Mannelijk & Vrouwelijk
11-10-2006 - Geplaatst door Andre Pietstudie gehouden op 11 oktober 2006 in Rijnsburg
Alles in de levende natuur is onderverdeeld in mannelijk en vrouwelijk. Het mannelijke verwekt en het vrouwelijke ontvangt, draagt en brengt voort. Heel de natuur is instinctief gericht om, middels voortplanting, te overleven. Wat steekt daar achter? Wat IS mannelijk en wat IS vrouwelijk en waar staan de beide sexen voor?
Wat voor zin heeft het om over de rol van man en vrouw te spreken als we niet eens begrijpen waar ze een beeld van zijn? Wie weet tegenwoordig nog dat de man beelddrager is van God? Van ouds is het mannelijk lid een heilig symbool van vruchtbaarheid maar welk christen weet dat het een embleem is van de wijze waarop God nieuw Leven tot stand brengt (>opstanding)? Wie weet nog dat het vrouwelijke verwijst naar de schepping? Een schepping die “onvergankelijk zaad” van de Schepper ontving en daarom in ‘blijde verwachting’ is?
📝 Samenvatting & Transcriptie: Mannelijk & Vrouwelijk (deel 1)
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: de Actuele Discussie over de Rolverdeling
- De Wezenlijke Vraag: Waar Is Mannelijk en Vrouwelijk een Beeld Van?
- De Biologische Oerdriften als Verwijzing Naar de Overwinning op de Dood
- Genesis 1: Niet de Mens, maar de Man Geschapen Naar Gods Beeld
- De Etymologische Betekenis van het Woord 'vrouwelijk'
- De Etymologie van het Woord 'mannelijk': Opstaan en Oprichten
- Zakar: het Mannelijk Geslacht als Levend Gedenkteken
- Gods Belofte aan Abraham en het Monument van de Besnijdenis
- Psalm 105: Gods Gezworen Eed en de Diepe Symboliek van de Eik (terebint)
- Opgerichte Stenen als Uitbeelding van de Opstanding
- Jesaja 57: Vruchtbaarheidssymbolen in de Heidense Afgoderij
Introductie: de Actuele Discussie over de Rolverdeling ↑ hoofdstukken
Het thema voor vanavond is ‘Mannelijk en Vrouwelijk’ en ik heb daar de bekende emblemen bijgeplaatst die we allemaal kennen; de iconen die respectievelijk staan voor het mannelijke en het vrouwelijke. Het zijn symbolen die van origine teruggaan op Mars en Venus. Mars is de oorlogsgod, de god met zijn schild en zijn speer. En Venus is de godin van de liefde, die afgebeeld wordt met een spiegeltje. U weet, het vrouwelijke staat sowieso voor de vorm, voor het uiterlijk – daar komen we vanavond uiteraard nog over te spreken – en vandaar ook dat spiegeltje. Dat is wat ze symboliseren, maar er steekt nog wel wat meer achter.
In elk geval kan ik vertellen dat het onderwerp per definitie actueel is. Dat is het natuurlijk altijd, want hoe dan ook raakt het onderwerp ons persoonlijk. Het kan immers niet missen of we zijn allemaal onderverdeeld in een van die beide categorieën; meer smaken zijn er niet. We zijn mannelijk of we zijn vrouwelijk. Daar komt bij dat het onderwerp al sinds met name de opkomst van het feminisme enorm in de belangstelling staat. Er is ook veel discussie, omdat daarbij vooral een aanval is gepleegd op de traditionele rolverdeling van de man en van de vrouw. Wat moeten ze, wat moet de man en wat mag de vrouw? En meer van dat soort vragen.
Goedenavond, hartelijk welkom. Wij zijn alvast begonnen en ik ga gewoon verder; al te veel heeft u nog niet gemist. We hebben het over die rol van man en vrouw. Die discussies gaan echt niet alleen maar over het huishouden, maar dat gaat ook over de rol van de vrouw in de maatschappij en in de politiek. In hoeverre zou zij leidinggevende posities moeten bekleden? In sommige kringen is dat nog steeds een grote kwestie. Ook in de kerk is het altijd weer een discussiepunt, in welke kerk dan ook. Mag de vrouw het diakenambt bekleden? Mag ze ouderling zijn, mag ze voorgaan en mag ze paus worden? Nou, zover is het nog niet en zover zal het ook niet zo gauw komen, denk ik.
Maar in elk geval: over die rolverdeling van man en vrouw gaan we het vanavond niet hebben. Het zal eigenlijk helemaal niet aan de orde komen, maar ik ben er aan de andere kant van overtuigd dat als we het onderwerp goed grondig benaderen – en dat hoop ik vanavond dan toch wel te doen – je met die vragen in één keer ook wel klaar bent. Dat klinkt veelbelovend, dat geef ik toe, en dat moet je dan altijd maar zien waar te maken. Maar ik ben ervan overtuigd: als je eenmaal weet hoe het in elkaar steekt, dat de problemen toch aanzienlijk – laat ik het dan iets bescheidener zeggen – dat ze aanzienlijk in grootte gereduceerd worden. Want het gaat namelijk niet zozeer om de vraag die meestal gesteld wordt; dat zal ik vanavond dus ook laten zien en naar voren brengen.
De Wezenlijke Vraag: Waar Is Mannelijk en Vrouwelijk een Beeld Van? ↑ hoofdstukken
Het gaat niet in de eerste plaats om de vraag wat de rol van man en vrouw is en wat de één zou doen en wat de ander juist zou laten. Het gaat veel meer om een andere vraag: wat is mannelijk en wat is vrouwelijk? En daarmee bedoel ik vooral: waar staat het voor? Wat betekent het? Waar is het een beeld van? Als je die laatste vragen niet eens meer stelt, dan zul je eigenlijk nooit meer een antwoord kunnen geven op die andere vragen.
Een heleboel mensen geloven sowieso niet dat het ergens een beeld van is. Het is gewoon een biologisch gegeven en that’s it. Ik zal je gedacht zijn hoeveel christenen ook dat antwoord geven. “Ja, het is aardig, het is verdeeld, het is mannelijk-vrouwelijk. Het geeft ook allerlei leuke bijkomstigheden enzovoorts. Cadeautje van God,” zeggen ze dan. En dat zal ook allemaal wel waar wezen, maar de vraag is daarmee nog niet beantwoord: wat beeldt het nou uit? Wat is de diepere betekenis van mannelijk en vrouwelijk?
Ik wil daarover ter inleiding nog iets zeggen. Men zegt – en je hoeft er geen Sigmund Freud voor te heten, u weet wel, de man die ongeveer een eeuw geleden zijn grote werk over de psychoanalyse heeft gepubliceerd. Dat is een eeuw geleden, 1905 als ik me niet vergis; net voor mijn geboorte was dat. Maar dat heb ik in elk geval wel begrepen: het was Sigmund Freud die een enorme nadruk legde op de betekenis van de seksualiteit en die eigenlijk zei dat alles seks is. Daarin zal hij ongetwijfeld behoorlijk gelijk hebben, maar één ding is wel duidelijk, los van de psychoanalyse…
De Biologische Oerdriften als Verwijzing Naar de Overwinning op de Dood ↑ hoofdstukken
Los van Freud is dat een biologisch gegeven: elk levend organisme wordt gedomineerd en beheerst door twee oerdriften. De ene oerdrift is de overlevingsdrift en de andere oerdrift is de voortplantingsdrift. Niet alleen de mens, maar ook dieren en zelfs de plantenwereld zijn er altijd op uit om te overleven, in welke situatie dan ook, en zich voort te planten.
Als je dat laatste gegeven goed doordenkt — dat al het gedrag is terug te herleiden tot die twee oerdriften — dan zou je zelfs kunnen zeggen dat die bij nader inzien eigenlijk maar één oerdrift zijn. De enige echte manier om te overleven is immers je voort te planten, want dood ga je toch. Er is maar één manier om voort te leven na je dood, en dat is door nageslacht te verwekken. Zo leef je bij wijze van spreken toch voort na je dood. Die oerdrift om te overleven is uiteindelijk het broertje of zusje van die andere oerdrift: de drang tot voortplanting.
Daarmee hebben we ook meteen de toon gezet voor deze avond. Dit is karakteristiek en typerend voor de hele levende natuur. Je ziet daarin ook al een verwijzing naar de overwinning op de dood. Voortplanting, het hele verschijnsel van seksualiteit en van mannelijk en vrouwelijk, heeft in wezen ten doel om de dood te overwinnen. Want door seksualiteit wordt de dood overwonnen; weliswaar in beeld en niet echt, maar in zekere zin dan toch. Dat is wat het uitbeeldt: de dood wordt in wezen overwonnen door de seksualiteit.
Hiermee heb ik al een tipje van de sluier opgelicht van wat ik vanavond naar voren wil brengen. Ik heb hier een paar plaatjes waarbij we dat geïllustreerd zien. Een vlinder is natuurlijk algemeen bekend; die is daar altijd mee bezig. Die is bezig met het voort laten bestaan van bloemen. En wat dacht u van de paardenbloem? Waar de wind doorheen gaat, verspreidt zo’n bloem die aan het sterven is zichzelf alsnog. Zo leeft hij voort. Met een bij en een bloemetje kan ik hetzelfde verhaal vertellen. Ik laat hier drie plaatjes zien, maar de hele levende natuur spreekt daar op de een of andere manier van. We gaan Bijbelstudie doen.
Genesis 1: Niet de Mens, maar de Man Geschapen Naar Gods Beeld ↑ hoofdstukken
Laten we de Bijbel opslaan. In dit geval kunnen we niet anders dan bij het begin beginnen, namelijk in het boek Genesis, hoofdstuk 1. Daar vinden we de term ‘mannelijk en vrouwelijk’ voor het eerst. Tenminste, als je een goede Bijbelvertaling hebt, want in dit opzicht schieten bijna alle mij bekende vertalingen tekort; ze geven het niet correct weer. Hoewel het waarschijnlijk in de kantlijn nog wel vermeld wordt, staat er in Genesis 1 vers 27: “En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.”
Maar dat ‘man en vrouw’, zoals dat meestal vertaald wordt, staat er niet echt. Het staat er net even anders. Ik zeg niet dat het verschil nou zo gigantisch groot is, maar er staat: “mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” Het gaat er dus niet zozeer om dat het een koppel is dat bij elkaar hoort. Het gaat er juist om dat God de mens creëerde, de mens schiep, maar Hij schiep hen in twee seksen, namelijk mannelijk en vrouwelijk – twee verschillende soorten, tussen aanhalingstekens.
Daarbij moet ik ook nog even opmerken dat er staat: “naar Gods beeld schiep Hij hem” – mannelijk enkelvoud. En vervolgens: “mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” – meervoud. Het is dus niet zo, zoals ik een hele tijd ook gemeend heb, dat Adam in aanvang mannelijk en vrouwelijk tegelijk was. Het kan best zijn – en bij dezen neem ik dat dan weer terug; je ziet dat je altijd kritisch moet zijn, niet alleen naar jezelf maar ook naar de spreker – dat ik het ooit weleens naar voren heb gebracht op een van mijn Bijbelstudies: dat naar mijn inzicht Adam in eerste instantie tweeslachtig was, een soort hermafrodiet, en dat er één zijde van hem is weggenomen. Maar bij nader inzien kan dat niet. Dat blijkt uiteindelijk al uit dit 27ste vers, als je het goed leest. Er staat namelijk: “mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen” – meervoud.
Let er trouwens ook op – en daar kom ik later op de avond nog op terug – dat er staat: “naar Gods beeld schiep Hij hem.” Niet ‘hen’. Beide punten kan ik benadrukken: naar Gods beeld schiep Hij hem (niet hen), en vervolgens: mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen (niet hem). Er wordt dus niet gezegd wat heel vaak verteld wordt of wat vanaf de kansel zo vaak klinkt – en het is echt een groot misverstand – dat ‘de mens’ het beeld van God is. Dat is sowieso niet het geval, want er is maar Eén ‘het Beeld Gods’. Het antwoord daarop vinden we bijvoorbeeld in Kolossenzen 1 vers 15 en 2 Korinthiërs 4 (ik meen vers 4 of 6). Daar brengt Paulus naar voren dat Christus het beeld van de onzienlijke God is. Niet de mens.
De mens is geschapen naar, of nog preciezer gezegd in, het beeld Gods. Maar dat is wat anders. En dan moet ik het nog nauwkeuriger zeggen: niet de mensheid in haar algemeenheid is naar Gods beeld geschapen, maar hem: de man. Niet de vrouw. Nogmaals, wij komen er later op de avond nog op terug, maar hier wil ik het alvast even aanstippen. Er staat dus: “naar Gods beeld schiep Hij hem” – de man dus – en “mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.”
In Matteüs 19 wordt dit herhaald. Daar verwijst de Heer Jezus, in een antwoord op een vraag van de Farizeeën over echtscheiding, naar deze oorsprong. De Heer Jezus antwoordt, zoals dat naar goed Joods gebruik gaat, met een wedervraag. Hij zegt: “Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van den beginne als man en vrouw heeft gemaakt?” Dit staat opgetekend in het Grieks, maar ook hier staat niet letterlijk ‘man en vrouw’ – dat is gewoon een ander woord – maar er staat: “mannelijk en vrouwelijk heeft Hij hen gemaakt.” De Heer Jezus verwijst daar dus naar en Hij veronderstelt het als bekend. Hij zegt: “Zo staat het geschreven.” Dat is de oorsprong. Het is de Schepper zelf die het zo bedacht heeft met een heel speciaal oogmerk. Ook daarover komen we nog te spreken.
De Etymologische Betekenis van het Woord 'vrouwelijk' ↑ hoofdstukken
We gaan het er nu even over hebben. En dat wordt meteen heel, nou ja, in bepaald opzicht toch wel expliciet. Maar goed, dan is de kogel meteen maar door de kerk, zal ik maar zeggen. Hoe zit het met die woorden ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ in de taal van de Schrift zelf? Dan blijkt dat zowel de ene sekse als de andere sekse nogal expliciet verwijst naar het geslacht. Laten we beginnen bij het woord ‘vrouwelijk’.
Het woord ‘vrouwelijk’ in het Grieks is thelus. En dat betekent gewoon niets anders dan tepel. Dat is een directe verwijzing, uiteraard naar de moederborst en naar het secundair geslachtskenmerk, maar in ieder geval verwijst het direct en heel expliciet naar het vrouwelijk geslacht. Dat is het woordje ‘vrouwelijk’ in het Grieks zoals we dat tegenkomen in het Nieuwe Testament, zoals zojuist in Matteüs 19. Maar ook elders in de brieven vinden we dat woord terug. Dan wordt dit woord gebruikt: thelus. En dat is dus afgeleid van een woord dat tepel betekent.
Het Hebreeuwse woord is nog explicieter, want dat is nekebach, als ik het goed uitspreek, en dat betekent letterlijk: doorboord of gepenetreerd. En dat is helemaal een directe verwijzing naar het vrouwelijk geslacht. Het wordt trouwens ook vertaald in afgeleide zin, in Jesaja een keer met ‘holte’. Nou, daar weten we meteen waar het over gaat. Het duidt ‘vrouwelijk’ dus gewoon op het vrouwelijke geslacht. Dat is ook de meest primaire betekenis die wij er zelf aan toekennen. Wanneer er een kind geboren is, dan weten wij of het een jongetje of een meisje is door simpelweg naar het geslacht te kijken. Dus het is op zich een heel logische associatie, uiteraard.
Waarbij ik trouwens moet zeggen dat we die gedachte van ‘doorboord’, ‘holte’ en ‘gepenetreerd’ ook nog in andere talen vinden. Bijvoorbeeld ook in het Nederlands. Andere talen laat ik maar even voor wat ze zijn, maar we kennen in het Nederlands het woordje ‘schede’. Dat heeft eenzelfde betekenis. Dat is namelijk niets anders dan de omhulling waar het zwaard in gestoken wordt. Wat met het zwaard doorboord wordt, zou je haast zeggen. En dat heeft dus min of meer dezelfde associatie.
Wat ik eigenlijk met dat puzzelstukje wil zeggen is: het past allemaal precies. Mannelijk en vrouwelijk, ze zijn op elkaar aangelegd, ze zijn voor elkaar geschapen. Niet mannetje en mannetje, maar ook niet vrouwtje en vrouwtje, maar mannelijk en vrouwelijk. Het past ook gewoon anatomisch perfect in elkaar; het is op elkaar aangelegd. Dat is ook wat het woordje ‘vrouwelijk’ in het Grieks en in dit geval in het Hebreeuws aangeeft.
De Etymologie van het Woord 'mannelijk': Opstaan en Oprichten ↑ hoofdstukken
Dan gaan we het ook nog even hebben over dat woord ‘mannelijk’. Nou ja, ‘even’, dat wordt waarschijnlijk wat langduriger. Want in het Grieks is dat het woordje arsen. En dat is weer afgeleid van een ander Grieks woord, airo, en dat betekent: omhoog komen of oprichten.
Ik hoef het, denk ik, niet toe te lichten waar hier de associatie ligt. Dat is gewoon wat het woordje ‘mannelijk’ in het Grieks dus betekent. En het heeft een directe link met een ander woord dat wij allemaal heel goed kennen vanuit het Latijn, en dat is erectio. Dat betekent in wezen hetzelfde, maar dan is het: staan of opstaan.
Goedenavond, Petra Piet. Ja, die moet zo’n eind afleggen.
Op die laatste betekenis komen we vanavond uiteraard nog eens uitgebreider terug. Want het woordje ‘opstanding’ of ‘opstaan’ is heel fundamenteel in deze als we het hebben over mannelijk en vrouwelijk. Het beeldt gewoon uit hoe nieuw leven tot stand komt. Dus dat zit allemaal opgesloten in het Griekse woord voor mannelijk.
Zakar: het Mannelijk Geslacht als Levend Gedenkteken ↑ hoofdstukken
Dan heb je nog het Hebreeuwse woord, dat is ook heel interessant. Daar ga ik nog wat uitgebreider bij stilstaan, want het Hebreeuwse woord voor mannelijk is zakar. We kennen dat wel in diverse namen, bijvoorbeeld Zacharia. Zacharia betekent: ‘de HEERE gedenkt’, en zakar betekent gedenken. Maar het wordt ook anders weergegeven, namelijk als een gedenkteken.
Later op de avond kom ik daar nog even op terug, ook met het idee van een monument. Maar een monument is niets anders dan een gedenkteken. Een opgericht – let op hoe ik het zeg – een opgericht teken. Een opgericht gedenkteken, en die vind je in de Bijbel zo vaak. We zullen dat vanavond trouwens ook nog wel zien: dat een steen wordt opgericht, en dat spreekt uiteraard van opstanding.
Het monument dat u trouwens op deze afbeelding ziet, dat is het monument in Washington. En daarvan is algemeen bekend – het is eigenlijk een obelisk, maar dat geldt voor een heleboel van die opgerichte tekenen – dat het feitelijk, zoals dat zo netjes heet, fallussymbolen zijn. Dat wil zeggen: gewoon uitbeeldingen van het mannelijk geslacht.
Dat is niet helemaal terecht, maar je moet bedenken hoe er in de oudheid, en daarmee bedoel ik met name ook in de afgodische praktijken, naar werd gekeken. We vinden dat heel vaak in het Oude Testament: dat er sprake is van heidense opgerichte tekenen. Die worden dan de Asjera’s genoemd. In de NBG-vertaling wordt dat weergegeven met ‘gewijde palen’, maar dat waren gewoon fallussymbolen. De Israëlieten moesten die dingen, toen ze in het land kwamen, allemaal achter elkaar omhakken, staat er. Ze waren vaak van hout, anders van steen, maar ze moesten worden omgehouden.
Want in de heidense godsdienst – en toen ik dit onderwerp aan het bestuderen was, stond ik er echt van versteld – in al die godsdiensten waar Israël tussen leefde, werd alles gedomineerd door praktijken waarbij het uitsluitend ging om seksualiteit en vruchtbaarheid, en om hele expliciete symbolen. Ik zal u vertellen: ik heb me vanavond heel erg netjes gehouden, en ik ga het ook heel netjes houden – u bent natuurlijk niet anders van mij gewend. Ik zou plaatjes uit de oudheid kunnen laten zien en dan zou u zeggen: “Dat is stuitend, dat laat je toch niet zo zien?” Nee, maar dat was wel de wijze waarop men dat vroeger echt etaleerde.
Waarbij ik er trouwens wel bij moet zeggen dat die symbolen, ook die fallussymbolen – ik kom daar straks nog even op terug – niet zozeer om erotiek draaiden. Eigenlijk draaiden ze helemaal niet om erotiek. Het was een embleem van vruchtbaarheid, van nieuw leven. Men wist daar nog wel iets van – dat klinkt wat denigrerend – maar het was bekend dat dat in wezen ook een uitbeelding is van overwinning op de dood. Zelfs het heidendom was daarvan op de hoogte. Iedereen voelt wel aan dat seksualiteit en de voortplanting, het hele wonder van hoe nieuw leven voortgebracht wordt, iets heiligs is. Dat kan niet zomaar zijn. Als er een God is, dan moet daar een hele diepe gedachte achter zitten, en dat is uiteraard ook zo.
In de kerk, en dan bedoel ik dat even heel breed, is er al heel lang een onderwerp geweest waarbij men dat altijd afdeed als zonde: “Dat is vies, dat is het vlees.” Daar hebben we niets mee te maken. Nou ja, “vies”, dat is natuurlijk onzin, want iedereen weet dat het lekker is. Dat klinkt misschien gek, maar het onderwerp is altijd op een bepaalde manier benaderd waarbij dat al inzicht had van hypocrisie. Het werd verkondigd als: “Het is vlees en het is vies”, maar dat is hypocriet, omdat het namelijk niet de wijze is waarop het beleefd wordt. Dat hoef ik helemaal niet te demonstreren en ik hoef het ook niet uit te leggen. Zo is het gewoon.
Het is algemeen bekend dat op de wijze waarop dat in de traditionele kerk altijd is belicht, op dat hele onderwerp, altijd een taboe rustte. Daar spreek je niet over. En als je er al over sprak, dan was het altijd met dat opgeheven vingertje: “Kijk uit, pas op, allemaal gevaren. Het mag eigenlijk niet.” Laat staan dat je zou zeggen dat het een geweldige betekenis heeft.
Maar het punt is – Paulus noemt dit later in 1 Timotheüs 4 – die hele gedachtegang waarbij ook het huwelijk zelfs verboden wordt, denk aan het celibaat. Paulus zegt daarvan in 1 Timotheüs 4: het is een lering van demonen. Want, zegt Paulus erbij, alles wat God geschapen heeft is goed, indien het met dankzegging aanvaard wordt. God Zelf is degene die deze dingen bedacht heeft. Dus het is per definitie op voorhand, omdat Hij de Schepper is van mannelijk en vrouwelijk, heilig. Zeker als je dan weet dat die hele seksualiteit het geheim van het leven uitbeeldt en verwijst naar Gods plan en de wijze waarop God Zelf een nieuwe schepping tot stand brengt. Dat beeldt het uit, en het is dus een heilig onderwerp.
Goed, ik wijd er een beetje over uit, maar wat ik ermee wil zeggen is: in het Hebreeuws betekent dat woordje zakar, mannelijk, dus gedenken. Eigenlijk is het mannelijke geslacht gewoon een monument. In het Hebreeuwse denken is dat zo gewoon als het maar kan. Ik zal het u laten zien, ik zal het aantonen.
Gods Belofte aan Abraham en het Monument van de Besnijdenis ↑ hoofdstukken
We gaan naar Genesis 17. Daar lezen we dat God Abraham roept. Hij had hem al eerder geroepen, dat lezen we in Genesis 12, maar hier wordt Abraham geroepen om zich te laten besnijden. Inmiddels is Abraham een 99-jarige. Ja, er zijn mensen hier in de zaal die heel precies luisteren, dus ik moet het wel goed zeggen: hij was 99, in ieder geval al heel erg oud. Hij was een man die verstorven was — ik kom daar straks nog op terug — impotent en niet meer in staat om voort te brengen. Maar God doet hem een belofte. Ik lees voor uit Genesis 17 vers 6, in de Statenvertaling: “Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.”
Moet je nagaan: dit wordt gezegd tegen een verstorven man, een oude man die absoluut niet meer in staat is om nageslacht voort te brengen. Maar dat geeft God als belofte, want God zegt: “Ik zal.” Niet: “jij moet”, maar: “Ik zal.” En dan vervolgens in vers 9: “Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij en uw zaad na u, in hun geslachten. Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, zakar, u besneden worde. En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u. Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten.”
Dit wordt dus tegen deze Abraham gezegd — het is hier in de tekst al Abraham — tegen deze kinderloze, verstorven, oude man. Dit wordt hem beloofd en er wordt direct bij gezegd dat er een teken is van die belofte, van die eedzwering. Want dat was het namelijk: God heeft Abram een eed gezworen. We hadden het er zojuist al even over dat het woordje zakar, mannelijk, ook gedenkteken of monument betekent. In het Hebreeuwse denken is dat zo normaal als het maar kan, want daar is het mannelijk geslacht zelf inderdaad een monument. Een monument van Gods belofte die Hij ooit aan Abraham heeft gegeven: dat uit die verstorven man nieuw leven in uitbundigheid zou voortkomen. Het mannelijk geslacht is daar simpelweg het gedenkteken van, en de besnijdenis is het ritueel dat dat uitbeeldt.
Met recht een litteken dus. Bij ons heeft een litteken misschien een wat algemenere betekenis, maar een besnijdenis is een litteken in de meest specifieke zin van het woord. Let er trouwens op dat er in vers 12 staat dat een zoontje van acht dagen besneden moet worden. Dat is duizenden jaren later nog steeds zo; we zijn inmiddels 4000 jaar verder en nog steeds wordt een Joods jongetje op de leeftijd van acht dagen besneden. De voorhuid wordt weggenomen en daarin wordt hij besneden, waarmee zijn geslacht feitelijk een gedenkteken wordt, een monument. Een monument van nieuw leven.
Dat is ook wat die acht dagen uitbeelden, want acht is in de Bijbel altijd de uitbeelding van iets nieuws. De Bijbel denkt in zeventallen; zeven is het getal van de volheid, maar dat betekent dus dat acht in wezen nog meer is. Je zou kunnen zeggen dat acht het getal is van de overvloed; van leven en overvloed. Overvloedig leven, en daarmee ook weer van onvergankelijk leven. Het is eigenlijk het begin van een nieuwe reeks: de achtste dag is feitelijk ook weer de eerste dag. Net zo goed als dat je na de sabbat, de zevende dag, weer de eerste dag van de week krijgt. Dat was trouwens ook de dag dat de Heer Jezus opstond uit de doden: de dag na de sabbat. Waar zouden die acht dagen anders van spreken dan juist daarvan? Van leven uit de dood. De dag na de sabbat, de dag na de zevende. Als ik het zo zeg, dan ligt de associatie voor het oprapen.
We gaan naar een andere schriftplaats waarin dit wordt toegelicht door de apostel Paulus: Romeinen 4. Ik maak het u erg makkelijk, alsof we inmiddels helemaal gewend zijn aan die beamer; ik kan het meteen voorlezen, dus u moet snel bladeren als u het allemaal wilt volgen. In Romeinen 4 geeft Paulus een uitgebreide toelichting op de figuur van Abraham en zijn betekenis. Ik val midden in het gedeelte in, bij vers 17: “voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept.”
Let goed op wat hier staat: Abraham geloofde in de God die de doden levend maakt. Dat heeft hij in zijn leven op meer dan één wijze gedemonstreerd. Jaren later zou hij zijn zoon Isaak gaan offeren, en dat deed hij omdat hij rekende met de opstanding. God had immers gezegd: “door Isaak zal men van nageslacht van u spreken.” Dus als ik Isaak moet doden, zo redeneerde Abraham, dan kan dat maar één ding betekenen: dat Isaak weer levend gemaakt wordt. Heel simpel, dat is geloofslogica. Als Isaak gedood moet worden, maar God heeft gezegd dat juist door Isaak het nageslacht uitgebreid zal worden, dan wordt Isaak — dat kan niet missen — weer opgewekt uit de doden. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt dan ook dat hij hem als het ware uit de dood heeft terugontvangen.
Maar al veel eerder geloofde Abraham in leven uit de dood. Abraham was namelijk zelf een verstorvene. In Genesis 15 wordt het al zo gezegd. Hij was een man die niet meer in staat was om voort te brengen, of om het dubbelzinnig te zeggen: om zijn geslacht in stand te houden. Daartoe was hij niet meer in staat, want dat is wat impotentie feitelijk is. Maar God had gezegd: “Ik zal jou vruchtbaar maken en in jouw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.” En dan staat er zo prachtig eenvoudig in Genesis 15 vers 6: “En Abram geloofde God en werd hem tot gerechtigheid gerekend.” Zo rekent God. Als iemand een rechtvaardige is, dan wil dat zeggen dat hij Gods woord serieus neemt. Hij beaamde het; dat is wat er eigenlijk staat in het Hebreeuws.
Prachtig, hè? Abram geloofde God. Abram was een verstorvene, maar God sprak van leven. Dat is dus leven uit de dood. Daarom zegt Paulus ook dat Abraham geloofde in de God die de doden levend maakt. En dan vers 19: “En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven.” Beiden dus. Het was dood. Ze liepen in dat opzicht met recht met de dood in de schoenen. Ze waren verstorven; het is heel opmerkelijk dat het op die manier benoemd wordt.
Maar dan staat er in vers 20: “maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.” Abraham heeft de opstanding inderdaad aan den lijve ervaren. Dat is wat we in het leven van Abraham zien: het is de God die de doden levend maakt. Zo heeft God door deze verstorven Abraham nieuw leven voortgebracht, waarmee Hij alle geslachten van de aardbodem, van de hele wereld, gaat zegenen. Leven uit de dood.
Psalm 105: Gods Gezworen Eed en de Diepe Symboliek van de Eik (terebint) ↑ hoofdstukken
In Psalm 105 staat iets bijzonders. We hadden het net over dat woordje zakar, daar hebben we het nog steeds over, maar ik ga u daar nog iets meer over vertellen. In Psalm 105 gaat het heel speciaal over Gods verbond met Abraham en daar staat in vers 42: “Want Hij gedacht aan zijn heilig woord, aan Abraham, zijn knecht.” En hier staat het woordje zakar weer: God de Heer gedacht aan zijn heilig woord. En wat is zijn heilig woord? Dat was die eed die Hij gezworen had aan Abraham. Normaal gesproken zweert God helemaal niet; dat is bij hoge uitzondering. We lezen in de Bijbel slechts een keer of drie, vier dat God de Heere een eed zweert. De eerste keer dat we dat vinden is inderdaad in verband met Abraham. De Hebreeënbriefschrijver licht dat later toe in hoofdstuk 6 van die brief en zegt dat Hij dat deed opdat bij twee dingen het onwrikbaar vast zou staan dat Gods belofte waar is. God belooft het niet alleen, maar Hij zweert het ook: een dubbele getuige. In ieder geval is dat heilig woord een eedzwering.
Daar wil ik ook wat over vertellen vanuit het Hebreeuws, want dat is iets heel bijzonders. Dat heilig woord is de eed die Hij gezworen had. Als je dat vanuit het Hebreeuws ziet, is het woord voor eed alah. Ja, het heeft inderdaad alles te maken met het Arabische Allah, want dat heeft dezelfde stam. Het heeft allemaal te maken met het woord God, met de Onderwerper, de Onderschikker, want dat is wat het grondwoord ‘al’ eigenlijk betekent. Trouwens, bij een eed wordt God ook als getuige aangeroepen; dat is eigenlijk het karakteristieke van een eed. Een eed is niet zomaar een belofte, maar een belofte waarbij je God tot getuige aanroept. Daarom is het ook zo bijzonder dat God een eed zweert, want dat betekent eigenlijk dat Hij zweert bij Zichzelf. Je zweert normaal gesproken bij de Allerhoogste, en aangezien Hijzelf de Allerhoogste is, zweert Hij bij Zichzelf. Zo staat het trouwens ook in Jesaja: dat God zweert bij Zichzelf, namelijk bij de Allerhoogste.
Dan is er nog een woord en dat is het woordje terebint, dat we in onze vertalingen vaak tegenkomen. In de NBG en in de Statenvertaling wordt het meestal weergegeven met een eik, maar dat is hetzelfde woord, of min of meer hetzelfde woord. Als je het in de Strong’s Concordance nakijkt, zie je die woorden zelfs naast elkaar staan: alah is het woord voor eed, en het woord voor eik is Elon. U zegt misschien dat u dat niet echt op elkaar vindt lijken, maar dat komt doordat wij klinkers gebruiken die voor een andere klank zorgen, terwijl dat in het Hebreeuws geen rol speelt. Het gaat erom dat die terebint gewoon een eik is. Het is opvallend dat de Statenvertaling altijd over een eik spreekt; dat woord kennen we allemaal, maar wat een terebint is, dat weet bijna niemand. Want wie spreekt er tegenwoordig nog over een terebint? Maar een terebint is gewoon een eik, het woordje Elon.
Trouwens, de NBG-vertaling is daarin niet erg concordant, want soms geeft ze het woord Elon weer met terebint. Er zijn verschillende Bijbelse personages die ook zo heten, bijvoorbeeld de schoonvader van Esau en een richter vlak voor Simson; zij heetten ook Elon. Maar het gaat dus om dit woord, dat gewoon een eik betekent. Die eik zal u gedacht zijn, want hij wordt zo vaak genoemd in de geschiedenissen van het Oude Testament. We lezen er vaak straal overheen. En met ‘we’ bedoel ik dan… kijk, wij zijn natuurlijk de grote uitzondering, maar over het algemeen wordt daar gewoon aan voorbijgegaan. Maar er zit namelijk heel veel achter. U denkt misschien dat ik een zijpaardje bewandel, en dat is ook wel zo, maar dat is om uiteindelijk weer terug te komen bij waar we begonnen zijn.
Dat woordje terebint is dus gewoon een eik en ik zal u laten zien waar we die eik zoal tegenkomen. Ik geef zomaar een bloemlezing van een stuk of vijf voorbeelden. Er staat in Genesis 12, pal bij de roeping van Abram — toen nog Abram, later kreeg hij nog een ‘ha’ in zijn naam, net als Sara — dat Abram het land doortrok tot de plek bij Sichem, tot de terebint More, terwijl de Kanaänieten toen in het land waren. Abraham is hier zojuist gearriveerd in het land, hij is door de Jordaan gegaan. Door de doodsjordaan, zal ik het zo zeggen; ook een beeld van dood en opstanding. En toen kwam hij bij de terebint More. Weet u trouwens wat More betekent? Juist, onderwijzer of leraar. De gedachte is dat er onderwijs uitgaat van een terebint, van een eik. Alleen hebben wij daar nooit onderwijs over gehad. Maar Abraham kwam bij de terebint en we lezen later dat daar niet maar één eik stond, maar meerdere.
In Deuteronomium 11 vers 30 worden ook die terebinten van More genoemd, en daar staat bij vermeld dat het was bij Gilgal. Gilgal, Gilgul… dat is Hebreeuws en als je zelfs nu nog een modern Hebreeuws woordenboek opslaat — ik heb er toevallig eentje en heb het nog niet zo lang geleden ter bevestiging gedaan — dan zie je dat de betekenis van Gilgal ‘wedergeboorte’ is. Het wordt ook wel weergegeven in de wat plattere betekenis van reïncarnatie, maar het is gewoon wedergeboorte. Weet u wat er bij Gilgal gebeurde? Die naam Gilgal wordt pas later gegeven. Als Israël door de Jordaan getrokken is, worden ze besneden bij Gilgal. Gedurende de woestijnreis was het volk van Israël niet besneden en dat wordt bij die gelegenheid alsnog gedaan, bij jong en oud. Alles wat mannelijk was, werd besneden. Dat was een vreselijke plaats, die ook wel Bochiem wordt genoemd, wat ‘geween’ betekent, want dat is een heel pijnlijke gebeurtenis geweest voor dat hele volk. Maar dat is wat er gebeurde bij Gilgal, bij de terebinten van More.
Om nog even verder te gaan: in Genesis 13 staat dat Abram daarna zijn tenten opsloeg en — u weet het, hij had geen vaste verblijfplaats, hij was steenrijk, maar hij was gewoon een pelgrim op reis — hij ging wonen bij de terebinten van Mamre. Dat is weer een andere plaats. Hij heeft eigenlijk nooit een millimeter van het land bezeten, behalve het graf dat hij kocht. Het enige wat hij had was een graf en een altaar, voor de rest had hij helemaal niets. God had gezegd dat Hij het hem zou geven, en Abraham heeft daarom altijd geweigerd om het te kopen. Waar het nu om gaat, is dat er staat dat Abram zijn tenten opsloeg en ging wonen bij de terebinten van Mamre. Waarom zou hij dat in vredesnaam doen en waarom wordt het erbij vermeld? Is dat belangrijk voor de geschiedenis of wereldschokkend? Ik dacht het niet.
Maar eerst nog bij die terebint van More, nu hier bij de terebinten van Mamre. Daar ging hij wonen. Waarom? Bij Hebron, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE. Hoezo? Waarom bij die terebint?
Ja, ik vraag het maar even, maar het is niet zo moeilijk als je eenmaal weet dat een eik alles te maken heeft met de eed die God zwoer. Daar herinnert het namelijk aan. Ik kom er straks nog op terug. Ik wil eerst nog even een aantal andere plaatsen noemen.
Want dan lees je in Genesis 35 – en ik sla er nogal een aantal over – dan lees je dat toen Debora, de voedster van Rebekka, gestorven was, zij begraven werd beneden Betel, onder een eik. Waarom dat nou weer? Nou, ik heb het antwoord natuurlijk al even gegeven, maar het kan niet missen: het heeft inderdaad te maken met die eik als een uitbeelding van Gods belofte, van de eed die God zwoer. Ik geloof dat ik nog een voorbeeld heb. Ja, dat is ook een hele mooie hoor.
Opgerichte Stenen als Uitbeelding van de Opstanding ↑ hoofdstukken
Jozua, of Jehoshua – dat is dezelfde naam als Jezus, maar dan in het Hebreeuws. Het betekent ‘De Heer redt’. In het wetboek van God schreef Jozua deze woorden en hij nam een grote steen en richtte die daar op. Daar heb je het weer: een monument. Hij zet een steen recht overeind. Dat vind je zo vaak in de Schrift. Denk aan Jakob, die een droom droomde in Betel. Hij zag daar een verbinding tussen hemel en aarde. En wat doet hij zodra hij wakker wordt? Hij richt die steen op. De steen waar hij zijn hoofd op gelegd had, richt hij op. Die zet hij recht overeind. Hij laat hem opstaan. Hij doet hem opstaan. Ik zeg het zo, zodat u in ieder geval de link legt met de opstanding. Hij zalft die steen bij die gelegenheid ook met olie. Dat wil zeggen dat hij die steen tot een mashiach maakt, een gezalfde. Olie is ook een beeld van nieuw leven.
Soms zeggen we dat die mensen van toen nog niet zoveel wisten, maar ze wisten veel meer dan wij denken – en ik wilde eigenlijk zeggen: veel meer dan wij. Dat is natuurlijk niet helemaal waar, want inmiddels zijn we verder in de heilsgeschiedenis, maar die mensen wisten zo ongelooflijk veel over symboliek. Ze deden de dingen niet zomaar. Abraham ging niet zomaar ‘voor noppers’ bij een eikenbos wonen. En het was niet voor niets dat wanneer er een dode begraven moest worden, dat onder een eik gebeurde. Niet omdat dat op zich een functie had, maar er ging een sprake van uit; het herinnert ergens aan. Wij weten dat ook nauwelijks meer, maar als je op een begraafplaats komt, zie je ook allemaal opgerichte stenen. Dat is een uitbeelding van hoop. Een opgericht teken, een steen – en zeker als die opgericht is – vormt een monument en is daarmee een verwijzing naar de opstanding.
Dat soort associaties zijn wij helemaal kwijtgeraakt. Zo denken wij niet meer. Wij denken alleen nog maar technisch en functioneel: wat heb je eraan en wat kun je verkopen? Maar we denken niet meer in termen van betekenissen. Die eik echter herinnert aan Gods belofte, aan een betrouwbare God. En dat is niet alleen zo in het Bijbelse denken. Ik herinner me het verhaal van Bonifatius, die bij Dokkum kwam en daar een eik omhakte. Wie kan mij helpen? Hij hakte een eik om, maar bij die eik vond ook de rechtspraak plaats. En natuurlijk was er ook afgoderij; dat is wat de mens altijd doet: al het goede dat God geeft, wordt door de mens misbruikt en gecorrumpeerd. De oergedachte is goed, maar de mens maakt het pervers.
Het is net zoiets als met de astrologie, waarover we het weleens gehad hebben. Over die sterrenbeelden zegt iedereen in de christelijke wereld al snel dat het occult is, maar dat is niet waar. Sterrenbeelden, en de sterren in het algemeen – en dat geldt voor heel de natuur – daar gaat een sprake van uit. De hemelen vertellen Gods eer en die sterrenbeelden zijn niet occult; integendeel, ze zijn heilig. Ze spreken van Gods plan. Dat geldt natuurlijk ook voor de natuur en dat geldt ook voor een simpele eik. Het is een uitbeelding van Gods trouw. Daarom is het een uitgelezen plaats voor rechtspraak; het gebeurt bij een embleem van trouw en gerechtigheid.
Ik kan nog wel een voorbeeld geven. In Jesaja staat een belofte voor het volk Israël: men zal hen noemen ‘eikenbomen der gerechtigheid’ – in de Statenvertaling staat ’terebinten der gerechtigheid’ – een planting des Heren tot Zijn verheerlijking. Hoezo? Een eikenboom spreekt inderdaad van Gods gerechtigheid; van God die recht doet aan Zijn Woord. Hij spreekt en Hij vervult het ook. Dat is trouwens gerechtigheid: recht doen aan het Woord. Belofte maakt schuld. Als God een belofte doet, verplicht Hij Zich tot iets. En als God een eed zweert, dan zal Hij het doen, wat dan ook. Een terebint of een eik spreekt van Gods trouw. Hij doet wat Hij zegt en Hij doet recht aan wat Hij zegt. Vandaar die terebinten der gerechtigheid. Een eik verwijst dus naar Gods eed.
Ik zal u nog eens wat laten zien, dan is de cirkel meteen weer rond. Dan begrijpt u ook meteen waarom deze omweg er eigenlijk geen was. Want als ik u dit laat zien, begrijpt u hoe dit alles met de besnijdenis te maken heeft. Ja, dat is een eikel. Maar dat is precies wat er met de besnijdenis zichtbaar gemaakt wordt. Wij zeggen het vaak op een negatieve manier: de voorhuid wordt weggenomen. Maar wat wordt er dan zichtbaar? Precies, de eikel. En dat spreekt in de Bijbel van de eed die God gezworen heeft; van Zijn trouw. Daarom is het mannelijk geslacht inderdaad een monument. Het spreekt van Gods belofte, van de eed die Hij gezworen heeft en waarbij Hij Zichzelf als getuige heeft aangeroepen. Hij geeft de garantie: Ik doe wat Ik zeg.
Het gebeurt door de dood heen, want Abrahams lichaam was verstorven. God gaf Zijn eed aan een verstorven man. Door de dood heen, door zo’n verstorvene heen, brengt Hij nieuw leven tot stand. Alsjeblieft, dat is het Evangelie! Daar gaat het hele Evangelie over: hoe door de dood nieuw leven tot stand gebracht wordt en hoe God zo Zijn gerechtigheid vervult. Oftewel: recht doen aan Zijn Woord en vervullen wat Hij gesproken heeft. Dat is het Evangelie: Gods belofte is heerlijk vervuld. Hij heeft gesproken en Hij doet het. Hij zegt: ‘De dood doe ik eronder.’ Daar spreekt die eik van. Elk Joods jongetje heeft zo’n monument. Iedereen met een mannelijk geslacht heeft in wezen een monument. Maar in het Hebreeuwse denken, of in ieder geval bij een Israëlische man, is er ook nog dat teken aan het lichaam dat het onderstreept. In wezen herinnert het mannelijk geslacht aan Gods belofte, aan Zijn eed en Zijn Woord, waarbij Hij nieuw leven tot stand brengt. Ik wil nu ook nog op een andere Schriftplaats wijzen.
Jesaja 57: Vruchtbaarheidssymbolen in de Heidense Afgoderij ↑ hoofdstukken
Jesaja 57. Ik moet wel een beetje doorgaan. Er staat in Jesaja 57 – daar geeft Jesaja, of de Here bij monde van Jesaja, een uitbrander als het ware naar het volk over waar ze mee bezig waren – de afgoderij die zij pleegden. En dan staat er: “Gij, die in wellust ontbrandt bij de terebinten onder elke groene boom.” Die uitdrukking vind je zo vaak bij de profeten: dat zij afgoderij pleegden onder elke groene boom. Maar ik zal u vertellen, dat zijn niets anders dan vruchtbaarheidsriten en tempelprostitutie; dat hoorde allemaal bij elkaar.
Die terebinten, die betekenis kende men in het heidendom ook wel hoor, en waar dat van sprak. Alleen zij zeiden: het spreekt allemaal van de seksualiteit. Dat is niet waar, het is omgekeerd. De seksualiteit spreekt van Gods Woord en Zijn plan, en over de wijze hoe Hij nieuw leven tot stand brengt. Nou, hoe dan ook: “Gij, die in wellust ontbrandt bij de terebinten onder elke groene boom, die de kinderen slacht in de dalen, in de rotsspleten.” Want het ging gepaard met echt hele zware perversie.
En dan nog even later in vers 7 staat er: “Op een hoge en verheven berg hebt gij uw legerstede opgeslagen.” Dat is gewoon een bed, hè? “Hebt gij uw bed opgeslagen; ook daarheen zijt gij opgeklommen om slachtoffers te brengen.” Hier wordt er gewoon een link gelegd tussen de afgoderij en eigenlijk gewoon het bed beklimmen, oftewel hoererij, seksuele perversie.
En dan staat er nog dit in vers 8, dat vind ik wel aardig: “En achter deur en post hebt gij uw herinneringsteken gesteld.” Dat herinneringsteken is zakar. Is dat een vervoeging van zakar? Het is gewoon een fallussymbool. Dat waren uitbeeldingen van het mannelijk lid. Hebt gij die daar gesteld? Die stonden daar gewoon op die berg. De wereld is bezaaid met fallussymbolen; het was afgoderij. Ik heb er zelf geen plaatjes bij gemaakt hoe u zich dat moet voorstellen, hoewel dat uit de oudheid absoluut bekend is hoe men dat deed. Maar van die plaatjes zegt u en ik: dat kun je haast niet laten zien. Nou, dat kan best hoor, dat is helemaal geen enkel punt. Alleen ik wil het gewoon een beetje serieus houden.
In Pompeï kun je het ook zien, ja, in de oude Griekse… Ik was ooit een keertje in Athene – en dat was natuurlijk ook een centrum van al die goden en de Olympus – en als je daar ook al die oude opgravingen ziet, dan wemelt het allemaal van die afbeeldingen van mannen die zo groot geschapen waren, als u begrijpt wat ik bedoel. Daar wemelt het van dat soort vruchtbaarheidsiconen en symbolen. Nou ja, dat speelde toen; dat is niet van gisteren. Dat was toen, en dat was duizend jaar eerder ook al zo in de dagen van Jesaja: vruchtbaarheidssymbolen, fallussymbolen. En die stelden ze dan daar op.
En er staat nog bij: “Want buiten Mij om hebt gij uw legerstede opgeslagen” – dat wil zeggen met voorbijzien van de ware eredienst – “en zijt opgeklommen. Hebt gij uw legerstede ruim gemaakt? Gij hebt uw loon bedongen van hen wier bijslaap gij hebt liefgehad, wier schaamte gij hebt gezien.” Als u trouwens een NBV hebt, dan staat er gewoon: “van wie gij het lid hebt gezien.” Het mannelijk lid namelijk. Dat is wat er beschreven wordt.
Dus dan ziet u hoe dat hele thema ‘mannelijk en vrouwelijk’ ook in de afgoderij een grote rol speelde. Een perverse rol, omdat men namelijk niet meer de betekenis ervan zag. Wat men nog wel zag toen – en dat is het enige positieve wat je ervan kunt zeggen, en dat positieve steekt zelfs af tegen de onkunde en het onbegrip dat er is in de christelijke wereld van oudsher, en daar verandert in wezen nog maar weinig aan – is dat men in elk geval wel in de gaten had dat de seksualiteit en de betekenis van mannelijk en vrouwelijk het geheim van het leven uitbeelden en iets goddelijks, iets heiligs is. En dat is absoluut waar.
Ja, nou dat is weer even een ander onderwerp. De vrouw is uit de man; daar gaan we het zo na de pauze over hebben. We kunnen de pauze trouwens niet al te lang maken, maar we drinken toch even een kopje koffie en dan gaan we straks verder met dit onderwerp. Er staan nog heel wat diaatjes gepland, dus we moeten opschieten.
📝 Samenvatting & Transcriptie: Mannelijk & Vrouwelijk (deel 2)
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Genesis 2: de Vrouw (isha) Gebouwd uit de Dode Man (ish)
- Korinthe 11: de Man als Beelddrager en de Vrouw als Zijn Heerlijkheid
- De Grote Parallel: Man en Vrouw als Uitbeelding van Schepper en Schepping
- Romeinen 1: de Afdwaling van de Heidenen en het Verlies van Mannelijkheid
- Jeremia 31: Vorm en Inhoud, het Vrouwelijke Zal de Man Omvangen
- De Heerserstaf en de Mannelijke Zoon als Beeld van Gods Heerschappij
Genesis 2: de Vrouw (isha) Gebouwd uit de Dode Man (ish) ↑ hoofdstukken
Genesis 2 vertelt over de vrouw die uit de man wordt genomen. In vers 21 lees ik (vrij naar de Statenvertaling): “Toen deed de Heere God een diepe slaap op Adam vallen en hij sliep. En Hij nam één van zijn ribben en Hij sloot de plaats daarvan toe met vlees. En de Heere God bouwde de rib, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar tot Adam.” Adam zegt dan: “Deze is ditmaal been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees. Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is.” Dan volgt dat bekende vers 24, dat in het Nieuwe Testament herhaald wordt: “Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn.”
Hier vinden we in een notendop de wijze waarop mannelijk en vrouwelijk geschapen zijn. Laten we even teruggaan naar vers 21, waar staat dat de Heere God een diepe slaap op Adam liet vallen. Ik kan daar nu niet té diep op ingaan, maar als je Paulus naleest in Efeziërs 5, dan zegt hij: “Dit geheimenis is groot.” Deze verborgenheid is groot, want uiteindelijk heeft dit betrekking op de laatste Adam, uit wie de gemeente is voortgekomen. Want die slaap die God op Adam deed vallen, is in feite niets anders dan de doodsslaap; dat is wat het uitbeeldt. Slaap in het algemeen beeldt dat trouwens al uit: “Ontwaakt, gij die slaapt, en sta op uit de doden.” Slaap wordt altijd geassocieerd met de dood. Of eigenlijk moet ik het anders zeggen: de dood wordt geassocieerd met een slaap. Dat is veel mooier, want je gaat dood, maar in werkelijkheid slaap je slechts. Daar is niets ernstigs aan; je staat gewoon weer op. De taal is hetzelfde.
In ieder geval: God deed een diepe slaap op Adam vallen en hij sliep. Hij nam een van zijn ribben… Nou, dat is echt een verhaal apart hoor, wat daaraan vastzit. Want er staat eigenlijk niet “ribben”, er staat gewoon “een zijde”. Er wordt een zijde uit Adam genomen en de plaats daarvan werd met vlees toegesloten. Ik had dat wel willen zien, hoe dat in zijn werk is gegaan. We hebben er geen video van, maar wel een verslag: de Heere God bouwde de zijde die Hij van Adam genomen had tot een vrouw en bracht haar tot Adam. Ik ga er nu ongeoorloofd snel overheen omdat we verder moeten, maar het gaat me even om dit punt: wanneer Adam vervolgens ontwaakt, zegt hij: “Deze is ditmaal been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees. Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is.”
In de tekst staat gewoon het normale Hebreeuwse woord voor vrouw, maar men kon dat hier niet met “vrouw” vertalen, omdat je dan de zin niet begrijpt. Dan had er gestaan: “Men zal haar vrouw heten, omdat zij uit de man genomen is.” Dat snappen we niet. Maar het punt is dat in het Hebreeuws het woord voor man ish (iesj) is. Het Hebreeuwse woord voor vrouw is ishah (iesjah). Dat is die he-uitgang; de letter ‘he’ die later ook aan de naam van Abram werd toegevoegd, en aan die van Sara trouwens ook. Dat is eigenlijk gewoon een vrouwelijke uitgang, zoals wij ook spreken over een boer en een boerin, of over een koning en een koningin. Op z’n Hebreeuws is een vrouw dus letterlijk een “mannin”, een vrouwelijke man eigenlijk. Dat klinkt een beetje vreemd, maar dat is de manier waarop het in het Hebreeuws wordt uitgedrukt.
Voordat ik hier verder op inga, wil ik nog één ding aanstippen wat Robert Frederik zojuist naar voren bracht. Ik was het vergeten te zeggen; hij had het al eerder aan mij doorgegeven, maar ik moet het nog even vermelden want het is echt heel mooi. Ik vertelde voor de pauze al even over mannelijk en vrouwelijk. Als je die woorden in het Hebreeuws bij elkaar optelt in getalswaarden – want de Hebreeuwse letters zijn ook cijfers – dan kom je voor mannelijk (zakar) en vrouwelijk bij elkaar op het getal 390. In de Hebreeuwse symboliek is dat het getal voor de hemel: shamayim is namelijk ook 390. Mannelijk en vrouwelijk bij elkaar is dus hetzelfde als de hemelen.
Hierin zit nog iets prachtigs: in ish zit een jod en bij ishah zit een he. Samen vormen die de naam van Yahweh. Als de naam van Yahweh eruit is, dan blijft er esh over: vuur. Maar dat wil ik vanavond niet allemaal uitdiepen. We hadden het er in de pauze zojuist nog even over hoe geweldig de Hebreeuwse taal is. Neem van mij aan: die taal komt van de overkant. Dat is ook wat “Hebreeuws” betekent: van de overkant, van de andere kant. Het is niet van deze wereld; het Hebreeuws komt gewoon van de andere kant en het is de taal van God. Echt waar.
Maar wat ik nog wilde zeggen om ter zake te blijven: dat “manninne” kun je ook op een andere manier weergeven, namelijk als “mangericht”. Die he-uitgang heeft in de Hebreeuwse grammatica een specifieke betekenis. Neem het woordje voor aarde: arets. “Ter aarde” is aretsah; dan krijg je die he-uitgang. Of “huis”, dat is beit (denk aan Bethlehem, huis van brood). “Huiswaarts” of “naar huis” is baita. Zo gaat dat in het Hebreeuws: dan krijg je die ha-uitgang, de he-uitgang. Dat is precies hetzelfde als de vrouwelijke uitgang. Het idee daarbij is dat ishah “naar de man toe” betekent, of “man-gericht”. Wat ik zojuist daarover naar voren heb gebracht, klopt precies. Dat is precies wat de vrouw ook uitbeeldt. Als ik straks nog wat zeg over de symboliek van de vrouw en het vrouwelijke, dan is dat helemaal kloppend en sluitend.
Korinthe 11: de Man als Beelddrager en de Vrouw als Zijn Heerlijkheid ↑ hoofdstukken
We gaan nu naar 1 Korinthe 11, naar een gedeelte daaruit en de kwestie die in dat gedeelte besproken wordt: de hoofdbedekking, de sluier van de vrouw. Dat laat ik nu expres even liggen. Jaren geleden hebben we daar eens een avond aan gewijd, maar nu laat ik dat rusten. Ik wil me beperken tot de uitleg die Paulus geeft in hoofdstuk 11, vers 7.
Daar staat: “Want een man moet het hoofd niet dekken.” Later in dat gedeelte legt Paulus uit wat die hoofdbedekking is: de sluier, dat is het lange haar. Maar goed, daar heb ik nu toch al iets over gezegd. “Want een man moet het hoofd niet dekken”, hij heeft – er staat letterlijk dat hij het heeft, niet dat hij het is – hij heeft het Beeld en de heerlijkheid Gods. De man is niet het Beeld Gods, maar hij draagt het; hij is beelddrager van God.
Dat Beeld Gods is de unieke heerlijkheid van de Heere Jezus Christus. God is de onzienlijke God en Hij maakt Zich zichtbaar door het Woord, oftewel door Zijn icoon (eikoon). Hij is het Beeld van de onzienlijke God, zo zegt de Bijbel. Welnu, de man is naar dat Beeld van God geschapen en draagt dat beeld. “Naar Gods beeld schiep Hij hem.” Paulus refereert hier aan dat vers in Genesis 1. Een man moet het hoofd niet dekken, want hij heeft het Beeld en de heerlijkheid Gods. Hij draagt dat. Het gaat dus niet zozeer om de man zelf, maar om de mannelijkheid die dat beeld draagt.
De vrouw daarentegen is de heerlijkheid van de man. Dit moet je natuurlijk niet vertellen aan mevrouw Hedy d’Ancona of mevrouw Dresselhuys, de voormalige hoofdredactrice van Opzij. Die zouden me hierom gewoon willen aanpakken. Ze zouden een bijeenkomst als deze wellicht willen verbieden, want dit is voor hen natuurlijk vloeken. Je mag dit tegenwoordig niet meer zo zeggen, maar ik kan me verschuilen achter het feit dat ík het niet zeg; Paulus zegt het. Al ben ik het overigens wel roerend met hem eens.
“De vrouw is de heerlijkheid van de man.” Vers 8 zegt: “Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man.” Paulus verwijst hier gewoon naar Genesis. Het gaat hier niet over de wijze waarop u en ik tot stand zijn gekomen – alsof ik niet uit een vrouw geboren zou zijn, want dat ben ik natuurlijk wel – maar het gaat over het eerste mensenpaar en de wijze waarop dat gecreëerd is. Er staat: “Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man,” zegt Paulus.
Vers 12 zegt: “Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God.” Die laatste zin wordt trouwens vaak misverstaan, als u het mij vraagt. Paulus verwijst hier naar Genesis 1 en Genesis 2, over de creatie van man en vrouw, over Adam en Eva, over Adam en de Manninne. In vers 12 staat dat de man door de vrouw is. Dat wil niet zeggen dat de man uit de vrouw is; nee, de man is door de vrouw. De man is “man” juist doordat er ook een vrouw is. Je bent pas man als er ook een tegenpool is. Adam was gewoon “Adam”, mens, zolang hij alleen was. Zodra hij een tegenover had, de Manninne, toen werd hij “man”. Hij wordt dus man door de vrouw.
Zoals het woord “dag” niets betekent als er niet ook “nacht” is, en “goed” niets betekent als er geen “kwaad” is. Dat zijn contrasten en het een bestaat bij de gratie van het ander. Als er niet zoiets zou bestaan als ziekte, dan zou een begrip als “gezondheid” gewoon onzin zijn; dat zou niets betekenen, want alles zou simpelweg gezond zijn. “Zo is ook de man door de vrouw. Alles is echter uit God.” Dat wil zeggen: het is allemaal door God bedacht, ontworpen en gecreëerd. Het is God’s original design.
Goed, nu ga ik een vergelijking maken.
De Grote Parallel: Man en Vrouw als Uitbeelding van Schepper en Schepping ↑ hoofdstukken
Een summiere, want hij is veel uitgebreider, maar ik wil u gewoon op een spoor zetten aan de hand van wat ik nu ook laat zien vanuit de Schrift. Waarbij aan de ene kant man en vrouw en hun relatie tot elkaar vergeleken wordt, en dat gecontrasteerd wordt met de verhouding Schepper-schepping. Want dat is een één-op-één verhouding; het één spreekt van het ander. Ik zal het u laten zien.
Kijk, de vrouw is uit de man, zo is de schepping uit de Schepper. Als je eenmaal weet waar het een beeld van is, dan zal je nooit meer het woordje discriminatie of seksisme in de mond nemen. Want het is alles een geweldige illustratie. De man draagt inderdaad het beeld van God. De vrouw beeldt daarentegen de schepping of het schepsel uit. Soms ook meer specifiek bijvoorbeeld het volk Israël, maar in het algemeen — ik zal dat straks ook laten zien vanuit Romeinen 8 — de vrouw is uit de man, zo is de schepping uit de Schepper.
De vrouw is geschapen om de man. Waarom? Omdat het ook een beeld is van Schepper-schepping: de schepping is geschapen om de Schepper. De Schepper is er niet om de schepping, alsof God onze loopjongen is. Nee, wij zijn er voor Hem. Ten behoeve van Hem, tot Zijn glorie.
Nog een ander ding: de man verwekt. Dat is nu juist het meest karakteristieke van het mannelijke. De man verwekt; dat spreekt van de Schepper die verwekt. Waarbij verwekken trouwens nog een prachtig woord is hoor, want verwekken heeft alles te maken met nieuw leven voortbrengen, met inderdaad voortplanting. Maar het heeft ook nog te maken met wekken, waar we het zojuist over hadden: uit de slaap wekken. Dat heeft weer alles te maken met uit de dood wekken, ja, met uit de dood doen opstaan of verwekken. “Ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de dood en Christus zal over u lichten.” Ja, dat is verwekken. Vaak vinden we dat in de Bijbel. Christus werd opgewekt, maar dat is gewoon hetzelfde woord: Hij werd verwekt uit de dood. Zo in dat verwekken zit al helemaal het idee van opstanding in.
Dan moet ik er ook nog aan denken — ik zit even te aarzelen of ik het zal zeggen — maar dan moet ik er ook nog altijd aan denken dat er op de kerktoren zo’n monument staat, u weet wel, daar staat een haan. En wat roept een haan? Ja, opstaan! Opstaan. Dat is toch waar de haan voor is? Die kondigt een nieuwe dag aan en die kondigt inderdaad… de haan is van origine een uitbeelding van opstanding. Zegt hij dat bij jullie? Maar als jij hanentaal zou verstaan, Ton, dan zou jij weten wat… De haan is van oudsher een uitbeelding van, inderdaad ook van opstanding. En dan wil ik er in verband met dit onderwerp nog even op wijzen wat het Engelse woord… want als ik het in het Engels zou zeggen, zou het helemaal duidelijk zijn. Maar dat ga ik niet verder toelichten. Dat vond Wim Kok trouwens helemaal niet leuk, die associatie, maar goed.
De man verwekt, de vrouw wordt zwanger. Dat is een beeld uiteraard van de schepping die in blijde verwachting is. Want — dat vindt u misschien een vreemde manier van uitdrukking — nou, dan kan ik het ook wel op z’n Bijbels zeggen: ze is in barensnood. Maar dat is eigenlijk hetzelfde. Het laatste geeft alleen aan dat het een pijnlijk proces is, dat het ook door de dood heen gaat, door pijn, door moeite. Zo was trouwens ook wat tegen de vrouw gezegd werd: “Zo zelfs gij kinderen baren.” Nieuw leven komt niet zomaar tot stand; nieuw leven komt tot stand door de weg van lijden, door moeite, zelfs door de dood heen. Maar niettemin in blijde verwachting.
En om de cirkel dan even rond te maken: de vrouw wacht op verlossing, en dat is precies wat de schepping als beeld — waar de vrouw dus een beeld van is — ook doet. De schepping wacht ook op de verlossing. Zulke termen zijn zo dubbelzinnig als het maar kan. Ik zal u eens een Schriftplaats geven waar dat zo expliciet naar voren gebracht wordt. Dat staat in vers 22 van Romeinen 8, een prachtig gedeelte. Dat hele gedeelte van Romeinen 8 is schitterend, maar dan zegt Paulus: “Want wij weten dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is.” En die barensnood neemt alleen maar toe naarmate de verlossing nadert.
En niet alleen zij, zegt Paulus er dan nog bij, maar ook wijzelf, wij die ook in zekere zin, wat ons lichaam betreft, wel degelijk nog deel uitmaken van die schepping. En niet alleen zij, maar ook wij; wij die de Geest als eerste gaven ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. Dat betekent niet dat we van ons lichaam af zijn, maar dat betekent dus dat ons lichaam zelf verlost zal worden. Maar verlossing is ook weer zo’n dubbelzinnige term natuurlijk, want verlossing is gewoon wat slaat op de… ja, waar slaat dat op? Ik wou haast zeggen: in Romeinen 8 wordt er daar nog gesproken over de openbaring — let op dat laatste woord, de laatste lettergrepen — de openbaring van de zonen Gods. De verlossing, ja, dat is wat verwacht wordt.
En de schepping is inderdaad in blijde verwachting. Waarom? Omdat de Schepper nieuw leven in haar verwekt heeft. Eigenlijk is dat een aspect dat vanavond vreselijk onderbelicht is, en feitelijk onterecht, maar goed, je kan nu eenmaal niet alles. Maar feitelijk is het ook zo dat de man de vrouw bemint en vice versa, en daardoor gemeenschap hebben. En feitelijk is het een uitbeelding van liefde, van eenwording. En juist door eenwording, door liefde — want liefde is niks anders dan de drang tot eenwording — en door die eenwording en door opstanding heeft de Schepper nieuw leven in de schepping verwekt. Waardoor de schepping inderdaad ook zwanger is, in blijde verwachting.
Je kunt dat op twee manieren opvatten. Je kunt dan terugdenken aan de opstanding van de Heer Jezus Christus, maar je kunt ook gewoon in het algemeen denken aan het feit dat God Zijn Woord geeft. En als u het niet geloven wilt, moet u het maar eens in 2 Petrus 1 nalezen. Daar wordt gesproken dat wij weergeboren zijn, zegt Petrus dan: niet door vergankelijk, maar door onvergankelijk zaad. Dat is het Woord des Heren. Want dat is zaad; dat is wat verwachting wekt, dat is wat nieuw leven tot stand brengt. Dus hoe je via welke weg je ook gaat, je komt toch uiteindelijk bij dezelfde essentie weer terecht.
Romeinen 1: de Afdwaling van de Heidenen en het Verlies van Mannelijkheid ↑ hoofdstukken
Over Romeinen 1 wil ik beslist ook nog wat zeggen. Daarin gaat Paulus in op het evangelie; dat is het eerste gedeelte van Romeinen 1. Hij bespreekt wat het evangelie nu is, namelijk de boodschap van God die Hij beloofd heeft bij monde van Zijn profeten en die Hij nu vervuld heeft — dat wat Hij ooit heeft aangekondigd. Vervolgens gaat Paulus in het latere gedeelte van Romeinen 1 in op de heidenwereld, die God weliswaar kon kennen, maar Hem miskend heeft.
Ik ga nu midden in dat gedeelte voorlezen, bij vers 20: “Want hetgeen van Hem, God, niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Zijn goddelijkheid, wordt vanaf de schepping der wereld uit Zijn werken met het verstand doorzien.” Met andere woorden: die schepping zegt dat er een Schepper is. Dat is logisch. Als je de schepping ziet, dan kun je weten dat er iemand moet zijn die dat bedacht, uitgevonden en gecreëerd heeft. De schepping verraadt en veronderstelt een Schepper. Maar dat niet alleen; achteraf, als je eenmaal weet hoe het in elkaar zit, is het zelfs nog veel sterker. Dan kun je zeggen dat heel de schepping door God zo creatief tot stand gebracht is.
U weet hoe dat gaat met iemand die creatief of artistiek bezig is en een creatie tot stand brengt, of dat nu een muziekstuk is, een schilderij of een beeldhouwwerk. Een creator, iemand die echt creatief is en bij machte is om dat te doen, legt zichzelf daarin. Als je dat echt goed doet, geef je aan alles een betekenis. Niets laat je aan het toeval over; alles is uitgedacht en ontworpen. Dat is precies wat God ook gedaan heeft. God heeft deze schepping tot stand gebracht en niets heeft Hij aan het toeval overgelaten. Er gaat ook helemaal nooit iets mis. Ik zeg het zo vaak, maar ik kan niet nalaten om het ook vanavond nog eens te zeggen: er gaat nooit iets mis. Maar daarnaast heeft de Schepper niets aan het toeval overgelaten en heeft alles een betekenis. Dat geldt uiteraard ook voor de essentie, het geheim van het leven: mannelijk en vrouwelijk, de wijze waarop nieuw leven tot stand komt. Dat is niets anders dan een uitdrukking van de weg die God gaat en het plan dat Hij heeft.
In vers 21 lees ik: “Immers, hoewel zij — dat gaat over de heidenwereld — God kenden…” Let op, hier wordt door Paulus het woord theos gebruikt, gewoon God, en dat is mannelijk. God is mannelijk; het is geen godin. Er staat theos, geen thea, wat het Griekse woord voor godin is. Dus: “Hoewel zij God — een mannelijk woord, de Plaatser, Degene die alles een plek geeft — kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar hun overleggingen en redeneringen zijn op niets uitgelopen en het is donker geworden in hun onverstandig hart.”
Dan vers 25 en 26, een gedeelte dat zo zelden echt begrepen wordt. Paulus zegt in vers 26: “Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke lusten, want hun vrouwen — ook hier staat trouwens weer ‘vrouwelijken’ — hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke.” Ziet u de connectie? Ze hadden de waarheid Gods in vers 25 vervangen door de leugen, en vervolgens heeft God hen daarom overgegeven. De vrouwelijken hebben de natuurlijke omgang met de man vervangen door de tegennatuurlijke. Er zit een directe link, een causaal verband tussen beide beschrijvingen, tussen beide verzen.
Vers 27 gaat verder: “Eveneens hebben de mannen — eigenlijk staat er ‘de mannelijken’ — de natuurlijke omgang — letterlijk staat er ‘het natuurlijk gebruik’ — met de vrouw, het vrouwelijke, opgegeven en zijn in wellust voor elkander ontbrand, als mannelijken met mannelijken schandelijkheid bedrijvende.” Dat woord ‘daardoor’, wat u in sommige vertalingen leest, kunt u wegstrepen, want dat staat er niet. “En het welverdiende loon voor hun afdwaling in zichzelf ontvangende.” Het gaat er niet om dat ze daarvoor gestraft worden; dit is het loon. Dit is het gevolg van de afdwaling, namelijk het gevolg van het vervangen van de waarheid door de leugen, oftewel de Schepper vervangen door het schepsel.
Het resultaat hiervan is de beschrijving in deze verzen van homoseksualiteit. Let wel, ik heb het niet over homofilie. Daar lees je geen letter over in de Bijbel. Het gaat hier over homoseks, dat wil zeggen: homoseksuele omgang van mannen met mannen of vrouwen met vrouwen. We moeten goed kijken hoe die link ligt. Eerst lazen we dat de Schepper wordt vervangen. Vervolgens wordt er gesproken over het mannelijke dat vervangen wordt. De vrouwen hebben de man niet meer nodig; zij hebben het natuurlijk gebruik opgegeven en zijn in wellust voor elkaar ontbrand. Dat de vrouwen de man niet meer nodig hebben, wordt trouwens als eerste genoemd. De Schepper wordt eerst vervangen en vervolgens wordt er gesproken over het mannelijke dat vervangen wordt.
Het resultaat is verwijving, homoseks en feminisme. U denkt misschien dat dit allemaal verschillende dingen zijn, maar als je het helemaal terugbrengt tot de kern, dan zijn dat allemaal broertjes en zusjes van elkaar. Het zijn loten van één en dezelfde stam. De essentie ervan is dat het mannelijke is vervangen. Maar dat is nog niet eens het eigenlijke punt; dat is alleen maar de vrucht ervan, het gevolg. De echte essentie is dat de Schepper is vervangen. Men ziet het verband niet meer tussen die dingen; men ziet niet meer dat het mannelijke een uitbeelding is van de Schepper, die krachtig is. Mannelijkheid wordt altijd geassocieerd met wat sterk is. In 1 Korinthe 16 staat: “Wees mannelijk, wees sterk.” Dat hoort bij elkaar, net zoals vrouwelijkheid in verband gebracht wordt met het zwakkere.
Sorry dames, dat zeg ik even tussendoor… Nee, ik moet het eigenlijk anders zeggen voordat ik mijn publiek ga beledigen. Als het er echt om gaat wie het zwakke geslacht is, dan is dat de man. Wist u dat? De vrouw is niet het zwakke geslacht, maar het zwakkere geslacht. In 1 Petrus 3 staat dat mannen met hun vrouwen moeten omgaan als met brozer vaatwerk. Dat wil zeggen: je bent zelf al broos, en zij is nog brozer. We zijn allemaal zwakke aarden vaten, breekbaar.
Het punt is echter waar het mannelijke van spreekt: over dat wat verwekt en nieuw leven tot stand brengt. En er is er maar Eén die dat kan, en dat is de Schepper. Hij kan nieuw leven verwekken en is sterker dan de dood. Daar spreekt het mannelijke van. Houd dat vast, want dat is de hele clou: dat het mannelijke spreekt over de Schepper die nieuw leven verwekt. Als je dat niet ziet, dan heb je het mannelijke in alle opzichten weggeredeneerd. Het gevolg is inderdaad een verwijving die zich op allerlei manieren kan manifesteren: homoseks, feminisme… maar nogmaals, het zijn allemaal loten van dezelfde stam.
Jeremia 31: Vorm en Inhoud, het Vrouwelijke Zal de Man Omvangen ↑ hoofdstukken
Jeremia 31. O ja, dat is ook nog wel een aardige in dit verband. Dit zijn zomaar min of meer losse slotopmerkingen. Daar staat, er wordt tegen Israël gezegd – dat is ook een aanklacht van de profeet: “Hoe lang zult gij aarzelen, o afkerige dochter?” O afkerige dochter Sion gaat het over, over het volk van Israël, die geacht wordt de vrouw te zijn van de man. “Uw maker is uw man”, staat er in Jesaja. Dat zegt de HERE bij monde van Jesaja tegen het volk. Want de HERE was getrouwd met zijn volk; het oude verbond was een huvelijksverbond. Ook die parallellen kun je heel ver doorvoeren, die parallellen komen rechtstreeks uit de Schrift zelf. Maar goed, Israël was als vrouw afkerig van haar man. Ze wilde geen gemeenschap hebben met de man, ze wilde hem niet kennen. Maar in het Hebreeuws is ook dat hetzelfde woord: kennen en een gemeenschap hebben.
En dan staat er iets heel eigenaardigs. “Want de HERE schept iets nieuws op aarde: de vrouw” – letterlijk staat er: het vrouwelijke – “zal de man omvangen.” Nou, de man staat er eigenlijk ook niet, dan staat er de meester of de held, de sterke, geber of gibor, wat is het? Ja, gibor. De vrouw, of het vrouwelijke, zal de man omvangen, waarbij dat ook inderdaad het idee weer is van eenheid. De vrouw die dan weer straks – en dat is een aankondiging van het nieuwe verbond – het vrouwelijke, dat is hier specifiek Israël, zal de man omvangen. Dat wil zeggen: er zal eenheid zijn, er zal gemeenschap zijn. De man inderdaad zal inhoud geven aan de vrouw, haar vervullen – ja, dat bedoel ik letterlijk, figuurlijk of hoe je het ook maar zeggen wilt. De vrouw zal de man omvangen.
En dat is trouwens in het algemeen de link die je kan leggen. Oh, ik had dat iets anders gepland, maar goed, zo kwam het ook. Als je het even naast elkaar zet en onder elkaar, dan krijg je twee rijtjes mannelijk-vrouwelijk, waarbij het mannelijke in het algemeen voor de inhoud staat en het vrouwelijke voor de vorm. Daar begonnen we toch mee hè, over dat spiegeltje? Dat is geen waardeoordeel, daarmee is ook niet gezegd over hoe de dingen moeten; daarmee is alleen maar iets gezegd over hoe het anatomisch sowieso al is, maar ook waar het een uitbeelding van is. En dat is algemeen bekend. Gisteravond hadden we bezoek en toen hadden we nog heel even een gesprek over yin en yang. Dat is een begrip dat in het Verre Oosten een grote rol speelt. In China, daar spreekt men over yin en yang, maar yin en yang is ook niks anders dan mannelijk en vrouwelijk. Je kunt het zo nalezen, en waarbij alles ook… In de Chinese filosofie, yin en yang, alles is mannelijk ten opviste van iets anders, waarbij het mannelijke staat voor de inhoud, het vrouwelijke voor de vorm. Ja, dat is een heel bekend gegeven. Ik zou het aan de hand van allerlei liedjes zelfs nog, die je op de radio hoort, kun je dat gewoon allemaal illustreren. De man is de wijn en de vrouw is de fles, dat idee. Het een is de inhoud, het ander is de vorm.
Het mannelijke is sprekend, het vrouwelijke horend. Maar let eventjes op, het gaat mij nog steeds om de verwijzing wat erachter steekt. Het mannelijke spreekt namelijk van de Schepper, het vrouwelijke spreekt van de schepping. Het is de Schepper die inhoud geeft aan de schepping en het schepsel, ook gewoon aan elk schepsel individueel. Hij is de enige die ons leven inhoud kan geven, kan verrijken, kan vullen en nieuw leven in ons kan voortbrengen. Dat is in het grote geheel, maar ook gewoon als schepsel zelf. En God is degene die spreekt, en wij zouden degenen zijn die horen, luisteren. En als er dan in de Bijbel staat dat vrouwen zwijgen, dan is dat een verwijzing naar die waarheid. En oh, daar kan zo over gekissebist worden. Maar mag ze dit nou wel? Dat gaat er helemaal niet om, mensen. Men heeft deze hele kwestie gereduceerd tot ethiek en casuïstiek van: mag dit nou wel, en hoe zit het dan met die kwestie? Maar daar gaat het niet om. Het gaat om waar het een uitbeelding van is.
Dat is hetzelfde als dat laatste punt. De man spreekt inderdaad van heerschappij en van gezag, terwijl de vrouw spreekt inderdaad van onderschikking. Dat is heel logisch. Trouwens, waarbij die laatste twee hebben nog weer alles met elkaar te maken, want gezag heeft alles te maken met zeggen. Als je het voor het zeggen hebt, wil dat zeggen dat je gezag hebt. Die woorden hebben trouwens ook alles met elkaar te maken. Wel, God is inderdaad degene die als de Schepper staat voor het gezag, en het schepsel voor wat zich onderschikt aan dat gezag. In een harmonieuze verhouding, want laten we wel wezen: de Schepper heeft juist zijn schepping lief en vervult haar. En ze completeren elkaar. En dat is juist die harmonie, die eenheid die God ook inderdaad tot stand gaat brengen. En dan wil ik nog op een ander ding wijzen.
De Heerserstaf en de Mannelijke Zoon als Beeld van Gods Heerschappij ↑ hoofdstukken
Ik herinner me dat we het de vorige keer hadden over de zegels en de bazuinen. Na afloop kwam mijn zwager nog even naar me toe en hij vroeg naar Openbaring 12 vers 5, over die ‘mannelijke zoon’. Dat is eigenlijk een merkwaardige uitdrukking, nietwaar? Want een zoon is toch altijd mannelijk? Nou, dat is nog maar de vraag. We hebben het er immers al over gehad dat ook mannen kunnen vervrouwelijken. Dan is de man weliswaar biologisch een man, maar is hij in wezen vrouwelijk geworden. Een mannelijke zoon is juist een zoon die zich mannelijk manifesteert.
Dat blijkt trouwens in dit gedeelte sowieso al op een bijzondere manier. Er staat namelijk dat hij al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; een scepter is dat. Er staat nog bij dat het kind werd weggerukt tot God en Zijn troon, maar daar gaat het nu even niet om. Het gaat om die mannelijke zoon die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede. Dan weet je meteen waarom er zo de nadruk op wordt gelegd dat hij mannelijk is. Dat hoeden met een roede is namelijk een mannelijke manifestatie. En u weet het misschien niet, maar een oud-Nederlands woord voor het mannelijk geslacht is ook gewoon een roede. Die woorden zijn in wezen hetzelfde.
En dan heb ik er nog één, en dat is echt het laatste punt. Die roede, de scepter, is de heerserstaf en dat staat inderdaad voor heerschappij. Dat is een mannelijke activiteit. De heerserstaf is een mannelijk embleem. Ik zeg bewust niet een fallussymbool – want dat woord wilde ik juist vermijden – maar het is een mannelijk embleem. Het is namelijk een uitbeelding van de opstanding, en daarmee een beeld van Degene die doet opstaan.
Kijk, er zijn natuurlijk ook gelegenheden in de Bijbel waarbij je vindt dat vrouwen heerschappij voeren. Denk aan Debora; zij was een richteres. Dat is een mannelijke activiteit, ondanks het feit dat zij een vrouw was. Het gaat erom dat heerschappij en gezag een mannelijke functie hebben, ook al wordt die bij wijze van uitzondering door een vrouw uitgevoerd. Dat kan allemaal, maar het gaat hier om de uitbeelding van het principe.
In Genesis 49 vers 10 staat daarover: “De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heerserstaf tussen zijn voeten.” Let op de wijze hoe dat daar staat uitgebeeld. De heerserstaf is daar echt een mannelijk symbool. Trouwens, een staf is altijd een uitbeelding van de opstanding, altijd een beeld van leven uit de dood. Aäron wist daar alles van; zijn staf ging immers ooit bloeien. Die dode staf ging bloeien en bracht leven voort. Het is ook precies die staf die ons vertroost als wij gaan door een dal van de schaduw des doods.
Hoe dan ook, er wordt hier gesproken over die heerserstaf “totdat Silo komt”. Dat is een verwijzing naar de Messias, en Hem zullen de volkeren gehoorzaam zijn. Hij is degene, die mannelijke zoon, die de heidenen zal hoeden. Inmiddels zie ik dat het vijf over tien is en dat betekent dat het de hoogste tijd is om af te sluiten. Daarmee hebben we dit onderwerp voor nu redelijk afgerond. Ik stel voor dat we tot slot met elkaar een lied gaan zingen.
UltimateGoodNews