meedoen of weigeren?
30-01-2022 - Geplaatst door Andre Piet30 januari 2022, Benthuizen
In 1Korinthe 10 gaat Paulus in op een in Korinthe zeer heikele kwestie. Al het vlees dat op de vleesmarkt te koop was, was eerst in de afgodentempel geofferd. Een deel van de Korinthische gelovigen weigerden daarom dit vlees te kopen omdat ze in hun beleving dan zouden meedoen met afgoderij. Anderen stonden op het standpunt dat zij als kopers niet verantwoordelijk waren voor wat anderen met het vlees hadden gedaan. Hoe stond Paulus in deze controverse en welke weg wees hij? En herken je iets van de Korinthische verdeeldheid in de huidige actualiteit?
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: de Gelovige in het Afgodische Korinthe
- De Vrijheid in Christus: 'alles Is Geoorloofd' in Plaats van Wet
- Het Beslissende Criterium: Wat Is Nuttig en Bouwt de Ander Op?
- Vrijmoedig Vlees Eten: de Aarde Is van de Heer en Haar Volheid
- Te Gast bij een Ongelovige: Rekening Houden met het Geweten van de Ander
- Het Goddelijke Principe: Alles Wordt een Zegen Door Dankzegging
- Alles tot Heerlijkheid van God en het Redden van de Mens
Inleiding: de Gelovige in het Afgodische Korinthe ↑ hoofdstukken
Een hele goede morgen, ook van mijn kant. Het is heerlijk om elkaar hier na anderhalve maand weer te mogen treffen. Hartelijk dank ook voor het verhaal van mijn broer Dirk, wiens knecht ik zojuist even mocht wezen. U hoorde het al: hoe was het ook weer? Moesten de oudsten de jongsten dienen, of was het toch omgekeerd? Dat zijn geweldige dingen. Ik heb ook nog een kwartiertje, die indruk kreeg ik tenminste. Over die strijd waar we het over hadden, daar spreken we bij gelegenheid nog wel eens verder over.
Wij gaan vanmorgen met elkaar naar 1 Korinthe 10. Na het verhaal gehoord te hebben over de bijen, het voorjaar en de natuur, gaan we nu naar wat de apostel Paulus ooit heeft opgetekend in het tiende hoofdstuk van de eerste Korinthebrief. Ik heb deze studie als titel meegegeven: 'Meedoen of weigeren?'. Iemand zei al direct tegen mij: "Jij gaat het zeker hebben over de QR-code." Nee, daar ga ik het niet over hebben, hoewel ik moet zeggen dat er wel lessen uit te trekken zijn. Maar goed, daar hebben we het misschien straks nog wel even over.
Eerst een paar dingen vooraf. De eerste Korinthebrief is door Paulus geschreven vanuit Efeze. Dat ligt ongeveer op dezelfde breedtegraad als Korinthe zelf, alleen de Egeïsche Zee zit daar nog tussen. De brief is ongeveer in het jaar 54 van onze jaartelling opgetekend. Je kunt precies traceren wanneer dat gebeurd is in de geschiedlijn van het boek Handelingen; het was op het moment van Handelingen 19 vers 22 dat Paulus deze brief schreef. Dat is om even een algemene indruk van de brief te hebben.
Specifieker kijken we naar de achtergrond van dit hoofdstuk, en dan vooral vanaf vers 14 tot 33. Waar Paulus het hier over heeft, is de afgoderij. Hij zegt in vers 14: "Vlucht voor de afgoderij." Dat klinkt misschien wat vreemd. Het is eigenlijk meer dan alleen 'afstand doen van'. Ervoor wegvluchten suggereert dat het ook een gevaar is en dat het moeite kost om je daarvan te distantiëren. Dat word je je vanzelf bewust als je je realiseert dat alles in de toenmalige Griekse wereld, en zeker ook in Korinthe, doordrenkt was van religie. Korinthe was een van de grootste steden in Griekenland — nog steeds trouwens — en een belangrijke havenstad. Maar alle 'events', zoals wij dat tegenwoordig noemen, en alle festiviteiten die daar plaatsvonden, waren stuk voor stuk religieus van aard. Denk bijvoorbeeld aan de Olympische Spelen. Die waren gewijd aan de god Zeus, vandaar dat ze hun oorsprong vinden bij de berg Olympus. Maar je had in die dagen in Korinthe ook de Isthmische Spelen. Dat waren spelen vergelijkbaar met de Olympische, maar dan op een ander tijdstip en specifiek gehouden in Korinthe. Deze Isthmische Spelen waren gewijd aan de god van de zee, Poseidon.
Ik wil er maar mee zeggen dat alles — alle festiviteiten, alle gebeurtenissen, alles wat zich in het culturele, sociale of maatschappelijke leven afspeelde — een religieus facet of een religieuze dimensie had. Er waren ook dikwijls offermaaltijden die werden ingeleid met een offerande aan een van de vele goden die zij hadden, en die Paulus in 1 Korinthe 10 trouwens demonen noemt.
Nu waren er in Korinthe al een aantal jaren gelovigen. Die geloofsgemeenschap was ontstaan door de prediking van de apostel Paulus, zoals vermeld in Handelingen 18. Dat was ergens in het jaar 50 geweest, dus een jaar of vijf vóór het schrijven van deze brief. In elk geval heeft Paulus daar toen het Evangelie, het goede bericht, mogen brengen. Dat is onder andere die boodschap waar mijn broer Dirk zojuist naar verwees vanuit Korinthe 15: over Hem die ooit Zijn leven gaf, die werd begraven en die ten derden dage werd opgewekt naar de Schriften. Dat is wat Paulus verteld had, met alles wat dat inhoudt. Maar u begrijpt dat als je dat gelooft, en de boodschap van de Zoon van God en die ene God die alles in Zijn handen heeft aanvaardt, je niets meer hebt aan dat veelgodendom waar heel het leven door gekleurd en gedomineerd werd.
Wat moest je dan? Voor elke gelovige die de ene God kent, is het volstrekt duidelijk — dat gold trouwens ook al voor de Joden, die immers ook slechts één God kenden — dat je je distancieert van die hele afgodische wereld. Maar dat betekent in de praktijk dat je in een sociaal isolement terechtkomt. Het valt niet mee als de hele wereld en alle maatschappelijke, sociale en culturele activiteiten religieus van aard zijn, en jij daar als gelovige helemaal niets meer mee hebt omdat je de ene God kent. Dat betekent dat je wereldje in die zin kleiner wordt. Het is immers het een of het ander: je kent de ene God óf je erkent de vele goden. Dit betekende in de praktijk vaak afwijzing en spot.
Paulus heeft daarover gesproken in die eerste verzen van hoofdstuk 10. Ik haak nu aan bij vers 22. Dit was even de inleiding: Paulus had gezegd dat men afstand moest nemen van die afgoderij. Maar dat had een prijs. Op het moment dat je afstand neemt van de godsdienstige wereld, zou je kunnen zeggen: "Nou ja, dat is een kwestie van afscheid nemen, ik maak er geen deel meer van uit." Maar als dat betekent dat je daarmee ook in je familie en in je hele kring van collega's een zonderlinge, aparte en geïsoleerde positie inneemt, en daarmee ook afwijzing op de koop toe krijgt... tja, dat is de prijs. En als u het mij vraagt, is dat in feite nog steeds actueel. Op het moment dat je het Evangelie van de ene God echt kent, heb je met de religie — ook als die zich 'christelijk' noemt — niets meer te maken, want dat staat haaks op elkaar. Die afwijzing, die spot, dat isolement... dat is de prijs van 'buiten de legerplaats gaan', om een term uit de Hebreeënbrief te gebruiken die in feite in dezelfde context staat.
Nu waren er trouwens gelovigen in Korinthe die dat kennelijk al te moeilijk vonden en die bij gelegenheid toch deelnamen aan zulke offermaaltijden. Paulus zegt dat dit onbegrijpelijk is. Niet omdat het 'niet mag' — daarover straks meer — maar omdat het zo onlogisch is. Hoe zou je deel uit kunnen maken van een festiviteit waar geofferd wordt aan de afgoden, terwijl je de ene God kent? 'That makes no sense', zouden de Engelsen zeggen. Het is gewoon onzinnig. Paulus vraagt dan ook: "Of zijn wij de Heer jaloers aan het maken?" Door deelname aan zulke festiviteiten doe je iets wat volstrekt onlogisch is, want het een verdraagt zich niet met het ander. Het erkennen van de ene Heer verdraagt zich niet met het eer geven aan andere goden. "Wij zijn toch niet sterker dan Hij?" Daar zit een waarschuwing in. Met andere woorden: denk niet dat God met Zich laat spotten als jij daar een loopje met Hem neemt. Je kent de ene God, maar in de praktijk misken je Hem. Daarmee maak je degene met wie je in liefde verbonden bent jaloers. Er zit dus een waarschuwing in, maar het is natuurlijk vooral ook een bemoediging. Want als je afstand neemt van zo'n wereld en in een isolement terechtkomt, denk je dan werkelijk dat Hij niet sterker is?
Denk je nou werkelijk dat Hij jou verlaat? Of denk je nou werkelijk dat Hij jou niet de kracht geeft om de weg te gaan die Hij wijst? Dat is een geweldige gedachte.
Dat geldt trouwens in het algemeen: als je de weg gaat die God wijst, dan geeft Hij ook altijd de kracht die daarvoor nodig is. Dat is trouwens ook 1 Korinthe 10. Denk niet dat je ooit boven vermogen verzocht wordt; dat bestaat niet. Want Hij zal met de verzoeking ook altijd uitkomst bieden en ook kracht geven. Wij zijn toch niet sterker dan Hij? Zijn kracht is toch overtreffend.
De Vrijheid in Christus: 'alles Is Geoorloofd' in Plaats van Wet ↑ hoofdstukken
En dan krijg je dat prachtige motto dat in de Korinthe-brief nogal eens terugkeert: "Alles is geoorloofd." Paulus schreef: "Niet alles is nuttig. Alles is geoorloofd, maar niet alles bouwt op." Dat zegt hij hier twee keer, maar ik zal u vertellen dat Paulus dit in hoofdstuk 6 vers 12 ook al twee keer had gezegd. In totaal herhaalt hij dit dus vier keer. Dit was een motto dat in Korinthe kennelijk bekend was en in feite ook een uitvloeisel van wat Paulus altijd verkondigde.
Namelijk: als gelovigen worden wij niet geregeerd door de wet en door de vraag of iets wel of niet mag. Daar was Paulus heel gauw klaar mee. Kijk, er zijn bepaalde dingen die onlogisch zijn, waar ik het zojuist over had. Als gelovige die één God kent en erkent, is het onlogisch en totaal niet te verdedigen om mee te doen met afgoderij. Er zijn wel meer dingen heel onlogisch, en die doe je nu eenmaal niet. Ik bedoel, er zijn talloze voorbeelden waar zelfs algemeen menselijk besef zegt: "Is moord fout?" Ja, moord is altijd fout.
Maar in dit geval wordt het leven van een gelovige beheerst door de vrijheid waarin we gesteld zijn. Voor een gelovige is nooit de vraag — en dat is wat Paulus predikte — "Mag dat nou wel of mag dat dan niet?" Want daar was hij heel gauw klaar mee: alle dingen zijn geoorloofd. En geloof je dat niet? Dan zegt hij: "Dan vertel ik het je nog een keer: alles is geoorloofd." Dus überhaupt de vraag of iets wel of niet mag, betekent gewoon dat je nog helemaal terug moet naar het ABC van het evangelie. Want alle dingen zijn geoorloofd. Niet alles is nuttig; nee inderdaad, niet alles is nuttig, maar dit is het uitgangspunt: de vrijheid die wij in Christus hebben.
Vergis je niet, want ik weet — kijk het maar eens na — dat religie, maar ook de christelijke religie voor het grootste gedeelte bepaald wordt door de vraag, ook in de prediking: "Mag dat nou wel en mag dat nou niet?" Ik moet zeggen, ik vind het een groot voorrecht om van die vraag verlost te zijn. Ja, alle dingen zijn geoorloofd, en dat typeert het evangelie. Neem daar ook geen loopje mee; dat is het uitgangspunt en de basis. Natuurlijk is het zo dat niet alles nuttig is.
Het Beslissende Criterium: Wat Is Nuttig en Bouwt de Ander Op? ↑ hoofdstukken
En dat is de wezenlijke vraag die altijd ter zake doet. Sommige mensen zeggen alleen maar: "Oh, alle dingen zijn geoorloofd." Maar zij stellen zich nooit de vraag of het eigenlijk wel nuttig is. Terwijl dat nu juist de vraag is die er echt toe doet. Je moet niet via een achterdeurtje alsnog weer zeggen: "Oké, alle dingen zijn geoorloofd, maar niet alles is nuttig," om vervolgens met elkaar vast te stellen wat nuttig is en daarmee te concluderen dat alleen datgene geoorloofd is. Dan heb je alsnog de wet binnengehaald via een achterdeurtje. Nee, het gaat altijd om de vraag: wat is nuttig?
Paulus definieert wat nuttig is in de parallelle zin: wat nuttig is, dat is wat opbouwt. Dat is waar je beter van wordt. Dat klinkt in het Nederlands al gauw als iets egoïstisch, maar ik bedoel: waar je voordeel van hebt, wat je vormt, of wat de ander vormt. Met name dat wat opbouwt, dat is het beslissende criterium voor eigenlijk alle vragen in het leven en de kant die je op zou gaan. Niet: "Mag het wel of mag het niet?" Nee, wat bouwt op, of wat bouwt nog meer op dan het andere?
Dat is wat Paulus zijn lezers hier voorhoudt en dat was ook de basis van het evangelie. Want als je predikt dat alle dingen geoorloofd zijn en dat we in de vrijheid staan, dan zit je vervolgens nog wel met de vraag wat we dan zouden doen. Hebben wij geen criterium? Jazeker, wij hebben wel degelijk een criterium. Ik zal straks ook laten zien: wat is tot verheerlijking van Hem? Wat bouwt op?
Ik zal u zeggen dat dit vragen zijn die zoveel beter zijn en die zoveel meer opleveren dan die vraag of het wel of niet mag. Als je daardoor beheerst en belast wordt, dan word je altijd geleid door schuldgevoel. Op het moment dat je altijd geleid wordt door de vraag of iets mag of niet, dan krijg je gedachten als: "Ik had het eigenlijk niet moeten doen, eigenlijk mocht het niet." Schuld. Nee, de vraag is positief: wat is nuttig, wat bouwt op?
Paulus voegde er nog een aan toe: laat niemand het zijne zoeken, maar dat van de ander. Dus vooral het belang van de ander, want dat is wat de ander opbouwt. Dat staat trouwens op zich haaks op de filosofie die er in de wereld is. Want dat was niet alleen toen de gangbare gedachte; ook nu nog steeds is dat de gedachte. Dat leer je trouwens al bij de eerste taallessen die je krijgt: "ik" is de eerste persoon. In het Hebreeuws is dat trouwens niet zo, dat is heel grappig; in het Hebreeuws is "hij" de eerste persoon. Maar goed, "ik" is de eerste persoon en het woord voor "ik" in het Grieks is ego. Als dat de leidraad of het criterium wordt, dan heb je egoïsme en dan gaat het in feite allemaal om mij. Dat is een egocentrisch idee waarbij jijzelf centraal staat in het denken.
Dat wordt ook uitgedragen in de filosofie en in allerlei zelfhulpboeken; kijk maar eens in de schappen van de boekwinkel of op internet. Altijd is daar de leidende gedachte van zelfontplooiing. Vooral als dat de primaire eis wordt in bijvoorbeeld relaties of het huwelijk, dan is het: "Ja, dit is niks, want ik kan mezelf hier niet ontplooien, dus ik zet er een punt achter. Ik kom niet aan mijn trekken, in welk opzicht dan ook." Alsof dat ooit het criterium zou moeten zijn. Op het moment dat je denkt in termen van wat nuttig is en wat de ander opbouwt, dan is dit niet meer het criterium of de eis. Niet ik; het gaat niet om mij, maar ook om de ander. En nu komt Paulus weer opnieuw, want dat is nog steeds de context waarin dit hele onderwerp geplaatst is.
Vrijmoedig Vlees Eten: de Aarde Is van de Heer en Haar Volheid ↑ hoofdstukken
Opnieuw bij die afgodendienst. Want, zegt Paulus — en dat moet ik even toelichten: "Alles wat in de vleeshal verkocht wordt, eet dat, zonder kritisch oordeel vanwege het geweten." Alles wat in de vleeshal te koop is... daarvan moet u weten dat in de dagen van Korinthe het vlees dat daar lag, ooit in een afgodentempel aan een ritueel onderworpen was geweest. Het was gewijd aan de demonen, het was geofferd. Dat vlees was dus strikt genomen afgodisch per definitie. Waarom? Omdat dat vlees aan de afgoden gewijd was.
Nou zou je kunnen denken — en dat is het interessante wat Paulus aansnijdt en buitengewoon leerzaam voor ons — wat hij nu hierover zegt. Hij zegt: alles wat in de vleeshal verkocht wordt, eet dat zonder kritisch oordeel vanwege het geweten. De gedachte daarbij is natuurlijk deze: je hoeft niet eerst navraag te doen over dat vlees vanwege het geweten. Ik bedoel, je doet wel navraag naar wat voor soort vlees het is of naar de kwaliteit, maar niet vanwege het geweten in de zin van: "Mag ik dat eigenlijk wel eten?" Nee, Paulus zegt dat alles wat daar ligt, als het gaat om het geweten, je dat gewoon zomaar tot je kunt nemen.
Nu zegt u: "Dat is toch vanzelfsprekend?" Nou, helemaal niet. Er waren namelijk in Korinthe ook gelovigen die weigerden dit vlees te eten omdat dit in feite als meedoen werd beschouwd. Zij beschouwden dat als meedoen met de afgoderij. Dat is op zich een logische gedachte: dat vlees was aan de afgoden gewijd, kwam vervolgens in de vleeshal en als jij het kocht, deed je feitelijk mee aan die rituelen en dus aan de afgodendienst. Dat was de redenering. En is daar wat voor te zeggen? Ja, het is een heel logische gedachte.
En toch zegt Paulus — dat was al eerder in hoofdstuk 8 — dat mensen die dat zeggen, nog de "gewoonte van de afgod" hebben. Stel je voor: jij komt uit die wereld van de afgoderij, en in feite was dat de achtergrond van al die Korinthische gelovigen. Ze waren bekeerd, ze hadden zich afgewend van die afgoden en zich gewend tot de ene God. En dus hadden ze niets meer met die afgoderij. Als je dat heel consequent neemt, neem je dus ook afstand van dat vlees en eet je het niet meer. Paulus zegt van hen dat zij nog een gewoonte van de afgod hebben, want zij kunnen dat vlees niet zien of eten zonder de associatie; niet zonder de gedachte dat het gewijd is aan de afgoden. In feite belasten zij daarmee hun eigen geweten. Paulus zegt dat dit geweten in feite nog zwak is. Waarom? Dat vlees is voor hen niet neutraal. Nee, dat vlees is in hun gedachten nog steeds gelinkt aan de afgoderij. Dus wat deze gelovigen ondervonden of meenden, was niet fout; het was gewoon hun beleving.
Wat Paulus wel zegt is: ja, maar niettemin, alles wat in de vleeshal verkocht wordt, eet dat zonder kritisch oordeel vanwege het geweten. En nu gaat hij het motiveren, want hij zegt: "De aarde is van de Heer en haar volheid." Kijk, dat is de andere kant. Dus hoe goed het ook te beredeneren is om te zeggen dat je dat vlees niet eet omdat het gewijd is aan de afgoden, de andere redenering — en die noemt Paulus "sterk" — is: dat vlees is aan de afgoden gewijd? Ja, dat hebben zíj gedaan, maar dat is ons pakkie-an niet. Wij nemen dat gewoon. Waarom? Wel, de aarde is van de Heer en alles wat daarin is. De hele volheid is van Hem, en met die afgoden heb je helemaal niks te maken; die herken je domweg niet. Dat is de andere gedachte.
Ik had het net eventjes over QR; dat is wel een aardige vergelijking. Want laten we wel wezen: er waren toen in Korinthe zulke controverses. Er waren gelovigen die zeiden: "Nee, dat vlees eet ik niet, want dan doe ik mee aan die afgoderij." Andere gelovigen zeiden: "Hoezo? Ik herken niet wat zij doen of hebben gedaan met dat vlees. Dat is niet mijn zaak. Ik ken maar één God en ik maak daar gewoon gebruik van." Herkent u het? Nee, ik ga de conclusies nu niet voor u trekken. Die moet u zelf... Het gaat mij helemaal niet om de vraag wat het gevolg is, maar ik wil u alleen maar wijzen op hoe zulke controverses werken. Van: doe je dat nou wel of doe je dat niet? Is het zo dat als je daar gebruik van maakt, je dus in feite meedoet met de afgoderij? Wat goed te verdedigen is hoor. Maar is dat per definitie zo? En ga je daarmee elkaar een wet opleggen van: dat mag je niet doen of dat moet je wel doen?
Op het moment dat je in die sfeer spreekt — en ik praat nu echt niet over theorie, dit zijn dingen die ik de laatste maanden heb bedacht en conversaties met andere gelovigen over heb gevoerd — wat doe je nou met al die toestanden die ons worden opgelegd? Voor je het weet heb je zomaar conflict in de familie en zelfs onder gelovigen. Er kunnen twee volstrekt goed te verdedigen gedachten zomaar conflicteren. Toen was dat afgodenvlees, en nu zijn dat weer andere kwesties. Trouwens, in andere tijden hebben we ook weer andere voorbeelden gehad waarbij gelovigen elkaar de maat gaan nemen over wat ze wel of niet doen. Alsjeblieft mensen, laat elkaar vrij. Dat is wat Paulus hier ook zegt: "Alles wat in de vleeshal te kopen is, koop dat. Zonder navraag te doen uit gewetensbezwaar."
Waarom? Wel, een hele simpele overweging: wij hebben maar één God, wij kennen maar één Heer en alles wat ik zie en alles... Paulus citeert hier trouwens Psalm 24 waar dat staat: alles en iedereen is van Hem. De aarde is des Heren en haar volheid. Dat wil zeggen: alles wat erin is. Alles wat Hij geschapen heeft, elk schepsel, elk mens is van Hem. Ja, ook ongelovigen. Dat vind ik trouwens een geweldige gedachte. Ik ben Zijn eigendom. A: ik ben door Hem geschapen, een schepsel van Hem, en bovendien heeft Hij de prijs voor mij betaald. En ik weet dat Hij de losprijs heeft betaald voor iedereen. Dus Hij is de Heer van iedereen. Dat is de boodschap: Hij is jouw Heer. En of je dat herkent, ja, dat is vers twee, dat maakt niet uit. Hij is jóuw Heer. Dat is de ruimte waarin wij geplaatst zijn. En niet dat benauwde van: "Mag dat nou wel of mag dat nou niet?" Kom daar toch uit.
Of — dat is trouwens ook een, ik noem het haast een "evangelische tik" of een godsdienstige, religieuze tik — waarbij je in feite ook weer geleid wordt door die vraag van: "Is dat nou geoorloofd?" Dat je dan heel vroom bij elke keuze in het leven die je maakt, elke beslissing die genomen moet worden — en je staat voortdurend voor keuzes — je laat domineren door de vraag of dat nou wel mag. De vrome variant is daar natuurlijk dat je op je knietjes gaat en dat je je ogen sluit — ik zeg dat misschien wat spottend — van: "Heer, mag dat nou wel of mag dat dan niet?" Maar dit is de instelling: de aarde is van de Heer. De vraag is niet: "Heer, is dit van U?" Nee, daar hoef je geen vraagteken bij te zetten.
Kijk, bij bepaalde activiteiten kun je natuurlijk — en dat geldt voor alle activiteiten — de vraag stellen: is het nuttig of niet? Maar als het gaat om díngen, dingen die geschapen zijn: "Is dat van U?" Ja, natuurlijk is het van Hem. Van wie anders? De aarde is van de Heer en haar volheid. En dat betekent dus dat waar wij ook een stap zetten, het gewoon Zijn domein is. Er was vroeger zo'n boek geschreven door dokter Auweneel en dat heette "Het domein van de slang". Ik weet dat nog heel goed, een heel dikke pil. En dan is er een tijd geweest dat elke zichzelf...
Ik kende gerespecteerde evangelische gelovigen die, voordat zij naar een of andere therapeut gingen, eerst even het 'domein van de slang' raadpleegden of dat wel helemaal koosjer was. Want ja, anders mocht het niet. In feite was voor hen alles het domein van de slang. En ontken ik daarmee dat de slang overal inderdaad zijn werk doet? Nee, dat is absoluut waar. Hij heeft buitengewoon veel succes. Liegen, dat doet hij als geen ander, en ook zeer professioneel. Ja, zo heet hij ook: de 'door-elkaar-gooier'.
Maar de grootste truc die hij kan bedenken, is de claim dat de wereld van hém is; dat het het domein van de slang is. Als je dat denkt, dan ben je dus al door de slang misleid. Hij was het slimste dier onder de zon. Ja, precies: een schepsel. Het 'domein van de slang' staat tegenover de waarheid dat de aarde van de Heer is. Dat is Zijn domein. Met dat uitgangspunt sta je een stuk relaxter in de wereld, dat kan ik u wel vertellen. Het betekent dat je gewoon je weg kunt gaan en niet bij alles hoeft te vragen: "Mag dat wel? Is dat wel van Hem?" Natuurlijk! Waar je ook stapt, daar wandel je ook werkelijk met de Heer.
Als alles het domein van de Heer is, betekent dit dat ik Hem in alles kan danken, want het is van Hem. Daar hoef je geen vraagteken achter te zetten. Op het moment dat je er een vraagteken achter gaat zetten, dan heeft de slang jou al gebeten. Alles is van de Heer; Hij is de Schepper en Redder.
"Indien iemand van de ongelovigen jullie uitnodigt..." Een ongelovige. Later in de brief wordt er gesproken over onwetenden en ongelovigen, maar dat is niet hetzelfde. Een onwetende is iemand die nog nooit het Evangelie gehoord heeft. Een ongelovige is strikt genomen iemand die het Evangelie gehoord heeft, maar dat afwijst. Of je gelooft het wel, of je gelooft het niet, maar om iets te geloven moet je het eerst horen. Trouwens, om iets niet te geloven moet je het ook eerst horen, toch? Oké.
Te Gast bij een Ongelovige: Rekening Houden met het Geweten van de Ander ↑ hoofdstukken
Indien iemand van de ongelovigen jullie uitnodigt en jullie willen gaan, ja, waarom ook niet? Ook die ongelovige is namelijk van de Heer. Hij herkent dat niet, nee, maar hij is het wel. Dat is trouwens ook de enorme power van het evangelie, van echt een goed bericht. Namelijk wie je ook bent en wat jij ook denkt, en of je het nou erkent of niet: je bent van Hem. Je bent Zijn schepsel. Dacht u nou werkelijk dat u niet Zijn schepsel bent omdat u het niet gelooft? Dat is wel bizar. Nee, ja. En dacht u nou werkelijk dat u niet van Hem bent of niet Zijn eigendom bent omdat u dat niet gelooft? Nee, je bent inderdaad door Hem geschapen. Hij is je Schepper, Hij is je Redder, en dus ja, je bent van Hem, hoe dan ook.
Terug naar die praktische situatie. Indien iemand van de ongelovigen jullie uitnodigt en jullie willen gaan: eet alles wat voorgezet wordt. Nou zou je natuurlijk kunnen zeggen: behalve als het mosselen zijn? Nou ja, goed. Nee, het gaat er niet om of het lekker is of niet. Het gaat erom: alles wat voorgezet wordt zonder kritisch oordeel vanwege het geweten. Dus die ongelovige nodigt je uit, je zit daar aan tafel en je eet wat er voorgezet wordt. En Paulus zegt daarbij, zonder dat je moet vragen: mag ik dat nou wel eten of mag ik dat nou niet eten of tot mij nemen? Nee. Als je dat wilt, doe dat dan. Zonder kritisch oordeel vanwege het geweten.
Maar er komt een 'maar'. Indien iemand tot jullie zegt – dus die ongelovige kennelijk met wie je aan tafel zit en die jou uitgenodigd heeft, of eventueel een andere gast – indien iemand tot jullie zegt: "Dit is een gewijd offer." Dat wil zeggen: dit eten wat je voorgezet wordt, dat is eerst in de afgodentempel geweest. Dit is aan de afgoden gewijd, of dat nou Poseidon of Zeus is of weet ik veel wie. "Dit is een gewijd offer." Dan zegt Paulus: eet het dan niet, vanwege degene die dat aangeeft en het geweten. Want het punt is, daarmee maakt die ander – dus degene die dat aangeeft – de maaltijd tot een offermaaltijd. Zie je?
Voor degene die uitgenodigd is, jij als gelovige, ja, eet dat. Je neemt dat gewoon tot je. Waarom zou je dat niet tot je nemen? Want de aarde is van de Heer en haar volheid. Maar op het moment dat die ander zegt: "Ja maar, dat is aan de afgoden gewijd," dan ben jij in zijn of haar beleving bezig met iets afgodisch op het moment dat jij dan eet. Nou, Paulus zegt: eet het dan niet. Vanwege degene die het aangeeft en het geweten. Dan zegt hij: "Ja, ik zeg nou niet het eigen geweten, maar dat van die ander." Want jij weet: de aarde is van de Heer en haar volheid. Ja, maar die ander weet dat niet.
Dan kun je zeggen: "Ja, dan vertel je het toch gewoon?" Maar als die ander dat nou niet accepteert? Ik zeg het als grapje, natuurlijk kun je dat gewoon zo zeggen, maar als dat niet aan het verstand van die ander te peuteren is, dan ben jij in zijn of haar beleving geassocieerd met afgoderij. Die ander denkt dan: "O, die heeft zeker helemaal geen problemen met afgoderij, of dat het afgodisch is, of dat het aan de demonen is gewijd." Ja, nou, dat kan heel beperkend zijn.
Dit punt kan heel beperkend zijn. In feite is dat ook de beperking die Paulus aanlegt. Hij zegt: jij kunt het wel doen, maar de ander geeft het een betekenis. Want u weet het hè? De betekenis van iets staat niet op zichzelf. Dat is in feite de betekenis die men eraan geeft. Dat vlees is voor jou, of dat eten, dat is voor jou gewoon voedsel. Het zegt dat het van de Heer is en dus dank je Hem. Maar als de ander dat niet zo beleeft, kan dat voor die ander dus onoverkomelijk worden en zou je daarmee – en dat is het punt – de impressie aan de ander geven dat jij afgodisch bezig bent. En Paulus zegt in dat geval: doe het dan niet.
En nou komt het, misschien haakt dat ook wel aan bij wat er zojuist naar voren werd gebracht bij vers 29. "Want waarom zou mijn vrijheid worden geoordeeld door het geweten van de ander?" Kijk, mijn vrijheid is natuurlijk niet onderworpen aan het gebrekkig geweten van de ander. Het feit dat die ander dat meent, ja, dat maakt mijn vrijheid niet minder. Dus ook hier geldt nog steeds, nog steeds is het geoorloofd gewoon om dat dan tot je te nemen. Alleen er is een principe dat daarbovenuit gaat, namelijk: is het dan nuttig? Die vraag, ja, die zal je dan iedere keer weer moeten stellen. Dus ga nou niet de vraag stellen van: "Maar moet je het in dat geval wel doen of niet doen?" Dat is in feite waar Paulus telkens op wijst: gebruik je eigen verstand. Let er trouwens op, in ditzelfde hoofdstuk zegt hij: "Ik spreek als tot verstandigen, oordeel zelf wat ik zeg." Of weten jullie niet dat in feite op het moment dat hij zegt: "Is het nuttig of bouwt het op?", dan word je zelf aan het denken gezet.
Daarom vinden mensen denk ik het veel lekkerder om een wet te hebben. Soms is dat veel lekkerder, want dan weet je waar je aan toe bent. Hoef ik tenminste niet te denken. Dan heeft gewoon de dominee of de overheid – dat kan ook nog – het allemaal al voor jou geregeld en bepaald. Ik merk op dat dat voor veel mensen inderdaad zo werkt. Die vinden het heerlijk als er voor je gedacht wordt. Hoef jij tenminste niet meer te denken. Maar dat is heel onvolwassen. Een klein kind, die vindt het ook erg leuk en plezierig. Maar op het moment dat je volwassen bent, ga je zelf denken, ga je zelf vragen stellen. Dat is ook een kenmerk van volwassenheid, dat jij zelf je keuzes moet maken. En daarom vind ik het ook heerlijk om als gelovigen samen te komen en om met elkaar de dingen te delen die waarde hebben, en Hem te kennen en om Zijn woord te delen.
Ja, en weet u wat je dan al heel gauw krijgt, heel gemakkelijk krijgt? "Jongens, laten we dat allemaal wat beter regelen, daar gaan we een lidmaatschap in instellen en dan hebben we bepaalde regels." Het is veel makkelijker om dit samenzijn dan allemaal goed te organiseren. En weet je, voor je het weet, leun je tegen elkaar aan. En dan is het allemaal koekoek één zang. We denken allemaal hetzelfde natuurlijk. Nee, we denken niet allemaal hetzelfde. We denken helemaal niet. Er wordt voor ons gedacht. En dat heeft dan de schijn van: we denken allemaal hetzelfde. Kom op mensen! We staan op een fundament, we kennen één Heer en Hij zegt: sta in de vrijheid. Alles is geoorloofd. En sommige mensen vinden dat moeilijk. Nou ja, dat is nu juist het evangelie: alles is geoorloofd. Wilt u het nog een keer horen? Ik heb het al meer dan vier keer gezegd, maar dat is de waarheid. En als je voor allerlei vragen komt: denk na, is het nuttig?
En dat geldt dus in dit geval ook. Waarom zou mijn vrijheid worden geoordeeld door het geweten van een ander? Het feit dat de ander het niet weet... Ik vind het wel leuk met het woord 'geweten'. Dat is eigenlijk letterlijk in het Grieks het woordje 'samen-weten'. Ik weet iets samen met jou. Het geweten is dat wat God je gegeven heeft en wat ik weet samen met God. God weet dingen en Hij heeft mij die kennis ook gegeven. Dat is het geweten, dat is ingebouwd. Het kan trouwens ook belast zijn en besmeurd en besmet. Ja, ja. En het kan ook heel erg gebrekkig gemaakt zijn. Dan wordt het weten van de ander heel gebrekkig, en die gaat dan bepalen voor jou wat je moet doen en wat je niet moet doen. Waarom zou mijn geweten worden beoordeeld of geoordeeld door het geweten van een ander? Nee, dat is ook helemaal niet aan de orde. Die ander heeft het niet voor het zeggen. Die ander bepaalt niet wat jij moet doen. Nee, ik kan er zelf, vanuit het oogpunt van nut en van wat opbouwt, voor kiezen om van iets af te zien. In dit geval wanneer iemand jou uitnodigt.
En als die ander dan zegt: "Dat is afgodisch vlees," dan kun jij er vrijwillig voor kiezen om het niet te doen. Want je zou daarmee een indruk kunnen wekken bij die ander, waardoor hij conclusies gaat trekken die juist niet goed zijn. Het is dan beter om het niet te doen; dat zijn je eigen overwegingen.
In dat geval word je dus niet beheerst door het geweten van de ander, maar kies je er vrijwillig voor om ervan af te zien. Ziet u? Dan denk je namelijk aan het belang van de ander. En niet alleen aan het belang van de ander; ik kom nu nog even iets verder bij de laatste verzen van dat hoofdstuk.
Het Goddelijke Principe: Alles Wordt een Zegen Door Dankzegging ↑ hoofdstukken
Paulus zegt: indien ik in dankbaarheid wil nemen – bijvoorbeeld een maaltijd. Dat is in feite de achtergrond van waarom we bedanken voor het eten. Omdat dat eten eigenlijk symbool staat voor wat er op tafel staat en wat je tot je neemt, waardoor je ook lichamelijk wordt opgebouwd. Dat staat eigenlijk voor alles wat je ontvangt en waarvoor je God dankt. Indien ik in dankbaarheid deelneem, waarom word ik dan gelasterd over iets waarvoor ik dankzeg? In de Bijbel is het principe dat de dingen dankzeggend gezegend worden. Ik geef hier het voorbeeld uit Marcus 6 en Johannes 6. Kijk maar eens na, het gaat over dezelfde gebeurtenissen. In het ene hoofdstuk staat dat de Heer dankte voor de maaltijd, en op de andere plaats staat: Hij zegende de maaltijd. Wat deed Hij nu? Dankte Hij voor de maaltijd of zegende Hij die maaltijd? Nee, dat is een verkeerde vraag. Hij zegende de maaltijd door ervoor te danken. De zegen is gelegen in de dankzegging en dit is zo’n geweldig principe.
Ik ben opgevoed met de gewoonte: voor de maaltijd vraag je om een zegen en na de maaltijd dank je. Als je dan lekker hebt gegeten, weet je wel... Ze vonden het blijkbaar een beetje gevaarlijk om vooraf al te danken, want je weet maar nooit wat je krijgt. Ik ken een conferencier die dat ook zei. Hij vertelde: wij vroegen altijd om een zegen, want mijn moeder kon niet koken. Dan zei ze: "O Heer, wilt u het toch maar zegenen." Nee! De dingen worden dankzeggend gezegend. En weet je wat het mooie daarvan is? Alles kan dan een zegen worden. Niet alleen de mooie dingen.
Ik zal het nog sterker vertellen, of laat ik het anders vragen: is gezondheid een zegen? Dat hangt er vanaf of je ervoor dankt. Als je niet dankt voor je gezondheid, dan is het geen zegen. Noem een willekeurige activiteit die u doet. Is dat een zegen? Het wordt een zegen op het moment dat je God dankt. Een gezegende maaltijd is dus een maaltijd waarvoor je dankzegt. En een gezegende vakantie is een vakantie waarvoor je God dankzegt. En een gezegende baan is een baan waarvoor je God dankzegt. Nou ja, ik kan nog wel even verder gaan hoor, want dit geldt voor alles. Dingen worden dankzeggend gezegend. Ja, waarom word ik gelasterd voor iets waarvoor ik dankzeg?
Op die manier kunnen zelfs negatieve dingen een zegen worden. Want ik zei net: gezondheid wordt een zegen op het moment dat ik dankzeg. Maar zelfs ziekte en moeitevolle dingen worden een zegen op het moment dat je God dankt. En natuurlijk kun je dan vragen: maar hoe kun je nu danken voor ziekte, of voor het feit dat iemand je ontvallen is, of voor iets heel tragisch wat in je leven heeft plaatsgevonden? Nou, het antwoord is: God is God en Hij maakt elke min een plus. Dus ook die negatieve dingen. Bijvoorbeeld ziekte, of pijn, of moeite, of vul maar in. Waarom weet ik dat? Omdat God het openbaart in Zijn Woord. Ik weet dat Hij alles ten goede keert en daar kan ik voor danken. Die min die ik zie – en sorry, het is niet de eerste keer dat ik het zeg, maar ik blijf het herhalen – die min die ik beleef in mijn leven, is geen min. Het is een plus die nog niet af is. En dit is de essentie van echt positief denken: namelijk dat die minnen geen minnen zijn, maar plussen die nog niet af zijn. God maakt alles tot een geweldige plus en daar dank ik voor. En dan wordt alles een zegen, hetzij dan dat we eten of drinken.
Alles tot Heerlijkheid van God en het Redden van de Mens ↑ hoofdstukken
Dat is Paulus' eigen conclusie: hetzij dan dat jullie eten, hetzij dat jullie drinken of wat jullie ook doen – het maakt namelijk geen bal uit wat je hiervoor invult – doe het alles tot heerlijkheid van God. En hoe doe je de dingen tot heerlijkheid van God? Door Hem de credits te geven. Je krijgt het van Hem. Dat geldt voor eten en drinken, en ik bedoel dan niet alleen het eten dat op tafel staat. Ik bedoel: Hij heeft het doen groeien in de wei of in de kas. Dirk heeft zojuist ook toegelicht hoe goddelijk dat allemaal is. Hij is de Bedenker; Hij heeft het allemaal gecreëerd en bedacht. En het feit dat je het tot je kunt nemen, dat het in je lichaam verwerkt wordt en dat je het kunt proeven, smaken en ruiken... Nou ja, tegenwoordig is dat misschien niet altijd meer zo vanzelfsprekelijk, dat komt iedere keer weer terug, maar u begrijpt wat ik bedoel. Dat is ook een reden om te danken. Door God te danken in alles geef je Hem de eer, want Hij keert alles ten goede. Zo wordt alles heerlijkheid.
Het woord heerlijkheid heeft trouwens alles te maken met doxa in het Grieks. De zon heeft heerlijkheid en de maan heeft ook heerlijkheid; dat wil zeggen dat het straalt, schittert en licht geeft. Nou, zo wordt het hele leven stralend als je alles doet tot heerlijkheid van God, want Hij is die Ene. Paulus zegt er nog bij: "Wordt geen struikelblok, noch voor Joden, noch voor Grieken, noch voor de ekklesia van God." Eerder in de brief had hij al gezegd dat het Evangelie een valstrik is, een skandalon. Dat is een struikelblok voor velen, dat is onvermijdelijk. Maar wat hij hier zegt, gaat niet over de boodschap – de boodschap is voor velen een struikelblok – maar over het feit dat wij in ons handelen, in de keuzes die we maken, een struikelblok voor de ander kunnen vormen. Doordat bijvoorbeeld, om bij dit voorbeeld te blijven, de ander denkt: "Hé, ik dacht dat het een gelovige was, maar hij doet hieraan mee." Daardoor krijgt die ander in feite een valse impressie van jou en wordt hij afgehouden om zich te wenden tot God. Dan word je een struikelblok.
Paulus zegt dus: word geen struikelblok, noch voor Joden, noch voor Grieken, noch voor de ekklesia van God. Dat is heel apart; dit zijn de drie primaire onderverdelingen onder de mensheid. Aan de ene kant heb je de Joden (Israël), aan de andere kant de natiën (de Grieken), en je hebt de ekklesia van God. God heeft met al die drie groepen een plan; er staan dingen op Zijn tijd en op Zijn wijze op het programma. Maar Paulus zegt: wees voor geen van hen een struikelblok, ook niet voor de gelovigen. "Zoals ook ik in alles allen behaag, niet om het belang van mijzelf te zoeken, maar dat van velen, opdat zij gered worden." Hiermee sluit hij zijn aanbevelingen, zijn instructies en zijn hele betoog af. Hij zegt: het gaat niet om mij, het gaat juist om de ander in alles. Niet of het mag, maar dient het werkelijk de heerlijkheid van God? Wordt die ander daardoor gewonnen?
Let trouwens op dat er staat: "opdat zij gered worden". U zegt misschien: "Maar alle mensen worden toch gered?" Ik ben blij dat u die vraag stelt, want een heleboel mensen zouden dat niet durven zeggen. Inderdaad, Hij is de Redder van alle mensen. Maar hier gaat het over gered worden in de tegenwoordige tijd. Het gaat namelijk over redding nu. En hoezo gered worden? Nou, laten we vaststellen dat de meeste mensen onwetend zijn en in duisternis wandelen. Het gaat erom dat zij gered worden van die duisternis en dat hun ogen opengaan voor het Evangelie van de heerlijkheid. Dat belang moet gediend worden; dat inderdaad het goede bericht, de blijde tijding over die ene God, doorgang vindt.
Dan is de vraag of iets wel of niet mag volstrekt irrelevant. Als je nog in die termen denkt, heb je in feite nog een hele weg te gaan, want daar gaat het niet om. Het gaat om één ding, namelijk het kennen van Hem, de heerlijkheid van God, Hem in alles danken en zorgen dat die geweldige tijding doorgang mag vinden en de ander mag bereiken. Dat is de boodschap van redding. Nou, daar wil ik het voor vanmorgen graag bij laten. Dit zijn dingen die Paulus naar voren brengt die niet alleen actueel waren in de dagen dat hij dit optekende; dit is nog net zo actueel in 2022, hier in Benthuizen.
UltimateGoodNews