GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Paulus Te Milete (II)

31-08-2014 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 31 augustus 2014 in Zoetermeer.

In Handelingen 20 lezen we dat Paulus onderweg is naar Jeruzalem. Vanwege tijdgebrek had hij zich voorgenomen om Efeze voorbij te varen maar als hij in Milete arriveert, kan hij het niet nalaten de oudsten van de ekklesia van Efeze bij hem te laten komen. Drie jaar had Paulus intensief in Efeze gearbeid. Nu houdt hij een bewogen afscheidsboodschap, in de wetenschap dat ze elkaar niet meer zouden zien.

Het tweede deel van deze bespreking begint bij 20:29. Paulus voorzegd dat na zijn vertrek de kudde niet gespaard zal worden door grimmige wolven. Donkere wolken pakken zich samen maar tegelijkertijd draagt Paulus zijn medewerkers hoopvol op aan de Heer en zijn woord van genade.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

In zijn afscheidstoespraak in Milete waarschuwt Paulus de oudsten van Efeze voor toekomstige gevaren. Hij voorspelt dat zowel van buitenaf als van binnenuit mannen zullen opstaan die de waarheid verdraaien. Bij zijn vertrek laat hij geen instituut of aangewezen opvolgers achter, maar draagt hij hen uitsluitend op aan God en het Woord van Zijn genade. De Schriften vormen het enige betrouwbare fundament voor de gelovige, zeker in tijden van religieus verval. Tot slot wijst de apostel op zijn eigen belangeloze bediening en benadrukt hij het universele principe dat er een groter geluk ligt in het geven.

“Wat hij achtergelaten heeft, dat is zijn woord. Niks anders. Zijn woord en de God op wie hij wees.”

Terugblik op de Zendingsreis en Toespraak ↑ hoofdstukken

Het is alweer een aantal weken geleden, beste mensen, dat we hier een bijbelstudie hadden over het onderwerp Paulus te Milete. Ik was bijna vergeten dat het de tweede keer is dat we het erover hebben. We zijn met elkaar naar Handelingen 20 gegaan, waarin we de geschiedenis beschreven vinden dat Paulus een toespraak houdt aan het strand van Milete. Misschien is het goed om dat nog even in gedachten te brengen, want dit is een vervolg. De vorige keer zei ik u al dat het eigenlijk onmogelijk is om dat met goed fatsoen in één keer allemaal te bespreken, dus we hakken het gewoon in tweeën. Dat kwam in dit geval ook nog heel erg goed uit, omdat de toespraak ook in twee delen uiteenvalt.

Wellicht doen we er verstandig aan om in herinnering te brengen waar we het toen over hadden. Wel, dit is Paulus' derde zendingsreis, zoals dat gebruikelijk genoemd wordt. Het speelt zich ergens halverwege de jaren vijftig af van de eerste eeuw van onze jaartelling. Paulus is inmiddels op doorreis naar Jeruzalem, waarvan hij weet — dat hebben we ook de vorige keer gezien en dat is een thema dat tijdens deze reis nogal een prominente rol inneemt — dat hij naar Jeruzalem toe moet gaan. Hij had een missie. Hij had trouwens ook nog een inzameling gehouden voor de behoeftigen daar, maar hij wist dat hij gevangen genomen zou worden.

Hij passeert Efeze, waar hij kort tevoren, eigenlijk ongeveer een jaar daarvoor, nog drie jaar intensief het Woord gepredikt had. Om even een indruk te geven van hoe dat precies ging: hij was ooit in Troas, Troje — u weet wel, bekend van dat paard; ja, dat is dezelfde plaats. In de Bijbel kennen we de stad als Troas. En toen ging hij naar Assus. We hebben die reis in Handelingen 20 zo gevolgd. Toen kwam hij daar op het eiland Lesbos aan, of in ieder geval ging hij erlangs, bij Mitylene. We komen hier bij het eiland Chios. Ja, dat is nog eens een mooie reis, hè? Langs de Griekse eilanden. Chios, en toen kwam hij bij Samos, lezen we ook nog. Hij passeerde Efeze, dat iets landinwaarts ligt, en hij wilde vervolgens naar Milete, dat direct aan de kust ligt. Beide plaatsen liggen ongeveer op een kleine vijftig kilometer afstand van elkaar.

Toen heeft hij een ontmoeting gearrangeerd met de herders daar. De herders, dat wil zeggen: zij worden genoemd de oudsten of de opzieners in Efeze. Zij die leiding gaven, maar vooral ook zij die het Woord doorgaven. Paulus wilde niet te veel tijd inleveren door zelf naar Efeze toe te gaan. Dus hij heeft het zo geregeld dat die opzieners, die herders — want dat is het Bijbelse woord: zij die de kudde weiden en voeding geven — werden uitgenodigd om naar Milete toe te komen. Hij houdt daar dus een toespraak. Een bewogen toespraak, want het was een afscheid. Ze zouden hem niet meer zien. We zullen dat straks trouwens ook direct lezen en zien hoe die mededeling er ook enorm in gehakt heeft.

Om nog een keertje erop te wijzen hoe die toespraak in elkaar zit: dat is namelijk een vrij simpele indeling. De toespraak begint met een terugblik en eindigt ook met een terugblik op Paulus' verblijf in Efeze. Vervolgens valt de toespraak uiteen in twee delen die min of meer gelijk lopen, parallel lopen. Hij heeft het eerst over zijn eigen toekomst, over wat hem zou overkomen en wat hem van stad tot stad betuigd werd. Hij wist wat hem zou overkomen als hij naar Jeruzalem toe zou gaan, namelijk dat hij gevangen genomen zou worden. Vervolgens heeft hij het over zijn prediking daar in Efeze, over wat hij gedaan heeft, en het eerste deel eindigt dan met een oproep aan de Efeziërs.

Dat tweede deel van de toespraak begint hij weer over de toekomst, maar dan niet over zijn eigen toekomst, maar over de toekomst van de Efeziërs; over wat daar in Efeze zou gaan gebeuren en plaatsvinden. Vervolgens heeft hij het weer over zijn prediking en het tweede deel eindigt weer met een oproep aan de Efeziërs. De toespraak eindigt dan waar hij mee begonnen is, namelijk met een terugblik. U ziet: de toespraak valt uiteen in twee delen die volkomen parallel lopen, zodat we dit keer aanvangen met vers 29.

Wellicht is het goed om, voordat ik de draad oppak in vers 29, nog even te lezen wat hij in de direct voorafgaande verzen naar voren heeft gebracht. Dan zegt hij: "Ik heb niet nagelaten u al de raad van God te verkondigen." Dat wil zeggen dat de boodschap die hij had gegeven, compleet was. Hij heeft alles wat hij moest zeggen en mocht vertellen, ook gedaan. Hij heeft niet nagelaten het allemaal te vertellen; alles wat in de raad, in de bedoeling van God gelegen is. En dan zegt hij: "Zie dan toe op uzelf." Hij zegt dat tegen die opzieners; vooral zij die het Woord doorgaven. En op de hele kudde. Ja, wat wordt een herder geacht te doen? Voorgaan. Zo heet dat dan ook: je gaat voor. Maar dat woord moet je heel letterlijk nemen: je geeft gewoon daarin ook het goede voorbeeld. Hoe zou je kunnen voorgaan als je zelf niet het goede voorbeeld geeft?

"Zie toe op uzelf, op de hele kudde waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft." Opzieners is een mooi woord, want het heeft ook nog de gedachte in zich van 'omzien naar'. Dat is een associatie die we diverse keren in het Nieuwe Testament vinden. Het is dus niet alleen maar opzicht houden, maar ook omkijken naar. Omkijken naar de kudde en zorgen dat ze voldoende voeding krijgen; dat is wat een opziener geacht wordt te doen. U ziet dat de begrippen opziener, herder en het weiden van de kudde hier gewoon door elkaar lopen. Dat lijkt me heel veelzeggend, waarmee gezegd is dat een opziener een herder is.

Dan ga ik er nog aan voorbij dat in die dagen inderdaad ook die specifieke gaven werden gegeven van apostelen, profeten, herders en leraars. Kijk, ook vandaag zijn er mensen — ik mag daar zelf een voorbeeld van zijn, in die zin dat ik zelf ook het Woord doorgeef. Ben ik een herder? Zo zou ik het zelf nooit durven zeggen. Paulus zegt ook in Efeze 4 dat die gaven, die specifieke gaven van die bedieningen, tot een bepaalde tijd waren. Namelijk: als de Schriften compleet zijn, als alles doorgegeven zou zijn, dan zouden die functies ophouden.

Let wel, er bestaat nog wel lerend werk, herderlijk werk of evangeliserend werk. Paulus zegt tegen Timotheüs in zijn laatste brief: "Doe het werk van een evangelist." Maar dat is wat anders dan dat hij een evangelist zou zijn als een aparte functie waartegen opgekeken zou worden, of iemand die een speciaal gezag zou hebben of iemand die is aangesteld. Dat bestaat niet. We zullen dat straks ook zien, ik wijs er nu alvast even op: er bestaat niet meer zoiets als een speciaal ambt van opzieners. Dat werk van leren, onderwijs geven of herderlijk werk is min of meer hetzelfde. Want wat doet een herder? Weiden, voeding geven. Maar dat is toch min of meer hetzelfde als wat een leraar doet, namelijk onderwijs geven en leren. U ziet het: die opzieners zouden de gemeente Gods weiden en voeding geven. Die ekklesia die Hij Zich door het bloed van Zijn eigen Zoon verworven heeft, als een speciaal aandeel, een speciaal uitroepsel; dat werk dat God in onze dagen doet. Nou, en dan komen we bij vers 29.

Waarschuwing voor Grimmige Wolven van Buitenaf ↑ hoofdstukken

We hebben zojuist gezien dat die toespraak uiteenviel in twee delen. En nu gaan we beginnen bij vers 29, bij het begin van dat tweede deel. En dan zegt Paulus – en dat begint met een nogal dramatische mededeling: "Zelf weet ik dat na mijn heengaan," – als ik er niet meer ben, als jullie mij niet kunnen bereiken – "dat grimmige wolven bij u zullen binnenkomen." Eigenlijk wordt daar een woord gebruikt dat 'zwaar' betekent, maar het wordt vertaald met 'grimmig'. Het zijn eigenlijk zware wolven, zoals wij ook over zware jongens spreken; zo in die sfeer. Zware wolven zullen bij u binnenkomen.

Er is trouwens een beeldspraak die we nogal eens tegenkomen in het Nieuwe Testament over wolven die het gemunt hebben op de kudde. Hier is het beeld van een schaap, maar wat blijkt het te zijn? Het is een wolf. En dat is trouwens weer een beeld dat ontleend is aan wat we lezen in de Bergrede. Daar lees je in Mattheüs 7 vers 15, en dan weet je ook meteen wat die wolven zijn. Trouwens, in de hele context van Handelingen 20, in de toespraak die Paulus hier houdt aan het strand, is het ook duidelijk waar hij het over heeft: namelijk over mensen die valse dingen vertellen. Hier staat ook: "valse profeten". Mensen die claimen een boodschap van God door te geven, maar ze zijn vals. Dat wil zeggen: het is pseudo, het is nep, het is niet echt. "Pas op voor de valse profeten, die in schapenvacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven."

Ze lijken op schapen. Ze lijken onschuldig en ze lijken goede dingen te vertellen, maar het is vals. Kijk uit wat erin zit; ze zijn namelijk wolven. En wat die doen, dat zullen jullie trouwens zien. Ik wil er ook nog op wijzen dat hier staat dat na mijn heengaan grimmige of zware wolven bij u zullen binnenkomen. Dat is dus gevaar van buitenaf; ze zouden binnenkomen. En dan lees je: "die de kudde niet zullen sparen." Dat is geen blijde tijding, dit. Integendeel, dit is heel dramatisch. U moet zich voorstellen: Paulus is daar zo lang werkzaam geweest, heel intensief, en nu geeft hij aan: "Ik ga weg, jullie zullen me niet meer zien." Maar ik wil erop wijzen, en ik weet ook dat als ik vertrek, dat na mijn heengaan de kudde niet gespaard zal worden.

Dit is heel typerend. Er komen wolven van buitenaf. Daar blijft het trouwens niet bij, maar dat komt in het volgende vers. Er komen wolven van buitenaf die een vals woord brengen onder de naam van 'Woord van God'. Maar het is geen Woord van God; het is een woord van mensen of, nog erger, dit zijn leringen van demonen. Dat zijn allemaal formuleringen die we elders ook in de brieven aantreffen en dat kan heel misleidend zijn. Die wolven komen niet als wolven binnen; ze komen als schapen binnen. Dat is de buitenkant. Maar er zijn zoveel woorden die voor woorden van God gelden en gangbaar zijn. Waarom? Omdat iedereen dat doet, of vanwege de traditie. Er is een lange ketting van generaties waarin dat allemaal zo verteld is en iedereen "weet" dat dat het Woord van God is. Niet omdat men dat in de Schrift heeft gevonden, maar omdat het altijd zo verteld is.

Maar let even op deze mededeling: de kudde zal niet worden gespaard. Ik weet het, Paulus heeft het hier specifiek over dat wat daar in Efeze zou plaatsvinden. Maar laat ik u dit zeggen: dat wat hier gezegd wordt, blijkt typerend te zijn voor wat er in de hele christenheid zou gebeuren. Nu neem ik u even mee naar 2 Timotheüs 4. 2 Timotheüs 4 is ook een afscheidstoespraak, alleen dan niet mondeling maar schriftelijk. En daar richt Paulus zich niet eens tot een groep, maar tot een enkeling, namelijk Timotheüs, zijn medewerker. En dan zegt hij – het is de laatste brief hè, de laatste brief die Paulus heeft geschreven vlak voor zijn executie, een schitterende brief, ook een heel bewogen brief, een brief waarin zoveel blijde tijding doorklinkt, maar juist in dat contrast met wat er zou gaan gebeuren: "Er komt een tijd, Timotheüs, dat men..." Hij praat hier gewoon over de mensen in het algemeen. "...de gezonde leer niet meer zal verdragen."

Dat wat men ooit ontving als gezonde leer, zal men dan niet meer verdragen; men zal er afstand van nemen. Waarmee dus gezegd is: deze "men" is een aanduiding van christenen. Het is een aanduiding van degenen die ooit de reputatie hadden de gezonde leer te kennen. Men zal de gezonde leer niet meer verdragen. Dus het is niet alleen zo dat men er afstand van neemt, men wil en kan het niet meer horen. En als men het hoort, dan krijg je een... Zo gaat het hè: als je iets niet verdraagt, dan krijg je een allergische reactie. Dat kan allerlei vormen aannemen als je allergisch op iets reageert, maar dan kun je het niet verdragen.

De 'gezonde leer' is een van de aanduidingen die Paulus geeft van het onderwijs dat hij had gegeven. Waarom is het gezond? Het is gebalanceerd, het staat als een huis, het staat geschreven, zwart op wit. Het is gezond. Waarom? Ook in zijn uitwerking. Als er iets gezond is, dan is het dat wat hij te melden heeft: een blijde tijding, een God die werkelijk God is. En dat woord is gezond en ook gezondmakend. Ik geloof zelfs dat het fysiek ook... Nu moet ik uitkijken wat ik zeg natuurlijk, want voor je het weet worden er verkeerde conclusies getrokken. Maar ik geloof zelfs dat het in alle opzichten vitaliserend is. Er is niets zo vitaliserend als die gezonde leer. "Er komt een tijd dat men de gezonde leer niet meer zal verdragen en zij zullen hun oor van de waarheid afkeren en zich naar de mythen keren."

In de NBG-vertaling staat "verdicht", zoals dat wat bedacht is: knap, kunstig verdichte fabelen. Heel knap bedacht allemaal, maar het is bedacht. Het is niet de waarheid, het is niet wat er staat geschreven, het is niet conform de feiten; nee, het is wat men bedacht heeft en daar keert men zich naar. Het is dus een afkeer van de waarheid en het is zich wenden tot bedenksels, tradities of andere leringen, maar in ieder geval niet de waarheid. En waarom ik dit nu aanhaal? Omdat het in beide gevallen een afscheidsboodschap is van Paulus. Bij deze woorden in Handelingen 20 kun je nog zeggen: het is lokaal, het gaat specifiek over Efeze. Maar bij deze afscheidswoorden van Paulus in die brief is het zelfs algemeen: men zal het niet meer verdragen.

Zodat daarmee gezegd is – en ik geef u dit als voorbeeld, het is misschien een van de duidelijkste uitspraken, maar ik zou er meer kunnen aanhalen aan de hand van de brieven, met name dan in de tweede Timotheüs-brief – waarin Paulus zijn visie geeft en profetisch uitspreekt wat er met de christenheid zou gebeuren. En ik denk dat we dat niet gauw overwaarderen; daar moet je je heel goed van bewust zijn. De toekomstvisie die Paulus geeft over de christenheid, wat er zou gebeuren na zijn heengaan, als hij zijn hielen zou hebben gelicht. En dat tekende zich al af tijdens zijn leven: ze zouden zich afkeren van de waarheid en van de gezonde leer. Wat hij verteld heeft, zou men niet meer verdragen. Dat is wat er in de christenheid zou gebeuren.

Wees je daar dondersgoed van bewust: de christenheid zou en masse, massaal, afstand nemen en zich afkeren van de waarheid. Zodat daarmee gezegd is dat wat er in de christenheid geleerd wordt... Want het is zo opmerkelijk hè, dan zie je ook hoe wolven zich daarvan meester hebben gemaakt. Want vandaag is het zo dat als je zegt: "Nou, in het algemeen is het in de kerkgeschiedenis altijd zo geleerd", als je het zo formuleert, dan is dat voor 99,9% van de christenen een aanduiding van: "Nou, daar komen we dus niet aan hè, daar moet je vanaf blijven, dan zal het wel zo zijn."

Paulus zegt het op voorhand, en dan zouden alle waarschuwingslampen moeten gaan branden, omdat het een aanwijzing is dat er een afkeer van de waarheid zal zijn. Men zou zich daarvan afkeren en dat tekende zich al af in Paulus' dagen. Tegen Timotheüs zegt hij dat zo; dat is wat er met de christenheid zou gebeuren. Is dit verheugend? Nee, als Paulus dit zo zegt tegen die mannen van Efeze daar aan dat strand, dan is dat een hele dramatische mededeling.

Zoals hij trouwens ook al een dramatische mededeling had gedaan over zijn eigen toekomst. Hij zegt: "Ik ga naar Jeruzalem toe, maar ik weet – de Geest betuigde mij, het is bindend zelfs – dat ik..." Ja, letterlijk en figuurlijk binden, want hij zou gebonden worden, gevangen genomen worden in Jeruzalem. Ik moet er trouwens bij zeggen: dat is dramatisch, maar het is onderdeel van de blijde tijding. Juist daarin, tegen die achtergrond, functioneert dat bericht van hem. Dat is juist de hele context van zijn bediening. Te midden van al die afval, te midden van die afkeer van de waarheid, klinkt dat goede bericht van hem.

De kudde, gewoon het geheel, zou niet worden gespaard. Het geheel van de christenheid is geen norm meer. Integendeel, daar zou niets van overblijven; het zou niet worden gespaard. Daar blijft het trouwens niet bij, want dit ging nog over wat er van buitenaf zou gebeuren. Het gevaar van buitenaf, van zij die zouden binnenkomen, indringen in de kudde en die de kudde inderdaad niet zouden sparen. Maar hij zegt: het is nog sterker. Daar blijft het niet bij.

Gevaar van Binnenuit: de Waarheid Verdraaid ↑ hoofdstukken

"Uit uw eigen midden." Je zou dat zelfs heel letterlijk kunnen opvatten: jullie die hier nu staan aan het strand. Uit uw eigen midden zullen mannen opstaan. Je kunt het nog wat breder trekken dan gewoon daar bij jullie in Efeze, maar er zullen mannen opstaan. Dit is gevaar van binnenuit, en dat is trouwens nog veel erger.

Kijk, als je dat ook in de christenheid ziet – want inmiddels leven wij tweeduizend jaar verder – dan kunnen wij niet anders dan vaststellen dat dit gebeurd is. Als je puur blind vaart op de Schrift en alleen dat als norm hebt; als je je niet oriënteert op wat er gezegd wordt, maar gewoon luistert naar wat Paulus te vertellen heeft en wat hij heeft gesproken en opgetekend... Als je dat als norm hebt en je legt dat naast wat er in de christenheid verteld wordt, dan zul je zien dat het voortdurend en altijd per definitie een contrast is. De waarheid tegenover de leugen.

Dat is beïnvloeding van buitenaf. De christenheid blijkt vanaf de aanvang altijd beïnvloed te zijn. In de eerste plaats door het jodendom en wettische invloeden; dat is wat je in de Galatenbrief leest, maar ook op zoveel andere plaatsen. Maar ook door filosofieën. Paulus zegt in Kolossensen 2 vers 8: "Laat u niet meevoeren, meeslepen door allerlei ijdele overleveringen." Traditie – dat woord traditie staat daar – door ijdele traditie van mensen, in overeenstemming met de filosofieën en wijsbegeerten der mensen. Gewoon wat mensen aan filosofie hebben bedacht. Aan de ene kant zie je dus traditie, de wet en de judaïstische invloeden die ook in de christenheid enorm veel hebben gedaan, mede ook door de leer dat men dacht dat men Israël was. Maar ook allerlei andere leringen vanuit het heidendom kwamen binnen.

Wat dacht u bijvoorbeeld van de meest fundamentele Bijbelse waarde? Namelijk: één God, de Vader. Dat zuivere Bijbelse onderwijs is in no-time compleet verdraaid, en het is zelfs de meest essentiële leer geworden in de christenheid. Namelijk dat er niet één God, de Vader is, maar dat er drie zijn. Dat heeft men onder een bedekking gebracht; het is witgepleisterd. Een andere term is dat het een valse lering is, echt een leerstelling van wolven die ingepakt is in misleidende woorden. Men zegt: "Er is één God", maar men bedoelt dat er drie personen zijn die alle drie rechtmatig kunnen zeggen: "Ik ben God." En toch heet dat dan de eenheid van God belijden, maar dan zetten ze de drie voorop. U weet waar ik het over heb. Ik bedoel, dat is typisch een leerstelling die van buitenaf is binnengedrongen. Het is de filosofie die in de christenheid zo is binnengedrongen dat het gemeengoed is geworden. Mooie term hè, gemeengoed?

Uit hun eigen midden zullen mannen opstaan die verkeerde dingen zullen spreken. Dat woord 'verkeerd' moet je heel letterlijk opvatten. In het Grieks staat daar een woord dat inderdaad 'verdraaien' betekent. Maar 'verkeerd' heeft eigenlijk ook te maken met 'keren', van het werkwoord keren, en dat is draaien. Mannen die dus de dingen omkeren en verdraaien. Al is het maar een kwartslag, daardoor krijgt het een totaal andere oriëntatie en een heel andere betekenis. Dat is wat Paulus zegt: wolven van buiten en mannen van binnenuit die zullen opstaan en verdraaide dingen zullen zeggen. Nee, niet verdraaid mooi, maar verdraaid verkeerde dingen zullen ze vertellen.

En er staat bij: om de discipelen, de leerlingen, achter zich aan te trekken. Partijschappen, organisaties die om mensen gaan, om bepaalde leerstellingen, maar allemaal in ieder geval verdraaid. Verdraaid ten opzichte van wat? Ten opzichte van dat wat Paulus daar had verteld en verkondigd, het onderwijs dat hij had gegeven. Paulus zegt: "Ik ga weg." Zijn woord en dat wat hij heeft mogen prediken, dat heeft hij achtergelaten. Dat zou de oriëntatie van hen moeten zijn. Maar wat er zou gebeuren is dat men ervan af zou wijken. En dat is precies wat er gebeurd is.

In die zin vind ik dit ook weer bemoedigend, als u begrijpt wat ik bedoel. Wat Paulus voorzegde dat zou gebeuren, is ook daadwerkelijk gebeurd. Vanaf de eerste eeuw na het heengaan van Paulus is deze ontwikkeling wijdverbreid en is het waarheid gebleken. De christenheid is massaal afgeweken. Zodat degene die een oor heeft gekregen voor het woord dat Paulus mocht vertellen en wat hij heeft opgetekend, per definitie een eenling is. Eigenlijk is dat ook de strekking van wat ik nu naar voren breng. Het is niet zomaar een theoretische mededeling, het is echt praktijk. Als je gelooft in dat woord wat Paulus heeft verteld, weet dan dat je een eenling bent. Men heeft er afstand van genomen. En dan bedoel ik degenen van wie je zou verwachten dat ze het zouden omarmen, maar in werkelijkheid is dat dus niet zo. Het is zo elementair om daarop bedacht te zijn. Het is veel gezelliger om met de massa mee te gaan en daar steun in te vinden, maar weet dan wel waar je je bevindt.

Ik moet verder gaan, want Paulus heeft nog veel meer te vertellen. Hij spreekt dus over dat gevaar van buitenaf en het gevaar dat ook van binnenuit zou komen. Mensen die de dingen verdraaien in hun uitspraken en daarmee discipelen om zich heen trekken voor hun eigen organisaties. U weet het, organisaties waarbij het feitelijk allemaal om de mens zelf gaat, om mensen achter zich aan te trekken.

De Oproep Om Waakzaam te Zijn ↑ hoofdstukken

En hij zegt: "Waakt dan." Dat wil zeggen: waak daarom, wees wakker om die reden. Wat doe je in een afscheidstoespraak? Probeer je dat eens heel concreet voor te stellen. Paulus houdt daar die toespraak en hij heeft niet lang meer om hen te zien. Wat hij nu gaat vertellen, is zo essentieel; het zijn dingen die hij hen absoluut op het hart wil binden. Dan zeg je echt de belangrijkste dingen, en dat is wat hij doet.

Dit is zo belangrijk: weet wat er gaat gebeuren. Men zal massaal afstand nemen en er zullen verkeerde dingen gesproken worden door wolven, valse profeten, en de kudde zou niet gespaard worden. Hij zegt daarom: wees wakker. Wees alert, houd je ogen open en wees je ervan bewust. Laat je niets op de mouw spelden. Ga niet achter mensen aan, achter geen enkele predikant. Maar goed, laten we maar even verder lezen.

Wees dan wakker en herinner u dat ik drie jaar lang, nacht en dag... Die drie jaar is naar boven afgerond; het was inderdaad ruim twee jaar. Dat weten we als we het voorgaande hoofdstuk lezen, waarin Lucas al had vermeld dat Paulus twee jaar in de school van Tyrannus dagelijks onderwijs had gegeven. We weten ook nog van drie maanden daarvoor, dus dat is bij elkaar twee jaar en drie maanden. In ieder geval, misschien zit daar nog wat tijd bij, maar deze termijn was al vermeld in het voorgaande hoofdstuk. Hier spreekt hij over drie jaren. Of dat nu de volle termijn is geweest of dat het is afgerond, dat doet er even niet toe.

Paulus zegt hier: "Drie jaren lang, nacht en dag." Dat is typisch een Hebreeuwse manier van tijdsbeleving, waarbij een dag wordt gerekend vanaf de nacht. Bij zonsondergang begint een nieuwe dag, bijvoorbeeld de sabbat, en er wordt gerekend van zonsondergang tot zonsondergang. Vandaar dus: nacht en dag, nacht en dag. Drie jaar lang, nacht en dag, heb ik niet opgehouden om iedereen, ook afzonderlijk, onder tranen terecht te wijzen.

Je ziet hier de intensiteit. Het is dus niet zo dat Paulus alleen in Tyrannus, in zo'n publieke gelegenheid, onderwijs heeft gegeven en de Schriften heeft opengedaan om dagelijks Bijbelstudies te geven, maar hij deed dat ook afzonderlijk. Als je zulk werk doet, komt er zoveel op je af, ook in persoonlijke zin. Ieder ook afzonderlijk, onder tranen, want op het moment dat je mensen persoonlijk leert kennen, heeft dat ook te maken met emoties. Mensen nemen hun achtergrond mee, mensen hebben hun strijd en hun moeite. En Paulus zegt: "Ik heb niet opgehouden." Je ziet hier echt iemand die zo intensief betrokken is bij wat hij doet. Hij is een man met een missie en hij zegt dat hij niet heeft opgehouden iedereen afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen.

Dit woord 'terechtwijzen', dat is niet helemaal... dat zou ik zelf willen terechtwijzen! Want waar het werkelijk om gaat, is het woord dat u hier ook in de Nederlandse interlineaire vertaling ziet: attenderende, oftewel attent maken op. Het woord is afgeleid van 'denken' en 'plaatsen'. Dat wil zeggen: iets voor de aandacht plaatsen. Dat kan inderdaad corrigerend zijn, maar je plaatst primair iets voor de aandacht. Je stelt iets voor zodat mensen daaraan denken. Dat is het woord dat er gebruikt wordt. En dat werkt dikwijls corrigerend, want je had aan iets anders gedacht en dan wordt er iets anders voor je aandacht geplaatst. Dat is waar, en vandaar ook dat de vertalers hiervoor hebben gekozen. Maar het idee is dus niet zozeer dat van correctie, maar van dingen voor de aandacht plaatsen. Ons woord 'attenderen' geeft dat perfect weer, namelijk mensen attent maken op, oplettend maken. Let op, dat staat er geschreven. Want Paulus heeft nooit anders gedaan dan dat: dat wat hij heeft doorgekregen, wat hij aan onderwijs zelf van zijn hemelse Heer heeft ontvangen, documenteerde hij vanuit de Schriften. Hij zegt: "Ik ben niet opgehouden dat te doen." Publiek, maar ook afzonderlijk in de persoonlijke bediening die daar gewoon onlosmakelijk aan verbonden is.

En nu?

Opgedragen aan God en het Woord van Zijn Genade ↑ hoofdstukken

Nu draag ik u op aan de Heer. Eigenlijk staat er: 'aan de God'. Paulus zegt: ik ga weg. Nu draag ik u op aan de Heer, aan de God over wie hij al die jaren zo duidelijk heeft gesproken. De God wiens macht en soevereiniteit hij altijd zo sterk heeft onderwezen; de God uit wie, door wie en tot wie alles is. Wel, ik draag jullie op aan Hem. Let op: niet aan opvolgers. Want dat is natuurlijk wat je Paulus zou kunnen verwijten. Paulus heeft daar gewerkt, maar nu gaat hij weg. Wat hij zou moeten doen, is een instituut achterlaten, een organisatie waar alles goed geregeld is en waaraan de mensen zich moeten houden. Nietwaar? Hij had een opvolger moeten aanstellen. 'Ik ga weg en nu zijn er opvolgers en daar moeten ze naar luisteren.' Nee, hij zegt: ik draag jullie op aan Hem. Aan de God. Niet aan een organisatie. Ook niet aan opvolgers, 'successors' zoals ze dat met een officieel woord noemen; mensen die eigenlijk gewoon het stokje van hem overnemen en die nu het gezag hebben. Nee.

Paulus is de apostel, een afgevaardigde van Christus Jezus. Het werk was gedaan, het Woord was compleet — nou ja, in deze dagen nog niet helemaal, maar niet veel later, aan het einde van Paulus' bediening, was het Woord voleindigd. Paulus zegt ook: aan mij is het gegeven om het Woord van God te completeren, te voleindigen. En hij laat een compleet Woord achter. Niet een organisatie, niet een instituut, niet iemand die hij heeft aangesteld die vervolgens als mens het oriëntatiepunt zou zijn. Nee, ik draag je op aan de God en het Woord van Zijn genade. Letterlijk staat er: 'de genade van Hem'. Het Woord van de genade van Hem. Dat is waaraan hij hen overdraagt. Dus niet aan iets menselijks, maar aan de Schrift en aan de Schrift uitsluitend.

Let op, ik wil weer even wijzen op die andere afscheidstoespraak, maar dan schriftelijk, namelijk de tweede Timotheüs-brief. Daar doet Paulus exact hetzelfde. Tegen Timotheüs wijst hij op de Schriften; dat is wat overblijft. Wat is er in deze tijd, wat hebben we sinds het heengaan van Paulus achtergelaten gekregen? De Schriften. Dat is het enige, maar dat is ook afdoend en toereikend. En dat is ook... wat was het ook alweer? Het woord 'sufficient'. Ik zoek even het Nederlandse woord. Je hebt zo'n mooi oud-Nederlands woord en dat is 'algenoegzaam'. Dat wil zeggen: het is voldoende. Die Schriften, al de Schriften. Paulus zegt in de tweede Timotheüs-brief: 'al de Schrift'. Hij heeft zelf trouwens die Schriften gecompleteerd, al die brieven bij elkaar gebracht en gebundeld. Die Schriften, daar houd je je aan. Niets anders. Vaar niet blind op mensen of op een instituut. Integendeel, je bent gewaarschuwd: die gaan de mist in.

Het is dus een hele persoonlijke zaak. 'Maar jij', dat zegt hij dan ook in de Timotheüs-brief iedere keer, 'maar jij...'. Men mag dan afdwalen, maar jij hebt de Schriften. De Schriften rechtgesneden, dat wil zeggen dat je je oriënteert op dat onderwijs van mij, Paulus, de gezonde leer. Dat is wat er overblijft. En dat is een baken in zee, dat is het licht waarbij we wandelen. Hier zie je het ook weer: draag je op aan Hem en aan het Woord van Zijn genade. En dit refereert aan wat we in het voorgaande al gezien hebben. Dat wil zeggen de vorige keer, in hoofdstuk 20 vers 24, daar lees je dat Paulus ook zegt: ik heb onder jullie het evangelie — de blijde tijding, het goede bericht — van de genade van de God verkondigd. Dat was zijn toevertrouwen. Wat was zijn boodschap? Dat was de boodschap van de genade van de God. De genade die heilbrengend en reddend is verschenen aan alle mensen.

En nu gaat hij weg en ze zullen hem niet meer zien. Hij zegt: wat houd je over? Dit. Het Woord van de genade van Hem. Maar dat is met recht ook algenoegzaam. Dat is toereikend in alles. Paulus zet dat in de Timotheüs-brief nog wat duidelijker of uitgebreider uiteen. Dan zegt hij ook dat die Schriften zo toereikend zijn... even goed citeren: 2 Timotheüs 3, het laatste vers. Daar staat dat al de Schrift is gegeven — dat is wat er overblijft — en dan zegt hij erbij: 'opdat de mens van God volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust'. Nou, dit onderstreept exact waar ik het over had: de Schriften zijn algenoegzaam. Je bent compleet, dan heb je echt alles. Natuurlijk zegt u: 'Ja, tjonge, daar staat zoveel in.' Ja, daarom! Daarom is het zo geweldig. Daar raak je niet uitgestudeerd. Dat is een bron die je niet alleen maar informeert of op de hoogte stelt, maar het geeft je visie, het geeft je wijsheid. Het geeft je uitzicht, het geeft je leven. Het vitaliseert. Het is gezond, spiritueel in alle opzichten. Het is alles.

Opdat de mens van God volkomen zij, tot alle goed werk, maar bovendien dus ook nog bekwaam en volkomen toebereid. Dus als je een goed werk wilt doen: die Schriften maken je bekwaam. Je persoonlijkheid wordt van binnenuit gevormd en daarmee ook je handelen. Dat is het, dat is alles: die Schriften. Paulus zegt: ik draag je op aan het Woord van Zijn genade. En als er één ding naar de Filistijnen is gegaan, dan is het wel dat Woord van de genade. Bij velen werd het meteen al ten onder gehaald en veranderde het zelfs in... moet je nagaan hè. Het heet nog steeds evangelie, maar het is in wezen het meest afschuwelijke bericht wat men ervan gemaakt heeft. Namelijk: geloof ons of ik schiet — dat wil zeggen: dan ga je eindeloos naar de hel. Dat is het 'woord van de genade' dat men dan brengt. Als je gewoon met gezond verstand daarnaar luistert, dan weet je: dit is misleiding.

Weet je wat de grap is? Buitenkerkelijke mensen hebben dat vaak zo goed in de gaten. Hoezo evangelie? Wat is daar blijde tijding aan? Maar degenen die binnen zijn, die hebben dat vaak niet zo door. Is het zo gegaan? Ja, want zo is het toch altijd verteld? Denk je nou werkelijk dat je het beter weet dan...? Maar van die genade is niets overgebleven bij die verkeerde leringen en bij wat algemeen geaccepteerd is. Paulus zegt: ik draag u op aan Hem en aan het Woord van de genade van Hem, want dat blijft staan. Het staat gewoon geschreven, vertel het maar. En het loutere feit dat je dan misschien niet meer algemeen geaccepteerd bent binnen de officiële fanclub... nou ja, het zij zo. Dat is een signaal dat je op de goede toer zit.

Ik draag u op aan Hem, aan het Woord van de genade van Hem, aan Hem die bij machte is te bouwen. Dat vind ik trouwens ook prachtig, want het geeft dus perfect aan dat het inderdaad genade is. Híj bouwt. Híj is in staat om te bouwen. Zoals hij in de Korinthiërsbrief ook zegt: 'Jullie zijn Gods bouwwerk'. Hij is het die aan ons Zijn werk doet en Hij is het ook die die Ecclesia bouwt. En ook om te geven het erfdeel, letterlijk het lotsdeel. Het zou me niet verbazen als dit woordje 'geven', ons woordje 'doneren' daar ook nog van afgeleid is. Hij geeft, Hij doneert het lotsbezit. Dat wil zeggen: dat wat je ten deel valt als lot. Het is je lot, je krijgt het zomaar. Het is geen verdienste en dat onderstreept precies de genade. Hij roept ook een Ecclesia, Hij is het die bij machte is die Ecclesia te bouwen. En Hij geeft ook dat deel onder alle geheiligden — en dat vind ik ook weer zo mooi: Hij is het die heiligt, die geheiligd heeft en dat werk doet. Al deze zinsdelen onderstrepen precies waar het om gaat, namelijk het Woord van Zijn genade. Hij is het die het doet.

Het Is Gelukkiger te Geven Dan te Ontvangen ↑ hoofdstukken

Ik heb niemands zilver of goud begeerd. Dat was de wijze waarop men toen betaalde: zilverstukken en goudstukken. Ons woord 'geld' betekent eigenlijk ook gewoon 'gold' of goud. Paulus heeft nooit iemand om zilver, goud of kleding gevraagd. Zijn werk was gratis; hij deed het puur om niet. Hij bracht een woord om niets, maar hij vroeg er ook geen geld voor, want daarmee zou hij precies het tegenovergestelde doen van wat hij vertelde.

Let wel, ik moet erbij zeggen dat hij nog niet lang geleden — terwijl hij hier op het strand van Milete staat — in Filippi was geweest. Daar was hem het een en ander gegeven waar hij over schrijft. Dat wil zeggen dat hij bij gelegenheid is ondersteund, maar hij heeft nooit, nooit iets gevraagd. Hij zegt in 1 Thessalonicenzen 2 — daar kwam hij trouwens ook net vandaan uit Thessalonica — dat hij met zijn medewerkers nacht en dag werkte om niemand van hen lastig te vallen terwijl zij het evangelie van God predikten. Hij heeft nooit iemand lastiggevallen of een last opgelegd. 'Lastigvallen' betekent hier gewoon een last opleggen, hinderen of iets vragen.

Hij zegt: "Zelf weten jullie dat deze handen..." Ik vind dat een mooie uitdrukking. "Deze handen," dat kun je alleen maar zeggen als je dit doet, als je je handen laat zien. "Zelf weten jullie dat deze handen in mijn behoefte, in dat wat ik nodig heb, en bovendien in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien." Dat wil zeggen: hij heeft nooit iets gevraagd. Zijn werk was dus met recht gratis.

Hij zegt: "Ik heb u in alles getoond..." Dat is trouwens een mooi woord, namelijk 'als voorbeeld'. Hij heeft het niet alleen verteld, hij heeft het gewoon ook gedemonstreerd. Hij heeft getoond dat men door zo te arbeiden — er staat eigenlijk zelfs 'bezwoegen', want hij werd nacht en dag in beslag genomen door dat waar het hem allemaal om ging, namelijk het Woord — zich de zwakken moet aantrekken en hen moet ondersteunen. Het hield hem uit zijn slaap en hij had voor de rest geen tijd over, maar door zo te zwoegen kon hij de zwakken ondersteunen. Heel Paulus' bediening was erop gericht om anderen, de zwakken in het bijzonder en degenen die het nodig hadden, te ondersteunen. Het was nooit op zichzelf gericht om te vragen, maar altijd naar buiten toe.

En dan moet u doorlezen: "...en zich de woorden van de Heer Jezus herinneren." Ik houd niet zo van die uitdrukking 'de Heere Jezus'. Dat moet u wel goed opvatten, want wij denken dan dat 'de Heere Jezus' een beetje oud-Nederlands is en dan wordt het een naam. Maar Jezus is de naam en 'Heer' is een titel. Dat hebben we denk ik nauwelijks meer in de gaten als we het hebben over de Heere Jezus, maar Jezus is Zijn naam. En wat is die Jezus? Hij is kurios. Hij is de Eigenaar, Degene die het allemaal bezit.

Welnu, hij herinnert aan de woorden van de Heer Jezus, die zelf gezegd heeft... En dan ga je in de evangeliën opzoeken waar dat staat en dan vind je het helemaal niet. Kijk er maar naar, alle commentators is het ook al opgevallen: dit vind je nergens in de evangeliën. Mijn conclusie is: tegen wie heeft Hij dit dan anders gezegd dan tegen Paulus zelf? Als we het inderdaad in de evangeliën niet aantreffen... Nou ja, als u wilt, kunt u daar onderuit horen, dat geef ik toe. Maar daarom voeg ik het er ook maar even als vraagteken bij. De Heer Jezus heeft dat gezegd, en de reden waarom ik het donkerbruine vermoeden heb dat het inderdaad tegen Paulus zelf gezegd is, is dat de uitspraak zelf ook weer zo typisch in de mond van Paulus ligt. Het heeft te maken met die overvloeiende genade. Let maar op.

Wat heeft de Heer Jezus gezegd? Aan welk woord herinnert hij? "Het is zaliger" — weer zo'n woord. Het is gelukkiger. Of letterlijk: het is veel meer gelukkig te geven dan in ontvangst te nemen. Dat is wat Hij zegt. Dat is een uitspraak die we alleen bij Paulus tegenkomen, maar hij is van de Heer Jezus Zelf. Van dat woord 'zaliger' hebben we nauwelijks nog een idee wat het echt is, daarom moet je het gewoon nemen zoals het er staat: het betekent gelukkig. Soms konden de vertalers er inderdaad niet onderuit en hebben ze het weergegeven met 'geluk', maar dat is ook inderdaad de betekenis. Het is veel meer gelukkig te geven dan te ontvangen.

Het is heerlijk. Laat ik het daartoe beperken: het is heerlijk om een goed bericht te horen, zeker als je daar echt aan toe bent en er helemaal klaar voor gemaakt bent. Dan hoor je een goed bericht en daar word je blij en gelukkig van. Maar weet je wat nog gelukkiger is? Om het door te geven en daarmee een ander gelukkig te maken. Dat geldt in alle opzichten; het is een universeel principe. Het is gelukkiger te geven. Mensen zeggen dan weleens: "Ja, je moet ook denken aan je eigen geluk," maar daarmee vergeet men — of men weet het helemaal niet — wat hier staat. Er is geen groter geluk dan juist als je mag geven. Als je een bron kent die niet ophoudt en een God kent die werkelijk ook een gelukkig God is en die ook alles geeft, ja, dan heb je ook reden om zo in het leven te staan.

En u zegt misschien: "Ja, maar ik kijk wel uit met geven, want dan raak je het kwijt." Nee, dat is juist het mooie van dit geven: je raakt het niet kwijt. Ik ken iemand die dat ook altijd als motto heeft en die altijd zegt: "Geef maar gewoon en je zal nooit tekortkomen." Ik geef toe: als je hier economisch een boekhouder op zet, zal die zeggen dat deze redenering niet klopt. Maar ik geef u de garantie — laat ik het correct zeggen: van hogerhand is ons gegarandeerd — dat er geen groter geluk is dan te geven. Geef maar, en het zal je nooit aan iets ontbreken. Nou, dat zijn de laatste dingen die Paulus hier naar voren bracht: de uitspraak van hogerhand dat het gelukkiger is te geven dan te ontvangen.

Een Bewogen Afscheid en Gebed ↑ hoofdstukken

Toen hij dit gezegd had, boog hij de knieën. Hij heeft met hen allen gebeden. Sommige mensen zeggen wel eens dat je dat niet zo moet doen, omdat gebed alleen maar een persoonlijke zaak zou zijn, maar hier lees je dat Paulus dus ook met de anderen samen gebeden heeft. Hij boog de knieën. Het is trouwens prachtig, want je leest in nog een passage dat hij dat doet. Ik denk daarbij direct aan de woorden die we vinden in Efeze 3 vers 14. Ik kan het niet nalaten om dat hele gebed daar even te lezen, ook al staat het in de Efezebrief en niet hier in Handelingen.

Paulus zegt daar in een schitterende context: "Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid" – dat wil zeggen: in overeenstemming met die enorme heerlijkheid – "met kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens." Dat is niet de buik, want ik weet dat het soms zo wordt opgevat. De inwendige mens versterken door goed te eten? Nou, dat is kul. Want die buik, dat is gewoon de buitenkant, dat is gewoon het vlees. De inwendige mens is het hart, de binnenkant, de geest; dat wat je niet ziet.

Paulus bidt dus dat Hij u geve met kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door geloof in uw hart woning make. En dan staat er: "geworteld en gegrond in de liefde" – namelijk agape, de liefde van God – "zult gij dan samen met alle heiligen in staat zijn te vatten hoe groot de breedte, de lengte, de hoogte en de diepte is, en te kennen de liefde van Christus die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid van God." Wauw. Dat is het gebed waarvoor Paulus zijn knieën buigt. Als je nu vraagt wat Paulus toen daar op het strand van Milete, vlakbij Efeze, gebeden heeft, dan zeg ik: nou, wat dacht je van dit gebed? Niet bidden voor aardse omstandigheden waarin God overigens gewoon voorziet, nee: bidden dat onze ogen geopend worden. Dat we gaan zien en gaan vatten hoe geweldig de breedte, de lengte, de hoogte en de diepte is waar het over gaat.

Ik heb juist deze week daar een blogje over geschreven op mijn website; ik ben er enorm van onder de indruk, over die geweldige dimensies van dat geheimenis van God. Dat onze ogen daarvoor geopend worden, dat we daar besef van krijgen van binnen, in de inwendige mens. En dat we zo ook met kracht worden gesterkt. Daar word je echt krachtig en gezond en vitaal van. Ja. Nou. Toen hij dit gezegd had, boog hij de knieën en heeft hij met hen allen gebeden.

En toen barstten zij allen in groot geween uit. U ziet, dat waren geen Nederlanders. Die zouden dat niet op deze manier gedaan hebben, zo afscheid nemen. En dan staat er: "en vielen Paulus om de hals en zij kusten hem herhaaldelijk." Mannen onder elkaar. Nou ja, de 'hugging' komt tegenwoordig weer een beetje meer in, maar het is natuurlijk in onze noordelijke delen van de wereld niet zo gebruikelijk om je zo inderdaad te tonen. Wij zijn daar veel te geremd in, we voelen ons daar ongemakkelijk bij. Maar zo ging dat daar; het is die hartelijkheid. Ze weenden, ze vielen Paulus om de hals en kusten hem herhaaldelijk.

Dat 'herhaaldelijk' is trouwens misschien een beetje een overdreven vertaling; dat is dan wellicht weer een echte Nederlandse aantekening in de kantlijn. Dat woord staat er strikt genomen niet, maar er staat dat ze hem kusten met genegenheid. De broederkus; "kust elkaar met een heilige kus". Maar u ziet hoe persoonlijk en hoe aangrijpend het is. Paulus heeft een woord gesproken dat ze hem niet meer zullen zien. Ze gingen hem aan het hart, maar Paulus was ook zeer geliefd. Ze kusten hem met genegenheid en zij waren het meest bedroefd over het woord dat hij gesproken had, namelijk dat ze zijn aangezicht niet meer zouden zien. Ik zei al: dat hakte er vooral in. Paulus zou weggaan. En ik kan me goed voorstellen dat dit een enorme impact heeft gehad, gezien alles wat hij daar verteld en doorgegeven had, zijn hele arbeid. Dat greep hen enorm aan.

Maar in wezen is datgene wat hier naar voren gebracht wordt, iets waarin ik mijzelf herken en wellicht u ook. Wij leven nu immers in die situatie. Paulus zelf is inmiddels al lang en breed niet meer in ons midden, maar wat hij achtergelaten heeft, dat is zijn woord. Niks anders. Zijn woord en de God op wie hij wees. Die God is onveranderd en dat woord staat er zwart op wit. Dat is een rots in de branding. We weten precies waar we aan toe zijn. We weten ook dat nu de tijd op handen is dat er weer een nieuwe fase gaat aanbreken: de derde dag. We weten dat. Wees dus wakker! Oriënteer je niet op mensen. Nou ja, dat blijkt hier ook wel; Paulus zei ook: niet op mij. Dat wil zeggen: niet op mijn aangezicht of op het uiterlijk. Ze waren weliswaar het meest bedroefd over het feit dat ze hem niet meer zouden zien, maar het ging om de inhoud.

En dan staat er, en dit is het laatste woord dat we in dit hoofdstuk vinden: "En zij deden hem uitgeleide naar het schip." Het schip is eigenlijk wel een heel typerend vervoersmiddel van de apostel in het boek Handelingen. Hij ging altijd maar weer op weg, waarbij het schip het voertuig is over de wateren, over de zee. Dat wil zeggen: over de volkerenzee. Hij was immers de apostel van de natiën, nietwaar? En zij deden hem uitgeleide, zonder een woord, tot in het schip. Ze hielpen hem en hebben wellicht zijn bagage nog meegenomen tot aan boord. Ze hebben hem gedag gezegd en uitgezwaaid. Zo hebben zij hem niet meer gezien. Maar wat hij achtergelaten heeft, toen daar in Efeze en nu aan ons, is de oproep: wees wakker. Oriënteer je erop. Het is werkelijk al genoegzaam. Zullen we het daarbij laten voor vandaag?

🎧 Paulus Te Milete (II)
Delen: