GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Psalm 32 – Mijn oog is op u

29-05-2016 - Geplaatst door Andre Piet
29 mei 2016, Zoetermeer

Psalm 32 is een psalm van David, de eerste van een dertiental “leerdichten”. David beschrijft het geluk van degene wiens zonde bedekt is. Hij refereert in deze psalm aan zijn persoonlijke ervaringen maar de strekking van zijn woorden is veel breder. Het is niet in minst ook profetisch voor de chasidim in de eindtijd, wanneer zij tijdens “de dag van Jakobs benauwdheid” een schuilplaats zullen vinden en op JAHWEH hun God, hun vertrouwen zullen stellen.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

In deze studie wordt Psalm 32 besproken, met bijzondere aandacht voor de inversiestructuur en de centrale belofte dat Gods oog op de mens is gericht. Ware gelukzaligheid wordt uitgelegd als het volledig opgetild zijn uit de zonde door een onvoorwaardelijk vertrouwen in God, in tegenstelling tot religieuze prestaties. Daarnaast krijgt de psalm een profetische lading, waarbij een schuilplaats in de woestijn voor de getrouwen in de eindtijd wordt aangewezen. Het erkennen van zonde in plaats van verzwijgen herstelt de relatie met God en bevordert het lichamelijk welzijn. Uiteindelijk mondt dit rotsvaste vertrouwen uit in een uitbundige vreugde en triomfantelijke jubel voor de rechtvaardigen.

“Geloof is niet het onderschrijven van een aantal dogma's; het is vertrouwen.”

De Inversiestructuur en het Goddelijke Middelpunt van Psalm 32 ↑ hoofdstukken

Heel graag wil ik u vanmorgen meenemen naar het boek van de Psalmen. Het Oude Testament dus, zoals we dat noemen; de Hebreeuwse Bijbel. U ziet dat ik de mooie titel 'Mijn oog is op u' heb meegegeven, maar die heb ik niet zelf verzonnen. Het is een uitdrukking die we tegenkomen in de psalm die we vanmorgen onder ogen zien. Het is geen hele lange psalm, elf verzen in totaal, en we willen die eens wat nader met elkaar bezien.

Laat ik eerst een overzicht geven van hoe deze psalm van David in elkaar steekt; de structuur, zodat u een overzicht heeft van waar het eigenlijk om gaat en hoe het is ingedeeld. Als we de eerste twee verzen lezen, dan gaat het over degenen die gerechtvaardigd zijn, de gerechtvaardigden in wie geen bedrog is. Vanaf vers 3 tot en met vers 7 klinkt er gejammer, maar ook de dankbaarheid voor goddelijke bewaring. En dan, in het midden van de psalm, in vers 8 en 9, daar vinden we een goddelijke instructie en bovenal een belofte. Die belofte is waar we het zojuist over hadden: de titel 'Mijn oog is op u'. Dat is de belofte en wat daarop volgt.

Vervolgens ziet u in deze structuur wat ze met een mooi woord een inversie noemen. Dat wil zeggen dat de psalm naar binnen gekeerd is; de structuur keert terug naar het midden. Vers 8 en 9 vormen het middelpunt van de psalm en het gedeelte daarna valt parallel samen met het gedeelte ervóór. Hier in vers 10 klinken weer de smarten, maar aan de andere kant ook Gods goedertierenheid. U ziet dat dit parallel loopt met het gejammer en de bewaring van God uit het eerste deel. In het laatste vers wordt opnieuw gesproken over de rechtvaardigen en de oprechten, waarbij de rechtvaardigen uiteraard de gerechtvaardigden zijn uit de eerste verzen en de oprechten degenen zijn in wie geen bedrog is. Zo sluit de psalm weer af met datgene waar hij mee begon.

Het hart van de psalm is dus Gods belofte en tevens Zijn raad: "Ik raad u". Er is trouwens nog iets opmerkelijks aan deze opbouw. In vers 1 tot en met vers 7 is het David die spreekt, en dat geldt ook voor het laatste gedeelte, vers 10 en 11. Maar in het hart van de psalm is het God Zelf die spreekt. Dat blijkt uit de persoonlijke voornaamwoorden die gebruikt worden: "Mijn oog is op u". Daar is God aan het woord. Zo heeft u een idee van hoe deze psalm is opgebouwd; daar zit echt een diepe structuur in. Het zijn niet zomaar wat losse verzen of een verzameling van bij elkaar geharkte spreuken; nee, het is een prachtig geheel. Vooral die inversiestructuur is altijd schitterend, omdat het laat zien waar het eigenlijk allemaal om gaat: het centrale middelpunt.

Nu we dit overzicht hebben, is het tijd om eens nader te bezien wat er precies staat. Het begint zoals zoveel psalmen beginnen, want u weet dat David veruit de meeste bijdragen aan het boek der Psalmen heeft geleverd. Er staat: "Van David". Eigenlijk staat er in het Hebreeuws letterlijk "tot-David". Je moet daar niet direct al te veel conclusies uit trekken, want dat voorzetsel kan twee dingen betekenen: of het behoort tot David, of het is gericht tot David. Dat voorzetsel is breed genoeg om dat alles in te sluiten, maar in ieder geval staat de naam van David bovenaan.

Zoals dat van veel psalmen gezegd kan worden, wil ik Petrus eens citeren uit zijn toespraak op de Pinksterdag in Handelingen 2. Hij haalde daar diverse psalmen van David aan en zei dat David wel over 'mijn' en 'ik' spreekt, maar dat het uiteindelijk niet over David zelf gaat. Het gaat over de Zoon van David die daarin aan het woord is. Omdat hij een profeet was en in de toekomst zag, sprak hij van de Christus, de Messias, de Zoon van David. Daar zit dus alweer een hele dubbele bodem in. 'David' is immers ook een titel voor de Messias, vooral als je bedenkt dat de naam David — in welke taal je het ook zegt — 'geliefde' betekent. Dan denk ik direct aan het woord dat je een paar keer in het Nieuwe Testament vindt over de Zoon van David, waar gesproken wordt: "Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde". Als je het in het Hebreeuws zou zeggen: "Mijn David". Dan weet je eigenlijk meteen waar het over gaat: David, de Zoon van David.

Het is een leerdicht. In het Hebreeuws staat daar 'Masjkil'. Dat zegt u misschien niet direct veel, maar we vinden dat woord heel vaak in de Bijbel. Voor mij is de bekendste plaats Daniël 12 vers 3, waar gesproken wordt over de eindtijd van Israël en dat God daarin een groep van getrouwen heeft. Die heten daar in onze vertaling 'de verstandigen', maar eigenlijk staat er in het Hebreeuws 'de Maskilim'. Ik associeer dat meteen met de titel van een boek van een goede vriend van mij, Menno Heyman, die ooit een dikke roman schreef met de titel 'De Maskilim'. Dat is daaraan ontleend. Het heeft te maken met intelligentie, met handelen uit overweging. Dat is wat verstandig is: dat je denkt, dat je argumenteert, dat je weegt en de zaken nog eens overweegt. Kortom, het heeft te maken met verstand, met de verstandigen.

Vandaar ook de aanduiding 'leerdicht'. Dat wil zeggen: dat wat doet overwegen, dat wat onderwijst. We komen dat woord straks nog een keer tegen. U vindt deze uitdrukking in het boek der Psalmen heel vaak terug, om precies te zijn dertien keer. Iedere keer staat er dan boven de psalm dat het een Masjkil is. Niet altijd van David, ook van de Korachieten, maar in ieder geval een leerdicht: een gezang of een woord dat bedoeld is om te overwegen en over na te denken. Een Masjkil dus. Dat is precies wat wij vanmorgen ook gaan doen: het vraagt onze attentie en wij denken daarover na. We lezen verder.

Aser: Opgetild uit de Zonde en Wat Werkelijk Geluk Betekent ↑ hoofdstukken

Het begint met een prachtig woord. Want dit is eigenlijk wat we in vers 1 zagen; dat is het opschrift. En dan begint het met een woord waar ik altijd blij van word. Nou ja, niet zozeer in onze vertaling, want daar heeft het een wat vreemde klank. Welzalig, dat is geen beschuldiging hoor, maar het is oud-Nederlands en wij weten niet echt meer wat het betekent. Het heeft zo'n godsdienstige klank gekregen waarbij je nooit helemaal je vinger erop kunt leggen. Wat betekent dat nou? Het is zalig, alles kan zalig zijn. Maar het woord dat hier in het Hebreeuws gebruikt wordt, is mooi; we kennen het ook als een naam. Hij is één van de twaalf stammen van Israël, één van de twaalf zonen van Jakob: Aser.

Het is prachtig als je dat in het boek Genesis naleest—ik heb de verwijzing naar de precieze plaats nu even niet paraat, maar ergens in Genesis 30 of 31 moet dat zijn. Daar lees je dat Jakob uitroept, of zijn vrouw of zijn bijvrouw, dat kan ook nog, in ieder geval wordt er gezegd: "Wat een geluk valt mij ten deel! Ik ben gelukkig." En daarom noemden zij hem Aser. Aser betekent simpelweg: gelukkig. Als u zegt: "Ik geef toch de voorkeur aan het oud-Nederlands," prima, maar het betekent dus gewoon geluk.

Geluk! Wat is geluk? Nou, dat kan heel oppervlakkig zijn, wat wij doorgaans geluk noemen. Ik noem maar wat: je vindt iets of je wint de loterij. Wat een geluk! Maar hoe groot dat lot dan ook mag zijn, of hoeveel je daarmee ook in de wacht sleept, over het geluk dat je daarin ten deel valt valt nog te discussiëren of het überhaupt geluk is. Het is vaak zo vergankelijk, zo oppervlakkig en zo broos. Wat is nou echt geluk? Daar gaat deze psalm over.

Gelukkig is hij, zo staat er, wiens overtreding vergeven is. Er worden hier verschillende woorden gebruikt: overtreding, zonde, ongerechtigheid. Zo wordt het weergegeven in de vertaling en soms is het net even iets anders, maar het wordt hier opgevoerd als synonieme begrippen, dus ik laat het even voor wat het is. Maar er wordt gesproken over wiens overtreding vergeven is. Nu staat hier niet het woord dat doorgaans vertaald wordt met vergeven, maar letterlijk staat er: geheven zijn. De gedachte is dat je ervan ontheven bent. De grondgedachte van het Hebreeuwse woord is heffen, opheffen. Je bent er eigenlijk uit opgetild. Het is dus veel meer dan alleen maar 'vergeven', wat bij ons vooral de klank heeft van: het wordt losgelaten, we hebben het er niet meer over, het wordt overgegeven. Maar het idee hier is: je bent eruit opgetild.

Het is dus niet zomaar een administratieve handeling, zo van: "Nou ja, het stond in de boeken, je had die schuld en dat strepen we om welke reden dan ook weg en dan hebben we het er niet meer over." Dat is administratief. Maar het woord dat hier gebruikt wordt, betekent dat je er eigenlijk uit opgetild wordt. Het is dus niet administratief, het is—om nog een duur woord te gebruiken—existentieel. Het raakt jou, er gebeurt iets met jou: je bent eruit opgetild, ja, ontheven van.

Laten we verder lezen. Gelukkig is hij van wie de overtreding—dat wat jou achtervolgde, wat je ooit gebroken had en daarmee ook de schuld die dat weer met zich meebrengt—als je daarvan ontheven bent. "Wie wiens zonde bedekt is." Iets wat bedekt is. Een iets ander Hebreeuws woord wordt daar doorgaans voor gebruikt. In onze vertaling wordt het vaak weergegeven met verzoenen. In de Hebreeuwse Bijbel kennen we Kipper of Kippoer; Jom Kippoer bijvoorbeeld, Verzoendag, dat is eigenlijk de dag van de bedekking. Dat is niet exact dit woord trouwens, maar het idee daarbij is hetzelfde: de zonde wordt bedekt. En dat betekent dat het niet gezien wordt; daar hebben we het niet over.

Er is nog een ander Bijbels beeld, ergens in de Kleine Profeten. Bij Miga vind je dat God zegt over Zijn volk: "Ik zal hun zonden werpen in de diepte der zee." Dat wil zeggen: dan ligt het op de bodem, bedekt door die enorme oceaan. En dat is ook bedekt: onvindbaar, niet meer gezien. Zoals die mooie tekst op die ansichtkaart zegt: "Daar mag niet gevist worden." Ja, dat is bedekt. Hoewel mensen graag vissen op zulke plekken—dat is ook leuk, nou ja, leuk weet ik niet, maar mensen doen dat graag: vissen op plekken waarvan God zegt: "Weg ermee."

Gelukkig degene wiens overtreding ontheven is, wie van de zonde bedekt is. Welgelukzalig, weer dat woord, gelukkig de mens wie de Here—de Godsnaam Yahweh—de ongerechtigheid niet toerekent. En het mooie en frappante van deze psalm is dat ze ook wordt aangehaald in het Nieuwe Testament, één keer.

Romeinen 4: Geloof Is Geen Religieuze Verdienste, maar Volkomen Vertrouwen ↑ hoofdstukken

Paulus doet dat in Romeinen 4 en ik kan het niet nalaten – ik vind eigenlijk dat we verplicht zijn om daar even met elkaar naartoe te gaan. Dit vers wordt door Paulus aangehaald vanuit de Septuaginta, de Griekse vertaling. Laat ik de context er een klein beetje bij betrekken, zodat we weten waar we het over hebben. In vers 3 van Romeinen 4 staat: "Want wat zegt het Schriftwoord?" En dan haalt Paulus in zijn betoog Genesis 15 vers 6 aan. Daar geeft God een onvoorwaardelijke belofte aan Abraham. Hij moet naar de sterrenhemel kijken en krijgt dan de belofte. Die oude man, die niet meer in staat was om via Sara nageslacht te verwekken, krijgt van God te horen: "Zo zal jouw nageslacht zijn." En dan staat er: "Abraham geloofde God."

Geloven betekent niet... want dat is wat wij ervan hebben gemaakt. Dat woord ‘geloof’ heeft een bepaalde godsdienstige klank gekregen, waarbij vrijwel iedereen de gedachte heeft: iemand heeft een geloof, een religie. Je hangt iets aan, je hebt een aantal dogma's en daar houd je je aan. Maar dat is niet wat de Bijbel geloof noemt. Geloof is niet het onderschrijven van een aantal dogma's; het is vertrouwen. Iemand vertrouwen. Let wel, er werd van Abraham helemaal niets gevraagd wat hij moest doen. God geeft hem een belofte en Abraham had geen idee hoe God dat zou gaan vervullen. Maar dat was Abrahams zorg ook helemaal niet. Want als je iemand vertrouwt, ben je niet bezorgd over de manier waarop iets gerealiseerd wordt. Dat is aan de ander. Als God dit belooft, als Hij God is en Hij belooft dat, dan komt het dik voor elkaar. Dan kan ik Hem vertrouwen. Kijk, dat is vertrouwen. God vertrouwen. Dat is heel wat anders dan een aantal dogma's onderschrijven. Als je weet: Hij is God, ik kan van Hem op aan.

Ik denk – en laat ik dat er nog bij mogen zeggen, ook al kan ik er nu niet te diep op ingaan omdat we nog een aantal verzen te bespreken hebben – dat heel veel religie, om niet te zeggen alle religie, in feite ongeloof is. Het is wantrouwen van God. Men hangt een religie aan om zich van een plaats of van de goedkeuring van God te verzekeren, of van een plek in het hiernamaals. Maar waarom? Omdat die God eigenlijk niet vertrouwd wordt. Je moet je plaats dus zelf veiligstellen. U zegt misschien: dat geldt voor andere religies. Nee, de christelijke religie net zo. Er zijn zoveel mensen die geloven, die 'gekozen hebben voor Jezus' of naar de kerk gaan. Waarom? "Ja, dat is de enige manier, het kerkenpad dat naar de hemel leidt." Wat daarachter zit, is wantrouwen. Je vertrouwt die God niet echt en daarom sluit je een deal. Godsdienst is een deal.

Vertrouwen wil zeggen: die God, die hemel en aarde gemaakt heeft, die alles bedacht heeft en wiens creatuur ik ben, Hij is God, maar Hij is ook mijn Vader. Ik kom uit Hem voort, ik ben door Hem bedacht en ik kan het allemaal aan Hem overlaten. Hij is Abba, Vader. Daar zit ook de gedachte in dat het bij Hem begint – Hij heeft alles gemaakt – en ook weer bij Hem eindigt. Dat is Hebreeuwse symboliek: de Aleph en de Taw. Voor wie weet waar ik het over heb, die begrijpt het; en als u dit niet weet, laat u dat dan maar even gaan. Maar weet u, God is Vader en je mag Hem vertrouwen. Abraham geloofde God, en dan staat er: "en het werd hem tot gerechtigheid gerekend."

Heel veel mensen denken daarbij juridisch. Het geloven wordt je tot gerechtigheid gerekend als je een aantal dogma's accepteert en onderschrijft. Dan sta je in de boeken, in de administratie, als een rechtvaardige. "Nou, heb ik dat ook weer voor elkaar hoor, is mijn toekomst in ieder geval veiliggesteld." Maar dat is een puur juridische redenering en dat is niet wat de Bijbel zegt. Dat is geen vertrouwen. "Tot gerechtigheid gerekend" wil zeggen dat God jou als een rechtvaardige beschouwt. Dan ben jij een tzaddik. Omdat jij God vertrouwt, sta je in de rechte verhouding met Hem. Dan ken je Hem echt en ben je voor Hem op je plek. Als je Hem puur vertrouwt, is dat wat God tot gerechtigheid rekent. Het is helemaal niet juridisch. De verhouding tussen een vader en een zoon is ook niet juridisch. Je staat pas in de goede verhouding als je elkaar vertrouwt. Als dat vertrouwen er is, dan is het allemaal goed. Als vertrouwen er niet is, is er niets goed. Maar als het er wel is, dan is het allemaal dik voor elkaar. Dat is de wijze waarop ik dat heel gemakkelijk kan begrijpen. Vertrouwen is de basis, ook hier voor God. God rekent geloof tot gerechtigheid. Dat wil zeggen: voor Hem ben je rechtvaardig als je Hem vertrouwt.

We zijn nog steeds in Romeinen 4 en dan staat er: "Hem echter die niet werkt..." Die niet zijn best doet of iets moet verdienen, want dat is werken. Werken is iets doen om iets te verdienen, zoals geld. "Hem echter die niet werkt, maar zijn geloof, zijn vertrouwen vestigt op Hem die de goddeloze rechtvaardigt" – dat wil zeggen: rechtvaardig verklaart. Hoezo dan? Wel, op het moment dat die goddeloze God gaat vertrouwen, ben je op je bestemming gekomen. Er is iets met die persoon gebeurd. Ik wil daar bij een andere gelegenheid graag nog eens dieper op ingaan, want terwijl ik erover spreek, denk ik: dit is veel grootser. De hele Romeinenbrief komt hiermee, met het woord gerechtigheid. Een rechtvaardige komt daar in het geding. Dat moet je er allemaal bij betrekken – 'in het geding' is trouwens ook wel een juridisch begrip. Maar goed: "Hem echter die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem die de goddeloze rechtvaardigt." Weet u dat? Kent u God? Weet u wat het betekent om te geloven? Dat betekent dat je Hem vertrouwt die de goddeloze gaat rechtvaardigen. Want ook die goddeloze, elk mensenkind, is het werk van Zijn handen. En Hij maakt dat allemaal recht. Hij wint het vertrouwen van elk mensenkind, ook van die goddeloze. Dat heeft dus niets te maken met prestatie of met verdienen. Integendeel, want zolang je in die sfeer denkt, zit je nog steeds op de lijn van verdienen – precies wat godsdienst is – en feitelijk daarmee ook op de lijn van wantrouwen. Wij vertrouwen God. Als wij het werk van Zijn handen zijn, laat Hij dat nooit varen en brengt Hij ons tot onze bestemming. Dat is fundamenteel: Hem vertrouwen. Welnu, degene die zo op God vertrouwt, diens geloof wordt gerekend tot gerechtigheid.

Nu komen we ter zake, want dit was eigenlijk even een zijpaadje, maar ik moest dit wel zeggen om de rest te kunnen begrijpen. Paulus gaat nu niet alleen Genesis aanhalen, maar wijst ook op Psalm 32: "Gelijk ook David de mens gelukkig spreekt" – of zalig spreekt, als gelukkig aanmerkt – "aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken." Dus zonder enige verdienste; dat speelt geen rol. Op het moment dat je in die sfeer van verdiensten denkt, heb je nog niet begrepen wat geloof in de Bijbel is en wat God tot rechtvaardigheid rekent. En nu komt het citaat: "Gelukkig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn. Gelukkig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen." Dat is het citaat uit Psalm 32. Paulus voert deze psalm aan in zijn betoog. We gaan nu weer terug naar Psalm 32, waar die mens gelukkig gesproken wordt in wiens geest geen bedrog is, maar vertrouwen.

De Directe Samenhang Tussen Geest en Lichaam bij het Verzwijgen ↑ hoofdstukken

Want in Psalm 32 staat: "Zolang ik zweeg..." We weten trouwens niet precies waar deze psalm aan refereert. Het is een psalm van David – of gericht tot David, om het correct te zeggen. Je kunt natuurlijk heel gemakkelijk zeggen dat dit verwijst naar de zonde die David ooit beging met Bathseba, de vrouw van Uria, bij wie hij een kind verwekte. Dat zou kunnen, maar er zijn ook redenen waarom deze psalm daar niet aan refereert. Ik laat dat even voor wat het is; in deze psalm wordt immers niet genoemd welke zonde het precies betreft.

In ieder geval spreekt David uit eigen ervaring. Hij zegt: "Zolang ik zweeg." Zwijgen betekent hier in negatieve zin iets verzwijgen, iets "ten onder houden". David zegt: "Zolang ik het verzweeg, kwijnde mijn gebeente weg." Hiermee komen we op een groot onderwerp, ook in Bijbels opzicht: de directe samenhang tussen geest en lichaam. Of zoals hier staat: de geest en het gebeente als een aanduiding voor het vlees of het lichaam. Die samenhang is er. Zolang David de zaken verzweeg en ten onder hield, was de verhouding niet goed. Op het moment dat je iets onderdrukt, kun je iemand niet echt recht in de ogen kijken; het vertrouwen ontbreekt.

"Zolang ik verzweeg," zegt David, "kwijnde mijn gebeente weg." Dit is een negatief voorbeeld, maar het illustreert dat wanneer je zaken verzwijgt en in de leugen leeft – en daarmee God niet de eer geeft omdat de verhouding verstoord is – dit ten koste gaat van je lichaam. Het negatieve is waar, maar het positieve evenzeer. In het boek Spreuken vind je daar prachtige voorbeelden van: een blijmoedig hart is een genezing voor het gebeente, maar een verslagen geest doet het lichaam verdorren. Er zijn vele voorbeelden van die strekking. Deskundigen noemen dat psychosomatisch. Ik heb eens een huisarts horen zeggen dat bij 95% van de mensen die op zijn spreekuur komen, de klachten psychosomatisch zijn. Dat is niet bedoeld als kleinering, alsof het "slechts tussen de oren zit", maar als aanduiding dat de oorzaak niet aan de buitenkant ligt. De buitenkant is slechts een symptoom dat zich vervolgens manifesteert in het lichaam, maar er is altijd die binnenkant, de geest en de onderlinge samenhang.

Enfin, daar hoeven we nu verder niet te diep op in te gaan, maar je ziet dat David dit ook beschrijft: "Zolang ik verzweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag." Hij was er zeer ellendig aan toe, want dag en nacht drukte Gods hand zwaar op hem. Dat is een uitdrukking die je vaker in de Bijbel vindt: de hand van de HEERE die op iemand drukt in de zin van "teneerdrukken". Dat is eigenlijk ook wat een depressie is; het betekent letterlijk een neerslag, iets wat je teneerdrukt. "Uw hand drukte zwaar op mij."

Je leest dit ook over de Asdodieten, de mensen die in Asdod woonden in de Gazastrook. Daar staat: "Zwaar drukte de hand des HEEREN op de Asdodieten en Hij verbijsterde hen." Dat gebeurde met een hele kwalijke vorm van aambeien, lees je daar. In ieder geval: zwaar drukte de hand des HEEREN op hen. Let wel, het is de hand van de Heer die teneer kan drukken, maar dat betekent niet dat God tegen je is. Als God vóór ons is, wie kan dan tegen ons zijn? Hij heeft alles in Zijn hand. Als Hij voor mij is, kan er niets tegen mij zijn. Maar als Zijn hand op je drukt, kan alleen Hijzelf die druk wegnemen.

Ook van Naomi lezen we in Ruth 1 dat de hand des HEEREN zich tegen haar heeft uitgestrekt. Dat zegt ze tegen haar schoondochters als ze in Moab zijn; ze is haar man en haar zonen kwijtgeraakt en leeft in armoede. Ze zegt: "Noem mij voortaan maar Mara (bitterheid), want de hand des HEEREN heeft zich tegen mij uitgezet." Maar zelfs als die hand zich tegen je keert, dan nog is Zijn hart voor jou. Dat is weer dat vertrouwen waar we het over hebben. In Klaagliederen 3 staat een prachtig woord: "Niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen." Hij doet het wel, Hij verdrukt en bedroeft de mensenkinderen bij gelegenheid, maar Hij doet het nooit van harte. Het doet Hem meer pijn dan degene die het treft. Waarom? Omdat Hij van Zijn schepselen houdt; zij zijn het werk van Zijn handen en Hij corrigeert hen.

Het is uiteindelijk altijd Zijn liefde die Hem in al Zijn handelen motiveert. God is liefde; dat is Zijn wezen en dat kenmerkt Zijn handelen. Ook als Zijn hand op iemand drukt, is Hij in Zijn hart voor diegene. Niets en niemand kan dat ongedaan maken. Dat besef, die wetenschap, is de basis van het vertrouwen in Hem. Als je dat weet, kun je Hem vertrouwen. David beschrijft het zo: "Dag en nacht drukt Uw hand zwaar op mij." Hij zegt ook: "Mijn merg" – of in de Statenvertaling "mijn sap" – "verdroogde als in zomerse hitte." In de interlineair wordt dit weergegeven met "frisheid". Dat wil zeggen: mijn vitaliteit, de frisheid, de levenssappen. Die verdroogden als in zomerse hitte; er bleef niets van over. Je wordt verdord en teneergeslagen. Dat zijn termen die allemaal vallen onder de vlag van zware ellende.

Er staat ook "Sela" bij. Dat komen we vaak tegen: 72 keer in het boek van de Psalmen en nog een paar keer in Habakuk. Het is een muzikaal teken, een rustteken of een intermezzo. Als het een muzikale of dichterlijke aanduiding is, moet je bij de voordracht even pauzeren. Er zit meer achter, waar ik straks nog op terugkom, maar in ieder geval is de gedachte van dit woord een rustteken. Denk alvast even door bij "rustteken": een teken van rust. Ik lees even verder.

Het Keerpunt: Openheid, Erkenning en de Verheffing van Schuld ↑ hoofdstukken

Het keerpunt is vers 5: "Mijn zonde maakte ik U bekend." Ik bedoel het keerpunt van die ellende en van die hand die zwaar op hem drukte. David zegt dan: "Mijn zonde maakte ik U bekend." Niet omdat God dat niet wist, maar hij erkent het; het is een bekennen van. En dat staat dus tegenover het al die tijd bedekken, toedekken of het verzwijgen ervan. "En mijn ongerechtigheid verheelde ik niet." Ik hield het niet meer achter.

Op het moment dat een mens dat ook doet... Het grote probleem van mensen is vaak dat ze – en ik zeg dit nu heel algemeen en gegeneraliseerd – leven in de leugen. Zoveel problematiek die mensen ervaren in hun leven, wordt veroorakt door het feit dat ze dingen verbergen en niet open zijn; dat ze het er niet uit gooien. In het algemeen is dit zelfs waar naar mensen toe. Zo vervreemden mensen ook van elkaar. Vervreemding begint daar; het wordt veroorzaakt door wantrouwen. Waarom zou je voor een ander iets toedekken of waarom zou je dat niet bekendmaken? Daar zit de gedachte achter dat die ander eigenlijk niet te vertrouwen is, en daar begint de vervreemding. Dat kan zelfs eindigen in vijandschap.

Maar dit geldt dus ook naar God toe. Op het moment dat de zaak opengegooid wordt, zoals David zegt: "Ik maakte het U bekend. Ik erkende het." Niet langer heb ik het ontkend; de ontkenningsfase is voorbij. "Mijn zonde maakte ik U bekend; mijn ongerechtigheid verheelde ik niet. Ik zeide: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden; en Gij vergaaft de schuld mijner zonden."

"Gij vergaaft." Dat is de verleden tijd van vergeven, oud-Nederlands. Ook hier wordt trouwens weer datzelfde woord gebruikt als wat we in vers 2 tegenkwamen: dat woord 'heffen' of 'ontheffen'. Ook hier zit weer die gedachte in. Eerst was het die hand die drukte, en hier is het weer die verheffing. Het is precies de tegenovergestelde beweging. Eerst was er die neerdrukkende beweging, die niet alleen een gejammer dag en nacht veroorzaakte, maar ook nog eens zijn gebeente deed verdorren. En nu gooit hij het open. Hij dekt het niet langer toe, hij maakt het bij God bekend. Dat was ook het begin van vertrouwen.

En nu wordt hij opgeheven. "Gij vergaaft de schuld mijner zonden." Nou, dat woord 'schuld' wordt in de grondtekst eigenlijk helemaal niet gebruikt, en 'zonden' staat hier in het meervoud, maar dat staat er oorspronkelijk ook niet. Er staat: "de verdorvenheid van mijn zonde", in het enkelvoud. Maar goed, wat het ook geweest is, David erkende het als zonde en hij erkende ook de verdorvenheid ervan. En daaruit wordt hij opgetild. En dan staat er weer een rustteken: Sela.

De Chassidim en de Profetische Redding uit de Waterstroom ↑ hoofdstukken

"Daarom bidde iedere vrome tot U." Ik had het al over dat woordje 'zalig', en nu hebben we weer zo'n woord. We komen het zo vaak tegen als we de Bijbel openen: van die bekende terminologie, van die bekende woorden, maar die connotaties en associaties hebben, een klank waarbij je in ieder geval op het verkeerde been gezet wordt. Ik weet niet hoe het bij u is met het woord 'vroom', maar voor mij heeft het vooral een negatieve gevoelswaarde. Niet bij iedereen, dat weet ik, dus dat is subjectief wat ik nu zeg, maar bij 'vroom' hebben we vooral de gedachte van 'schijnvroom'. Maar u moet zich voorstellen: vroomheid, dat wordt in de Interlineair prachtig weergegeven met 'getrouwen'. Er staat in het Hebreeuws het woordje Chasid. Kent u hem? Als u een beetje vertrouwd bent met het jodendom, dan herkent u vooral het meervoud: Chassidim. Dat zijn de orthodoxe Joden; zij worden de Chassidim genoemd. En dat heeft dan weer te maken met dat woordje chesed: Gods goedertierenheid. Ik heb begrepen dat dit woord afgeleid is van buigen, het hoofd buigen, en dus daarmee van eerbied en ontzag. Dat is de diepe betekenis van dat woordje Chasid. Het komt heel erg dicht bij dat woord dat we in het Nieuwe Testament tegenkomen: godsvrucht.

In het Nieuwe Testament wordt het altijd vertaald met godsvrucht. Dat geeft ook weer van die rare klanken of gedachten, want dan denk je meteen aan fruit, een banaan of een appel. Daar heeft het niets mee te maken. Dat 'vrucht' in godsvrucht wil zeggen dat je Hem vreest: Gottesfurcht, Hem vrezen. In ieder geval, dat is de gedachte van die vrome. "Daarom bidde iedere Chasid tot U." Eigenlijk zou je het gewoon onvertaald moeten laten: "Daarom bidde iedere Chasid tot U, ten tijde dat Gij U laat vinden."

Kijk, en hier komt trouwens nog iets moois bij, en dat wil ik ook zeker vermeld hebben. De Bijbel, of in dit geval ook deze psalm, spreekt over Davids eigen verleden, zijn eigen ervaringen, maar het is veel grootser. Het gaat over meerdere mensen: daarom bidde iedere vrome, iedere Chasid. Dit is niet alleen een oproep, maar het is ook een beschrijving van toekomende dingen. Er komt namelijk een moment dat het volk van David, en de Chassidim onder hen, God zullen aanroepen en tot Hem zullen bidden. En dan zal Hij Zich ook laten vinden, in de meest concrete zin van het woord. Dit is profetisch: de tijd dat de Here Zich niet langer zal verbergen.

U weet, en dat lijkt mij gewoon een vaststelling, dat we vandaag leven in die tijd, die millennia, waarin de Here Zich verbergt. Zozeer verbergt dat iedereen zegt: "Is Hij er eigenlijk wel? Is Hij dood ofzo?" Je kunt er zelfs theoloog mee worden om te zeggen: "God is dood-theologie". Waar is Hij? De Bijbel zegt: Hij verbergt Zich. Maar er komt een tijd dat Hij weer acte de présence zal geven. Dat wil zeggen: dan zal Hij Zich laten vinden. Daar spreken ook de psalmen heel vaak over, over die geweldige tijd die binnenkort gaat aanbreken dat de Heer inderdaad Zich zal laten vinden. En er staat bij: "Zelfs bij een stortvloed van geweldige wateren zullen die hem niet bereiken." Ja, door die geweldige wateren zul je niet worden overweldigd, of door worden meegesleurd, of daarin verdrinken. Hij zal Zich laten vinden, en die geweldige wateren... In de Bijbel is dat trouwens ook weer een beeld van gewelddadige volkeren. De wateren!

Ik had er even een verwijzing naar moeten geven, want in Openbaring 17 staat dat letterlijk zo. Daar lees je over die hoer die aan vele wateren was gezeten. En dan wordt gezegd: ja, die hoer is de stad Babylon. En er wordt uitgelegd dat die wateren die gij zaagt, vele volkeren, talen en natiën zijn. Dan weten we meteen wat die wateren zijn. Zoals wij zeggen: de volkerenzee. Dat is het. En dit is ook profetisch. Er komt een tijd dat God Zich zal laten vinden terwijl Israël in grote benauwdheid is en de geweldige wateren op hen afkomen: een stortvloed.

In het boek Openbaring, hoofdstuk 12 – en de vrouw daar is niet die vrouw in Openbaring 17, dit gaat over Israël – wordt een visioen, een teken in de hemel getoond aan Johannes. En dan zegt hij: "En aan de vrouw" – dan gaat het over Israël in de eindtijd – "werden de twee vleugels van een grote arend gegeven." Nogmaals, dit is een visioen uiteraard. En die vrouw vliegt naar de woestijn, naar haar plaats waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang, de oude slang, de draak, de satanas, de diabolos. Een tijd, tijden en een halve tijd. Nou ja, nu ik dit vers aanhaal, denk ik: "Goeie genade, waar ben ik aan begonnen?" Want hier staat nogal wat. Zonder al te veel bronnetjes erbij zal ik even kort aangeven waar het hier naar mijn bescheiden mening ook over gaat.

Het gaat hier over Israël, die vrouw, en die zal straks een plaats krijgen; voor haar is een plaats bereid in de woestijn. De Chassidim, de getrouwen, zullen daar naartoe vluchten en daar wordt ze bewaard gedurende drieënhalf jaar: 42 maanden, 1260 dagen, oftewel een jaar, twee jaren en een half jaar. Tijd, tijden, halve tijd. En er staat bij dat dit niet zomaar ging, want die vrouw is in grote nood, in grote benauwdheid. En daar wordt ze uit gered. De slang wierp uit haar bek water achter de vrouw als een stroom – ook weer die waterstroom, ook weer dat beeld van die volkeren en die legers die op haar afkomen om haar door de stroom te laten meesleuren. Maar de aarde kwam de vrouw te hulp; de aarde opende haar mond en verzwolg de stroom. Kortom: die vrouw, Israël in de eindtijd, wordt bewaard voor die stroom.

En nu ben ik weer even terug bij Psalm 32. "Daarom bidde iedere Chasid tot U, ten tijde dat Gij U laat vinden; zelfs bij een stortvloed van geweldige wateren zullen die hem niet bereiken." Je kunt dat toepassen op Davids eigen leven en zijn eigen ervaringen, maar eigenlijk is dit in verband met David misschien wat gezwollen taal. Maar het is geen gezwollen taal; het is profetisch en het kan volstrekt letterlijk genomen worden. Het is volkomen ter zake als het gaat over dat Israël in de eindtijd, het volk van David, dat een rustplaats zal vinden.

En dan staat er in vers 7: "Gij zijt mij een verberging, Gij bewaart mij voor benauwdheid." Die tijd waar ik het net over had, over tijd, tijden en een halve tijd, drieënhalf jaar... daar gaat het zo vaak over in de profetie. Dan is er een plaats. Ja, die tijd wordt genoemd de 'dag van Jakobs benauwdheid'. Het is zo profetisch! God heeft dan een schuilplaats ingericht in de woestijn voor Zijn volk, een plaats van geborgenheid. Daar vinden ze inderdaad bewaring; daar worden ze geborgen en ook verborgen. Wonderlijk wat daar gaat gebeuren. Gedurende die enorme benauwdheid zijn zij daar veilig en worden ze bewaard. "Gij zijt mij een toevlucht, o Here." Hoe vaak staat het niet in de psalmen? Maar hier zo letterlijk, dat daar een schuilplaats is voor het volk in de woestijn. Concreet: "Gij omringt mij met jubelzangen van bevrijding." Want in die uiterste nood en die enorme benauwdheid zal dat volk jubelen in hun God, in wie ze alle vertrouwen hebben. Sela.

Sela: de Rotsstad als Letterlijke Schuilplaats in de Woestijn ↑ hoofdstukken

En nu zeg ik het weer even, want weet u wat ik nu zo mooi vind? Ik wilde dat net al zeggen, maar ik dacht: ik bewaar het even. Want dat is namelijk de gelijkluidende naam voor de rotsstad, dubbel S. Er is een stad in de woestijn, in de woestijn van Edom. Ik had er ook nog een kaartje bij kunnen laten zien, maar in de woestijn is daar een stad die Sela heet. Op zijn Hebreeuws is het Sela, op zijn Grieks is het Petra.

De Joden, de Hebreeën – ook in het moderne Hebreeuws – kennen deze stad heel goed. Er zijn liedjes over deze stad, want het is legendarisch. Het is zo'n stad in de woestijn, ja, het ligt daar maar te liggen; het is een wereldwonder. En als u mij vraagt – ik ga dat nu ook verder niet aantonen – dan is er een plaats in de woestijn van God bereid, en daar worden ze bewaard in die schuilplaats. Hoe? Dat is aan God. En daar vinden ze inderdaad verberging in die tijd van benauwdheid. God bewaart hen daar.

Dit is dus heel letterlijk ook voor dat volk dat dit in de nabije toekomst zo zal ervaren. Dat is geweldig als je daar ook aan denkt; dat is heel concreet. Dus daar krijgt dit woord 'selah' zijn diepere betekenis. Ik geef toe: in het Hebreeuws is de spelling van de laatste letter van de rotsstad anders dan hier; geen 'he' maar een 'ayin'. Dat zeg ik even voor de nauwkeurigheid, maar aan de andere kant is de uitspraak identiek. Ik denk dan aan die stad in de woestijn, en dan staat er direct bij: "Ik leer u".

Mijn Oog Is op U: Gods Belofte van Sturing en Voorziening ↑ hoofdstukken

Tot nu toe waren het de woorden van David, maar nu, hier in vers 8, neemt God Zelf het woord: "Ik leer en onderwijs u." Hier hebben we weer dat woordje waar we het eerder over hadden: Masjkil. Dat leren, dat onderwijzen, het overpijnsen; "Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij moet gaan."

Ik blijf even de lijn vasthouden: er is voor dat volk een plaats in de woestijn en God zal ze daarheen wijzen. "Daar moet je wezen," zegt Hij. In het algemeen is het natuurlijk ook waar; want als u zegt dat dit toch ook persoonlijk waar is, dat de Heer ons onderwijst, dan heeft dat een universele waarde. Hij richt ons, Hij geeft ons Zijn Woord. Als je Hem kent en met de Schriften bezig bent, wijst Hij jou de weg. Zijn Woord is een lamp voor je voet en een licht op je pad. Dat is het mooie in een donkere wereld; een wereld die niet weet waar ze vandaan komt en die niet weet waar ze naartoe gaat. Als je dan een licht hebt, is dat precies wat je nodig hebt.

"Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij moet gaan. Ik raad u," dat wil zeggen: Ik geef u raad. Dat is het. "Ik geef jou raad, Ik geef jou advies, Ik wijs jou Mijn richtlijnen. Mijn oog is op u." Kijk, dan hebben we de titel van deze lezing van deze morgen te pakken. "Mijn oog," zegt de Heere, "is op u." En dat is dus niet: Ik houd een oogje in het zeil. Nee, Mijn oog is op u. Geen moment ben jij onttrokken aan Mijn aandacht. "Ik ben op jou gefocust," dat is het.

"Mijn oog is op u." Dat wil zeggen: Ik zie jou. Ja, ook nog in de andere zin: Ik zie jou zitten. Met alle dubbelzinnigheid die daar ook weer aan vastzit. "Ik zie jou en Ik zie jou zitten," maar ook: Ik voorzie. En dat is trouwens ook dubbelzinnig. "Ik voorzie," zegt de Heere, en dat betekent niet alleen maar dat Hij vooruit kan kijken. Dat is zo; de Heer zegt Zelf: "Ik verkondig van het begin al de afloop." Dat is omdat Hij voorziet. Maar u begrijpt, het woord voorzien heeft ook die klank van: Hij geeft Zijn voorzieningen. Juist omdat Hij voorziet, kan Hij voorzieningen treffen en beschikken. Hij geeft je wat nodig is; "Ik word voorzien."

Dat is wat er met Israël ook gebeurt straks. Het geldt in het algemeen: Hij ziet, Zijn oog is op je. En dat zullen ze daar, dat volk in die schuilplaats in de woestijn, inderdaad gaan ervaren. Terwijl die wateren hen omringen, zullen ze dat beleven: 1260 dagen worden ze van Godswege onderhouden. Gewoon, God kun je vertrouwen. Je kunt gewoon blindelings op Hem aan. U zegt: "Het is riskant." Ja, dat hangt ervan af. Als je Hem kent niet, dan is het niet riskant. Je kunt het allemaal loslaten. "Ik raad u," zegt God, "Mijn oog is op u."

Een Waarschuwing Tegen Koppigheid en de Smarten van de Goddeloze ↑ hoofdstukken

Wees niet als een paard, als een muildier zonder verstand. Dat is voor de paardenliefhebbers misschien wat onaantrekkelijk wat ik nu zeg, of wat ik hier nu voorlees. Want een paard in de Bijbel is namelijk geen huisdier, maar is per definitie — ik zal er heel wat voorbeelden van geven, ik heb er al een paar voorbeelden trouwens hier achter staan — een dier dat toegerust is ten strijde. Dat is een paard. Waar je gewoon voor je plezier een rondje mee gaat rennen of zo? Nee, een paard is een wild dier dat gebruikt werd in de oorlog.

Wees niet als een paard, als een muildier. Dat is een kruising tussen een paard en een ezel, en die staan bekend om hun koppigheid. Ik ben geen kenner van deze dingen, maar dat las ik en heb dat vaker gehoord. Een muildier is zeer bruikbaar, maar ook zeer koppig, zoals wij dat ook van bokken zeggen: koppig. Wees niet als een paard, als een muildier zonder verstand. Hier wordt gesproken tot de verstandigen; het is een leerdicht. Gebruik je verstand. En zo'n muildier, dat moet bedwongen worden met toom en bit. In de bek — of in de mond moet ik zeggen, als ik het heb over een paard; ik moet even goed op mijn woorden letten. Wees niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men bedwingt met toom en bit, opdat het u niet te na kome.

Dat laatste heb ik altijd een merkwaardige zin gevonden, maar er staat letterlijk: als het helemaal niet naderbij komt tot jou. Dat wil zeggen: als het niet doet wat jij wilt. En daarom is die toom en bit dus nodig; het dier moet in bedwang gehouden worden. Maar dat is slechts omdat hij oncontroleerbaar is. Dit is zo’n raad: wees niet als een paard, als een muildier zonder verstand die bedwongen moet worden, wiens trots bedwongen moet worden met toom en bit.

En er staat nog bij: talrijk zijn de smarten van de goddeloze. Een mens komt pas tot zijn bestemming als je Hem kent. De goddeloze is eigenlijk gewoon degene die slecht is en daarmee ook de feiten, de waarheid onderdrukt. Degene in wie bedrog is. En feitelijk is dat dus degene — ja, dat is wat goddeloos ook wil zeggen — die Hem niet kent. Nou, als je Hem niet kent, dan mis je alles. Als je Hem niet vertrouwt, dan houdt dat per definitie in dat je daar de smarten van ondervindt. Dit is trouwens ook weer universeel waar; ik bedoel, universeel is dit een principe, maar het is ook profetisch voor de dagen van de toekomst, wanneer God de volkeren gaat treffen.

Je leest het in Psalm 2. Er staat dat de volkeren zeggen... de Verenigde Naties die dan op gaan trekken naar Jeruzalem, naar het Midden-Oosten, dat is gewoon letterlijk waar. En ze zullen het gaan opnemen tegen Jeruzalem. En dan zegt de Heer... de Heere lacht, de Heere spot met hen. Denk je nou werkelijk: Ik heb zo Mijn voornemen, Mijn plan, en Ik trek Mijn baan en Ik doe dat; als jullie daar niet mee wensen te rekenen, dan zal Mijn hand zich tegen je keren. En keihard. Dan is de Heere ook inderdaad zonder pardon. Ik wou al zeggen: zonder genade. Maar dat is dan weer niet helemaal waar wat ik zeg. Maar in ieder geval, u begrijpt wel wat ik bedoel. Er valt met God niet te spotten. En dat zal straks ook blijken. Degene die niet rekent met God, de Heere spot met hem. Hij verbrijzelt hem als pottenbakkerswerk. Daar zit trouwens ook weer hoop in, want Hij herstelt dat dan ook weer als de ware Pottenbakker.

Maar goed, talrijk zijn de smarten van de goddeloze, maar wie op de Heere vertrouwt — dan zijn we weer terug bij af — wie op de Heere vertrouwt, die omringt Hij met goedertierenheid. En hier heb je weer dat woord wat we al eerder tegenkwamen, maar dan in iets andere vorm gezet: de goedertierenheid, de vriendelijkheid van God. Wie op Hem vertrouwt, die wordt omringd met Zijn goedertierenheid.

Een Uitbundige Jubel en Triomf voor de Rechtvaardigen ↑ hoofdstukken

En dan eindigt de psalm met een geweldige uitroep van vreugde. Niet alleen maar met verheugen: "Verheugt u in de HERE en juicht, gij rechtvaardigen." Juichen, jubelen, wees uitbundig. Wij Nederlanders zijn dikwijls niet zo. Voor de pauze, voordat de samenkomst begon, hadden we het er nog eventjes over. Je hebt van die samenkomsten die veel uitbundiger zijn — hiernaast bijvoorbeeld — waar mensen een volksaard en temperament hebben dat veel meer in zich heeft om uitbundig te juichen. De Bijbel komt ook uit zo’n klimaat, waar uitbundigheid niet vreemd is. En als je blij bent, dan laat je dat ook aan alle dingen merken. Gewoon automatisch. Dat is niet omdat het moet, maar dat zit er gewoon in. Trouwens, dat geldt met verdriet ook zo; dan laat je dat ook merken en houd je dat niet binnen. Wij zijn dikwijls zo verkrampt.

Maar goed, juicht en jubelt uitbundig! Als je Hem kent, heb je zoveel reden, dan heb je alle reden om je te verheugen. "Juicht, gij rechtvaardigen." De rechtvaardigen, dat zijn degenen die... wat rekent God tot rechtvaardigheid? Als je in de Bijbel het woord 'rechtvaardig' tegenkomt, moet je denken: aha, dat is degene die God gelooft, die Hem vertrouwt. Zo rekent God. "Verheugt u in de HERE en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt allen, gij oprechten van hart."

En die oprechten van hart, dat staat dan weer tegenover degenen die bedrog hebben, bij wie geen geest van bedrog is. Dat wil zeggen: Hem vertrouwen. Dat is de basis van werkelijke vreugde, maar ook van triomf en van die jubel. Je weet: Gods Woord houdt stand. Hij vervult Zijn plannen. En daarom dat opgeheven hoofd; dat vertrouwen in Hem en ook dat opgeheven hoofd omdat je vooruitkijkt naar de toekomst. Hij heeft de toekomst in handen, Hij is getrouw en Hij vervult het alles. Verheugt u, juicht, gij rechtvaardigen die God vertrouwt. Jubelt allen, gij oprechten van hart. En daarmee zijn we gekomen aan het einde van deze psalm. Ik stel voor dat wij ook een lied gaan zingen.

🎧 Mijn oog is op u
Delen: