarboven heb je het gebied en het gebergte van Efraïm. Hij trok het gebergte van Efraïm door en ook door het gebied van Salisa, maar ze vonden ze niet. Daarna trokken zij door het gebied van Saälim, maar ze waren er niet. En daarna trokken zij door het gebied van Benjamin, maar ze vonden ze niet. Dat wil zeggen dat ze de hele streek hebben uitgekamd. Kennelijk is het een hele kudde geweest; het zullen toch geen twee ezelinnen geweest zijn die ze hebben gezocht. De vader van Saul was een vermogend man, dus het zal een hele groep ezelinnen geweest zijn. Hoe dan ook, dat is wat hier beschreven wordt: ze vonden ze niet gedurende deze dagen.
En toen zij in het gebied van Suf gekomen waren... ja, ze hadden zich dus 'suf' gezocht. Daarom staat het er natuurlijk ook, maar dat kunt u wel vergeten, want dat is alleen maar een Nederlands woordgrapje. Maar Tsoef — want dat is de Hebreeuwse manier van zeggen — weet u wat dat betekent? Dat is een honingraat. Dan kom je meteen in een hele goede richting in de Bijbel. Als je het over honing hebt en over dat waar honing uit voortkomt, de bij (debora)... dat heeft alles te maken met het woord (dabar). Het woord voor bij is in de kern hetzelfde woord als het woord voor 'woord'. En u weet: wat is er zoeter dan honing? Dat is het Woord van God. Zoeter dan honing, ja, dan honing uit de raat, Tsoef. Nou, daar kwamen ze.
Toen zij in het gebied van Tsoef gekomen waren, zei Saul tot zijn knecht die bij hem was: "Kom, laten wij terugkeren. Anders zal mijn vader niet meer aan de ezelinnen denken, maar zich over ons bezorgd maken." Deze echter zei tot hem — die knecht dus: "Zie toch, er is in deze stad een man Gods en die man is hoog in aanzien. Al wat hij zegt, komt stellig uit. Laten wij daar terstond heen gaan; misschien kan hij ons inlichten over de tocht die wij ondernomen hebben." We praten hier over de stad Rama. Dat wordt hier niet letterlijk zo genoemd, en toch weten we dat uit de geschiedenis. Want uit 1 Samuël 8 en meerdere andere plaatsen weten we dat dit de plaats was waar Samuël altijd verbleef; het was zijn woonplaats. Rama betekent 'hoge plaats' — houdt u dat even vast. Rama betekent een hoge plaats, en dat was de naam van de stad. Toen ik dit zo las in het Nederlands, dacht ik: dat is vreemd. "Hij kan ons inlichten over de tocht die we ondernomen hebben."
Ik zeg: wat is daar interessant aan? Je wilt die ezels weer vinden. Ja, dat is net zoiets als wanneer je het weer van gisteren wilt weten. Nee, ik ben altijd geïnteresseerd in wat er gaat worden, bijvoorbeeld dinsdag voor de barbecue. Dat wil je weten.
Maar weet je, dat is dan wel weer leuk. Dan kijk je in de Statenvertaling en daar staat: "Zal hij onze weg aanwijzen op dewelke wij gaan zullen?" Ja, kijk, dat is begrijpelijke taal. Je moet soms wel eens door het oude Nederlands heen prikken, maar dit is begrijpelijk.
In het Hebreeuws staat er eigenlijk helemaal niet een bepaalde tijd; het staat in een tijdloze werkwoordsvorm. Maar goed, hij zal ons kunnen inlichten over de tocht die wij gaan ondernemen, dewelke wij gaan zullen. Laten we het daar inderdaad maar op houden, want dat geeft een goede zin.
Met Lege Handen Naar de Ziener (genade Is Om Niet) ↑ hoofdstukken
En toen zei Saul tot zijn knecht: “Maar als wij gaan, wat kunnen wij dan voor die man meebrengen?” Want ja, voor wat hoort wat. Hij geeft ons misschien geweldige informatie; hij kan ons inlichten over de dingen die ons op dit moment zo interesseren. Maar ja, dat kost natuurlijk wel geld. We kunnen niet zomaar met lege handen bij hem komen, toch? Daar hebben ze het nu over: wat kunnen wij voor die man meebrengen? Het brood uit onze reiszakken is immers op en een geschenk om aan de man Gods te brengen hebben we niet. “Wat hebben wij?”
Dat vind ik wel mooi hoor. Als ik dan aan de Man Gods denk, zoals wij Hem kennen – de Man Gods met allemaal hoofdletters: de Heer Jezus Christus. Wat kunnen wij nou voor Hem meebrengen? Wel, het antwoord is: wij hebben alleen maar lege handen. En dat is precies de bedoeling, zodanig dat Hij ze kan vullen. Daar gaat het juist om; dat is de hele essentie. We vinden dat heel vaak terug in de Bijbel. Denk aan Naäman, die in zijn dagen ook bij de man Gods wilde komen en dacht geschenken te moeten meebrengen. Maar de man Gods weigerde dat. De dingen van God zijn nooit te koop. Hij geeft ze gewoon gratis. Dat is de essentie van de Bijbelse boodschap: gratis. Genade, puur om niets. Wij denken vaak: “Ja, maar dat gaat toch zomaar niet, dan moet je wel aan voorwaarden voldoen...” Dat heet religie: we gaan ons best doen voor God enzovoorts. Maar God geeft gewoon puur om niets.
Saul had dat niet in de gaten, en die knecht van hem evenmin. Dat maakt ook niet uit, want in vers 8 lees je dat de knecht zich nogmaals tot Saul richtte: “Zie, ik heb nog het vierde deel van een zilveren sikkel bij mij.” Een kwartje, zeg maar, een zilveren kwartje. “Ik zou dit de man Gods kunnen geven, dan zal hij ons over onze tocht inlichten.” Nou, daar is Saul dan wel tevreden mee. Misschien is het niet zo heel veel, maar dan toch in elk geval een klein beetje.
Maar dat maakt niet uit. De essentie van genade is: het is om niet. Ik zeg het wel vaker, en u hebt het ongetwijfeld al vaker uit mijn mond gehoord, maar bij dezen zeg ik het dan toch nog maar een keertje. We kunnen onszelf daar ook niet vaak genoeg aan herinneren: een beetje gratis bestaat niet. Iets is gratis of het is niet gratis. Een beetje gratis, dat is een onmogelijkheid. Het is dus niet zo dat als je nou maar een kwartje geeft, het dan ‘een beetje gratis’ is. Het is zwart of wit. Een beetje zwanger bestaat immers ook niet. Ik kan nog wel een paar voorbeelden geven, maar laten we het hierbij houden.
“Dan zal hij ons over onze tocht inlichten.” Het gekke is dat wanneer ze inderdaad bij de man Gods komen, die gaven en die geschenken helemaal geen enkele rol meer blijken te spelen. In vers 9 lezen we: “Vroeger zeide men in Israël, wanneer men God ging raadplegen: Kom, laten wij naar de ziener gaan. Want de profeet van tegenwoordig werd vroeger ziener genoemd.” Hieruit blijkt trouwens dat deze geschiedenis veel later nog eens is opgetekend. Er wordt hier eigenlijk een toelichting gegeven: in de dagen van Saul werd zo iemand nog een ziener genoemd, maar vandaag heet het een profeet, iemand die het woord spreekt.
Vroeger was... ik moet dan denken aan een lied dat tegenwoordig niet meer in de bundel van Johan de Heer staat, maar het was lied 145, dat weet ik nog wel. Ik zong het altijd graag: “Vroeger was het zien en voelen, thans geloof ik meer.” Toch, ome Goof? Zoiets. Vroeger was het zien, maar nu gaat het helemaal niet om zien. Dat blijkt trouwens ook in deze geschiedenis: Samuël, de man Gods, had ook helemaal niets gezien; hij had gewoon het woord gehoord. Dat vind ik dan wel weer grappig, daar zit ook wat humor in. Ik zal er straks nog wel even op wijzen. Want als je vervolgens in vers 10 leest, dan zegt Saul tot zijn knecht: “Uw voorstel is goed.” Letterlijk staat er: “Uw woord is goed. Kom, laten wij gaan.” Ze gingen dus naar de stad waar de man Gods was: Rama.
De Meisjes bij de Bron en het Offer op de Hoogte ↑ hoofdstukken
Juist toen zij de helling naar de stad beklommen, ontmoetten zij meisjes op weg om water te putten. Dat is goed werk. Ja, echt waar. Dat waren meiden die wisten wat hun te doen stond. Maar ik bedoel het gewoon in het algemeen: kijk het maar eens in de Bijbel na. Als u misschien nog goed op de hoogte bent van alles wat u op de zondagsschool ooit verteld is, dan kunt u zich ongetwijfeld nog wel een aantal geschiedenissen herinneren van meisjes, van maagden die water gaan halen. "Twee emmertjes water halen," hè? Nee, die water gingen putten. En daar is vaak heel wat mee aan de hand. Het komt er feitelijk gewoon op neer dat ze naar de bron gingen. Dat is wat er geestelijk gezien ook achter zit. De bron blijkt ook altijd een hele rijke plaats te zijn waar hele bijzondere dingen gebeuren. Dat kunt u aan mij vragen, maar weet u aan wie u het nog beter zou kunnen vragen? Ik kan heel wat voorbeelden geven. Neem Jakob: wie vond hij daar? Rachel, zijn vrouw. Hij vond Rachel bij de bron. Mozes vindt later zijn vrouw ook bij de bron. Het is de beste plaats waar je je vrouw kunt vinden: bij de bron. Met hoofdletters dan uiteraard.
Deze meisjes gingen op weg om water te putten, en dat zou voorhand al moeten betekenen – als je ook even de diepere laag meteen aanboort – dat zij ook wat te vertellen hebben. Dat blijkt ook, want Saul en zijn knecht zeiden tot hen: "Is de ziener hier?" En toen antwoordden zij: "Ja, hij is u voor. Haast u nu, want hij is vandaag in de stad gekomen omdat het volk vandaag een offermaal heeft op de hoogte." Er staat letterlijk gewoon 'een offer'. In de praktijk was dit, zoals we uit de Bijbel kunnen opmaken, een vredeoffer. Een vredeoffer is een offer waaraan het hele volk ook deel mocht hebben; waar ze gezamenlijk als volk dus deel aan hadden. Dat wordt hier genoemd een offermaal op de hoogte. Ja, een hoge plaats.
Laten we deze geschiedenis meteen eventjes plaatsen in het licht van het Nieuwe Testament. Wat is het offer van de Heer Jezus Christus? Antwoord nu niet te gauw: "O, dat was het kruis op Golgotha," want ik zeg u dat dit geen correct antwoord is. Dit wordt altijd gezegd, maar het is geen correct antwoord. Wat op Golgotha plaatsvond, was niet het offer, maar de slachting van het offerdier, tussen aanhalingstekens. Het offer vindt plaats wanneer het vervolgens op de hoogte geplaatst wordt, op een altaar, een verhoging, en wanneer het vervolgens opstijgt voor God tot een lieflijke reuk. Dat vond plaats na de slachting, toch? Eerst wordt een dier geslacht, het bloed vloeit, en daarna wordt het op de hoogte geplaatst en verrijst het – je leest dan standaard die uitdrukking – voor God tot een lieflijke reuk. Mensen zeggen mij: "Het offer van de Heer Jezus, dat is het kruis op Golgotha." Nee, eigenlijk niet. Dat was noodzakelijk voor het offer. Golgotha is de slachting van het Lam. Het offer is wat daarna plaatsvond toen Hij verhoogd werd, toen Hij opstond uit de doden. Toen Hij verrees en opging tot God, dat was de lieflijke reuk voor God. Niet de slachting, nee, Zijn opstanding en het nieuwe leven dat Hij aan het licht bracht. Dat was de lieflijke reuk voor God.
En dat vond plaats op de hoogte. Daarom heb ik het hier op het scherm ook eventjes vetgedrukt: 'op de hoogte'. Want daar heeft het offer mee te maken, met de hoge plaats. Daar waar de Heer Jezus Christus is – de Verrezene, Degene die verheerlijkt is en de hoogste plaats inneemt – daar vindt het feest plaats naar aanleiding van het offer, daar op de hoogte. Bedenk dus waar we het nu over hebben; ik pak weer even de woorden van Ron op. We bedenken nu de dingen die boven zijn. We hebben het nu over de Heer Jezus Christus die daar gezeten is, onttrokken aan het oog. We zien Hem niet, nee, maar Hij is daar op de hoogte en wat doet Hij daar feitelijk? Hij viert daar het feest naar aanleiding van het offer dat gebracht is.
Ik moet doorlezen, want we zijn er nog niet hoor. "Zodra gij de stad inkomt, zult gij hem vinden," zeggen die meisjes. "Zodra gij de stad inkomt, dan zult gij hem vinden, voordat hij de hoogte opgaat om te eten. Want het volk eet niet voordat hij gekomen is; hij zegent namelijk het offer, daarna eten de genodigden. Nu dan, ga heen, want ge zult hem dadelijk vinden." En precies zoals die meisjes het zeggen, gebeurt het inderdaad ook. Ze wisten inderdaad waar ze het water moesten zoeken. Saul en zijn knecht gingen dan naar de stad. En toen zij de stad ingingen, kwam Samuël juist naar buiten hun tegemoet. Want over deze man Gods hebben we het natuurlijk. Tot dusver is zijn naam niet genoemd, maar het gaat over Samuël. Hij kwam juist naar buiten om de hoogte op te gaan. Dat veronderstelt dat hij al wist dat ze zouden komen. Dat is ook zo, want laten we maar verder lezen.
De HERE nu had een dag voor de komst van Saul aan Samuël geopenbaard... je zou zeggen dat hij dat in een visioen heeft gezien, want hij was een ziener. Weer verwijs ik eventjes naar de Statenvertaling. Weet u wat er in de Statenvertaling staat? "De HEERE had het voor Samuëls oor geopenbaard." Het was dus niet zien, het was horen. Samuël had geen visioen gezien, het was horen. De HEERE had het al tevoren geopenbaard. Dus Samuël komt die twee zoekende mannen tegemoet. Hij wist het namelijk; dat had de HEERE van tevoren al in zijn oor gefluisterd, bij wijze van spreken, dat dat inderdaad zou gaan gebeuren de volgende dag. Wat had Hij in Samuëls oor geopenbaard? "Morgen om deze tijd zal Ik een man uit het land van Benjamin tot u zenden; hem zult gij tot vorst over mijn volk Israël zalven." Tot gezalfde maken, of als ik het in het Grieks zeg: tot Christus maken. Dan weten we meteen ook waar we het over hebben: over de Koning van Israël. "En hij zal mijn volk verlossen uit de macht van de Filistijnen, want Ik heb acht geslagen op mijn volk, omdat zijn hulpgeroep tot Mij is doorgedrongen."
Kijk, ik zeg bij deze gelegenheid nog een keer: wat we hier vinden is een geschiedenis over hoe ooit Saul tot koning is gezalfd. De aanleiding, hoe dat gebeurd is en de merkwaardige taferelen die zich daaraan voorafgaan... je zou je af kunnen vragen waarom dat zomaar in de Bijbel vermeld wordt. Dat hele verhaal over die ezelinnen, wat boeit dat ons? Is dat voor de geschiedenis nou zo belangrijk? Nee, voor de geschiedenis misschien niet, maar het gaat juist om waar het naar verwijst: om de diepere betekenis. Alle schijnwerpers – dat kan niet missen – worden ook in deze geschiedenis, zoals overal in de Bijbel, gericht op de Koning van Israël. Hij die Zijn volk zal verlossen; wat zeg ik, die de Redder van deze wereld is. Hij die gezalfd zal worden en die inderdaad nu op de hoogte is. Laten we even nog verder lezen, want daar gaat het om. Daar wordt naar verwezen, zo onder de oppervlakte van deze geschiedenis. Dat ligt allemaal verborgen in zo'n verhaal, in zo'n geschiedenis.
Toen Samuël Saul zag, gaf de HERE hem te kennen: "Dit is de man over wie Ik u gesproken heb. Deze zal over Mijn volk heersen." Deze man die nu op zoek is naar die ezelinnen, als een goede herder. Zo lang zelfs dat zijn vader al dreigde bezorgd te worden; dat had hij over voor de kudde. Wel, die man zal Ik aanstellen om over Mijn volk te heersen.
Dan moet u al die negatieve gedachten over Saul die we later over hem vinden, en het contrast met David, hier nog niet invullen. Zo ver zijn we nog niet.
Vers 18: Saul nu trad op Samuël toe midden in de poort en hij zei: "Wijs mij toch waar het huis van de ziener is." Dat is wel komisch; dat wist hij veel! Hij kende die man, die ziener, helemaal niet. En Samuël antwoordde: "Ik ben de ziener."
Ja, toch een ziener. Want wat zag Samuël dan? Nou, hij zag Gods woord dat een dag van tevoren nog in zijn oor gesproken was, nu zo in vervulling gaan. Dat vind ik nou humor, hè? Humor die misschien niet direct voor het oprapen ligt, maar als je echt even goed naar de tekst luistert en goed leest, dan is dit wel mooi. Samuël had het alleen maar gehoord, en nu zegt hij: "Ik ben de ziener." Wat ziet hij? Nou, gewoon Saul; hij ziet Gods woord zo in vervulling gaan.
Ik kan me zo voorstellen – dat verzin ik erbij, dus ik waarschuw u – dat Samuël even knipoogde: "Ja, ik ben de ziener. Ja, dat zie ik namelijk nu!"
Door Gods Woord 'op de Hoogte' Gesteld Worden ↑ hoofdstukken
Goed, ga voor mij uit de hoogte op. Vandaag blijft gij bij mij eten en morgenvroeg zal ik u laten trekken – dat wil zeggen: vertrekken – en over alles wat u bezighoudt, zal ik u inlichten. Ja, dat vind ik nou wel mooi. Hebt u er weleens over nagedacht hoe wij dat in het Nederlands altijd zeggen? Op de hoogte brengen. Kijk wat hij zegt: "Ga voor mij uit de hoogte op en ik ga u inlichten." In het Nederlands kunnen we dat in één keer vatten: ik zal je op de hoogte brengen, of ik zal je op de hoogte stellen.
Nou, over het bedenken van de dingen die boven zijn: dat is precies dit. Dat is wat Gods Woord doet. Wat Gods Woord doet, is ons inderdaad op de hoogte brengen. Hij informeert ons, Hij vertelt ons de dingen die er werkelijk toe doen. Gratis hè? Want dat houden we vast. Dat wisten deze twee mannen nog niet, maar zo is het wel. Hij vertelt dat zomaar, puur om niet. Hij licht ons in, maar juist door dat te doen, stelt Hij ons op de hoogte.
Hij vertelt ons wie wij zijn in Christus, die daar gezeten is boven alle overheid en macht. En wij zijn daar geplaatst; wij die ons geloof op Hem hebben gevestigd. Ik ga er even vanuit dat u dat allemaal gedaan hebt. Want het is geen kwestie van kerklidmaatschap of toevallig in deze samenkomst zitten. Nee, dat is persoonlijk: je vertrouwen vestigen op Hem. Welnu, degenen die dat gedaan hebben, weten door Gods Woord dat ons inlicht, dat wij met Hem ook op die hoogte geplaatst zijn. Juist doordat Hij Zijn Woord spreekt, worden wij geplaatst in Christus. Dat is wat Gods Woord ons vertelt over onze positie.
Juist doordat we dat weten, worden we er eigenlijk ook bovenuit getild. Want laten we welwezen: we zijn allemaal maar mensen en we zijn allemaal maar zwak. We hebben allemaal te maken met van alles en nog wat aan sores. Weet u wat Gods Woord nou doet? Niet onze probleempjes oplossen. Daar gaat het ook helemaal niet om, weet u dat? Weet u wat Gods Woord doet? Hij tilt ons er gewoon bovenuit. Hij lost niet die problemen op, maar Hij tilt ons daarbovenuit en Hij stelt ons op de hoogte, met beide betekenissen die er in onze Nederlandse taal in zitten. Inderdaad, Hij stelt ons op de hoogte. En ineens kijk je overal anders tegenaan. Alles hier beneden wordt ineens een stuk relatiever.
Zo gaat dat. Dat is altijd een mooie ervaring als je ergens op een hoge plaats staat en naar dat gekrioel beneden kijkt. Ik was van de week nog op een flat, niet eens zo heel erg hoog, twaalfhoog bij een vriend van me. Dan kijk je naar al dat gekrioel en dat krijgt dan iets waar je je schouders over ophaalt. Nou, dat is het mooie als je op de hoogte gesteld wordt. Er staat in de Bijbel: "Die in de hemel zetelt, lacht." Dat is pas echt hoog hoor! Dat is precies de ervaring die je hebt wanneer je op de hoogte gesteld bent: dan ga je op de dingen neerkijken.
Misschien vinden mensen het niet zo leuk als je dat vertelt. "Wat doe je uit de hoogte!" zeggen ze dan. Dan zeg ik: "Ja, dat klopt. Je doet zo uit de hoogte." Precies, je gaat op een heleboel dingen neerkijken waarvan mensen zeggen dat ze zo belangrijk zijn. Maar als je op de hoogte gesteld bent, als je weet hoe de dingen zitten en als je weet wie Hij is en wie wij zijn in Hem, dan ben je met recht op de hoogte gesteld.
Goed, ik moet verder lezen. We gaan naar vers 22.
De Derde Dag: het Vinden van het Verloren Koninkrijk ↑ hoofdstukken
Wat uw ezelinnen betreft die sinds drie dagen zoek zijn – ik verwijs weer naar de Statenvertaling, daar staat namelijk letterlijk: "die gij heden de derde dag..." Daar heb je hem weer; het is waarachtig iedere keer zo: "heden de derde dag verloren hebt." Samuel zegt: maak u daarover niet bezorgd, want zij zijn terecht. Dat is trouwens in de Bijbel altijd zo. Kijk maar na in welke geschiedenissen ook – Lukas 15 is een schitterend hoofdstuk – daar zul je altijd zien dat, of het nu een schaapje betreft, een penning of een zoon, al dat verlorene in de Bijbel altijd weer gevonden wordt. De Bijbelse boodschap is dat God het verlorene zoekt, maar de blijde boodschap is dat Hij niet een loser is. Nee, Hij is een winner; Hij is iemand die het verlorene zoekt totdat Hij het gevonden heeft. Hoe was het ook weer met die goede herder? Hij zocht het verloren schaapje totdat hij het gevonden had. Want onze Heer is een succesvol Heer. Dat wat Hij onderneemt, dat gelukt Hem.
Hier gaat het over die ezelinnen en die worden op de derde dag weer gevonden. Laat ik het zo formuleren: die kudde heeft alles met het koninkrijk voor Israël te maken. De kudde van Israël is zoek. De Bijbel spreekt over het volk van Israël, en dan verwijs ik naar Hosea 6, dat voor twee dagen lang dood zal zijn, verloren zal zijn, maar de Heer verlaat nooit wat Zijn hand begon. Hij zoekt hen op. En wat lezen we in de Bijbel? Op de derde dag zal Hij hen herstellen; op de derde dag zal Hij de kudde weer vinden. Daar hebben die ezelinnen alles mee te maken: met dat koninkrijk dat verborgen is en zoek is, maar op de derde dag gevonden wordt.
Ik ben nu in een gezelschap dat weet waar ik het over heb. Als ik het heb over de derde dag, dan verwijs ik naar de opstanding. Niet alleen naar de opstanding van de Heer Jezus in het verleden, maar ook naar de opstanding van Israël, over het herstel van Israël. Wanneer vindt dat plaats? Op de derde dag. Dat is dan niet een dag van twaalf uur of een etmaal van 24 uur. Nee, dan praten we over dagen van duizend jaar. Want zo rekent de Heer; voor de Heer is één dag als duizend jaar. En wanneer vindt de Heer Zijn kudde uiteindelijk na lang zoeken? De Bijbel zegt het: op de derde dag. Na tweeduizend jaar, op de derde dag in dat derde millennium, dan zal de kudde gevonden worden.
Daar hebben die ezelinnen alles mee te maken. Ik moet ineens denken aan de geschiedenis van Bileam, die het volk van Israël moest vervloeken. Wanneer hij op reis gaat, gaat die ezelin spreken. Maar wat Bileam doet: hij vervloekt het volk niet. Hij wilde dat wel, maar het gebeurt niet; hij zegent het juist. Weet u welke dag dat was? Lees het maar na in Numeri 23 en 24. Het zijn een paar hoofdstukken. Het was de derde dag. Het wordt niet direct zo genoemd, maar tel het maar na. Je moet opletten als je de Bijbel leest, want er zit vaak een dubbele bodem in – wat zeg ik? Er zitten wel twee, drie, vier, vijf, zes dubbele bodems in, en daar ontgaat je zomaar wat.
In ieder geval worden die ezelinnen gevonden. Ik zei al dat die ezelin alles te maken heeft met het koninkrijk dat onderbroken wordt. Dan denk ik ook weer even aan de geschiedenis waar de Heer Jezus op die ezelin de Olijfberg afging. Hij kijkt dan huilend over Jeruzalem heen en zegt: "Och, dat gij het heden verstaat, maar thans is het verborgen voor uw ogen." Weet u waar het over gaat? Het koninkrijk zou onderbroken worden. de ezelinnen zijn zoek, de kudde is er niet. Maar de aspirant-Koning van Israël blijkt een goede Herder en de kudde wordt gevonden.
Laten we even bij de les blijven, want dit is wat Samuël tegen Saul zegt in vers 20: "Wat uw ezelinnen betreft, die gij heden de derde dag verloren hebt, maak u daarover niet bezorgd, want zij zijn gevonden." Het was verloren, maar het is gevonden. En dan zegt hij: "Maar aan wie behoort al wat Israël begerenswaardig acht? Behoort het niet aan u en aan uw hele familie?" Saul zal wel met grote ogen gekeken hebben. Eigenlijk komt het hierop neer: Saul zocht ezelinnen, maar hij vindt het koninkrijk van Israël. Want dat is wat hier staat: aan wie behoort al wat Israëls begerenswaardig acht? Behoort het niet aan u en aan uw gehele familie?
Saul begreep echt wel wat er gezegd werd, dat blijkt uit zijn antwoord. Maar hij verbaast zich en zegt: "Ben ik niet een Benjaminiet? Uit één van de kleinste stammen van Israël? En is mijn geslacht, mijn familie, niet het geringste van alle geslachten van de stam Benjamin? Waarom spreekt gij dan zo tot mij?" Samuël zegt eigenlijk: het behoort u allemaal toe. Al dat van Israël wordt aan jou gegeven. Hij zocht de ezelinnen, maar hij ontvangt het koninkrijk. Dan weet je trouwens ook meteen waar die ezelinnen een beeld van zijn. Je kunt er via een omweg komen, maar als je het zo direct leest, dan blijkt al waar die ezelinnen een beeld van zijn: zij zijn het beeld van het koninkrijk van Israël. Hij zocht de ezelinnen, maar hij vindt het koninkrijk.
De Schenkel: een Priesterlijk Deel voor de Koning ↑ hoofdstukken
Daarop nam Samuël Saul en zijn knecht mee en bracht hen in het vertrek en gaf hun een plaats aan het hoofd van de genodigden. Hij kreeg daar meteen echt een VIP-behandeling. Wat zouden ze wel gedacht hebben, wat hier gebeurde? Er waren ongeveer dertig man aanwezig; waarom het er precies dertig waren, daar gaan we het nu even niet over hebben.
In vers 23 en 24 lezen we dat Samuël tot de kok zei: "Breng het stuk dat ik u gaf, waarvan ik zeide: houd het bij u." En toen diende de kok de schenkel op. Dat is het been, eigenlijk het beste deel van het vee. Ik ben geen slager, dus ik kan zomaar mijn mond voorbijpraten als ik er meer over zou zeggen dan dit, maar in ieder geval was het de schenkel: been en vlees.
Weet u trouwens wat die schenkel betekent? Kijkt u het maar na in Leviticus 7, vers 32, 33 en 34. De schenkel was eigenlijk het deel van het offer dat niet aan het volk gegeven zou worden. Het volk mocht deelnemen aan de offermaaltijd, maar de schenkel was voor de priester, zo staat er. Let u even op hoe alle stukjes zo in elkaar vallen, want we hebben het dus over de koning van Israël. Hij die de koning over Israël zou worden, wordt daar op de hoogte gebracht. Op de derde dag wordt hij aangewezen als de koning van Israël. En wat blijkt? Die koning krijgt een priesterlijk deel. Die koning van Israël blijkt eigenlijk een priester te zijn.
Zie daar al meteen dat geweldige zicht dat we krijgen op de Mashiach, de Gezalfde, de Heer Jezus Christus. Hij is inderdaad de Koning, maar Hij is thans op de hoogte als de Priester. Daar krijgt Hij het beste deel, het priesterlijke deel. De Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek. Dat zijn schitterende thema's in de Bijbel, maar hier wordt dat zomaar in zo’n verhaal verteld. Je zou er zo overheen lezen, dat geef ik direct toe, maar daarom hebben we het er nu toch ook over, zodat je dat allemaal op het spoor komt.
Goed, toen diende de kok de schenkel op met wat daaraan was. Want ja, alleen die schenkel, je moet natuurlijk niet alleen maar been hebben, maar ook graag nog wat eraan. Samuël zette deze Saul voor en zeide: "Zie wat overgebleven is, dat wordt u voorgezet. Eet, want voor het feest is het voor u bewaard, toen ik zei dat ik het volk genodigd heb." Dat wil zeggen: jij en je knecht hebben daarin de voornaamste plaats. En zo at Saul op die dag met Samuël.
De geschiedenis gaat dus nog verder. Ik heb het verteld, maar hier moeten we het toch echt bij laten. Daarna daalden zij van de hoogte af naar de stad en Samuël sprak met Saul op het dak. Ik zei al dat de geschiedenis verdergaat, maar waar het om gaat in wat ik u deze anderhalf uur verteld heb, is dat hier onze blik gegund wordt op Hem die de Koning van Israël zou zijn. De Goede Herder die op zoek was en die zal vinden op de derde dag. En dan zal Hij aangesteld worden, letterlijk als de Koning van Israël.
Maar Hij is daar thans op de hoogte; Hij is daar de Priester en Hij is degene die daar de offermaaltijd viert. Dat wil zeggen: het offer is gebracht en daar is vreugde, daar is rust. Eigenlijk komt het erop neer dat Saul op de hoogte gesteld is. Ik wilde u vanmorgen ook graag op de hoogte stellen, met alle betekenissen die erbij horen, en vertellen over de Heer Jezus Christus. Weet u wat er straks gaat gebeuren? En daar moet ik dan echt bij afsluiten. Als dat gebeurd is, dan zal de Heer neerdalen van de hoogte en dan zal Hij naar de stad komen. Welke stad bedoel ik dan? Dan gaat Hij tot Jeruzalem komen, Hij zal tot Zijn volk komen en dan zal Hij inderdaad blijken de Koning van Israël te zijn. Dat wordt in deze geschiedenis allemaal verteld.
Afsluitend Dankgebed ↑ hoofdstukken
Zullen we met elkaar nog onze hemelse Vader danken.
Machtig God en Vader, we danken U dat U ons zo deze ochtend werkelijk op de hoogte stelt. Dat U ons niet alleen maar informeert, inlicht of zomaar losse gegevens doorgeeft, maar dat U werkelijk licht schenkt in de duisternis. En dat U ons optilt uit onze omstandigheden en ons werkelijk plaatst op een hoogte, zodat we neer kunnen kijken op dat waar we misschien tegenop zien, gewoon als mens en als zwakkelingen zoals we nu eenmaal allemaal zijn. Heer, we hoeven ons daarin ook niets te verbeelden.
We danken U, Heer, dat U puur om niet ons zo ook werkelijk uitzicht geeft, zoals we dat mogen hebben als we op een hoge plaats gesteld zijn. Dat we uitzicht mogen hebben omdat we bij Hem zijn die geplaatst is boven alle overheid en macht. Die het offer heeft gebracht, en nu is er inderdaad feest te vieren omdat Hij het werk gedaan heeft. En Heer, we danken U dat we dat feest mogen vieren en dat we een geweldig uitzicht mogen hebben op een open hemel. Op een God die werkelijk God is, en die de toekomst vast in handen heeft, en die van tevoren ook heeft gezegd hoe de dingen zullen gaan.
En we danken U dat zo'n merkwaardig en ook prachtig verhaal als we vanmorgen hebben gelezen, zulke geweldige schatten laat zien die daarin verborgen liggen. Heer, het is Uw Woord, het is Uw werk dat U aan ons hebt gegeven. Heer, we danken U dat U daarin laat zien wie U bent en dat het inderdaad genade is. Leer het ons zien.
Het is zo menselijk wat ooit Saul en zijn knecht zeiden, van: "Ja, we moeten wat geven." Dan komen we met onze eigen verdiensten, denken we, en het blijkt allemaal niets te betekenen en U wilt het ook helemaal niet hebben. U geeft puur om niet. En Heer, juist die wetenschap plaatst ons ook zo op de hoogte. Heer, we danken U dat we daarom op de berg geplaatst zijn. En al gaan we misschien hier op aarde door dalen, daar zijn wij; dat is wat echt telt. Daar ligt de toekomst.
Heer, we zien uit naar dat moment dat niet lang meer op zich kan laten wachten, namelijk dat de derde dag aanbreekt en dat Hij als Koning van Israël en van deze hele volkerenwereld zal verschijnen en orde op zaken zal stellen: de Gezalfde, de mashiach. En Hij is degene, Heer, in wie alle schatten van rijkdom en van wijsheid verborgen liggen. In Hem zijn al Uw beloften ja en amen. Daar mogen we op staan; op deze hoogte zijn we gesteld. We prijzen onszelf gelukkig en we danken U voor de genade die U ons daarin bewijst.
Amen.
UltimateGoodNews