GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

De Paulus-Rel In Jeruzalem

13-10-2013 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van de GoedBericht-samenkomst gehouden op 13 oktober 2013 in Zoetermeer.

Paulus lag bijzonder moeilijk in Jeruzalem, niet in het minst ook bij de tienduizenden (Jezus als) Messias-belijdende Joden. Zij allen waren ijveraars van de wet van Mozes en voor hen was Paulus een afvallige en een gevaar voor het Joodse volk. Als Paulus in de tempel gesignaleerd wordt onstaat in no-time een hevige rel waarin ze Paulus naar het leven staan maar omdat de Romeinse tempelpolitie snel ter plaatse is, wordt dit voorkomen. Na enkele misverstanden te hebben rechtgezet krijgt Paulus de gelegenheid zijn volksgenoten toe te spreken. Voor de laatste keer…

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De studie behandelt de komst van Paulus in Jeruzalem, waar hij ondanks zijn medewerking aan een Joods reinigingsritueel op zware tegenstand stuit. Joden uit Asia herkennen hem in de tempel en ontketenen een oproer onder valse beschuldigingen van tempelontheiliging en rebellie tegen de wet. Paulus wordt ternauwernood gered door Romeinse soldaten en gevangengenomen in de Burcht Antonia. Deze tegenstand blijkt uiteindelijk een door God geleide mogelijkheid voor Paulus om de woedende menigte in hun eigen taal toe te spreken.

“Als God de Plaatser is, dan kan Hij juist tegenstand gebruiken. Mensen die jou de mond willen snoeren, die jou willen doden, juist hen kan Hij gebruiken om de boodschap door te geven.”

Inleiding: de Gespannen Relatie Tussen Paulus en Jeruzalem ↑ hoofdstukken

Ook van mijn kant, vrienden, een hele goede morgen en goed u hier weer te mogen treffen op deze, zoals mijn broer al memoreerde, sombere zondagochtend. Maar dat mag de vreugde niet drukken, want zoals we ook wel hebben overwogen: God is God. Hij plaatst alles. Ik denk dat ik vanmorgen weer het een en ander uit ga leggen. We gaan het gedeelte bespreken, maar ik heb mijn eigen boodschap voor vanmorgen ook alweer gehoord: houd het zodanig simpel dat iedereen het ook werkelijk begrijpt. Dat is wel eens lastig, dat geef ik direct toe, maar die boodschap kan ik in mijn zak steken.

De vorige keer heb ik gesproken over de relatie tussen Paulus en Jakobus. Dat was inmiddels alweer anderhalve maand geleden. We spraken over Galaten 1 en 2, waar Paulus vertelt hoe hij ooit door God is geroepen op de weg naar Damaskus. Een paar jaar later heeft hij een ontmoeting gehad met Jakobus, de broeder des Heren in Jeruzalem. Dat was de eerste keer. Vervolgens hebben we Handelingen 21 besproken, inmiddels twee weken geleden. Daar lees je dat Paulus opnieuw naar Jeruzalem gaat. Paulus had daar moeite mee. Hij was een man die gezonden was, zoals Dirk ook al even aangaf, naar de natiën met een heel andere, nieuwe boodschap: het evangelie van de voorhuid, zoals hij dat noemt. Een heidense boodschap, om dat woord toch maar weer te gebruiken, met alle negatieve betekenissen die daar soms aan gekoppeld zijn. Maar goed, in Joodse oren klonk dat zo: de voorhuid. Je zou ook kunnen zeggen: onbesneden Filistijnen.

Paulus heeft opnieuw een ontmoeting in Jeruzalem. We zijn inmiddels in Handelingen 21 en het is goed om even samen te vatten wat er toen besproken is. Het is een serie, wat betekent dat er enige voorkennis wordt verondersteld, maar mocht u het gemist hebben of mochten er mensen voor het eerst zijn: geen punt, dan vatten we het alsnog even samen. Wat hadden we de vorige keer gezien? Wel, hij arriveert daar in Jeruzalem rond het Wekenfeest. Sjavuot heet dat in het Hebreeuws, wat wij het Pinksterfeest noemen. Dat lees je in Handelingen 21 vers 17. Dan heeft hij een ontmoeting met Jakobus en enkele anderen, zoals in vers 18 staat.

Dan komt de reputatie van Paulus in Jeruzalem ter sprake. Dat is eigenlijk de grote bottleneck van dit hoofdstuk en van de navolgende hoofdstukken. We zullen dat straks nog wel even zien. Daarom had Paulus ook altijd zoveel moeite om naar Jeruzalem te gaan; hij wist dat hij met de boodschap die hij onder de natiën predikte, bijzonder gevoelig lag in die streng orthodox-Joodse wereld. En dan doet Jakobus hem een voorstel.

Het Voorstel van Jakobus: Vrijkoop van de Gelofte ↑ hoofdstukken

Eigenlijk gebruik ik het woord ‘voorstel’, maar Jakobus zegt in feite: doe dit nu gewoon. Om alle beschuldigingen aan jouw adres teniet te doen, moet je simpelweg bewijzen dat jij zelf ook Joods leeft. Je bent een Jood, dus laat zien dat je ook die Joodse gebruiken onderhoudt. Jakobus doet hem daartoe een voorstel, zoals we lezen in vers 22 en de volgende verzen.

Waar kwam dat voorstel op neer? Ik zal nu niet teveel in de details treden, maar het kwam er in ieder geval op neer dat er een aantal mannen waren die een gelofte aan God hadden gedaan. Gedurende de tijd van die gelofte mochten zij hun hoofdhaar niet scheren en mochten ze geen wijn of sterke drank drinken. Ze mochten zelfs geen krenten eten, want ook dat was de vrucht van de wijnstok. Ze hadden een specifieke gelofte gedaan en aan het einde daarvan moesten er bepaalde ceremoniën voltrokken worden. Er moest een offer gebracht worden.

Tegen Paulus werd gezegd: "Draag jij nu de kosten voor die mannen." Het ging om vier mannen, zodat zij vrijgesteld zouden worden van die gelofte. Het is een prachtig beeld: Paulus als de vijfde man, die voor vier man de prijs betaalt. Hij koopt ze als het ware vrij, zodat ze niet meer onder de last van die gelofte — onder de wet — staan. Dat is niet alleen maar een manier om Paulus vrij te pleiten van de beschuldiging en om de wind uit de zeilen van al zijn tegenstanders te nemen. Het was veel meer dan dat. Er zit een hele typologische waarheid in; dat wil zeggen: een waarheid met een zinnenbeeld. Paulus is de man die zijn volk aanzegt dat ze vrijgekocht zijn en niet meer onder de wet staan, omdat de prijs voor hen betaald is.

Dat voorstel doet Jakobus aan Paulus, en Paulus doet dat ook. Dan komen we in vers 26a, en vanaf dat vers gaan we de bespreking vervolgen. Het is een geschiedenis die voortgaat tot vers 40. Dat willen we vandaag bezien, waarna ik hoop de volgende keer verder te gaan met de toespraak van Paulus. Laten we in vers 26 aanhaken.

Daar staat: "Toen nam Paulus die mannen mede..." Dat zijn dus die vier mannen uit de voorgaande verzen. "...en hij heiligde zich." Of letterlijk: "geheiligd zijnde". Hij ging de volgende dag met hen de tempel in en deed aangifte. Waarom deed hij die aangifte? Omdat hij de zaken voor zijn rekening zou nemen; hij zou betalen. Dat kwam ook nog eens goed uit, want Paulus had geld voor de armen bij zich. Hij was namelijk naar Jeruzalem gegaan omdat hij te midden van de natiën een collecte, een inzameling, had georganiseerd voor de armen in Judea. Dat had een speciale reden, maar met dat geld was hij dus naar Jeruzalem gegaan om die gift daar over te dragen. Dat was de reden waarom hij naar Jeruzalem ging.

Vervolgens lees je dat hij aangifte deed van het feit dat de dagen van de heiliging zouden duren totdat voor ieder van hen het offer gebracht was. U moet zich voorstellen: daar stond die tempel met een priesterdienst, en zoals ik al zei, is wat Paulus hier doet een uitbeelding van een geestelijke waarheid. Die tijd van de heiliging zou voltooid zijn op het moment dat de offers — en dat kostte natuurlijk geld; er moesten schapen geofferd worden — gebracht waren. Welnu, dat moest allemaal bekostigd worden en Paulus neemt dat voor zijn rekening. Uit het volgende vers blijkt dat die tijd van heiliging zeven dagen duurde. Er staat namelijk: "Toen nu de zeven dagen nagenoeg om waren..." Lukas veronderstelt daarmee kennis van de Joodse gebruiken wanneer hij dit zo opschrijft. Het doet er nu eigenlijk niet zoveel toe wat er precies allemaal gedaan moest worden, maar in ieder geval duurde die periode van heiliging zeven dagen. Welnu, die zeven dagen zijn dan bijna om.

Joden uit Azië Ontketenen een Oproer ↑ hoofdstukken

Toen zagen de Joden uit Asia hem in de tempel. Ik gaf zojuist al even aan dat Paulus in Jeruzalem komt juist tegen de tijd van wat wij het Pinksterfeest noemen. Maar ons Pinksterfeest is eigenlijk van origine een Joods oogstfeest, het Wekenfeest met de tarweoogst. Gedurende die tijd kwamen Joden uit heel de wereld. U moet niet vergeten dat het grootste deel van het Jodendom zich in die dagen – net zoals vandaag trouwens – in het buitenland bevond. Niet in het Joodse land, maar in wat men noemt de diaspora, in de verstrooiing. Er was een kleine Joodse staat met als hoofdstad Jeruzalem, onder Romeinse bezetting, met een tempel daar, maar het grootste gedeelte van het Jodendom woonde buiten het land. Dat is vandaag nog steeds zo: er wonen een paar miljoen Joden in Israël, maar het grootste gedeelte van het Jodendom woont nog steeds in het buitenland.

Daar stond die tempel in Jeruzalem en ze kwamen jaarlijks met de hoogtijden, bijvoorbeeld met het Wekenfeest, naar Jeruzalem. Vandaar ook dat er Joden uit Asia waren, uit Klein-Azië, het huidige Turkije. Het was een enorme drukte in Jeruzalem ter gelegenheid van die hoogtijd. Toen nu de zeven dagen nagenoeg om waren, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel. En dan lees je: ze brachten al het volk in opschudding – of eigenlijk in verwarring – en ze sloegen de handen aan hem.

Je voelt natuurlijk al hoe groot de spanning is. Paulus wist wat hem te wachten stond; ik heb dat de vorige keer uiteengezet en laten zien. Het was hem trouwens door de Geest van stad tot stad betuigd. Hij wist dat hij in Jeruzalem zo moeilijk lag. Er werd onderwijs over hem gegeven dat hij de man was die 'afval van Mozes' leerde. Ze pruimden hem niet. En nu zien die Joden uit Asia hem daar; zij kenden Paulus, want hij had daar in Asia gepredikt. In allerlei steden, bijvoorbeeld in Efeze, had hij de boodschap van Gods genade verteld. Dat was een niet-Joodse boodschap, een heidense boodschap, helemaal los van ceremonieën. Dat heeft er allemaal niets mee te maken. Paulus bracht een heidense boodschap – houdt u dat ook vast.

Wat is die heidense boodschap? Daar kun je heel veel over vertellen, maar het komt eigenlijk neer op die eerste dia die u vanmorgen zag en wat er op die vrachtwagen stond: God is God. Er is één God. Paulus bracht de natiën de boodschap: "Mensen, er is één Plaatser en Hij zet alles en iedereen op Zijn tijd op Zijn plek. Zijn genade is voor elk mensenkind, puur om niets." Dat is een mededeling, een boodschap van genade. Je krijgt iets, het valt je ten deel. In de vertalingen wordt het meestal vertaald met 'erfenis', maar dat woord is in feite 'lotsdeel'. Een lot krijg je gewoon, zomaar. En de boodschap is: Hij is de Redder van deze wereld en dat kost helemaal niets.

Weet u, dat wordt nog steeds zo gehaat in religie. Waarom? Omdat men in welke vorm dan ook wat voor God wil verdienen. De Bijbelse boodschap is echter dat er helemaal niets te verdienen valt. God heeft een mededeling aan de mensheid en dat is dat Hij houdt van elk schepsel. Je bent van Hem, de prijs is voor jou betaald, Hij is jouw God en Hij plaatst alles. Als je dat mag geloven, als je ogen daarvoor opengaan, dan valt het kwartje. Of liever: je wint een miljoen in die loterij, zomaar om niet. Wauw, geweldig!

Dirk zei zojuist: "Dan komen we bij elkaar om elkaar in het gareel te houden." Hij heeft daar trouwens kritiek op hoor, dus ik zeg het ook maar even aan het publiek: we komen niet bij elkaar om elkaar in het gareel te houden. We komen wel bij elkaar om te vertellen hoe geweldig het is om zo rijk te zijn en wat je er allemaal mee kunt doen. Hoe belangrijk het ook is om daar verstandig mee om te gaan. Niet omdat je het zomaar kwijt kunt raken, want ook dat is het mooie.

Maar laat ik ter zake komen, want we waren met dit verhaal bezig. Het ging erom dat Paulus zo moeilijk lag in Jeruzalem bij al die godsdienstige mensen. Wel, het hele volk wordt in opschudding gebracht, in verwarring. Ze sloegen de handen aan hem en al schreeuwend zeiden ze: "Help, mannen van Israël!" of "Mannen, Israëlieten, help!" Je begrijpt dat als er een massale toeloop is in die tempelgebouwen, dat indrukwekkend is. Je moet niet gering denken over die gebouwen; die waren geweldig groot. Herodes had de tempel ooit gebouwd en verfraaid. We lezen ook dat de Here Jezus bij een bepaalde gelegenheid op de Olijfberg gewezen wordt op die geweldige tempelgebouwen en hoe indrukwekkend dat was.

Die gebouwen waren nu helemaal volgestroomd ter gelegenheid van de hoogtijd. En dan is daar dat ene mannetje Paulus in Jeruzalem en wordt er ineens een oproer georganiseerd. Mannen uit Asia zien Paulus en zeggen: "Help, Israëlieten!" Ze worden meteen op hun identiteit aangesproken: "Jullie Israëlieten moeten nu in actie komen!"

De Theologische Betekenis van de Aanklachten ↑ hoofdstukken

Help, hoezo? "Dit is de mens die tegen het volk, de wet en deze plaats overal allen leert." Nou, de beschuldiging is gigantisch. Dit is nou die mens waarover jullie gehoord hebben en waarin jullie onderricht zijn. Want de vorige keer heb ik u al gewezen op het eenentwintigste vers van dit hoofdstuk. In uw vertaling vindt u het niet zo terug, maar zo staat het er echt: "Men heeft hun van u verteld." Al die tienduizenden Joden daar in Jeruzalem kregen niet alleen een gerucht te horen, maar er werd onderwezen over een man die daar in het buitenland is. Ze werden daarover onderricht; de catechisatie kregen ze daarover, dat is het woord wat er gebruikt wordt. Men vertelde hen dat u alle Joden onder de natiën afval van Mozes leert door te zeggen dat zij hun kinderen niet moeten besnijden en niet naar de gebruiken moeten wandelen. Dat was wat ze van Paulus zeiden. Dat klopte niet, dat is niet waar. Paulus zei dat ze in de vrijheid stonden, niet dat ze niet naar de gebruiken mochten wandelen.

Maar dit is nou die mens. De mens. Dat bepaalde lidwoord is veelzeggend. Dit is nou die mens waarover jullie gehoord hebben en waarin jullie onderwezen zijn; de man die al berucht is in Jeruzalem en waarvan we weten: hij deugt niet. Dit is die mens, en hij leert overal aan iedereen tegen het volk, de wet en deze plaats — HaMakom, de plaats, de tempel namelijk. Dat is niet waar. Nou, laat ik zeggen: het is niet waar én het is wel waar. Dat klinkt diplomatiek, maar ik zal het uitleggen.

Wat er niet waar aan is... laat ik het met Paulus' eigen woorden zeggen uit Romeinen 9 vers 4 en 5. Daar lees je wat Paulus zegt over de Israëlieten. Hij zegt: "Zij zijn Israëlieten." En vervolgens somt hij op wat aan hen is toevallen. Hunner is de zoonstelling — dat wil zeggen: zij zijn de erfgenaam, aan hen valt het ten deel, zij zijn de zonen. Hunner is de heerlijkheid, hunner zijn de verbonden — niet alleen het oude verbond, ook een nieuw verbond is voor Israël. De wetgeving is van hen, niet van de volkeren; die hebben niets met die wet te maken. Hunner is de wetgeving en de eredienst daar in Jeruzalem, met al die offers, de priesters en al die rituelen en ceremonieën. Hunner is de eredienst; daar waren ze zo trots op. Bovendien zijn hunner ook de beloften. God had Zijn belofte verbonden aan dat volk, aan de Israëlieten, en die waren voor hen. Voor zover God Zijn belofte gaat vervullen voor de wereld, doet Hij dat via Israël. En dan zijn er ook nog de vaderen aan wie die beloften gedaan zijn. En uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, de Messias, voortgekomen.

Dat zijn allemaal de zaken, de voorrechten en de zegeningen die aan Israël zijn gegeven. Dus als zij zeggen: "Dit is de mens die tegen het volk overal allen leert", dan moeten we zeggen dat dit absoluut niet waar is. Paulus onderkende dat en hij onderschreef dat. Hij leerde juist de enorm bevoorrechte plaats van Israël. Waarvan akte. Knoop het in je oren en geloof het zoals Paulus het ook gezegd heeft. Geloof ook niet het verhaal dat alom in de kerkgeschiedenis is verteld: dat al die beloften en al die voorrechten die aan de Israëlieten waren gegeven, van hen zijn ontvreemd en nu zijn overgegaan op de kerk. Vergeet dat maar mooi. Hunner is het! En als God beloften heeft voor dat volk, dan gaat Hij die ook vervullen. Dus hun beschuldiging was niet waar.

Wat is er wel waar aan? Wel, Paulus' prediking aan Israël is dat vanwege uw ongeloof — het ongeloof van Israël — het heil van God, de redding van God, naar de natiën werd gezonden. Dit is een vrijwel letterlijk citaat. Dat betekent concreet dat er nu — let op: nu, niet in het verleden en ook in de toekomst is het weer anders — maar nu in deze tussentijd tussen de eerste en de tweede komst van Christus, in deze pauze (de naam Paulus heeft alles te maken met pauze, met een onderbreking), nu is er geen specifieke voorrang voor de Jood binnen dat Lichaam van Christus. Nu speelt de wet geen rol. Of je de wet nou wel houdt of niet, maakt geen enkel verschil. Daarom lag die prediking zo gevoelig, dat hij dat zo vertelde. En nu speelt ook de tempel, de ceremonie of wat dan ook voor rituelen, geen enkele rol.

Ik weet wel, als je natuurlijk het idee hebt: wij zijn de kerk, wij zijn christenen, en al die beloften en alles wat God aan Israël heeft gegeven is nu overgeheveld naar de kerk... nou, dan wordt de sabbat de zondag, de besnijdenis wordt de doop, noem maar op. En de tempel, dat is een mooi kerkgebouw geworden. Sommigen gaan er nog veel verder in: zoals we vroeger priesters hadden, zo hebben wij nu dominees en een geestelijkheid van priesters. Ziet u? Men heeft het allemaal overgenomen. Maar laat ik u dit vertellen: al dat soort judaïstische, Joodse aangelegenheden — de wet, heilige dagen, hoogtijden, een tempel of ceremonieën — het speelt in deze tijd geen enkele rol. In de toekomst wordt het weer anders, als God de draad weer gaat oppakken met Zijn volk Israël en hen in hun totaliteit terug gaat brengen in het land. Wel dan wordt het verhaal weer anders. Maar nu, in deze onderbreking, is dit de stand van zaken. Daarom lag Paulus zo gevoelig.

De andere apostelen wisten dat ook niet; aan hen was dat niet toevertrouwd. En voor zover ze het wel wisten, wisten ze het via Paulus. Maar goed, dat kwartje moest ook eerst vallen. Petrus heeft er bijna zijn hele leven over gedaan om dat te gaan bevrijden — althans, dat zegt hij in de laatste brief die hij geschreven heeft. Hij zegt daar dat die brieven van Paulus zwaar zijn om te verstaan. Goed, wat is er niet waar en wat is er wel waar? Ik heb het u nu even kortweg zo op een rijtje proberen te zetten. Maar goed, we gaan weer even terug naar de geschiedenis. Paulus is daar in Jeruzalem in de tempel om de zaken af te handelen in verband met die gelofte, en dan wordt hij gesignaleerd door die mannen uit Asia. Ze schreeuwen: "Help, mannen van Israël! Dit is de mens die tegen het volk, de wet en deze plaats overal allen leert." En nu...

De Valse Beschuldiging Rondom de Grieken in het Heiligdom ↑ hoofdstukken

Heeft hij ook nog eens Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontwijd. Nou, dat is helemaal een formidabele beschuldiging. Ook dat moet je weer met Joodse ogen lezen. Ik heb hieronder een plaatje dat je zou kunnen ontcijferen; het zijn Griekse letters die hierop staan. Dit is in de vorige eeuw of twee eeuwen geleden teruggevonden. Het is een steen waarop gegraveerd staat – en dat dateert uit de tempelperiode – de zogenaamde tussenmuur, de Soreg. En wat hield dat in? Wel, in dat tempelcomplex van Herodes had je ook een voorhof voor de heidenen. Dat wil zeggen: de natiën mochten daar komen, geen probleem. Vervolgens kwam je bij de voorhof van de Joden. Daar mocht een heiden, een niet-Jood dus, absoluut niet komen. Deed hij dat wel, kwam hij dus voorbij die muur en werd hij gesignaleerd of gepakt, dan was hij des doods schuldig. Dat was dus een bijzonder heikel punt. Dat mocht absoluut niet: een niet-Jood daar in de tempel brengen. Dat is de tussenmuur passeren.

Vandaar dus dat zij roepen: "Dit is de man van wie jullie al weten en over wie in heel Jeruzalem gesproken wordt. Er wordt over hem onderwezen dat die man niet deugt en dat hij afval van Mozes predikt." Welnu, hij heeft dat nu ook nog eens een keertje bewezen door Grieken in de tempel te brengen en daarmee deze heilige plaats te ontwijden. Dat is absoluut niet waar, maar dat dáchten zij. Want deze beschuldiging was in letterlijke zin helemaal niet waar, maar ik moet u zeggen: in geestelijke zin klopt het weer wel. Zie je hoe je soms met twee woorden moet spreken?

Had Paulus letterlijk een Griek in de tempel gebracht? Nee. Later zegt hij ook: "Ik heb nooit iets gedaan tegen de Joodse gebruiken, niemand kan me daarvan beschuldigen." Ik kom daar straks nog even op terug. Maar ik moet erbij zeggen dat die beschuldiging dat hij Grieken in het heiligdom had gebracht letterlijk niet waar was. Paulus zou er niet aan gedacht hebben om dat te doen. Maar in geestelijke zin? Jazeker, dat is wel het idee. Je leest in Efeziërs 2 deze woorden: "Door hem" – en dan gaat het over de Messias, Christus – "hebben wij beiden..." – kijk het maar na in het verband, daar gaat het over Jood en heiden of niet-Jood – "...door hem hebben wij beiden, besneden of onbesneden, in één geest de toegang tot de Vader." Dat is een schitterende zaak. Het betekent dus dat hij zegt: het maakt in de geest geen enkel verschil of je nou Joods bent of niet-Joods, of je nou heiden bent of besneden.

Waarom zeg ik dit graag? Wel, die muur is weggebroken. Zo zegt hij dat ook in Efeziërs 2. Die muur is in de geest weggebroken en wij beiden, heiden en Jood, kunnen vrijelijk tot de Vader naderen. Let op: de Vader. Dat is nog niet eens de verbondsnaam van God; nee, de Vader. Als kinderen zomaar bij de Vader binnenlopen, zonder dat er muren zijn of een bordje van "Vader wil niet gestoord worden". Nee, helemaal niet. Je kunt daar vrijelijk tot Hem gaan. Wie je ook bent, in de geest is dat de waarheid. Dus als Paulus beschuldigd wordt: "Jij hebt Grieken daar in het heiligdom gebracht", dan was dat niet waar. Maar – en daarom zeg ik dat het in de geest wel klopt – het is inderdaad zo dat we bij God, in het hemelse heiligdom dat geestelijk is, vrijelijk naar binnen kunnen gaan. Wie je ook bent en wat voor achtergrond je ook hebt, we kunnen zo tot Hem gaan en Hem noemen: Abba, Vader.

We gaan weer even terug naar de geschiedenis in Handelingen 21. Paulus wordt daar gesignaleerd. Er wordt een oploop, een rel veroorzaakt. Hij zou Grieken in de tempel gebracht hebben. Waarom dachten ze dat? Nou, er staat in vers 29: "Want zij hadden al eerder Trofimus uit Efeze, de Efeziër, met hem in de stad gezien." Aha! Dat was dus de reden. En er staat nog bij: "...en zij meenden dat Paulus hem in de tempel had gebracht." Paulus was daar namelijk met een hele delegatie in Jeruzalem gekomen en daar was ook Trofimus bij; dat was een niet-Jood. Ze hadden Paulus inderdaad al gesignaleerd met een niet-Jood, en nu zagen ze Paulus in de tempel en concludeerden zij dat die Trofimus nu kennelijk ook wel in de tempel was. Zij meenden dat. Ze hadden hem in de stad gezien en zij meenden dat Paulus hem nu in de tempel had gebracht. Dat zagen ze niet, het was ook niet zo, maar dat méénden zij.

Zo gaat het meestal met die volksoordelen. Het is niet gebaseerd op gezond verstand of op waarheid, maar gewoon op vooroordelen. Men denkt dat, men redeneert. Je zou daar heel veel voorbeelden van kunnen geven hoe dat dan gaat en hoe ongenadig het oordeel dan ook is. Het eerste wat struikelt, is de waarheid; die gaat eraan. Dan kun je natuurlijk meteen bepaalde kreten roepen. Een bepaalde kreet in een bepaalde setting kan meteen alweer gigantische herrie veroorzaken. In de Joodse wereld was dat: "Dit is nou die man, hij heeft Grieken in de tempel gebracht of hij predikt afval van Mozes." Dat was genoeg om meteen een hele rel te veroorzaken. Je kunt ook een bepaald woord in de christelijke setting, in de christelijk-orthodoxe setting gebruiken. Gebruik één woord en de hel breekt los. Ja, ik kan één woord noemen, maar ik kan heel wat woorden noemen. Dat werkt zo. En weet men dan waar men het over heeft? Nee, het is allemaal gebaseerd op vooroordeel, op meningen en redeneringen. Goed, ze meenden dat Paulus hem in de tempel had gebracht. We moeten verder lezen. Er komt weer een verhaal: de hele stad kwam in rep en roer.

De Menigte Grijpt Paulus en de Romeinen Grijpen in ↑ hoofdstukken

Het volk liep te hoop en ze grepen Paulus. Dat is dus, let op, inclusief al die tienduizenden Messiaanse ijveraars van de wet. Ik vertelde u al: daar in Jeruzalem waren inmiddels velen die ook geloofden in Jezus de Messias. De officiële instanties moesten er niets van hebben, het was een hele grote sekte, maar ook onder hen had Paulus die kwalijke reputatie. De hele stad, inclusief al die tienduizenden Joden die geloofden in Jezus de Messias, maar die ijveraars van de wet waren... wel, ook zij — er wordt hier geen onderscheid gemaakt — de hele stad is nu tegen Paulus. Dat is voor die man ook wat geweest, gezien zijn achtergrond. Want hij kwam zelf uit die wereld. Hij wist zelf ook wat fanatisme was. Maar goed, alles wat hem ten deel was gevallen, dat wat hem bekend was gemaakt... met die boodschap was hij onderweg.

De hele stad kwam in rep en roer en het volk liep te hoop en ze grepen Paulus. Ze sleurden hem de tempel uit en terstond werden de poorten gesloten. Ja, waarom? Nou, dat kwam omdat men in de tempel niet iemand ter dood kon brengen. Dat mocht niet. Het is een beetje vergelijkbaar met wat wij het asielrecht in de kerk noemen. Als asielzoekers in een kerk een veilig onderkomen vinden, dan mogen ze zeggen: in de kerk mag je namelijk niet gepakt worden. Zo was het ook in de tempel. In de tempel mocht iemand niet ter dood gebracht worden. Vandaar dus dat ze Paulus pakken; ze sluiten de poorten van de tempel af, zodat hij niet kon vluchten in de tempel en daar dus veilig zou zijn. Typologisch is dit trouwens ook waar, want hier ging echt de deur dicht voor Paulus. Definitief. De Joden sloten de poorten definitief voor Paulus; Paulus zou niet meer in de tempel komen. Dit was de laatste keer. De deur ging hier echt voor hen dicht.

Ik lees verder: "En terwijl zij hem poogden te vermoorden, kwam bericht binnen bij de overste van de bezetting." Letterlijk staat er een Chiliarch, dat is de overste over duizend. Dat is de topman van de Burcht Antonia. Het was een geweldig grote plaats. Ik kom er straks nog even op terug. U moet zich realiseren: die Burcht Antonia was ten noorden van de tempel gesitueerd. In die burcht waren vele Romeinse soldaten gelegerd. Het was eigenlijk een complete stad. En zij hadden, omdat het hoger gelegen was dan de tempel — ongeveer 25 meter boven de tempel — daar keurig zicht op wat er gebeurde. Ik zei al, het is een drukke tijd, dus er was een massale toeloop van Joden op dat moment in de tempel. Er vindt een opschudding plaats, een oproer, en meteen is de politie — de tempelpolitie of de Romeinse opzichters — ter plaatse.

Ze krijgen het bericht dat heel Jeruzalem in opschudding was. Deze overste nam onmiddellijk soldaten en centurio's mee, hoofdlieden, dat zijn mannen over honderd. Ze gaan meteen met een heel korps van mannen en soldaten. Hij was zelf de topman, een man over duizend, en bracht allerlei centurio's bij elkaar. Zo zijn zij gegaan naar het tempelcomplex om die opschudding de kop in te drukken. En zij trokken op hen af. Toen die massa Joden, die daar aan het schreeuwen waren en Paulus probeerden te vermoorden, de overste en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan. Dat kun je je voorstellen: Paulus proberen te vermoorden was illegaal, en als ze dan inderdaad die Romeinse politie zien aankomen in zulke grote getale, dan worden ze bang en houden ze op Paulus te slaan.

Toen naderde de overste, die Chiliarch, en die liet Paulus grijpen en met twee ketenen boeien. Hij deed onderzoek naar wie hij was en wat hij gedaan had. Hij wilde weten wat er aan de hand was. Die menigte was gewoon gek gemaakt door een paar mensen die een paar kreten riepen, maar hij wilde weten wie het betrof en wat hij had gedaan. Precies zoals het hoort. En uit de schare riep de één dit, de ander dat. Toen hij door het rumoer de ware toedracht niet te weten kon komen, liet hij hem naar de kazerne brengen. Die man wilde gewoon weten wat er aan de hand was, maar de massa kon hem geen duidelijkheid geven; de ene dit en de ander dat. Het was complete verwarring. Daarom liet hij hem geboeid naar de kazerne brengen, naar de citadel of naar de burcht. In de Bijbel vinden we die naam niet, maar dat heet de Burcht Antonia.

Hier heb je een plaatje daarvan om een klein beetje een voorstelling te vormen. Het wijkt af van wat u in de grote handboeken daarvan vindt, maar ik geloof dat dit inderdaad een juiste voorstelling van zaken is. Als u hier meer over wilt weten hoe dat zat met het tempelcomplex, dan raad ik u — als u Engels kunt lezen — het boek aan van dokter Ernest Martin, over de locatie van de tempel van Jeruzalem. Daarin geeft hij die schitterende uiteenzettingen en laat hij zien waar de tempel gelokaliseerd moet worden. Meestal wordt gezegd: dat is dit, dat noemen ze het tempelplein. Maar hij laat zien dat de tempels van Jeruzalem in werkelijkheid een paar honderd meter zuidelijker waren. Dit is de Olijfberg, zeg maar. Een brug over het Kidrondal ging zo naar de tempel toe. Hier heb je de voorhof van de heidenen en hier dan het eigenlijke tempelcomplex. Dit is wat men dan het tempelplein noemt, maar dat was in werkelijkheid de Burcht Antonia. Heel groot! En u ziet dat het wat hoger gelegen is, 25 meter hoger dan de tempel. Dus zij waren hier en hadden een geweldig uitzicht op die tempel. Ze waren ook meteen ter plaatse.

Nou, dan lees je in vers 35: "En toen hij bij de trappen gekomen was..." Kijk, dat zijn deze trappen. De trappen die van de tempel, van de voorhof van de heidenen, naar de Burcht Antonia gingen. En dan lees je dus: "Toen hij bij de trappen gekomen was, geschiedde het dat hij door de soldaten moest gedragen worden vanwege het opdringen," of letterlijk "vanwege het geweld van de schare." De soldaten moesten hem dus gewoon op de schouders nemen, anders kon men er gewoon niet doorheen komen. Want de volksmenigte volgde al schreeuwend: "Weg met hem!" Die woorden... dat lees je ook in de evangeliën, dat exact hetzelfde gezegd werd over Jezus. Weg met hem! Hij verdient het niet te blijven leven.

En toen Paulus de kazerne, de Burcht Antonia, zou worden binnengedragen, zei hij tot de overste, de Chiliarch: "Mag ik u iets zeggen?" En hij zeide: "Kent gij Grieks?" Dat hadden ze niet gedacht. Een beschaafde man! Grieks was in wezen de officiële taal in dat hele rijk en iedereen sprak min of meer Grieks. Ik zeg iedereen, dat is niet helemaal waar natuurlijk, maar in ieder geval was het de officiële omgangstaal. Maar ze dachten dat Paulus een of andere bandiet was die slechts het plaatselijke dialect sprak, het Aramees. En vandaar dus die vraag: "Kent gij dan Grieks? Zijt gij dan niet de Egyptenaar die onlangs oproer maakte en de vierduizend bandieten deed uittrekken naar de woestijn?" Ze leven dus in de veronderstelling: jij bent zeker die man door wie laatst een opschudding in de stad was georganiseerd. In de geschiedenis is deze specifieke gebeurtenis niet terug te vinden, maar het wordt als bekend verondersteld.

En zij denken dat Paulus die man is, dat dit een Egyptenaar is. Nou, maar Paulus zei: "Ik ben een Jood, ik ben een Tarsiër, burger van een welbekende stad, van een niet onbetekenende stad in Cilicië." Dit is Tarsus, waar Paulus vandaan kwam, geboren en getogen — nou ja, getogen meer in Jeruzalem — maar dit is Cilicië. En Paulus zegt: "Daar kom ik vandaan, ik ben een burger in die stad." Hij zegt: "En ik vraag u nu verlof tot het volk te mogen spreken."

Vindt hij toch wel heel mooi, hè? Paulus had een boodschap voor zijn volk, maar ze wilden hem niet horen. En nu wordt er zo'n rel georganiseerd. En juist de tegenstand, die maakt het mogelijk voor Paulus om te gaan spreken tot zijn volksgevoelens.

Dus je denkt wel eens een keer van: ja, ik ben vooral geholpen met hulp van mensen. Nou, dat hoeft helemaal niet. Als God de Plaatser is, dan kan Hij juist tegenstand gebruiken. Mensen die jou de mond willen snoeren, die jou willen doden, juist hen kan Hij gebruiken om de boodschap door te geven. Kijk, God is God, en dat wordt op deze manier geweldig geleid.

En dan lees je in vers 4, dit is het laatste vers van het hoofdstuk.

Paulus Krijgt het Woord op de Trappen van de Burcht ↑ hoofdstukken

Die overste geeft Paulus de mogelijkheid. Hij staat daar dus bovenaan de trappen en toen de overste het had toegestaan, wenkte Paulus, daar op de trappen staande. Ik liet u zojuist al dat plaatje zien van de trappen die naar de Burcht Antonia gingen. Daar stond hij boven. Als ik het zo zeg, dan denk ik meteen: hé, dat is ook typologisch. Want hij was verheven; hij stond op een hogere plaats. Hij was verheven boven de menigte. Niet vanuit de hoogte, maar hij was wel op de hoogte gesteld en hij heeft nu zijn volk iets te vertellen.

Je leest dan dat hij hen wenkt met zijn handen. Zo van: stil, ik ga jullie wat vertellen. En dan lees je dat het helemaal stil werd voor de schare. Daar zal wel even tijd overheen gegaan zijn, stel ik me zo voor. Net nog die gigantische rel met iedereen die aan het schreeuwen was en Paulus die zijn vege lijf moest redden, want ze trachtten hem te vermoorden. Hij had dus al het een en ander ondergaan.

Paulus is nu door de Romeinen op die trappen gebracht. En toen het helemaal stil geworden was, sprak hij hen toe in de Hebreeuwse taal. Er staat eigenlijk letterlijk: in het Hebreeuwse dialect. Ons woordje 'dialect' komt uit het Grieks. Voor de kenners: het Hebreeuwse dialect waar het hier over gaat, is het Aramees. Hij sprak hen toe in dat Hebreeuwse dialect en begint dan zijn rede.

Dit is Paulus' laatste mondelinge toespraak tot zijn volksgenoten. Hij zal nog wel meer toespraken houden, dat lezen we verderop in het boek Handelingen, maar dit is zijn laatste toespraak tot de Hebreeën. Ik heb inmiddels al een hele serie studies in Rijnsburg gehouden over de Hebreeënbrief, waarin ik uiteindelijk ook heb gezegd dat het vermoedelijk de apostel Paulus is die deze brief geschreven heeft. Dat is een boodschap aan zijn Hebreeuwse volksgenoten. Hier in Handelingen zien we zijn laatste Hebreeuwse toespraak tot zijn volk.

Hij gaat een uiteenzetting geven in hoofdstuk 22. Wanneer ze horen dat Paulus hen toespreekt in het Hebreeuws, hun eigen taal — de taal waarin God ooit de wet had gegeven en waarin de Tenach van origine aan hen was toevertrouwd — luisteren ze. Ja, er was ook een Griekse vertaling, maar hij spreekt hen aan in hun Hebreeuwse moedertaal. Paulus spreekt die taal tot hen, tot het volk.

Wat gaat hij vertellen? Dat staat in hoofdstuk 22 en daar gaan we het vandaag niet meer over hebben. Dat wil ik voor de volgende keer bewaren. Want als je eenmaal in deze materie zit, valt het niet mee om zomaar af te sluiten. Dus ik zeg opnieuw: wordt vervolgd. Dat gold inderdaad voor Paulus, want die werd vervolgd, maar wij vervolgen ook onze studie. Het is bijzonder boeiend en ik wil de volgende keer behandelen hoe Paulus zich verdedigt. Hij vertelt zijn verhaal en getuigt van wat God hem heeft toevertrouwd. Op een gegeven moment wordt hij onderbroken — nee, hij wordt afgebroken. Bij welk woord? Hij wordt bij een heel specifiek woord afgebroken en dat is de clou voor deze heilsbedeling. Daar gaan we de volgende keer naar kijken.

🎧 De Paulus-Rel In Jeruzalem
Delen: