GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Salomonsoordeel

28-12-2014 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 28 december in Zoetermeer.

In 1 Koningen 3 wordt een geschiedenis verhaald met een spreekwoordelijke faam: het salomonsoordeel. Over twee vrouwen, prostituees, die in één huis wonen en die beiden een zoon ter wereld brengen. Eén van de babies overlijdt echter. De moeder die op “de derde dag” baarde en wakker werd met de levende zoon wordt ervan beschuldigd deze heimelijk in de nacht gestolen en verwisseld te hebben. Is die aanklacht terecht? Salomo, de zoon van David brengt door “de wijsheid Gods” die in hem is, de waarheid aan het licht. En hoe!

Evenals het verhaal van Sara en Hagar, bevat ook deze geschiedenis “iets, waarin een diepere zin ligt”.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De geschiedenis van het Salomonsoordeel uit 1 Koningen 3 bevat een diepe profetische en typologische laag. De twee vrouwen in één huis illustreren enerzijds het ongelovige Israël dat in onwetendheid de Messias verwierp, en anderzijds het gelovig overblijfsel dat de levende Zoon kent. De eerstgeboren zoon die sterft en de zoon van de derde dag die blijft leven, verwijzen samen naar de dood en de opstanding van Christus. Uiteindelijk komt door het zwaard des geestes, een beeld van Gods Woord, de ware moeder aan het licht en wordt de levende Zoon aangewezen.

“Dit gaat over Hem die geboren werd en stierf, maar dit gaat vooral over Hem die geboren werd op de derde dag en die nieuw leven aan het licht bracht.”

Inleiding: een Salomons Oordeel ↑ hoofdstukken

Aan mijn kant een hele goedemorgen. Het is mij een genoegen om hier te mogen staan – voor paal dus hè? Dat heeft u al begrepen, want we hebben vanmorgen inmiddels al het een en ander geleerd over waarom een banaan krom is, die altijd naar het licht toe groeit. We worden er juist vandaag ook weer, zoals altijd wanneer we bij elkaar zijn, aan herinnerd aan het machtige feit dat het licht sterker is dan de duisternis.

Dat is juist hetgeen wat we deze dagen ook in het bijzonder gedenken, waarbij we bepaald worden bij Hem die de dood heeft overwonnen. Daar gaan we het vanmorgen ook over hebben. Hoewel de aanleiding misschien wat vreemd is, want ik ga het hebben over een geschiedenis die we eigenlijk allemaal kennen – dat lijdt nauwelijks twijfel – de geschiedenis van die twee vrouwen die ruzie maken en dan bij koning Salomo komen over de vraag wie van hen de levende zoon heeft.

Hij is degene die daar zo'n geweldig spreekwoordelijk oordeel over velde. Ik zeg spreekwoordelijk omdat we het allemaal een Salomons-oordeel noemen. En een Salomons-oordeel, dat is een oordeel – kijk het maar eens na in uw woordenboek – dat met grote wijsheid is uitgesproken. Salomon is de rooms-katholieke manier van formuleren, het oordeel van Salomo. Die geschiedenis vindt u in 1 Koningen 3.

Wat ik vanmorgen wil doen is die geschiedenis in ieder geval even in het kort bespreken. Het verhaal kennen we, maar het is goed om nog eventjes de puntjes op de i te zetten en ter toelichting diverse details voor het voetlicht te brengen. Maar vooral – het verhaal kennen we – wil ik u wijzen op de diepere zin die hierin is gelegen. Ik moet eraan denken dat Paulus in Galaten 4 ook de geschiedenis van twee vrouwen bespreekt, namelijk Hagar en Sarai, en over hun twee jongens: Ismaël en Izak.

Hij bespreekt die geschiedenis en zegt: "Hierin is een diepere zin gelegen." Dan gaat hij daarover uitweiden dat de één een uitbeelding is van het oude verbond en de wet, terwijl de ander een uitbeelding is van het nieuwe verbond en van de genade. Welnu, parallel daarmee kan ik zoiets ook over deze geschiedenis zeggen. Hierin is een diepere zin gelegen. Dit gaat over Hem die geboren werd en stierf, maar dit gaat vooral over Hem die geboren werd op de derde dag en die nieuw leven aan het licht bracht. De levende zoon, de dode zoon en de levende zoon. Ik zou het ook kunnen hebben over de levende zoon die aan het zwaard ontkwam. Er zijn trouwens nog wel meer titels, maar wellicht dat we daar later deze morgen nog op komen.

Het gaat over de zoon van David. Als ik het zo zeg, dan begrijpt u wel dat ik dat uiteraard ook heel dubbelzinnig bedoel, want de zoon van David in de meest letterlijke zin was Salomo. Salomo betekent 'de vredige'. Ons woord 'sloom' en 'shalom' hebben daar weer mee te maken: hij die in vrede heerst, de vredevorst. Vanmorgen gaat het over de wijsheid van God in Salomo, maar vooral in de Zoon van David.

Eén ding moet duidelijk zijn: deze geschiedenis – zoals trouwens alles in de Schrift, niet alleen zo'n geschiedenis, alles in de Schrift, maar wat zeg ik: alles in de schepping... Mijn broer heeft er zojuist al eventjes een boekje over opengedaan in verband met een banaan. Maar alles in de schepping, aan de sterrenhemel, in de natuur, getuigt van Hem uit wie het voortkomt. Dat is nogal logisch. Zoals een boek getuigt van wie de auteur is en wat er in zijn hart en gedachten is, zo getuigt een creatie van een kunstenaar ook van wie die kunstenaar is en wat zijn gedachten zijn. Daarin drukt hij zich uit.

Wat dacht u? Dat het met de Schepper anders is? In de schepping drukt de Schepper zich uit en leren we Hem kennen. Het is non-verbaal, er zijn geen woorden. Hun stem wordt niet vernomen, om met Psalm 19 te spreken, maar nochtans gaat hun geluid uit over de ganse aarde. Dat soort overwegingen. Laten we eerst eens even naar die geschiedenis toe gaan.

Koningen 3: Twee Vrouwen voor de Koning ↑ hoofdstukken

We beginnen te lezen in 1 Koningen 3, vanaf vers 16. Ik wil niet te lang stilstaan bij alle details, maar eerst de geschiedenis met u bespreken. Het is geen lange geschiedenis, maar het begint als volgt: "Toentertijd kwamen twee vrouwen, hoeren, tot de koning en stelden zich voor hem." Dat woordje 'toentertijd' verwijst naar de tijd die zojuist is besproken in de eerste elf verzen van dit hoofdstuk. Daarin leest u dat aan Salomo de vraag wordt voorgelegd, visionair in een droom, wat hij verlangde. Wat Salomo verlangde, was geen macht, weelde, luxe of rijkdom; hij wilde wijsheid van God. We lezen ergens in de brief van Jakobus dat als iemand dat van God begeert, Hij hem nooit met lege handen laat staan, maar het hem geeft. Salomo is daar een schitterende uitbeelding van, want hij ontving wijsheid van God. Welnu, ter illustratie van Salomo’s vraag en van het feit dat God hem geeft wat hij vroeg, wordt nu deze geschiedenis verteld. Het is illustratief voor de wijsheid die God aan de zoon van David gaf.

"Toentertijd kwamen twee vrouwen, hoeren..." Als je dit met een profetische bril bekijkt, is dat een bekend fenomeen, want dat vind je vaker terug in de Bijbel. Ik bedoel dan niet alleen het verschijnsel van prostitutie; ze zeggen wel dat dit het oudste beroep ter wereld is – dat is overigens niet helemaal waar, maar het scheelt niet veel, laten we het daarop houden. Maar niet alleen in de verhalen, ook in de profetie wordt dit nogal eens genoemd. Sterker nog, u vindt in Ezechiël 16 en 23 het verhaal beschreven van de twee hoeren, waarbij u ziet dat het een uitbeelding is van de beide huizen van Israël: Ohola en Oholiba. Ik zie sommige gezichten nu wel erg vreemd kijken, maar die namen komen daar echt in die hoofdstukken voor en ze zijn een uitbeelding van het huis van Israël. Ik noem daar ook Hosea en Gomer bij om u al meteen even warm te maken en in de stemming te brengen. We gaan het niet alleen maar gewoon over dit verslag en deze geschiedenis hebben, maar vooral over dat wat daarachter ligt: Israël, dat dikwijls voorgesteld wordt als hoer of als hoeren in één huis.

Die twee vrouwen komen dus tot de koning en stelden zich voor hem. De ene vrouw zei: "Met uw verlof, mijn heer" – of zoals de Statenvertaling zegt: "Och, mijn heer" – "ik en deze vrouw wonen in één huis." Feitelijk is dat, als het een huis voor hoeren is, een bordeel. Zij legt de vraag aan de koning voor: "Ik heb met haar in huis gebaard. Op de derde dag nadat ik gebaard had, heeft ook deze vrouw gebaard." Die jongens schelen dus drie dagen. Maar op de derde dag...

Het Profetische Patroon van de Derde Dag ↑ hoofdstukken

Nou, ik had het zojuist al even over die twee hoeren in één huis. Dat is een profetisch gegeven. Maar als ik dit zeg, dan moeten werkelijk alle alarmbelletjes en alle lichtjes gaan branden; de belletjes moeten gaan luiden en klinken. Waarom? Omdat de derde dag altijd weer een universeel fenomeen in de Bijbel is. Altijd weer verwijst het naar die ene grote gebeurtenis waar heel de Schrift over gaat. En daarom was het niet voor niets dat mijn broer Dirk zei: "Alles in de Bijbel gaat daarover." Dat is precies ook de essentie van het evangelie: dat het licht de duisternis overwint en dat het leven sterker is dan de dood. En wanneer kwam die waarheid aan het licht? Wel, dat was op de derde dag.

Het heeft nog veel meer diepere lagen, want het spreekt ook over millennia — dagen van duizend jaar — en een derdetal duizend jaren dat bijna gaat aanvangen. De haan gaat kraaien, weet u wel? Dat zit er ook allemaal nog in, maar één ding moet duidelijk zijn: de derde dag spreekt in de Schrift — en dan bedoel ik niet alleen in het Nieuwe Testament, maar ook in het Oude Testament — altijd dáár weer van. Om u in ieder geval een hint in die richting te geven, wil ik u een paar voorbeelden geven. Ik ga ze niet eens toelichten, maar ik wil u er alleen even op wijzen hoe vaak dat voorkomt; het is slechts een kleine greep.

De eerste keer is al in Genesis 1. Land op de derde dag; wat gebeurt er? Er stijgt land op uit de wateren, uit de doodswateren. Het is ook de eerste dag dat er leven tevoorschijn komt op aarde. De allereerste keer dat de derde dag genoemd wordt in de Bijbel, zet eigenlijk direct de toon.

Dan bladeren we even verder in het boek Genesis. De derde dag was ook de dag dat het offer van Izaak gebracht werd. U weet wel, met Abraham op de berg Moria, daar bij Jeruzalem. "Op de derde dag", staat erbij. Ik heb het versnummer erbij vermeld, dus u kunt het zo nalezen. In Genesis 40 leest u eveneens over de derde dag. Toen was de farao jarig en dat betekende een wending; het was de grote ommekeer in het leven van Jozef.

In Exodus 19 is er de derde dag waarop de bazuin klinkt en de HEER neerdaalt voor de ogen van het gehele volk van Israël op de berg Sinaï. En in Numeri 19 — nog niet zo heel lang geleden hebben we daar een samenkomst aan gewijd — gaat het over de rode vaars, die rode jonge koe. Daar lees je ook over de derde dag; dat is de dag van de ontzondiging.

In Jozua 3 ging Israël op de derde dag door de Jordaan. Dat is op zich al een uitbeelding van het gaan door de dood — en daarmee ook in de dood — maar er ook weer uit opkomen. Israël volgde daarbij de ark op een afstand van ongeveer 2000 el. Nou ja, daar moet u maar eens over nadenken. In 2 Koningen 20 lezen we over Hiskia die genas en op de derde dag opging naar het huis van de HEER. En in Esther 5 lees je de geschiedenis waarin Esther tot de koning nadert met vrees en beven — koning Ahasveros — en dan de gouden scepter krijgt aangereikt. Dat is een beeld van genade; hij bewijst haar genade. Die gouden scepter krijgt zij aangereikt op de derde dag.

Dat zijn zo zeven voorbeelden, en het leek me goed om u ervan te overtuigen dat wanneer de Bijbel spreekt over de derde dag, u moet opletten. Dat is niet zomaar; het heeft een diepe betekenis. Daarin zie je dus hoe verschillend al deze settings, geschiedenissen en contexten ook mogen zijn: de boodschap is in de kern altijd identiek. Het spreekt namelijk van Hem die de dood overwint, vroeg in de morgen.

Goed, dat was dus die tweede zoon. Laat ik het zo zeggen: je had de eerstgeborene en je hebt de zoon van de derde dag. Houd hem vast; dit is de zoon van de derde dag.

De Aanklacht: een Zoon Gestolen in de Nacht ↑ hoofdstukken

Die vrouw, de aanklaagster, neemt het woord. Ze zegt: "Op de derde dag nadat ik gebaard had, heeft ook deze vrouw gebaard en wij waren tezamen." Er was geen vreemde bij hen in huis, alleen zij tweeën waren daar. Daarmee wordt op drie manieren benadrukt dat er geen andere getuigen waren. Alleen zij en de ander; mijn ja is even sterk als haar nee. Daar kan zo’n koning, of iemand die daarover uitsluitsel moet geven, in principe niets over zeggen. Wij zouden tegenwoordig zeggen dat het heel makkelijk te regelen is met een DNA-test, maar dat stond de koning niet ter beschikking. Dat had hij overigens ook helemaal niet nodig, want het was geen techniek die hij gebruikte, geen truc; het was wijsheid.

Hier is dus een vrouw die een aanklacht heeft. Ze bespreekt nu in ieder geval hoe het gegaan is, en daarna volgt de eigenlijke aanklacht. In elk geval is hiermee gezegd dat er geen andere getuigen opgeroepen kunnen worden. Dit is de situatie: twee jongens, waarvan de ene jongen drie dagen later werd geboren.

Dan zegt de vrouw: "Toen is de zoon van deze vrouw des nachts gestorven." Dat is dus de zoon van de derde dag, zo beweert zij. Dat is de aanklacht. Ze vertelt er ook nog bij hoe dat gebeurd is: doordat die andere vrouw op hem gelegen had. Het kind lag kennelijk bij haar in bed en zij was er in haar slaap per ongeluk op gaan liggen en had het doodgedrukt. In onwetendheid heeft zij die zoon gedood. Waarna natuurlijk wel de vraag is: als je dit beluistert, hoe weet ze dat? Ik stel alleen maar even de vraag, want daarop gaat ze geen antwoord geven. We zijn hier als Salomo, die kritisch luistert naar wat er gezegd wordt; hij moet immers een oordeel uitspreken. Hij weet in ieder geval dat het de zoon is van de derde dag. Ik praat nu natuurlijk met de kennis die u ook heeft, en we lezen met terugwerkende kracht zo’n oude geschiedenis in 1 Koningen 3. Voor ons is het makkelijk, maar laten we proberen er fris tegenaan te kijken.

Goed, de zoon van die vrouw is dus 's nachts gestorven doordat zij op hem gelegen had. De aanklaagster vervolgt: "En zij is te middernacht opgestaan en heeft mijn zoon naast mij weggenomen." Gestolen dus. "Terwijl uw dienstmaagd sliep." Dat wil zeggen: zij heeft mijn kind gejat – om het even op zijn Hebreeuws te zeggen: gestolen. "Ik sliep," zegt ze tegen de koning.

Ik heb de versnummers uit de geschiedenis al vermeld, dus de vraag is eigenlijk al overbodig, maar waar doet u dit aan denken? Deze beschuldiging: "Zij hebben hem weggenomen terwijl wij sliepen." Ik denk dan ook aan die ene dag, de derde dag. Daarover lees je in Matthéüs 28 vers 13. Daar lees je dat de Joodse leidslieden, wanneer hen het bericht van de wacht ter ore komt – de wacht die weggevlucht is bij het graf en de weggewentelde steen – geld betalen voor het verspreiden van een leugen. In dit vers zeggen zij: "Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben hem gestolen terwijl wij sliepen." Dus ook daar, bij de middernacht, was er sprake van diefstal. Een opmerkelijke parallel. Ik ga er nu verder nog niets over zeggen, want ik wil pas aan het eind de eindjes aan elkaar knopen, maar laten we eerst de geschiedenis bespreken. Ik wijs alleen even op deze opmerkelijke parallellen, niets meer.

Zij is dus te middernacht opgestaan en heeft de zoon weggenomen terwijl de dienstmaagd sliep. Met andere woorden, deze vrouw zegt: "Mijn zoon is gestolen. Zij heeft nu die zoon, maar hij hoort bij mij." En er staat dan nog bij: "En zij heeft hem in haar schoot gelegd en haar dode zoon heeft zij in míjn schoot gelegd." Kortom, er was gewoon sprake van een verwisseling.

"Toen ik des morgens opstond om mijn zoon te voeden, zie, hij was dood." Maar, zegt ze, "ik gaf in de morgen acht op hem." Dat wil zeggen: ik keek eens beter naar het ventje. "En zie, het was niet de zoon die ik gebaard had." Tenminste, dat is wat deze vrouw, die aan het woord is, beweert. Dit is haar aanklacht. Zij weet te vertellen dat die andere vrouw op het kind is gaan liggen en hem in de middernacht heeft verwisseld. Hoe ze dat dan weet? Dat is haar bewering, haar aanklacht. "Ik herkende mijn zoon niet; het was niet mijn zoon," zegt ze.

Maar de andere vrouw zei: "Niet waar! De levende is mijn zoon en de dode is uw zoon." Die andere vrouw doet verder niet haar verhaal; het enige wat ze zegt, is dat het niet waar is wat de eerste vrouw zegt. "Niet waar, de dode is uw zoon en de levende is mijn zoon." Welles, nietes. Het "ja" van de een is het "nee" van de ander. Kom daar maar eens uit. Zo krakeelden zij. Er staat in de NBG-vertaling "krakeelden", maar in de Statenvertaling staat letterlijk "ze spraken". Wij hebben daar tegenwoordig heel wat andere uitdrukkingen voor. Ze zaten behoorlijk te oha-en – ik zeg het nog netjes – in tegenwoordigheid van de koning. Je kunt je wel voorstellen hoe dat daar in zijn werk ging.

En toen zei de koning: "De ene zegt: 'Deze, de levende, is mijn zoon en de dode is uw zoon.' En de ander zegt: 'Niet waar, de dode is uw zoon en de levende is mijn zoon.'"

Het Zwaard en de Openbaring van de Waarheid ↑ hoofdstukken

Daarop zei de koning: "Haal mij een zwaard." En ze brachten een zwaard — of letterlijk: het zwaard — bij de koning. De koning zei: "Snijdt het levende kind in tweeën; geef de helft aan de ene en de helft aan de andere." Dat is een zeer scherp, maar ook een buitengewoon hard oordeel. Maar deze koning was wijs; hij wist wat hij deed. De dreiging was reëel. Op zich zou je kunnen zeggen: als jullie er niet uitkomen, oké, dan krijgen jullie allebei de helft. Eerlijk zullen we alles delen.

Toen sprak de vrouw van wie het levende kind was — letterlijk staat er: van wie de levende zoon was. De Hebreeuwse weergave is dikwijls heel compact; het woordje "was" staat er niet, dus je zou ook kunnen vertalen: "die de levende zoon had." Ik noem deze optie omdat het op hetzelfde neerkomt. De vrouw die de levende zoon had, sprak ook de waarheid. Maar goed, nu loop ik natuurlijk een beetje vooruit. U had het echter al kunnen bedenken.

Laten we eerst doorlezen. Toen sprak de vrouw die de levende zoon had tot de koning, omdat haar moederlijk gevoel voor haar zoon was opgewekt. Ze zei: "Och" — of "met uw verlof", dat klinkt heel deftig, maar in de Statenvertaling staat "och" — "mijn heer, geef haar het levende kind maar dood het in geen geval." Uit die formulering maak je op een heel subtiele manier op dat zij de eigenaar van het kind was. Ze zegt: "Geef het haar." Daarmee doet zij afstand van het kind. Dan weet je dus ook wie wie is.

Hier blijkt wie de moeder is. Dat is het Salomonsoordeel; dit is de wijsheid. Maar aan de andere zijde blijkt ook meteen wie niet de ware moeder is. De andere partij zegt namelijk: "Het zal noch voor mij, noch voor u zijn; snijd door." Ze vindt het blijkbaar wel fair om het op deze manier te doen. Daarmee traden zowel de waarheid als de leugen aan het licht. En toen antwoordde de koning en zei: "Geef haar het levende kind, dood het in geen geval; zij is de moeder."

In het laatste vers van deze geschiedenis lees je: "Toen heel Israël het oordeel vernam dat de koning had uitgesproken — wat wij nu het Salomonsoordeel noemen — werden ze met ontzag voor de koning vervuld, want zij merkten dat de wijsheid Gods in hem was." Dat wil zeggen: de godswijsheid was in de zoon van David. Dit is aan het begin van de geschiedenis van Salomo, die geweldige vredevorst; de man die inderdaad in vrede heeft geheerst in zijn koninkrijk en een enorm wereldrijk bestuurde. Vergis u niet, dat rijk van Salomo was een wereldrijk dat spreekt van het komende millennium. Salomo had ook wat met "duizend", een duizendvoudige heerlijkheid. In elk geval was de zoon van David hier een man die over een ongelofelijke wijsheid beschikte. Hij heerste en gebruikte het zwaard zonder het te hanteren, en hij heerste in vrede. Heel Israël en met hen trouwens de hele volkerenwereld kwam naar hem toe; ze kwamen zelfs vanuit zuidelijk Afrika. De koningin van Sheba is nog weer een verhaal apart, maar wereldwijd kwamen ze naar hem toe om onderwezen te worden in alles wat hij te melden had, over de natuur en over de woorden Gods, zijn spreuken. Het is werkelijk spreekwoordelijk.

Salomo vestigt hiermee zijn naam. Hij weet te onderscheiden van wie de dode en van wie de levende zoon is. Hij weet het. Voordat ik wat meer ga vertellen over de diepere zin, wil ik de geschiedenis nog even heel kort in "stripvorm" herhalen. Ik heb het me heel makkelijk gemaakt om het verhaal nog eens kort te vertellen, zodat je goed ziet wie wie is. De ene vrouw is de aanklaagster. Ik had natuurlijk kunnen zeggen: "hoer A", maar voor het gemak noem ik haar de aanklaagster. Zij zegt tegen de koning: "Wij wonen in één huis en ik heb bij haar in huis een zoon gebaard. Op de derde dag nadat ik gebaard had, kreeg zij ook een zoon. 's Nachts is haar zoon gestorven doordat ze erop was gaan liggen. Ze is opgestaan, heeft mijn zoon weggenomen en haar dode baby bij mij gelegd terwijl ik sliep. Toen ik 's morgens opstond om mijn kind te voeden, zag ik dat het dood was, maar toen ik goed naar hem keek, zag ik dat het niet mijn zoon was."

De andere vrouw, die het kind in handen heeft, zegt: "Dat is niet waar, ik heb het kind niet gestolen. De levende zoon is van mij." Dan zegt de koning: "Nou, breng een zwaard en deel de jongen in tweeën; allebei de helft." De ene vrouw zegt dan: "Ja, dan is hij van geen van beiden." Maar dan treedt de waarheid aan het licht. Ik vertel het nog even opnieuw juist om goed te onderscheiden wie wie is, want je haalt het zomaar door elkaar. Om je oordeel scherp te houden: de aanklaagster zegt: "Oké, dan is hij van geen van beiden." Maar zij die het levende kind heeft en beschuldigd wordt, zegt: "Nee, geef de jongen dan maar aan haar." Aan de aanklaagster dus, aan hoer A. "Maar dood het niet, doe dat in geen geval."

Dat is de geschiedenis. Zij is dus met andere woorden de vrouw die de tweede zoon baarde, dat wil zeggen: de zoon van de derde dag. Zij is de moeder. De zoon van de derde dag, dat is de echte moeder; dat treedt aan het licht. Zij wordt ervan beschuldigd dat zij de levende zoon gestolen heeft. Theo is een eerlijke vriend, ik ga gewoon verder. De koning zegt dan: "Geef haar de levende jongen, zij is de moeder."

Ik heb op internet ontzettend veel afbeeldingen van deze bekende geschiedenis gezien, maar ik heb nergens iets kunnen vernemen over de diepere zin ervan. Echt nooit! Ik heb ernaar gezocht en op internet gebladerd, maar ik heb nooit iets kunnen lezen over wat de diepere zin is die hierin gelegen is. Iemand vroeg mij er onlangs naar en ik zei: "Dat wil ik toch graag eens een keertje uitpluizen." Ik werd al heel snel op het spoor gezet, alleen al door de vermelding van de "derde dag". De zoon van de derde dag moet iets met leven te maken hebben. Als je de wijsheid aangaande de zoon van David kent, dan weet je hoe dat zit met die derde dag: de eerste sterft en degene die op de derde dag kwam, blijft leven. Typologisch ligt dat zo voor de hand. Maar als je de geschiedenis leest, kan het zomaar heel verwarrend zijn — dat geef ik toe, daarom heb ik het expres twee keer naar voren gebracht. Dit blijkt inderdaad de gang van zaken te zijn geweest: een aanklaagster waarvan de leugen aan het licht trad. Ik wil dat nu graag wat meer op een rijtje zetten.

De Diepere Zin: de Uitbeelding van Israël ↑ hoofdstukken

Over de diepere zin heb ik al iets opgemerkt. De beide vrouwen in het ene huis beelden Israël uit in hoererij. Dat is een heel bekend profetisch gegeven. Ze is zonder man; ze mist haar man, namelijk de Heer. Maar in dat ene huis zijn er twee soorten mensen. Er is de één die liegt, en de ander die de waarheid spreekt. En degene die de waarheid spreekt, die heeft de levende zoon. Als ik het zo zeg, dan doet mij dat heel sterk denken aan de tekst in 1 Johannes 5: "Wie de Zoon heeft, die heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet." Nou, dat is in dit geval wel heel duidelijk, hè? Hier is dus sprake aan de ene kant van het ongelovig Israël en aan de andere kant van wat in de Bijbel dikwijls het gelovig overblijfsel van Israël wordt genoemd. Zij die wel de waarheid kenden. Het was een rest, een overblijfsel, maar niet ten minste waren zij er die de Zoon kenden, die de Zoon hadden en die weet hadden van de levende zoon.

Nog wat verder: die beide zonen schelen drie dagen. De ene zoon sterft, terwijl de zoon van de derde dag de levende is. Profetisch en typologisch is dit volkomen helder. Laten we nog wat meer inzoomen op die aanklaagster, zoals we haar dan maar netjes noemen. De aanklaagster, het ongelovige Israël. Zij beschuldigde die ander, maar in werkelijkheid was het projectie. Want hoe wist zij dat dat kind doodgedrukt was? Dat kon ze niet weten. Als het waar was wat ze zei, kon ze dat niet weten. Van haar had ze het in ieder geval niet gehoord en ze was er zelf niet bij. Dat was dus een loze beschuldiging. Maar in werkelijkheid doodt zij haar zoon; zij heeft dat kind gedood. Nou ja, ze is daarmee niet schuldig in de zin van opzet, dat zeg ik ook niet, maar ze deed het in onwetendheid. Zij doodt in onwetendheid haar zoon.

Begrijpt u als ik het zo zeg? Dit loopt parallel met wat we weten over wat het ongeloof van Israël gedaan heeft met de Zoon. Het is Petrus die tegen het volk van Israël zegt op het tempelplein – in Handelingen 3 leest u dat: "De Leidsman ten leven hebt gij gedood." En nu broeders, zo zegt hij dan later: "Ik weet dat gij in onkunde gehandeld hebt, gelijk ook uw oversten." Ze wisten niet wat ze deden. Inderdaad, ze hebben de Zoon doodgedrukt, gedood, maar ze wisten het niet.

Nog iets, nog een kenmerk: ze beschuldigt haar huisgenoot ervan de levende zoon, de zoon van de derde dag, te hebben gestolen. Ik gaf zojuist al even die verwijzing naar Matteüs 28. Dat is precies wat er ook met Israël gebeurde. De leidslieden van het volk, zij die de Messias niet accepteerden, zij beschuldigden de ander: "Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben hem gestolen terwijl wij sliepen." Die beschuldiging is exact van dezelfde aard.

En dan nog een kenmerk dat eigenlijk synchroon loopt met het voorgaande: zij herkende haar dode zoon niet. Denk daar eens over na. Zij herkende de dode zoon niet. Ik zou heel wat schriftplaatsen, met name vanuit het Nieuwe Testament, kunnen noemen over hoe Israël de dode zoon – Hij die stierf – niet herkent. Zij kan Hem niet herkennen als de Messias; ze herkent Hem niet. Je leest over de Emmaüsgangers die eigenlijk min of meer in hetzelfde schuitje zaten. In elk geval worden zij incognito aangesproken door de levende Heer op de derde dag. En dan zegt die onbekende man die met hen meereist: "O onverstandigen, trage van hart dat je niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben. Moest de Christus dit niet lijden? Moest hij niet sterven om in zijn heerlijkheid, het leven van de derde dag, in te gaan?" Ze wisten het niet. Het stond er geschreven, maar men geloofde het niet. Het paste niet in het plaatje; men paste niet in de profielschets die men had van de Messias. Een Messias die stierf, men herkende de dode zoon niet.

Zo zijn er dus drie kenmerken van die aanklaagster waarin je het ongelovig Israël herkent. En je herkent tevens degene die de waarheid spreekt, die wel de Zoon heeft en het leven. En dan nu nog iets over dat zwaard.

Het Zwaard Des Geestes Dat Scheiding Brengt ↑ hoofdstukken

Wat doet dat zwaard? Dat zwaard brengt hier de waarheid aan het licht. Het wijst de levende zoon aan. Door middel van dat zwaard wordt de levende zoon aangewezen en wordt de wijsheid van God openbaar, namelijk in de zoon van David. Dat is zoals de geschiedenis afsluit. Hier nu was Israël ontzet en onder de indruk van de wijsheid Gods in hem, in de zoon van David. En dat komt allemaal aan het licht door middel van het zwaard.

Maar het hoeft toch niet moeilijk te zijn? We hebben er trouwens zojuist nog over gezongen: "Blijf met het heilig zwaard des geestes..." Het is erg oud-Nederlands, maar de gedachte is duidelijk. Hij blijft met het heilig zwaard des geestes, het geestelijk zwaard namelijk, strijden. Namelijk het echte zwaard waar een gewoon zwaard maar een uitbeelding van is: het Woord van God.

Ik citeer nu de woorden van Hebreeën 4 vers 12: "Het Woord van God dat levend is en krachtig." Nou, dat kun je wel zeggen! "En scherper dan enig tweesnijdend zwaard." Het geestelijke zwaard, dat is het Woord Gods, zegt Paulus dan in Efeziërs 6 weer. Je vindt dat op allerlei manieren iedere keer weer. Het zwaard dat scheiding brengt. Het Woord dat levend is en krachtig. Het spreekt van leven en het brengt ook leven tot stand. Je zou zeggen: in tegendeel, hier snijdt het kind door tweeën. Ja, maar juist daardoor komt het leven aan het licht en de waarheid aan het licht. Het is scherper dan enig tweesnijdend zwaard en dringt zo diep door dat het vaneenscheidt ziel en geest. Mensen zeggen: dat is allemaal hetzelfde, maar het Woord van God maakt scheiding tussen beiden en het schift overleggingen en gedachten des harten.

Nou, dat laatste is wel helemaal duidelijk in deze geschiedenis. Want wat doet het zwaard? Dat brengt de waarheid en de leugen, en de gedachten die die beide vrouwen hadden, allemaal openbaar. Het schift overleggingen en gedachten van het hart. Dat is wat dat zwaard deed.

Maar dat is een type uiteraard. Kijk, we hebben het over een letterlijke geschiedenis, over iets wat ooit plaatsvond en waardoor Salomo naam maakte, illustratief voor zijn oordeel en voor zijn rechtspraak en voor de wijsheid die hij van God had gekregen: wijsheid Gods. Maar het spreekt natuurlijk van de zoon van David die de waarheid spreekt, die het Woord van God spreekt en door wie ook de levende zoon wordt aangewezen. Het spreekt van de zoon van David, kortom, het spreekt van al die dingen. Zodat die geschiedenis in 1 Koningen 3 een prachtige typologische of, zo u wilt, een profetische vooruitwijzing is naar de zoon van David, naar dé zoon van de levende God, naar dé zoon die blijft leven, die ook niet kan sterven.

Het geweldige is trouwens van die vrouw ook, dat zie je ook als je de zoon hebt, als je het leven hebt: haar moederlijke gevoel werd aangewakkerd. Dan kun je ook niet zwijgen. Dan kún je niet zwijgen. Niet: dan móét je zwijgen, maar dat is eigen aan de situatie. Als je de zoon hebt, de levende zoon hebt, dan kun je daar niet over zwijgen. Dat deed zij ook niet. Dat is geweldig hè? Als je het Woord kent, het levende Woord kent, de levende zoon kent; als het je leven is, dan komt dat er hoe dan ook uit. Daar hoef je je helemaal geen zorgen over te maken.

Oei, nou zie ik dat ik dat eigenlijk nog was vergeten. Dat wilde ik er ook nog over vertellen, maar ik zie dat het inmiddels al vijf voor half twaalf is. Want dat wilde ik er ook nog even over vertellen. Hebt u nog even tijd? Oké, nou.

Typologie: de Eerstgeborene Sterft, de Tweede Leeft ↑ hoofdstukken

Hier heb je een tweetal. De ene zoon, de eerstgeborene, sterft. Als ik dat zo zeg, moet ik nog aan één ding denken. Je leest over de Messias wanneer Hij straks zal verschijnen – kijk het maar eens na in Zacharia 12 vers 10, als ik me niet vergis. Dan lees je dat wanneer de Messias straks zal verschijnen in Jeruzalem, zij zullen zien wie zij doorstoken hebben, wie zij gedood hebben, in onwetendheid natuurlijk. En ze zullen over Hem rouwklagen als over een eerstgeborene. Houd dat vast: ze zullen over Hem rouwklagen als over een eerstgeborene. Inderdaad, de eerstgeborene stierf. De zoon van de derde dag daarentegen leeft en blijft leven. Die beide zonen zijn een type van de Messias die stierf en drie dagen later opstond. De zoon van de derde dag is degene die een uitbeelding is van het leven. Beide zonen zijn een uitbeelding van die ene Messias die stierf en opstond uit de doden.

Dat fenomeen zie je op allerlei manieren terug, en dat is waarom ik er hier ook even op wijs. Dit is de laatste dia die ik erover heb. Ik wil u twee voorbeelden geven uit het boek Leviticus. In Leviticus 13 en 14 staat een uitgebreide beschrijving over de wet op de melaatsheid. Let eens op één detail daaruit: daar lees je dat er twee duiven genomen moesten worden om de melaatste te reinigen. De eerste wordt geslacht en vervolgens de tweede. We hebben het er bij een andere gelegenheid al eens over gehad. De eerste duif werd geslacht en het bloed daarvan werd opgevangen. Vervolgens werd – heel merkwaardig – die andere duif, de tweede, gedompeld, gedoopt in het bloed van de eerste duif die geslacht was. Vervolgens werd die duif met het bloed besprenkeld en zo vrijgelaten, waarna hij de hemel in vloog. Dit is een prachtig type van Hem die stierf, de eerste, maar vervolgens ook van Hem die opstond. Beide duiven zijn een type van de Christus die stierf en vervolgens opstond uit de doden. Vandaar ook dat gedoopt worden in het bloed, om vervolgens met dat bloed zo de hemel in te vliegen. Je moet dan meteen denken aan de hogepriester die ook met het bloed binnenging in het hemelse heiligdom. Twee duiven: de eerste stierf, de tweede blijft leven. Dat is een type van de opstanding.

Dan heb ik er nog eentje: de twee bokken in Leviticus 16. Dat hoofdstuk gaat over Jom Kippoer, de Grote Verzoendag. Daar wordt het lot geworpen over twee bokken. Die kennen we allemaal, want die tweede bok noemen we de zondebok; dat is zelfs spreekwoordelijk geworden. Maar wat gebeurt er? Er wordt een lot geworpen over die twee bokken. De eerste bok wordt geslacht en vervolgens de tweede bok. Het bloed van die eerste bok werd door de hogepriester in het heiligdom gebracht. Soms ga je type en werkelijkheid door elkaar halen – dat doe ik soms expres – maar het bloed werd dus in het heiligdom gebracht. Vervolgens werd die tweede bok vrijgelaten in de woestijn en die droeg de zonde van het volk weg. De zondebok. In beide gevallen is het verhaal identiek: de eerste bok spreekt van Hem die stierf en van wie het bloed in het hemels heiligdom ging. De tweede spreekt van Hem die straks zal verschijnen, die ook de woestijn in gestuurd wordt en die de zonde van het volk inderdaad zal wegdragen. Christus dus, die stierf en verrees uit de doden, en die straks zal verschijnen om de zonde van het volk voor eens en voor altijd weg te doen. Dat is ook profetisch.

Wat ik ermee wil zeggen, is dat deze geschiedenis van die eerste zoon die sterft en de tweede zoon van de derde dag die blijft leven, daar helemaal parallel mee loopt. Zo zie je dat het allemaal in elkaar grijpt. Heel dat Woord spreekt, hoe veelzijdig het ook moge zijn, van die ene Heer die de dood overwon en die de dood ook teniet gaat doen, zodat er alleen nog maar leven is en er geen dood meer zal zijn. Dat is het evangelie, dat is het goede bericht. Daarom zijn we op deze dag bij elkaar: het licht is sterker dan de duisternis.

Ik stel voor dat we een lied gaan zingen over die Zoon van David. Ik zal u vertellen: ik ben er gisteren eens even voor gaan zitten en ik dacht dat we hier een lied over moesten zingen. Maar er bleek geen lied te zijn over 1 Koningen 3. Toen dacht ik: nou, dan maak ik zelf een tekst. U moet dus niet al te kritisch zijn natuurlijk, maar zing het gewoon mee als u wilt; er moet niets. Het is op de melodie van 'In Gods Overwinning', een bekende Engelse melodie. Het gaat over de wijsheid, over de zoon en over de derde dag. Het zijn drie coupletten.

🎧 Salomonsoordeel
Delen: