GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

oudsten & opzieners

24-04-2022 - Geplaatst door Andre Piet
24 april 2022, Benthuizen

In Titus 1 lezen we dat Paulus zijn medewerkers Titus op Kreta had achtergelaten om per stad in de ekklesia’s die waren ontstaan door Paulus’ prediking, senioren aan te stellen. Want nu Paulus het eiland had verlaten wilde hij niet dat deze ekklesia’s onbeheerd achter zouden blijven. De opziener zou er op toezien dat de gezonde leer zou worden gehandhaafd.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De studie behandelt de aanhef van Paulus' brief aan Titus en de instructies voor het aanstellen van ouderen in de ekklesia's op Kreta. Er wordt stilgestaan bij Gods vóór-aionische belofte en de verwachting van het aionische leven in het licht van Zijn onfeilbaarheid. Vervolgens wordt in detail de functie van een opziener geanalyseerd aan de hand van zeven negatieve en zeven positieve eigenschappen. De kern van deze rol is niet het bezitten van macht, maar het dragen van gezag als beheerder van God om toe te zien op de gezonde leer.

“Ook van belang: de opziener in de Bijbel heeft geen machtsfunctie.”

Inleiding: de Historische Context van Titus op Kreta ↑ hoofdstukken

Ik wil jullie vanmorgen heel graag eens meenemen naar Kreta. Nou, dat vindt u helemaal niet verkeerd, denk ik. Er zijn beroerdere plaatsen om te vertoeven. Hoewel Paulus daar ook zo zijn eigen gedachten over had, tenminste vooral over de inwoners van dat eiland: de Kretensers.

Maar goed, ik heb het als titel meegegeven: "Oudsten en opzieners". Waarom ik dat zo genoemd heb, dat wordt vanzelf in deze bespreking wel duidelijk. We gaan de eerste negen verzen van die brief lezen. Laat ik om te beginnen even context geven. Deze brief is hoogstwaarschijnlijk geschreven na Paulus' eerste gevangenschap in Rome. En dat valt dus eigenlijk buiten het bestek van de geschiedschrijving van het boek Handelingen. Want Paulus is naar Rome gegaan, heeft daar twee jaar gevangen gezeten en is daar vermoedelijk gewoon weer vrijgelaten. Na die tijd is hij dus onder andere op het eiland Kreta geweest. Dan praten we over het jaar op z'n vroegst 61 van onze jaartelling.

Paulus was, zo weten we uit de brief, op weg naar Nikopolis en dat ligt hier. Dat ligt eventjes onder Albanië aan de westkant van de Griekse kust. Daar zou Paulus gaan overwinteren, zo lezen we aan het einde van de brief. Hij schrijft deze brief — en daar dankt de brief ook zijn naam aan — aan zijn kind Titus. "Zijn kind", en daarmee bedoelt hij, we zullen dat straks ook zien, dat hij deze Titus verwekt heeft. Niet in letterlijk biologische zin, maar door zijn prediking. Van Titus weten we heel uitdrukkelijk dat hij geen Jood was, maar een Griek.

Paulus had hem achtergelaten op het eiland Kreta. Ja, Paulus was daar zelf dus ook geweest. Dat wordt trouwens ook al beschreven in het boek Handelingen, dat hij ooit eens op Kreta is aangeland. Maar dat was onder heel andere omstandigheden; het was tijdens die reis waarbij de problemen begonnen en hij uiteindelijk als gevangene naar Rome ging. Paulus is echter op een later tijdstip opnieuw op Kreta geweest en daar was onder andere zijn medewerker Titus bij hem.

De naam van Titus wordt trouwens nooit in het boek Handelingen vermeld. Daarentegen vinden we hem heel vaak terug in de brieven van Paulus, vooral in de Tweede Korinthebrief. Paulus had met hem, zo blijkt uit de brief, niet diezelfde band als met Timotheüs, maar niettemin was er een hele nauwe samenwerking met deze veel jongere Titus.

Dat dus even om een idee te hebben van de aanleiding en de context van de brief: het tijdstip en de plaats. Waar het eiland Kreta ligt, dat hoef ik u natuurlijk verder ook niet te vertellen. We beginnen gewoon waar de brief ook mee aanvangt.

Paulus' Aanhef: de Niet-liegende God en de Aionische Verwachting ↑ hoofdstukken

Paulus stelt zichzelf altijd voor, zoals dat gaat in zijn brieven, en hij zegt: "Ik ben een slaaf van God." Eigenlijk is dat meteen al heel karakteristiek voor deze brief, omdat het hierin vooral gaat om onderschikking en discipline. Ik denk ook niet dat het voor niets is dat hij zich op deze wijze introduceert. Niettemin zegt hij dat hij ook een afgevaardigde is van Jezus Christus. Dat wil zeggen dat hij niet namens zichzelf of op persoonlijke titel sprak; nee, hij sprak namens Christus Jezus, die hem hoogstpersoonlijk had afgevaardigd.

In de eerste vier verzen – ik ga daar misschien, zeker naar wat u van mij gewend bent, erg snel doorheen – wil ik toch een aantal zaken aanstippen. Ik denk namelijk dat ze van belang zijn om het vervolg over de oudsten en opzieners te begrijpen. Afijn, hij is dus een afgevaardigde van Jezus Christus naar het geloof, of in overeenstemming met het geloof van de uitverkorenen van God. Dat zijn mensen die God tevoren heeft uitgekozen, heel selectief. Het zijn mensen die vandaag al geroepen worden, en het is een groot voorrecht als je dat ten deel valt. God heeft de hele schepping op het oog, maar als je Hem vandaag nu reeds mag kennen en door Hem bent uitgekozen, dan mag je geloven naar het geloof van de uitverkorenen van God en het besef van de waarheid die naar de goede verering is.

U weet dat de vertaling die ik gebruik nogal letterlijk is, gebaseerd op de interlineair. Die uitverkorenen van God hebben besef van de waarheid; niet alleen kennis, maar ook besef. En wat is nu het meest karakteristieke van die waarheid? Wel, dat ze naar de goede verering is. Wat een mooi woord is dat. In de NBG-vertaling wordt dat meestal weergegeven met "godsvrucht". In de Statenvertaling is het, geloof ik, "godzaligheid". Maar als je het woord Eusebia heel letterlijk neemt, dan betekent het inderdaad "goede verering". Het onderstreept met name het besef van de waarheid dat God ook werkelijk God is. Wij vereren niet zomaar "een god", maar de God die werkelijk God is: de Almachtige en de Alwetende. Wij vereren Hem, en ik denk dat dit heel sterk aanleunt tegen het begrip dat we in de Hebreeuwse Bijbel ook kennen, namelijk de vrees van JAHWEH, de vrees van God. Dat betekent dat je diep ontzag hebt voor wie Hij is, de God bij wie nooit iets misgaat. Kijk, dat is de God. Die uitverkorenen hebben besef van de waarheid en dat wordt gekarakteriseerd door goede verering.

Dan staat er nog iets: "op verwachting van aeonisch leven", of zo u wilt "eeuw-ig leven", waarbij ik expres een spatie zet tussen "eeuw" en de rest van het woord om aan te geven dat het betrekking heeft op de aeon. Ik moet er trouwens bij zeggen dat deze frase nog weleens wordt misbruikt. Je ziet het soms op grafstenen op begraafplaatsen: dat iemand ontslapen is "in de hope des eeuwigen levens". Op zich heb ik daar natuurlijk geen bezwaar tegen, maar ik denk dat de intentie van veel mensen die dat op hun steen laten zetten, vaak is: "Degene heeft de ogen gesloten en hoopt nu maar op een eeuwig leven." Daarbij drukt het begrip "hoop" vooral onzekerheid uit. Maar dat is niet de gedachte van de Schrift; het is hoop in de zin van verwachting, van aeonisch leven.

Dat aeonische leven is het leven van de toekomende aeon. Waarom toekomend? Wel, het is een verwachting, dus het gaat over dingen die nog gaan gebeuren. Dat zijn de toekomende aeonen waarin Christus zal heersen. Die verwachting hebben wij, en dan staat er nog bij dat de niet-liegende God dit beloofde "vóór aeonische tijden". De niet-liegende God. In Hebreeën 6 staat iets wat misschien een beetje tegenstrijdig lijkt met wat ik zojuist zei over Gods almacht: er staat dat God niet liegen kan. Sommige mensen denken dat dit in strijd is met het feit dat Hij almachtig is, maar laat ik u dit vertellen: almacht betekent niet dat God alles kan. Hij kan immers, God zij dank, niet liegen. Hij spreekt per definitie de waarheid, Hij is de niet-liegende God.

Almacht betekent niet dat Hij willekeurig alles kan, maar het betekent dat Hij alles kan wat Hij wil. Daartoe is Hij in staat. Wat Zijn liefde wil bewerken, daarin ontbreekt het Hem niet aan vermogen. Dat is Gods almacht. Hij is inderdaad de niet-liegende God, of zoals Biléam dat ooit zei – een prachtige tekst die je eigenlijk uit je hoofd zou moeten leren: "God is geen man, dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?" God is absoluut de Betrouwbare. En aangezien Hij de dingen van tevoren kent, heeft Hij ook niet zoals een mens spijt; Hij kent geen berouw als van een mensenkind. Berouw in een andere zin kent Hij wel, in de zin van verdriet, maar Hij is de niet-liegende God. Hij spreekt wat Hij weet, en Hij weet wat Hij spreekt.

Daarin is Hij absoluut de betrouwbare God. En die niet-liegende God beloofde dit "vóór aeonische tijden" – of "voor eeuwige tijden", zoals de NBG-vertaling zegt. Ik vind dat een prachtig begrip. Waarom? Omdat eigenlijk één zo'n woord feitelijk een hele theologie op zijn kop zet. Het hele idee dat "tijd" tegenover "eeuwigheid" of tegenover de "aeon" zou staan, dat is namelijk niet zo. Nee, helemaal niet. Je hebt allerlei soorten tijden: de dagelijkse tijden, de maandelijkse tijden, maar dus ook de aeonische tijden. Andere vertalingen spreken trouwens over "de tijden van de aeonen".

Het Wereldtijdperkenplan en de Voor-aionische Belofte ↑ hoofdstukken

En die wereldtijdperken, ik heb daar een mooi plaatje van. Het is een omgekeerd olympisch symbool. Ik vind hem eigenlijk wel mooi, niet alleen omdat ik die ringen mooi vind kleuren, maar omdat het een prachtige uitbeelding is van de aeonische tijden. Kijk, om het eventjes wat schematisch weer te geven: die aeonische tijden hebben ooit een aanvang gehad. Logischerwijs, want er is sprake van vóór-aeonische tijden. Dus het hele idee van de nooit begonnen eeuwigheid kent de theologie wel, maar de Schrift niet. Die aeonische tijden hebben een aanvang.

Daar is sprake van vóór-aeonische tijden, maar ook van de voorbije. Die streep zie je niet zo heel goed, maar de voorbije aeonen heb je ook. De aeonische tijden vingen aan en daar zijn de voorbije aeonen. In het midden is de huidige aeon. Ik vind het prachtig dat in het midden van de aeonen dat kruis staat als het embleem, en eigenlijk ook als het middelpunt van al Gods handelen: het kruis en de opstanding. Die zwarte ring is ook aardige symboliek; die zwarte ring is dus de huidige boze aeon. En dan krijg je ook nog de komende aeonen. De aeonische tijden, de aeonen die gaan aanbreken waarin Christus zal heersen. De duizend jaren, maar ook dat wat daarop gaat volgen. Dat is een geweldige heerlijkheid en als dat alles voltooid zal zijn, dan krijg je de na-aeonische tijden. Hier ziet u dus in een heel kort schema een overzicht van al die aeonen waar de Schrift melding van maakt.

De niet-liegende God beloofde dit vóór-aeonische tijden. Je zou je de vraag kunnen stellen: aan wie beloofde Hij dat dan, toen er nog niets en niemand was? Mijn antwoord is – het staat er niet expliciet, dus u kunt me erop pakken als u wilt – maar aangezien er nog niets anders was, beloofde Hij dat eens aan Zichzelf. Zoals Hij trouwens ook een eed zweert bij Zichzelf. Een mens kan dat ook: iets aan zichzelf beloven. En als de niet-liegende God iets belooft aan Zichzelf, eigenlijk dus bij de hoogste Getuige die er is, dan kun je er van op aan dat het gaat gebeuren. Hij beloofde dus voordat de aeonen aanvingen. God had al een plan en de uitkomst stond al vast. Hij is het Die van den beginne de afloop verkondigt. Geweldig.

Maar er staat dan bij: 'maar die nu'. De verwachting van het aeonische leven werd door de niet-liegende God al zo lang tevoren beloofd, maar Hij maakt dat nu openbaar bij geëigende gelegenheden. Hoe maakt God dat dan nu openbaar op de daarvoor bestemde gelegenheden? Wel, in de proclamatie, in het herauten van Zijn woord. En Paulus zegt daarvan dat het hem werd toevertrouwd. De geweldige dingen die God al voor de aeonen in gedachten had en wat er zou gaan gebeuren, dat wordt nu gepredikt. Aan Paulus is dit toevertrouwd. Hij zegt in Efeze 3 vers 8: 'Aan mij, de allergeringste van alle heiligen, werd deze genade gegeven om aan de natiën te evangeliseren: de onnaspeurlijke rijkdom van de Christus.' Paulus is zich zozeer bewust van de genade die aan hem – als de allergeringste van alle heiligen, als de eerste der zondaren, als de minste van de apostelen – ten deel is gevallen. Hij mag dit gewoon herauten onder de natiën en godzijdank heeft hij het ook zwart op wit geboekstaafd, zodat we daar anno 2022 kennis van kunnen nemen.

Er staat nog bij: 'het werd mij toevertrouwd naar uitdrukkelijk bevel van God, onze Redder.' Het was niet optioneel, zo van: 'nou ja, het kan zus of zo'. Nee, dit is op uitdrukkelijk bevel van God dat het zo gaat. Zo moet het gaan. En dan zegt hij aan Titus... De degene die de brief schrijft is nu duidelijk, en ook wat hem ten deel is gevallen. Nu richt hij zich tot Titus. Hij zegt: 'mijn waar kind naar gemeenschappelijk geloof.' Hoezo 'mijn waar kind'? Niet biologisch, maar naar gemeenschappelijk geloof. Paulus had geloof en Titus deelde dat. Titus had dat kennelijk van Paulus persoonlijk vernomen. En dan zegt hij, zoals de brieven vrijwel altijd aanvangen: 'Genade en vrede van God, de Vader, en van Christus Jezus, onze Redder.' Daarmee is de toon gezet: genade en vrede van deze God. En dan komen we in vers 5. De eerste vier verzen zijn de aanhef, de basis van de brief, en vervolgens gaat hij spreken over de eigenlijke aanleiding voor deze brief.

Titus' Opdracht: het Aanstellen van Ouderen (senioren) ↑ hoofdstukken

Om deze reden, en dat ziet vooruit, dat blijkt uit het latere woordje "opdat". Maar het ziet ook juist op wat er in de eerste vier verzen is gezegd. En daarom hecht ik eraan om niet bij vers vijf te beginnen, hoewel het onderwerp dat eigenlijk zou aangeven. Maar die eerste vier verzen wilde ik erbij lezen omdat het zo buitengewoon belangrijk is. Het is namelijk om deze reden, namelijk om de proclamatie van Zijn woord dat mij, zegt Paulus, werd toevertrouwd. Om die reden liet ik je op Kreta achter, namelijk eigenlijk om in lijn daarmee zo het een en ander nog te doen. Omdat je de ontbrekende zaken, dus dat wat er nog allemaal gedaan moest worden... Paulus moest verder gaan en Titus kreeg een belangrijke opdracht. Ongetwijfeld was dat mondeling ook al geregeld, maar Paulus bevestigt deze dingen en vult het aan in deze brief. Omdat je de ontbrekende zaken nog zou rechtzetten, in orde zou brengen.

En dan zegt hij erbij: en stadsgewijs, of eigenlijk in alle steden, maar het is eigenlijk zoiets als per stad. Stadsgewijs. U moet zich realiseren: Kreta is een groot eiland, het grootste Griekse eiland dat er is. Je kent de talloze eilanden, maar Kreta is verreweg de grootste en je kent heel wat steden. Of daar ook ouderen zouden worden aangesteld in Chersonissos, dat weet ik niet, maar ik moet zeggen: die plaats... niet iedereen pakt dit waarschijnlijk op, maar dat is echt zo'n uitgaansplaats, een wilde vakantieplaats voor jongelui daar vlakbij Heraklion op Kreta. En ik moet zeggen: die plaats doet nog steeds erg sterk de reputatie van de Cretenzers recht aan. Maar goed, je hebt er heel wat plaatsen; ik weet niet hoe dat in die dagen was met Chania en Rethymnon, noem ze maar op. In ieder geval is Paulus daar door Kreta geweest en heeft daar het woord doorgegeven. Door het doorgeven van het woord waren er kringen ontstaan, ekklesia's in de steden, en men kwam daar dus samen. Die kringen waren ontstaan door Paulus' prediking. Nou was Paulus vervolgens vertrokken, maar hij wilde die kringen, die gemeenten, niet onbeheerd achterlaten. Ze waren ontstaan door zijn prediking, dus hoe logisch is het dat als hij daar zorg voor heeft, als een herder, als een ware herder, om dan ook te zorgen dat die ekklesia's vervolgens verder zouden kunnen functioneren.

Vandaar ook dat Titus daar achtergelaten wordt en hij zou ouderen aanstellen. Oudsten... eigenlijk is dat niet helemaal correct, ons woord "oudsten", want dat is de overtreffende trap. In het Grieks is het presbuteros en dat is een vergrotende trap, mannelijk meervoud. Dus eigenlijk: ouderen. Waarbij het begrip senior, denk ik, qua gevoelswaarde wat dichter bij komt dan "ouderen". Een senior is, vooral ook in het Engelse taalgebruik, een aanduiding van iemand die wat rijper is, met meer ervaring. Een oudere hoeft niet per se even niet oud te zijn, toch? Het is iets relatiefs. Zelfs als je drie kinderen hebt, dan heb je de ouderen en de jongeren. Ook al zijn ze nog heel klein, dan zijn dat toch de ouderen; dat zijn degenen die net even iets langer in het leven staan, meer ervaring hebben, rijper zijn. En die betekenis heeft ons woord "senior" ook gekregen.

En Paulus zou ouderen, senioren aanstellen. Niet tot ouderen. Dat is in mijn beleving een misverstand, alsof oudsten of ouderen (presbuteros) een ambt zou zijn. Het is gewoon een aanduiding van mensen die ouder zijn. En dan ben je dus hun oudere, en als er meer zijn, zijn het ouderen. Daar waren dus ouderen, maar er moesten een aantal van die ouderen worden aangesteld met bepaalde eigenschappen. Dat zullen we zien. Maar het is dus niet zo dat zij tot ouderen werden aangesteld, alsof ze pas presbuteros waren na aanstelling. Dat vind ik een dwaas begrip. Het waren ouderen, en die zouden worden aangesteld, namelijk mits ze aan bepaalde kwalificaties voldeden.

Wat hun functie is, dat zullen we straks ook zien, maar eerst even dit. Stadsgewijs zouden de ouderen worden aangesteld zoals ik je opdroeg. Dus Paulus had dat kennelijk al eerder mondeling met Titus overlegd; zij waren dat overeengekomen. En dan volgen de kwalificaties, een aantal dingen. Niet zomaar willekeurige mensen zouden worden aangesteld; het zouden mensen zijn die aan bepaalde eisen moesten voldoen, wilden ze inderdaad ook geloofwaardig in hun functie zijn.

Indien iemand niet is aan te klagen... eigenlijk is in het Grieks de gedachte van het woord "onberispelijk". Ik denk niet dat dat woord helemaal goed weergeeft wat de gedachte is. Het idee is niet zozeer van: "Oh, dat is iemand van wie helemaal niets fouts te zeggen is", want ik vraag me af of iemand daaraan kan voldoen. Maar ik denk dat dit gewoon een term is: iemand die niet in staat van beschuldiging is. Want je kunt je voorstellen dat als daar nu mensen zouden worden aangesteld die in die ekklesia's opzieners zouden zijn — we zullen het daar straks over hebben — dat het natuurlijk niet erg handig is, om het even zo te zeggen, dat zij in staat van beschuldiging zijn of dat ze voor de rechtbank gesleept worden. Dat soort dingen, dat ze aan te klagen zouden zijn. Het wordt trouwens tot twee keer toe van hen gezegd. Je zou haast zeggen dat het een minimumvoorwaarde is: dat ze niet in staat van beschuldiging zijn, want dan zijn ze absoluut niet gekwalificeerd om voor die functie in aanmerking te komen. Vergis je niet: deze geloofsgemeenschappen, deze ekklesia's, die waren dus daar op Kreta ontstaan. Dat is allemaal nog betrekkelijk kort tevoren, mogen we aannemen. Zij kwamen uit een totaal andere achtergrond en dat is een enorme overgang geweest. Ik denk dat een heleboel mensen daar in die ekklesia's nog met hun energie of misschien met hun verleden liepen. Trouwens, dat blijkt meteen al uit het eerstvolgende punt. Zodat echt niet iedereen zomaar in aanmerking kon komen om nu deze belangrijke taak te gaan vervullen.

De Kwalificaties van de Opziener: Zeven Negatieve Eigenschappen ↑ hoofdstukken

Nu volgt een reeks van zeven eigenschappen die allemaal beginnen met ‘niet’. Eigenlijk staat er acht keer ‘niet’, maar door één herhaling zijn het er in feite zeven. Hij zegt namelijk tot twee keer toe dat zij niet aan te klagen zouden zijn. De aardigheid is trouwens dat hij eerst zeven negatieve eigenschappen geeft — wat zij niet zouden zijn of hebben — en vervolgens zeven positieve eigenschappen noemt. In totaal zijn dat dus veertien karakteristieken van deze ouderen.

Als eerste: ‘man van één vrouw’. Er wordt verondersteld — neemt u mij niet kwalijk, beste mensen — dat het mannen zijn. Dat heb ik niet verzonnen, maar het staat er gewoon. Er staat: ‘man van één vrouw’. Dat kun je op twee manieren opvatten. Als een maximum, wat mij in dit geval trouwens het meest waarschijnlijk lijkt: dat zij niet meer dan één vrouw zouden hebben. Het idee is dan dat het geen mannen zouden zijn die meer dan één vrouw hebben. Dat is heel logisch gezien de achtergrond, want daar waren destijds heel wat polygame huwelijken.

Ik weet dat sommige mensen denken: als Paulus daar komt en er zijn mannen die getrouwd zijn met meerdere vrouwen... In het Oude Testament was dat namelijk normaal; vertel mij niet dat dit het ideaal is, want ik ben in de wereld nog nooit een goed, aanbevelingswaardig voorbeeld daarvan tegengekomen. Ik hoor nu mannen denken: ‘Aan één vrouw heb ik mijn handen vol.’ Trouwens, omgekeerd geldt dat ook, laat ik het even in balans brengen. Maar kijk, als een man getrouwd is met meerdere vrouwen, dan werd hem niet gezegd: ‘Je mag er maar één overhouden en de rest moet je wegsturen.’ Nee, dat is niet het idee. Maar in het geval zij een opzienersfunctie zouden hebben in de ekklesia’s, was het niet goed wanneer zij polygaam waren.

Je kunt ook nog iets anders verdedigen, namelijk dat het een minimum is. Dan staat het er niet zo best voor met de celibataire ambtsopvatting, want dan betekent het dat deze mannen in ieder geval één vrouw zouden hebben en dus in ieder geval getrouwd zouden zijn. Paulus was dus niets van het verplichte celibaat. Je zou eerder het omgekeerde kunnen verdedigen: hij was van het verplichte huwelijk. Deze ouderen moesten in dit geval getrouwd zijn. Ik zeg niet dat dit per se zo is, hoor, want ik geef het gewoon door. We leggen de lens of het vergrootglas op de tekst; ik geef door wat ik opmerk en u denkt met mij mee.

Dit is het eerste: een man van één vrouw. Er staat nog bij dat hij gelovige kinderen heeft die niet in opspraak zijn vanwege liederlijkheid of niet-onderschikkend. Of: van geen tucht willen weten; letterlijk staat er eigenlijk dat zij zich niet onderschikken. Het zou natuurlijk niet goed zijn voor iemand die een leidinggevende functie heeft in de ekklesia als de kinderen een antivoorbeeld zouden zijn. In een parallel gedeelte in 1 Timotheüs 3 lees je dat Paulus iets soortgelijks zegt, wat daar wordt gemotiveerd met deze woorden: ‘Indien iemand zijn eigen huis niet voorgaat of geen leiding geeft in zijn eigen huis, hoe zal hij zorgen voor de ekklesia van God?’

Ik weet dat je hier allerlei dingen tegenin kunt brengen, maar als je bereid bent om hier heel ‘clean’ naar te kijken, dan zul je moeten erkennen dat het heel redelijk is wat Paulus hier zegt. Als iemand leiding geeft aan de ekklesia van God en daar een opziener is — we gaan daar zeker nog over spreken — ja, dan zou hij in ieder geval ook in staat moeten zijn om zijn eigen huis goed leiding te geven. Anders matcht dat niet en dan zou dat niet goed zijn voor de functie die hij uitoefent. Het gaat dus niet zozeer om wetten; dit gaat om dingen die heel redelijk zijn en die je van zo iemand mag verwachten. Want, zo staat er: ‘de opziener moet niet aan te klagen zijn’. Dat is aardig, want dat betekent dus dat die ouderen werden aangesteld. Oké, en met het oog waarop? Met het oog op welke functie?

De Rol van de Opziener: Beheerder met Gezag in Plaats van Macht ↑ hoofdstukken

Hier wordt dat gezegd: de opziener. Niet een opziener, maar de opziener. Net zo hoort het in 1 Timotheüs 3 vers 2, en ik vind dat toch wel boeiend. Paulus moest dus geen kerkenraad installeren ofzo. Die opziener wordt gewoon enkelvoudig neergezet met een bepaald lidwoord: dé opziener. En hij heeft een functie; het is dus niet een van de bestuurscolleges of een raad die geïnstalleerd werd. Dat vind ik in de Schrift niet terug.

Die opziener – in het Grieks is het woordje episkopos, waar ons woord bisschop trouwens ook van afgeleid is – is letterlijk een samenstelling van 'op' (een voorzetsel) en 'scopos', wat te maken heeft met zien of zicht. Letterlijk dus een opziener. Als werkwoord wordt het trouwens ook heel dikwijls vertaald met 'omzien'. God heeft omgezien naar Zijn volk, en dan wordt ditzelfde grondwoord gebruikt. Een opziener is iemand die omziet naar anderen. Niet alleen maar opziet en toezicht houdt op, maar hij ziet ook om als een herder. Dat is echt zo, want kijk maar eens in Handelingen 20 vers 28. Daar lees je dat Paulus spreekt over opzieners die moeten herderen, dat wil zeggen: zorgen voor weide, zorgen voor voedsel. Want dat is in feite de eerste functie van zo'n herder, dat hij zorgt dat de kudde geweid wordt.

We zullen zien dat de opziener dat ook doet. De opzieners zien inderdaad toe op het onderwijs. Dat duurt nog eventjes, maar daar komen we vanzelf aan. We zitten nu nog in de reeks van eigenschappen. Hij is een opziener als een beheerder van God. In het Grieks staat daar het woordje oikonomos, waar ons woord econoom van afgeleid is. Heel dikwijls wordt het in de vertalingen weergegeven met een rentmeester. Een rentmeester is geen eigenaar, maar iemand aan wie de eigenaar iets in beheer geeft. Het is niet van hem, maar hij draagt daar verantwoordelijkheid voor.

Ook van belang: de opziener in de Bijbel heeft geen machtsfunctie. De opziener heeft geen macht over de mensen om te zeggen wat ze moeten doen. Wat hij doet, is toezien op dat wat onderwezen wordt. En wat mensen ermee doen, dat is een ander verhaal. Hij heeft dus geen macht, hij heeft wel gezag. Dat is een heel groot verschil. Macht wil zeggen dat jij officieel de bevoegdheid hebt om te zeggen wat een ander moet doen, of iemand erin mag of eruit mag – de poortfunctie. Dat heeft te maken met macht. Gezag heeft te maken met het feit dat je een woord spreekt en dat dit woord iets te zeggen heeft; het heeft gezag in zichzelf, het heeft autoriteit. Het is onwedersprekelijk, om het zo te zeggen. Maar dat is belangrijk: hij is wel een beheerder van God. Het is niet zomaar een functie. Nee, hij krijgt het allerbelangrijkste toevertrouwd wat je kunt bedenken, namelijk dat de ekklesia voorzien wordt van onderwijs, dat ze geweid worden en geherderd worden.

Er worden vervolgens een aantal dingen genoemd die negatief zijn, iedere keer met 'niet'. Niet zelfingenomen – de NBG-vertaling zegt aanmatigend, de Statenvertaling zegt niet eigenzinnig. Het idee is denk ik vooral dat hij ook openstaat voor anderen. Dat is een belangrijke eigenschap: openstaan voor correctie. Het is niet iemand die verheven is boven de kritiek, maar iemand die de waarheid liefheeft en daarom ook bereid is gecorrigeerd te worden.

Niet driftig. Je begrijpt dat dit een hele kwalijke eigenschap zou zijn voor zo iemand, als hij zichzelf niet kan beheersen. De Telos-vertaling zegt: niet opvliegend. Meteen in vuur en vlam staan, heetgebakerd zijn; dat zou een hele kwalijke eigenschap zijn. De Herziene Statenvertaling zegt: niet genegen tot toornigheid. Hij is niet graag boos. Je kunt boos zijn met een goede reden, maar dat is wat anders dan dat je driftig bent en meteen de vlam in de pan schiet.

Geen drinker. Dat heeft in feite ook te maken met die beheersing. Eigenlijk staat er in het Grieks: iemand die een 'bijwijner' is. Nou ja, wij zeggen: iemand die aan de fles zit. Nee, 'op de fles gaan' is weer wat anders, dat is ook niet zo mooi. Maar je kunt het ook positief zeggen: iemand die nuchter is, bezonnen, in balans. En u begrijpt dat zo'n reputatie in deze functie bepaald geen aanbeveling is.

Ook geen vechtersbaas. Eigenlijk liggen deze drie eigenschappen – driftig, drinker, vechtersbaas – allemaal een beetje in dezelfde lijn, namelijk van iemand die in staat is zichzelf te beheersen. Bij een vechtersbaas staat er letterlijk: geen 'slaander'. De Statenvertaling zegt: geen 'smijter'. Dat is eigenlijk de oorspronkelijke gedachte van het woord: smijten. Geen smijter, geen losse handjes, niet agressief of gewelddadig. Trouwens, dat kan ook louter verbaal zijn. Je kunt met woorden ook slaan. Sterker nog, daar kun je zelfs veel harder mee slaan. Maar u begrijpt: ook dat is een eigenschap die de opziener niet mag hebben.

Al die eigenschappen zijn, als je daarover doordenkt, heel logisch en begrijpelijk. Ook: niet op schandelijk gewin uit. Wat een anti-getuigenis zou het zijn als iemand een vooraanstaande functie heeft die toeziet op de leer, maar zelf ondertussen – zoals de NBG-vertaling zegt – op oneerlijke winst uit is. Bijvoorbeeld een woekeraar of een oplichter, of iemand die heel erg geldbelust is. Dat zou een smet werpen op de functie die zo iemand uitoefent. En dan volgen de positieve eigenschappen...

De Kwalificaties van de Opziener: Zeven Positieve Eigenschappen ↑ hoofdstukken

Dit waren zeven keer de eigenschappen die beginnen met 'niet'. En dan krijgen we nu zeven eigenschappen die stuk voor stuk positief zijn. De eerste is gastvrij. Dat betekent iemand wiens huis openstaat, voor wie iedereen welkom is. Ook dat is een prachtige eigenschap. Waar al die andere eigenschappen negatief geformuleerd waren, is dit een prachtige eigenschap: een opziener die inderdaad zijn huis openstelt en voor wie iedereen welkom is.

De volgende is heel algemeen: veelhoudend van het goede. Eigenlijk is dat in het Grieks één woord: iemand met liefde voor wat goed is. Het gaat er dus niet zozeer om dat hij een haat heeft tegen wat niet goed is; nee, het is positief. Het is een positieve oriëntatie. Hij houdt van het goede in het algemeen en is daarin positief georiënteerd.

Dan: met gezond verstand. We hebben het er in de loop der jaren al veel vaker over gehad. In de meeste vertalingen staat hier iets anders, maar in geen enkele vertaling staat in ieder geval 'bezadigd'. Ik heb een zekere antipathie tegen dat woord, omdat het bij mij associaties oproept van futloosheid. Het hoeft allemaal niet zo bizar, maar 'gezond verstand' doet veel meer recht aan het oorspronkelijke woord. Daar zit inderdaad het idee in van 'gezond'. Gezond verstand is een mooi woord. Het wordt trouwens heel dikwijls gebruikt in de brieven van Paulus, ook in het algemeen. Als je doorleest in Titus 2, dan worden er instructies gegeven aan oudere mannen, oudere vrouwen, jongere mannen, jongere vrouwen en ook aan slaven. Stuk voor stuk wordt deze eigenschap dan genoemd: hoe belangrijk het is om in het leven te staan met gezond verstand.

Ik bedoel, we hebben allemaal verstand gekregen; de een wat meer, de ander wat minder. Maar gezond verstand betekent niet eens zozeer dat je veel verstand hebt, maar dat je het verstand dat je hebt gebruikt en laat prevaleren. We hebben ook allemaal gevoelens en emoties tot onze dienst, maar voor een gezond iemand die met gezond verstand leeft – zeker voor een opziener – is het een heel belangrijke eigenschap dat de emoties niet domineren.

En als u het mij vraagt – schiet me maar af – denk ik ook dat dit één van de redenen is waarom het mannen zijn die aangewezen worden. Vrouwen zijn emotioneel vaak veel meer ontwikkeld dan mannen. Zo kun je het ook uitleggen, maar dat maakt ze juist ook ongeschikter. Ik meen dat trouwens bloedserieus. Je kunt erom lachen en grapjes over maken, maar ik meen het bloedserieus omdat een vrouw veel meer geneigd is om aan gevoelens een plaats toe te kennen die juist in een leidinggevende zetting niet op hun plaats zijn. Akkoord. Het gaat er dus om het verstand te laten prevaleren boven het gevoel.

Nog zo'n eigenschap: rechtvaardig. Hoe logisch is dat? Dat iemand recht door zee is, eerlijk. Je begrijpt dat dit heel praktische eigenschappen zijn. Je kunt natuurlijk zeggen: rechtvaardig, dat zijn we als gelovigen toch allemaal? We zijn toch allemaal gerechtvaardigd? Ja, maar hier gaat het ook over het in de praktijk hebben van een levensstijl, een denktrant en een houding van recht door zee zijn. Eerlijk zijn, feiten een kans geven en zo in het leven staan.

Integer. In de Statenvertaling en de NBG-vertaling wordt gezegd: vroom of rechtschapen. Ik heb ooit een keer een hele studie over dit ene woord gegeven, maar het heeft te maken met een eigenschap van 'uit één stuk' zijn. Ditzelfde Griekse woord wordt namelijk in de Septuagint gebruikt en dan gaat het vooral over een eigenschap waarbij iemand uit één stuk is. Geen gespleten persoonlijkheid waarbij hij het ene zegt en het andere doet. Nee, integer: je kunt daarvan op aan. Er zit trouwens ook heel veel overlap in deze eigenschappen; iemand die rechtvaardig is, is recht door zee, maar dat heeft ook alles te maken met het feit dat hij integer is. Er liggen echter toch wat verschillende accenten.

Zelfbeheersing hebbend. Dat is eigenlijk vrij samenvattend, want in die negatieve lijst kwamen allerlei eigenschappen naar voren waarbij iemand onvoldoende controle heeft over zichzelf. Daar gaat het om, en de eigenschap bij uitstek waar Paulus mee afsluit, is dat iemand zich kan inhouden. Weet u wat een grap is? Voor zover dat grappig is – 'groot woord' – maar ik vind het wel apart dat het Griekse woord vaak vertaald wordt met 'matigheid' of 'ingetogen', maar eigenlijk betekent dit woord letterlijk, als je het opsplitst in de elementen: ingehouden. Het betekent dus het vermogen om je in te houden. Dat is zelfbeheersing, zelfcontrole. Ja, zo moeilijk is het niet.

We hebben allemaal emoties en aandrang, en ook daarvan vind ik de grap wel mooi: het is namelijk zo dat geen enkele emotie in zichzelf fout is. Dat wordt wel heel vaak gezegd: dat mag je niet voelen. Dat vind ik altijd zo'n dwaze uitspraak. Alsof je daarvoor kiest! Soms zijn gevoelens er nu eenmaal en die kunnen hoogst ongewenst zijn. Maar om daar een moreel labeltje aan toe te kennen of op te plakken van 'dat mag niet'... Nee, het gaat erom dat waar gevoelens zijn, ze beheerst worden. Dat ze onder controle zijn en uiteraard dat je je laat leiden door de woorden van God. Zelfbeheersing hebbend. En dan staat er nog bij... nu komen we eigenlijk bij de eigenschappen die nu zijn genoemd.

De Kernopdracht: Toezien op de Gezonde Leer en het Woord Hooghouden ↑ hoofdstukken

Er worden in totaal veertien eigenschappen genoemd: zeven negatieve en zeven positieve eigenschappen. Waarom zijn al die eigenschappen van belang? Over de eigenlijke functie is immers nog niets gezegd. We weten dat het de opziener is, maar waar ziet hij precies op toe? Waar ziet hij naar om? De bespreking sluit daar ook bij af: hooghoudende het betrouwbare woord naar de leer. In andere vertalingen geven we dit weer met "opkomend voor", "zich houdende aan" of "vasthoudende aan". Hooghoudende het betrouwbare woord naar de leer; dit is de eigenlijke functie.

Nogmaals, er zijn daar ekklesia’s. Dat was geen organisatie, dat waren geen instituten en er werd geen college geïnstalleerd. Maar er zou iemand zijn die verantwoordelijk is en toeziet op wat er onderwezen wordt. Dat is het allerbelangrijkste wat er is: wat we onderwijzen. Dat is trouwens niet hoogkerkelijk of een hele zware hiërarchie. Het woord bisschop is in de kerkgeschiedenis een bepaalde trap in de hiërarchie geworden, afhankelijk van het kerkgenootschap. In feite is de paus in Rome ook de bisschop van Rome, maar u ziet dat dit een hele gelaagdheid is. Bisschoppen zijn dan weer afhankelijk van de synodes en de concilies, of van de kerkenraad, afhankelijk van in welk segment van de christenheid je je bevindt.

Paulus spreekt echter over de opziener. Die ekklesia was heel, om het even modern te zeggen, ‘low profile’. Dat was een kring die ontstaan was door het woord en die bij elkaar kwam. Paulus onderwees, ging dan weg en zag om naar die kudde, naar die ekklesia’s. Hij zegt tegen Titus: "Jij zou mensen aantrekken die inderdaad toezicht houden op dat wat er onderwezen wordt." Het is niet iemand die macht heeft over de club, maar die toezicht houdt; dat is die ene functie die voor hem van belang is. Hij ziet toe op de leer; hij houdt het betrouwbare woord hoog.

Welk woord is dat? Wat is dat betrouwbare woord? Dat is naar de leer, naar het onderwijs. En de leer is gewoon het onderwijs dat Paulus zelf had gegeven. Het blijkt namelijk dat de opziener in staat moet zijn, capabel moet zijn, om ook aan te moedigen in de gezonde leer. In feite is het idee niet in de eerste plaats dat hij zelf onderwijs geeft — hoewel dat mij wel het meest logisch lijkt — maar het gaat erom dat hij erop toeziet. In ieder geval wordt van hem gezegd dat hij in staat is om aan te moedigen: parakaleo. Dat is het woord.

Aanmoedigen in de gezonde leer; dat is zo’n prachtige term die Paulus nogal eens gebruikt in zijn brieven. Eerder dit jaar mocht ik een spreekbeurt geven in het oosten van het land en toen zijn we de hele lijst langsgegaan waar Paulus die term gebruikt: de gezonde leer. Sommige mensen praten laatdunkend over ‘leer’ en ik begrijp ook wel waarom ze dat doen, omdat ze het hebben over de leer van mensen. Dat is inderdaad heel vaak taai en er is geen doorkomen aan. Maar ik zal u vertellen: de echte, gezonde leer is geweldig. Die is heerlijk, solide, krachtig en gezond. Het heeft een geweldige impact. Dat is het allerbelangrijkste waar het om gaat: dat dit in een ekklesia gehoord wordt.

Leer is dat wat onderwezen wordt, de inhoud van het onderwijs. Paulus waarschuwt Timotheüs aan het einde van zijn brief voor de laatste dagen en zegt: "Er komt een tijd dat men in het algemeen — en dan heeft hij het over de christenheid — de gezonde leer niet meer zal verdragen." Ik ga ervan uit dat wij in die tijd leven, dus wees erop bedacht. Op het moment dat je de gezonde leer gaat vertellen en ze de rode loper voor je uitleggen, dan zou dat te denken moeten geven. De voorzegde gang van zaken is dat men in die tijd de gezonde leer niet meer zal verdragen. Wat doet men wel? Men keert zich naar de mythen, naar verzinsels. Misschien heel knap bedacht, maar het zijn verzinsels. En er staat bij: "die het gehoor kittelen." Heerlijk om naar te luisteren, een fijne spreker, geluidseffecten en van alles waarbij het gevoel natuurlijk wordt geraakt. Het is allemaal fijn, lekker en leuk.

Ik merk dat veel sprekers daarop worden afgerekend. Het moet fijner, het moet impact hebben; op het podium moet je de massa meenemen. Dan denk ik: "Goh, ben jij dan een saaie Piet?" Ja, dat is ook zo. Maar weet u wat? Het gaat maar om één ding. Natuurlijk probeer ik het maximaal door te geven, niet alleen inhoudelijk maar ook didactisch gezien zo goed mogelijk over te brengen. Ik haal alles uit de kast wat in mijn vermogen ligt, maar daar gaat het totaal niet om. Want ook al ben je een volstrekt saaie spreker, het gaat erom wat je te vertellen hebt. Is dat gezond?

Ik geloof absoluut dat als het inderdaad gezond is, het een kracht in zich heeft. Alle nadruk op de vorm wordt ons tegenwoordig altijd aangepraat, maar het gaat helemaal niet om de vorm. Ik ben er trouwens ook van overtuigd dat je daar ook geen volle zalen of publiek mee trekt, want mensen prikken daardoorheen. Vorm vind je overal. Nee, het gaat erom dat het solide is, dat het waar is, dat het klopt en dat het bewezen kan worden. Dat is gezond onderwijs.

Van de opziener wordt gezegd dat hij in staat is aan te moedigen in de gezonde leer. In 1 Timotheüs 1 staat het echt op nummer één. Wat is die gezonde leer? Ik vind hem prachtig. De gezonde leer is naar het evangelie, het goede bericht van de heerlijkheid van de gelukkige God. Wat de gezonde leer is, wordt hier niet eens strikt genomen zozeer gezegd, als wel waar het mee in overeenstemming is: het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God. God is gelukkig en wat Hij voornemens is, dat realiseert Hij. Hij vervult wat Hij belooft. Zoals voor de gelukkige man in Psalm 1 ook al staat: al wat hij onderneemt, gelukt hem. Daarom is God natuurlijk ook gelukkig. Onze God is gelukkig omdat wat Hij Zich voorgenomen heeft voor de aeonische tijden, Hem gelukt. De uitkomst is absoluut gegarandeerd. Niet dankzij de medewerking van mensen, maar ondanks de medewerking van mensen.

Ik vraag het me af, maar ik denk dat alle medewerking van mensen eerder vaderlijk is. Ik ben zo blij dat er in Jesaja 9 een prachtig woord staat over dat vrederijk: "De ijver van Yahweh zal dit doen." Dat wil zeggen: Hij staat ervoor. Hij doet dat en mensen werken. Zes dagen arbeidt de mens en dan zegt de Heer op de zevende dag: "En nu is het Mijn dag. Kappen." Dat betekent Shabbat ook: gewoon staken. Het evangelie van de gelukkige God is wat aan Paulus is toevertrouwd. Dat onderwijs van de apostel Paulus, daar moet je vandaag in deze tussentijd bij zijn, opdat de opziener in staat zou zijn aan te moedigen in de gezonde leer en de tegensprekers te ontmaskeren en te weerleggen. In hoofdstuk 2 staat er dan...

Het was de bedoeling dat Titus ook met een gezond, onaanvechtbaar woord aan zou komen. En dan staat er: opdat de tegenstander niets aan te merken heeft. Dat is zo’n geweldige eigenschap. Het kan zijn dat luisteraars zitten te knarsetanden en zeggen: "Ik haat dit wat je vertelt." Maar eerlijk is eerlijk, ik kan daar niks tegenin brengen. En daar gaat het maar om. Dat is een onaanvechtbaar woord.

En dan ben je inderdaad ook onuitstaanbaar... nee, ik bedoel: dan ben je ook onaantastbaar. Dat is het woord dat ik zocht. Dan ben je onaantastbaar. Dan heb je onaanvechtbare woorden. Je zegt: "Kijk, hier staat het. Daar staat het." En dat heeft autoriteit in zich. Dat is ook echt gezag. Dat is niet dat je macht opeist van: "Jij moet luisteren." Nee, je leest ook van de Heer Jezus: Hij sprak met gezag. Mensen wisten: dit is waar. Er is niks tegenin te brengen. Het klopt. Het staat in de Schriften. En het was een onaanvechtbaar woord.

Kijk, en dat is wat die opzieners zouden doen. Die opzieners zouden daarop toezien dat dat onderwijs inderdaad doorgegeven wordt. En ik stel voor dat we het daarbij laten.

🎧 oudsten & opzieners
Delen: