Psalm 103
15-03-2015 - Geplaatst door Andre PietPresentatie gehouden op 15 maart 2015 te Urk.
Psalm 103 eindigt waarmee het begint: een oproep om de naam van God te loven. Het begint individueel maar eindigt in een universeel koor van al Gods werken. Voorbijgaand is Gods toorn – slechts een middel om zijn doel te bereiken. Voorbijgaand zijn ook de dagen van de sterveling. Daar tegenover staat de onbegrensdheid van Gods goedertierenheid – zo hoog als de hemel is boven de aarde en zo ver als het oosten verwijderd is van het westen.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: de Directe Aanleiding voor Psalm 103
- De Inversiestructuur: het Naar Binnen Gekeerde Hart van de Psalm
- Een Psalm van David: de Hebreeuwse Betekenis van Loven en Ziel (vers 1)
- Vrijgekocht uit het Verderf: Ziekte, Dood en de Belofte van Opstanding (vers 2-4)
- Vernieuwd als een Arend: het Sieraad van de Jeugd en Opvaren in Kracht (vers 5)
- Gods Wegen Bekendgemaakt: Zijn Toorn Duurt een Ogenblik, Zijn Welbehagen een Leven (vers 6-9)
- Zover het Oosten Is van het Westen: de Onbegrensde Macht van Zijn Goedertierenheid (vers 10-12)
- Een Vader Die Zich Ontfermt: de Sterveling als Stof en een Bloem van het Veld (vers 13-16)
- Van Aioon tot Aioon: Zijn Onwankelbare Verbond en Bepalingen (vers 17-18)
- De Cirkel Is Rond: de Hemelse Troon en de Universele Lofprijzing Door Al Zijn Werken (vers 19-22)
Inleiding: de Directe Aanleiding voor Psalm 103 ↑ hoofdstukken
Van mijn kant ook een hele goede middag en nogmaals excuses voor het feit dat het allemaal zoveel oponthoud had dit keer. Ik hoop dat dat eenmalig is. Maar zoals Gerard al zei, ik wil u inderdaad meenemen naar het boek van de Psalmen. Het vierde boek van de Psalmen moet ik eigenlijk zeggen, want het boek van de Psalmen is eigenlijk een collectie van boeken, een vijftal boeken, en Psalm 103 maakt deel uit van dat vierde boek.
Het is een bekende Psalm en dat is volledig terecht lijkt mij, want het is een schitterende Psalm waarin vooral de goedertierenheid van God – een term die iedere keer weerkeert – geweldig bezongen wordt. Daar is de Psalm denk ik ook met name om bekend.
Ik zal u ook nog even wat zeggen over wat de directe aanleiding is. Gistermiddag mocht ik een begrafenisdienst in Nunspeet leiden van een broeder die hier vorig jaar trouwens nog één of meerdere keren is geweest, samen met zijn vrouw ook: Kors van Balen. Hij kwakkelde vorig jaar al wat met zijn gezondheid en aan het begin van dit jaar, in januari, kreeg hij van de dokter in het ziekenhuis te horen dat hij niet meer te behandelen was. Hij is vorige week maandag dan in volle vrede, mag ik wel zeggen, ontslapen. Deze man leefde enorm dicht bij het Woord. Dat was voor hem alles; het was zijn grote liefde.
Hij heeft in de laatste weken nog kenbaar gemaakt dat hij een verandering wilde in het onderwerp. In aanvang zou ik spreken over de geschiedenis in het boekje Ruth, maar toen heeft hij het nog omgegooid en gezegd: "Wil je spreken over Psalm 103?" Want dat lag hem heel dicht bij het hart. Nou, dat heb ik gisteren inderdaad gedaan. Maar terwijl ik daar zo mee bezig was in de voorbereiding dacht ik: ja, er is zoveel meer over te melden. Daar heb je toch eigenlijk minstens een hele Bijbelstudie voor nodig om dat even goed uiteen te zetten. Vandaar dus dat ik het maar heb gecombineerd. Gisteren heb ik daar wat dingen over naar voren gebracht en nu wil ik echt een Bijbelstudie daarover geven.
De Inversiestructuur: het Naar Binnen Gekeerde Hart van de Psalm ↑ hoofdstukken
Laat ik om te beginnen iets zeggen over de wijze waarop deze psalm is opgebouwd. De psalm kent een, zoals dat met een mooi woord heet, inversiestructuur. Met een inversiestructuur bedoelen we dat deze psalm naar binnen is gekeerd. Dat betekent dat het eerste deel overeenkomt met het laatste deel. In dit geval is dat een oproep om Yahweh te loven; dat vind je zowel aan het begin als aan het einde. In het eerste deel is de oproep nog persoonlijk, gericht aan mijn ziel, maar aan het einde wordt de oproep zoveel grootser, totdat zelfs al Zijn werken worden opgeroepen om Yahweh te loven. De oproep om Yahweh te loven gaat dus van individueel naar universeel.
Dan krijg je het tweede deel dat overeenkomt met het één na laatste deel, en dat gaat over het koninkrijk van Yahweh. Vervolgens krijg je het derde deel, dat begint met het beschrijven van de goedertierenheid van Yahweh. Dat ziet u dus ook: het derde deel komt overeen met het twee na laatste. Zo komt het vierde deel overeen met het drie na laatste, en dat gaat over de voorbijgaande toorn van God en over de voorbijgaande dagen van de sterveling.
Tenslotte komen we in het hart van de psalm en daar gaat het over de eindeloosheid. Er worden verschillende metaforen gebruikt over hoe hoog de hemel verheven is boven de aarde en dat zo ver het oosten is van het westen, wel zo machtig is de goedertierenheid van God, die Zich ontfermt als een vader over zijn kinderen. Dat is met recht het binnenste en daarmee ook het hart van de psalm. Zo zie je dat deze psalm niet zomaar een aaneenschakeling is van een aantal uitspraken; nee, het kent een opbouw zoals vele psalmen en zoals vele Bijbelboeken een structuur kennen.
Die inversiestructuur die u hier ziet — wat dus 'naar binnen gekeerd' betekent — zie je heel dikwijls terugkeren. Het is schitterend om dat te zien. We zullen soms ook moeten vaststellen, en dat zullen we straks ook nog doen, dat het kennen van die structuur niet alleen maar mooi is en schoonheid geeft aan zo’n deel als geheel, maar het is ook handig als het gaat om het verstaan. Dat wil zeggen: als je weet dat dit overeenkomt met dat — ik zal straks ook nog een voorbeeld daarvan geven — dan kun je het ook plaatsen. Dan begrijp je ook waar het betrekking op moet hebben.
De psalm heeft in totaal tweeëntwintig verzen. Ik geloof dat ik vierenvijftig dia's heb. Ik heb eigenlijk gewoon wat notities gemaakt en ik neem u mee in mijn notities, waarbij ik uiteraard toelichting geef. Ik heb dus nog een heel traject te gaan, terwijl we ook nog een kwartier te laat begonnen zijn. Dus: zet u schrap!
Een Psalm van David: de Hebreeuwse Betekenis van Loven en Ziel (vers 1) ↑ hoofdstukken
Het begint met de vermelding dat de psalm 'van David' is. Of eigenlijk: 'aan David' of 'voor David'. Dat kan weer twee dingen betekenen. Het is een wat dubbelzinnige aanduiding: het kan 'aan David toebehorend' betekenen, maar je zou ook kunnen verdedigen dat het 'aan David gewijd' is of 'aan hem opgedragen', in de zin van 'voor David'. De Concordant Version heeft die dubbelzinnigheid opgelost door het te vertalen als een 'Davidische psalm', waarbij je aan beide elementen kunt denken. Je hoeft trouwens ook niet per definitie een keuze te maken; het Hebreeuwse voorzetsel is breed genoeg om beide betekenissen in zich te hebben. In ieder geval is het een Davidische psalm, daar houden we het op.
En dan staat er: 'Loof de HERE, mijn ziel'. Dat is het grote onderwerp, want daar begint de psalm mee en daar eindigt hij mee; in alle toonaarden klinkt dat. Hierbij moet ik trouwens zeggen dat hier niet het gewone woord voor loven wordt gebruikt — het woordje halal, dat wij kennen van 'Halleluja' — maar het woord voor zegenen, althans een woord met die wortel. In de interlinear ziet u dat de Engelse vertaling het weergeeft met blessing: 'Zegen de HERE'. Dat woord voor 'zegen' is in het Hebreeuws barak. Er zijn bekende Israëli's die zo heten, zoals de voormalige premier Ehud Barak. Zijn naam betekent simpelweg 'zegen'. Ook de secretaris van Jeremia heette Baruch, wat exact dezelfde naam is en ook 'zegenen' betekent. Er is trouwens ook een bekende Amerikaanse president die zo heet, al schrijf je het weer anders. Ik weet niet of dat te herleiden is tot de Hebreeuwse wortel — ik zit het me nu ter plekke af te vragen — maar dat weet ik niet zeker.
Het is echter nog interessanter, want barak is afgeleid van het woord voor 'knie' en daarmee ook van het werkwoord 'knielen'. In de Hebreeuwse gedachte is het woord 'zegenen' dus direct geassocieerd met een knie en met knielen. Dat ontgaat ons als Nederlanders vaak, maar daarom vertel ik het u ook: als je het in het Hebreeuws zegt, denk je meteen aan een knie en aan knielen. Degene die knielt, die wordt gezegend. Daarin is juist de zegen gelegen. Je knielt neer voor Hem die het werkelijk waard is dat men voor Hem knielt. Aan het einde van de psalm zien we dat voor Hem uiteindelijk elke knie zal buigen. Dat is wat zegenen ten diepste is.
'Zegen de HERE, mijn ziel'. Dat is een aanduiding die je vaak in de psalmen tegenkomt: de ziel wordt aangesproken. Het is eigenlijk gewoon 'mijn ik'. Daarbij moet u niet denken aan een los onderdeel van de mens, want dat is eigenlijk een sterk Griekse filosofie. Wij denken bij 'ziel' vaak aan een deel van ons innerlijk, maar dat is niet de Bijbelse gedachte. De mens is een ziel. De eerste keer dat er over de mens gesproken wordt, in Genesis 2 vers 7, wordt hij ook zo genoemd. Er wordt stof uit de aardbodem genomen, er wordt levensgeest — neshamah — in hem geblazen en alzo werd de mens een levende ziel. Hij kreeg die ziel niet, hij wérd het. En als hij de adem weer uitblaast, is hij een dode ziel. De ziel is eigenlijk niet zozeer een aanduiding van de binnenkant, maar juist van de buitenkant, eventueel inclusief dat wat erin zit.
Neem bijvoorbeeld Psalm 63, waar staat: 'Mijn ziel dorst naar U'. Direct daarna volgt een prachtig en bekend parallelisme: 'Mijn vlees smacht naar U'. 'Dorsten' komt uiteraard overeen met 'smachten', en 'ziel' komt overeen met 'vlees'. De mens is een stoffelijk wezen, genomen uit de aardbodem en daar ook weer naar terugkerend, maar hij is in elk geval een ziel. 'Loof de HERE, mijn ziel' betekent dus simpelweg: mijn ik, ik loof de HERE. Je zou het zelfs zo kunnen lezen: loof de HERE, mijn ziel — de buitenkant — en al wat in mij is — de binnenkant — Zijn heilige naam. Dit staat helemaal haaks op ons westerse denkbeeld, want wij associëren de ziel met het innerlijk, terwijl de Bijbel bij de ziel denkt aan het geheel en vooral aan de buitenkant. 'En al wat in mij is, Zijn heilige naam' — de naam van Zijn heiligheid.
Loof de HERE, mijn ziel; loof Yahweh. De Godsnaam wordt hier gebruikt. Zijn heilige naam is Yahweh: 'Ik ben'. Dat is de naam boven alle namen. Hij die uitermate verhoogd is, heeft de naam ontvangen boven alle namen, de naam van Yahweh. En wat is die naam? Dat is de naam Jezus, wat betekent: 'Yahweh redt'. Opdat in de naam van Jezus zich elke knie zou buigen van hen die in de hemel, op de aarde en onder de aarde zijn. Kortom: elke knie gaat buigen en alles zal Hem dus ook zegenen en voor Hem knielen, tot eer van God de Vader.
Vrijgekocht uit het Verderf: Ziekte, Dood en de Belofte van Opstanding (vers 2-4) ↑ hoofdstukken
Loof de HERE, mijn ziel, en vergeet niet één van Zijn weldaden. Dat kan namelijk; je leest het een paar psalmen verderop, in Psalm 106. Daar lees je over Israël: zij vergaten God, hun Verlosser, Degene die hen gered had en die grote dingen in Egypte gedaan had. Waar het om gaat, is dat je denkt aan Zijn weldaden waarin Zijn goedertierenheid blijkt. Goedertierenheid is natuurlijk een wat oud-Nederlands woord dat we in het alledaagse Nederlands niet meer gebruiken. Het is een lastig Hebreeuws begrip om één-op-één in een modern Nederlands woord om te zetten, en misschien is dat oude woord nog wel het meest passend. Je kunt het mooi onthouden als: Hij die 'tiert' in Zijn goedheid; Hij die Zijn goedheid overvloedig geeft en ook doorgeeft.
Vergeet er niet één van. Bekender is natuurlijk de versie van Johan de Heer: "Tel uw zegeningen één voor één, tel ze alle en vergeet er geen." Vergeet Zijn weldaden niet. Dat is de beste oproep die je aan een mens kunt doen: om te bedenken wat Hij jou allemaal geeft en wat Hij doet, niet alleen in jou, maar in het algemeen. "Die al uw ongerechtigheden vergeeft." Dat is prachtig, want in de Statenvertaling staat hier letterlijk "ongerechtigheid", in het enkelvoud. Het Hebreeuwse woord is avon, en dat betekent inderdaad alles wat krom is. Het is afgeleid van avah, wat krom, scheef, gebogen of verdraaid betekent. Je moet dat woordje "ongerechtigheid" dus eigenlijk heel letterlijk nemen: onrecht, dat wat niet recht is. Vandaar dat de weergave "ongerechtigheid" heel mooi gevonden is en nauw aansluit bij de Hebreeuwse gedachte. Die al uw ongerechtigheid vergeeft.
Er staat ook bij: "Die al uw krankheden, uw ziekten geneest." Sommige mensen vatten dat op alsof de HERE dat nu, vandaag de dag, doet. Ik kom daar straks nog even op terug, maar ik wil er nu alvast op wijzen dat dit direct gekoppeld is aan het volgende vers. De grootste krankheid die een mens heeft, is namelijk dat hij doodgaat. We hebben eigenlijk allemaal een dodelijke ziekte onder de leden: de mens is een sterveling. Dat is precies waar het volgende vers over gaat: "Die uw leven verlost van de groeve." Verlossen is eigenlijk vrijkopen. In de Statenvertaling staat daar "het verderf". Het is niet zozeer het graf, het is het verderf — al moet ik dat meteen weer nuanceren, want het is wel het verderf van het graf. Hij koopt vrij van het verderf. Die uw leven vrijkoopt van het verderf. Dat is niet redden van de dood, maar redden uit de dood.
Ik zal u een voorbeeld geven uit Psalm 16, ook een Davidische psalm. David is daarin veel meer dan een poëet; hij is een profeet. Hij zegt: "Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen. Want Gij geeft mijn ziel niet prijs aan Sheol (Hades, het dodenrijk), noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve zien." Ook hier staat in het Hebreeuws hetzelfde woord voor de groeve als in Psalm 103. Waar gaat het hier over? Dat kan niet missen, want het is Petrus die op de pinksterdag op het tempelplein uitgebreid toelicht: David was een profeet en hij heeft in de toekomst gezien. Hij heeft gesproken over Hem die uit zijn lendenen zou voortkomen en gesproken over de opstanding van Christus, die inderdaad niet prijsgegeven werd aan het dodenrijk en die ook geen verderf heeft gezien. Hij is uit het verderf verlost, zelfs uit het graf.
Om nog even terug te komen op Psalm 103: "Die uw leven verlost van de groeve", oftewel vrijkoopt uit het verderf van het graf. Hier schijnt het licht van Pesach, van Pasen, van het nieuwe leven en de weggewentelde steen. Hij verlost uit de dood en koopt daaruit vrij. Vele exegeten en uitleggers zeggen dikwijls dat er in de psalmen een Hebreeuws stijlfiguur wordt gebezigd: de hyperbool, de overdrijving. Men zegt dan dat David hier vermoedelijk terugverwijst naar een ziekte die hij heeft gehad, dat hij genezen is van zijn krankheid terwijl hij de dood nabij was, en dat het een overdreven manier van zeggen is om het zo te formuleren. Maar u begrijpt wel dat als je het zo uitlegt, je er niets van begrijpt. Het is namelijk niet hyperbolisch. David was niet slechts een poëet die een stijlfiguur van overdrijving bezigde; hij was een realist en een profeet. Hij sprak over Hem die na hem zou komen, maar ook in het algemeen over God die de doden levend maakt.
"Die uw leven verlost van de groeve" betekent dat je ook echt van al je krankheden verlost bent, want dan ben je de ziekten en de vergankelijkheid voorbij. Het is profetisch en geen dichterlijk stijlfiguur. Dit sluit ook direct aan bij wat volgt in vers 4: "Die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid." Dat gaat juist en vooral over de heerlijkheid van de opstanding. Dit woord "kronen" komen we ook tegen in Psalm 8. Daar wordt gesproken over de "zoon van Adam". In de NBG-vertaling raak je daar de draad kwijt, maar in de Statenvertaling wordt het heel correct weergegeven. Het gaat over de zoon van Adam, niet over Adam of de mens in het algemeen. De zoon van Adam is een weinig minder gemaakt dan de engelen; dat wil zeggen, engelen sterven niet, maar Hij is gestorven en vernederd. In Hebreeën 2 wordt dat uitgebreid toegelicht: Hij is een weinig minder gemaakt dan de engelen vanwege het lijden van de dood, maar wij zien Jezus met heerlijkheid en luister gekroond.
Het gaat hier dus over de kroning met leven en onvergankelijkheid na het lijden en de vernedering. Eerst lijden, daarna heerlijkheid. De weg naar heerlijkheid verloopt per definitie via lijden. In die bekroning — het nieuwe leven aan de andere kant van het graf, waar geen krankheden meer zijn — word je inderdaad gekroond met goedertierenheid en barmhartigheid. Het gaat over het nieuwe leven voorbij de dood, over de opstanding. Ik lees verder.
Vernieuwd als een Arend: het Sieraad van de Jeugd en Opvaren in Kracht (vers 5) ↑ hoofdstukken
"Die uw ziel..." maar dat is niet wat hier staat. Er wordt hier niet over de ziel gesproken zoals we dat in het begin van deze psalm zagen. Er staat letterlijk: "die uw sieraad...". Kennelijk hebben de vertalers er niet goed raad geweten met wat dat hier zou betekenen, maar er staat letterlijk: die uw sieraad, uw ornament — zo staat het in het lineair. U ziet, hier staat niet het Hebreeuwse woord nefesh. Nou ja, ik zeg dat u dat ziet, maar als je een beetje Hebreeuwse letters gegeten hebt, dan zeg je: "Hé, daar staat geen nefesh." Nee, daar staat inderdaad geen nefesh. Het woord dat er wel staat, betekent versiering of sieraad, en zo wordt het elders ook altijd vertaald, maar hier blijkbaar niet. Toch is dat wat er staat: "die uw sieraad verzadigt — of bevredigt — in het goede."
Wat de gedachte daarachter is, geef ik u graag ter overweging. Het lijkt mij dat er ook hier weer een parallellisme gebruikt wordt, namelijk dat het sieraad uw jeugd is. De jeugd is het sieraad van de mens, nietwaar? Wanneer is een mens op zijn mooist, op zijn sierlijkst? Ja, u zegt: "Als ik 54 ben natuurlijk!" Dat denkt u maar, maar een mens is uiteraard op zijn mooist en sierlijkst in de jongheid. Zo krijg je dus ook hier deze parallelle zinnen. Ik had het zojuist over die structuren die soms inzicht geven in de betekenis van een woord, en dat zie je eigenlijk ook bij parallellisme. Dat wil zeggen dat twee zinnen parallel lopen, zoals je dat zo dikwijls in de Spreuken en de Psalmen ziet. Het mooie daarvan is dat als één woord u ontgaat of als u de betekenis niet precies weet, u houvast kunt vinden juist in de andere lijn. Dan krijg je dus: "die uw sieraad verzadigt" staat parallel aan "die uw jeugd vernieuwt", waarbij "verzadigt" overeenkomstig parallel loopt met "vernieuwt" en "uw sieraad" met "uw jeugd".
Vervolgens krijg je nog een zin die, naar mij is gebleken, een raadselachtige zin is. Er staat: "die uw sieraad verzadigt in het goede, zodat uw jeugd zich vernieuwt als een arend." Eigenlijk loopt de zin niet af; de vergelijking wordt niet afgemaakt. "Uw jeugd vernieuwt zich als een arend..." Eerst even over die arend. In het Hebreeuws staat er het woord nesher. Dat is niet zozeer een arend, maar een gier. Eventueel is het woord breed genoeg om ook een arend in te sluiten, maar in ieder geval niet uitsluitend. Ik had daar nog wat diaatjes bij, maar het werd me een beetje teveel om dat nog uitgebreider toe te lichten, dus laat ik het even kort zeggen. Je leest in Job 39 dat zo'n nesher een aaseter is. Dat geldt voor een arend niet, maar voor een gier wel. Bovendien lees je in Micha 1 over de kaalheid van een nesher. Als er iets is wat een gier ook kenmerkt, dan is het juist ook die kale kop. U denkt nu misschien aan andere dingen, maar we hebben het nu even over gieren. Dus als de arend er ook mee ingesloten wordt, is het niet uitsluitend de arend; het is de gier, meer speciaal de vale gier.
Dan krijg je dus deze gedachte: "...zodat uw jeugd zich vernieuwt als een arend." Waar doelt David hier op? Er zijn verschillende suggesties gedaan. Ik ben daar eens een keer in gedoken en het werd me er niet duidelijker op. Sommige mensen denken — en dat is de meest voor de hand liggende optie — aan de continue vernieuwing van het verendek. Jaarlijks schijnt dat een proces te zijn van rui waarbij ze weer een nieuw verendek krijgen. Ik weet niet exact hoe dat verloopt, ik ben geen vogelkenner, maar in ieder geval wordt dat verendek voortdurend vernieuwd. Anderen zeggen — die optie heb ik ook genoemd — dat de arend zijn snavel aan de rots slijpt en daarmee ook zijn snavel vernieuwt. Weer anderen denken aan de ouderdom van de vale gier, die wel meer dan 100 jaar, ik heb zelfs gelezen 130 jaar oud kan worden. Dat zou dan duiden op de jeugd die zich vernieuwt als een arend.
Ik vond echter in al deze opties die als oplossing geopperd werden, iets gekunstelds zitten, totdat ik stuitte op Jesaja 40. Als u mij vraagt, staat daar het antwoord. Dat is een schitterend hoofdstuk. In vers 30 lees je: "Jongelingen worden moe en mat, zelfs jonge mannen struikelen." Het gaat hier over de jeugd, maar zelfs jeugdige mensen kunnen moe en mat worden en struikelen. "Maar," staat er, "wie de HERE verwachten, die putten nieuwe kracht." Dus die jeugd kan weer vernieuwd worden. Door wie? Wel, wie de HERE verwacht, die wordt verjongd. Ik moet daarbij denken aan woorden die we ook in de brieven lezen, in de Efeze-brief, dat onze geest verjongd wordt door ons denken. Door het kennen van Hem wordt een mens van binnenuit jeugdig gemaakt en verjongd.
Maar nu komt het. Dan lees je: "zij varen op met vleugelen als arenden" — of gieren, dat maakt me even niks uit, in ieder geval als nesher, dat is het woord wat hier gebruikt wordt. "Ze lopen maar ze worden niet moe, ze wandelen maar ze worden niet mat." Hier wordt dus gesproken over jeugd en over vernieuwing van de kracht, en vervolgens wordt de vergelijking gemaakt met arenden of gieren die opvaren tot grote hoogte. Ik heb daar zelfs nog een filmpje van dat ik heel kort zal doen, want het duurt maar een seconde of twintig. Ik heb hem even ingekort. Er staan schitterende video's op YouTube, maar dit is er een van zo'n vale gier, zo'n nesher, die tot enorme hoogte stijgt. Imposant. U ziet: hij fladdert niet. Hij doet niks. Hij vliegt, dat wil zeggen: hij gaat puur door de wind en de thermiek naar zulke enorme hoogten.
We gaan het straks trouwens ook zingen ter afsluiting. Het is een bekend opwekkingslied, erg zweverig, dat wel, maar we hebben de tekst iets aangepast. Dat doen wij zonder enig probleem; laat het de auteurs maar niet weten, want dan krijg je misschien nog problemen met de copyrights en heb je rechtszaken aan je broek — dat wil ik nou ook weer niet. In dat opwekkingslied gaat het over: "dan stijg ik op als een arend en dan zweef ik op de wind, gedragen door de kracht van Uw liefde." Dat is uiteraard ontleend aan Jesaja 40, waarbij die arend inderdaad niet fladdert en dat niet op eigen kracht doet, maar puur door de kracht van de wind. Dat is een beeld van de Geest. In het Hebreeuws is het woord voor wind en geest identiek: ruach. Gedragen door de wind. En dan wordt er gezongen over de kracht van de liefde, en dan denk ik meteen aan de thermiek: de kracht van de warmte die ons tot die enorme hoogte brengt. Niet op eigen kracht, maar puur gedragen door de wind en door de thermiek, de warmte.
Dus dan krijg je deze gedachte, als we nu weer teruggaan naar vers 5: "Die uw sieraad verzadigt met het goede, zodat uw jeugd zich vernieuwt als een arend." Het lijkt incompleet, er moet nog iets aangevuld worden. "Als een arend... die wat?" Uw jeugd vernieuwt zich als een arend die opstijgt tot grote hoogte. Het is Jesaja 40 die de vergelijking afmaakt. Want hier zou je de vraag kunnen stellen: "...zodat uw jeugd zich vernieuwt als een arend die wat doet? Die ook zijn verendek vernieuwt?" Nee, Jesaja 40 zegt: jongelingen worden moe, maar wie de HERE verwachten, die putten nieuwe kracht en varen op.
Zij putten een nieuwe kracht en zij varen op als arenden tot grote hoogte. Dus als u mij vraagt en u vergelijkt Schrift met Schrift, wordt in Jesaja 40 de vergelijking gecompleteerd. Dat is wat er met een arend, een nesher, aan de hand is: die grote hoogte waartoe hij komt. Dat gebeurt niet puur door de kracht van de wind, maar door de kracht van de thermiek.
Ja, deze vond ik ook wel mooi, want die kent u wellicht ook: de Phoenix. Dat is al een heel oud, al duizenden jaren oud embleem van herrijzenis. Er is ook een stad in de Verenigde Staten die zo heet, de hoofdstad van Arizona als ik me niet vergis. En trouwens, onder de Phoeniciërs – dat woord Phoenicië is ook nog weer verwant met een Phoenix – heeft de Phoenix mythologische proporties aangenomen.
Maar van origine is het dan zo'n nesher, een arend of grote roofvogel die herrijst uit zijn eigen as. Als u dat opzoekt in Wikipedia of een andere encyclopedie, dan zult u zien: de Phoenix. Dat is zo'n duizend jaar oud embleem van een vogel die herrijst uit zijn eigen as. Dus een beeld van nieuw leven dat verbrand is, maar vervolgens uit de as weer herrijst en opstijgt.
Ik moet dan meteen denken als ik zoiets zie aan een offer: een offerdier dat geslacht is, tot as wordt, maar vervolgens opstijgt, Gode tot een lieflijke reuk, om even in de Bijbelse terminologie dat af te maken. Dan hebben we het dus over dat wat gebeurt na de slachting. Een dier wordt geslacht, vervolgens kwam het op het altaar terecht en dan steeg het op Gode tot een lieflijke reuk.
Het is een beeld van slachting, wat er gebeurde op het kruis van Golgotha, en vervolgens dat wat daarna plaatsvond: Hij herrees. Hij stond op uit de doden, nieuw leven. En die Phoenix, dat vernieuwen als een arend, dat opstijgen tot grote hoogte, dat brengt ons ook nog bij dit oude embleem. Ik wilde het zo even toch gememoreerd hebben, want ik vond de vergelijking en de overeenkomsten tussen het beeld in Psalm 103 en dit bekende beeld te opmerkelijk eigenlijk om niet te vermelden. Nou, we moeten verder gaan.
Gods Wegen Bekendgemaakt: Zijn Toorn Duurt een Ogenblik, Zijn Welbehagen een Leven (vers 6-9) ↑ hoofdstukken
Want dan staat er in vers 6: "De HERE doet gerechtigheid en recht aan alle verdrukten." Wanneer? Wanneer doet Hij dat vandaag? Kijk, er wordt hier een waarheid gesteld. De HERE doet gerechtigheid en Hij doet recht aan alle verdrukten. Het lijkt mij echter duidelijk dat dit niet is wat de Heer vandaag doet. Maar nu breng ik u weer even terug naar die structuur waar we het aan het begin over hadden. We zagen toen al dat dit deel overeenkomt met vers 19, waar staat dat de HERE Zijn troon in de hemel heeft gevestigd en Zijn koningschap heerst over alles. Het gaat hier over het Koninkrijk dat zich zal uitbreiden en over alles zal heersen. Vanaf Zijn troon vestigt de Zoon Zijn heerschappij – dat is overigens ook weer een opwekkingslied, maar het is een Bijbelse waarheid. Het gaat hier over het Koninkrijk waarbij alles onder beslag zal zijn van de heerschappij van God zelf, die middels Zijn Zoon inderdaad over het universum zal heersen, over alles. De HERE doet gerechtigheid aan alle verdrukten wanneer het Koninkrijk gevestigd wordt in de wereld en over alles zal heersen.
Ik ga verder met vers 7: "Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israels zijn daden." Mozes wordt hier natuurlijk als zeer bevoorrecht geschilderd. Je leest in Exodus 33, na de geschiedenis van het gouden kalf, dat Mozes bidt: "Nu dan, indien ik genade in Uw ogen gevonden heb, maak mij toch Uw wegen bekend, zodat ik U ken." En dan lees je een paar verzen verderop in Exodus 34 dat de HERE aan hem voorbijging terwijl hij geplaatst was in de rots. Ik hoop dat u nu net zo typologisch doordenkt als ik: geplaatst in de rots. Toen zag hij de HERE van achteren voorbijtrekken, terwijl er werd geroepen: "HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid en trouw." Houd die woorden even in gedachten, want we komen ze straks weer tegen in Psalm 103.
Hij maakte Mozes Zijn wegen bekend, maar de kinderen Israëls Zijn daden. Het verschil is dit: Hij confronteerde Israël met dat wat Hij dééd. Om maar wat te noemen: toen zij door de Schelfzee gingen, zagen zij die wateren zich scheiden en zijn ze erdoorheen gegaan als door de doodswateren. In feite is dat ook een uitbeelding van dood en opstanding. Gedurende hun hele reis door de woestijn, al die veertig jaren lang, heeft God hen geconfronteerd met Zijn wonderdaden: met brood uit de hemel, met water waarin Hij hen altijd voorzag, en de overwinningen die zij boekten. Dat waren de daden die zij zagen. Maar Mozes mocht zoveel meer zien. Die zag niet alleen maar de daden die God verrichtte, maar die werd op de hoogte gehouden van wat Gods plannen waren. Hij kende de route die God had uitgestippeld, waar Israël geen benul van had. Mozes werd om zo te zeggen bekendgemaakt met de routekaart van God: "Dit zijn Mijn plannen, zo ga ik dat doen." Mozes was vertrouwd in heel het huis van God, zo lees je. Net zoals je van Abraham leest dat hij een vriend van God was en God hem bekendmaakte met Zijn wegen en Zijn plannen. Dat is zoveel meer dan alleen maar Zijn daden.
En dan verder in vers 8: "Barmhartig en genadig is de HERE, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid." U hoort hier dus exact dezelfde woorden die ik zojuist uit Exodus 34 citeerde, van toen de HERE aan Mozes Zijn wegen bekendmaakte. Het zijn natuurlijk prachtige woorden die heel dikwijls in de psalmen worden vermeld. Barmhartig is God; het geeft Zijn uitnemende eigenschappen aan. Hij is genadig, lankmoedig en geduldig. En Hij is rijk – overvloedig – aan goedertierenheid. "Kindness", vriendelijkheid; het oud-Nederlandse woord "goedertierenheid" geeft dat volgens mij prima weer. Er staat ook nog bij in vers 9: "Niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig zal Hij toornen." In de Concordant Version ziet u dat er staat: "niet permanent". Hij blijft niet permanent twisten en strijden. Nee, niet eeuwig – "Le Olam" – zal Hij toornen.
Dit is zo karakteristiek voor onze God. Er staat in Psalm 30 vers 6: "Een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn welbehagen." Een ogenblik kan heel lang duren, dat weet u inmiddels. Als de klok stilstaat, dan duurt een ogenblik heel erg lang. Maar het gaat hier om de vergelijking: een ogenblik ten opzichte van wat? Zijn toorn kan heftig zijn en zelfs langdurig, maar het is slechts een ogenblik ten opzichte van Zijn welbehagen. Die verhouding mag je nooit vergeten. Hiermee beantwoordt de psalmist een heel grote theologisch-dogmatische vraag. Want er zijn boekenkasten vol geschreven over hoe Gods toorn zich nou verhoudt tot Zijn welbehagen. En daar staat in de Bijbel zwart-op-wit zo'n schitterend, eenvoudig antwoord: de verhouding is als die van een ogenblik tot een lang leven. Gods toorn moet je nooit wegpoetsen, het is een realiteit, maar het is slechts een ogenblik ten opzichte van een lang leven waarin God Zijn welbehagen toont. Die toorn van God staat altijd ten dienste van Zijn welbehagen. Het is nooit een doel, maar een middel tot Zijn doel.
Het is zo logisch als we straks de vergelijking gaan zien van God die Zich ontfermt zoals een vader over zijn kinderen. Een vader kan toornig zijn op zijn kinderen en corrigerende, soms pijnlijke maatregelen nemen, maar als het goed is, doet dat de vader meer pijn dan het kind. Het is "vreemd werk". Er staat in Klaagliederen dat Hij niet van harte de mensenkinderen verdrukt. Dat is Hem vreemd. Hij doet het omdat het een noodzakelijk kwaad is, maar het is nooit Zijn oogmerk. Zijn oogmerk, Zijn hart, is om Zijn welbehagen, Zijn goedertierenheid – of hoe je het ook maar noemen wilt – te openbaren en te zegenen.
Waarmee je natuurlijk ook meteen die afschuwelijke leer... ik ga het nu heel sterk zeggen, maar ik durf het mij echt wel te veroorloven... de meest demonische leer die er bestaat, is dat God eindeloos zou toornen. Dat is demonisch. Mijn calvinistische moeder wist dat al heel goed. Die zei vroeger tegen mij, als we al te lang koppig waren: "André, kwaad worden is menselijk, maar kwaad blijven is duivels." En die eigenschap dicht men dan God toe. Als je dat niet gelooft, dan ben je een ketter. Mensen, ik ben zo’n ketter, en ik hoop u ook. Ik vind dit namelijk blasfemisch. Het is afschuwelijk om zoiets te menen en dat heeft velen in de duisternis gebracht. Het is niet alleen een kwestie dat je daardoor geen zicht meer hebt op de toekomst en Gods plannen niet meer kunt onderscheiden; je hele godsbeeld wordt compleet verstoord. En dan te bedenken dat de theologie gebaseerd is op die notie van de eindeloze hel, over eeuwig wel en eeuwig wee, allemaal met het idee van eindeloosheid. Haal die eindeloosheid weg! Er is ontzettend veel mee gemoeid.
Zover het Oosten Is van het Westen: de Onbegrensde Macht van Zijn Goedertierenheid (vers 10-12) ↑ hoofdstukken
Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Dat wil zeggen: het zijn niet onze werken die tellen — of het nu gaat om goede werken of, zoals in dit geval, onze zonden en ongerechtigheden. Daar rekent Hij niet mee; die vergeet Hij. Aan de ene kant zie je daar de notie van gedenken: God gedenkt Zijn verbond en Hij gedenkt Zijn belofte. Als Hij iets belooft, dan doet Hij het en komt Hij er nooit op terug. Maar er zijn andere dingen die Hij vergeet. We zagen dat trouwens ook al aan het begin van de psalm: "Die al uw ongerechtigheden vergeeft." Hij rekent ze niet mee, Hij wil er nooit meer aan herinnerd worden en Hij zal jou er ook niet aan herinneren. Het gaat hier specifiek over Israël, maar het perspectief is zoveel grootser. Vooral het godsbeeld dat hier geschilderd wordt, is geweldig. Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.
Maar zo hoog de hemel is boven de aarde... Hier zie je aan de ene kant de vergankelijkheid van Gods toorn — dat was vers 9 — maar eindeloos is Zijn goedertierenheid. Het ene is heel specifiek gelimiteerd en heeft proporties, maar het andere is zo hoog als de hemel is boven de aarde. Als je dat niet kunt meten, wel, zo machtig is Zijn goedertierenheid. Zo vermogend, zo meesterlijk is Zijn goedertierenheid. Zijn goedertierenheid is niet alleen maar goedheid, maar zij is ook meesterlijk. Ik moet dan denken aan een lied — we zijn erg met liederen in de weer, maar Psalm 103 is natuurlijk ook een lied. Ik weet eigenlijk even niet meer welk nummer het is, maar in elk geval zegt die strofe: "Wat Zijn liefde wil bewerken, dat ontzegt Hem Zijn vermogen niet." Zo hoog de hemel is boven de aarde, zo machtig is Zijn goedertierenheid. Hij wil niet alleen maar zegenen, Zijn goedheid bewijzen en die overvloedig tonen; nee, zo machtig is Zijn goedertierenheid ook dat Hij in staat is om dat te realiseren. Wat Zijn liefde wil bewerken, daarvoor heeft Hij het vermogen. Zou de arm des Heren te kort zijn? In de profetie staat dat zo dikwijls. Onze armen wel, wij staan stil bij onze begrenzingen en wij hebben onze plafonds, maar bij Hem is het: zo hoog de hemel is boven de aarde.
Zo machtig is Zijn goedertierenheid over wie Hem vrezen. Hier komen we weer terug bij waar ik in het begin al op wees: dat woordje 'zegenen'. God betoont Zijn goedertierenheid over wie voor Hem knielt, wie Hem vreest en ontzag voor Hem heeft. Dan bewijst Hij Zijn goedheid. Wie de knie buigt, die wordt gezegend; feitelijk zijn dat zelfs synonieme begrippen. De zegen is juist gelegen in het erkennen van Hem.
Zover het oosten is van het westen — ja, dat vind ik wel mooi. Het was mijn vader die me er vroeger al op wees waarom dat op deze manier geformuleerd wordt. Ik heb die uitleg altijd onthouden en ik wil hem graag delen. Kijk, noord en zuid kun je meten. Je hebt de Noordpool, een uiterst noordpunt, en de magnetische Zuidpool. Die zijn exact te lokaliseren en de afstand tussen beide punten kun je meten. Bij het oosten en het westen gaat dat verhaal niet op. Noord-zuid is meetbaar, oost-west niet. Waar is het oosten, het oostpunt? Waar is het westpunt? Je zou kunnen zeggen: het oosten is gewoon daar, in het Verre Oosten, in Indonesië bijvoorbeeld. Maar voor degene die in Indonesië is, is het oosten weer verder weg. Je begrijpt wat ik bedoel: daar kun je geen punt voor aanwijzen. Het is een verschil van dag en nacht.
Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons. Dat is trouwens nog wat anders dan wat we in vers 10 zagen. Daar ging het over vergeving: Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Maar wat hier staat is: Hij doet onze overtredingen van ons. Hij maakt dat we niet meer overtreden; Hij neemt die overtredingen af. Dat is trouwens ook de gedachte wanneer er staat dat Hij verlost van de zonden. Wij denken dan meteen dat er geen straf wacht, maar nee: Hij verlost ons ván onze zonden. We waren zondaren en we worden rechtvaardig gemaakt. Maar let op Wie dat doet: dat is Zijn werk. Loof Hem en buig je voor Hem neer. Waarom is Hij zo groots? In de hele psalm wordt dat gemotiveerd en worden er allerlei verklaringen en gronden voor aangevoerd. Eén van de motieven is dat Hij de overtredingen wegdoet.
Oké, specifiek gaat het hier over Israël, maar de waarheid is zo universeel. Hij doet de overtredingen van ons; Hij is het die ons heilig en rechtvaardig maakt. En voor Israël geldt dat ook. Dit is feitelijk de waarheid van het Nieuwe Verbond. Als er in Jeremia 31 staat dat Hij hun zonden geenszins zal gedenken, dan staat er dat Hij een nieuw verbond zal sluiten met het huis van Israël en met het huis van Juda. Hij zegt: "Ik zal Mijn wetten in uw harten schrijven en in uw verstand, zodat je in Mijn wegen zal wandelen. Ik zal dat doen." Het Nieuwe Verbond is daarom zo geweldig, omdat het de last niet meer legt op de mens die het moet vervullen. God Zelf zegt: "Ik zal dat doen." En daarom is succes gegarandeerd. Hij doet het; Hij doet onze overtredingen van ons.
Een Vader Die Zich Ontfermt: de Sterveling als Stof en een Bloem van het Veld (vers 13-16) ↑ hoofdstukken
"Gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen." Hier zijn we echt in het hart van de psalm. Met recht, want ik liet het u al zien in die inversieve structuur: dit deel eindigt met de woorden dat God als een vader is die zich ontfermt over zijn kinderen. Waarom doet Hij dat? Niet omdat die kinderen zo goed zijn, maar simpelweg omdat het Zijn kinderen zijn. Ouderlijke liefde is een prachtig beeld van Gods liefde. Eigenlijk moet ik het omkeren: Gods liefde wordt geïllustreerd in de liefde die ouders hebben voor hun kind. Je houdt van je kind omdat het van jou is; het komt uit de vader en de moeder voort. Daarom heb je die liefde. Zo houdt God van Zijn schepping omdat deze uit Hem voortkomt.
In Maleachi staat ergens — ik weet niet het vers precies, maar u moet het maar eens nalezen: "Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één ons allen geschapen?" Dat is de fundamentele reden waarom Hij een Vader is: we komen uit Hem voort. Waarom houdt Hij van Zijn schepping? Wel, het komt uit Hem voort en Hij laat de werken van Zijn handen niet varen. Gerard begon er de bijeenkomst al mee. Vele kerkdiensten beginnen er ook mee, om het vervolgens in de rest van het uur weer te ontkrachten. Het klinkt wat cynisch, maar helaas is dat wel de realiteit. Daarmee wordt de Bijbelse waarheid alsnog weer geneutraliseerd en van haar schoonheid ontdaan. Maar zo is God: als een Vader voor Zijn kinderen.
We lezen nog verder in vers 14, want Hij weet wat maaksel wij zijn — wij komen immers uit Hem voort, wij zijn Zijn schepping — gedachtig dat wij stof zijn. Ik heb expres dit plaatje van een pottenbakker erbij geplaatst, omdat het aangeeft dat wij Zijn maaksel zijn. Hij vormt ons en daarom weet Hij hoe het zit; Hij staat niet voor verrassingen. Wat dacht u toen Adam en Eva van de verboden vrucht aten? Dacht God toen: "Oei, nu moet ik op plan B overschakelen, dit had ik niet verwacht"? Natuurlijk niet. Hij weet wat voor maaksel wij zijn. Hij gaat een weg en die wegen heeft Hij ook bekendgemaakt. Niet aan iedereen, dat weten we, maar Hij maakt Zijn wegen bekend. God heeft een plan en Hij staat niet voor verrassingen. "Van den beginne verkondigde Hij reeds de afloop," zei Jesaja. Dat is God. Hij weet wat voor maaksel we zijn, gedachtig dat we stof zijn.
De sterveling — ach, dat zijn u en ik. Wij zijn allemaal voorbijgangers. De sterveling, zijn dagen zijn als het gras; als een bloem van het veld, zo bloeit hij. Er staat daar een beeld dat heel dikwijls wordt gebezigd in de Bijbel. Ik heb hier een lijstje van schriftplaatsen en ik kwam er net nog achter dat het niet eens compleet is. In de Psalmen en in Jesaja komt het een paar keer voor, en ook in Jakobus en Petrus wordt dit beeld van gras en de bloem van het veld gebruikt. Elders, in Job, vinden we nog het beeld van een weverspoel die zo snel voorbijgaat, of het beeld uit de Psalmen over de damp die opstijgt. Dat is ons leven. Of een ademtocht: je krijgt lucht bij de geboorte en je blaast het weer uit bij het sterven. Dat is een ademtocht, dat is de sterveling. Stof ben je en tot stof keer je weer terug. In de Bijbel is de dood een terugkeer, met dien verstande dat God verlost van de groeve. Want we hebben een levende God en Hij heeft het leven op het oog; dat zal ook triomferen.
Nog even terugkomend op die bloem van het veld: "Als het gras, wanneer de wind erover is gegaan, dan is zij niet meer en haar plaats kent haar niet meer." Ik vond dit wel een aardig beeld ter illustratie, want bij zo'n paardenbloem hoef je er maar tegenaan te blazen en weg is die bloem weer. Trouwens, door de wind vindt er ook weer verspreiding van nieuw leven plaats. Dat is ook een mooie typologie: hoe de geest een rol speelt in het verwekken van nieuw leven. Denk daar eens over na. In elk geval is hier de sterveling getypeerd. We leven hier een aantal decennia — zeventig of, als we sterk zijn, tachtig jaar, en sommigen nog wat ouder — en dan is het weer voorbij. Al die generaties.
Van Aioon tot Aioon: Zijn Onwankelbare Verbond en Bepalingen (vers 17-18) ↑ hoofdstukken
Hier wordt de tijdelijkheid van de mens geplaatst tegenover de eindeloosheid van Gods goedertierenheid. Dat kent geen limits. Zoals wij begrensd zijn, zo is God 'de gans Andere'. De goedertierenheid van de HERE, van Yahweh, is van eeuwigheid tot eeuwigheid. U ziet hier dat de tijdelijkheid van de mens wordt geplaatst tegenover en gecontrasteerd met de goedertierenheid van God.
Trouwens, er staat hier: "van eeuwigheid tot eeuwigheid". Voor de meesten in dit gezelschap zal het inmiddels wel bekend zijn dat er hier niet werkelijk over "eeuwigheid" gesproken wordt. Er wordt gesproken over "van eeuw tot eeuw" of "van aioon tot aioon". Ik heb daar een heel mooi voorbeeld van gevonden in Jeremia 7 vers 7 – makkelijk te onthouden. Of u nu een NBG-vertaling hebt of een Statenvertaling, daar wordt deze exact dezelfde uitdrukking vertaald met "van eeuw tot eeuw".
Ik neem u even mee. Daar lees je een belofte waarin tegen Israël wordt gezegd: "Dan wil Ik u op deze plaats, in het land dat Ik aan uw vaderen gegeven heb, laten wonen." Er staat bij: van Olam tot Olam. Van eeuw tot eeuw, van aioon tot aioon. Kijk, als je "van eeuwigheid tot eeuwigheid" leest, dan denk je al gauw – zeker als je vertrouwd bent met de dogmatiek: o, dat is de eeuwigheid die nooit begonnen is tot de eeuwigheid die nooit ophoudt. Het ene blikt terug, het andere blikt vooruit. Maar dat is het idee niet. Er wordt hier gesproken over van aioon tot aioon, van eeuw tot eeuw.
Ik vind het zo opvallend dat men dat hier niet consequent kon volhouden. Deze exact dezelfde uitdrukking wordt hier weergegeven als "eeuwigheid", terwijl men in Jeremia 7 koos voor "van eeuw tot eeuw". Daar stond voor de vertalers eigenlijk geen andere optie open, dus moesten ze het op deze wijze weergeven. Had men dat overal maar gedaan! Het hele woord "eeuwigheid" deugt eigenlijk niet; het is een eeuw, een aioon.
Dan lees ik nog even verder in vers 18, want ik moet echt doorgaan: "...over hen die zijn verbond onderhouden". Weet u, letterlijk staat daar "bewaren". Onderhouden, dat doe je met je handen; bewaren, dat doe je in je hart. Bij Maria lees je dat ook, wanneer de boodschapper bij haar gekomen is: zij bewaarde al die woorden in haar hart. Wij zijn allemaal van die doe-het-zelvers, en ook die Bijbelvertalers lijken daar last van te hebben. Er staat hier gewoon het gewone woord voor "bewaren". Bij "onderhouden" denk je meteen dat de handen alweer gaan jeuken. Nee, die woorden en het verbond, dat wat God tot stand brengt, dat moet bewaard worden.
En dan: "...die aan zijn bevelen denken". Letterlijk staat er dat zij Zijn bepalingen niet "denken", maar zich herinneren; dat zij die gedachtig zijn. Dat kun je alleen als je het bewaart. Als je het bewaart in je hart, dan kun je er ook weer aan terugdenken. Het woord "bevelen" is trouwens "bepalingen". Later moest ik er nog aan denken: in het Hebreeuws staat hier het woord piqqud. Voor wat het waard is – ik kan me niet voorstellen dat er etymologisch een verband is, dat zou me echt verrassen – maar het is makkelijk te onthouden door ons woordje "piket". Het zijn namelijk bepalingen; gewoon markeringen die God aangeeft. Denk daar aan. Het is een woord met nogal wat associaties in de wijze waarop de Bijbel het gebruikt. Maar in elk geval gaat het om hen die Zijn bepalingen herinneren om die te doen, om daarmee ook dat te gedenken en daaruit te leven.
De Cirkel Is Rond: de Hemelse Troon en de Universele Lofprijzing Door Al Zijn Werken (vers 19-22) ↑ hoofdstukken
In vers 19 lezen we: "De HERE heeft zijn troon in de hemel gevestigd, zijn koningschap heerst over alles." Ik heb er al eerder op gewezen vanwege de structuur van deze psalm. Yahweh heeft Zijn troon in de hemel gevestigd en Zijn koningschap — of Zijn koninkrijk — heerst over alles. Uiteindelijk is dit dus ook een profetische psalm. Wanneer dat Koninkrijk van God gerealiseerd wordt, zullen trouwens ook alle krankheden genezen worden en de doden bij die gelegenheid gefaseerd opstaan. Dat Koninkrijk begint in de hemel en vanuit de hemel zal het gevestigd worden op de aarde. Je moet dan meteen denken aan het ‘Onze Vader’: "die in de hemelen zijt, Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde."
Maar ik denk nog aan een ander woord in de Psalmen, waar tegen de Messias wordt gezegd: "Zet U aan Mijn rechterhand." Dat is profetisch. Dit woord wordt vele malen in het Nieuwe Testament aangehaald en speelt een grote rol in verband met de tegenwoordige tijd. Waar is de Messias nu? Wel, aan Gods rechterhand, op een toppositie. Een positie van voorrang, dat is de rechterhand. Daar zit Hij totdat de vijanden gesteld zullen zijn tot een voetbank voor Zijn voeten. Eerst in de hemel — daar is de Koning nu, onttrokken aan het oog in het hemelse heiligdom, op de genadentroon — en straks zal Hij Zijn Koninkrijk vestigen over alles. Vanaf Zijn troon vestigt Yahweh Zijn heerschappij. Ook als Hij straks in Jeruzalem zal heersen, zal Hij dat uitbreiden vanuit Israël over al de volkeren. Dit vers geeft dus ook zicht op dat geweldige perspectief: dat de Koning, de Davidische Koning — dat wil zeggen: Hij uit het huis van David — zal heersen, eerst in de hemel en vervolgens ook over alle dingen.
"Looft Yahweh, gij Zijn engelen" — of eigenlijk ook hier weer: "Zegent Yahweh, gij Zijn boodschappers, gij krachtige helden die Zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van Zijn woord." "Looft Yahweh, al Zijn heerscharen." Dat zijn eigenlijk al Zijn menigten. Elders wordt het weergegeven met Zijn legerscharen, wat wil zeggen: de georganiseerde afdelingen in het leger. Maar de letterlijke betekenis is: al de menigten die Hem ter beschikking staan en die doen wat Hij Zich heeft voorgenomen.
Vervolgens: "Looft Hem, gij Zijn dienaren, die Zijn wil volbrengt." Er staan menigten Hem ter beschikking en allen worden opgeroepen om Hem te loven en Hem te zegenen. "Loof de HERE, al Zijn werken, aan alle plaatsen Zijner heerschappij." Ten slotte wil ik u hierover nog iets zeggen: dit is niet alleen maar een oproep, dit is profetie, dit is voorzegging. In Psalm 103 is het inderdaad nog een oproep, maar lees even verder. Kijk naar de uitdrukking "al Zijn werken". Als we een paar psalmen verder lezen, in Psalm 145, dan staat daar: "Genadig en barmhartig is de HERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid." Herinnert u zich deze woorden nog uit vers 8? Maar lees dan verder: "De HERE, Yahweh, is voor allen goed, Zijn barmhartigheid is over al Zijn werken." Waarom? Omdat het Zijn werken zijn, het is Zijn maaksel. En dan komt het: "Al Uw werken zullen U loven." Kijk, hier in Psalm 103 is het een oproep: "Looft Yahweh, al Zijn werken." Alles wat Hij gemaakt heeft, alles wat Hij tot stand gebracht heeft. Maar later in het boek der Psalmen wordt gezegd dat alles wat adem heeft de HERE zal loven. Al Uw werken súllen U loven en voor Hem neerbuigen. Want hoe was het ook alweer? Elke knie gaat buigen en elke tong zal van binnenuit getuigen: "Jezus is Heer", tot eer van God de Vader. Ja inderdaad, Hem zullen zij loven.
En dan eindigt de psalm met: "Loof Yahweh, mijn ziel." U ziet, ik heb hier het beeld gebruikt van de slang die in zijn eigen staart bijt. Wij zeggen dan: de cirkel is rond. Waar de psalm mee begon — "Loof Yahweh, mijn ziel" — daar eindigt hij ook weer mee. Wat een reden geeft deze psalm ons! Wat een motieven en gronden voert de psalmist aan in deze Davidische psalm om Yahweh te zegenen, te loven en voor Hem neer te knielen. Om Hem inderdaad alle eer te geven voor wie Hij is en wat Hij doet. Loof Yahweh, mijn ziel!
UltimateGoodNews