Hoezo Gek?
06-10-2013 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van een samenkomst gehouden op 6 oktober 2013 in Den Haag.
Als Paulus zich moet verantwoorden voor koning Agrippa (Handelingen 26) dan onderbreekt stadhouder Festus hem met de woorden: je bent gek Paulus! Een geleerde gek. Maar daarmee is Paulus allerminst uit het veld geslagen en hij wijst de koning er op dat hij als ooggegtuige spreekt van bekende en controleerbare feiten.
De grond wordt de koning te heet onder de voeten…
Met dank aan Johan Roos voor de video-opname.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
Inleiding: Situatieschets in Caesarea ↑ hoofdstukken
Een hele goede morgen, vrienden. Een verrassing voor mij, een aangename verrassing om hier nu te mogen staan. Ja, en u bent niet zomaar van mij af, want over twee weken ben ik hier weer. Tenminste, dat staat in de agenda. Maar zojuist is het al even toegelicht waarom dat zo is.
Ik wil u vanmorgen graag eens meenemen. De titel moet u niet altijd persoonlijk opvatten, dat even ter waarschuwing. Maar ik zal dat zo vanzelf nog wel even toelichten en het wordt vanzelf ook duidelijk waar dat betrekking op heeft. Hoezo gek? Ik wil u meenemen naar een hoofdstuk in het boek Handelingen, Handelingen 26.
Misschien is het goed om ons eerst te bepalen bij de situatie en het tijdstip. We spreken zo ongeveer over het jaar 60 van onze jaartelling. Een jaartje meer, een jaartje minder, maar dit is ongeveer het tijdstip dat dit heeft plaatsgevonden. En dat is in Caesarea. Daar gaan we naartoe. Caesarea ziet u hier op de landkaart. Dit is de landkaart van Israël en u ziet hier Tel Aviv en hier Haifa, het Meer van Genezareth en hier ligt Caesarea. Dat was in de dagen van het Nieuwe Testament een zeer belangrijke stad; naast Jeruzalem zelfs de grootste en meest belangwekkende stad. Echt een Romeinse plaats, zoals de naam dan ook suggereert, want Caesarea betekent 'keizerlijk'. U ziet hier nog een paar plaatsjes. Als je het land Israël bezoekt, dan is een bezoek niet compleet wanneer je ook niet hier bent geweest. Direct aan de kust gelegen en er is nogal wat te vinden aan overblijfselen.
Even een situatieschets. Paulus is van Jeruzalem overgebracht naar Caesarea en daar heeft hij twee jaar gevangen gezeten. Die twee jaren spelen in het leven van Paulus nogal eens een keer een rol. Twee jaar zat hij en heeft hij onderwijs gegeven in Efeze, in de school van Tyrannus lees je. Twee jaar even later, lees je in Handelingen 28, heeft hij gevangen gezeten in Rome. Maar ook twee jaar zat hij gevangen in Caesarea. Het is ook goed om ons te realiseren dat hij zich daar in die plaats, Caesarea, al eerder heeft moeten verantwoorden voor Romeinse stadhouders. Eerst Felix, dat lees je in hoofdstuk 24, en dan vervolgens in hoofdstuk 25 voor Festus, de vervanger van Felix.
En dan komen we nu dus aan in Handelingen 26, waar we ons vanmorgen bij bepalen, namelijk het antwoord dat Paulus geeft op de vragen van koning Agrippa. Koning Agrippa was de koning van de Joden en die was op bezoek gekomen bij deze Festus. Hij is daar ook bij, we zullen het straks ook lezen. Paulus moet zijn verhaal doen. In de eerste verzen lees je ook – misschien is dat goed om nog even expliciet te zeggen voordat we naar de toespraak gaan, want het is pas aan het einde van Handelingen 26 dat we inhaken – dat Paulus zich in eerste instantie gelukkig acht om het feit dat hij zich nu mag verantwoorden voor koning Agrippa, aangezien Agrippa als geen ander een expert was op het gebied van alle Joodse kwesties. Hij wist wat er speelde en dat zegt Paulus dan ook in de eerste verzen van het hoofdstuk, vers 1 tot en met 3, dat hij juist bij Agrippa zijn verhaal mag doen. Die gelegenheid neemt hij dan ook te baat.
Vervolgens vertelt hij in vers 4 tot 11 zijn voorgeschiedenis; hoe hij zelf als een Joodse ijveraar actief is geweest en waar hij geboren is, maar ook dat hij een hartstochtelijk vijand was van die verachtelijke naam Jezus. Hij verhaalt daar uitgebreid van en vervolgens spreekt hij vanaf het twaalfde vers uitgebreid over hoe hij geroepen werd toen hij op weg was naar Damascus. Hoe een hemels licht hem omscheen en hoe dat een totale ommekeer in zijn leven heeft gebracht. Dat is het voorgaande, zodat ik niet al die verzen nog eerst hoef te lezen en we vanaf nu kunnen gaan lezen in vers 19.
Hij had dus verteld over de wijze waarop hij geroepen was door Jezus Christus zelf vanuit de hemel, buiten het land. Daar had hij ook te horen gekregen dat de Heer die aan hem toen ter plekke verscheen, hem nog nader zou inlichten. We weten ook dat Paulus vervolgens naar Arabië is gegaan en dat hij daar waarschijnlijk een jaar of drie heeft gebivakkeerd. Daar is hij door de Heer nader geïnformeerd en van allerlei dingen op de hoogte gesteld. Letterlijk en figuurlijk op de hoogte gesteld, op een hoge plaats, waar hem verborgenheden zijn verteld.
Hoe dan ook, in vers 19 zegt hij dan: "Daarom, koning Agrippa – indrukwekkend als dit was – ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest. Maar," zegt hij, "ik heb eerst hun die te Damascus waren en te Jeruzalem en in het gehele Joodse land, en de heidenen verkondigd." Of aan de natiën, want dat woord heidenen heeft bij ons een beetje een vreemde klank, maar het betekent gewoon de natiën. Hij heeft aan de natiën geboodschapt, bericht gegeven, verkondigd. Dat is in één zin wel heel veel verteld, want dit beslaat jaren, wat hij hier even aangeeft.
Dan vertelt hij ook in het kort wat hij daar heeft verkondigd en dan lees je in vers 21: "Hierom" – gewoon omdat hij een boodschap te vertellen had, een bericht – "hierom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen en getracht mij om te brengen." Dat was in de voorgaande hoofdstukken al uitgebreid beschreven door Lukas in het boek Handelingen: dat hij inderdaad in Jeruzalem arriveerde en dat daar echt een grote rel ontstond waarbij ze hebben getracht hem om het leven te brengen. Dat was de voorgeschiedenis van waarom hij gevangen was genomen en vervolgens in Caesarea terecht was gekomen. Daar had hij twee jaar gevangen gezeten en was inmiddels al voor verschillende stadhouders verschenen. En nu, voor koning Agrippa, mocht hij speciaal aan hem vertellen wat zijn verhaal was ter verdediging. We lezen gewoon even verder in vers 22.
Paulus als Ooggetuige van de Schriften ↑ hoofdstukken
Als een getuige die hulp van God heeft ontvangen tot op deze dag, sta ik dus hier voor klein en voor groot. Dat wil zeggen: voor belangrijke, aanzienlijke mensen, grote mensen, maar ook onaanzienlijke. Er waren ook gewone soldaten aanwezig in die zaal waar hij zijn verhaal deed. Hij zegt nu: "Op deze dag sta ik voor klein en groot, maar als een getuige van God." Hij zei: "Ik heb van God kracht ontvangen om mijn missie, de bediening die ik van Hem heb gekregen, te volvoeren." En dat is een man geweest... want hij had nu in maar een paar pennenstreken aangegeven wat hij zoal gedaan had, maar we hebben natuurlijk een heel uitgebreid verslag daarvan in het boek Handelingen. Ook in zijn brieven vinden we zoveel.
Inderdaad, hij was een getuige. Een getuige. Niet iemand die een filosofie bracht of religieuze inzichten, maar het woord 'getuige' betekent gewoon een ooggetuige. Iemand die dingen gezien heeft, meegemaakt heeft, die daar hoogstpersoonlijk getuigenis van af kan leggen. Dat is een juridische term. Zoals je bij een rechtbank komt en getuigenis aflegt van iets wat je hebt gezien – bijvoorbeeld in het geval van een misdaad die gepleegd is – dan ben je een getuige. Welnu, Paulus is zo'n getuige. Dat is dus iets heel anders dan iemand die een bepaalde visie verkondigt. Daar ging het helemaal niet om. Hij was een getuige, en dat getuigenis heeft hij bekendgemaakt.
Ook niet een wettische boodschap in de zin dat hij de mensen ging vertellen wat ze moesten doen. Hij vertelde wat er gebeurd was, wat hij zelfs met eigen ogen gezien heeft. Wat hij vervolgens bevestigd heeft gevonden in de Schriften, in de Tenach, wat wij dan het Oude Testament of de Hebreeuwse Bijbel noemen. Welnu, hij stond hier voor klein en groot en op deze belangrijke plaats mocht hij daar getuigenis van afleggen. En hij zegt: "Zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben dat geschieden zou."
Opmerkelijk dat je hier ook weer bevestigd vindt: het is inderdaad een geschiedenis. Een gebeurtenis. Iets wat gebeurd is. Welnu, daarvan legt Paulus getuigenis af. En dat wat hij vertelde, dat waar hij getuigenis van aflegt, daarvan zegt hij: "Dat is precies datgene waarvan de profeten hebben gesproken en waarvan Mozes al heeft gesproken." Al duizenden jaren tevoren was dat in de Schriften vastgelegd, zwart op wit. Vandaar ook dat Paulus in de synagoge kwam, met name op die plaats natuurlijk. Daar was het erg actueel, want daar kende men de Hebreeuwse Bijbel. Daar ging gewoon de Bijbel open. Sabbat na Sabbat – je vindt het op talloze plaatsen in het boek Handelingen – ging hij gewoon bladeren en hij bewees uit de Schriften dat Jezus de beloofde Messias is.
Hij zegt: "Ik beweer niets anders dan wat er gewoon in hun eigen geschriften, in de Schriften van de Joden, in hun heilige boeken staat geschreven." Dat was de Messias die zou komen, de Maschiach, de Gezalfde. Hij is gekomen, en aan het profiel dat we vinden in de profielschets die we in het Oude Testament aantreffen, daar beantwoordt Jezus van Nazareth volmaakt aan. En Hij die mij geroepen heeft, inmiddels vanuit de hemel, wel, Hij is het. Het kan niet missen. Hij zegt: "Ik beweer niks anders dan dat."
Dat hem ook nog geheimenissen bekendgemaakt zijn, dat speelt hier geen rol. Maar bovendien: voor de geheimenissen die Paulus heeft verteld, daarvoor beroept hij zich trouwens heel dikwijls op dat wat geheim of verborgen was in de Schriften. En hij heeft de bedekking weggenomen en laten zien: "Kijk, daar stond het al." Verborgen? Oké, maar niettemin aanwezig. Dus ja, dat is wat Paulus hier tegen Agrippa zegt, in het bijzijn van stadhouder Festus: "Zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben dat geschieden zou", namelijk dat de Christus, de Maschiach, zou lijden, door zijn volk verworpen zou worden, gedood en gekruisigd zou worden.
Dat staat allemaal in de Bijbel. Duizend jaar van tevoren. Lees het maar na, bijvoorbeeld in Psalm 22... daar staat al dat zijn handen en voeten doorboord zouden worden. Moet je nagaan: dat was in een tijd dat de doodstraf door kruisiging nog niet eens bestond, maar David profeteert daar al van dat Hij gekruisigd zou worden. Ik noem nu Psalm 22, maar lees het maar na; het is een plaatje. Het is net alsof David daar getuige is van Golgotha en alles wat daarmee in verband houdt, maar het was duizend jaar van tevoren al gezegd. Dus: dat de Christus zou lijden en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen.
Je moet er ineens aan denken dat Jezus Zelf, op de dag dat Hij opgestaan was, Zich incognito vervoegde bij twee mannen die op weg waren naar Emmaüs. En dan doen zij hun verhaal over al die trieste dingen en alle commotie die er de afgelopen dagen in Jeruzalem was geweest. En dan hoort Jezus hen zo aan, terwijl ze dus niet weten met wie zij te maken hebben, en dan zegt Hij: "O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten hebben gesproken! Moest de Christus niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?" En dan lees je: "En Hij begon van Mozes en al de profeten aan te tonen dat dat zo moest gebeuren." Lukas 24.
Nu, zo zijn er heel wat plaatsen aan te voeren in het Nieuwe Testament. Altijd weer werd het evangelie verkondigd – dat wil zeggen: de blijde boodschap, de goede tijding. De Bijbel ging open en ze lieten vanuit de Hebreeuwse Bijbel zien dat het zo voorzegd was. Dat de Christus zou lijden en dat Hij als eersteling uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen. Uiteindelijk is dat het grote, centrale feit van het Nieuwe Testament: een geopend graf. Een steen die is weggewendeld. Iemand die als eerste de dood heeft overwonnen en leven aan het licht heeft gebracht dat werkelijk leven is.
Kijk, opstanding uit de doden had al eerder plaatsgevonden, maar Hij was de eerste die opstond om nooit meer te sterven, in onvergankelijkheid. Hij is met recht de Eersteling. Dat is de boodschap van het Nieuwe Testament. Dat is het evangelie: de dood is overwonnen en het leven triomfeert. Al het andere zijn, zou je kunnen zeggen, toelichtingen op dat ene gegeven. Voetnoten. Maar dat is het centrale feit: Hij is als eerste uit de doden opgestaan – te midden van de doden dus, of met achterlating van de andere doden – en Hij heeft het licht aangekondigd, het levenslicht, aan het volk (Israël) en aan de natiën. Dan heb je ze weer beide.
En dan wordt Paulus onderbroken, want dan lees je dit in vers 24: "En terwijl hij dit tot zijn verdediging aanvoerde..." Het is interessant: in het Grieks is dit één woord. Er staat een Grieks woord waar ons woordje 'apologetiek' van afgeleid is. Niet iedereen in de zaal zal, verbeeld ik me zo, weten wat dat woord betekent, maar het is zelfs een officieel vak bij een theologische opleiding. Apologetiek betekent het verdedigen van het geloof. Het is een verantwoording. Paulus gebruikt dit woord trouwens diverse keren in dit hoofdstuk. Hij verdedigt zich, hij verantwoordt zich; hij legt de bonnetjes erbij. Dat is wat hij doet. Nogmaals, het is een juridische setting. Het gaat er niet om dat Agrippa of Festus zo geïnteresseerd zijn in zijn inzichten; er was een beschuldiging en de vraag was nu: wat moesten ze hiermee aan?
Zij als magistraten. Wel, Paulus verantwoordt zich. Dat is apologetiek. Hij legt bonnetjes bij, hij geeft de bewijzen. Wij zeggen wel eens een keer: "Ja, geloof, dat kun je niet bewijzen." Geloof heeft inderdaad te maken met vertrouwen, dat is waar. Dat is wat geloof is. Je ziet het niet, maar je vertrouwt erop. Je beaamt het.
Maar het is niet zo dat het losstaat van bewijs. Het is nuchtere waarheid. Paulus zal dat ook straks gaan zeggen, ik zal het straks ook laten zien. En geloof is wel degelijk gebaseerd op feiten. Gedocumenteerde feiten.
Festus' Oordeel: "uw Vele Studie Maakt U Gek" ↑ hoofdstukken
En terwijl hij dit tot zijn verdediging, apologetisch aanvoerde, zei Festus met luider stem... Ik moet hier even de aandacht bij roepen, want het was tot Agrippa dat Paulus zich richtte, maar nu onderbreekt Festus hem. Festus was een Romein, een Romeinse stadhouder. Koning Agrippa was bij hem op bezoek en Festus vond dat een goede reden om koning Agrippa ook eens naar zijn mening te vragen. Wat moeten we nou met die Paulus? Wat moeten we daar nou mee?
Terwijl Paulus dus tot dusver ongehinderd zijn verhaal kon doen, onderbreekt Festus hem nu. Hij had gesproken over de opstanding uit de doden, en dan lees je dat hij onderbroken wordt door Festus, die met luider stem zegt: "Gij spreekt wartaal, Paulus!" Eigenlijk staat er in het Grieks het woordje maniak, waar ons woord maniak van afgeleid is. Maniak, ja, dat is het woord. Je bent gek, man! Je bent gek, Paulus. Je spreekt wartaal. Vandaar dus de titel van deze toespraak: Hoezo gek? Festus is daar volstrekt helder in. Hij zegt: "Je bent gek, Paulus."
Paulus was daar niet van onder de indruk, want dat wist hij zelf ook wel. Dat wil zeggen dat hij al zo te boek stond. Wanneer hij zich in een godsdienstige setting bevond, bijvoorbeeld in de synagoge, was zijn boodschap voor de Joden een struikelblok. Maar voor de heidenen was het een dwaasheid; stupide, dwaas. Wat ik nu zeg, ontleen ik aan 1 Korinthe 1. Daar zegt Paulus dat ook zo. Hij zegt dat het evangelie van de gekruisigde Christus voor Joden een aanstoot is – letterlijk een struikelblok – en voor de Grieken een dwaasheid. Dat is een hele treffende beschrijving van de reactie die het evangelie oproept.
In een godsdienstige setting is het een struikelblok. Al het eigen werk wordt zomaar aan de kant gezet. Alles wat de mens voor God zou kunnen doen, heeft geen enkele waarde. Dat is niet aantrekkelijk voor de godsdienstige mens, want het maakt alle godsdiensten ineens waardeloos. Alsof God gediend moet worden! Het is echter zo dat God iets aanbiedt aan de mens. Wij hebben niets voor God; Hij heeft iets te melden. Daarom is het ook een bericht.
Bij de natiën, die niet vertrouwd zijn met de Schriften, is het gewoon een dwaasheid. Dan ben je gewoon een dorpsgek als je vertelt dat er iemand uit een graf is opgestaan. Dan ben je toch gek? Heb je er een ander woord voor? Als je dat gelooft... Paulus kende die reactie wel, dus in die zin was het helemaal niet nieuw. Maar let op de reactie. Festus motiveert zijn oordeel nog nader. Hij zegt: "Je bent gek, je bent een maniak, Paulus, en uw vele studie brengt u in de war."
Paulus was een zeer geletterd en geleerd man. Dat is onomstreden. Alleen al vanuit zijn Joodse achtergrond was hij zeer veelbelovend; hij had onderwijs genoten aan de voeten van Gamaliël, dé rabbi bij uitstek in die dagen. Hij was een zeer erudiet en geleerd man. Maar niet alleen dat, ook in seculier opzicht was hij zeer geleerd, op de hoogte van de filosofie en de wetenschap van die dagen. Festus had dat echt wel in de gaten. Hij realiseerde zich wel dat Paulus niet op zijn achterhoofd was gevallen. Toch zegt hij: "Je bent gek," en: "uw vele studie brengt u in de war."
Letterlijk staat het woord 'studie' er eigenlijk niet. Er staat een meervoudsvorm van 'schrift': de vele schriften. De vele schriften maken je gek, je wordt er een maniak van. Dat is wat Festus tegen Paulus zegt. Of hij hier doelt op de Heilige Schrift? Ik vermoed eerlijk gezegd van niet, want het is Festus die het woord tot hem richt, een heiden met totaal geen Joodse of godsdienstige achtergrond. Hij zegt: "De vele schriften waar jij je op beroept, waar jij naar verwijst en die jij zo goed bestudeert... man, dat maakt je alleen maar gek! Het brengt je in de war." Luister nu naar de reactie van Paulus. Hij blijft zeer respectvol. Hij realiseert zich dat hij zich tegenover een zeer hoogstaand gezelschap bevindt, en dan staat er...
Geen Wartaal, maar Woorden van Gezond Verstand ↑ hoofdstukken
Maar Paulus zei: "Hoogedele Festus, ik spreek geen wartaal." Hij zegt: ik ben niet gek, ik ben niet gek, maar ik spreek geen wartaal, maar nuchtere waarheid. Letterlijk staat er — als je een Statenvertaling hebt, dan kun je dat ook zien — ik spreek geen wartaal, maar spreek woorden van waarheid en van gezond verstand. Weliswaar mag het dwaas lijken, want dat wat ik beweer is waar. Maar hoezo waar? Wel, het is gebaseerd op een ooggetuigenverslag. Dat u het met uw filosofie, met dat gesloten wereldbeeld waarin God geen rol speelt, niet kunt verklaren, dat is úw probleem.
Maar hij zegt: het is gewoon een ooggetuigenverslag. Niet alleen van mij, maar van vele anderen. Ik kom er straks nog even op terug. Het is de nuchtere waarheid; het zijn woorden van waarheid en bovendien van gezond verstand. Ik ben heel goed bij mijn positieven, ik heb ze prima op een rijtje en dat wat ik beweer, kunt u niet verklaren. Maar dan moet u mij niet voor gek verklaren omdat u het niet kunt verklaren. Hij zegt: het is nuchtere waarheid, woorden van waarheid en van gezond verstand. Gezond van bezinning, woorden van bezinning. Ja, gezond verstand lijkt mij het woord wat daar het beste bij past.
En nu gaat hij zich weer richten tot de koning Agrippa. Tot hem sprak hij de hele tijd, en het was Festus die kennelijk naast Agrippa zat, die hem onderbrak en zegt van: "Wil je weg, gek?" En nu gaat Paulus weer verder. Maar nu spreekt hij opnieuw die koning Agrippa aan, uit die Herodes-familie. Daar ben ik nog vergeten even wat over te vertellen, maar we hebben natuurlijk nogal wat Agrippa's en Herodessen in de Bijbel. Een hele dynastie van koningen begint al bij de geboorte van Jezus, dan hebben we ook al een koning Herodes. Nou, deze Agrippa was, als ik me niet vergis, een kleinzoon of zelfs een achterkleinzoon van hem. Dat heb ik even niet helemaal op een rijtje, maar er waren heel wat Herodessen en Agrippa's.
In elk geval, nu richt Paulus zich weer opnieuw tot die koning, want, zegt hij: "Festus, u zegt nu wel dat ik gek ben, maar het zijn woorden van waarheid en van gezond verstand. Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig." Dat wat ik nu zeg, kunt u misschien niet helemaal verklaren en tot u zou ik me wellicht anders richten, maar ik spreek zo met vrijmoedigheid omdat de koning hier naast u perfect op de hoogte is van dat wat ik vertel. Hij zegt: "Want ik kan niet geloven dat hem, die koning dus, iets van deze dingen onbekend is; het is immers niet in een uithoek geschied."
Kijk, en dit is heel boeiend wat Paulus hier doet: Agrippa aanspreken en zeggen dat wat ik vertel als ooggetuige, niet nieuw is. Dat weet hij, daar begrijpt hij alles van. Hij zegt dat er talloze ooggetuigen zijn. Tal van wonderlijke gebeurtenissen in het boek Handelingen worden ze beschreven, maar vooral ook het centrale getuigenis, namelijk dat van de opstanding van Jezus Christus. Wel, van Jezus wisten ze allemaal. Die was zelf berecht door de stadhouder Pilatus. Vervolgens heeft hij een hele cohort van soldaten daar bij het graf neergezet. Een specifiek graf dat bekend was en dan vervolgens op de derde dag wordt de steen weggewenteld en het graf was leeg. Nou, ik bedoel, dat is... Het graf was leeg. Dat was duidelijk. Dat heeft allemaal plaatsgevonden in een hele publieke setting. Dat wil zeggen: men wist daarvan. Iedereen kon dat graf zo aanwijzen. Wat was er gebeurd?
En degenen die beschuldigd werden het lichaam gestolen te hebben, dat was een evidente leugen. Want al die ooggetuigen, degenen die daarvan beschuldigd werden, waren juist degenen die allemaal zeiden: "Hij leeft, we hebben Hem zelf gezien." Breng daar maar iets tegenin. En trouwens, degenen die zij beschuldigden van diefstal — zij hebben het lichaam gestolen — dat kon sowieso al niet. Ze zouden het niet in hun hoofd gehaald hebben. Bovendien staat hun hele karakter daar niet mee in lijn. Denk je nou werkelijk dat de discipelen dat lichaam van Jezus zouden hebben gestolen om dan vervolgens overal te gaan vertellen: "Hij leeft"? Ik kan me nog voorstellen dat ze dat zouden doen als ze daar voordeel bij hadden. Als ze het al gekund hadden om dat lichaam te stelen met die zware stenen en die Romeinse soldaten. Als het al gekund had, zouden ze ooit op het idee gekomen zijn en het dan vervolgens gaan vertellen? Enthousiast: Hij leeft! Het heeft ze niks opgeleverd, integendeel. Geen enkel maatschappelijk voordeel, geen financieel gewin, helemaal niets. Ja? Weet je wat? Versmading, lijden, de dood en martelaarschap.
Dat was duidelijk en daar was Agrippa dondersgoed van op de hoogte. Die wist dat. Dat had te maken met tientallen, wat zeg ik, honderden getuigen. De feiten lagen er. En nou is het Paulus die Agrippa aanspreekt. Dit zijn gedocumenteerde feiten, dat geldt voor ons ook. Kijk, men zegt: "Kun je het bewijzen?" Ik zeg: "Nou, het bewijs ligt gewoon hier voor je." Het hele Nieuwe Testament zijn gewoon historische documenten. Lees het en je weet het. Het gaat er niet om: kun je het bewijzen? Het bewijs ligt er. De vraag is: ben je bereid om gewoon die ooggetuigenverslagen van een Paulus, een Petrus en een Jakobus serieus te nemen? Allemaal mensen die echt gewoon juridisch in aanmerking komen als ooggetuigen. Check hun verslag, vergelijk het en stel jezelf de vraag of ze inderdaad betrouwbare mensen zijn geweest. Dat bewijs hebben ze geleverd, al was het maar door de wijze waarop ze stuk voor stuk allemaal uiteindelijk ook aan hun eind gekomen zijn en opgekomen zijn voor het getuigenis en bereid waren alles ervoor te geven. Dat doe je niet voor een leugen. Mensen sterven soms wel voor een leugen hoor, dat zijn er genoeg zelfs, maar dan dénken ze dat het de waarheid is.
In dit geval is het heel anders, want de beschuldiging was: het zijn dieven en het zijn leugenaars. Als het waar is wat men zei, namelijk dat die mensen gek zijn of gestolen hebben en ze zeggen dat ze Jezus gezien hebben maar het is helemaal niet waar, wel, dan zijn het dus gewoon leugenaars. Wel, alles wat we in het Nieuwe Testament vinden, beantwoordt daar niet aan. En dat is het geweldige: ook de Bijbel is geen religieus boek. Het zadelt ons niet op met visies. Het vertelt gewoon feiten, woorden van waarheid en gezond verstand. En dat mensen dat niet kloppend kunnen krijgen in hun visie... ja!
En nou zegt Paulus — laten we weer even teruggaan naar vers 26 van Handelingen 26 — hij zegt tegen die Agrippa, of hij zegt tegen Festus en Agrippa: "En ik kan niet geloven dat hem, de koning, iets van deze dingen onbekend is. Daar ben ik niet van overtuigd. Dat zou gekke praat zijn om dat te veronderstellen. Het is niet in een uithoek geschied." Moet je je voorstellen dat Paulus kort daarvoor, een jaar of twee eerder, gevangen was gezet in Jeruzalem en dat was ook al een rel waarbij de hele stad in rep en roer is geweest. Het was zelfs zo dat Paulus in veiligheid gesteld moest worden en naar Caesarea moest worden overgebracht onder een strikte bescherming. Anders hadden ze hem absoluut gelyncht. Ik bedoel, dat waren allemaal publieke dingen. Het was volkomen helder en duidelijk dat dit speelde. En de koning die wist dat maar al te goed: het is niet in een uithoek geschied.
Paulus' Appel op Agrippa en de Spotnaam 'christiaan' ↑ hoofdstukken
"Koning Agrippa, gelooft gij de profeten?" Nu gaat Paulus het hem moeilijk maken. Hij zegt: "Koning Agrippa, gelooft gij de profeten? Jij, als Jood of half-Jood, ik wéét dat je ze gelooft." Kennelijk liet Agrippa zich erop voorstaan dat hij ook geloofde in de profeten, in de Tenach, wat wij het Oude Testament noemen. En zij geloven dat. Nu doet Paulus een beroep op Agrippa. "Als jij ze gelooft – dat pretendeer je toch? – dan heb ik nog een appeltje met je te schillen. Geloof je ze? Nou, dan gaan we eens eventjes de profeten opslaan."
Want dat is wat Paulus voor ogen heeft. Namelijk wat hij altijd deed: hem confronteren met de uitspraken van de profeten. Zo precies, zo exact. Over hoe de Messias zou zijn, waar het zou gebeuren, wanneer het zou zijn. Gewoon alle details, perfect beantwoord. "Wel Agrippa, geloof je in de profeten? Nou, dan kan ik je met een geweldig getuigenis confronteren." Hij zegt: "Ik weet dat je ze gelooft." En nu voelt Agrippa de bui al hangen. De grond wordt hem erg heet onder de voeten.
Dan zegt Agrippa tot Paulus: "Nou, gij wilt mij wel spoedig als Christen laten optreden." Het is een beetje een sarcastische of cynische opmerking. "Jij wilt me wel met weinig..." – of "wel spoedig", het is een beetje onduidelijk wat hij precies daarmee bedoelt – "met weinig woorden of met weinig bewijzen wil je me overtuigen om een christen te maken." Het woord 'christen' komt drie keer voor in het Nieuwe Testament. Dit is dat woord. En dat is een Latijnse vorm; eigenlijk zou je moeten zeggen: een 'christiaan'. Wij denken vaak dat dit een eretitel was die gelovigen in de Christus zichzelf gaven, maar dat is niet waar. Ik zal u zeggen: het was een scheldwoord.
Christenen noemden zichzelf niet zo. In 'christianen' zit iets verachtelijks. In Handelingen 11 vers 26 lees je dat in Antiochië de discipelen voor het eerst christianen genoemd werden. Genoemd werden, niet zichzelf noemden. De buitenwacht noemde hen zo. En de buitenwacht geeft je meestal geen eretitel. Het waren de anderen die hen christianen noemden. Ze hoorden hen de hele tijd praten over 'de Christus', en toen hebben ze gewoon – ja, je begrijpt hoe dat dan werkt – gezegd: "Dat waren die christianen." Daar zit verachting in. Je komt de term nog een keer tegen in 1 Petrus 4 vers 16. Daar lees je ook dat wanneer je als christen lijden moet, als 'christiaan', ze je versmaden of van jou een martelaar maken. In alle drie de gevallen blijkt dat duidelijk: het is de buitenwacht die hen zo noemt. Zelf deden ze dat niet. Dat het later een geuzennaam is geworden, is een ander verhaal, maar het is een 'christiaan'. "Je wilt me wel heel snel als een christiaan laten optreden."
"Nou," zegt Paulus in vers 29, "ik zou God wel willen bidden... Ik zou tot God wensen dat én spoedig – met weinig – én voorgoed, niet alleen u, maar ook allen die mij heden horen..." Die zaal zit behoorlijk vol met mensen. "...niet alleen u, maar ook allen die mij heden horen, ook zo werden als ik." Een 'christiaan'. Dat is wat Paulus zegt. Ik vind het een prachtig woord zoals hij dat nu zegt. Hij sluit het ook nog heel humoristisch af.
Maar even dit: hij zegt dat hij zou wensen dat ze allemaal, stuk voor stuk, zo waren als hij. "Ik heb het beste deel ontvangen. Ik ben zo gelukkig. Ik ben een gelukkig man. Ik ken de waarheid. Ik kan spreken van leven, van hoop. En dat niet op grond van een droom." Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat iemand riep: "I have a dream." Maar dat was niet wat Paulus zei: "I have a dream." Nee: "Ik ben getuige, ik heb het gezien met mijn eigen ogen." O ja, hij is drie dagen blind geworden, maar in ieder geval: hij heeft het zelf gehoord. Het is allemaal gedocumenteerd en ik ben zo enorm blij. Ik zou wensen dat jullie stuk voor stuk dit goede bericht, wat ik te melden heb, zouden kennen. Het mooiste, het heerlijkste wat er is. En ik wens het iedereen toe. Ja, zo werkt dat als je ergens blij mee bent, als je echt hoop hebt en getuigenis kan afleggen van leven dat sterker is dan de dood. Echt, een boodschap van hoop voor deze hele wereld. Het is toch het rijkste en grootste wat er is?
Nou ja, er zit wel één 'maar' aan. Dat moet ik in dit geval wel bij zeggen, en Paulus was daar zelf een voorbeeld van. Hij refereert eraan: "Uitgezonderd deze boeien." Dat wil zeggen: ik wou dat jullie allemaal waren zoals ik, maar dan liefst zonder boeien. Dat dan wel. Want dat wens ik niemand toe. Ik wens jullie mijn geluk en alles wat ik mag weten en kennen, en waarvan ik getuigenis mag afleggen. Ik wens het jullie stuk voor stuk allemaal toe. Maar dit, die boeien, nee, dat niet.
Paulus heeft 'kwaad geleden'. Daarmee wil ik afsluiten, want de geschiedenis in Handelingen 26 wordt nog een paar verzen voortgezet. De toespraak van Paulus wordt nu afgebroken, want Festus en Agrippa gaan in conclaaf en ze handelen het allemaal af. Waarschijnlijk ook omdat het Agrippa nu te moeilijk gemaakt werd. Maar Paulus heeft hier zo geweldig verantwoording mogen afleggen van dat wat hij wist. Goed, hij wordt weer afgevoerd, maar dit zijn zijn laatste woorden: "Ik wou dat jullie allemaal stuk voor stuk waren als ik, dan maar zonder deze boeien."
Het Ongebonden Woord van God ↑ hoofdstukken
Later in een brief, als Paulus inmiddels in Rome is gekomen – eigenlijk allemaal naar aanleiding van deze gebeurtenissen – was hij een gevangene. Hij is nog wel in vrijheid gekomen, dat wel, maar uiteindelijk... nou ja, we weten wat er met Paulus uiteindelijk ook gebeurd is. In de laatste brief die hij geschreven heeft – men noemt het wel zijn geestelijke testament, 2 Timotheüs – lees je in het vierde hoofdstuk hoe hij zich tot zijn jonge medewerker Timotheüs richt. Daar lees je dat hij zegt: "Het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik word al geofferd", zegt hij – even in mijn eigen woorden. Hij zou binnenkort worden omgebracht. Hoe? Dat weten we niet, maar in ieder geval zou hij de marteldood sterven.
Het is een heel aandoenlijke brief, maar Paulus is allesbehalve pessimistisch. Integendeel. Nou ja, in bepaalde opzichten wel, want hij spreekt over de ontwikkelingen in de christenheid; dat het er niet beter op zou worden. Er komt een tijd dat men de gezonde leer niet meer zal verdragen. Hij waarschuwt Timotheüs. Maar toch klinkt er zo’n vitaal, levenskrachtig woord uit deze brief. En dan zegt hij dus: "Gedenk Jezus Christus, uit de doden opgewekt." Al eerder gaf ik aan: dat is de boodschap. De dood is overwonnen. Sterker nog, uiteindelijk zal de dood worden tenietgedaan. Dan is er geen dood meer en dan leven allen.
Wel, gedenk die Jezus Christus, de Eersteling, uit de doden opgewekt, uit het zaad van David. Dat was immers wat Hij was: de Messias, Die voortkwam uit het huis van David. Dat was ook voorzegd; de Messias zou een geslachtsregister hebben. Dat wil zeggen dat Hij Zijn stamboom zou kunnen terugvoeren tot niemand minder dan koning David. Wel, dat is Jezus. Dat is allemaal aantoonbaar; het zijn gewoon historische documenten. "Gedenk Jezus Christus, uit de doden opgewekt, uit het zaad van David." Ziet u dat dit allemaal gewoon feiten zijn? Controleerbare feiten.
En, zegt Paulus: "Naar mijn evangelie." Dat is wat ik mag vertellen, waarvoor ik kwaad lijd en zelfs boeien draag als een misdadiger. Dan moet je nagaan: zo’n goudeerlijke man die gewoon de waarheid vertelt. Maar de waarheid wordt in een boze aion... Peter gaf het in zijn gebed al even aan. Er gebeuren heel mooie dingen in deze wereld en soms in je leven, maar over het algemeen – laten we wel wezen – leven we in een boze aion waar de waarheid stelselmatig en systematisch wordt verdraaid en daarmee tot een leugen wordt gemaakt. En als je opkomt voor de waarheid, dan is dit je lot.
Nu leven wij vandaag echt in heel gunstige omstandigheden. Gisteravond had ik er nog een heel gesprek met Petra over. We leven in een tolerant werelddeel waar je eigenlijk zoveel mag zeggen. Dan kunnen we natuurlijk wel als christenen ons hoofd schudden en zeggen dat tegenwoordig alles maar kan, maar mensen: dank God op je blote knietjes dat je in zo’n wereld leeft waar alles maar kan! Want wij profiteren daar enorm van. Het is namelijk wel zo dat als je getuigt van de waarheid – ik zeg niet dat je er populair mee wordt – je van overheidswege hier weinig in de weg wordt gelegd om dat te doen. Ik bedoel, een paar eeuwen geleden kwam je op de brandstapel terecht als je de waarheid van het evangelie vertelde. En ik zeg "een paar eeuwen geleden hier", maar wat dacht u van elders? Op zoveel andere plaatsen in de wereld.
Afijn, Paulus zegt: "Ik lijd kwaad en draag zelfs boeien als een crimineel." Een goudeerlijke man die voor de waarheid uitkwam. Maar, zegt hij dan laconiek: "Het Woord van God is niet geboeid." Want ik mag dan geboeid zijn – dat zegt hij ook tegen Agrippa: "Dat wens ik niemand toe" – maar ook mijn boeien dragen slechts bij aan de verbreiding van het Woord. Waarom? Omdat het Woord van God niet geboeid is. Dat laat zich niet binden; dat doet altijd zijn werk. En zelfs tegenstand tegen het Woord kan juist bijdragen aan de verkondiging ervan. Dus daar hoef je je nooit druk over te maken, over die tegenstand, want het draagt altijd bij. Het Woord van God is levend, het is krachtig, het is niet geboeid. Het is wel boeiend, maar het maakt ook vrij. Dat is natuurlijk wat cryptisch gezegd, maar het is wel de waarheid. Het Woord van God is niet geboeid. Daar komen we voor uit. Het is geweldig om te beseffen wat deze dingen betekenen.
UltimateGoodNews