GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Psalm 115 – Lou Loene

03-08-2014 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 3 augustus 2014 in Den Haag.

Terwijl Psalm 114 Israëls bevrijding uit Egypte bezingt, zo bezingt Psalm 115 Israëls bevrijding van haar afgodendienst. Israëls ene God wordt tegenover de goden van de volken geplaatst. En de theologie van de afgodendienaars tegenover de openbaring van God Zelf. Een contrast dat in 2014 nog onverminderd actueel is!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De studie behandelt Psalm 115, die het grote contrast schetst tussen de machteloze afgoden van de natiën en de soevereine God van Israël. De titel 'Lou loene' komt van het Hebreeuwse 'lo lanu' en benadrukt dat als het aan de mens ligt, alles ijdel en tevergeefs is. Gelovigen worden opgeroepen om te vertrouwen op Yahweh als hun helper en schild, in het besef dat alle eer aan Hem toekomt. De psalm mondt uit in de belofte van de toekomende aion, waarin de levenden God in Zijn gevestigde koninkrijk zullen prijzen.

“De gedachte erachter is dat als het aan ons zou liggen, dan was het allemaal voor niks, voor noppes, dan was het allemaal verloren en ijdel. Dat is de gedachte: lou loene, tevergeefs.”

Inleiding: de Structuur van Psalm 115 en de Betekenis van 'laulune' ↑ hoofdstukken

Ook van mijn kant, vrienden, een hele goede morgen. Blij u hier weer eens te mogen ontmoeten en het voorrecht heb ik over twee weken, Deo volente, weer. Ja, ik ben hier altijd een echte speciale zomergast. Wie zou het zeggen? En vanmorgen, vrienden, wil ik u eens meenemen naar Psalm 115. Ik zoek het alvast even op. Dat hoeft niet per se omdat het scherm u ook erg ter wille is; u kunt gewoon meelezen. Maar om mij te double-checken, te controleren... dan is het altijd goed om mee te lezen en ook een beetje om het overzicht te hebben.

Psalm 115, en ik heb erboven geschreven: Lou loene. En nou zou het zomaar kunnen zijn dat een aantal van u die uitdrukking niet kent. Zeg eens, wie kent de uitdrukking 'Lou loene'? Nou, dat is niet echt bijster veel; ik schat nog niet eens de helft. Ik heb gisteren ook nog eens nagevraagd hoe ze in het zuiden van het land of in de buurt van Rotterdam de uitdrukking gebruikten. Nee, dat is niet erg bekend. Maar... zijn ze dan helemaal alleen? Ja. Zijn ze dan helemaal alleen? Nou, ik kom er straks nog even op terug en zal u ook dan uitleggen waarom ik dat erboven heb geschreven. Maar in elk geval, ik weet dat het niet al te bekend meer is tegenwoordig.

Maar Psalm 115. En nu ga ik u iets heel merkwaardigs vertellen: dat is de opvolger van Psalm 114. En het bijzondere daarvan is dat het aansluit inderdaad bij deze psalm. Want Psalm 115 is min of meer een vervolg daarop. Psalm 114 is namelijk de beschrijving — u ziet dat ook in uw Bijbeltje, in het opschrift in de NBG-vertaling staat erboven: 'De wonderbare uittocht uit Egypte'. God verloste zijn volk uit Egypte, door de Rode Zee heen, door de dood heen bracht hij hen in het leven. Psalm 115 sluit daarbij aan in die zin dat deze psalm juist beschrijft hoe Israël ook verlost is uit het heidendom, uit de afgodendienst en van de afgoden van Egypte. Dus Psalm 114 de verlossing uit Egypte, en Psalm 115 een verlossing uit de afgodendienst van Egypte, maar feitelijk is het nog breder: uit de afgodendienst in het algemeen.

Laat ik eerst even wat vertellen over de structuur van deze psalm en ik weet niet of u het allemaal heel goed ziet, niet heel bijster goed. Maar het lettertype doet nu even niet ter zake, dat is te klein. Het gaat me even om een totaalbeeld van deze psalm. Want dan zie je dat het begin van de psalm en het einde van de psalm qua structuur overeenkomen. Dan zie je... ja, wacht even. En dan krijg je dus dit beeld. Het begin komt overeen met het einde. En zo zie je dat dat naar binnen gekeerd is. Nou, ik zal u dit vertellen. Het begin en het einde komen in die zin overeen: in het begin gaat het over de Geprezene, Hij die geprezen wordt. Terwijl het einde van de psalm gaat over degenen die prijzen. En dan ook nog die merkwaardige overeenkomst dat het begint met negatief en vervolgens positief: 'Niet...', puntje, puntje, puntje, 'maar...'. En dan volgt het positieve antwoord. En dat zie je zowel in het begin als aan het einde.

En dan vervolgens, de hoofdmoot van deze psalm is de theologie. Ik heb het maar even voor het gemak zo genoemd. Ik meen dat Bullinger dat ook zo doet in zijn Companion Bible. De theologie, het beeld, de visie die de natiën hebben van hun god — of ik moet eigenlijk zeggen: van hun goden. De theologie van de natiën: in vers 2 zie je hun vraag en dan vers 4 tot en met vers 8 gaat over Gods antwoord daarop. Gods repliek op die theologie, op het beeld dat de natiën zich gevormd hebben. En dat is vrij dubbelzinnig als ik het zo zeg, 'het beeld', op de beelden die zij zich gevormd hebben van hun goden. En dan zie je vervolgens het derde deel, dat zie je dus afgewisseld: Gods openbaring van wie Hij is. En dan het overgrote deel gaat over Gods openbaring, wat Hij betekent voor het huis van Aäron, voor Israël, voor degenen die Hem vrezen. Dus dan ziet u hier zo in het totaal even hoe die psalm in elkaar steekt. Het heeft dus ook, als je het in het geheel ziet, een duidelijke structuur.

Nou, laten we maar eens beginnen bij het begin. Het heeft in totaal 18 verzen, dus ik kan echt niet bij alles uitgebreid stilstaan. Maar ik wil u vanmorgen zo een beeld geven van wat er hier inderdaad naar voren gebracht wordt. En dan begint het met: 'Niet ons, o HERE! Niet ons.' En nou kom ik meteen dus bij de titel van deze psalm. Want dat is in het Hebreeuws 'Niet ons', dat is 'lo lanu'. Ja, want, en nou neem ik u even mee naar de website van 'Onze Taal', een heel interessante website. Ik kom daar dagelijks eigenlijk wel op omdat het altijd heel veel wetenswaardigheden levert over het Nederlands, over uitdrukkingen, achtergronden van woorden. In elk geval, daar kwam een keertje de vraag naar voren: waar komt het gezegde 'Lou loene' vandaan? Nou, en toen was het antwoord: 'Lou loene' wordt meestal gebruikt om aan te geven dat iets verkeerd liep of tevergeefs werd gedaan. Bijvoorbeeld in een zin als: 'Ik ging even de stad in om laarzen te kopen, maar lou loene, het was veel te druk.' Nou, daar zijn ook nog veel andere Nederlandse varianten voor. Maar die zal ik hier maar niet noemen. Die zijn iets minder netjes, zal ik maar zeggen.

Het is Jiddisch. Ik maak me sterk, Thérèse, jij kent de uitdrukking wel in ieder geval. Ja, het is Jiddisch. Het gaat terug op het Hebreeuwse 'lo lanu'. 'Niet aan ons', het begin van Psalm 115. 'Niet ons, HEER, niet ons.' Lo lanu. Lou loene. En dat vond ik nou zo mooi, want met 'lou loene' bedoelen we nu 'niet aan ons'. Het heeft de betekenis gekregen van 'tevergeefs', 'voor niets'. Maar het betekent letterlijk, en ontleend dus aan Psalm 115 vers 1: 'Niet aan ons'. En dat het die betekenis heeft gekregen in onze taal is natuurlijk veelzeggend. De gedachte erachter is dat als het aan ons zou liggen, dan was het allemaal voor niks, voor noppes, dan was het allemaal verloren en ijdel. Dat is de gedachte: lou loene, tevergeefs. En dat is zoals de psalm dus begint: 'Niet ons, o HERE, niet ons.' Dat zou slechts lou loene zijn. Tevergeefs.

Maar, en hier ziet u dus die structuur: 'Niet... maar uw naam geef eer.' Aan Hém is de heerlijkheid, want zo staat het er. U ziet onderin de dia heb ik de interlineair weergegeven zodat u ook letterlijk kunt zien wat er staat in de tweede regel, dat is de meest letterlijke woord-voor-woord weergave: 'Aan uw naam zij de heerlijkheid.' God behoudt de eer aan Zich, dat is in wezen de rode draad in heel de Bijbel. Niet de mens. Feitelijk is dit ook alweer een antwoord op de theologie van de heidenen, van de natiën, van de wereld, van de wijsheid van deze wereld. Want de wijze van de wereld die denkt dat ze zelf iets moeten doen of iets tot stand brengen, met als consequentie dat als wij iets doen, aan ons ook de eer is. Omgekeerd: als al onze activiteiten gewoon tevergeefs zijn, lou loene... dat betekent dat we het helemaal te verwachten hebben van Hém. En dat is precies de Bijbelse waarheid. Niet aan een mens, opdat alle roem zou zijn uitgesloten. Maar, gelijk geschreven staat: wie roemt, die roeme in de HEER. De mens is tevergeefs: lou loene.

Uw naam geef eer om uw goedertierenheid, om uw trouw. Uw goedertierenheid, dat betekent uw vriendelijkheid. En uw trouw, we hebben daar zojuist ook over gezongen. Trouwens, dat gaan we straks ook nog doen: over de trouw van God. God die Zich houdt aan Zijn woord. Als Hij een belofte geeft, dan vervult Hij dat altijd en per definitie. En Hij is getrouw; Zijn plannen falen niet inderdaad. En hoe was het ook alweer? 'Onze hulp is in de naam van de HEERE, die trouw houdt en die nooit laat varen het werk van Zijn handen.' Dat is Gods trouw. Als Hij met iets begint, dan voltooit Hij dat.

De Theologie van de Natiën Versus de God Die Doet Wat Hem Behaagt ↑ hoofdstukken

Waarom zouden de heidenen – ha-go’im, de natiën – waarom zouden de natiën zeggen: "Waar is toch hun God?" Dit is wat de theologie van de natiën zich afvraagt. Of eigenlijk, dit is niet alleen een vraag, het is ook een kritiek: "Waar is hun God?"

Nou, dat is niet zo moeilijk, want het antwoord krijgen we meteen in vers 3: "Onze God is in de hemelen" – meervoud eigenlijk – "onze God is in de hemel." Dat wil zeggen: onze God gaat het aardse te boven. Dit is meteen ook weer een tegenstelling tot de theologie van de natiën. Dus we hebben hier eigenlijk al het tweede punt. Als je zo deze hele psalm doorleest, dan zie je in elk statement – ik weet niet of ik er iedere keer op zal wijzen – weer duidelijk een contrast met de wijsheid van de wereld, of dat nu seculier is of dat het religieuze vormen aanneemt. Het staat altijd in contrast met dat wat de mens bedenkt.

Onze God is in de hemel. Hij is daarboven, Hij gaat alles te boven, en er staat bij: "Hij doet al wat Hem behaagt." Dat is het meest karakteristieke van wie deze God is. Niet alleen maar wat Hij betekent, maar dit is wie God is. Hij gaat al het aardse te boven, dat is één ding. Bovendien: Hij doet al wat Hem behaagt.

Hoe vaak vind je dat niet in de Schrift terug? Ik wil u op één ding wijzen en dat is het laatste hoofdstuk van het boek Job. In Job 42, nadat er heel veel gezegd is, gaat God op een gegeven ogenblik aan het woord komen. Wat God dan doet, is niet antwoorden geven op de vragen die gesteld zijn of de kritiek beantwoorden; nee, wat Hij doet, is wedervragen stellen. Hij stelt de mens die waanwijs is op zijn plek en zegt: "Wat weten jullie nu zoal?" Nou, het antwoord is: niks. In Job 42 lees je dat Job op een gegeven ogenblik, helemaal aan het eind, zegt: "Ik heb één keer gesproken, ik heb twee keer gesproken, maar ik doe het niet meer. Ik leg de handen op mijn lippen." En dan zegt hij: "Ik weet dat Gij alles vermoogt, U doet al wat U behaagt, en dat geen van Uw plannen wordt verijdeld."

Als God iets zegt – daar hadden we het over – dan doet Hij het. Als Hij een plan heeft, een voornemen, dan volvoert Hij dat naar Zijn gemaakt bestek, naar het ontwerp dat Hij Zich gemaakt heeft. Als Hij een hartsverlangen heeft, dan vervult Hij het. En als Zijn liefde iets wil bewerken, dan ontzegt Hem Zijn vermogen niet. Dat wil zeggen: Hij wil het, en het is niet zo dat er allerlei elementen zouden zijn die Hem verhinderen om dat wat Hij wil te volvoeren. Nee, Job kwam uiteindelijk tot de ontdekking dat God alles vermocht en dat geen van Zijn plannen kan worden verijdeld. Oftewel, positief gezegd: het wordt vervuld zoals Hij het Zich heeft voorgenomen.

En nu krijgen we het contrast dat heel expliciet in dit gedeelte begint.

Het Contrast met de Afgoden: Dood en Nietszeggend Werk van Mensenhanden ↑ hoofdstukken

Hun afgoden, die van de Egyptenaren maar die van de natiën in het algemeen, zijn zilver en goud. Dat is misschien wel het meest uitgelezene wat je kunt bedenken. Ze zijn duur en kostbaar; ze hebben er ook alles aan gedaan. Maar het blijft werk van mensenhanden. Dat is precies het tegenovergestelde van wat een godheid werkelijk is, die immers gekend wordt bij het werk van Zijn handen. Maar deze goden zijn werk van hun eigen handen; ze hebben ze zelf gevormd en zich een godsbeeld gemaakt. Kijk, je kunt je een godsbeeld maken in hout en steen of in goud en zilver, maar je kunt je ook in abstracte zin een godsbeeld vormen. Zo spreken wij daar nog steeds over: ons godsbeeld. Maak jij je een beeld van God? Nou, dat is niet te hopen, want dan ben je dus op deze lijn als jij je een beeld van God maakt.

Het punt is juist dat wij niet een beeld van God maken. God heeft Zichzelf een beeld gemaakt. Want Hij is de onzienlijke God en wij kennen Hem in Zijn beeld: Christus Jezus. En als we willen weten wie Hij is, dan hoeven we niets te gaan bedenken en hoeven we niets te creëren, maar dan presenteert Hij Zichzelf. Hij openbaart Zich.

Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden. Zij hebben een mond, en nu krijgen we een hele lijst van beschrijvingen van wat ze wel hebben, maar wat niet functioneert. Zij hebben een mond – ja natuurlijk, die kun je wel maken – maar ze spreken niet. Ze zijn dus met recht, letterlijk en figuurlijk, nietszeggend. Ze hebben ogen, ja dat kan wel wezen, maar ze zien niets. Kortom, dan is het nog te vergeven. Ze hebben oren – ja, die kun je ze wel geven – maar als ze niet luisteren en als ze niet kunnen horen, dan heb je er nog niets aan.

Ik zal u eens wat vertellen uit een andere psalm, Psalm 94. Dat vind ik een schitterend vers, zo’n geweldige logica. Als je de vraag stelt over God, dan vind je op andere plaatsen natuurlijk ook die logica zo schitterend beschreven. Ja natuurlijk, alles getuigt: de schepping getuigt van een Schepper en het ontwerp getuigt van een Ontwerper. Wel, en dan zegt Psalm 94 vers 9: zou Hij die het oor plantte – dat zo ingenieus in elkaar zit, waarvan de wereld ons dan wil laten geloven dat het allemaal vanzelf ontstaan is uit een knal (ja sorry, wij missen gewoon het geloof om dat aan te hangen; dat is absurd en bizar) – zou Hij die het oor plantte zelf niet horen? Of zou Hij die het oog vormde – misschien nog wel ingenieuzer, ik weet niet of ik dat zo in zulke vergelijkende termen kan zeggen, maar denk aan die zintuigen – zou Hij die dat ons gaf, die dat bedacht heeft, zelf niet zien? Zo geweldig! Zou Hij die dat gemaakt heeft en aan ons gaf, zelf niet zien? Ziet u ook het contrast? God maakte ons. Hij bedacht Zijn schepsel en Hij maakte dat. Hij vormde de mens en Hij gaf hem een oor om te horen. Of de mens het ook daadwerkelijk doet, dat is nog een andere vraag. Maar goed.

En zou Hij die het oog vormde, zelf niet zien? Het is een schitterende loop die daarin zit. Zou Hij die ons het vermogen gaf om lief te hebben, zelf niet liefhebben? Je kunt het zo aanvullen. Maar goed, dit is wat de psalm zegt over die afgoden, over die beelden die zij zich hebben gemaakt. Ze hebben een neus, maar ze ruiken niet. Hun handen, ja, maar ze tasten niet. Ze maken niets en ze kunnen ook niets maken. Je hebt daar een prachtig voorbeeld van. Daar heb ik ooit, jaren geleden hier op deze plaats, een keer over gesproken. En dit is die geschiedenis – ik weet niet of ik het zo mag zeggen – maar het is een van de mooiste geschiedenissen over het moment dat de ark wordt gebracht. De ark was buitgemaakt door de Filistijnen en die werd dan gebracht in de tempel van Dagon. Weet u nog? En dan lees je dat ze de volgende dag in hun heiligdom komen en dan zien ze dat Dagon van zijn sokkel is gevallen. En op de volgende dag lees je dat hij weer stond, want ze hadden hem overeind gezet. Ik lees het in 1 Samuël; daar lees je dat hij overeind gezet was. En vervolgens komen ze daar weer en dan lees je dat hij onthand is. Letterlijk: zijn handen en zijn ledematen was hij kwijt; die waren afgebroken. Wat ze er vervolgens mee gedaan hebben? Waarschijnlijk weer in elkaar gezet en gelijmd. Maar dat lees je dan.

Nou kijk, dat zijn de goden. Ze hebben handen maar ze tasten niet. Hun voeten maar ze gaan niet. Ze geven geen geluid met hun keel. En dan: wie hen maakte, die zullen worden als zijzelf; ieder die op hen vertrouwt. Dat wil zeggen: alles is tevergeefs. Lou loene. Dat is het.

Het is trouwens ook mooi – ik vertelde u zojuist wat over die structuur in zijn totaliteit – maar als je nu even dat ene gedeelte neemt wat we nu behandeld hebben van vers 4 tot en met 8 (ik noemde dat B2), laten we dat eens eventjes bezien. Dan zie je daar een prachtige inversiestructuur. Dat wil zeggen: het keert zich naar binnen toe, zoals ik het hier heb afgebeeld. Dan zie je dit gedeelte B2. Je ziet dat het begin overeenkomt met het einde. Dat wil zeggen: hier gaat het over de afgoden en hier gaat het over de afgodendienaars. En dan in het tweede zinsdeel gaat het over hun maaksel en hier over hun makers. Zo gaat het vanaf vers 5 in dat eerste zinsdeel over hun mond en hier in het laatste zinsdeel van vers 7 over hun keel. U ziet het, het keert zich zo naar binnen: over hun ogen en hun voeten, hun oren en hun handen, en dan tenslotte als binnenste kern over hun neus. Je krijgt daar ook nog eens de afwisseling: enkelvoud, meervoud, meervoud, enkelvoud. Het is een schitterende structuur die je daar zo onder ziet liggen, waarvan akte.

Daarom vertel ik het u ook en daarom laat ik het u ook op deze manier zien. Dat zie je in zoveel gedeelten van de Schrift, sterker nog: in heel de Schrift. En als u daar meer over wilt weten, dan raad ik u echt aan om de Companion Bible te kopen. Want daar wordt dat in elk Bijbelgedeelte getoond. Of het nu zulke inversiestructuren zijn of andere typen structuren die ons als lezers soms zomaar kunnen ontgaan, maar die zo overduidelijk zijn als je ze inderdaad ziet. De Companion Bible bestaat niet in het Nederlands, maar doe de moeite, want het is echt geweldig om dat soort dingen te ontdekken. Het zijn de wonderen van Zijn Woord. Goed, ik ga weer even verder.

De Oproep aan Israël en Aäron: Vertrouw op Yahweh als Helper en Schild ↑ hoofdstukken

Inmiddels zijn we aangekomen bij Psalm 115 vers 9 en daarmee begint een nieuw gedeelte. We hadden het zojuist over de afgoden en hun dienaren: allebei zijn ze niets. Maar dan staat er: "Israël, vertrouw op Yahweh." Dit is het volk dat God Zich had uitverkoren om een koninkrijk van priesters te zijn te midden van de volkeren. Hij heeft hen getrokken uit Egypte, verlost door de Rode Zee en door de doodswateren heen geleid. En nu klinkt de oproep: Israël, vertrouw op Yahweh! Want — en dat is een refrein dat in het vervolg nog veel vaker zal klinken — Hij is hun helper en hun schild.

Hij is de helper van Israël, het volk dat op de Heer vertrouwt. Ik zeg het er expliciet zo bij: Hij is hun helper en hun schild. Dat kun je namelijk niet zeggen als je niet op Hem vertrouwt. Dat vertrouwen blijkt juist wanneer je steunt op Zijn Woord; anders is het altijd tevergeefs. "Israël, vertrouw op Yahweh, want Hij is hun hulp en hun schild."

Vervolgens wordt het huis van Aäron aangesproken: het priesterlijke huis, de priesterlijke familie. We zouden dat tegenwoordig misschien wat moderner verwoorden als de familie Kohen. 'Kohen' is het Hebreeuwse woord voor priester. Waarom draagt die familie die naam? Dat komt omdat ze allemaal afstammen van Aäron. Het huis van Aäron is het huis van Kohen, de familie Kohen. Aan het huis van Aäron, aan wie God het priesterschap had gegeven, wordt gezegd: "Vertrouw op Yahweh." Ook in de toekomst zal dat huis weer een belangrijke functie gaan vervullen, in de toekomende aion. Gij huis van Aäron, vertrouw en steun op Hem.

U ziet het: het gaat om vertrouwen. Het is niet een kwestie van 'maken'. Dat is wat die afgodendienaars doen: die maken dingen. Zij zijn wel heel druk in de weer, maar dat schiet niet op. Er is er maar Eén die werkelijk doet, die gaat, die ziet, die hoort en die handelt. Steun daarom op wat Hij over Zichzelf verklaart. Hij is hun helper, wat wil zeggen dat Hij voorziet; Hij geeft wat nodig is. Bovendien is Hij hun schild: Hij beschermt hen. Als je op Hem vertrouwt, kom je daar nooit, nooit, nooit bedrogen mee uit.

Hoewel het hier specifiek over het huis van Aäron gaat, wordt het principe uitgebreid. Het is namelijk een universeel principe. Ik citeer hierbij een woord van Paulus, de apostel van de natiën: "Wie op Hem zijn vertrouwen stelt — hij die zijn geloof vestigt op Hem — zal niet beschaamd uitkomen." Dat lezen we in Romeinen 10. Nooit! Daarom beschaamt dat Evangelie ook niet. Wij zeggen weleens dat we ons voor het Evangelie niet schamen, alsof het onze eigen activiteit is, maar de kern is dat het Evangelie ons niet beschaamt.

Maar laten we bij de Psalm-onderwijzing blijven: "Gij huis van Aäron, vertrouw op Yahweh, Hij is hun hulp en hun schild." Nu wordt de kring echter heel breed getrokken: "Gij die de HERE vreest." Het wordt nu niet meer uitsluitend bepaald bij het huis van Israël, maar het geldt voor iedereen die Yahweh vreest. Dat wil zeggen: iedereen die ontzag voor Hem heeft en ziet wie Hij werkelijk is. Dat woord 'vrezen' heeft alles te maken met — en is afgeleid van — een stam die te maken heeft met 'zien'. Yahweh vrezen is zien wie Hij is. Gij die Yahweh vreest, vertrouw op Hem. Je hebt ontzag voor Hem, maar steun ook gerust op Hem. Hij is hun hulp, hun helper, en Hij is hun schild, hun beschermer.

Gods Trouwe Zegen en de Bestemming van de Hemelen en de Aarde ↑ hoofdstukken

Yahweh staat er dan in vers 12: "De HERE heeft onzer gedacht, Hij zal zegenen." Hij heeft onze gedacht, dat wil zeggen: Hij heeft ons herinnerd. Hij gedenkt – dat staat ook nog wel eens een keertje in de Psalmen – Hij gedenkt bijvoorbeeld Zijn verbond. Dat Hij Israël verloste uit Egypte was omdat God eraan dacht; dat wil zeggen dat Hij gedachtig was aan dat wat Hij ooit had gesproken. Honderden jaren tevoren al had Hij Zijn belofte gegeven aan Abraham en Hij heeft Zijn belofte vervuld. Hij maakt waar wat Hij zegt. Hij gedacht, dat is ook weer die trouw van God waar we het in het begin over hadden. Hij gedenkt ons. Waarom? Wel, Hij heeft gesproken en Hij had hen verkoren.

De HERE heeft onzer gedacht – dat gaat hier specifiek natuurlijk over het huis van Israël. Hij zal ook zegenen. Maar dat is precies wat de HERE had beloofd aan Abraham: "Ik zal u stellen, Ik zal u zegenen en middels u, in u en in uw zaad." En Paulus zegt dan: "Ja, zaad enkelvoud, als Christus." In u en in uw zaad zal Ik alle geslachten van de aardbodem zegenen (Genesis 12 vers 3). Hij zal zegenen. Het is niet eens een wens, het is een voorzegging. God voorzegt dat. Waarom? Hij doet alles wat Hem behaagt en Hij is trouw aan Zijn woord. Dus dat dit waar is, kan niet missen. Hij zal ook zegenen. Hij zal het huis van Israël zegenen. De twaalf stammen, de tien stammen... uiteindelijk is er toch het totale huis van Israël, namelijk de twaalf stammen. Hij zal ook het huis van Aäron zegenen, dat priesterlijke gezag dat daar die bevoorrechte positie heeft in Jeruzalem, in de tempel.

Hij zal zegenen, u ziet het iedere keer. Hij zal zegenen wie de HERE vrezen. "De kleine", staat er letterlijk, de kleine en ook de grote. En ik weet niet of je dat nou letterlijk moet nemen of figuurlijk; het maakt me eigenlijk ook helemaal niks uit, want er staat: wie de HERE vrezen. Ongeacht hun formaat, figuurlijk of letterlijk. De kleintjes, de kinderen, of de groten. Of de onaanzienlijken, maar ook degenen die met kop en schouders figuurlijk boven de mensen of boven het maaiveld uitsteken, voor wie iedereen zo'n respect heeft; de groten der aarde, zoals wij daar ook over spreken. Hij zal zegenen eenieder die Hem vreest, die ontzag heeft voor Hem.

De HERE moge u vermeerderen, wordt er dan gezegd in vers 14, u en uw kinderen. Dat is namelijk ook wat God had beloofd aan Zijn volk Israël: Hij zal hen tot een grote natie maken. Hij zal daar ook voor zorg dragen, tegen de druk in. Dat vind ik ook zo mooi, want we hadden het zojuist over de geschiedenis van Egypte. Maar wat lees je? De farao had heel andere plannen. Die maakte zich zorgen over de expansiedrift van de Israëlieten en hij probeerde alles in het werk te stellen om dat tegen te gaan. Maar u weet hoe dat is: Hij zal zegenen. Hij vervult en Hij vermeert het ook, u en uw kinderen.

Gezegend zijt gij. En nu komt weer die grote glorie van God hier zo schitterend en die universele heerlijkheid van Hem voor het voetlicht: "Gezegend zijt gij door de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft." Je ziet hier dat Hij het niet eens "gemaakt heeft" als een perfectum, als een voltooide vorm, maar: "Die hemel en aarde maakt." Dat vind ik een prachtige gedachte. Dat zie je trouwens heel vaak, alleen in de vertalingen komt dat niet tot uitdrukking. Het idee is: het werk is nog steeds in uitvoering. Hij is nog steeds bezig deze wereld, Zijn schepping, te vormen. Als een pottenbakker – om weer eens een ander beeld te gebruiken – maakt Hij deze wereld. Hij maakt hemel en aarde en Hij vormt dat naar Zijn plan. Dit is de God die alles te boven gaat, maar Hij is het ook die hemel en aarde inderdaad maakt, hermaakt en herschept.

Dan staat er in vers 16: "De hemel is de hemel", of weer de hemelen, want in het Hebreeuws zeg je dat dan in het meervoud. De hemelen zijn de hemelen van de HERE; Hij die dat alles te boven gaat. En dan staat erbij – en dit is nou typisch ook weer iets waarbij we bepaald worden bij het feit dat dit een psalm is van Israël. Wij zijn gelovigen uit de natiën en wij lezen nu uit de Schriften, uit de boeken, uit de woorden Gods die God aan de besnijdenis gegeven heeft. Wat was het voorrecht van de Jood? In de eerste plaats dit, zegt Paulus in Romeinen 3: dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd. Bijvoorbeeld Psalm 115. Psalm 115 is zo'n woord dat Hij gaf aan het huis van Israël. Dingen die hier staan, kun je niet zomaar lukraak één op één op ons toepassen, wij die vandaag uit de natiën geroepen worden.

Dat blijkt bijvoorbeeld hier; ik vind dit echt een gelegenheid om er toch even op te wijzen. Want er staat: "De hemelen zijn de hemelen van de HERE, maar de aarde – het land, want dat is in het Hebreeuws gewoon hetzelfde: ha-arets – de aarde of het land heeft Hij de mensenkinderen (of letterlijk de zonen van de mens, de zonen van Adam) gegeven." Voor Israël is dat in het algemeen waar, en trouwens niet alleen voor Israël, in het algemeen is dit zo. Maar ik zal u vertellen: er zijn uitzonderingen. Ik durf te zeggen dat ik bij die uitzonderingen hoor, en ik weet dat er meer mensen zijn die dat durven te beamen. Want u weet hoe het was, ook zo'n Bijbels principe: het eerstgeborene, de eerstelingen, die zijn voor Hem. Die krijgen de hoogste bestemming.

Wat weten wij uit de brieven van de apostel Paulus? Ron citeerde al eerder uit de Efezebrief: wij zijn gezegend in Christus Jezus met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten. Of "te midden van de hemelingen", of "te midden van de hemelsen", zo staat het er eigenlijk. Te midden van de hemelsen, daar in Christus, en waar Hij is, daar zijn zij die in Christus zijn, logischerwijs. Dáár is ons leven. Dus wat hier staat, dat Hij de aarde de mensenkinderen gegeven heeft, dat is waar, maar er is een volk, er zijn uitgeroepenen – dat lichaam dat Hij Zich vandaag vormt – dat de hoogste bestemming heeft, namelijk daar boven. Staat dat in Psalm 115? Nee, dat staat daar juist niet. In Psalm 115 is dat verborgen, dat is waar, maar niettemin weten we dit. Het bepaalt ons trouwens des te meer bij het uitzonderlijke voorrecht dat ons als lichaam van Christus is toebedeeld. Maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven, dat is in het algemeen de waarheid. En dan staat erbij in vers 17 – we naderen nu al het slot van de psalm...

Niet de Doden, maar de Levenden Zullen Yahweh Prijzen tot in de Aion ↑ hoofdstukken

En dit is trouwens ook weer zo typisch: een woord waarbij een contrast getekend wordt met de theologie van de natiën. Want dit zegt de heidense filosofie en de heidense religie niet. Ik moet erbij zeggen: de christelijke religie ook niet, maar eigenlijk sluit ik dat er gewoon bij in. Er staat dit: "Niet de doden zullen de Heere loven, zullen Yahweh prijzen, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald." Trouwens, als je de Psalmen doorleest, dan zie je dat heel vaak. In Psalm 16 herinner ik me dat er ook staat dat niet de Heere geprezen zal worden door degenen die in het graf zijn neergedaald. En hier vinden we dus ook zo'n duidelijke uitspraak: niet de doden zullen de Heere loven.

Nee, waarom niet? Nou, daarover schreef Salomo, om maar wat te noemen, het laconieke antwoord in hoofdstuk 9 vers 5: "De doden weten namelijk niets." Er is geen werk of arbeid of gedachte of plannen. Hoe staat het er precies? Er wordt een hele rits activiteiten genoemd die er niet zijn in het dodenrijk. Waarom? Omdat de doden dood zijn. Er is wel hoop, natuurlijk, maar die hoop is in de Bijbel altijd verbonden aan de opstanding, aan het ontvangen van nieuw leven, aan opwekking. Daardoor is er nieuw leven, maar niets bij de doden.

Ik weet dat de heidense filosofie en de heidense theologie zeggen: de dood is niet echt dood. Eigenlijk leef je gewoon verder, dat is het idee. De dood is geen dood, de dood is eigenlijk leven, een andere vorm van leven. Dat wil zeggen, Plato zei: de mens heeft een onsterfelijke ziel. Dat zei Plato, maar in de Bijbel zult u het niet terugvinden. Daar lees je: de ziel die zondigt, die sterft. En trouwens, dat kan allerlei varianten hebben: dat de mens sterft, maar niet echt doodgaat omdat zijn ziel verder leeft. Dat vindt u in de Schrift niet terug.

Wat je ook niet vindt, wat natuurlijk ook een groot gedeelte van de filosofie van de mens is, is dat de mens niet doodgaat maar verder leeft via een reïncarnatie. Dan gaat de mens ook niet echt dood; hij reïncarneert en wordt weer vlees in een andere verschijning. Daarvoor moet je wat verder van huis zoeken, maar er zijn tegenwoordig heel wat mensen, ook in ons lieve vaderland, die dezelfde meningen zijn toegedaan. Maar in al die gevallen zijn de doden niet echt dood. De Schrift zegt echter: "Niet de doden zullen de Heere loven." Het is dus niet zo dat ze Hem nu prijzen. Nee, niet de doden zullen de Heere prijzen, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald.

Ik zei u aan het begin al dat de structuur van het begin en het eind opvalt: het begint negatief en eindigt dan positief. Niet de doden, niet degenen die in de stilte zijn neergedaald, maar wij die leven. En ook wij die zullen leven in de opstanding, hoewel dat hier niet expliciet naar voren gebracht wordt. Maar wij, wij zullen Yahweh prijzen van nu aan tot in... Ja, ik heb dat woordje "eeuwigheid" maar weggekrast of doorgestreept. In het Hebreeuws staat er het woordje Olam en in het Grieks is dat Aion. Dat wil zeggen: dat tijdperk. Ik ga het er nu verder niet over hebben, maar het idee is dat wij Yahweh zullen prijzen van nu aan tot in de Aion.

Dat wil zeggen: waar de verwachting van Israëls profeten altijd over ging, over die toekomende Aion waarin Israël de hoofdrol zal spelen te midden van de volkerenwereld. Daarbij zal trouwens ook de theologie van de natiën radicaal verdwijnen en plaatsmaken voor de openbaring van God. Dan lees je dat alle volkeren naar Jeruzalem zullen optrekken en zullen zeggen: "Laat ons opgaan naar het huis van Jakob, naar het huis van Israël, om door Hem onderwezen te worden." Want uit Sion zal de Torah uitgaan en uit Jeruzalem het woord van de Heere.

Het zijn schitterende voorzeggingen met een geweldige vrede. Dan zullen de wapens... hoe staat het er? Zwaarden en speren zullen worden omgesmeed tot ploegscharen. Dat wil zeggen: al dat oorlogstuig. Ik weet niet of ik bij oorlogstuig over mensen moet denken of aan alles wat ze maken; laten we het maar even zo dubbelzinnig houden. Al dat oorlogstuig is dan voorbij. Vrede, ook daar in het Midden-Oosten. Hij zal dan de lof ontvangen en Zijn openbaring zal inderdaad triomferen. Niet dat wat mensen zelf hebben bedacht, aan voorstellingen hebben gemaakt of aan beelden hebben gevormd. Het wordt radicaal beëindigd.

En dan zal Zijn lof klinken: Lo Lanu, Lou Loene. Niet ons, maar Hem, van nu aan tot in die Aion, die Olam die zal komen, waarin Zijn Koninkrijk definitief gevestigd zal worden. En dan eindigt het, en dat kan eigenlijk ook niet missen, met: "Halleluja". Dat wil zeggen: Yahweh zij geprezen. Hij zal geprezen worden ook. Hij zal alle lof ontvangen; Hij is niet alleen alle lof waardig, Hij zal alle lof ook ontvangen. En dat is het laatste zinsdeel in het hele boek van de Psalmen: "Alles wat adem heeft..." Er staat eigenlijk niet: "looft de Heere" als een oproep. Nee, alles wat adem heeft, zal de Heere loven, zal Yahweh loven. Dat is geen oproep, het is een voorzegging. Elke knie gaat buigen en elke tong zal belijden: Hij is Heere, tot eer van God de Vader. Halleluja. Amen.

🎧 Psalm 115 – Lou Loene
Delen: