GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Het Brandofferaltaar

17-05-2015 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 17 mei 2015 in Den Haag.

Het eerste atribuut in de voorhof van de tabernakel en later de tempel, was het brandofferaltaar. O.a. Exodus 20 en 27 spreken daarover. Over de vorm, de afmetingen, de materialen, de hoornen aan de hoeken, het rooster, de ringen, de draagbomen en uiteraard de functie van het altaar in het algemeen.

Uiteraard staat niets voor niets in de Schrift vermeld en hebben alle details betekenis. Het altaar is als gezalfde verhoging een heenwijzing naar de verhoogde Christus. Het staat als type niet voor zijn vernedering aan het kruis maar voor zijn verhoging in opstanding en hemelvaart.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Het brandofferaltaar is in al zijn details een voorafschaduwing van de verhoogde Christus, en niet van Zijn uiterste vernedering aan het kruis. Omdat er bij de benadering van het altaar geen mensenwerk of trappen aan te pas mochten komen, laat het zien dat naderen tot God louter Zijn eigen werk is. De afmetingen, de materialen zoals het vuurbestendige koper, en de hoornen spreken van onvergankelijkheid, overvloedige genade en een wereldwijd koningschap. De offerdienst, waarbij het geslachte offer omhoog steeg, illustreert de opstanding en hemelvaart van de Messias. Het bestuderen van dit altaar is hiermee een krachtige oproep om af te zien van eigen religieuze inspanningen en uitsluitend te roemen in Gods wonderen.

“In één zin: het brandofferaltaar gaat inderdaad over Hem die verhoogd is, de verhoogde Christus.”

De Verhoogde Christus en het Brandofferaltaar ↑ hoofdstukken

Een hele goede morgen, vrienden. Blij weer eens in uw midden te zijn. Dat was de laatste keer 1 maart, dus inmiddels alweer een paar maanden geleden, en het is altijd weer heel goed — en dat meen ik uit de grond van mijn hart — om hier weer te toeven.

Ik stel voor dat we vanmorgen eens gaan nadenken over het onderwerp dat u hier geprojecteerd ziet op het scherm. Dat is eigenlijk naar aanleiding van Hemelvaart. Ik had aanvankelijk een ander onderwerp in gedachten; ik wilde iets vertellen over de hogepriester die in het heiligdom ging, maar ik dacht dat het wellicht verstandiger is om het eens te benaderen aan de hand van dit thema. Dat is ook een beetje omdat ik van mening ben dat er heel dikwijls voorbijgegaan wordt aan de geweldige betekenis van dit attribuut in de tabernakel en later de tempel. Meestal ook omdat het zo beperkt wordt gezien.

Laat ik u dan meteen dit zeggen: als u alles vergeet wat ik vanmorgen ga vertellen, dan weet u in ieder geval bij dezen de samenvatting. In één zin: het brandofferaltaar gaat inderdaad over Hem die verhoogd is, de verhoogde Christus. Afgelopen donderdag is dat wereldwijd in de kerkelijke wereld gevierd: dat Jezus Christus niet alleen maar verrezen is, maar veertig dagen later ook ten hemel is gevaren. Terwijl ik het zo zeg, denk ik: is het helemaal correct wat ik nu vertel? Want feitelijk gebeurde dat al op de dag dat Hij opstond. Het is een beetje cryptisch wat ik nu zeg, maar wellicht dat we daar nog eens een keertje op terugkomen.

Hemelvaart, de verhoging van Christus; wat ik u wil laten zien is dat het in het Oude Testament allemaal al uitgebeeld wordt. Niet alleen dat er voorzeggingen gedaan worden over wie de Christus zou zijn, wanneer Hij zou komen, waar Hij zou verschijnen en wat er met Hem zou gebeuren, maar ook in allerlei beelden en schaduwen. Dat wil zeggen: beelden waarbij je slechts de contouren ziet, die misschien in zichzelf duister zijn. Dat zie je vooral in de offerdienst, die heel bloederig is en alles met de dood te maken heeft. Maar in wezen zijn dat schaduwen; in de contouren zie je het licht. In zichzelf is het duister, maar wat er gezien wordt is licht, namelijk de Christus.

Zoals gezegd kunt u dat doen aan de hand van talloze beelden in het Oude Testament. Ik noemde net het voorbeeld van de hogepriester die eens per jaar, op de Grote Verzoendag, inging in het heiligdom. Dat is een schitterend type. Er is een hele brief die daar feitelijk over gaat, waarin uitgelegd wordt dat dat inderdaad een uitbeelding is van Hem, de verrezen Hogepriester naar de ordening van Melchizedek, die nu op het hoogste niveau, onttrokken aan het oog, achter het voorhangsel in het binnenste heiligdom gezeten is. Dat zijn hele plechtige woorden die ik nu uitspreek, maar het is feitelijk een samenraapsel van citaten die je met name in de Hebreeënbrief vindt.

Je ziet het ook in allerlei andere geschiedenissen: van Jozef die vernederd werd en in de gevangenis kwam, maar uiteindelijk verhoogd werd; in de geschiedenis van Mozes en van David. Noem maar op! Overal zie je niet alleen vernedering, maar ook de verhoging van Christus. Nu wil ik dat aan de hand van het brandofferaltaar voor vanmorgen eens duidelijk maken en laten zien hoe dat brandofferaltaar spreekt van Hem die verhoogd is.

Ik zeg dat erbij omdat meestal gezegd wordt — en ik heb het juist de afgelopen dagen weer gemerkt omdat ik daarmee bezig was en wat lectuur naloeg — dat het spreekt van het kruis. Ik heb prachtige boeken van Johannes de Heer, die ooit een boek schreef over de tabernakel en daarin uiteraard ook ingaat op het brandofferaltaar. Hij beschrijft dan dat dit spreekt van het kruis. Ik ben dat in talloze boekjes tegengekomen. En dat is eigenlijk heel eigenaardig, want het brandofferaltaar is een verhoging, maar is het kruis een verhoging? In de Bijbelse zin van het woord is het zo dat Hij Zichzelf ontledigd heeft. We lezen in de Filippenzenbrief dat Hij Zichzelf ontledigd heeft en Zich vernederd heeft tot de dood, ja, tot de dood van het kruis. Het kruis is in Bijbelse zin niet Zijn verhoging. Fysiek zou je dat kunnen verdedigen omdat Hij opgehangen werd aan een paal, maar dat is niet het idee. Het kruis is Zijn uiterste vernedering. Daarom staat er trouwens ook in datzelfde Filippenzen 2 waar ik zojuist uit citeerde: "Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam gegeven boven alle naam." Maar dát is de verhoging, niet het kruis. Het brandofferaltaar, dat is wat ik vanmorgen wil laten zien, spreekt inderdaad van de verhoogde Christus.

Een altaar sowieso is al niets anders dan een verhoging. En wat gebeurde er op dat altaar? Er vond geen sterven plaats; een dier werd niet gedood op dat altaar. Dat vond allemaal van tevoren plaats, voor het altaar. Het doden en slachten van het offerdier vond niet plaats op het altaar. Eerst werd het dier geslacht en vervolgens kwam dat geslachte dier — een lam, een bok of een stier — op het altaar als geslacht dier, dus inmiddels dood. Daar werd het verhoogd en vervolgens steeg het op tot God. Als ik het zo zeg, begrijpt u meteen ook de Bijbelse symboliek, namelijk dat het verwijst naar het Lam dat staat als geslacht. Dat is een heel eigenaardige formulering die je in het boek Openbaring treft, maar als je de essentie van de Bijbelse boodschap kent, komt dat meteen binnen. Wij kennen het Lam dat geslacht is. Normaal gesproken zou dat liggen; een dier dat geslacht is, is dood en ligt. Maar wij kennen een Lam dat geslacht is en dat staat, omdat Hij opgestaan is uit de doden. Daar heeft dat brandofferaltaar mee te maken.

Even voor de goede orde, voordat ik dat vergeet voor degenen die weinig weten van die offerdienst, de altaren en de tabernakel: je had daar het terrein van de tabernakel — laat ik me daartoe even beperken. Je had de voorhof en als je de omheining was binnengegaan door de grote ingang met alle kleuren en details die allemaal geweldige betekenissen hebben waar ik nu aan voorbijga, dan was het eerste attribuut dat je tegenkwam het brandofferaltaar. Zo wordt dat in onze vertalingen genoemd. Daarna kreeg je het wasvat voor de priesters en daarna de eigenlijke tabernakel, het huis van God met het heilige en daarachter weer het heilige der heiligen. We houden ons vanmorgen puur bezig met dat wat je meteen bij de ingang al ziet: het brandofferaltaar.

Het Altaar als de Gezalfde Messias ↑ hoofdstukken

En dat het altaar spreekt van Christus, dat is niet zo moeilijk. Als je ook dit weer gewoon heel letterlijk de Schrift leest, dan stuit je daar als vanzelf op. Want dat altaar was — en dat geldt trouwens voor alle attributen van de tabernakel — gezalfd. En dat betekent dat het altaar dus, als ik het in Hebreeuwse begrippen benader, een Messias was. Het woord Messias komt uit het Hebreeuwse masjiach, en masjiach betekent ‘gezalfd’.

Laat ik u dat laten zien in Exodus 40 vers 10, in het laatste hoofdstuk van Exodus. Daar lees je: "Ook zult gij het brandofferaltaar zalven." Hier wordt in het Hebreeuws exact hetzelfde woord gebruikt: masjiach. Gezalfde. "Gij zult het brandofferaltaar zalven." Ik heb er een plaatje bij gedaan; hier zie je dat in dit geval het altaar gezalfd wordt, maar bij andere gelegenheden wordt een koning gezalfd. Wie wordt hier gezalfd, denkt u? David. Dat weet ik vrij zeker, omdat hij gezalfd wordt met een hoorn. Hij werd gezalfd, en dat wil zeggen dat er olijfolie op hem werd gesprenkeld. Olijfolie is ook weer een beeld van leven. Jezus werd gemaakt tot Christus doordat Hij overgoten werd met geest en leven. Dat spreekt ook weer van Zijn opstanding uit de doden. Zo werd Hij Koning-Priester.

Zoals ooit David gezalfd werd vanuit een hoorn — en hou dat even vast, want we komen die hoorns straks nog weer tegen bij dat altaar; ja, een altaar met hoorns, maar daarover straks meer — zo moest ook het brandofferaltaar gezalfd worden. "Gij zult het brandofferaltaar zalven met al zijn gerei", dus alles wat daarbij hoort, alle attributen. "Zo zult gij het heiligen en het brandofferaltaar zal allerheiligst zijn." In de Statenvertaling staat daar: "het zal een heiligheid der heiligheden zijn." Dat is inderdaad een typisch hebraïsme; een 'heiligheid der heiligheden', zoals het 'Lied der liederen' of 'ijdelheid der ijdelheden'. Het is een overtreffende trap.

Dat altaar is haast letterlijk het eerste waar je tegenaan loopt als je de tabernakel ingaat of het terrein betreedt, en dan kom je meteen bij het allerheiligste. Het is een heiligheid der heiligheden. Het is gezalfd, het is een verhoging en het confronteert ons met de Gezalfde. Daar spreekt het van: het spreekt van Christus. Dus als ik vanmorgen zeg dat het brandofferaltaar spreekt van de verhoogde Christus, dan is dat zo voor de hand liggend. Daar hoef je nog niet eens allerlei andere passages voor op te zoeken; de tekst zelf geeft het al aan. Een altaar is een verhoging en het is gezalfd. Dat wil zeggen: het spreekt van Christus.

Maar ach, wat zeg ik? Dat is wat de Heere Jezus ooit tegen de Emmaüsgangers al zei toen Hij hen confronteerde na al hun vragen en opmerkingen. Toen zei Hij: "O onverstandigen en tragen van hart", en vanuit de boeken van Mozes, de profeten en al de Schriften liet Hij zien wat er op Hem betrekking had. Al de Schrift — dat is wat ik wil zeggen — spreekt van Christus. De Gezalfde, de Verhoogde, Die door God verhoogd is.

Geen Mensenwerk: Naderen Zonder Trappen of Gehouwen Stenen ↑ hoofdstukken

Nou, voordat we specifiek op dat brandofferaltaar komen, wil ik u eerst even meenemen naar Exodus 20. U weet wel, dat is dat bekende hoofdstuk met de 'tien woorden', de zogenaamde tien geboden. Maar aan het eind van dat hoofdstuk wordt er iets gezegd over het altaar. Het altaar, dat wil zeggen: het brandofferaltaar. Er zijn zomaar wat introducerende dingen die ik er vanmorgen over vertel, want er vond op dat altaar en bij dat altaar heel wat plaats. Laten we het eens lezen. In Exodus 20, aan het eind van het hoofdstuk, staat in vers 24 dit: "Een altaar van aarde zult gij voor Mij maken." Aarde, Adama, dat is waar u en ik uit genomen zijn; dat wil zeggen: uit de aarde. Een altaar van aarde zult gij voor Mij maken. Een altaar is een verhoging. En hoe maak je een verhoging? Nou, onder andere van aarde gewoon, van grond dus, of van zand. Van de aardbodem. Dat is wat Adama is. "Een altaar van aarde zult gij voor Mij maken en daarop offeren uw brandoffers, uw vredeoffers, uw kleinvee, uw runderen."

Let trouwens even op dat woordje 'brandoffers'. Wat wij een brandoffer noemen, is in het Hebreeuws eigenlijk een 'offer van opstijgingen'. Dat wil zeggen: het gaat op, het wordt verhoogd. Bij ons is de gedachte bij het woord brandoffer dat het verbrandt. Dat is wel zo, maar dat is niet de essentie. De essentie is niet dat het verbrandt; de essentie is dat het opstijgt naar boven. Uiteraard, want dat is nu eenmaal eigen aan iets wat opstijgt: dat gaat omhoog. Er staat in Bijbelse taal vaak nog bij: "Gode tot een lieflijke reuk." Dan begrijp je eigenlijk ook meteen dat dit niet te maken heeft met het kruis. Dat was afzichtelijk, daar heeft God Zich afgewend, daar was het duister. Nee, wat op het altaar opsteeg, dat was lieflijk voor God, omdat het spreekt van Hem die God uit de doden heeft opgewekt, hoogstpersoonlijk, en geplaatst heeft op de allerhoogste positie.

Nog even tussendoor: als dat offer in rook opging en opsteeg, dan was dat aangestoken. Maar weet u door wat voor vuur? Niet door vuur dat de mens had gemaakt. Als dat wel eens een keer gebeurde — we lezen in de Bijbel dat dit voorkwam — dan wordt het 'vreemd vuur' genoemd. Dat nam God buitengewoon hoog op. De geschiedenis van Datan en Abiram, nou ja, dat is vreemd vuur. Maar God antwoordde Zelf op het offer door het Zelf aan te steken. Er zijn diverse passages waar dat gewoon expliciet zo staat: God stak het offer zelf aan. Vuur kwam uit de hemel; zo antwoordde God. God nam het offer tot Zich door het Zelf aan te steken. Dat vind ik ook zo prachtig als we het in het licht van de Christus, de Gezalfde, zien. Hoe is Hij de Christus geworden? Doordat God Hem heeft opgewekt uit de doden. Hij gaf Geest en leven vanuit de hoogte inderdaad. Niet vuur van beneden, maar vuur van boven. Dat is wat Hem deed opreizen en opstijgen. Daar spreekt dat brandoffer dus van. Het was eerst geslacht, dat is waar, maar de gedachte is: de Geslachte is niet de Geslachte gebleven. Hij is verrezen en opgestegen.

Er staat dan nog bij in vers 25 van Exodus 20: "Indien gij echter een altaar van stenen voor Mij maakt..." Dat was dus een andere optie. Het kon van aarde, grond of zand gemaakt worden, maar het kon ook van stenen gemaakt worden, gewoon van natuurstenen. Dat blijkt, want er staat: "Indien gij echter een altaar van stenen voor Mij maakt, dan moogt gij het niet bouwen van gehouwen steen." Wel van steen, maar daar mocht geen mensenhand aan te pas komen. Er mocht dus ook niet van bakstenen worden gebouwd. Daar had men recentelijk trouwens heel veel ervaring mee, want dat was wat ze eeuwenlang in Egypte hadden gedaan: tichelstenen maken, wat gewoon bakstenen zijn. Tegels maken, gewoon eigen werk. Dat was overigens ook waar Babel ooit mee begon: met bakstenen, eigen werk. Maar dat altaar mocht van steen gemaakt worden, jazeker, maar dan steen van God Zelf. Steen zoals die in de schepping voorradig is, niet door de mens bewerkt. "Indien gij echter een altaar van stenen voor Mij maakt, dan moogt gij het niet bouwen van gehouwen steen; wanneer gij dat met uw houweel bewerkt, ontwijdt gij het."

Hoezo? Laten we verder lezen: "Ook moogt gij niet langs een trap naar Mijn altaar opklimmen, opdat daarop uw schaamte niet zichtbaar worde." Wat is dat zeg? Denk er eens over na. In het licht van de hele Bijbelse boodschap is het idee zo eenvoudig: jullie klimmen niet naar Mij op. Kijk, dat altaar is in feite de plaats waar God de mens ontmoet. Het heet elders in de Bijbel ook de 'tafel des Heren', de plaats waar Hij gemeenschap heeft met Zijn volk. Maar bij dat altaar mocht geen trap zijn. Men mocht er niets met de handen maken; alle mensenwerk was daar uitgesloten. Het was niet door werk van onze handen (de gehouwen stenen), maar ook niet door onze voeten (een trap) dat wij tot God naderen. Wij klimmen niet tot God op; het hele evangelie is de boodschap dat God afdaalt naar de mens. God is degene die het werk doet. Hij steekt het vuur aan, Hij is degene die alles voor Zijn rekening neemt.

Weet u wat het hele idee van religie is, van welke snit ook? Of je het nu over de islam, het boeddhisme of het christendom hebt — dat laatste is helemaal ernstig, want dan heeft het nog de schijn dat het iets met Christus te maken heeft. Maar dat is zo'n subtiele leugen. Het evangelie is de boodschap dat God alles voor Zijn rekening neemt. Niet door onze handel en wandel. Niet door onze handen, door het bewerken met een houweel of met gehouwen stenen of bakstenen. En ook niet door onze wandel, doordat wij opklimmen tot God. Nee, God neemt alles voor Zijn rekening. Dit is in feite het hele idee van religie: dat de mens door zijn eigen werk nadert tot God, door zijn keuze of door zijn geloof. Nee, dat is het niet. God is het! Het hele idee van dat altaar is dat alle roem is uitgesloten. We hebben het zojuist al gezongen: "Genade kocht mij vrij." Niet door mijn worsteling, niet door mijn werken, zelfs niet door mijn strijd en geween. Kortom: ook niet door datgene waar we ons op zouden kunnen beroemen, zoals onze vroomheid. Juist daarvoor moet je uitkijken. Dat is godsdienstigheid, maar God heeft er een afkeer van. Mensen zeggen: "Ja, maar we hebben toch een altaar?" Ja, nou en? Altaren zat. Maar weet u wat Israël moest doen toen ze in het land kwamen? Al die altaren met de grond gelijk maken. Waarom? Dat waren altaren gewijd aan andere goden, dat is één ding, maar bovendien waren het altaren met trappen en met gehouwen stenen. Allemaal eigen werk. Weg ermee! God is het die alles voor Zijn rekening neemt. Dat is wat het altaar uitbeeldt: geen gehouwen steen, geen trappen. Weg met het eigen werk.

Toen Mozes de Heer ontmoette bij de brandende braamstruik, weet u nog wat er toen gebeurde? Hij moest de schoenen van zijn voeten doen. Dat vind ik een prachtige uitbeelding: niet door jouw wandel. Alles van jouw eigen wandel, jouw schoenen, mag je uitdoen. Jouw wandel mag je afleggen en zo kun je tot Mij naderen. Niet door jouw werk en niet door jouw wandel of handel. Dat is de les van Exodus 20 over het altaar.

Genade in het Kwadraat: Acaciahout en de Afmetingen ↑ hoofdstukken

Dan gaan we naar Exodus 27. Ik heb een kwart balans gekregen vanmorgen, dus wat de tijd betreft... Maar voor vijven en tienen... Exodus 27. Er zijn trouwens diverse passages waarin dat brandofferaltaar besproken wordt. Later in Exodus lees je ook hoe het vervolgens gemaakt wordt. Eerst krijg je in Exodus 27 de instructies over hoe het eruitzag, hoe het gemaakt moest worden, enzovoort. En dan later lees je hoe het daadwerkelijk gemaakt werd, en dat het helemaal conform dat wat God had gezegd en conform het model dat God getoond had op de berg, ook inderdaad geconstrueerd is. Niets werd daarbij aan het toeval overgelaten.

Kijk, je zou kunnen zeggen: ja, maar wat heeft dat toch allemaal voor zin? Er is weinig saaier om te lezen dan al die instructies over de attributen van de tabernakel en over de offers. Hebben jullie het weleens zo gelezen? Hebben jullie het weleens voorgelezen aan uw kinderen? Nou, dat is niet spannend hoor. Maar dat zijn ook geen passages om alleen maar te lezen. De Schrift is er niet om te lezen, tenminste het meeste van de Schrift niet, maar om te onderzoeken. Ik vind het heel bijzonder dat er nergens in de Bijbel staat: 'Leest de Schriften'. Er staat: 'Onderzoekt de Schriften', want die zijn het die van Mij getuigen. Daar moet je voor spitten. Als je zulke passages alleen maar leest, zegt het je niks. Maar onderzoek het, ga Schrift met Schrift vergelijken, kijk wat er precies staat en kijk onder de oppervlakte. Dan gaat er een geweldige sprake van uit.

God verbergt geweldige waarheden in de Schriften. En wat zo heerlijk is aan het bestuderen van de Schrift: je gaat ontdekken. Dat wil zeggen, de bedekking wordt eraf genomen en je ontdekt Christus. Er staat in 2 Korinthiërs 3 dat over de voorlezing van het oude verbond tot op de dag van heden voor Israël een bedekking op het aangezicht ligt. Dat wil zeggen: ze begrijpen het niet. Ze lezen het, ze zijn daarin doorkneed, en toch ontgaat de essentie van wat er werkelijk onder verborgen ligt hen. En dan staat er ook achter dat die bedekking in Christus verdwijnt. Ken je Hem? Dan ga je dit alles ook verstaan en begrijpen.

Exodus 27. Daar staat: 'Gij zult...' Een voorzegging is dat, en een instructie natuurlijk. 'Gij zult het altaar van acaciahout maken'. Als u een Statenvertaling hebt, staat er: van Sittimhout. Aan dat acacia en Sittim wil ik nu eventjes voorbijgaan, maar ik wilde er wel op wijzen dat het in ieder geval van hout was. Dat is heel eigenaardig, want je zou zeggen: een plaats waar geofferd wordt, een plaats waar voortdurend vuur is, dat maak je toch niet van hout? Nee, dat is op zich waar, en toch is het wel van hout. Dat is niet het eind van het verhaal, maar het was inderdaad een altaar van hout. Dat wil zeggen: het was een houten bekisting. Want we zagen al eerder dat een altaar gewoon een verhoging van aarde of stenen was. Je zou het altaar van acaciahout maken, en als we nog een aantal verzen verder lezen, dan lees je dat het gewoon hol was. Dat wil zeggen: het was een bekisting, de rand zeg maar.

Eigenlijk komt het erop neer dat er een bekisting werd gemaakt en dat werd vervolgens gevuld met aarde en met stenen. Maar het was een houten bekisting, zoals we ook trouwens lezen van de ark in het heilige der heiligen. Dat was ook een houten kist. 'Hout' is hetzelfde woord wat ook gebruikt wordt voor de doodskist van Jozef bijvoorbeeld. Hout is inderdaad een uitbeelding van dat wat de aarde voortbrengt en van vergankelijkheid. Hout, ja, dat is het woord... ik zocht een woord: het was een mal. Maar het was dus vergankelijk; dat is hout uiteraard, want als het alleen maar van hout was geweest, dan had er van dat altaar niks overgebleven. Dus hout is inderdaad iets wat de aarde voortbrengt, maar ook in de zin van vergankelijk. Houd hem even vast, want daar blijft het niet bij.

Laten we eerst de volgorde van de mededelingen in Exodus 27 op de voet volgen. Dan staat er: 'Gij zult het altaar van acaciahout maken, vijf el lang en vijf el breed, zodat het altaar vierkant is'. Ik vind het mooi als ik hem zo lees, maar dat komt ook vanwege de associatie. Want het was dus gewoon vijf bij vijf in het vierkant. Dat wil zeggen: in het kwadraat. Vijf is het getal bij uitstek van genade. Ik ken een echtpaar, een heel oud echtpaar, dat geweldige beloften van God kreeg. De ene heette Abram en de andere heette Sarai, en toen kregen ze van God vijf bij vijf. Dat wil zeggen: ze kregen allebei een vijf aan hun naam toegevoegd. De Hebreeuwse letter He. Even voor de goede orde: in het Hebreeuws is een letter ook een cijfer, zoals je bij ons Romeinse cijfers hebt die ook letters zijn. Een Hebreeuwse letter is ook een cijfer en de letter He is een vijf. Dat is zelfs nog in het Nederlands doorgecijferd, in het Amsterdams en zo, dan spreken ze over een 'heitje'. Een heitje voor een karweitje, u weet het wel. Maar een heitje is eigenlijk gewoon een 'He', dat is een stuiver, vijftuivers. Alleen niet voor een karweitje! Je hoeft er niks voor te doen. Het is juist genade.

Genade in het kwadraat, en dat dan nog wel in het vierkant. Dat vierkant heeft vier hoeken. Dat zal ik straks ook laten zien, maar ik zal het nu meteen maar verklappen: dat heeft te maken met de vier hoeken van de aarde. Dat wil zeggen: de vier windhoeken. Sommigen hebben dat vroeger zo opgevat dat men dacht dat de aarde een plat vlak was en bovendien dat dat vierkant was, want er staat in de Bijbel 'de vier hoeken der aarde'. Dat is onzin. Het wordt in het boek Openbaring ook verklaard en dan gaat het over de vier windhoeken, namelijk noord, zuid, oost en west. De vier windhoeken, dat wil zeggen: wereldwijd. Vier is inderdaad het getal van de wereld. Vijf is het getal van genade, vier is het getal van de wereld, van alle uithoeken van de aarde.

Genade op genade. Weet u waar ik dan aan denk? Aan een tekst die ik van de week nog even voorlas bij een andere gelegenheid: Romeinen 3. De essentie van het evangelie, zo basaal: 'Want allen hebben gezondigd'. Dan staat er in het voorgaande nog: 'Er is niemand rechtvaardig, zelfs niet één'. Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. En dan staat erachter... ik had er een diaatje van, maar op een bewonderlijke wijze is die verdwenen, daarom lees ik hem uit mijn hoofd even aan u voor: 'Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Dat wil zeggen: ze komen tekort. Veel of weinig, maar ze komen tekort. Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.' Romeinen 3 vers 23 en 24. Schitterend!

Allen hebben gezondigd; de vier hoeken, dat wil zeggen wereldwijd. Allen derven de heerlijkheid Gods, wereldwijd. En allen worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade. Als het nog niet duidelijk was, dan moet het nu toch wel duidelijk zijn: 'en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade door de verlossing', van de prijs die betaald is, 'in Christus Jezus'. Genade in het kwadraat. Geen eigen werk, geen gehouwen stenen, geen trappen, niets ervan. God zegt: Ik doe het werk. Vijf bij vijf, in het vierkant. Er staat nog bij: 'Drie el hoog'. Want waar zou je dan aan denken? Ja, ik denk dan inderdaad...

De hoogte wordt geassocieerd met de drie. Maar als we het hebben over de verhoogde Christus, is de associatie helemaal niet moeilijk. Want dan denk ik natuurlijk meteen aan die weggerolde steen, de steen die weggewenteld werd op de derde dag.

Ik kon het niet nalaten om, als een volstrekt amuzikaal type, toch even deze link te leggen: namelijk met de 'grote terts'. De grote terts betekent gewoon de 'grote derde', en dat is een ander woord voor majeur. Als ik aan de majeur denk, de grote terts, dan denk ik inderdaad aan deze verhoging; aan de verhoogde Christus, Hij die op de derde dag verrees uit het graf.

Dat altaar is een verhoging. Het spreekt van Hem die op de derde dag opsteeg uit het graf en die genade in het kwadraat voor heel de wereld aan het licht bracht.

De Vier Hoornen van Koningschap ↑ hoofdstukken

"Gij zult hoornen aan de vier hoeken maken." Laten we eerst even stilstaan bij die vier hoeken. Ik heb er zojuist eigenlijk al wat over verteld; ik sprak al een beetje voor mijn beurt. Die vier hoeken zijn de vier windhoeken. Dat wil zeggen: dit is voor de hele wereld.

En dan die hoornen. De tekst zegt dat de hoornen daarmee één geheel zullen vormen. Wat is een hoorn in de Bijbel? In de Bijbelse symboliek heeft een hoorn altijd te maken met koningschap. Ik liet zojuist al even dat plaatje van David zien — dat was in een ander verband — maar David werd gezalfd vanuit een hoorn, een ramshoorn. Zo werd hij gezalfd tot koning.

In de profetieën vind je dit ook terug. In Daniël lees je over een beest met tien hoornen, en dat kom je ook tegen in het boek Openbaring. Daar staat dan ook bij uitgelegd dat die tien hoornen tien koningen zijn. Dat is gewoon Bijbelse logica. Het is associatie, of zoals ik het ook wel noem: Bijbelse typologie of symboliek. Een hoorn spreekt van de koning.

Wanneer er geblazen wordt op een hoorn — want het is ook een muziekinstrument, een ramshoorn — dan is dat een specifiek signaal. Of je het mooi vindt klinken, is een tweede, maar het was vooral ook niet zozeer bedoeld voor het voortbrengen van melodieën. Het ging om krachtige geluidsstoten; het was een oproep tot de strijd of om vergaderd te worden. Als de bazuin klinkt, als de ramshoorn zal klinken wanneer God Zijn volk gaat verzamelen en de Koning zal verschijnen, dan is dat die ramshoorn. Daar heeft een hoorn in het algemeen mee te maken.

Je kunt je voorstellen — het is misschien een wat vreemd idee — maar je had daar die houten bekisting die gevuld werd, en aan de vier hoeken waren vier hoornen bevestigd. Dat spreekt uiteraard van de Koning. De Koning die wereldwijd, naar alle windrichtingen toe, zal heersen. De Verhoogde, inderdaad. De Koning der koningen. Hij is de Koning over alle koningen wereldwijd, in alle windhoeken waar zij zich ook bevinden.

Welnu, aan die vier hoeken werden dus vier hoornen bevestigd, of beter gezegd: ze vormden er één geheel mee. Er zijn in de Bijbel diverse geschiedenissen die daarnaar verwijzen; geschiedenissen die te maken hebben met die hoornen van het altaar. Wanneer iemand een ander had gedood, kon hij naar een vrijstad vluchten. Er waren zes vrijsteden, maar er was nog een plaats waar hij veilig was: bij de hoornen van het altaar. In de geschiedenis van David en Salomo lees je daarover. Ik ga daar nu verder niet diep op in, maar je ziet daar dat wanneer iemand genade zocht, hij bij dat altaar moest wezen.

Koper als Beeld van Onvergankelijkheid ↑ hoofdstukken

Gij zult het brandofferaltaar aan de vier hoeken voorzien van hoornen en gij zult het overtrekken met koper. Vandaar dat dit brandofferaltaar bij heel wat gelegenheden ook wel het koperen altaar wordt genoemd. Zoals hout een uitbeelding is van vergankelijkheid en uiteraard niet vuurbestendig is – integendeel, het is juist voeding voor het vuur – zo is koper juist wel een uitbeelding van dat wat het vuur kan doorstaan. Daarmee is het een beeld van onvergankelijkheid.

En dat is precies wat onze Heer is. Hij kwam uit de aarde voort, Hij was een mens. Hij leed en Hij stierf; dat is het hout. Maar vervolgens was Hij overtrokken met koper. Ik versprak me zojuist bijna door 'goud' te zeggen, maar terwijl ik me verspreek, zeg ik het eigenlijk ook wel heel goed. Want aan de ene kant waren er attributen zoals de ark van het verbond, die was van hout en overtrokken met goud. In dit geval was het brandofferaltaar overtrokken met koper. Maar allebei beelden ze op een verschillende wijze onvergankelijkheid uit. Goud is een edelmetaal dat zich niet verbindt met zuurstof en dus niet kan roesten. Koper is eveneens vuurbestendig, en het lijkt bovendien op goud.

Dan heb ik nog iets over dat koper voor de fijnproevers onder u. Het Hebreeuwse woord voor koper is nachasj. Dat is zelfs exact hetzelfde woord als voor 'slang'. Er is een geschiedenis waarin die twee woorden samen worden gebruikt: de koperen slang. Dat staat in Numeri 21, geloof ik – dat weet ik even niet uit mijn hoofd – waar wordt gesproken over de koperen slang. In het Hebreeuws staat daar eigenlijk twee keer hetzelfde woord; dat is dubbelop.

Dan is er nog iets met de getalswaarde. Ik zei zojuist al iets over de hé, die de waarde vijf heeft. Maar het Hebreeuwse woord nachasj heeft een getalswaarde van 358. Dat is exact dezelfde getalswaarde als Masjiach. Het spreekt dus inderdaad van de Messias. Maar als u dat een beetje te ingewikkeld vindt, zeg ik: kijk dan gewoon omhoog naar de verhoogde slang, de koperen slang. Ik ga er nu maar even van uit dat u die geschiedenis kent, waarin Israël dodelijk gebeten werd. Het enige wat zij hoefden te doen, was omhoog zien.

Dat is de geweldige Bijbelse boodschap. Kijk niet naar jezelf, want van jezelf heb je het niet te verwachten. Van je eigen werken niet, en van die van een ander evenmin. Kijk omhoog! Daar is een Helper. Zoals de Johan de Heer-bundel zegt: "Daar is er Eén die kan helpen." Ik hef mijn ogen op naar de hemel, naar wie anders? Want daar is Hij de verhoogde slang. En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogde, zo zal ook de Zoon des mensen verhoogd worden. Dat werd in Johannes 3 tegen Nicodemus gezegd. Dat is niet het kruis, want dat was Zijn vernedering. Dit is Zijn verhoging.

Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam gegeven boven alle namen. Welnu, daar heeft dat koper mee te maken: met die onvergankelijkheid, met Zijn verhoging en met het feit dat Hij de Messias is. Hoe je het ook wendt of keert, je komt uiteindelijk altijd – dat kan niet missen – bij hetzelfde adres uit: bij de Messias, de Christus.

Traliewerk, Ringen en Draagstokken ↑ hoofdstukken

"Ook zult gij er potten voor maken," lees ik verder in Exodus 27, "om het van as te reinigen, en scheppen, sprengbekkens, vorken en vuurpannen." Er kwam bij al die rituelen heel wat kijken; er waren nogal wat attributen nodig. "Al zijn gerei zult gij van koper maken." Vandaar dus inderdaad dat koperen altaar; koper speelt een hele grote rol. Koper was trouwens ook nog een muntstuk, dat is een makkelijke associatie. Ik houd toch wel van eenvoud. Koper heeft inderdaad ook te maken met geld. Het koperen muntstukje, u weet het nog? Het heeft te maken met de prijs die je betaalt. In het Nederlands is dat helemaal makkelijk te onthouden, want dan ben je een 'koper'. Het gaat om de prijs die betaald is, de losprijs vooral. Alles had te maken met koper.

En dan staat er nog bij: "Gij zult een traliewerk ervoor maken, een koperen netwerk, en op het net vier koperen ringen maken aan de vier einden." Nou, eerst die ringen. Ja, dat is om het te kunnen dragen, maar een ring is in wezen een lijn zonder einde; een cirkel dus. En ook daar kom je weer bij dezelfde gedachte uit van onvergankelijkheid. Die symboliek kennen we allemaal. Denk ook aan de trouwring. Wat beeldt die uit? Het is een cirkel zonder einde. Gods trouw kent geen einde. Dat is die ring; het spreekt van dat wat blijft, wat onvergankelijk is en niet voorbijgaat. Aan die vier einden waren dus vier ringen bevestigd.

Vervolgens staat er: "Gij zult het onder de rand van het altaar van onderen bevestigen, zodat het netwerk halverwege het altaar reikt." Nu kom ik op een wat moeilijk punt, maar ik geef het u alleen even als vraag mee. Want als je gaat zoeken op het brandofferaltaar, dan kom je verschillende plaatjes tegen. Meestal zie je het plaatje dat u al eerder heeft gezien, waarbij het traliewerk — dat netwerk — zich aan de binnenkant bevond. Maar je vindt ook plaatjes waarop het een soort opvangnet aan de buitenkant is. Aan de vier uiteinden van dat net waren dan de ringen bevestigd waar de draagstokken doorheen gingen. Hier ziet u ook die vier horens, en dan is het idee dat het altaar gevuld was met zand, aarde of stenen. Dat netwerk lag dan niet binnenin, maar aan de buitenkant, eigenlijk van onderaf tot halverwege het altaar. Een interessante vraag. Ik opteer voor deze laatste weergave, maar als u daar anders over denkt, ga ik er geen ruzie over maken.

Ik wil nu even verdergaan, want dit wordt misschien wat te technisch. "Gij zult draagstokken voor het altaar maken, draagstokken ook weer van acaciahout en die met koper overtrekken." Dat wil zeggen: hout — jawel, het is vergankelijk — maar het wordt vervolgens onvergankelijk gemaakt. "Zijn draagstokken moeten in de ringen gestoken worden." Wij kennen daar in het Nederlands een mooie uitdrukking voor: "door een ringetje halen". Als je eenmaal weet waar een ring een uitbeelding van is, dan begrijp je deze uitdrukking ook. Als je door een ringetje gehaald wordt, dan is dat perfectie, toch? Dat is de volmaakheid; het is tot onvergankelijkheid gekomen. De draagstokken moeten in de ringen gestoken worden en zullen zich aan beide zijden van het altaar bevinden wanneer men het draagt.

"Hol, van planken zult gij het maken." Daar hadden we het al even over: die houten bekisting, die mal die — zoals Peter al zei — gevuld werd met aarde of stenen. En dan staat er nog bij, en dit wordt zo tegen Mozes gezegd: "Zoals Hij u op de berg getoond heeft, zo zal men het maken." Niets werd aan het toeval overgelaten; de instructie is duidelijk. Van dat traliewerk is dus nog een verhaal apart, maar Mozes zal het ongetwijfeld begrepen hebben. Wij hebben het nu ook gezien, per slot van rekening. Zodat we...

Samenvatting en Loflied Om Zijn Wonderen ↑ hoofdstukken

En ik zie dat het nu echt tijd wordt om te gaan samenvatten. Want ik heb nu zo links en rechts nog allerlei gegevens bij elkaar gesprokkeld en verbanden gelegd. Ik wil in een zevental punten – dat is een mooi getal, lijkt mij – laten zien waarom inderdaad dit brandofferaltaar spreekt van de verhoogde Christus.

Het was van hout, overtrokken met koper. Dat wil zeggen: vergankelijkheid werd onvergankelijkheid. Het was drie el hoog: verhoogd op de derde dag. Het was vijf bij vijf: genade in het kwadraat. Bovendien was het voorzien van vier hoeken voor heel de wereld, in het vierkant dus.

Het was gehoornd. Ik zat even te aarzelen of ik het zo zou noemen, maar het had dus vier horens. Dat bedoel ik: het altaar was gehoornd. Dat wil zeggen dat het altaar niet alleen maar een plaats was waar een offer op stond, maar het was bovendien koninklijk. Dat is de gedachte die aan dat altaar werd meegegeven. Naar alle kanten, naar alle windhoeken toe, was het koninklijk.

Het was bovendien geringd: onvergankelijkheid weer. En het was – en nu ben ik er weer helemaal mee terug bij het begin, want daar begon ik zo ongeveer mee – het was gezalfd. Oftewel, het spreekt van de Messias die leven en geest ontving en zo ook daadwerkelijk tot Christus werd gemaakt.

Zodat je... we hebben er eigenlijk alleen maar wat omheen gelopen. Maar één ding moet toch duidelijk zijn: het brandofferaltaar spreekt in al zijn facetten, afmetingen en materialen van wat er gebeurde. Het spreekt allemaal van Hem die van Godswege verhoogd is.

Er staat in Psalm 26 – dat is de laatste dia die ik u wil laten zien – er staat in Psalm 26 dit. De psalmist zegt: "Ik maak de omgang om Uw altaar." Daarmee wil hij zeggen: ik loop eromheen. Ik loop om Uw altaar heen, o HERE. En dan zegt hij erachteraan: "...terwijl ik luide een loflied doe horen en al Uw wonderen vertel."

En ik vraag me af wat de psalmist destijds geweten heeft, maar ongetwijfeld veel meer dan wij nu denken over dat brandofferaltaar. In elk geval, als eenmaal de Schrift ontdekt is en de bedekking is weggenomen, dan kan het niet anders of we worden inderdaad gewezen op Hem die verhoogd is. En dat roept een loflied op. Want het is allemaal genade en vreugde wat Hij bewerkt, en dat is onvergankelijk.

God gaat alle dingen welmaken. "Terwijl ik luide een loflied doe horen en al Uw wonderen vertel." Dat wil zeggen: wonderen spreken niet van onze werken. Daar wil God niets van weten, van het beroemen op onze eigen werken. Nee, het gaat erom dat we Zijn wonderen gaan verhalen. Vertellen wie Hij is, wat Hij gedaan heeft, wat Hij doet en wat Hij gaat doen. Zijn wonderen vertellen, daar spreekt het altaar van. En dat is wat we in ons leven, ook vandaag en de dagen die volgen en alle dagen van ons leven, mogen doen: Zijn wonderen vertellen en een loflied laten klinken.

🎧 Het Brandofferaltaar
Delen: