laat u met God verzoenen??
27-04-2025 - Geplaatst door Andre PietBenthuizen
Volgens de gangbare prediking in de kerk zou God sinds de kruisdood van Christus zijn verzoend. De vraag die slechts zou resteren is: wat is de reactie van de mens hierop? Immers, de mens moet zich laten verzoenen. Maar hoe anders wordt alles wanneer we de Bijbel aan het woord laten?! Ten eerste is God niet verzoend en ten tweede laat Hij het al of niet verzoend worden niet aan de mens over. Gelukkig maar. Verzoenen is geheel GODS werk!
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie en de Gangbare Theologie Rondom de Titel
- Twee Bijbelse Feiten: Niet God Werd Verzoend, maar de Wereld
- Korintiërs 5: de Bediening van de Verzoening en de Nieuwe Schepping
- Ambassadeurs Namens Christus: Aanmoedigen en Aanspraak Maken
- De Grammaticale Sleutel: de Passieve Gebiedende Wijs
- Voorbeelden uit de Evangeliën: Gods Woord Vervult Zichzelf
- Voorbeelden uit de Brieven: Leven uit de Dood en Heiligmaking
- Conclusie: het Woord van de Verzoening Is een Onvoorwaardelijke Belofte
Introductie en de Gangbare Theologie Rondom de Titel ↑ hoofdstukken
Ik wil jullie vanmorgen, beste vrienden, eens meenemen naar dit thema. En die twee vraagtekens achter de titel zijn wat verdacht. Dat wil zeggen, die maken de titel wat dubieus, en dat klopt ook. Laat ik daar meteen mee beginnen — dat is min of meer een spoiler, zoals ze dat tegenwoordig noemen. Laat u met God verzoenen??
Kijk, de titel zelf zal voor wie geen vreemdeling is in Jeruzalem — in kerkelijk Jeruzalem, zo moet ik het eigenlijk zeggen — ongetwijfeld bekend in de oren klinken. Trouwens, de meeste Bijbelvertalingen verwoorden het ook op deze wijze. Omdat ik het hierover wilde hebben, wilde ik het voor de zekerheid toch eens allemaal goed checken. Ik ben het dus gaan opzoeken op internet en het is verbazingwekkend hoeveel boeken er niet zijn met deze titel, maar ook hoeveel evangelisatiediensten en preken er onder deze vlag zijn gehouden. Men gaat er daarbij eigenlijk min of meer vanuit dat het precies zo in de Bijbel zou staan.
Nou kijk, het idee daarbij — het gangbare idee van waarom dat ook zo vertaald is — daar kom ik straks uitgebreid op terug. Ik kan nu echter alvast een tweede spoiler weggeven: het is zo geweldig hoe de vork werkelijk aan de steel zit. Dat moet ik natuurlijk allemaal nog aantonen, dat begrijp ik ook wel, maar voor degenen die inmiddels gewend zijn om in deze samenkomst aanwezig te zijn en te weten dat God werkelijk een goed bericht laat verkondigen vanuit Zijn Woord, zou het niet hoeven te verrassen.
Maar kijk, de gangbare gedachte en de uitleg behelst eigenlijk twee dingen. Ten eerste dat sinds het kruis van Christus, tweeduizend jaar geleden even buiten de poorten van Jeruzalem — het is nog niet zo lang geleden; vorige week was het toch dat… nee, zeg ik het goed? Ja, vorige week vrijdag werd het herdacht en is er Pasen gevierd — in ieder geval, men stelt dat sinds dat kruis van Christus God verzoend is. Wat bedoelt men daarmee? Dat de schuld is betaald of de schuld is voldaan. Er is voldoening gepleegd, als ik het zo mag zeggen. Men spreekt dan ook wel over de theologische term ‘verzoening door voldoening’. Ja, dat is dan de bekende frase.
De tweede gedachte daarbij is dat nu God verzoend is, er eigenlijk nog maar één ding rest voor de mens. Nog maar één ding te doen. God heeft alles gedaan, of in ieder geval Hij is voldaan, en nu hoeft de mens nog maar één ding te doen: zich met God te laten verzoenen. Het idee is dus eigenlijk dat God het wel doet, maar dat een mens nog de medewerking moet geven om dat te laten gebeuren. Vandaar ook de formulering: laat u met God verzoenen.
Twee Bijbelse Feiten: Niet God Werd Verzoend, maar de Wereld ↑ hoofdstukken
Laat ik daar direct twee Bijbelse feiten tegenover stellen; in de loop van de bespreking zal dat vanzelf nog verder aan de orde komen. Het eerste feit is: de Bijbelse gedachte is nooit dat aan het kruis God met de wereld verzoend werd. Sowieso werd God niet verzoend. Kijk het maar eens na in de Bijbel, want die gedachte vind je nergens. God is nooit een vijand geweest, God is nooit vervreemd geweest. Het is precies omgekeerd: de wereld was vijandig en vervreemd van God. Het is ook niet zo dat God eiste dat de schuld betaald zou worden. Die gedachten zijn er in de loop der eeuwen ingeslopen — we hebben inmiddels immers al bijna tweeduizend jaar kerkgeschiedenis achter de rug. Het gangbare idee is dan dat de schuld is voldaan aan het kruis en dat aan God een prijs werd betaald, namelijk dat de schuld werd afgekocht. De Bijbel spreekt daar echter niet over. Het is niet de schuld die aan God werd betaald, maar het is juist de prijs, de losprijs, die God zelf door zijn Zoon betaalde.
Het idee is dus niet dat aan het kruis God met de wereld verzoend werd, maar het is juist door of door middel van het kruis dat de wereld, die vijandig en vervreemd is van God, met God verzoend wordt. Ziet u het verschil? Ik heb de voorzetsels hier expres even wat vetter aangezet om daar aandacht aan te geven. Het gaat er niet om dat áán het kruis God werd verzoend, maar dat God dóór middel van het kruis een bewijs van zijn ultieme liefde geeft. Want laten we wel wezen: toen God zijn Zoon gaf en de wereld hem aan het kruis sloeg, was dat de daad van de grootste vijandschap die je maar kunt bedenken. En juist door dat kruis heen bewijst God zijn liefde door te zeggen: “Al slaan jullie mijn Zoon aan het kruis, ik ga door hem — die jullie vermoord hebben — het leven geven.” Dat is het OPSTANDINGSLEVEN, met allemaal hoofdletters. Dat is hét bewijs van liefde en zo zal God ook door het bloed van het kruis het al (Kolossensen 1:20) met zich gaan verzoenen en overtuigen van zijn liefde. En zo worden vijanden tot vrienden gemaakt.
Dat brengt mij meteen bij het tweede Bijbelse feit: verzoening is geheel Gods werk. Hoewel de gedachte van verzoening in het Nederlands een wat ingewikkeld begrip is — ik ga nu even aan die complexiteit voorbij — is de Bijbelse waarheid dat verzoening betekent dat vijanden tot vrienden of liefhebbers worden gemaakt. Dat is verzoenen: er wordt vrede gemaakt. Vijanden worden met God verzoend. Niet God verzoent zich met vijanden; nee, vijanden worden tot vrienden of liefhebbers van God gemaakt. Dat gebeurt doordat Hij hen verandert en hen van binnenuit tot liefhebbers maakt. Maar dat is geheel Gods werk en de mens is daarin een volledig lijdend voorwerp. Ik bedoel dat niet grammaticaal in de zin dat het zo verdrietig is, maar in de zin dat de mens dat passief ondergaat. Dat is buitengewoon belangrijk en dat brengt me dan natuurlijk ook meteen bij dit thema. Ik stel voor dat we eerst, voordat ik daar nu dieper op inga, naar de tekst kijken.
Korintiërs 5: de Bediening van de Verzoening en de Nieuwe Schepping ↑ hoofdstukken
We gaan naar 2 Korintiërs 5 vers 20. Maar ik lees eerst de voorafgaande verzen in 2 Korintiërs 5 over het woord van de verzoening. Laten we dat eens lezen uit de NBG-vertaling. Als ik de tekst cursief heb gedrukt, dan wijk ik wat af voor een wat letterlijkere weergave; vandaar dat ik het ‘NBG-plus’ noem. Ik begin te lezen bij vers 14: “Want de liefde van Christus dringt ons.” En dan vers 15: “Daarbij tot het inzicht gekomen zijn dat één voor allen gestorven is.” Dus, zegt Paulus dan, zijn zij allen gestorven. Het idee is dus niet zozeer dat Hij in de plaats van hen stierf, maar dat Hij hen meeneemt in Zijn dood. Hij stierf en de wereld wordt met Hem meegenomen en sterft daarmee ook.
En voor allen is Hij gestorven. U ziet natuurlijk wel dat hier telkens dat woordje ‘allen’ benadrukt wordt: één stierf voor allen, allen zijn gestorven en voor allen is Hij gestorven. Opdat zij die leven — namelijk het leven ontvangen — niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor hen gestorven is en opgewekt. En dan staat er in vers 16, dat is Paulus’ conclusie: “Zo kennen wij dan van nu aan niemand meer naar het vlees.” Nog niet zo lang geleden hebben we hier via een andere route bij stilgestaan: wij kijken niet meer naar elkaar naar wat wij zien, maar we zien elkaar als een nieuwe schepping. Zo staat het er ook. “Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer.” Dat wil zeggen: de Christus die wij kennen, is Degene die zich nu aan de andere kant van het graf bevindt, die opgewekt is uit de doden. Wij kennen niet zozeer Jezus die hier op aarde wandelde; nee, wij kennen Hem die opgewekt is uit de doden en verheerlijkt is aan Gods rechterhand. Paulus laat in het midden of hij daar zelf ook bij hoort als hij zegt: “Indien wij Christus al naar het vlees gekend hebben.” Hij zegt: hoe dan ook, thans niet meer.
“Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping. Het oude is voorbijgegaan.” Het telt niet meer. Vandaar ook dat we elkaar niet meer kennen naar het vlees. Dat is gewoon de waarheid: God ziet ons volmaakt aan. Dat is zo geweldig! God ziet ons volmaakt en gerechtvaardigd in Zijn Zoon. Hij ziet ons nu al zoals we straks zullen zijn. En de truc is — ik zeg het nu heel oneerbiedig — om nu al zo te rekenen zoals God rekent. Houd het er dus voor dat je gestorven bent voor de zonde en levend voor God in Christus. Reken zo, dat is het. “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.”
Dan vers 18, want nu komt het onderwerp van de verzoening wat specifieker naar voren: “En dit alles is uit God.” Alles is uit God. Wat wil dat benadrukken? Nou, dat er dus niks van de mens bij is. Het is alles uit God, die door Christus ons met Zich verzoent. Dat staat hier in de aoristus, wat ik aangeef met een horizontaal streepje. Ik heb het al vaker gezegd in deze setting: dat wil zeggen een tijdloos feit in zichzelf. Er wordt niet gewezen op wanneer dat gebeurt, maar het feit wordt gesteld. God is Degene die het initiatief neemt. Alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoent. Let hier ook weer op: niet Die Zich met ons verzoent, nee, Die ons met Zich verzoent. Als je het eenmaal ziet, als het kwartje valt, dan zeg je: “Wauw, wat een enorm verschil!”
“Dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoent en ons…” Paulus spreekt als apostel, als gezondene, maar ik denk dat het ook nog breder is: ons die deze boodschap kennen, de bediening van de verzoening geeft. Welke immers hierin bestaat (vers 19): “dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was.” Mocht u nog niet overtuigd zijn door wat er in vers 18 stond, dan zou dit als tweede getuige de doorslag moeten geven, namelijk ook hier weer: dat God de wereld met Zichzelf verzoent. Hij was bezig Zichzelf te verzoenen in Christus. En dat proces is natuurlijk nog niet voorbij. Het is niet zo dat die verzoening van de wereld compleet is zolang er nog één vijand is of één schepsel dat vervreemd is van de Schepper. Door het kruis doet God dat; Hij overtuigt van Zijn liefde. “De liefde van Christus dringt ons,” en hier staat dat ook. Die bediening van de verzoening bestaat daaruit dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was. Toen al in het verleden, vandaar dat ‘was’, door hun overtredingen — hun misstappen — niet toe te rekenen.
Ik wees er zojuist al even op: de wereld sloeg de Zoon van God, Zijn eniggeborene, aan het kruis, en God zegt: “Ik reken het je niet toe.” Sterker nog, Hij gaat het bewijzen. Drie dagen later… de wereld sloeg Hem aan het kruis en drie dagen later wekte God Hem op. Hij zei dat Hij in Hem aan iedereen — iedereen in zijn eigen rangorde — het leven gaat geven. Er staat bij: “door hun overtredingen niet toe te rekenen, en in ons het woord van de verzoening plaatst.” In het voorgaande vers was het ‘de bediening van de verzoening’, maar het is ook ‘het woord van de verzoening’. Het woord waarin de verzoening van God doorklinkt, die dat Zelf voor Zijn rekening neemt. Hij is het die de wereld met Zich verzoent, Hij is het die ons met Zich verzoent. Hij is de actor en de mens, de wereld, is daarin passief.
Dan komen we bij vers 20, want dat vers in het bijzonder willen we nu nader bezien. Maar dit voorgaande wilde ik er per se bij betrekken, gewoon omdat het ons meteen in de sfeer brengt van waar Paulus het over heeft. Wat is de lijn van zijn betoog?
Ambassadeurs Namens Christus: Aanmoedigen en Aanspraak Maken ↑ hoofdstukken
Wij zijn dus, zegt Paulus, gezanten namens Christus. Gezanten — of andere vertalingen zeggen in de interlineair ook ambassadeurs, maar u weet dat dit synonieme begrippen zijn. Een gezant is iemand die met een bepaalde missie erop uitgestuurd wordt, zoals een ambassadeur in een vreemd land namens de regering in de vreemde optreedt, handelt en spreekt. Paulus zegt: wij zijn ambassadeurs namens Christus, alsof God door onze mond aanmoedigt. De Statenvertaling zegt ‘vermaant’. Of nee, de NBG-vertaling ook. Ik weet niet precies wat de Statenvertaling hier zegt, maar dit woord — het Griekse woord parakaleo — wordt heel dikwijls gebruikt. Dat is letterlijk, als je het even opbreekt in zijn elementen: para is een voorzetsel dat ‘naast’ betekent en kaleo heeft te maken met ‘roepen’. Dat zijn de basiswoorden.
Vaak is het zo dat de elementen waaruit een woord is opgebouwd al heel veel licht werpen op de betekenis van het woord: naastroepen. Waar doet u dat aan denken? Aan een supporter die bijvoorbeeld langs de weg of langs het veld aandroept, ernaast roept, maar dat ter bemoediging en aanmoediging. Dat kan ook vermanend zijn, want je kunt natuurlijk ook fluiten, anders krijg je een fluitconcert. Maar het idee is: naastroepen, aanmoedigen. Dat is de meest basale betekenis. Je kunt dat natuurlijk gewoon weergeven met ‘naastroepen’, maar dat is weer geen echt Nederlands woord. Dus ja, dat is altijd weer het probleem.
Soms is het heel vreemd, maar bijvoorbeeld in 1 Thessalonicenzen 4 lees je dat Paulus dat geweldige woord doorgeeft over de parousia van Christus. Dat de doden, de levenden, de gestorvenen niet achterblijven, maar integendeel: die zullen zelfs bij de parousia voorrang krijgen. En dan zegt hij: bemoedig elkaar. In de Statenvertaling staat dan ‘vermaant elkaar met deze woorden’. Vermaant, dat is hier toch een bemoediging? En in de NBG-vertaling — of vice versa, daar blijf ik vanaf — staat er dan weer: ’troost elkaar met deze woorden’. Het punt is dat er dus dit woord staat. Het is een naastroepen, een aanmoedigen. Alsof God door onze mond aanmoedigt. Het vers loopt dan verder: ‘Wij maken aanspraak namens Christus’.
Nu moet ik ook even een disclaimer toevoegen, want we gaan het hier de volgende keer over hebben. Ik heb dat juist gisteren voor mezelf besloten. Eigenlijk was ik van plan het nog in deze samenkomst te bespreken, maar ik realiseerde me dat het een beetje ’too much’ wordt, te veel. Dus ik dacht: weet je wat, daar gaan we een aparte samenkomst aan wijden. Ik heb daar namelijk iets prachtigs over mogen ontdekken. Er staat hier een woord, deomai. Het element daarvan is dat het is opgebouwd uit het woord ‘verbinden’, maar de meeste vertalingen zeggen dat het ‘smeken’ is.
Bij smeken denken we… de vorige keer kwam dat via Filippenzen 4 vers 6 al even aan de orde. Toen bracht ik het ter sprake en zei ik dat ik al niet zo gelukkig was met dat vertaalwoord. Toen was er een broeder die de bal aannam en zei: ‘Nee, maar dat zit ook anders in elkaar.’ Nietwaar, Henk? Ik ben daar nog eens een keertje ingedoken — dat was ik al eerder — en ik ben er alleen maar meer in bevestigd. Het is geen smeken, maar het is juist een beroep doen op en een aanspraak maken op. Volgende keer ga ik het erover hebben; dan is het thema ‘Eist van mij vrijmoedig’. Dat geeft een heel andere sfeer dan smeken.
De gemeenschappelijkheid zit hem in de urgentie. Iemand die smeekt, die brengt iets met urgentie, met nood en groot belang naar voren. Maar bij smeken zit voor mijn gevoel iets van — ik associeer het zelfs een beetje met zeuren — of in ieder geval iets van machteloosheid. Het idee is, en dit is tevens ook weer een spoiler dus u hoeft de volgende keer hier helemaal niet te komen: de gedachte is juist niet ‘smeken’, maar aanspraak maken op. Een beroep doen op Gods belofte. In feite is het dus een bindend spreken. Ik ga dat de volgende keer dus aantonen. Maar als u hier nu een beetje moeite mee heeft, dan moet u juist de volgende keer komen. Wij maken aanspraak namens Christus, en nu komt het echt, de echte tekst.
De Grammaticale Sleutel: de Passieve Gebiedende Wijs ↑ hoofdstukken
Er staat: wordt verzoend met God. Ja, u zegt: “Wacht even, maar in mijn vertaling staat ongetwijfeld: laat u met God verzoenen.” Nou, u ziet het trouwens al in deze interlinear: wordt verzoend. Nou zegt dat ook niet alles natuurlijk, maar laten we eens eventjes wat diep graven.
Nu loop ik een risico dat een aantal mensen op het moment dat ik bepaalde grammaticale termen noem, afhaakt. U zegt: “Oh, op school had ik al zo’n hekel aan ontleden en grammatica en werkwoorden. Ik weet nu nog steeds niet het verschil tussen d en dt.” Nee, dat is weer wat anders. Als je dát verschil niet weet, dan is het heel giftig. Maar we moeten even in de grammatica duiken; dat is noodzakelijk om iets prachtigs naar voren te brengen. Dus houd de oren gespitst, ik zal het zo duidelijk mogelijk naar voren brengen.
Kijk, hier staat in het Grieks een werkwoord dat bij ons ook wordt vertaald met “wordt verzoend”, maar het is een gebiedende wijs. Met een mooi woord heet dat een imperatief. In de mensenwereld gebruiken we die voortdurend. Je hond spreek je altijd met een imperatief aan. Dat is de gebiedende wijs: “Ga weg! Hier! Kom hier!” Het is echt een commando wat je dan uitspreekt. Maar je zegt het ook tegen je kind: “Eet je bord leeg.” Dat is een imperatief, dat is niet zo moeilijk.
Je hebt ook nog een wat vriendelijker vorm, de conjunctief, de aanvoegende wijs. Als je bijvoorbeeld een receptenboek hebt — die ik overigens nog nooit ingekeken heb, maar Petra vindt daar dan in: “Men neme honderd gram boter.” Dat is “men neme”. Niet “je moet nemen”, nee: “men neme”. Dat is de aanvoegende wijs, wat vriendelijker. Of zoals vandaag: “Leve de koning!” Dat is eigenlijk ook een aanvoegende wijs. Dat de koning móge leven. Het is niet “de koning moet leven”, maar het is een uitdrukking van een wens, van een wil. Nou, dat is de conjunctief, maar goed, dan vertel ik u nog meer dan eigenlijk noodzakelijk is. Het gaat even om die gebiedende wijs.
Er staat hier een imperatief, dus het is een opdracht, een commando dat gegeven wordt. Maar ik moet erbij zeggen: het is ook een passieve vorm. En dat is heel eigenaardig. We moeten nog wat dieper in die grammatica duiken, want het is echt heel boeiend. Kijk, wij kennen wat werkwoordsvormen betreft de actieve vorm en de passieve vorm. De actieve vorm is bijvoorbeeld: “ik rijd”. Passief is: “ik word gereden”. In het ene geval ben ik degene die zelf rijdt, in het andere geval onderga ik het. Dat zijn de twee vormen die wij kennen. Maar het Grieks kent nog een vorm die wij niet kennen, en dat noemen ze de medialis, de middenvorm. Daarin zit zowel het element van passiviteit als activiteit. Het is namelijk niet altijd even zwart-wit. In feite zie je dat in onze taal ook. Bijvoorbeeld wanneer je zegt: “het boek verkoopt goed”. Het boek is passief, want het wórdt verkocht, maar je zegt het eigenlijk actief, alsof het boek zichzelf verkoopt. Of: “het schip zinkt”.
Stop, dat is ook een imperatief. Weest verzoend… ja, wacht maar, ik kom er straks nog op terug. Zo, ik kan weer gaan. Ik heb daar wel eens in een heel andere setting over deze middenvorm gesproken en gezongen, want ik vind het prachtig. Dat is in Romeinen 1 vers 16: “Ik schaam mij het evangelie niet.” Eigenlijk is die tekst in het Nederlands onmogelijk goed weer te geven. “Ik schaam mij het evangelie niet” is actief. Er zijn ook verklaringen die zeggen: “Het evangelie beschaamt mij niet.” Dat is passief; dan is het evangelie zelf actief en ik word niet beschaamd. En hoe zit het dan echt? In het Grieks is het de middenvorm. Dat wil zeggen dat er zowel het passieve als het actieve element in zit. Het evangelie beschaamt mij niet en dáárom schaam ik mij het evangelie niet. Dan zie je dat je beide elementen hebt, en het Grieks kan dat perfect uitdrukken. Het Grieks is grammaticaal een ontzettend rijke taal en kent allerlei onderscheidingen die wij niet kennen. Dat is de ellende, het probleem waar vertalers tegenaan lopen. Dan heb je zo’n tekst met een middenvorm die wij niet kennen, dus hoe geef je dat aan? Eigenlijk moet je daar een kanttekening bij plaatsen: zo zit de vork in de steel. Eigenlijk doe ik dat nu ook, zonder mijzelf daarmee als Grieks expert voor te werpen, want dat ben ik totaal niet, maar ik laat me wel goed inlichten en ik geef de bonnetjes erbij.
Gewoonlijk is de gebiedende wijs in combinatie met ofwel actief, ofwel die middenvorm. Ik heb het even in een bijbelprogramma nagekeken — ik heb het echt niet allemaal zelf nageteld — maar de actieve vorm komt 1463 keer voor in het Nieuwe Testament. Dat iets een gebiedende wijs is en ook actief, is eigenlijk heel logisch, want op het moment dat je iets zegt, prikkel je de ander om iets te doen. Bijvoorbeeld: “Ga heen.” Dat is actief, de meest gebruikelijke vorm. Je hebt ook nog de middenvorm, die ook best vaak voorkomt, zoals: “Laat u dopen.” Dat is een middenvorm, want daar zit zowel een passief als een actief element in. Je wordt gedoopt, bijvoorbeeld in water, maar je geeft daar je medewerking aan, je láát je dopen. Handelingen 22 vers 16 is daar een voorbeeld van.
Maar er is nog een andere vorm, en dat is de combinatie van de gebiedende wijs en passief. Die is heel lastig om in het Nederlands weer te geven. Dat is dus het geval in 2 Korinthe 5 vers 20. Daar heb je die combinatie die meestal weergegeven wordt als: “laat u met God verzoenen”. Maar dat is niet juist; het is niet correct weergegeven. Want als ik zeg “laat je verzoenen”, dan vraag je medewerking, toch? Maar het is juist passief. Als het waar zou zijn dat er zou staan “laat je met God verzoenen”, dan was de middenvorm gebruikt: God is degene die verzoent, maar jij moet daarin je medewerking geven of je daarin laten betrekken. Vergelijk het met “laat je knippen”. De kapper knipt en jij ondergaat dat, maar je moet wel naar die kapper toe gaan en het toelaten. Daarom is “laat je verzoenen” niet correct, want dat is namelijk niet passief.
Het is dus niet “laat je verzoenen”, ook al is het een gebiedende wijs. Hoe kan ik dat nu duidelijk maken? Het idee bij die combinatie van de gebiedende wijs — die imperatief — en het passief is dat er een commando klinkt, maar het unieke is: zonder dat er actie wordt verwacht van degene die aangesproken wordt. Dat is in 2 Korinthe 5 het geval. Er zijn nog zo’n 69 andere gevallen in het Nieuwe Testament. Ik ga ze niet allemaal noemen, maar ik ga er wel zes noemen die perfect illustreren waar het in 2 Korinthe 5 om gaat en wat het betekent.
Voorbeelden uit de Evangeliën: Gods Woord Vervult Zichzelf ↑ hoofdstukken
Het eerste voorbeeld vinden we in Matteüs 8. Het gaat over de genezing van de melaatse man. In vers 3 lezen we dat de Heer Jezus in aanraking komt met iemand die melaats is. De Heer strekt Zijn hand uit en raakt hem aan. Dat is op zichzelf al uniek, want een melaatse mocht volgens de wet niet aangeraakt worden. Maar de Heer raakte hem aan en zei: “Ik wilt het, wordt gereinigd.” Terstond werd hij rein van zijn melaatsheid. Waarom noem ik dit voorbeeld? Omdat hier staat: “wordt gereinigd”. Dit is precies diezelfde werkwoordsvorm: de gebiedende wijs in de lijdende vorm, het passief. De melaatse kreeg een commando te horen, maar kon hij iets doen? Werd er van hem iets gevraagd? Nee, dat kon hij helemaal niet. Het is een bevel, maar een scheppend bevel. Het is vergelijkbaar met Gods Woord bij de schepping, toen het klonk: “Er zij licht.” Gods Woord is ook Zijn werk; er wás licht. Gods Woord vervult zichzelf. Van de melaatse wordt niets geëist of gevraagd; er wordt geen verzoek gedaan. Er wordt iets geboden – “wordt gereinigd” – en de melaatse hoeft niets te doen. In het Nederlands kunnen we dat niet altijd perfect uitdrukken, maar in het Grieks zie je het feilloos: de melaatse is passief in dit proces. Hij ondergaat het. “Wordt gereinigd.” Het moest gebeuren; het was een commando dat zichzelf waarmaakte.
Er zijn nog meer voorbeelden, zoals in Marcus 1 over de bezetene. In deze geschiedenis komt de Heer Jezus in aanraking met iemand die vloekend op Hem afkomt. In vers 25 lezen we over deze man, die ‘gedemoniseerd’ is, zoals het woord er eigenlijk staat. Jezus bestrafte hem en zei: “Zwijg stil en ga uit van hem.” Het is interessant dat hier twee keer een imperatief, een gebiedende wijs, wordt gebruikt, maar de ene is actief en de andere passief. “Ga uit” is een actieve gebiedende wijs; dat is wat hij moet doen. Maar “zwijg stil” is ook een gebiedende wijs, maar dan passief. Ik moet daarbij denken aan die beelden uit de Tweede Kamer. Soms is een Kamerlid wat eigenwijs en wordt hem het woord ontnomen door de voorzitter. Maar zo iemand kan dan soms gewoon door blijven praten. Wat doet de voorzitter dan? Hij zet de microfoon uit; hij zet het Kamerlid op ‘mute’. Dat wil zeggen: je kunt niets meer zeggen en men hoort ook niets meer. Mond houden, denk ik dan. Dat is een hele mooie optie; je zou soms willen dat je die optie had om iemand op ‘mute’ te zetten zodat je niets meer hoort. Maar dat is eigenlijk wat hier staat. De Heer zegt: “Zwijg stil.” Het is een commando, maar passief. Er wordt niet gevraagd aan die bezetene of aan de demon of hij stil wil zijn; hij wordt simpelweg op ‘mute’ gezet. Hij ‘wordt’ gezwegen. Het is niet alleen een commando, want dan zou het actief zijn. Nee, hij kan simpelweg niets meer.
Dan Marcus 7, waar het gaat over de dove. Dat is een prachtige geschiedenis. Zeg maar eens wat tegen een dove! Marcus tekent dit vermoedelijk op uit de mond van Petrus, en de wijze waarop het beschreven wordt, doet sterk vermoeden dat hij de Heer Jezus nog hoort praten. In vers 34 komt de Heer in aanraking met iemand die, naar ik meen, vanaf de geboorte doof was en daardoor ook niet in staat was om te praten. De Heer Jezus zag op naar de hemel en zuchtte. Ik denk dat dit te maken heeft met het feit dat Hij het leed voelde dat zo’n man onderging. Hij zei tot hem: “Effata.” Dat is Aramees. De Heer sprak destijds in het Aramees tegen deze man en er staat bij dat dit vertaald betekent: “wordt geopend”. Het loutere feit dat dit in het Aramees wordt weergegeven, betekent dat degene die dit optekende zich niet alleen de inhoud herinnerde, maar zelfs de klank en de wijze waarop het gezegd werd: “Effata”. Je hoort de zucht er nog in doorklinken. Maar de betekenis is: “wordt geopend”. Waarom noem ik dit voorbeeld? Omdat het ook hier weer een commando is, terwijl er van de dove niets gevraagd wordt. Dat is nogal logisch, want wat kun je tegen een dove zeggen? Wat zegt een Engelsman tegen een lantaarnpaal? Niets, want hij krijgt niets terug. Maar hier klinkt: “Effata, wordt geopend.” Het is een gebiedende wijs, maar van de dove wordt niets geëist of gevraagd. Het commando vervult zichzelf. Dat is juist de geweldige kracht die in dat passief besloten ligt. De persoon die aangesproken wordt is passief, en in al deze voorbeelden is dat evident. Een melaatse kan zichzelf niet reinigen, de bezetene wordt letterlijk het woord ontnomen en bij de dove worden zijn oren geopend. Hij kan het niet eens horen, maar het klinkt als een bevel en God Zelf staat garant dat het gebeurt. Het is een schitterende vorm, want juist deze werkwoordsvorm geeft God alle eer. De mens staat erbij, kijkt ernaar en ondergaat het.
Nog een voorbeeld vinden we in Lucas 7: de overleden jongeling van Naïn. Naast de geschiedenis van Lazarus, de vriend van Jezus, en het dochtertje van Jaïrus, is dit een van de momenten waarop iemand wordt gewekt tot leven. De Heer Jezus nadert Naïn precies op het moment dat er een begrafenisstoet naar buiten komt. De moeder loopt bij de baar en haar overleden zoon ligt in de kist. De Heer komt dichterbij en raakt de baar aan, waarop de dragers stil blijven staan. Dan zegt de Heer Jezus: “Jongeling, Ik zeg u, wordt gewekt.” Opnieuw zien we die passieve gebiedende wijs. Het moest gebeuren; het is een commando: “wordt gewekt”. Werd er iets gevraagd van die overledene? De vraag stellen is hem beantwoorden, want het is natuurlijk te dwaas om te veronderstellen dat een overledene iets zou kunnen doen. Een gestorvene kan niets ‘worden’, laat staan uit zichzelf weer levend worden of gewekt worden. Dat is per definitie iets wat je ondergaat. Het is hier ook een soeverein machtswoord. Dit woord klinkt en het moet en zal gebeuren. Er wordt niets gevraagd van de overledene. De gestorven jongeling kan niet anders dan overeind komen, niet omdat hij dat moet, maar simpelweg omdat de Heer het zo zegt. Dat is het.
Voorbeelden uit de Brieven: Leven uit de Dood en Heiligmaking ↑ hoofdstukken
Tot dusver hebben we een aantal voorbeelden gezien uit de evangeliën, in het optreden van de Heer Jezus naar de bezetene, de melaatse en de overledene. Nu gaan we naar een passage die Paulus aanhaalt in Galaten 4. Hij heeft het daar over de betekenis van Hagar en Sara. Sara was onvruchtbaar, maar niettemin – dat zie je trouwens in het boek Genesis zo vaak – waren die vrouwen onvruchtbaar. Ze waren niet in staat om nieuw leven voort te brengen. En wat doet God? Hij maakt de doden levend.
Paulus haalt daar een woord uit Jesaja aan: “Want er staat geschreven: Wordt verheugd, gij onvruchtbare die niet baart; breek uit en roep, gij die geen weeën kent, want talrijker zijn de kinderen van de eenzame dan van haar die een man heeft.” Ook hier zien we weer de imperatief, de gebiedende wijs, maar dan passief. Het is niet iets wat gevraagd wordt om te doen; nee, het is een bevel dat zichzelf vervult. Wordt verheugd, gij onvruchtbare die niet baart.
Over dat hele verband gaat het nu even niet, het gaat mij puur om die woorden. Want God is het die de doden levend maakt en die de onvruchtbare vrouw vruchtbaar maakt, en haar daardoor ook doet verheugen. Wat lees je van Sara? Ze zou een kind baren, terwijl ze inmiddels negentig jaar was. Ze was verstorven. Van Abraham lees je in die tijd dat hij als honderdjarige ook een lichaam had dat verstorven was. Maar God wekt uit de dood leven voort en God doet de onvruchtbare baren. Dat is de wijze waarop God haar doet verheugen. Zie je? De onvruchtbare ondergaat het; er wordt nieuw leven in haar verwekt.
Ik vind dat in dit geval prachtig, want deze onvruchtbare wordt specifiek gerelateerd aan Sara. En hoe noemde ze haar kind? Dat was ook zo voorzegd: Jitschak. Izaäk, maar dat betekent ‘lachen’. Ja, God doet lachen. Dat is trouwens ook wat de blijde boodschap altijd in zich heeft: daar is een blijde tijding voor. Als het echt een blijde tijding is, dan word je daarin verheugd. Niet omdat je blij móét wezen, want zo werkt dat niet. Nee, je wordt blij gemaakt, het kan niet anders.
Dan heb ik er nog één, en dat is de laatste. We gaan naar een brief van Petrus: 1 Petrus 1. Die is ook zo mooi. In vers 15 is Petrus in zijn betoog en dan zegt hij: “Maar gelijk Hij, God, die jullie roept, heilig is…” God is heilig; het is evident dat Hij degene is die totaal apart staat. Dat is eigenlijk ook wat ‘heilig’ betekent. En dan komt het: “Zo worden ook jullie zelf heilig.” Het wordt misschien een beetje eentonig, maar het voordeel daarvan is dat het je wel volstrekt helder wordt. Hier staat weer de imperatief, de gebiedende wijs, maar passief: “Zo worden ook jullie zelf heilig in al uw wandel.”
De aardigheid is hier dus weer: jullie wórden heilig. Het zal gebeuren, het moet ook gebeuren, maar zonder dat je ook maar iets bijdraagt. Want je ondergaat het, je bent passief. Dat is de werkwoordsvorm. Helaas – en dat is geen kritiek op de vertalers, echt niet – is het Nederlands niet goed in staat om dat perfect uit te drukken. Vandaar dat ik u er zo graag op wil wijzen als ik het woord mag doorgeven, zoals ik in dit geval hier op deze plaats doe. Want het is zo schitterend: God is het die heilig maakt. Er is zoveel prediking over heiligmaking, maar altijd is het weer ‘zelfheiliging’. De mens moet werken. Ze zijn dan altijd nog wel zo vroom om te zeggen: “Ja, je moet bij God wezen, Hij begint…” Maar we moeten wel meewerken.
Ik ben zo blij: God is het die rechtvaardigt, maar Hij is het ook die heiligt. “Jullie worden heilig.” In feite is dat ook profetie. Profetie wil zeggen dat God het voorzegt, en dat betekent dat het zál gebeuren, zonder dat jij er ook maar iets aan af of toe kan doen. Dat maakt het werkelijk tot een bericht, een mededeling.
Ik zal u nog iets vertellen, want ik lees er nog even één vers bij. Het had niet gehoeven, maar het bevestigt prachtig waar ik het nu over heb. In vers 16 staat vervolgens: “Er staat immers geschreven…” Kijk het maar na, in de verre weg meeste vertalingen staat het fout. Daar staat: “Wees heilig, want Ik ben heilig.” Maar dat staat er niet. Er staat niet “wees heilig”, er staat: “Jullie zullen heilig zijn.”
In de interlineair zie je het trouwens ook heel duidelijk: “Jullie zullen heilig zijn.” Dat betekent niet “jullie moeten heilig zijn”, maar “jullie zullen heilig zijn”. Het is profetie. Het is wat God doet. En hoe doet Hij dat? Wel, Hij laat het klinken: “Ik maak jullie heilig.” En wat zegt geloof? Amen! Zoals tegen Abraham werd gezegd: “Zo zal jouw nageslacht zijn.” Werd er iets gevraagd aan Abraham? Nee. Hij kreeg iets te horen, hij kreeg een belofte. Abraham zei: “Nou, hoe U het gaat doen weet ik niet, maar als U het zegt…” Hij beaamde God. Dat geldt voor het rechtvaardig worden, en dat geldt ook als het gaat om heiliging. Dan is het geen werk van de mens; Hij is het die dat doet aan ons. Ik zou zeggen: prijs God. Zo geweldig! En nu komen we weer terug bij af.
Conclusie: het Woord van de Verzoening Is een Onvoorwaardelijke Belofte ↑ hoofdstukken
Namelijk bij 2 Korinthe 5. Want daar ging het mij eigenlijk om. Ik heb u nu een heel aantal voorbeelden laten zien van de imperatief passief en nu weet u hopelijk wat dat betekent: de gebiedende wijs. Het moet gebeuren, maar er wordt niets gevraagd van degene die aangesproken wordt. Uitdrukkelijk niet. Die is passief, die ondergaat dat. Dat was bij die bezetenen, bij die overledenen, bij die doven en bij die melaatsen het geval. Dat is allemaal duidelijk.
Nu gaan we weer terug naar 2 Korinthe 5, waar exact dezelfde werkwoordsvorm gebruikt wordt. Daar staat: “Word verzoend met God.” Ook hier klinkt het in het Nederlands niet helemaal duidelijk. Dat kan ook niet; of je zet in de vertaling meer dan er eigenlijk in de grondtekst staat, of het is juist minder. Maar om het helemaal goed te doen — en daarom wijs ik er ook op — staat er: “Wordt verzoend.” Er staat hier dus inderdaad een commando: het zal gebeuren. “Jullie worden verzoend.” Dat staat ook in het meervoud. Het is: “Jullie worden verzoend, dat zal gebeuren.” En jullie staan erbij en kijken ernaar. Je ondergaat het.
Ziet u, dit woord van de verzoening is zo anders dan wat er altijd geklonken heeft en wat helaas in de vertaling ook staat: “Laat u met God verzoenen.” Zo van: God doet alles, alleen jij moet nog wel je medewerking geven. Je moet het wel laten doen. Zelfs dat klinkt al alsof je er wel heel dichtbij zit, maar dat is net zoiets als “bijna gratis”. Bijna gratis is niet gratis. Nee, dit is een mededeling. Zoals Paulus zegt: dit is een “Wordt verzoend”, het zal gebeuren. Dus het woord van de verzoening, dat is een aanzegging van een onvoorwaardelijke belofte.
Vandaar ook dat ik begon met dit plaatje. Het is een plaatje van een heraut, weet u wel? Iemand die uitgaat en iets vertelt. Een heraut is iemand die vertelt van een geweldig feit. Er is een koning geboren! De bevrijding is een feit inmiddels. Het is bijna weer 5 mei; ik bedoel, het is een mededeling. En of je het nu wel of niet gelooft, dat doet aan de mededeling helemaal niets af. Ik moet er wel bij zeggen: áls je het gelooft, dan heeft dat een enorme impact. Het evangelie is een kracht Gods voor eenieder die gelooft. Als je het naast je neerlegt, blijft de mededeling waar, alleen word je er natuurlijk niet blij van als je het niet gelooft. Dus ik bedoel daarmee helemaal niet de waarde van het geloof of het beamen te ontkrachten. Integendeel.
Maar je kunt er niets aan meewerken. “Laat u verzoenen”? Vergeet het, mensen. Er wordt geen medewerking gevraagd. Het geloof in de Bijbel staat altijd tegenover werken. Een mededeling geloof je. Bij een opdracht moet je altijd werken of meewerken, zoals bij “laat je verzoenen”. Niks ervan! Je bent daarin volledig passief. God Zelf staat garant voor de vervulling zonder enige medewerking van de mens.
En dus, wat zeggen wij? Wat is de boodschap van het woord van de verzoening? Niet: God heeft alles gedaan, maar jij moet nog het laatste, de finishing touch zeg maar, toebrengen. Nee, dan heb je weer werken. “Laat je met God verzoenen” is een boodschap van meewerking. De Bijbelse boodschap is: God verzoent door Christus de wereld tot Zich.
Amen.
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews