GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Op Deze Rots…

16-05-2015 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 10 mei 2015 in Zoetermeer.

Als Jezus onder zijn leerlingen navraag doet naar zijn identiteit, zijn de antwoorden divers. Maar het is Petrus die verklaart: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God!”. En dan krijgt Petrus o.a. te horen: “op deze Petra zal Ik mijn ekklesia bouwen…”. Waar doelt Jezus op als Hij het heeft over “deze Petra”? Op Petrus zelf? Ja, zegt de Rooms Katholieke Kerk en claimt dat Petrus als eerste bisschop van Rome in successie zijn ambt heeft overgedragen. Met als 266-ste schakel in deze keten de huidige paus Franciscus. Maar hoe sterk is deze ketting?

Wat is rol van Petrus in dezen, volgens de Schrift? En wat zijn de sleutels die hem zijn toevertrouwd? Was hij inderdaad de eerste bisschop van Rome? Over welke ekklesia heeft Jezus het eigenlijk?

Een bespreking van Matteus 16:13-21.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt Jezus' uitspraak in Matteüs 16 dat Hij Zijn ekklesia op de 'petra' zal bouwen. Waar de rooms-katholieke traditie claimt dat deze rots naar de persoon Petrus verwijst als fundament van de kerk, toont de Schrift aan dat de rots doelt op Petrus' belijdenis dat Jezus de Christus is. Aan Petrus werden wel de sleutels van het koninkrijk gegeven om deuren te openen voor zowel Israël als de natiën. Uiteindelijk laat de Bijbel zien dat niet een menselijke opvolger, maar Christus Zelf de levende steen en het ware fundament is.

“De ekklesia zou gebouwd worden op deze petra, op dat wat hem was geopenbaard, namelijk op de Christus, de Zoon van de levende God.”

Inleiding: de Rooms-katholieke Claim Rondom Petrus ↑ hoofdstukken

Het kan wat merkwaardig lopen met aanleidingen, want op deze dag — en dat heb ik me veel te laat gerealiseerd bij de voorbereiding — staat mama centraal. Maar de aanleiding van deze samenkomst en van de keuze van het schriftgedeelte van vanmorgen is niet zozeer mama, maar hij die wereldwijd 'papa' genoemd wordt. Oftewel de paus. Paap, ja. Nou ja, terwijl ik zeg 'paap', denk ik: mijn schoonmoeder heet ook zo, dus dat is toch ook wel weer een beetje paaps. Dus uiteindelijk kom je dan wel weer bij moeder uit. Ze kan er ook niks aan doen dat ze Paap heet, en ze zijn al enige eeuwen in de familie protestant, heb ik begrepen.

Wat de aanleiding is... Wel, het is nog maar een paar dagen geleden dat ik met mijn jongens — met onze jongens, maar ik zeg toch even 'mijn' omdat mijn vrouw en mijn dochter daar niet bij waren, het was een strikte mannenaangelegenheid — een weekend in Rome was. En u begrijpt: als je in Rome bent, dan ontkom je niet aan een bezoek aan het Vaticaan en het Sint-Pietersplein. Daar waren we op audiëntie bij de paus. Nou, er waren nog een paar anderen trouwens ook, moet ik erbij zeggen. Het was zelfs zo dat als je de Sint-Pieterskerk in wilde, je uren — drie uur, begrepen we — in de rij moest staan om daar naar binnen te gaan. Ook de Sixtijnse Kapel bezoeken en bezichtigen hebben wij aan ons voorbij laten gaan.

Maar als je daar dan bent en je ziet al die Roomse praal, dan is dat heel indrukwekkend. Ik ben absoluut niet paaps en ik ben er ook niet paapser op geworden, maar het is wel enorm indrukwekkend als je dat allemaal ziet: die bouwwerken en hoe een heel instituut, een wereldkerk van honderden miljoenen mensen, daarop gebaseerd is. En alles wat daar dan heeft plaatsgevonden rond de eerste bisschop, Petrus, die daar dan inderdaad zou hebben gezeteld en die zijn ambt heeft overgedragen, iedere keer weer in successie aan de volgende bisschop van Rome. Hij heeft een primaat gekregen en dat is allemaal gebaseerd op het gedeelte waar we het vanmorgen over gaan hebben: Matteüs 16.

Inmiddels — en dat is wel een heel indrukwekkende rij, hoor, moet ik u zeggen — is de huidige paus nummer 266 in successie. Maar u weet het: een ketting is zo sterk als de zwakste schakel. Die ketting is heel erg lang, maar het gaat al mis bij de eerste. Daar wil ik het vanmorgen graag eens over hebben. Niet over de paus, ik wil daar ook niks kwalijks over zeggen; in ieder geval niet onnodig, laat ik het zo zeggen. Enig voorbehoud wil ik daar wel bij aannemen.

In Matteüs 16 beperk ik me tot een aantal verzen, van vers 13 tot en met vers 21 als ik me niet vergis. Laten we dat gedeelte eens nader bezien, wat daar staat opgetekend. Het zijn redelijk bekende verzen, maar ik kan me niet herinneren dat we op deze plaats ooit daar eens wat meer bij hebben stilgestaan. Je leest in vers 13 van Matteüs 16 het volgende.

Caesarea Filippi en de Zoon Des Mensen ↑ hoofdstukken

Toen Jezus in de omgeving van Caesarea Filippi gekomen was – en laten we dat eens even wat nader bezien, wat dat betekent. Want je had namelijk verschillende plaatsen die Caesarea heetten. Caesarea betekent natuurlijk dat de naam Caesar erin zit, de keizer. Maar je had een van de grootste steden in het land, sterker nog, op Jeruzalem na was Caesarea de grootste stad in het land in die dagen. Maar die stad lag aan de kust. Vandaar dat deze plaats ter onderscheiding Caesarea Filippi genoemd werd.

Dat ligt helemaal in het uiterste noorden van Israël bij de Hermon, dat wil zeggen bij de berg Hermon. Om het nog wat aanschouwelijker te maken: hier ziet u het Meer van Galilea en hier Kafarnaüm, waar Jezus nog een tijd gewoond heeft. En dan een heel aantal kilometers noordwaarts, dan kom je echt hier in de Golan; daar heb je de berg Hermon en hier had je Caesarea Filippi. Het ligt dus inderdaad in het uiterste noorden, tegen de grens van Syrië. Tegenwoordig is daar trouwens ook Syrië. En tegenwoordig heet het niet meer Caesarea Filippi, maar heet het de Banias. Is een van u daar weleens geweest? Ja, ik ook, een paar keer zelfs. Het is een prachtige omgeving, een schitterende omgeving. Want hier liggen namelijk de bronnen van de Jordaan.

En dat is wel grappig, want dat Banias komt van Paneas; dat is dus een verbastering. Het heette Paneas omdat het de grot van Pan was. Pan was de Griekse god van het natuurgeweld die vrees bij allen veroorzaakte. Ik heb 'allen' expres even gecursiveerd, want 'allen' in het Grieks is weer 'pan'. Daar komt ook ons woordje 'paniek' vandaan. Had u niet gedacht, hè? Maar in ieder geval, dit heette dus Paneas van oudsher. De Banias dus. Ik heb begrepen dat zelfs de panfluit daar nog mee te maken heeft, dat 'pan' van deze Griekse godheid.

En nog een ander plaatsje hier... Dit is dus, heb ik begrepen, vanuit... Dat kan ik me niet meer zo direct herinneren, maar in elk geval heb je vanuit deze omgeving van Caesarea Filippi, de Banias, uitzicht op die grote berg Hermon met zijn witte top en zijn eeuwige sneeuw. Dat is wel bijzonder. Daar wordt in de Bijbel trouwens ook nog aan gerefereerd in het boek van de Psalmen, Psalm 133. Maar in ieder geval heb je dan een idee waar het zo ongeveer was.

En dan lees je: toen Jezus daar in die omgeving van Caesarea Filippi gekomen was, vroeg Hij zijn discipelen: "Wie zeggen de mensen dat de Zoon des mensen is?" De Zoon des mensen, dat is eigenlijk een nogal messiaans geladen begrip. Eigenlijk staat er, zoals u ziet: 'de zoon van de mens'. En dat komt weer uit het Hebreeuws, namelijk Ben Adam. In Psalm 8, die bekende psalm, daar lees je... We hebben eigenlijk zojuist dat eerste lied gezongen dat is ontleend aan Psalm 8: 'Wat is dan de mens... en de Zoon des mensen, dat Gij naar hem omziet?' Herinnert u zich die tekst? Maar in elk geval, daar staat in het Hebreeuws: de Ben Adam.

En dat is meer dan alleen maar 'de zoon van een mens', dat is veel te algemeen. Want we worden hier door die term, de Ben Adam, ook echt herinnerd aan een persoon. Het is een persoonsnaam. Het is niet zomaar in het algemeen de zoon van de mens; nee, het is de Zoon, en dat moet je dan ook met Hebreeuwse oren beluisteren. De 'Ben', dat wil zeggen de erfgenaam van Adam. Dat wat Adam kreeg, dat erft zijn Zoon: een hele grote tuin. Hij gaat de aarde ook tot één grote hof maken. Adam moest de aarde bebouwen en bewaren en de hof uitbreiden. Wel, dat gaat de laatste Adam doen. Ik vind het ook zo mooi dat als die laatste Adam dan opstaat, de dag dat de steen is weggewenteld, dat dan gebeurt in een hof. Je leest dat Maria Hem als eerste ziet en ze dacht dat het de tuinman was. Dat was een vergissing, maar bij nader inzien was het geen vergissing, want het klopt juist. Hij is de Tuinman bij uitstek, degene die de hof beheert en die de aarde tot één grote tuin gaat maken.

Aan de Ben Adam zit nog meer vast dan wat ik nu zeg, maar in ieder geval wil ik ermee aangeven dat het een messiaans geladen term is. Nu vraagt de Heer hier aan zijn discipelen: "Wie zeggen de mensen dat Ik ben?" Nou, wat zegt men? U weet hoe het gaat als je de vraag gaat stellen: 'Wat zegt men?' Dan krijg je allerhande antwoorden, want er wordt wat afgeleuterd en gezegd en gesuggereerd. En welke gronden heeft dat dan zoal? Nou ja, goed, dan komen er antwoorden. De vraag is duidelijk: "Wat zegt men dat Ik ben?" Nog niet eens trouwens: "Wat zeggen de leiders van het volk?" Nee, wat zeggen de mensen in het algemeen? Er zongen kennelijk allerlei geruchten rond. De Heer had inmiddels ook heel veel indruk gemaakt in de omgeving waar Hij werkzaam was, waar Hij leerde in de synagogen en aan de kust van het Meer van Galilea, enzovoort. Dat had een grote indruk gemaakt.

En ze zeiden: "Sommigen Johannes de Doper." Dat lijkt wat vreemd, en dat is het ook trouwens. Want ja, ze hebben voor een groot gedeelte gelijktijdig geleefd. Johannes de Doper was een halfjaartje ouder dan Jezus zelf, zijn achterneef. Maar Johannes de Doper was inmiddels, aan het begin van Jezus' publieke bediening, natuurlijk onthoofd. Dus die was er niet meer, en men zag Hem aan als de personificatie van Johannes de Doper. Anderzijds zei men Elia. Die twee zijn ook al heel sterk aan elkaar gekoppeld, want u weet: Johannes de Doper werd ook geacht Elia te zijn, degene die kwam in de geest en de kracht van Elia, met zijn kameelharen mantel en zijn... wat was het? Hij at sprinkhanen, ja. Net als Elia. Dus die associatie is dan weer niet zo vreemd.

Trouwens, men wist ook – dat was de profetie – dat Elia zou komen. Dat is een van de laatste verzen van de Bijbel. In ons Oude Testament staat inderdaad dat voordat de grote dag des Heren zal komen, Elia zal komen om alles op te richten. Afijn, dat werd er dus ook gezegd. Trouwens, van Johannes de Doper lezen we dat hij inderdaad in de geest en kracht van Elia kwam. Maar goed, er waren nog wel andere suggesties. Weer anderen zeiden Jeremia of een van de profeten. Er zijn dus nog andere namen genoemd. Kortom, er kwam van alles voorbij.

De Goddelijke Openbaring aan Petrus: U Bent de Christus ↑ hoofdstukken

Maar nu gaat de vraag pas echt interessant worden, want dan zegt Jezus – Hij zei tot hen: "Maar jullie (gij is hier het meervoud), wie zeggen jullie dat Ik ben?" Nu komt de vraag heel wat dichterbij. En wie zou er een antwoord geven? Als u de evangeliën een beetje kent, dan weet u natuurlijk dat dit haast niet mis kan gaan. Degene die altijd het woord voerde, dat is ook altijd zo gebleven. Hij was de woordvoerder bij uitstek, de man die er altijd als 'haantje-de-voorste' bij was. Waarom ik 'haantje' zeg, is natuurlijk een beetje dubbelzinnig; daar hebben Tim en Ton laatst nog wat over verteld. Die haan en Petrus hebben immers wat met elkaar te maken. Maar hij was altijd degene die als eerste wat zei.

Want dan lees je in vers 16: Simon Petrus. Simon was zijn eigenlijke naam en Petrus is de naam die hij later heeft gekregen. Dat was overigens al bij de aanvang, want je leest in Johannes 1 dat wanneer Jezus Zijn discipelen rondom Zich verzamelt, het eerst Andreas is, de broer van Petrus – van Simon moet ik dan eigenlijk zeggen – die bij Jezus komt. Enthousiast brengt Andreas zijn broer bij de Heer en dan krijgt hij meteen al de naam Kefas. Kefas is Aramees en Petrus is Grieks. Beide talen werden in die dagen gewoon afwisselend gesproken, maar Aramees was in die tijd de taal van de Heer Zelf. Kefas – en de naam betekent (we komen daar uiteraard nog op) 'rots'. Het was een bijnaam. Jezus zegt dan trouwens ook meteen in Johannes 1 vers 43 – laat ik het even lezen, ik heb er geen dia van, maar er staat in Johannes 1 vers 43 (ik zit meteen bijna mijn Bijbel te scheuren, nee, dat doe ik niet): "En Jezus zag hem aan." Dat was de eerste ontmoeting. Hij zag hem aan en zei: "Jij bent Simon." Simon betekent trouwens 'de horende'. "De zoon van Johannes of Jona. Gij zult Kefas heten", wat vertaald wordt met Petrus.

Dat was dus nog niet de naam die hij toen direct kreeg, maar het werd al wel aangekondigd: "Je zult de naam Kefas gaan krijgen." Vanaf toen heeft hij misschien die bijnaam al gekregen, maar het wordt pas bij deze gelegenheid hier in Matteüs 16 daadwerkelijk zo uitgelegd en toegepast. Simon Petrus – wij kennen hem eigenlijk altijd zo. Min of meer is 'Petrus' zijn achternaam geworden trouwens. Dat vind ik wel leuk, want dat is mijn achternaam ook: Piet. Ja, van Petrus. Je hebt ook mensen die Petra of Pieter heten, dan heet je eigenlijk dubbelop. Het heeft allemaal te maken met Petrus de Rots.

Simon Petrus antwoordde en zei... Hij neemt het woord. En dat is zo’n indrukwekkend getuigenis. Ik bedoel, nadat er gevraagd is: "Wie zeggen de mensen dat Ik ben?", neemt Petrus het woord als dan indringend de vraag gesteld wordt: "Maar jullie, wie zeggen jullie nu dat Ik ben?" Dat is de vraag van Jezus hier. U moet zich ook realiseren: het is bij de bronnen van de Jordaan, bij de berg Hermon, buiten het gezelschap van de mensen. Hij is hier dus met Zijn intieme kring – ik zeg het er even bij, want dat zullen we straks ook zien – want dit is geen publiekelijk gebeuren. Hij vraagt het heel persoonlijk: "Wie zeggen jullie dat Ik ben?"

En dan is het Petrus die het woord neemt en hij zegt: "Jij bent" – of "U bent", zeggen we dan in het Nederlands. Dat klinkt eerbiediger, maar goed, in andere talen kun je het verschil niet maken; in het Hebreeuws en het Grieks ook niet. "U bent de Christus." Let op dat bepaalde lidwoord: de Christus. Maar niet zomaar een Christus, want Christus betekent – dat is weer een Grieks woord – 'gezalfde'. En dat komt weer uit het Hebreeuws, en dan is het Mashiach, Messias, wat ook 'gezalfde' betekent. Een koning werd gezalfd, een priester werd gezalfd, een profeet werd gezalfd. Maar eens zou komen: de Christus. Die was trouwens ook aangekondigd in het Oude Testament als de Christus. Zelfs in Daniël 9 lees je ook wanneer Hij zou komen, welnu, in die dagen dus: de Christus. En dat is wat Petrus zegt: "U bent de Christus." Dat is heel bijzonder, want dat werd echt niet zomaar rondverteld en Jezus predikte dat op dat moment absoluut ook niet Zelf. Het verbaast u misschien, maar het is echt zo; ik zal het straks ook echt onder bewijs stellen. Maar Petrus zegt: "U bent de Christus." Degene die het volk verwacht, degene die de Schriften hebben aangekondigd. "U bent de Christus" – laat ik het op zijn Joods zeggen: de Mashiach, de beloofde Messias.

"De Zoon van de levende God." Je moet dit allemaal heel letterlijk nemen. Gewoon zo letterlijk mogelijk, zoals het er staat. Waarom zou je omwegen bewandelen? Hij is de Zoon van de levende God. Dat is een geheim van Zijn persoonlijkheid. Hij is zonder tussenkomst van een man verwekt, met recht dus de Zoon van God. Er is maar één mens die dat kan zeggen, vanaf Adam tot nu. Hij is inderdaad verwekt door God Zelf. De geest van de Allerhoogste overschaduwde Maria en zo is Hij inderdaad met recht de Eniggeborene, de unieke Zoon van God.

En let op: de levende God. De levende God, dat is de God die allen levend maakt. Dat is niet alleen de God die Zelf leeft – met allemaal hoofdletters – maar ook de God die leven geeft aan allen. Ik heb expres deze tekst er even bij genoemd: in 1 Timoteüs 6 vers 13 staat het ook. Daar zegt Paulus: "Ik bezweer u bij de God die allen levend maakt." Een schitterende uitspraak. En dat verklaart bij uitstek die titel: de levende God. De God die leeft, dat staat tegenover de dodengoden. Maar het geeft aan dat het deze God is die aan het begin van het leven staat, maar die ook werkelijk de dood gaat overwinnen. Ik zeg het zo, want daarover gaat het hier. Hij is de Christus, juist ook omdat Hij uit de dood zal worden opgewekt en zo zal bewijzen de Zoon van de levende God te zijn. We zullen dat straks ook zien in vers 21, want vanaf deze belijdenis gaat de Heer Jezus daar over spreken. Houd dat even vast, ik kom er nog op terug, maar dit is een schitterende belijdenis.

En dat blijkt ook wel, want als we vervolgens in vers 17 de reactie van Jezus daarop lezen, wanneer Petrus dit zo radicaal, rechttoe rechtaan uitspreekt: "U bent de Christus, de Zoon van de levende God." Jezus antwoordde en zeide: "Zalig ben jij." Zalig, ja, dat klinkt ook zo rooms, hè? Maar het is gewoon 'gelukkig'. Nou ja, gewoon... gewoon is dat niet, maar ik wil maar zeggen dat het woord dat hier gebruikt wordt 'gelukkig' betekent. "Je bent gelukkig, Simon Barjona."

Barjona, dat betekent 'de zoon van Jona'. Bij Jona denken wij aan een duif; dat is wat de naam Jona betekent. U weet wel, die duif met de olijftak in zijn bek. Ik zeg het omdat dat het bewijs was dat, nadat alles op aarde verwoest was en de dood heerste op de wereld, er weer leven was. Ik refereer uiteraard aan de geschiedenis van de ark van Noach. Toen die duif kwam vliegen met die olijftak in zijn bek, was dat een embleem van leven dat de dood heeft overwonnen. Daar denk ik aan als ik aan een duif denk. Het is een geweldig embleem van hoop, van vrede – u weet het: de vredesduif – maar daarmee ook van leven.

Maar nog even een andere associatie: de zoon van Jona, dat wil zeggen dat die naam herinnert aan de profeet. Vandaar natuurlijk dat ik die vissenstaart noemde, die grote vis. U weet wel, Jona die drie dagen in de buik van de vis zat en daarna op het land gespuwd werd. Uit de doodswateren kwam hij weer op het land terecht. En het teken van de Zoon is dat ook: net als Jona op de derde dag zou opstaan uit de doden. Hoezo de Zoon van de levende God? Wel daarom: het is de God die leven wekt op de derde dag. Daar herinnert die naam Jona aan. Ik geef het u zomaar door.

Kijk, je kunt natuurlijk zomaar verdedigen: zo werden mensen heel dikwijls aangesproken. Iemand werd bij zijn voornaam genoemd en zijn achternaam – de zoon van... Zijn vader heette toevallig Jona en dus wordt hij Barjona genoemd. Dat is waar, maar vergis je niet: een woord staat er nooit zomaar. U ziet, op het moment dat je de naam Jona met zijn associaties en betekenissen erbij betrekt, dan klopt het hele plaatje. Het bevestigt precies waar het allemaal over gaat.

Jezus antwoordde en zei: "Zalig ben jij, Simon Barjona." Hoezo nou? Want vlees en bloed, dat is gewoon een Hebraïsme, een Hebreeuwse manier van spreken waarbij de mens wordt bedoeld. Zoals wij hier zitten, dat is vlees en bloed. Dat staat ook voor vergankelijkheid. Paulus zegt in 1 Korinthe 15: "Vlees en bloed zullen het Koninkrijk Gods niet beërven en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet." Vlees en bloed – dus vergankelijkheid.

Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard. Dat wil zeggen: je hebt dat niet van een ander, je hebt dat niet van 'men'. Men zegt zoveel. Men zegt: "Ja..." Maar dit is niet wat men jou heeft verteld. Dit is iets wat jou onthuld is, geopenbaard. Vlees en bloed onthult jou dat niet, maar de Vader van mij, mijn Vader in de hemelen, Die heeft jou dat bekendgemaakt.

Ja, hoe anders dan gewoon door Zijn Woord? Hoe zou Petrus dit weten? Was het hem verteld door mensen? Nee, door mensen was het hem niet verteld. Hoe wist hij het dan? De Schrift. Nou, ik geef direct toe dat Petrus bij lange na nog niet begrepen heeft waar hij het over had. Dat blijkt wel als je even... daar gaan we het vanmorgen niet meer over hebben, maar Jezus spreekt hem zelfs tegen. Hij zegt zelfs: "Ga weg achter Mij, tegenstander, satan."

Maar dat neemt niet weg dat deze belijdenis, dat wat Petrus hier zo rechttoe rechtaan zegt, een openbaring was, een onthulling rechtstreeks vanuit de hemel. "Mijn Vader, Die in de hemel is, heeft jou dat bekendgemaakt." Een mens vertelt je dat niet. Dat was toen in die dagen ook echt nog een strikt geheim, wat Petrus hier zei.

Petrus en de Petra: de Rots Waarop de Ekklesia Gebouwd Wordt ↑ hoofdstukken

En dan komen we bij vers 18. Als we het hebben over de Rooms-Katholieke kerk en alles wat daarmee verband houdt, dan is vers 18 een berucht, of zo u wilt, een beroemd vers. De Heer zegt hier namelijk iets heel bijzonders – voor zover het voorgaande al niet bijzonder was. Hij zegt nu iets tegen Petrus: "En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt." Kefas, dat wil zeggen: rots.

En op deze petra... Dat is eigenaardig, want Petrus en petra zijn in wezen hetzelfde woord; beide betekenen gewoon rots. Het ene is alleen een mannelijk woord (petros) en petra is een vrouwelijk woord. Dat is het verschil. Maar de Heer maakt hier dus duidelijk een onderscheid, of in ieder geval Matteüs door dat zo aan te geven: "Jij bent Petrus en op deze petra..." Vanwaar dat verschil?

In het voorgaande vers lazen we al dat de Heer tegen Petrus zegt: "Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard." En nu zegt Hij: "Op deze petra zal Ik mijn ekklesia bouwen." Die petra doelt onmiskenbaar op de belijdenis van Petrus; op dat wat hem was geopenbaard. Niet Petrus zelf is de petra – dat zijn twee verschillende woorden. De ekklesia zou gebouwd worden op deze petra, op dat wat hem was geopenbaard, namelijk op de Christus, de Zoon van de levende God. Het is nauw aan elkaar gelieerd en wordt in één adem genoemd, maar er is een onderscheid. Het gaat hier niet over de persoon van Petrus, maar over dat wat hij plechtig had verklaard. Dat zou de grondslag en de basis worden van de ekklesia die de Heer zou gaan bouwen.

Daarover straks meer, maar eerst nog even dit. Petrus heeft later brieven geschreven en in 1 Petrus 2 vinden we een hele mooie connectie. In vers 4 zegt hij: "En komt tot Hem, de levende steen." Hoezo de levende steen? Het is de steen die leven aan het licht bracht. Leven in de Bijbel spreekt in het algemeen van beweging. Hij is de levende steen, door de mensen wel verworpen – wat spreekt van zijn lijden en sterven – maar bij God uitverkoren en kostbaar. God heeft Hem levend gemaakt, vandaar: de levende steen.

Ik sla een paar verzen over en kom dan bij vers 7. Daar staat een citaat uit het psalmenboek: "De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is geworden tot een hoeksteen." Maar ook: "een steen des aanstoots en een rots der ergernis." Er worden hier door Petrus verschillende passages uit het Oude Testament bij elkaar gebracht. Hij heeft het hier dus over de steen, de levende steen, door mensen verworpen maar bij God uitverkoren. Het was de steen die de bouwlieden – en dan gaat het vooral over Israëls leidslieden – hadden afgekeurd. Weg ermee! Ze hebben Hem afgekeurd en weggedaan, maar wat blijkt? Die verworpen steen heeft God gemaakt tot een hoeksteen.

In het Grieks lezen we hier weer datzelfde woord dat we ook in Matteüs 16 tegenkwamen, namelijk petra. Een rots der ergernis – eigenlijk een rots van een valstrik – maar het gaat me even om dit woord. Hij is die steen, de levende steen: afgekeurd en verworpen, maar een hoeksteen. De hoeksteen, de basis en ja, een ander fundament kan er niet gelegd worden. Dat is trouwens weer een woord van Paulus: namelijk Christus. Hij, de Zoon van de levende God, Hij is de hoeksteen, maar ook de rots, de petra. Daarmee geeft Petrus feitelijk zelf ook antwoord op de vraag wie die petra dan is. Waar slaat dat op? Wel, dat slaat inderdaad op Christus. Of zo u wilt: niet op de persoon van Petrus, maar op zijn belijdenis; op dat wat hij heeft uitgesproken bij die gelegenheid daar in Caesarea Filippi.

Waarom de Claim van de Wereldkerk Bijbels Gezien Niet Klopt ↑ hoofdstukken

Nou, in dit verband ontkom je er niet aan wat de Rooms-Katholieke Kerk hierover zegt. Want u moet zich realiseren: de Rooms-Katholieke Kerk is gebaseerd op dit vers. Daar komt het echt op neer. Dit is dé cruciale tekst voor het hele Rooms-Katholieke instituut. Wat zegt namelijk de Rooms-Katholieke Kerk? Wat is haar claim?

Ja, over dat ding hebben we het nog niet zo lang geleden gehad, toen we het hadden over Dagon, die vissenkop, die visbek. Maar daar zullen we het verder niet over hebben. Herinneren jullie je nog dat we hier stonden langs de zuilengalerij? Dit lijkt zo klein op de foto, maar als je daar loopt, is dat echt gigantisch. Echt heel indrukwekkend hoor. Afgelopen maandag waren er trouwens niet zoveel mensen op het plein. Maar goed, hier staat de paus dus voor het Sint-Pietersplein en al die honderden miljoenen die luisteren naar de bisschop van Rome. Waarom is het zo belangrijk? Wel, zij zeggen: dit is Petrus. Dit is Petrus! Wat is daarmee zo bijzonder? Hij is de eerste bisschop van Rome en daarop zou de kerk gebouwd worden. Zij zeggen dus: de kerk is gebouwd op Petrus, en Petrus was de eerste bisschop van Rome, en Petrus heeft zijn ambt overgedragen in successie tot aan Paus Franciscus, nummer 266, als ik het me goed herinner.

En wat deugt hieraan niet? Nou, ik heb zojuist al wat gezegd over die petra, die rots waarop de Ecclesia gebouwd zou worden. Dat is de belijdenis van Petrus. Maar ik moet u zeggen: deze hele claim klopt niet, om allerlei redenen niet. De eerste is wel heel bijzonder als je het puur bijbels bekijkt. Er is niet één aanwijzing in de Bijbel, in de Schriften — daar maken ze zich trouwens in de Rooms-Katholieke Kerk uiteindelijk niet zo druk om hoor of het in de Bijbel staat ja of nee, want als de traditie het zegt, dan is dat meer dan genoeg — maar er is in de Bijbel niet één aanwijzing, laat staan bewijs, dat Petrus zelfs ooit in levenden lijve in Rome geweest is. Het zou best kunnen dat zijn graf in de loop der tijden, al in het begin van de kerkgeschiedenis, is verplaatst en dat hij inderdaad daar in het Vaticaan begraven ligt; er schijnen echt wel goede argumenten voor te zijn, maar er is bijbels gezien geen enkel argument dat Petrus zelfs ooit maar in Rome was.

En weet u waar het op gebaseerd wordt? Met name waarom Petrus daar wel was, dat wordt gebaseerd op 1 Petrus 5 vers 13. En weet u wat daar staat? Nee, ik wel. Juist. Daar zegt Petrus, dat is aan het slot van zijn brief: "U krijgt de groeten van mij uit Babylon." En simpel als ik ben, denk ik dan: oh, Petrus was dus in Babylon. Nee, zegt men, dat is juist een bewijs dat Petrus in Rome was. Nou, mijn zoon zou zeggen: daar moet je hogere wiskunde voor gestudeerd hebben om zo een conclusie te trekken. Want dan zou Babylon een schuilnaam zijn. Maar weet u, je kunt erover redeneren wat je wilt, er staat gewoon dat Petrus deze brief heeft geschreven vanuit Babylon. Dat is mijn vraag gewoon. Weet u wat ik denk? Dat Petrus zijn brief heeft geschreven, schrik niet, uit Babylon. Maar men zegt: nee, dat is Rome geweest, want dat staat in 1 Petrus 5 vers 13, want daar staat Babylon. U zegt: "Dit is dwaasheid, André." En dan zeg ik: ja, dat bedoel ik. Nog even wachten, het gaat nog boeiend worden. Het gaat nog heel bindend worden, dat zal ik u straks ook laten zien.

Dus ja, als er in de Bijbel niet eens één aanwijzing is dat Petrus überhaupt ooit in Rome is geweest, laat staan dat hij daar bisschop was — en dat nog afgezien van het punt dat petra helemaal niet slaat op de persoon Petrus maar op de belijdenis van hem — dat is het punt. Een andere kwestie is dat we nergens in de Schrift lezen dat Petrus zijn apostelschap, zijn ambt, heeft overgedragen. We hebben het geestelijke testament trouwens in ons bezit van Petrus, namelijk zijn tweede brief. Dat heeft hij geschreven vlak voor zijn heengaan, vlak voor zijn executie. En wat Petrus dan doet, is zijn lezers overdragen, niet aan iemand anders aan wie hij zijn ambt overgeeft, maar aan de Schriften. Lees het maar na in 2 Petrus 1. Hij beijvert zich dat zij voortdurend, ook na zijn heengaan, bepaald zouden worden bij de woorden van de apostelen. En daarom heeft hij de Schrift ook samengesteld, samen met andere apostelen, maar dat is nu even het punt niet. Maar in ieder geval: Petrus heeft aan het eind van zijn leven niet zijn lezers overgedragen aan een opvolger van hem. Nee, aan de Schriften. Daar zouden ze bij blijven en niet anders.

Afgezien trouwens van het feit dat een apostelschap niet eens overdraagbaar is. Want wat is een apostel? Een afgevaardigde, een ooggetuige van de opgestane Heer. En ik zal u vertellen wie de laatste daarvan was: dat was Paulus, in 1 Korintiërs 15 vers 8 geloof ik. "En als laatste de apostel Paulus." Dat is de laatste ooggetuige van de opgestane Heer. Dat is een kenmerk: iemand die Jezus, de Opgewekte, in levenden lijve heeft gezien en hoogspersoonlijk door Hem afgevaardigd is. Dat is een apostel. Dat kan dus helemaal niet eens overgedragen worden. Dat is nog een argument.

En er komt nog een punt bij, dat graaft nog weer wat dieper, maar het is wel heel essentieel: Petrus was een apostel van de besnijdenis. Zo wordt hij expliciet genoemd in Galaten 2 vers 7. En weet u wat dat betekent? Dat Petrus bestemd was voor Israël, voor de besnijdenis. Samen met Jakobus en Johannes richtte hij zich tot de besnijdenis. Er was wel een apostel die zich richtte tot de natiën, maar dat was Paulus. En het is wel heel frappant dat de wereldkerk haar wortels terugbrengt tot Petrus, die juist een apostel is van de besnijdenis. Maar weet u, daar kom je dan achter of daar word je heel sterk in bevestigd als je dan daar in Rome bent. Maar laat ik u dit zeggen, dat zeg ik helemaal niet exclusief in verband met de Roomse kerk, want ook de protestantse kerken en al die andere kerken claimen feitelijk dezelfde dingen. Ze zijn in de plaats van Israël gekomen, dus zij maken dat onderscheid sowieso niet. De Schrift maakt het wel. Maar Petrus is een apostel van de besnijdenis, zijn brieven zijn gericht aan de besnijdenis. Het staat er gewoon zwart op wit. En hoe is het mogelijk dat men via zulke ingewikkelde redeneringen dan komt tot zulke conclusies? Maar het is op niets uiteindelijk gebaseerd.

En de Schrift is zoveel rijker, zoveel duidelijker. Als de Heer dus zegt, en nou komen we weer terug bij vers 18: "Ik zeg jou, Petrus, jij bent Petrus — de rots — en op deze petra — dat wat jij zojuist gezegd hebt, dat wat jou niet onthuld is door vlees en bloed — daarop zal Ik mijn Ecclesia bouwen." Niet op jouw vermeende opvolgers daar als bisschoppen in Rome. Dat is allemaal uit de duim gezogen, anders kan ik het niet zeggen. Laat ik het nog anders zeggen: het is misschien gebaseerd op allerlei aannames van allerlei kerkvaders, maar als we uitsluitend ons richten tot de Schrift — die woorden waar Petrus aan het eind van zijn leven heeft gezegd: "Daar moet je wezen" — dan geldt: bij de Schrift alleen, laat je niks wijsmaken. Dus als je luistert naar Petrus, lees zijn brieven. Dan weet je wat voor hem van belang was en waarop die petra... daar zou de Heer inderdaad Zijn gemeente bouwen. "Zal Ik bouwen." Let op, dat is toekomende tijd. De Ecclesia waarover hier gesproken wordt, dat is trouwens ook weer zo'n term uit de traditie.

Ook de Rooms-Katholieke Kerk gaat daarvan uit, maar ook protestantse kerken: namelijk de ene algemene kerk van Adam tot aan de jongste dag. Wel, dat is een concept dat de Schrift niet kent.

Hier wordt gesproken over een ekklesia die nog gebouwd gaat worden. Op de belijdenis – dat wat Petrus zojuist heeft verklaard – daarop zal de Heer Zijn ekklesia bouwen.

En hier moeten we toch echt in de eerste plaats... Ik vind het helemaal niet moeilijk om ook toepassingen te maken naar de ekklesia die vandaag gebouwd wordt, die de Heer Zich verzamelt. De ekklesia die Zijn lichaam is, die ook gebouwd is op de Rots – ik bedoel de Heer Zelf, de Zoon van de levende God – dat is allemaal waar.

Zulke toepassingen kun je maken, maar lees even gewoon in deze context. Als de Heer dit tegen Petrus zegt, als Hij zegt "Mijn gemeente bouwen", dan denk ik aan de ekklesia die uit Israël gebouwd zal worden wanneer straks het Koninkrijk openbaar wordt. Dat soort onderscheidingen kennen we in de Schrift.

Er zijn tijden, en in de dagen van het boek Handelingen speelt Petrus een hele grote rol in de verzameling van die ekklesia. In de toekomst gaat dat weer gebeuren, maar laat ik eerst nog even deze zin erbij betrekken.

De Poorten van de Hades en de Schuilplaats Petra ↑ hoofdstukken

En Ik zal mijn ekklesia bouwen en de poorten van het dodenrijk, de poorten van de Hades, zullen haar niet overweldigen. Wat de Heer hier tegen Petrus zegt, is een geweldige belofte. Dat wat je zojuist hebt uitgesproken, wat niet door mensen is geopenbaard maar door mijn Vader in de hemelen, dat is zo’n geweldige belijdenis. Daarop ga Ik mijn ekklesia bouwen. Bovendien zullen de poorten van de Hades, van het dodenrijk, haar niet overweldigen.

We hadden het nog niet zo heel lang geleden op deze plaats ook over Simson, weet u nog? Hij was daar bij de poorten van Gaza en zat gevangen; hij was eigenlijk gewoon gedoemd om te sterven, gevangengenomen en gedood te worden. En wat doet Simson? Hij neemt de poorten daar weg en hij brengt ze boven op de berg die tegenover Hebron ligt. Een schitterend beeld. Daar moet ik aan denken: aan Degene die bij machte is om de poorten van het dodenrijk te overwinnen, de Zoon van de levende God. Vandaar ook: de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.

Ik wil u meenemen naar nog een andere Schriftplaats, naar Openbaring 12, want dat maakt het nog wat concreter. In Openbaring 12 lees je zo’n beeld: er wordt een teken in de hemel gezien. In de eerste verzen van Openbaring 12 lees je over een vrouw die in verwachting is van een mannelijk kind. Ze schreeuwt het uit en zij zou een mannelijk kind baren. Het gaat hier echt over een volk, het gaat hier niet over Maria, zoals de Rooms-Katholieke Kerk denkt. Dat kan helemaal niet. Er staat dat zij een zoon baarde, maar dit is een volk. Ik geloof dat de zoon waarvan hier sprake is, ook een volk is. Ik geloof dat ik daarbij mag horen en velen van u net zo goed: namelijk tot die ekklesia die het lichaam van Christus is. Ik ga dat nu verder niet al te zeer uitdiepen, maar ik stip het even aan. Zij baarde een zoon, een mannelijk wezen dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf, en haar kind werd plotseling weggerukt, weggevoerd naar God en Zijn troon.

Dat klinkt heel mysterieus, maar het is dan ook een teken. Voor het woord dat hier wordt gebruikt, 'weggerukt', gebruikt Paulus in 1 Tessalonicenzen 4 hetzelfde woord wanneer hij spreekt over het feit dat zij weggerukt zullen worden en de Heer tegemoet zullen gaan in de lucht. Het is hetzelfde woord dat hier wordt gebruikt: de wegrukking van die mannelijke zoon, hoofd en lichaam. Maar goed, daar gaat het nu even niet om, want ik wil u wijzen op het zesde vers. Daar lees je wat er gebeurt nadat dat heeft plaatsgevonden: de vrouw vluchtte naar de woestijn. De vrouw Israël vlucht naar de woestijn nadat die mannelijke zoon dus is weggerukt tot God en Zijn troon. De vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft die door God is bereid, opdat zij daar 1260 dagen onderhouden zou worden.

Wat er gaat gebeuren in de toekomst, is dat de Heer de draad weer zal opnemen met Zijn volk Israël. Hij zal haar verzamelen in de woestijn, op een plaats die door God bereid is. En daar zullen de poorten van het dodenrijk haar niet overweldigen. De Heer zal dat volk daar op die plaats in de woestijn bewaren, en ze zal daar onaantastbaar zijn. Ze neemt haar toevlucht tot die plaats en daar is ze veilig. Ik geloof dat er dan ook heel wat psalmen gezongen zullen worden waarin je leest: 'Heer, U bent ons een toevlucht en U bent de rots.'

Ik zal u nog wat vertellen: er is een plaats in de woestijn die zo heet, namelijk Petra. Ik vind het niet moeilijk om die link te leggen, want straks gaat de Heer onder het volk van de besnijdenis — het Joodse volk, het volk van Israël — daar verzamelen. Hij gaat haar daar ook bewaren. Wat de omstandigheden en de context daarvan zijn, doet nu even niet ter zake, maar de Heer gaat dat volk daar bewaren. Hij gaat zijn ekklesia daar bouwen en de poorten van de Hades zullen haar niet overweldigen. Deze rotsstad bevindt zich daar. Het is een hele legendarische plaats die in de Bijbel meestal Bosra wordt genoemd; dat is dezelfde omgeving. U kent die plaats wel. Ik ben er zelf nog nooit geweest, maar op internet zijn er vele filmpjes en foto's te zien. Dat is het mooie van tegenwoordig: je hoeft eigenlijk helemaal geen reizen meer te ondernemen. Het was een schitterende stad, maar dat is de plaats waar de Heer dus ook Zijn volk zal verzamelen, het Joodse volk.

Het is dus heel dubbelzinnig. De woorden die de Heer zegt in Matteüs 16 vers 18, 'op deze petra', gaan inderdaad over die belijdenis. Maar ik vind het zo frappant dat er daar in de woestijn ook een plaats is die uitgerekend weer Petra heet, waar dat volk verzameld en bewaard zal worden en waar de poorten van het dodenrijk haar niet zullen overweldigen. Dat is signaal nummer twee. Bij de derde waarschuwing... nou Jeffrey, nog even geduld jongen, we zijn in vers 19, ik hoop dat je dat geruststelt. De Heer gaat verder.

De Sleutels van het Koninkrijk Der Hemelen ↑ hoofdstukken

Hij zegt tegen Petrus: "Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen." U kent natuurlijk het beeld. Petrus, die eerste bisschop van Rome naar men zegt, maar ook degene met de sleutels van de hemelpoort. Waarop is dat gebaseerd? Dat is gebaseerd op vers 19 van Matteüs 16. Het is allemaal op de klank af, maar het gaat er helemaal niet over. Het gaat niet over de kerk, de heidenkerk, maar over het koninkrijk. Niet een koninkrijk in de hemel, maar het koninkrijk van de hemel. Het is een koninkrijk dat zijn oorsprong heeft in de hemel; een koninkrijk op aarde.

Aan Petrus worden sleutels gegeven, en waarom anders dan om deuren te openen? Niet om mensen binnen te laten in de hemel. Er zijn talloze grappen en moppen gebaseerd op dat concept: het idee dat Petrus de toegang geeft tot de hemel, of juist niet, waardoor je in de hel terechtkomt. Ja mensen, waar hebben we het over? Het heeft wel iets met de Bijbel te maken, maar je hebt dan echt de klok horen luiden zonder te weten waar de klepel hangt. Ik ken ook nog varianten, maar laat ik de draad weer oppakken. Petrus zijn de sleutels gegeven.

Dat is helemaal geen mysterieuze zaak, want Petrus is inderdaad degene die de sleutels van het koninkrijk heeft. Hij zet de deur ook open. Lees het boek Handelingen maar. In Handelingen 2 neemt Petrus het voortouw. Daar op het tempelplein in Jeruzalem richt hij het woord en opent hij de deur voor Israël. Vele duizenden, drieduizend mensen, komen dan ook inderdaad meteen op die Pinksterdag binnen. Later in Handelingen 8 lees je dat Petrus naar de Samaritanen gaat. En Handelingen 10 is helemaal bekend: Petrus is het die de deur opendoet voor de natiën. Cornelius, u weet het wel, die Romein. Petrus hanteert sleutels. Hier op aarde een hemels koninkrijk, het koninkrijk der hemelen. Het gaat hier dus inderdaad over Petrus.

"Ik zal jou de sleutels geven van dat koninkrijk der hemelen en wat jij op aarde binden zult..." – dat bedoelde ik toen ik zei dat het nog boeiend wordt, of liever: bindend. Wat Petrus als apostel spreekt en heeft uitgesproken – en wat ook is opgetekend – zou bindend zijn. Er zijn vele toepassingen van te geven, maar zijn woorden zijn inderdaad bindend. Wat hij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel; wat hij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel.

Een van de dingen die Petrus ontbindend verklaard heeft, is het oude verbond. Een verbond is trouwens ook iets wat verbindt. Welnu, het oude is ontbonden en er is een nieuw verbond voor in de plaats gekomen. Petrus is de apostel van de besnijdenis en hij is degene die dat bindend en ontbindend verklaard heeft. Hij draagt die sleutels; dat wil zeggen dat aan hem de sleutels van dat koninkrijk worden gegeven.

Laten we nog even verder lezen. Toen – en dat is ook het bewijs waar ik al eerder aan refereerde – was dit een geheim gebeuren. Daar, helemaal bij de berg Hermon, werden deze dingen in intimiteit gedeeld. Het moet een geweldig moment zijn geweest. Maar dan lees je: "Toen verbood Hij met nadruk zijn discipelen aan iemand te zeggen: Hij is de Christus." Dat was wel zo, maar het was prematuur; het was voorbarig om dat toen al te zeggen.

Later, als Petrus de deur openzet voor de inwoners van Jeruzalem op het tempelplein – ja, je draagt sleutels of je draagt ze niet – dan zegt hij: "Het zij u dan bekend..." Dit is de conclusie van zijn toespraak: "Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten..." Hier zie je ook weer Petrus als de apostel van de besnijdenis. "Dus moet ook het ganse huis Israël zeker weten dat God Hem, degene die is opgestaan uit de doden, tot Heer en tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus die jullie gekruizigd hebben." De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd, is door God tot een hoeksteen gemaakt: de rots, de petra.

Hij is het die nu, juist krachtens zijn opstanding, de Christus is, de Gezalfde, gezalfd met Gods Geest en tot leven gewekt. Bovendien is Hij dus ook met recht de Zoon van de levende God in de volle zin des woords. De Christus, de Maschiach, de Zoon van de levende God. Hier mocht het nog niet gezegd worden, nadrukkelijk niet; dit was intiem. Maar een korte tijd later is het Petrus die dat publiekelijk op het tempelplein zegt. Hij verklaart dat het hele huis Israëls dit zeker moet weten en hij verklaart dat bindend. Inderdaad, hij is degene die daar de sleutels draagt en ze ook toepast door de deuren open te zetten. Maar hier mocht het nog niet gezegd worden. In de dagen van de omwandeling van de Heer Jezus werd niet verteld: "Hij is de Christus." Dat mocht nog niet bekend worden. Het was wel zo, maar het mocht nog niet worden verteld. Dan lees je nog het laatste vers wat ik uit dit gedeelte wil lezen.

De Noodzaak van Zijn Lijden en Opstanding ↑ hoofdstukken

In de meeste Bijbels is dat een nieuwe pericoop. Maar dan lees je er nog bij – en dat wil ik er nog even bij betrekken: van toen aan, dus vanaf dat moment dat Petrus dit verklaard heeft en dat dit ook tegen Petrus gezegd is. Van toen aan begon Jezus Christus – mooi hè? Matteüs schrijft het achteraf en zegt dat Jezus Christus Zijn discipelen begon te tonen. Ja, Hij heeft het laten zien. Niet alleen maar verteld, maar getoond. Vanuit de Schriften heeft Hij het laten zien. Hij begon Zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan. Ze waren nu dus helemaal in het noorden van Israël, maar ze gingen naar Jeruzalem en Hij wist: dit wordt een lijdensweg.

Want Hij zou naar Jeruzalem gaan; Hij moest ook gaan. Dat woordje "moest", dat is letterlijk in het Grieks: het is bindend. Er was geen ontkomen aan; Hij moest naar Jeruzalem gaan. En veel lijden van de zijde van de oudsten, van de overpriesters – de hogepriesters, de Sadduceeën met name – de schriftgeleerden en de farizeeën. Juist van hen, opmerkelijk hè. De hogepriesters en de schriftgeleerden; zij die dus de Schriften beheerden, maar totaal onwetend waren.

En ga nu niet zeggen: "Ja, dat was toen." Ik laat u dit vertellen: vandaag is het niet anders. Men heeft de Schriften wel, men refereert er ook aan en men beroemt zich erop, maar men kent het niet. En degenen die daarover spreken... nou ja, de Heer heeft gesproken vanuit het Woord. En juist van die zijde heeft Hij veel moeten lijden. Sterker nog, Hij zou door hen gedood worden. Feitelijk was dit ook profetisch, want Hij zou gedood worden door de hogepriesters. Met andere woorden: de hogepriesters zouden het offer gaan brengen. Volstrekt onwetend, maar dan weet je meteen wat ze deden: dit was het offer. Hij leed, Hij stierf, Hij werd geslacht.

Maar als de Heer dat zegt, dan koppelt Hij daar meteen aan wat er daarna zou gebeuren. Dit is wat mensen deden: de steen die de bouwlieden hebben afgekeurd. Maar God heeft Hem tot een hoeksteen gemaakt en tot de rots, de petra. Namelijk: ten derden dage zou Hij worden opgewekt. Dit kwartje is niet gevallen. Het is pas later – je leest dat ook op andere plaatsen – dat de discipelen zich deze woorden herinneren; dat de Heer het inderdaad allemaal al gezegd had. Maar het was te veel; ze konden dat niet dragen, ze begrepen het niet. Een mens heeft zoveel blinde vlekken en je hoort eigenlijk alleen maar wat je wilt horen en kunt horen. Dat is echt zo.

In ieder geval, dit hebben ze niet begrepen. Later is het hun in herinnering geroepen: Jezus heeft het allemaal gezegd. En ook dat Hij ten derden dage opgewekt zou worden. De Zoon van de levende God, dat is die petra. Deze rots, daarop zou Hij Zijn ekklesia bouwen. Ik stel voor dat we daar nog niet over zingen.

🎧 Op Deze Rots…
Delen: