GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

de levende GOD & de dood

15-01-2017 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van samenkomst gehouden te Urk op zondag 15 januari 2017

God is “de levende God”. De dood is het tegengestelde daarvan. Waarom heeft God de dood dan toegestaan? Wat is dan functie van de dood? Is de dood het einde – of komt er een einde aan de dood? En zo ja, wanneer dan? En wat betekent dat?
De Schrift geeft antwoorden. Luid en duidelijk!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De levende God gebruikt de dood als een tijdelijk instrument en contrast om Zijn levendmakende heerlijkheid te tonen. Hoewel de mens de dood ervaart als een definitief einde, is het vanuit goddelijk perspectief slechts een onderbreking of pauze. Uiteindelijk zal de dood als laatste vijand volledig tenietgedaan worden doordat God alle mensen in Christus levend maakt. Op dat moment zal God werkelijk alles in allen zijn, wat de ware essentie is van het goede bericht.

“Het evangelie is juist de boodschap dat de levende God allen levend maakt en de dood tenietdoet.”

Introductie: de Levende God en de Confrontatie met de Dood ↑ hoofdstukken

Een hele goedemiddag vrienden, ook van mijn kant. Bedankt voor de introductie en ik wil u vanmiddag graag meenemen naar dit onderwerp, een onderwerp dat me de laatste weken erg bezighoudt. Ook in de persoonlijke sfeer kan dat zomaar heel erg dichtbij komen; mijn schoonvader is afgelopen maandag overleden en morgen zal de begrafenis plaatsvinden. Boven de rouwkaart staat de tekst van 1 Korinthe 15 vers 22 opgetekend, een vers dat we straks ook met elkaar nog zullen lezen. Want aan dat hoofdstuk ontkom je ook niet.

Ik vond dit een mooi plaatje omdat er licht schijnt over het kerkhof. Het licht namelijk van God zelf; het licht dat een symbool is, een embleem van wie God zelf is. Ik wil u een aantal vragen voorleggen, want daar kom je vroeg of laat toch bij terecht. Daar stuit je op, die dringen zich aan je op. Het zijn vragen die ook stuk voor stuk allemaal aan de orde zullen komen. En ik mag er heel triomfantelijk aan toevoegen dat die vragen, hoe prangend ook, hoe scherp ook, zo ontzettend helder in de Schrift beantwoord worden.

Ik moet er ook bij zeggen – en dat is ook wel wat dit onderwerp heel noodzakelijk maakt – dat de antwoorden op deze vragen ook zeer ten onder gehouden zijn. Ook daar zullen we vanzelf wel op stuiten. Hoe is het nu gesteld met de dood? Laat ik ze eventjes op een rijtje zetten: vragen die we zo ongeveer in deze volgorde beantwoord zullen vinden. Nou ja, dat is dan mijn eigen beleving, en of dat inderdaad zo is, dat mag u checken. Dat is de rol die u dan weer krijgt toebedeeld.

U luistert, en ik hoop ook bereidwillig, net als de Berea’s ooit. Bereidwillig luisterden ze naar wat destijds Paulus te vertellen had en vervolgens gingen zij in de Schriften na of deze dingen alzo waren. Wel, dat is aan u.

Prangende Vragen over de Functie en de Eindigheid van de Dood ↑ hoofdstukken

Een vraag die zich opdringt is deze, en dat is meteen een hele diepe, je zou haast zeggen een filosofische vraag: Hoe kan een God die het leven op het oog heeft de dood een plaats geven? Zoals ik dat in het thema eigenlijk ook al uitdruk: het is de levende God. Dat is een van de benamingen die we zo vaak in de Bijbel vinden: de levende God. Maar als je nu te maken hebt met een God die leeft — over de betekenis van die uitdrukking komen we nog te spreken — en Hij werkelijk God is, hoe kan het dan dat er überhaupt zoiets bestaat als de dood? Dat contrasteert toch? Dat is toch vijandig ten opzichte van elkaar? Staan die beide begrippen, God, zeker de levende God, niet vijandig ten opzichte van de dood en vice versa? Ik wil maar zeggen: de dood is per slot van rekening ook een vijand in de Bijbel. Maar hoe kan het dan dat die God aan de dood zo'n plaats toebedeelt?

We hebben sowieso te maken met het gegeven van de dood; dat laat zich nu eenmaal niet ontkennen. We zijn allemaal, al die miljarden mensen, niet alleen maar wat de Bijbel noemt zondaren of doelmissers, maar we zijn ook stervelingen. Wat de vraag oproept: wat is de functie van de dood? Die moet dus een functie hebben. Als er een God is, als er Iemand is die het allemaal bedacht heeft, dan moet Hij kennelijk een doel hebben met die dood. En ik redeneer met deze vragen eigenlijk al naar het antwoord toe: wat is de functie van de dood?

Ook komt de vraag: komt er een einde aan de dood? Dat lijkt misschien een hele vreemde vraag als je de Bijbel met elkaar opent. Lub heeft zojuist nog uit Openbaring 20 voorgelezen dat de dood niet meer zal zijn. Maar ik zal u vertellen: als je het theologisch benadert vanuit de christelijke traditie, dan kent u waarschijnlijk wel de uitdrukking 'de eeuwige dood'. Daarmee bedoelt men niet 'eeuwig' in de zin van een tijdperk, nee, men bedoelt daarmee de eindeloze dood. Vanaf de kansel wordt er dan ook gewaarschuwd dat een mens, als hij niet gelooft of zich niet bekeert in de jaren dat hij hier in het ondermaatse zijn verblijf heeft, de eeuwige dood wacht. Wat dat dan ook precies moge zijn, maar het is niet leuk. De eeuwige dood, of met andere woorden, zoals ik dat zelf vroeger ook te horen kreeg: de nimmereindigende dood. In dat geval is het antwoord dus nee. Alle paasliederen ten spijt komt er dan geen einde aan de dood in de absolute zin.

Een andere vraag. De Bijbel spreekt erover dat de dood niet meer zal zijn. De dood is overwonnen, we hebben daarover gezongen; de dood zal tenietgedaan worden. Dat zijn trouwens twee verschillende dingen, ook daar komen we nog op. Ik ben nu alleen nog maar bij de vragen, daar zijn we nu mee bezig. Maar goed, als de Bijbel spreekt over het feit dat de dood tenietgedaan zal worden en er geen dood meer zal zijn, wat betekent dat? En hoe ver strekt dat? Is dat in de absolute zin zo? Ja, dan vervolgens de vraag: wanneer zal dat dan wel zijn? En de laatste vraag, ook daar zullen we op komen: wat is het belang van deze waarheid? Dat de dood tenietgedaan wordt; wat betekent dat, hoe ver strekt dat en wanneer zal dat zijn? En wat is de betekenis van dat alles? Nou ja, dat zijn zo een aantal vragen die je kunt stellen, die zich eigenlijk als vanzelf aan je opdringen als je erover nadenkt. Laten we maar gewoon, zoals we dat gebruikelijk zijn te doen, de Schrift daarover openen.

Johannes 11: Lazarus' Dood Ter Ere van Gods Heerlijkheid ↑ hoofdstukken

We beginnen bij Johannes 11. Het is trouwens maar één vers dat ik daaruit oppik, maar Johannes 11 is het hoofdstuk waarin we de geschiedenis vinden van de opwekking van Lazarus. Hij was één van de vrienden van Jezus en woonde in het huis bij Maria en Marta in Bethanië. Je leest dat Jezus hoorde dat hij ziek was, doodziek zelfs, maar Jezus bevond zich op een aanzienlijke afstand; Hij was met Zijn leerlingen elders.

Toen Jezus vernam dat Lazarus doodziek was, zei de Heer: "Deze ziekte – of deze zwakheid, want een ziekte is eigenlijk niets anders dan dat je zwak bent, dat je lichaam niet opgewassen is tegen de situatie – deze ziekte is niet ten dode." Dat was Jezus' antwoord toen Hij het nieuws verneemt over de gezondheidstoestand en de verwachtingen omtrent Lazarus.

Letterlijk staat er: "Deze ziekte is niet ten dode." Ik zeg het even voor degenen die hier voor het eerst zijn vandaag: ik heb altijd een interlinear bij me. Op de bovenste regel staan de Griekse letters; dat is het origineel zoals dat ooit door Johannes werd opgetekend. Daaronder zie je de meest letterlijke woord-voor-woordweergave, en daaronder, in dat lichte grijs, zie je de wijze waarop de NBG '51-vertaling dat heeft weergegeven. De Heer Jezus zegt hier: "Deze ziekte is niet ten dode", wat betekent dat het niet naar de dood toe is, of niet met het oog op de dood. Hij zegt niet dat deze ziekte niet leidt tot de dood, maar dat deze ziekte niet met het oog daarop is. Het is er niet naar gericht; integendeel.

In die geschiedenis kun je lezen dat Jezus vervolgens expres nog wachtte. Ik laat hier maar één vers zien, maar eigenlijk zou je het hele hoofdstuk moeten lezen. Ik ga er even vanuit dat het verhaal bekend genoeg is, en anders zou je Johannes 11 zelf eens moeten nalezen. Je zou verwachten dat Jezus, zodra Hij het nieuws hoort, maakt dat Hij zo snel mogelijk naar Lazarus toe gaat om hem te genezen. Daar had Jezus ervaring mee, nietwaar? Maar dat deed Hij niet. Hij wachtte zelfs nog een paar dagen. Dat werd Hem later ook kwalijk genomen. Wanneer Hij vervolgens wel naar Bethanië gaat, is Lazarus inmiddels al vier dagen overleden. Dat heeft Jezus eigenlijk min of meer zelf in de hand gehad door te wachten om naar Bethanië te gaan. Hoezeer het Hem ook kwalijk genomen werd, er zat een plan achter.

Wat dat plan was, lees je in ditzelfde vers. Er staat: "Toen Jezus het hoorde, zeide Hij: Deze ziekte is niet met het oog op de dood, maar ten behoeve van de heerlijkheid van God." Ter ere, letterlijk ten behoeve van de heerlijkheid, de glorie van de God. Let op: van de God, die Ene. Dat is wat in dit hoofdstuk vervolgens ook beschreven en verhaald wordt. Want waarom bleek Jezus te wachten? Hij wachtte tot Lazarus daadwerkelijk dood was en zelfs al begraven. Dat begraven gebeurde meestal al op dezelfde dag, maar inmiddels was hij al vier dagen dood.

Je leest dat wanneer Hij arriveert in Bethanië, Hij naar de begraafplaats wil gaan en vraagt om de steen weg te wentelen. Hij krijgt protest: "Nee, dat doen we maar niet, want er is inmiddels al een lijklucht." Jezus heeft met opzet gewacht tot hij dood was, zodat eigenlijk elk menselijk vermogen of elk menselijk kunnen niet meer toereikend is. Wie kan daar niet van meepraten? Als je bij een lijk staat en je hebt te maken met de dood, dan heb je als mens eigenlijk niets meer te zeggen. Wat kun je nog? Een mens kan nog zoveel doen, maar als eenmaal de laatste adem is uitgeblazen en de dood is ingetreden, dan houdt echt het menselijk vermogen en al het menselijk vernuft op. Het is over. Dan moet je het zwijgen ertoe doen.

Waar de mens ophoudt met zijn kunnen en met zijn vermogen, daar begint God. Dat wil zeggen: als er een oplossing is, als de dood overwonnen wordt, dan is dat per definitie de heerlijkheid van God. Een mens kan het niet. Dat gaat blijken in dit hoofdstuk: het is ten behoeve van de heerlijkheid van God. Het is Gods heerlijkheid om leven te maken. De term 'de levende God' betekent niet alleen maar dat die God existeert of bestaat. Nee, de term betekent dat Hij levend is en levend maakt. Hij is de levendmakende God, en dat is Zijn ultieme heerlijkheid.

Die heerlijkheid straalt juist in het contrast. Je ziet een ster alleen in de nacht. Dat is niet omdat er overdag geen sterren staan; overdag staan die sterren er ook, maar je ziet dat licht niet omdat er geen contrast is. Sterren zie je alleen in het donker. Alleen als het donker is, dan komt het licht van die sterren tot uitdrukking en openbaart het zich. Wel, dat is in het algemeen zo.

Het Bijbelse Contrastprincipe en de Dood als Tijdelijke Pauze ↑ hoofdstukken

In de Schrift maakt God dingen duidelijk door middel van contrast. Wij leren alleen maar door contrast. We weten alleen maar wat licht is doordat er ook zoiets bestaat als duisternis. Goed bestaat bij de gratie van kwaad. En dag en nacht, nou ja, het begint al in Genesis 1 dat God die dingen ook benoemt. En we leren het goede kennen... ik blijf het altijd zo geweldig vinden dat de eerste keer dat er in de Bijbel gesproken wordt over goed en kwaad, het al meteen blijkt dat de kennis van het goede niet los verkrijgbaar is. God plaatst een boom in de hof – nou ja, Hij plaatst er twee: een boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad. Meestal wordt er gedacht dat ze, doordat ze van die verboden vrucht aten, de kennis van het kwaad kregen. Men denkt dat ze gingen lijden en dat ze toen het kwade leerden kennen. En men vergeet dan dat het niet alleen maar de boom van de kennis van het kwaad was. Het was zelfs niet in de eerste plaats de boom van de kennis van het kwaad; het was de boom van de kennis van goed én kwaad. Het goede leert een mens kennen in contrast met het kwaad. Dat is zo'n fundamenteel Bijbels principe: kennis van het goede is niet los verkrijgbaar, het is altijd in combinatie met; het is contrast.

En dat geldt ook voor het leven. We weten alleen maar wat leven is in contrast met de dood. En hoe sterk het leven is... ja, dat is met een krachtmeting altijd zo trouwens. Als je wilt weten hoe sterk je bent, dan heb je een tegenstander nodig die ook sterk is. Toch? Alleen dan kun je je kracht meten. En als je wilt weten hoe sterk en krachtig het leven van God is, of wie de levende God is, daarvoor heeft Hij ook dat contrast van de dood nodig. En Lazarus – om even bij de geschiedenis te blijven en daarop terug te komen – Lazarus moest eerst doodgaan en, sterker nog, al een paar dagen in het graf liggen, voordat Gods heerlijkheid, Gods levendmakende heerlijkheid, manifest zou worden.

Kijk, u kent deze knopjes wel. Die zie je op een audioapparaat of trouwens op een televisie: achteruit spoelen, pauze, vooruit en het stop-symbooltje. Kijk, waarom noem ik dat? Dit is voor ons, voor de mens, de dood: het einde, het stopt. Maar dit is de dood voor God: een pauze, een onderbreking. Trouwens, ik moet er ook bij zeggen – dat is nu verder vanmiddag niet het onderwerp – maar de dood in de Bijbel is, let op, houdt u vast: dood is in de Bijbel dood. En daarmee bedoel ik te zeggen dat de dood geen andere vorm van leven is. Het is niet zo van: nou ja, je sterft en dat betekent gewoon dat je nu als onsterfelijke ziel verdergaat of dat je op een andere manier verder gaat leven. Nee, als je dood bent, dan ben je dood. Dan weet je niets.

In die geschiedenis van Lazarus lees je dat de Heer zegt: "Lazarus is dood." Nee, Hij zegt: "Hij slaapt." En waarom? De slaap is in de Bijbel zo'n bekend fenomeen, of een bekende metafoor en beeld van de dood. Waarom? Omdat de slaap de toestand is waarin een mens zich van niets bewust is, waarin de tijd feitelijk ook niet doorgaat. Ja, daar kun je mooie verhalen bij verzinnen, maar als je in een hele diepe slaap bent, als je bijvoorbeeld in een coma bent, dan kun je maanden in coma zijn en totaal geen idee hebben van de tijd. Dat is ook de dood. Ja, ik heb er een beetje moeite mee om het zo te formuleren, maar dat is door God ook weer zo gemaakt en zo wonderlijk bedacht. Een mens sterft, sluit zijn ogen, en het eerstvolgende moment dat hij opstaat, ben je weer van de dingen bewust. En al die tijd, al zitten daar in de menselijke geschiedenis jaren of eeuwen of duizenden jaren tussen, het telt niet.

Ik hoorde iemand eens een keer zeggen, en dat is heel terecht: Abel werd ooit duizenden jaren geleden door zijn broer gedood toen hij daar bij dat offer was en bij dat altaar. Het eerstvolgende moment dat Abel zal opstaan – ja, wanneer hij tot leven gewekt wordt – dan bestaan al die duizenden jaren voor hem helemaal niet. Hij zal vragen: "Zo, waar is Kaïn?" Dat is wonderlijk zoals dat werkt. Kijk, het is met recht een pauze, een onderbreking. En daarin zie je trouwens ook dat voor ons de dood heel definitief is. Op het moment dat je afscheid van iemand neemt, dan weet je dat je hem hier op aarde nooit meer zult treffen. Maar vanuit goddelijk perspectief is de dood heel anders. Voor ons in onze beleving is dit de dood, maar voor God is het een onderbreking.

Men zegt ook wel eens... ja, ik hoorde laatst iemand zeggen: "God is een grote moordenaar." En daarmee bedoelde hij dat je in de Bijbel ook leest dat God mensen doodt. De Bijbel zegt het gewoon: de Here doodt. Hoe vaak lees je dat niet? In menselijke termen zou je zeggen dat is een moordenaar, maar op het moment dat je het zo beoordeelt, trek je God naar het niveau van een schepsel, van een mens. Want er is een heel groot verschil: een mens kan een ander doden, maar kan hem niet levend maken. En dat is wat God wel doet. Daarom: God doodt, maar je leest het in 1 Samuël 2: God doodt én Hij doet herleven. Kijk, dat is het vermogen van God, dat is de heerlijkheid van God. God excuseert Zich daar ook helemaal niet voor. Trouwens, Hij is God. Maar er is een groot verschil: geen eindpunt, maar een onderbreking. Nog één.

Romeinen 4: de God Die het Niet-zijnde tot Aanzijn Roept ↑ hoofdstukken

Over dat levend maken, dat de heerlijkheid van God is, lees je in Romeinen 4 over Abram. Daar staat letterlijk: "ten aanschouwen van een God die hij gelooft". Het gaat over Abraham die de belofte had gekregen dat zijn nageslacht zou zijn als het zand der zeeën en als de sterren aan de hemel. Hij geloofde God, en in vers 17 staat hoe die God wordt beschreven: het is de God die de doden levend maakt en Hij roept de niet-zijnde dingen als zijnde. Dat is de letterlijke vertaling. Hij roept het niet-zijnde tot aanzijn.

Abraham wist daar alles van, en ook zijn vrouw Sarah. Later was hij zelf op een leeftijd dat hij als een verstorvene was: impotent, niet meer in staat om voort te brengen. Zijn vrouw was sowieso van aanvang af al onvruchtbaar en bovendien ging het haar niet meer naar de wijze der vrouwen. Zij was naar de mens gesproken dood. Maar Abraham geloofde in een God die de doden levend maakt. Niet een verstorven lichaam dat zelf nog iets kan, maar een God die nieuw leven kan creëren in een verstorven lichaam. Dat is in feite al een uitbeelding, een type van opstanding. De God van de Bijbel is de God die de doden levend maakt en de niet-zijnde dingen roept als zijnde.

Dat is mooi. God roept, of Hij benoemt. Wij noemen een naam, maar in de Bijbel wordt een naam altijd geroepen. In dit geval riep God Abram en zei: "Jij bent voortaan niet meer Abram, maar jij bent Abraham." Hij kreeg een 'he' aan zijn naam toegevoegd, een Hebreeuwse letter waar ik nu verder niets over zal vertellen, maar door die letter veranderde de betekenis van zijn naam. Abraham betekent 'vader van vele volkeren'. Moet u nagaan: toen was hij nog volstrekt kinderloos. Zijn vrouw was onvruchtbaar en bovendien al zo op leeftijd. Je zou zeggen: had Hij Sarah gezien? Ja, Abraham had Sarah gezien en Sarah had Abraham gezien. Maar God roept hem en zegt: "Jij bent Abraham, een vader van vele volkeren." En als God roept en benoemt, dan is dat ook zo. Als God zegt: "Er zij licht", dan is er licht. Hij roept Abraham: "Jij bent een vader van vele volkeren." Dat werd gezegd tegen iemand die kinderloos was, maar raad eens wat er gebeurde: hij kreeg een kind, tegen alle menselijke verwachtingen in. Kijk, dat is de levende God, die de doden levend maakt en het niet-zijnde tot zijnde maakt.

Trouwens, nog even iets: je ziet hier perfect in uitgedrukt wat dood is. Dood betekent dat je niet meer bent. Je bent niet-zijnd. In het Engels zeggen ze: "to be or not to be". Degene die leeft, die is; degene die dood is, die is niet meer. Zo zeggen we dat terecht over de dood: dan ben je niet meer. Maar is dat voor God het einde? Nee, want God roept het niet-zijnde tot aanzijn. Dat wil zeggen: Hij maakt de doden levend.

Het gaat steeds over dat punt: dat de heerlijkheid van God is dat Hij doden levend maakt. Over de ziekte van Lazarus zei Jezus: "Deze ziekte is ten behoeve van de heerlijkheid van God." Wat was de heerlijkheid van God in die geschiedenis? Wel, dat Hij de dood overwon. Het graf werd geopend en Lazarus kwam naar buiten. Dat is de heerlijkheid van God. Om leven te maken, heb je de dood nodig als achtergrond.

In 1 Timotheüs 6:13 staat ook zo'n prachtig vers. Daar wordt tegen Timotheüs aan het einde van de brief gezegd: "Ik draag je op in het zicht van de God die het al tot leven wekt." Wie is God? God is Degene die allen levend maakt. Als je wilt weten wat het betekent dat Hij de levende God is, dan heb je daarin het antwoord. Hij doet dat wat een mens absoluut niet kan. Waar een mens eindigt en stopt — einde verhaal — daar is God Degene die de doden levend maakt. Let op: Hij wekt het al tot leven. Daarin zit feitelijk opgesloten dat Hij de dood tenietdoet. Als er geen dood meer is, dan zijn allen levend gemaakt. De levende God is de God die allen levend maakt. Ik vind dat als je het zo zegt, je het hele evangelie al hebt samengevat. Hij is de levende God, en daar zit zo enorm veel verwachting in. De dood heeft het nakijken bij Hem. De God die het al tot leven wekt.

Ik ga weer even terug naar Johannes 11. De heerlijkheid van God is dat Hij allen levend maakt. Jezus hoorde het bericht over Lazarus en zei: "Deze ziekte is niet met het oog op de dood, maar ten behoeve van de heerlijkheid van de God, opdat de Zoon van de God erdoor verheerlijkt worde." Dat wil zeggen dat Zijn heerlijkheid daardoor aan het licht zou treden. De heerlijkheid van God komt tot uitdrukking in deze geschiedenis doordat de Zoon van God, Jezus Christus, Zijn heerlijkheid liet zien. Dat zie je verderop in de geschiedenis, waar Jezus dat prachtige statement doet als Martha Hem aanspreekt en Hem eigenlijk verwijten maakt. Dan zegt de Heer Jezus: "Ik ben de opstanding en het leven." Het is Zijn identiteit dat Hij opstaat en dat Hij doet opstaan, en dat Hij daarmee leven aan het licht brengt. Ik ben het opstandingsleven.

Het is de heerlijkheid van God dat Hij levend maakt, maar het is de heerlijkheid van de Zoon van God dat God dat doet door Hem. Hij is de opstanding en het leven. Daarmee heb je opnieuw vastgesteld dat de dood de functie van een decor vervult. De dood is niet het doel; de dood is alleen noodzakelijk opdat de Zoon van God verheerlijkt zou worden. Want het is de heerlijkheid van de Zoon van God dat Hij de opstanding en het leven is, en dat Hij sterker is dan de dood. Voor die krachtmeting heeft Hij de dood nodig. Nou, dan gaan we naar 1 Korinthe 15.

Korinthe 15: Zoals in Adam Allen Sterven, Worden in Christus Allen Levend Gemaakt ↑ hoofdstukken

Kan niet missen, hè? Het monumentale hoofdstuk over de opstanding uit de doden. En niet alleen over de opstanding uit de doden, maar ook de opstanding van de doden en de levendmaking van de doden. Het gaat nog verder trouwens. U weet het hè: opstanding uit de doden wil zeggen dat er doden zijn die daar in de graven liggen. Doden is het meervoud van een dode; je hebt één dode, twee doden, drie doden, en daar is sprake van de doden. Als er opgestaan wordt uit de doden – denk bijvoorbeeld aan Lazarus die daar op de begraafplaats lag en de Heer Jezus zei: "Lazarus, kom uit!" – dan was dat opstanding uit de doden. Dat wil zeggen: al die doden bleven erachter en alleen Lazarus werd geroepen. Iemand zei, en volkomen terecht: als de Heer niet specifiek "Lazarus" had gezegd, dan waren ze namelijk allemaal opgestaan. Ja, Lazarus kom uit! Dat was opstanding uit de doden.

Als al die doden opstaan, dan is het opstanding der doden. Die termen, die verschillende frasen worden gemakkelijk door elkaar gehaald. Maar let erop: doden is dus niet een soort vervoeging van dood. Nee, het is een aanduiding van iemand, een dode. Nou, dan komen we bij vers 22. Ik begrijp dat daar al eenentwintig verzen aan vooraf zijn gegaan die ook zo geweldig zijn. Eerst had Paulus aangetoond – want er waren beweringen in Korinthe dat er geen opstanding van doden zou zijn – hoe dwaas dat is. Hij laat ook zien dat de opstanding uit de doden een historisch feit is. Hij is er zelf ooggetuige van en hij zegt dat er honderden getuigen zijn. Nadat hij dat allemaal heeft vastgesteld, zegt hij in vers 22 dit. Het is dat vers dat ook boven de rouwkaart van mijn schoonvader staat. Zo’n magistraal, geweldig vers. Wat een waarheid.

"Want evenals in Adam allen sterven..." U ziet dat dit hier eigenlijk in een tegenwoordige tijdsvorm staat. Dat wil zeggen: ze zijn bezig te sterven. Ze zijn stervende, of zoals wij dat in Nederland zeggen: we zijn allemaal stervelingen. We zijn op weg naar de dood. Want we zijn bezig, hoe macaber dat ook mag klinken, we zijn bezig te sterven. Het is het proces dat eindigt in de dood. Juist in 1 Korinthe 15 zie je dat heel sterk. Dit bestaan hier heet geen leven; dit bestaan hier heet sterven, want het eindigt in de dood. Er is wel leven, maar dan moet dat dus daarna zijn. Leven is dat wat de dood achter zich heeft. En ook daarvan is sprake: evenals in Adam allen sterven. Nou, dit is een gegeven voor alle mensen, alle adamieten. Adam is de stamvader en zijn naam betekent gewoon mens. Ha-Adam is dé mens. Welnu, in hem zijn alle mensen stervelingen en stervende.

Wel, zegt Paulus, een kind begrijpt het zo: op dezelfde manier zullen ook in Christus, zoals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Laat u niet om de tuin leiden door sommige mensen die ervan maken: "Ja, dat betekent gewoon allen die in Christus zijn, allen die geloven in Christus." Nee, er staat niet: "allen in Christus". Er staat: "in Christus allen". Ja, dat is een wereld van verschil hoor, vergis je niet. Deze allen zijn dezelfde als de eerste allen. Anders gaat de vergelijking niet op. Paulus zegt juist: zoals dit allen betreft, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Vandaar ook dat Christus de laatste Adam heet. Adam representeert heel de mensheid, en Christus net zo goed. Alleen het verschil is: in Adam sterven allen, maar in Christus worden allen levend gemaakt. Iedereen. Het punt van Paulus is dat het universeel is. Zo universeel als het is dat alle mensen sterven – hier zitten al die miljarden mensen en al die eeuwen en duizenden jaren die al aan ons voorafgegaan zijn – zo, op dezelfde wijze en met dezelfde reikwijdte, zullen in Christus allen worden levend gemaakt.

De Drie Afdelingen van Levendmaking: Ieder in Zijn Eigen Rangorde ↑ hoofdstukken

Alleen zegt Paulus: niet allemaal tegelijk, maar ieder in zijn eigen rangorde of in zijn eigen afdeling. Het schijnt een militaire term te zijn die Paulus hier bezigt; dat wil zeggen een afdeling, een rangorde. Er zijn verschillende orders, maar het resultaat is duidelijk: allen worden levend gemaakt, zoals allen sterven. Maar dat gebeurt niet allemaal tegelijk, er zijn verschillende afdelingen.

En wat voor afdelingen zijn dat dan? Wel, Paulus noemt als eerste letterlijk de eersteling: Christus. Dat is de eerste vrucht van de oogst. In de tuinbouw heb je eerstelingen; op het moment dat je oogst, zijn daar de eerste vruchten. Dat heb je trouwens in de visserij ook, met de eerste haring. Maar goed, laat ik daar nou niets over zeggen, want geheid dat ik mij daar weer in verspreek. Maar de eerste vrucht, de eersteling, heeft in de Bijbel altijd de hoogste bestemming. Je leest in de Schrift het universele principe van wat de Statenvertaling noemt: al wat de baarmoeder opent. Dat wil zeggen dat alles wat als eerste geboren wordt, voor de Heer is. De eerstelingen van de oogst moesten naar de tempel, gewijd aan God, en kregen zo de hoogste bestemming. Dat was heel universeel voor de oogst van het land, in de dierenwereld van de kuddes, et cetera. En feitelijk gold dit ook bij de stammen van Israël, want de priesterlijke stam was feitelijk een kwestie van eerstgeboorterecht. Maar goed, terwijl ik het noem denk ik: André, waar begin je nou weer over?

De eerste vrucht. Kijk, allen worden levend gemaakt en de eerste afdeling is daar al, maar dat was er slechts één: Christus. U vraagt zich misschien af: was Christus dan de eerste die opstond? Nee, Christus was niet de eerste die opstond, maar Hij was wel de eerste die levend gemaakt werd. Dat wil zeggen dat Hij opstond uit de dood om nooit meer te sterven. Ik had het zojuist over Lazarus; Lazarus stond ook op uit de dood, en dat was voordat de Heer Jezus opstond. Maar het verschil is dat Lazarus later gewoon opnieuw is gestorven, een tweede dood zeg maar. Christus is de Eerstgeborene uit de doden; Hij stond op uit het graf en bracht onvergankelijk leven aan het licht. Hij is daarin de eersteling. Welnu, zoals de eersteling Christus levend gemaakt wordt, zo zullen alle mensen levend gemaakt worden. Vergis je niet, dat is nogal wat! Heel het mensdom krijgt hetzelfde leven als ooit de eersteling Christus ontving. Hij is de garantie dat de rest zal volgen.

De eersteling dus, en vervolgens degenen die van de Christus zijn in de parousia. In de toekomst van Hem, of eigenlijk in Zijn aanwezigheid. Het is toekomst; nu is de Heer afwezig, maar straks zal Hij present zijn: Zijn parousia. Dan zullen degenen die van Hem zijn opstaan. Dat is het tweede. De eerste is dus Christus, daarna degenen die van de Christus zijn in de parousia van Hem. Dit is de volgorde: allen worden levend gemaakt, eerst Christus, vervolgens in de parousia van Hem zij die van Christus zijn.

Nu ontbreekt dus nog één categorie: de rest. Degenen die niet van de Christus zijn. Daarna komt het einde. Ja, van wat? Van de levendmakingen. Opstanding is namelijk niet helemaal hetzelfde als levendmaking. Dat zeg ik niet om ingewikkeld te doen, maar Lazarus stond wel op, maar werd niet levend gemaakt zoals Christus de eersteling. Levendmaking is opstaan in onvergankelijkheid, heerlijkheid en kracht. Eerst Christus, tweeduizend jaar geleden, even buiten de poort van Jeruzalem met een steen die was weggewenteld; daar was Hij, de eersteling, de garantie dat de rest zal volgen. Vervolgens zij die in Zijn parousia zijn. Dit is trouwens niet één moment, maar een hele periode van Zijn aanwezigheid. Dat zijn ook weer verschillende momenten van levendmaking, maar allemaal in de parousia van Hem voor hen die van de Christus zijn.

En daarna het einde, namelijk de laatste levendmaking. Wie zijn er dan nog? Wie zijn er nu nog niet levend gemaakt? Degenen die niet van de Christus zijn. Er staat eigenlijk nog iets aparts: degenen van de Christus in de aanwezigheid van Hem. Dat is nog weer een aparte categorie. Dit zijn namelijk de gelovigen, wat overigens bestaat in soorten en maten, die van Hem zijn en die in Christus ontslapen zijn. Maar laten we eerst even doorlezen. Daarna het einde, dat is in ieder geval de laatste levendmaking. Wanneer zal dat zijn? Wanneer vindt die laatste levendmaking nou plaats? Er wordt heel dikwijls beweerd dat dit bij de grote witte troon is. En inderdaad, daar lees je dat de doden daar staan. Maar daar worden doden opgewekt van wie de naam niet staat geschreven in het boek des levens. Zij worden geworpen in het meer van vuur, en dat is de tweede dood. Dat is geen levendmaking. Het gaat hier niet zomaar over opstanding, maar het gaat over levendmakingen. Dat wil zeggen: zoals Christus de eersteling, dus in onvergankelijkheid.

Bovendien is de grote witte troon aan het einde van de duizend jaren. Ik ga er even vanuit dat u dat een klein beetje in het hoofd hebt, maar laat ik het zo zeggen: in Openbaring 20 lees je over de duizend jaren waarin satan gebonden zal zijn, zodat hij de volkeren niet kan verleiden. Dat is de toekomst. Aan het einde van die duizend jaren lees je over die grote witte troon en Hem die daarop gezeten was, voor wiens aangezicht hemel en aarde vluchtten. De doden stonden daar en ze worden gericht, want dat is de functie van die grote witte troon. Maar is dat het einde van Christus' heerschappij? Nee, helemaal niet. Want dan krijg je de tijd die daarna komt, de aion die nog gaat volgen. Ook daar zal Christus heersen; in Openbaring 21 en 22 lees je over de troon van het Lam. Nee, die laatste levendmaking vindt pas daarna plaats.

De Tijdelijke Heerschappij van Christus en de Dood als Laatste Vijand ↑ hoofdstukken

Het einde. Dat zal zijn wanneer Hij het koninkrijk zou overdragen aan de God en Vader. Dat is dus aan het einde van Zijn heerschappij. De laatste levendmaking vindt plaats wanneer Christus het koninkrijk overdraagt. Zo staat het er. Dat betekent trouwens nog iets: die laatste categorie, die laatste levendmaking van hen die dan levend gemaakt worden, maakt de tijd dat Christus heerst niet meer mee. Dat is immers die laatste levendmaking, het einde, wanneer Hij het koninkrijk overdraagt aan Zijn God en Vader en wanneer Hij alle overheid, autoriteit en macht teniet zou doen. Dat wil zeggen dat er dan totaal geen tegenstand meer is.

In vers 25 staat: "Want Hij, Christus, moet als koning heersen totdat." Het is bindend. Hij moet als koning heersen totdat; Zijn heerschappij is dus gelimiteerd. Het is niet wat alom gedacht wordt en in veel liederen naar voren wordt gebracht, namelijk dat Christus heerst tot in eeuwigheid. Dat is niet waar, absoluut niet waar. Hij moet heersen totdat. De liederen zeggen het wel en u denkt nu misschien: wat doet dat er nou toe? Maar u moet zich realiseren dat er een wereld van verschil tussen zit. Als Christus heerst tot in eeuwigheid, dan betekent dit dat het einde er nooit zal zijn. Dat betekent ook dat de laatste vijand niet tenietgedaan wordt, en dat is precies wat men ook beweert. Het is echter buitengewoon belangrijk dat Christus gaat heersen en als Zijn heerschappij ten einde is, dan zal Hij een koninkrijk overdragen aan God. Dat koninkrijk zal volmaakt zijn en niemand is daar meer van uitgesloten.

Christus heerst niet tot in eeuwigheid, en hier zie je meteen hoe enorm belangrijk het bijbelse concept van de aeonen is. De Bijbel zegt dat Hij heerst tot in de aeonen, die wereldtijdperken. Eerst die duizend jaren, de aeon die straks gaat aanbreken; die geweldige aeon waarin Israël de hoofdrol zal spelen en de volkeren onderworpen zullen zijn. Christus zal daarin heersen. Maar ook in die aeon die daarop zal volgen, zal Hij heersen. Echter niet tot in eeuwigheid, niet tot in het eindeloze. Absoluut niet. Hij moet heersen totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zou plaatsen.

Dat is eigenaardig, want hoe plaatst of legt Hij de vijanden onder Zijn voeten? Dat doet Hij ook door Zijn vijanden te doden. Wanneer Hij straks zal verschijnen, dan lees je dat Hij de wetteloze zal doden door de adem van Zijn mond. Er gaat dan een heel andere tijd aanbreken. Nu is het de tijd dat God zwijgt en niet ingrijpt, zo sterk zelfs dat mensen denken dat Hij helemaal niet bestaat. Nee, God is de Verborgene, maar straks gaat Hij optreden en breekt de dag van toorn aan. Dan gaat God ingrijpen en recht doen in deze wereld. Dat betekent ook dat Hij de perskuip zal treden van de toorn van God. Jesaja 63 noemt daar een voorbeeld van, waar over de Messias staat: "Wat is dat rood aan uw gewaad?" Want dan gaat God heel rigoureus optreden. Hij gaat de vijanden aan Zich onderschikken en dat wil zeggen dat er ook volkeren gedood zullen worden, of in ieder geval de legers inderdaad omgebracht zullen worden.

Ik wil daarmee dit zeggen: de dood vervult een belangrijke functie, ook in de tijd van Christus' heerschappij. Als Hij Zijn heerschappij gaat vestigen, dan zal Hij inderdaad de tegenstander doden. De dood heeft een belangrijke functie in de onderwerping van de vijanden, maar wel een tijdelijke. Want er staat bij dat de laatste vijand die tenietgedaan wordt, de dood is. De vijanden worden onderworpen en daarin speelt de dood een belangrijke rol; de dood vervult een functie in de onderwerping van de vijanden, maar de dood zelf is ook een vijand en die vijand wordt als laatste tenietgedaan.

We zagen al dat er nog één categorie was die levend gemaakt moest worden, zij die niet van Christus zijn. Wanneer zal dat gebeuren? Aan het einde van de heerschappij van Christus. De laatste vijand die Hij tenietdoet, is de dood. Het tenietdoen van de dood is exact hetzelfde als de levendmaking van allen, van de rest dus ook. Dat is heel logisch, want op het moment dat allen levend gemaakt zijn, dan is de dood weg. Dan valt er niks meer levend te maken omdat alles leeft. Tot die tijd vervulde de dood een belangrijke functie, ook nog in de tijd dat Christus zal heersen, in ieder geval bij de vestiging van Zijn koninkrijk. Trouwens, ook in die laatste aeon is daar nog steeds sprake van de tweede dood. Maar ook die dood zal tenietgedaan worden.

Ik vergelijk het hier met bouwsteigers. God is bezig Zijn koninkrijk te bouwen en in dat hele bouwproces speelt de dood een grote, maar tijdelijke rol. Uiteindelijk, als de bouw compleet is en het gebouw helemaal tot stand is gebracht, dan is het laatste wat er gebeurt dat de bouwsteigers worden verwijderd. Die zijn dan niet meer nodig; ze hebben hun functie vervuld. De dood heeft dus een functie, daarom zet God het ook in. In de eerste plaats een contrastfunctie, in de tweede plaats ook in de onderwerping en het tenietdoen van Zijn vijanden. Maar uiteindelijk blijft die ene vijand over: de dood zelf. Ook dat is uiteraard niet het ultieme van de levende God. De levende God maakt allen levend en dus zal Hij tenslotte de dood tenietdoen, oftewel allen levend maken.

Wat Paulus hier naar voren brengt, begon bij het historische feit van de Christus die is opgestaan uit de doden. Hij is de Eersteling van de oogst, maar een universele oogst zal volgen. Alle mensen worden levend gemaakt, alleen de laatste categorie pas aan het einde van Zijn heerschappij. Dat betekent dat ook de ongelovigen, die niet van Christus zijn en Hem niet toebehoren of Hem niet herkenden, levend worden gemaakt. Eerst worden zij gericht; dat is de functie van de grote witte troon. Maar daarna worden zij levend gemaakt. Zij krijgen hetzelfde leven als wat Christus ooit aan het licht bracht in Zijn opstanding, toen de steen werd weggewenteld. Zij krijgen dat leven aan het einde van Christus' heerschappij, want dan onderschikt Hij alles onder Zijn voeten.

Het Volmaakte Einddoel: God Is Alles in Allen ↑ hoofdstukken

Nog even verder: wanneer alles aan Hem onderschikt zou worden, dan zou ook de Zoon zelf onderschikt worden aan Degene die Hem het al onderschikt. Dat wil zeggen dat God zelf Degene is die dat aan Zijn Zoon heeft gegeven. En als alles volmaakt is, het Koninkrijk is gevestigd en het Koninkrijk wordt overgedragen, ja, dan ontbreekt er niets meer. Dan is Gods doel volkomen bereikt. De levende God heeft dat gedaan door Zijn Zoon, aan wie Hij dat alles toegekend heeft en aan wie Hij die taak ook heeft gegeven. Dan zal een volmaakt Koninkrijk aan God worden gegeven en daar ontbreekt dus helemaal niemand meer, geen enkel mensenkind, opdat de God zou zijn: alles in allen.

Zo eindigt dan die passage. Het begon met 'allen', zoals in Adam allen sterven, en nu eindigt het met: God zal zijn alles in allen. Christus' heerschappij is inmiddels dan ook voorbij. De aionen zijn voorbij, de dood is voorbij en God is alles. In wie? In allen. Geen dood meer, uitsluitend leven. Echt leven, maar dan ook werkelijk leven dat de dood achter zich heeft. De dood is overwonnen en behoort dus tot het verleden. De dood zal straks aan het einde tenietgedaan worden. Dat wil zeggen dat er dan geen dood meer is. Dat is nu nog niet zo; de dood is wel overwonnen, maar de dood is nog niet tenietgedaan. Nog lang niet, maar dat gaat gebeuren.

Timotheüs 1: het Goede Bericht over een Vernietigde Dood ↑ hoofdstukken

In 2 Timotheüs 1 wil ik u ook nog even mee naartoe nemen. Daar wordt gesproken over "voor eeuwige tijden". We hadden het net al even over dat woordje "eeuwig" en "aionen". Hier wordt gesproken over de "tijden van aionen". In de Statenvertaling spreekt men van de "tijden der eeuwen", maar letterlijk staat er eigenlijk "aonische tijden". Het hele idee dat een aion tegenover tijd zou staan, wordt in één zo'n uitdrukking gewoon compleet overroeld. Dat gaat nergens over. Die eeuwige tijden zijn ook een keer begonnen, want er is sprake van "voor-eeuwige tijden". En als je wilt weten wat er vóór die aonische tijden was: daar was Gods voornemen.

Er wordt daar gesproken over de genade die ons in Christus Jezus gegeven is. Dat is vers 9, waar staat dat dit het voornemen van God was. Die genade in Christus was al voor eeuwige tijden in Gods voornemen zo gepland, maar het is nu geopenbaard. Het wordt nu geopenbaard. Hoe? Door de verschijning van onze Redder. Er is een Redder en die verschijnt. En wie is dat? Dat is Christus Jezus, die de dood tenietdoet. Niet "die de dood tenietgedaan heeft". Ja, ik weet het, zo wordt het in heel wat vertalingen weergegeven, maar dat staat er niet. Het staat hier in de aorist, dat wil zeggen als een feit, als tijdloos. Hij doet de dood teniet, ongeacht wanneer. Het feit wordt geponeerd: wie is Christus Jezus? Wel, dat is de Redder. Naar Gods voornemen, dat Hij al had voor eeuwige tijden, voordat de aionen gingen lopen, had God een voornemen en nu is daar sprake van de Redder in wie God zich als de Redder betoont. "Jezus" betekent ook niks anders dan: Yahweh redt. God redt namelijk door Hem.

Christus Jezus is die Redder en Hij doet de dood teniet. En wat betekent dat? Wel, het staat er meteen achter: Hij doet de dood teniet, maar leven en onvergankelijkheid brengt Hij aan het licht. Door het een te zeggen, geef je het ander aan. Hij doet de dood teniet; hoe dan? Wel, door leven en onvergankelijkheid aan het licht te brengen. Je kunt het ook omkeren: door leven en onvergankelijkheid aan het licht te brengen, doet Hij de dood teniet. Dat is precies hetzelfde.

En nu nog iets, en dan zie je het enorme belang van deze waarheid. Er staat: "door het goede bericht", door het evangelie. Evangelie betekent blijde tijding, goed bericht, goed nieuws. Het is een "goed berichtje". Ja, zo noem ik mijn stichting ook, maar het staat niet in de Bijbel omdat mijn stichting zo heet; het is natuurlijk omgekeerd. Het is een goed bericht. Het woord evangelie betekent dat het een bericht is, een mededeling. Het is dus niet een opdracht van wat je moet doen; er wordt niks van je gevraagd. Er wordt gewoon iets medegedeeld. Dat is wat een bericht is. En wat is het kenmerk van dit bericht? Het is een goed bericht. Een echt goed bericht.

Voor wie is dat goede bericht? Wel, voor alle stervelingen. Voor allen die in Adam sterven. Nou, als u zich daartoe mag rekenen – en ik zie hier alleen maar zulke adamieten – we zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Ik heb een goed bericht. Geen opdracht van wat je moet doen om tot die categorie te behoren, niks daarvan; het is een mededeling. De mededeling is: Christus Jezus doet de dood teniet. Hij heeft de dood overwonnen en Hij zal de dood tenietdoen. Dat wil zeggen: er zal geen dood meer zijn. En als er geen dood meer zal zijn, dan zal het volmaakte koninkrijk overgedragen zijn aan God de Vader. En God gaat alles in allen worden, in al die miljarden mensen. Al die miljarden die in Adam stervelingen zijn, zullen dat leven ontvangen. Dat is het goede bericht.

Paulus zegt dat Christus Jezus de dood tenietdoet en leven en onvergankelijkheid aan het licht brengt. Hoe brengt Hij dat aan het licht? Wel, door het goede bericht. Het goede bericht is dus deze mededeling. Ik kan het ook omkeren: als je dat niet hoort, hoor je dus niet het goede bericht. De mededeling is: Hij doet de dood teniet. Nu ga ik scherp worden: wie beweert dat er zoiets bestaat als een eindeloze, nimmer eindigende dood, kent het goede bericht niet. Die is misschien christelijk, godsdienstig, zwaar op de hand en vroom, maar je kent het evangelie niet. Het evangelie is juist de boodschap dat de levende God allen levend maakt en de dood tenietdoet. Als niet allen levend gemaakt worden, dan wordt de dood dus niet tenietgedaan. Dat is precies wat er gezegd wordt.

Dus hoe geweldig dit ook is, het is ook scherp. Dit is zo’n enorme, kolossale, universele waarheid waar niemand van is uitgezonderd. Maar ook: wie gelooft dit? Dit is bijna te mooi om waar te zijn. Maar wat een waarheid! Dit is ook Godwaardig. Dit heeft niks te maken met onze goede werken. Trouwens, dat las u al in vers 9 van 2 Timotheüs: niet naar onze eigen werken. Het is Zijn voornemen. God heeft een plan en Hij werkt dat uit, en Hij vraagt echt niet om uw goedkeuring. Het is een mededeling. En gelooft u het niet? Dan zeg ik: ik heb een goed bericht voor u, want het is tóch zo. Het is een mededeling.

Ook door gerichten heen – ik heb u net ook laten zien dat God echt niet zoetsappig is – God richt, Hij straft, Hij doodt. Ja, maar de dood is tijdelijk. Daar gaat het om. Het goede bericht is: Christus Jezus doet de dood teniet. En dan wilde ik u nog wat vertellen over de sterren.

Het Evangelie in de Sterren: de Leeuw Overwint de Raaf ↑ hoofdstukken

Mag het nog? Ik kan het heel kort vertellen. Ik wil nog eventjes dit vertellen. Waarom? U weet, de zon maakt een ronde langs twaalf sterrenbeelden. Van origine beginnen die sterrenbeelden bij de Maagd, Virgo, en het laatste sterrenbeeld is Leo, de Leeuw. Het is prachtig als we nu even helemaal naar dat laatste sterrenbeeld gaan, naar de Leeuw. In het algemeen is het zo dat je daarmee feitelijk het hele evangelie al hebt verteld: het evangelie dat in de sterren staat. Die sterrenbeelden heeft God gemaakt, hè? De sterren noemt Hij bij name en ook de sterrenbeelden noemt Hij. Het begint bij de Maagd en het eindigt bij de Leeuw.

Maar weet u wat nou zo mooi is als het eindigt bij de Leeuw? Elk van die twaalf sterrenbeelden heeft drie decanen, dat wil zeggen drie begeleidende sterrenbeelden. Ik ga u vertellen hoe dat zit. Je hebt de Leeuw, Leo. Als ik het niet helemaal goed zeg, dan kan Tamara me altijd nog wel even corrigeren, want die is inmiddels natuurlijk de expert. Van wie zou die Leeuw anders spreken dan van de grote Overwinnaar? De Koning! De leeuw is toch de koning, met zijn manen als een kroon. Het is de Leeuw van Juda met de scepter. Trouwens, de leeuw wordt ook altijd uitgebeeld bij monarchieën; het is een beeld van koningschap.

Het laatste sterrenbeeld, de Leeuw, heeft dus drie decanen. Trouwens, al die twaalf sterrenbeelden hebben drie decanen. Gedurende een maand, dus dertig dagen, gaat de zon elke tien dagen door een ander begeleidend sterrenbeeld. De begeleidende decanen van de Leeuw zijn in de eerste plaats de Slang. Zo heet dat sterrenbeeld: Slang. Het tweede sterrenbeeld is de Beker, de triomf. En het derde sterrenbeeld is de Raaf, of de kraai, maar de Raaf is het beroemde embleem van de dood. Dus het laatste sterrenbeeld, de Leeuw, heeft als derde dekaan — het laatste begeleidende sterrenbeeld — de Raaf. Die aas eten, u weet wel. De raaf is nog steeds het bekende symbool van de dood.

Bekijk dan nu even het plaatje in het geheel. De grote Overwinnaar, de Leeuw van Juda, de Koning, Hij overwint de oude slang. Hij behaalt de triomf, de Beker. Ja, het drinkt uit de beker van het leven, om zo te zeggen: "Le Chajim!" Maar het is ook de beker van de triomf. En Hij overwint. Hoezo, overwinning van wat? Wel, het is de overwinning op dat embleem van de dood: de Raaf. Zodat dat laatste sterrenbeeld ook precies vertelt over het plan van God, dat zijn vervulling krijgt wanneer de dood tenietgedaan wordt. Wanneer de Koning der koningen het koninkrijk zal overdragen — een volmaakt koninkrijk waarin geen dood meer zal zijn, waar Hij de grote triomf viert en waarin God werkelijk alles in allen wordt.

🎧 de levende GOD & de dood
Delen: