leven alsof…
03-03-2024 - Geplaatst door Andre Piet3 maart 2024. Urk
In Romeinen 6 zet Paulus uiteen dat gelovigen in Christus zijn gedoopt en “één plant zijn geworden” met Hem. Zijn positie is onze positie. We waren zondaren, maar nu in Hem die door God is opgewekt uit de doden, zijn we rechtvaardigen! Zó rekent God en zó zouden ook wij rekenen. Wanneer we zien op onze ervaringen en gevoelens dan stellen we vast dat we falen en tekortschieten. Maar de zonde mag de facto een realiteit zijn, de jure telt het niet meer. We strijden er niet tegen en we tobber er evenmin over. We rekenen er gewoon niet mee, we negeren het en we leven alsof (6:13) we zonde en dood reeds achter ons hebben. Dat is “wandelen in nieuwheid van leven”!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: de Betekenis van 'leven Alsof'
- Onze Verbondenheid met Christus (romeinen 6)
- De Zonde Niet Langer als Koning Laten Heersen
- Alsof Levend Vanuit de Doden (de Facto Versus de Jure)
- Vrij van de Wet, Levend Onder de Genade
- Het Voorbeeld van Abraham (romeinen 4)
- Vertrouwen op de God Die Doden Levend Maakt
- Ook voor Ons Geschreven: Gerekend tot Rechtvaardigheid
Introductie: de Betekenis van 'leven Alsof' ↑ hoofdstukken
Wij gaan ons vanmiddag bezighouden met dit onderwerp. Het klinkt een beetje vreemd, dat realiseer ik me: 'leven alsof...'. Maar ik zal u vertellen, het is wel degelijk ook ontleend aan een Bijbelvers.
Kijk, in feite denk ik dat de eerste gedachte die je hebt, de associatie die het oproept als je zegt 'leven alsof', niet echt uitnodigend klinkt, of in ieder geval niet positief. Je denkt bij zo’n titel al gauw aan toneelspel, aan een rol die gespeeld wordt, maar ook aan hypocrisie. Het is 'doen alsof', een bepaalde mooie buitenkant, terwijl het een binnenkant verhult of bedekt die veel minder fraai is. Dat noemen we dan hypocrisie. In meer psychologische termen zou je dan zeggen: ja, je bent dan niet authentiek, je bent niet oorspronkelijk, je doet maar alsof. Vandaar ook dat het een wat negatieve klank heeft.
Maar ik ga u vertellen dat het wel degelijk een positieve betekenis heeft, namelijk daar waar het aan ontleend is: in Romeinen 6. Want daar gaan we naartoe.
Ik ben er eigenlijk al helemaal in. Waarom? Omdat het min of meer een invalbeurt was die ik vanmorgen heb vervuld in Alblasserdam. Dus ik heb al aardige kilometers vandaag afgelegd en toen heb ik ook onder andere Romeinen 6 besproken, tenminste een deel daaruit. En dat was weliswaar een ander onderwerp, maar het had wel wat overlap. Dus ja, ik ben er al in; u misschien nog helemaal niet. Maar we gaan dus naar Romeinen 6.
Onze Verbondenheid met Christus (romeinen 6) ↑ hoofdstukken
We gaan heel specifiek naar vers 13, maar ik begin even iets eerder. Het is altijd lastig om zomaar een passage midden in een brief te nemen. Waar begin je dan? Er wordt namelijk al wat kennis verondersteld bij dit vers; er zijn al ruim vijf hoofdstukken aan voorafgegaan. Wat Paulus met name in de voorgaande verzen naar voren heeft gebracht, is de geweldige impact van dat wat Jezus Christus tot stand heeft gebracht. Hij stierf en Hij is als eersteling opgewekt uit de doden door Zijn God en Vader.
Paulus maakt duidelijk dat dit een geweldige betekenis heeft. In Romeinen 5 had hij al uitgebreid de vergelijking gemaakt tussen Adam en Christus. In Adam zijn alle mensen stervelingen geworden en tot zondaren gesteld. Net zo zal ook door één Mens en door één daad van gehoorzaamheid het hele mensdom worden gerechtvaardigd en levend gemaakt. Dat is de wereldwijde impact van die ene daad waar het in het Evangelie om gaat: het Evangelie van God dat spreekt van wat God doet in en via Zijn Zoon en hoe Hij dat allemaal uitwerkt.
In Romeinen 6 gaat het vooral over het gegeven dat wij, die vandaag al in Hem mogen geloven, nu al met Hem verbonden zijn. Dat wil zeggen: Hij stierf, maar Paulus maakt duidelijk dat Hij stierf voor ons en dat God ons ook rekent als met Hem gestorven. Dit is een thema dat zo dikwijls in de brieven van Paulus naar voren komt: dat wij "in Hem" zijn. Dat betekent dat alles wat met Hem gebeurd is, ook ons is overkomen. Zo kijkt God daarnaar. Hij stierf, wij stierven met Hem. Hij werd begraven en wij zijn met Hem begraven in Zijn dood; dat lezen we ook in Romeinen 6. Hij werd opgewekt en wij zijn met Hem opgewekt in een nieuw leven.
Dat gaat trouwens nog verder. In Romeinen 6 en 7 wordt het aangestipt, maar in de brieven aan de Efeziërs en de Kolossenzen lees je dat Hij ook ten hemel is gevaren en in de hemelse gewesten is geplaatst. Wij zijn daar met Hem gezeten, te midden van de hemelsen. En wanneer Hij straks geopenbaard zal worden in heerlijkheid — terwijl we nu nog in en met Hem verborgen zijn — dan zullen wij ook met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Kortom: die totale identificatie — dat is een duur woord voor die totale vereenzelviging in Gods perspectief van ons die vandaag mogen geloven met Hem — loopt als een rode draad door Paulus’ brieven. Het betekent dat God ons ziet in Hem, en dat betekent ook dat de zonde en de dood in Hem voorbij zijn. Dat speelt niet meer. Vandaar dat ik nu begin bij vers 12. Romeinen 6 vers 12 is in feite een introductie tot een conclusie. Uit het voorgaande volgt wat Paulus daar zegt: dat Christus’ sterven en Zijn opwekking ook onze dood en opstanding is.
Waar het om gaat, is dat God ons zo rekent. Dat betekent dat God ons nu al ziet zoals wij straks daadwerkelijk, de facto, zullen zijn. Natuurlijk zijn we nu nog in ons sterfelijk lichaam, maar God ziet ons al in nieuwheid van leven. Hij ziet ons al in de volmaaktheid die wij straks feitelijk ook qua beleving zullen hebben: een nieuw lichaam, volmaakt, zonder zonde. Dat is hoe God nu al naar ons kijkt en hoe Hij rekent.
Paulus zegt dat de grote uitdaging in ons leven is dat wij net zo gaan rekenen als God rekent. Daarom zegt hij: "Laat dan..." Dat is belangrijk voor ons thema: God ziet ons zo. Ik denk dat we dat verschil heel goed moeten onderstreven. Het is namelijk niet gebaseerd op onze ervaringen, maar op onze bestemming. God ziet ons niet aan op basis van wat wij ervaren of beleven, maar op basis van hoe Hij ons bestemd heeft en wat we definitief eenmaal zullen zijn. Zo ziet Hij ons al. Het is niet gebaseerd op het verleden, maar op de toekomst. Ik vind het altijd erg mooi om te bedenken dat wij mensen zijn, niet zozeer met een verleden, maar des te meer met een geweldige toekomst. Als je zo gaat leven — het niet alleen weten, maar er ook naar rekenen — dan wordt je hele perceptie en je beleving totaal anders.
De Zonde Niet Langer als Koning Laten Heersen ↑ hoofdstukken
Paulus zegt: "Laat dan de Zonde niet langer als koning heersen in jullie sterfelijk lichaam." U ziet hier, Frans, dat de Zonde hier met een hoofdletter wordt geschreven of is geprojecteerd. Er zijn meer vertalingen, zoals de Concordant Version, die dat zo doen omdat de Zonde hier wordt gepersonifieerd. Dat is een duur woord, maar het betekent gewoon dat het als een persoon wordt voorgesteld. De Zonde is dat natuurlijk niet, maar we spreken bijvoorbeeld ook over 'vadertje staat', waarbij de staat als een persoon wordt voorgesteld. Zo wordt hier ook de Zonde als een persoon voorgesteld, in dit geval als een koning die heerst.
Nu zegt Paulus: als het werkelijk waar is dat God ons als rechtvaardig ziet, dan betekent dat de macht van de Zonde als koning simpelweg voorbij is. Waarom zou de Zonde dan in dit sterfelijke lichaam nog langer heersen? Ik denk dat we dat heel scherp moeten krijgen. Er staat: "Laat dan de Zonde niet langer als koning heersen in jullie sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen." Je zou kunnen denken dat het hier gaat over de zondige begeerten, waarbij je van alles zou kunnen invullen, zoals de begeerte om erg rijk te worden of verlangens waarvan je weet dat ze nooit Gods bedoeling kunnen zijn. Maar daar gaat het niet over. Het gaat niet over zondige begeerten, maar over de begeerten van de Zonde.
Wat begeert de Zonde dan? De Zonde, die hier gepersonifieerd als koning wordt voorgesteld, begeert ons. Dat zie je heel duidelijk in dit hoofdstuk, maar vooral in het volgende hoofdstuk. De Zonde begeert ons te veroordelen en ook te misleiden, zelfs door de wet. Je leest in Romeinen 7: "toen wij in het vlees waren... werkten de zondige hartstochten die door de wet geprikkeld worden in onze leden." En een paar verzen later, in vers 11, lees je: "want de Zonde heeft, uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood." Dat wil zeggen: de Zonde is uitermate 'zondig' gebleken, juist doordat ze de wet als een motief of een prikkel aanpakt om de zonde te doen toenemen. De Zonde begeert ons te misleiden, te veroordelen en ons op onszelf te laten zien. Dat is wat de Zonde begeert: ons veroordelen en ons een schuldgevoel bijbrengen.
Mensen denken vaak dat dit heel vroom is. Ik bedoel, we zijn nu op Urk, dus ik moet een beetje uitkijken natuurlijk, maar in het algemeen wordt er in de kerkelijke wereld voortdurend gewezen op de zonde. Maar voor degene die gelooft en in Hem volmaakt en gerechtvaardigd is, is dat louter theorie. Voor Paulus is het juist de geweldige blijde tijding dat we de Zonde niet langer laten heersen. We hoeven niet beheerst te worden door de Zonde, ook niet door ertegen te strijden. Want juist dan geef je gehoor aan wat de Zonde jou bijbrengt; zo word je misleid.
In het volgende vers, vers 13, staat: "en stelt uw leden niet langer als wapenen van de onrechtvaardigheid ten dienste van de Zonde." Het woord 'leden' is eigenlijk ook een anagram van 'delen'; het gaat om je lichaamsleden. Je armen, je benen, gewoon alles wat bij je lichaam hoort. Stel uw leden niet langer als wapenen van de onrechtvaardigheid ten dienste van de Zonde. De Zonde wijst ons voortdurend op ons verleden, onze ervaringen en onze gevoelens. Dat drukt ons neer en dan word je in feite in jouw sterfelijk lichaam weer beheerst door de Zonde.
Maar Paulus zegt: laat de Zonde niet langer heersen. Stel je leden niet langer als wapenen van onrechtvaardigheid ten dienste van de Zonde, maar stel u ten dienste van God. Luister dus niet naar wat de Zonde je bijbrengt en wat zij vertelt over wie je zou zijn, maar naar wat God zegt. Als ik wil weten wie ik ben, naar wie moet ik dan luisteren? Moet ik in de spiegel kijken? Moet ik luisteren naar wat anderen over mij zeggen, of moet ik naar mijn verleden kijken? Als je jezelf zo definieert en je afvraagt wie je eigenlijk bent en wat je identiteit is, wie bepaalt dat dan? Het lijkt mij duidelijk dat als er één is die werkelijk weet wie wij zijn, het onze Maker zelf is. Onze Schepper kent ons. Hij weet wie we zijn en Hij kent onze bestemming. Hij zegt: "In mijn Zoon, Jezus, ben jij rechtvaardig." Wat Paulus zegt is: luister naar wat Hij jou via het evangelie meldt en mededeelt. Stel je ten dienste van Hem.
Alsof Levend Vanuit de Doden (de Facto Versus de Jure) ↑ hoofdstukken
Ik wijs trouwens ook op de titel van deze studie: 'alsof levend vanuit de doden'. Ik heb al vaker aangegeven dat ik gebruikmaak van de tekst van de NBG, maar zo af en toe — nou ja, heel vaak eigenlijk — cursiveer ik woorden. Daarmee geef ik aan: hier wijk ik af van de NBG-tekst. Soms komt het dan overeen met de Statenvertaling, in dit geval weet ik dat eigenlijk niet eens, maar het komt in ieder geval overeen met de interlineair. Zoals u die hier ziet, staat er inderdaad: 'alsof levenden vanuit de doden'. Dat is misschien niet echt mooi Nederlands, maar Paulus zegt: stel u ten dienste van God. Zeg: "Hier ben ik," alsof levende vanuit de doden.
Om even die termen te gebruiken: u kent het verschil tussen de facto en de jure. De facto wil zeggen: dat wat je feitelijk hebt. Het heeft met feiten te maken, met wat je ziet en wat je gewoon vaststelt. De jure is wat telt, hoe er gerekend wordt. Je kunt bijvoorbeeld een huis hebben gekocht en dan is het van jou. Maar dat is dan alleen op papier nog het geval. De jure zeggen ze: officieel is dat zo, maar misschien woon of leef je er nog niet in omdat je nog niet verhuisd bent. De facto laat dat dan nog even op zich wachten. Daar zit dus een verschil.
En dat geldt met deze waarheid ook. We zijn gerechtvaardigd; zo rekent God. De jure, dat is de echte situatie en dat is wat telt. Het feit dat je dat nog niet zo beleeft, of dat je gevoelens daar nog niet mee in overeenstemming zijn, dat kan zo zijn. Maar wat Paulus zegt, is: de jure zijn we al opgewekt uit de doden. En weet je, dat vind ik het mooie: Paulus ontkent onze gevoelens niet. Natuurlijk niet. In je beleving zeg je misschien: "Ja, ik ben een zondaar." Er is niet zo gek veel voor nodig om dat vast te stellen als je enige zelfkennis hebt. Je zegt misschien: "Wij zijn hier stervelingen aan deze zijde van het graf." Maar Paulus zegt: dat lijkt zo en dat voel je misschien zo, maar God zegt: "Ik reken jou al als levende uit de doden." En als je dan zegt: "Ik voel dat niet zo," dan zegt Paulus: "Nou, leef dan alsof."
Dat vind ik een mooie gedachte, omdat het aangeeft dat wanneer iets volledig ingaat tegen je natuurlijke perceptie — als het strijdt met wat je voelt, wat je ziet of wat andere mensen je vertellen — je dan toch die andere basis hebt. Oké, dat gevoel is er dan misschien niet, maar Paulus zegt: "Nou, leef dan alsof. Alsof levend uit de doden." Doe dan maar gewoon alsof. Daarmee ligt de focus dus in feite niet op je gevoelens, op wat er allemaal verteld wordt of wat je zelf denkt. Nee, leef zo alsof.
Ondanks je gevoelens: leef alsof levend vanuit de doden. Ook al strijdt dat met alles in onze eigen ervaring. Dat is hoe Paulus hierover spreekt: stel je ten dienste van Hem alsof levend vanuit de doden. Dat is eigenlijk ook wat geloof is. Geloof gaat niet uit van wat je ziet en spreekt ook niet over wat je voelt, maar geloof heeft te maken met wat God gesproken heeft. Dat is de realiteit, dat is wat echt telt. En de rest is — ik gebruik de uitdrukking nog even — eigenlijk voor spek en bonen.
Stel, je gaat een wedstrijd spelen, je gaat een potje voetballen. Je bent al even aan het inspelen en je scoort een doelpunt, maar dat telt nog niet omdat de wedstrijd nog niet begonnen is. Je hebt misschien wel gescoord, maar het telt nog niet. Nou, en dat is het hele verhaal. Dat wat wij hier zien en beleven, telt niet echt. Dat mag dan zo zijn, maar het gaat er niet om. En dat is in de praktijk — laten we wel wezen — verrekte lastig om te negeren. Want dat is feitelijk wat het is: rekent u uzelf als dood voor de zonde. Is de zonde dood? Nee. Maar reken zo.
Dat betekent dat je focus volledig gericht is op wat God gesproken heeft; daar ga ik van uit. En al zie ik het niet of voel ik het niet, dan leef ik gewoon alsof. Waarom? Dat is niet nep. Integendeel, dat is wat echt telt. Paulus voert daarnaartoe en zegt: "Stel uw leden als wapenen der rechtvaardigheid ten dienste van God." Dat heeft te maken met: "Hier ben ik en ik luister naar wat U zegt." U zegt: "Je bent gerechtvaardigd." Nou, stel dan je leden beschikbaar als wapenen van de rechtvaardigheid ten dienste van God.
Let op: we zijn gerechtvaardigd en zo rekenen wij. Dan stel je jezelf beschikbaar en dan doet Hij Zijn werk in jou. Sta op Zijn woord: "U hebt het gesproken en zo leef ik." En daarmee basta. Wat ik dan zelf ook zie of voel, of wat anderen mij ook vertellen: dat is die focus. Dat is wat telt.
Vrij van de Wet, Levend Onder de Genade ↑ hoofdstukken
Vers 14 wil ik er dan ook nog bij betrekken. Immers, dat is feitelijk een conclusie. Want de Zonde zal geen heer zijn, of: zal geen heerschappij over u voeren, zoals de NBG-vertaling zegt. Waarom niet? Want jullie zijn niet onder de wet. Heb je goed gelezen wat hier staat? Dit moet je goed op je in laten werken. Want wat hier staat is: wie onder de wet is en wie zich laat regelen en zijn leven laat regeren door wat de wet zegt — je moet dit doen, je moet dat doen en je mag vooral dat niet — die wordt beheerst door de Zonde. En die moet ook altijd maar strijden tegen de zonde. Ik zal je dit vertellen: niemand wordt zo beheerst door de zonde als juist degene die onder de wet is. Je wordt voortdurend bepaald bij de zonde en ik weet zeker dat er heel wat mensen zijn die dat herkennen, juist als je een godsdienstige achtergrond hebt. En hoe zwaarder — zo zeggen we dat dan ook — die achtergrond is, hoe meer je dat uit ervaring ook weet. Altijd maar die zonde. Altijd maar de zonde, want dat mag niet en dat mag niet. En altijd maar strijden tegen... Ja, maar dan word je dus feitelijk beheerst door de zonde. En hoe komt het dat je beheerst wordt door de zonde? Omdat je leeft onder de wet.
Paulus zegt: de Zonde zal geen heer zijn als je er namelijk van uitgaat: ik ben gerechtvaardigd. Paulus zegt in Romeinen 5 vers 8: wij waren zondaars. Maar we zijn met Hem gestorven en opgewekt en wij wandelen in nieuwheid des levens. Wij leven dus aan de andere kant van het graf, in volmaaktheid. Ik leef alsof dat de realiteit is; dat is waar het om gaat. In dat hele verhaal geldt: als je rekent als zondaar, heb je in dat geval ook weer een wet nodig die je in het rechte spoor houdt. Maar ik ben een rechtvaardige en zo mag ik leven. That’s it. Dat is mijn identiteit.
Jullie leven niet onder de wet, zegt Paulus. Eigenlijk staat er niet... Ziet u hier? Dat zeg ik, dat lijkt wat al te peuterige tekstanalyse, maar er staat hier eigenlijk niet eens een bepaald lidwoord. Het gaat hier niet eens zozeer om de wet van Mozes, 'de' wet of een specifieke wet; het gaat hier ook gewoon over het principe van wet. Want wij leven niet onder wet, ongeacht welke. Want dat mag niet en dat moet... Vooral dat "mag niet", hè? Dat zie je in Romeinen 7 ook, dat Paulus dan vooral ingaat op dat ene gebod van: gij zult niet begeren. Ja, en dus denk ik: ik mag niet begeren, ik mag niet begeren. En wat gebeurt er dan? Waar word je voortdurend bij bepaald? Denk niet aan blauw! Denk niet aan blauw! Nou, dat is precies wat er wordt opgeroepen. De wet is de prikkel van de zonde. Wij leven niet onder wetten, maar onder de genade. En onder de genade weten wij wie wij in Christus zijn: vrij, levend, rechtvaardig. In de volmaaktheid die we straks de facto zullen beleven. Wij nemen eigenlijk in geloof al een voorschot op wat we straks echt zo zullen beleven. Nou, waarom zou je zo lang wachten als God al zo rekent?
Hij roept ons zelfs op om zo te leven. Hoe stond het in Romeinen 6? Ik moet dit goed lezen, want ja, je vergeet wel eens wat in je enthousiasme, maar je vergeet wel eens een bijbelvers. Dat is je identiteit. Er zijn zoveel bijbelverzen, dus vergeet je wel eens wat. Hoe was het ook alweer? Ik weet dat het Romeinen 6 vers 11 is. Ja, ik citeer hem vaak, en dan heb je het net als met Pico — nou kon ik er even niet op komen — maar hij is zo mooi, Romeinen 6 vers 11: "Zo zou het ook voor jullie vaststaan, dat jullie dood zijn voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus." Nou, dat zegt God en zo mogen we leven. Dit is zo’n geweldig voorrecht, want dat betekent namelijk inderdaad dat de zonde achter ons ligt. Dat is echt bevrijding.
Het mooie hiervan is: dit heeft niets te maken met wat je moet doen, maar dit is gewoon accepteren, geloven, beamen wat Hij zegt. Zo rekenen we. En als we zo rekenen, worden we niet beheerst door de zonde. Nou, dat is wat we elkaar ook zo toebidden, maar ook elkaar zo zouden gunnen. Dit is echt leven. Leven waarbij de zonde en de dood voorbij zijn. En voor zover die daar nog een rol spelen: dat telt niet. Dat is maar makkelijk? Ja precies, maar juist dat is het... Ik geef toe, dit klinkt heel erg cryptisch en haast tegenstrijdig: het is zo makkelijk dat het moeilijk is. Er is namelijk niets voor te doen, maar gewoon accepteren: dit is de waarheid. Het is zo’n geweldig goed nieuws.
En dat is de ellende met bepaalde dingen: als je dan vertelt over de geweldige waarheid van het evangelie, dan hoor je: "Nou, maar dat is te gemakkelijk", of "dat is te groots", "jij denkt dat dat allemaal zomaar gaat". Als je dat verwijt krijgt, dan denk ik altijd: nou weet ik in ieder geval dat ik op het goede spoor ben. Want dat is precies wat Paulus ook altijd te horen kreeg. Ja, maar mijn genade, die alles overwint en die alles insluit en die alles tot een goed einde gaat brengen, dat is te mooi om waar te zijn. Mensen willen wel goed nieuws, maar het moet niet té goed zijn, weet je wel? Té goed. Dit is te goed nieuws! Ja, heerlijk om dat te weten.
Het Voorbeeld van Abraham (romeinen 4) ↑ hoofdstukken
We bladeren even terug naar Romeinen 4. Daar geeft Paulus het voorbeeld van Abraham; daar zie je in concreto hoe dat werkt. Ik wil graag een aantal verzen met u doornemen om te laten zien hoe dat daadwerkelijk functioneert. Ik begin weer midden in de passage, bij vers 17, dat kan even niet anders. Paulus begint daar met een citaat: "Gelijk geschreven staat", en dat is een citaat uit Genesis 17. Dat wordt tegen Abraham gezegd: "Tot een vader van vele volkeren heb Ik u gesteld." Dat werd zelfs zijn naam. Hij heette Abram en hij kreeg die 'H' aan zijn naam toegevoegd – Sarah trouwens ook – maar Abraham betekent 'vader van vele volkeren'. Dat werd tegen hem gezegd terwijl hij inmiddels 86 was. Hij was 70 toen hij de belofte kreeg. Zestien jaar later kreeg hij zijn zoon Ismaël, maar dat was niet de beloofde zoon. Dan wordt ook de besnijdenis als teken gegeven, maar het zou nog veertien jaar duren alvorens hij daadwerkelijk vader van de beloofde zoon zou zijn.
Maar God had hem al de naam gegeven: je bent een vader van vele volkeren. Je moet je dat even heel concreet voorstellen. Wij hebben die associatie niet direct; als wij 'Abraham' horen, horen wij niet meteen 'vader van vele volkeren', maar in het Hebreeuws is dat wel zo. Dus als Sarah haar man riep omdat het eten klaar was – ik noem maar wat – dan riep ze: "Vader van vele volkeren, kom je eten?" Terwijl hij nog helemaal geen zoon had. Ja, die andere die er is, Ismaël, dat was voor spek en bonen, om het zo maar te zeggen. Die telde niet, dat was niet de beloofde zoon. Ziet u? Dat is eigenlijk bizar. Maar God zegt: dat is jouw identiteit. Als er iets in de Bijbelse gedachtegang jouw identiteit uitdrukt, dan is het wel je naam. Het is een expressie van wie je bent. Hoe vaak zie je dat niet in de Bijbel, dat iemand heel uitdrukkelijk een naam krijgt? "Zijn naam zal Johannes zijn", of "Zijn naam zal Jezus zijn, want Hij zal zijn volk redden." Die naam drukt uit wat God van zins is met zo iemand. Hij krijgt de naam Abraham: vader van vele volken.
Ik lees verder in vers 17: "Voor het aangezicht van die God in wie hij geloofde..." Dat lees je al veel eerder. God had hem op een nacht naar buiten geroepen en gewezen op de sterren: "Kun je ze tellen?" "Nee, dat kan ik niet." "Nou, zo zal jouw zaad, zo zal jouw nageslacht zijn." En dan staat er: "en Abraham geloofde God." Er staat in het Hebreeuws letterlijk: "Hij beaamde God." Dat werd hem tot gerechtigheid gerekend. Waarom was Abraham een rechtvaardige voor God? Omdat hij "amen" zei op Gods belofte, die bovendien onvoorwaardelijk was. Er werd niet gezegd: "Zo zal je nageslacht zijn als jij ook gelooft." Nee, want dat is het Evangelie: het is een mededeling, een goed bericht. Jezus Christus is jouw Heer en Redder. Geloof dat, maar is Hij dat dan niet als je het niet gelooft? Jawel, Hij is het. Het is niet zo dat het pas waar wordt als je het gelooft; het is zo, en dat mogen we geloven. En dan is het ook een kracht Gods tot redding via die route.
Abraham geloofde in de God "die de doden levend maakt". Abram was verstorven. En dan staat er: "en het niet zijnde tot aanzijn roept." Hij was dus reeds Abraham terwijl de beloofde zoon er nog niet eens was. Wat God doet door hem Abraham te noemen, is dat Hij het niet-zijnde – namelijk het nageslacht, dat zaad, die vele volkeren – tot aanzijn roept. Dat is de power van het Woord van God. Die God, als de Schepper van hemel en aarde, zegt: "Alsjeblieft, dat ga ik doen." Die God is bij machte.
Laten we even doorlezen. In de NBG-vertaling staat in vers 18: "en tegen hoop op hoop heeft hij geloofd." Ik heb niet zoveel moeite met die vertaling, maar letterlijk staat er – en dat zie je ook in het interlineair – dat hij "naast hoop op hoop" heeft geloofd. Er worden twee voorzetsels gebruikt: 'para' (naast) en 'epi' (op). Ik neem dat heel letterlijk. De menselijke hoop kon hij naast zich neerleggen; die was er ook niet echt. Naar de mens gerekend was er geen hoop die hij kon opbouwen. Maar toen zei God: "Zo zal jouw nageslacht zijn." Kijk, en daar kon hij 'op' bouwen. De ene hoop kon hij naast zich neerleggen en op de andere hoop kon hij bouwen. Dat is precies wat Gods Woord en Gods belofte is. Naast menselijke hoop heeft hij op goddelijke hoop geloofd. Wat heeft hij geloofd? Dat hij een vader van vele volken zou worden. Zag hij het? Nee. Voelde hij het? Wat valt er te voelen in zo’n geval? God heeft het gesproken, that's it! En Abraham leefde – om in de terminologie te blijven – gewoon alsof dat de werkelijkheid al was. Hij zag het niet, hij voelde het niet. Dat is "leven alsof": alsof het al waar is. Maar als je op Gods Woord bouwt, kom je nooit bedrogen uit. Dat is wat Romeinen 4 illustreert.
"Volgens hetgeen gezegd was: zo zal jouw nageslacht zijn." Dat is een verwijzing naar Genesis 15, waar God hem wijst op de sterrenhemel. Elders zegt Hij: "als het zand aan de oever van de zee." Op die wijze. Als God dat zegt, dan is het mooi. Als God dat zegt, dan rust er op God ook een schuld. Dat vindt u misschien vreemd als ik het zo zeg, maar wij zeggen ook terecht: belofte maakt schuld. Als ik iets beloof, dan ben ik verplicht om dat ook waar te maken. Werd er iets aan Abraham gevraagd? Nee, niets. Er werd hem weer iets meegedeeld: "Zo zal jouw nageslacht zijn." En Abraham geloofde Hem. In feite is dat ook het Evangelie. Het Evangelie is de boodschap van de openbaring van Gods gerechtigheid of Zijn rechtvaardigheid. En weet u wat dat betekent? God doet recht aan dat wat Hij tevoren heeft beloofd. Dat is de openbaring van Gods gerechtigheid: "Ik heb het beloofd en Ik ga het vervullen ook." Dat is de samenvatting van het Evangelie in de Romeinenbrief. Het is de openbaring van Gods gerechtigheid. Dat wordt heel vaak in juridische termen gezien, alsof God heeft gestraft en geoordeeld, maar daar gaat het niet om. God heeft beloofd en Hij doet recht aan dat wat Hij spreekt. Dus vervult Hij het, want dat is wat de belofte inhoudt: "Zo zal jouw nageslacht zijn."
"En niet zwak in geloof", of "hij verflauwde niet in het geloof", zoals er staat. Niet zwak in het geloof heeft hij opgemerkt dat zijn eigen lichaam verstorven was. Abraham was realistisch genoeg om met zijn zintuigen op te merken dat het allemaal niet meer functioneerde zoals het ooit functioneerde. In termen van voortplantingsvermogen was hij dus verstorven, doods. Hij kon geen leven meer voortbrengen of creëren. Trouwens, dat lees je ook van Sara: Sara's moederschoot was eveneens verstorven.
Vertrouwen op de God Die Doden Levend Maakt ↑ hoofdstukken
Ja, en wat gebeurt er? Abraham geloofde in de God Die levend maakt en Die doet opstaan. Ik bedoel dit inderdaad ook dubbelzinnig. Hij was verstorven, hij was impotent, maar God gaf hem de kracht tot opstanding. Abram heeft dat dus aan den lijve ondervonden: opstanding waardoor nieuw leven gecreëerd wordt. In feite is dat een hele deur naar de typologie van de seksualiteit. Daarin gaat een sprake uit van hoe God nieuw leven voortbrengt, namelijk hoe Hij de dood overwint en doet opstaan en zo leven voortbrengt, ja, creëert.
Maar ja, naar de mens gesproken had Abraham het ook wel opgemerkt, samen met zijn vrouw. Want Sara, die had ook gelachen. Eigenlijk in ongeloof van: "Zullen wij wel rust beleven?" of zoiets. Hoe staat het dan? Op onze leeftijd? Nee, dat mag dan zo zijn, maar hoe was het ook alweer: wie het laatst lacht, lacht het best. Daarom kreeg die beloofde zoon ook de naam 'Lachen': Jitschak. Dat betekent lachen. Ja, als er iets is wat reden geeft om vreugde, om blij te zijn, dan is het wel Gods belofte.
En weet je, je kunt natuurlijk wachten tot het eenmaal gerealiseerd is, maar dan hoef je het trouwens niet meer te geloven. Want toen eenmaal Jitschak geboren was, hoefden ze niet meer te geloven dat die beloofde zoon geboren zou worden. Toen zagen ze het. Maar Abraham heeft dus al die jaren eraan voorafgaand al de vreugde beleefd – en zijn vrouw denk ik ook, met misschien wat zwakke momenten, maar goed, die tellen hier eigenlijk ook niet mee. Dat is ook wel mooi. Hij heeft al de vreugde beleefd van tevoren, voordat het gezien werd. Feitelijk is dat geloof: dat je al van tevoren beleeft en gelooft en uitgaat van: "Ja, zo zal het zijn."
En waarom zou je het jezelf aandoen? Het klinkt wat egocentrisch, maar waarom zou je het jezelf, maar ook anderen aandoen om te wachten tot het moment dat God Zijn woorden vervult? Denk je nou werkelijk dat Hij dat niet zou doen? Maar waarom zou je dan wachten als je die vreugde eens zál beleven? Ze zeggen dat ook wel eens: er komt een moment dat je erop terug zult zien. Dan heb je beroerde dingen meegemaakt, maar er komt een moment dat je erop terugziet en blij zult zijn dat het gebeurd is. Maar waarom wachten, als je dat nu al weet? Het is een retorische vraag. Waarom zei ik dat dan? Makes no sense, zeggen ze dan in het Engels. Maar de tekst zegt ook dat hij aan de belofte van God niet heeft getwijfeld.
Want laten we wel wezen, als daar staat in Genesis 17 vers 4: "Gij zult de vader van een menigte volkeren worden", dan is dat natuurlijk geen wet. Niet in de zin van: "Jij zult de Heer uw God liefhebben." Als je de wet gaat lezen als een belofte – "Gij zult de vader van een menigte volkeren worden" – dan krijg je geen opdracht. Dan zeg ik: "Hoe moet ik dat doen?" Maar dat hoeft helemaal niet, je moet niks doen. God zegt: "Jij zúlt een vader van een menigte volkeren worden." En dat is een belofte. Dus als God dat belooft, dan ligt bij Hém ook de plicht, of de schuld, of hoe je het ook maar zeggen wilt, om dat waar te maken. Maar dan moet ik er ook bij zeggen: dan is het ook Zijn eer als Hij het waarmaakt. Want ja, de mens Abraham had niks in te leveren en Sara evenmin.
God heeft gesproken en aan de belofte van God heeft Abraham niet getwijfeld in ongeloof. Want je kunt natuurlijk allemaal mooie woorden geven door het te ontkennen; waar God een uitroepteken zet, plaats jij een vraagteken. Maar dat is ongeloof. Als God dat zegt, dan is het toch zo? Hij heeft niet getwijfeld in ongeloof, maar hij werd versterkt in het geloof. Hij gaf Gode eer daarmee. Als God dat zegt en Hij gaat het doen, dan geef je God toch de eer? Stel je voor dat hij dacht dat hij God een handje moest helpen, maar dan krijg je zelf ook de eer. Dat was die hele affaire met Hagar en Ismaël. Ja, dat is, denk ik bij mezelf, regie: denken dat je God een handje moet helpen.
En God zegt: alle roem is uitgesloten. Ik bedoel, in de christenheid is het ook vaak van: "Jij moet de keuze maken." Niks ervan! God opent ogen. En hoe was het ook weer wat er in Spreuken staat? "Het oog dat ziet, het oor dat hoort, beide heeft de Heere gemaakt." Als je die dingen mag zien van Zijn woord, dan komt dat omdat Hij jou daarvoor de ogen en het hart heeft geopend. En dan zeg ik: ja, maar is er dan helemaal niks van onszelf bij? Nee, precies, helemaal niets. Alle roem is uitgesloten.
Maar weet u, meestal als dat in de christenheid gezongen wordt, denken ze stiekem toch: "Wij hebben wel..." En dan hangt het een beetje af van in welk segment van de christenheid je je bevindt: of wij hebben gekozen, of wij... Nee, helemaal niks erbij! Alles is van Hem en Hij krijgt dus ook de eer. Het is Gods prestatie. Ook als je mag geloven, is dat een gave van God; Hij heeft jou dat gegeven. Oh, en er staat ook achter: "opdat niemand zou roemen". Daarom! Anders zou je via een achterdeurtje nog weer eigen roem hebben. Abraham was in de volle zekerheid dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. Dus ja, zijn eigen onvermogen en dat van Sara, dat telt niet. Dat is onbelangrijk. Het mag wel waar zijn, maar het doet niet ter zake. Dat je zegt van: "Ja, ik kan het niet." Nee, hè?
En dan staat erachter: "Daarom werd het hem ook gerekend tot rechtvaardigheid." Dáárom, hè? Want wat God had beloofd, dat was een mededeling. God zegt: "Zo zal het zijn." En Abram geloofde God en dat wordt gerekend tot rechtvaardigheid. In Romeinen 4 staat: "Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend." Doordat hij die onvoorwaardelijke belofte beaamde, was hij voor God een rechtvaardige. God gaat het maar om één ding en dat is dat je vertrouwt op wie Hij is. En er staat achter: "Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade; hem echter die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid." God rechtvaardigt de goddeloze. Ja, maar dan rechtvaardigt Hij iedereen zeker? Ja, dan moet u weer een hoofdstuk blijven luisteren. Dat is het.
Ook voor Ons Geschreven: Gerekend tot Rechtvaardigheid ↑ hoofdstukken
Daarom ook werd het hem gerekend tot rechtvaardigheid. Paulus zegt dan dat dit er echter niet alleen om zijnentwil werd geschreven, dat het hem werd toegerekend. Je kunt naar Genesis 15 kijken en daarvan zeggen dat het historisch is, dat het in de dagen van Abraham was, maar Paulus stelt dat dit niet alleen om zijnentwil is vastgelegd. Het is een algemeen, universeel principe: God rekent geloof tot rechtvaardigheid. Via geloof werkt dat. En hij zegt erbij: maar ook om onzentwil, aan wie het zal worden toegerekend; wij die ons geloof vestigen op Hem die Jezus, onze Heer, uit de doden opgewekt heeft.
Hier zie je meteen die link met het feit dat Abraham ook in opstanding geloofde. En wij ook. In feite leven we inmiddels 4000 jaar later, maar het principe is nog steeds hetzelfde. Abraham geloofde in een onvoorwaardelijke belofte, Abraham geloofde in opstanding uit de doden. Wij ook; alleen hebben wij het over de definitieve beloofde Zoon. We zijn verder in de geschiedenis, maar het principe blijft hetzelfde.
Hij die Jezus uit de doden heeft opgewekt, waarvan nog wordt gezegd: die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging. Dat wil zeggen dat onze overtredingen — die van de wereld in het algemeen — Jezus aan het kruis brachten, want het was niets anders dan pure rechtsverkrachting door Hem te doen sterven en te veroordelen. Maar God wekte Hem op om ons te rechtvaardigen, zodat je weer helemaal terug bent bij dat centrale feit: Hem die stierf en door God werd opgewekt. Hij die onrechtmatig werd gekruisigd — ja, maar het was wel volledig in overeenstemming met wat was voorzegd. En juist voor diezelfde wereld die Zijn Zoon aan het kruis bracht, heeft God Hem opgewekt. God zegt: ik ga aan al die moordenaars het leven geven, en ik ga hen leven en rechtvaardigheid geven, puur om niet.
Wauw, wat een geweldige mededeling. Dat wij nu al dat voorrecht mogen kennen en mogen staan op dat Woord en weten: we zijn gerechtvaardigd. Eens zal de hele wereld het weten en beleven, maar wat een voorrecht om dat nu al — nu, 2004 — zo te mogen beleven en op dat fundament te staan. Dat is een enorm voorrecht. En als je zegt: ik voel het niet, dan zeg ik: doe het dan maar gewoon alsof. Wat men ook zegt, wat je ook voelt en wat je ook denkt: Hij heeft gesproken en dat komt nog altijd goed. Is dat een blijde boodschap of niet? Zullen we het daarbij laten voor vanmiddag?
UltimateGoodNews