Jezus, de Christus!
17-09-2023 - Geplaatst door Andre Piet17 september 2023, Den Haag
Jezus is een naam, Christus daarentegen een titel. Jezus was de naam die zijn ouders hem gaven bij zijn besnijdenis op de achtste dag. De naam betekent ‘JAHWEH redt’. Christus is de Griekse vertaling van het Hebreeuwse woord ‘masjiach’ (messias) dat ‘gezalfd’ betekent. Priesters en koningen werden bij hun inwijding gezalfd met (olijf)olie, zodat de term ‘de Messias’ verwijst naar de gezalfde Koning-Priester die zou komen. Bij welke gelegenheid werd Jezus eigenlijk de Gezalfde oftewel de Christus? En waarom zou juist Paulus zo vaak spreken van “Christus Jezus” in plaats van “Jezus Christus” zoals de andere apostelen?
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: Christus Is Geen Achternaam, maar Betekent Gezalfde
- De Betekenis van de Naam Jezus en de Profetie van Daniël 9
- De Eerste Zalving: de Doop in de Doodsjordaan en de Heilige Geest
- De Definitieve Zalving: Opgestaan uit de Doden en tot Christus Gemaakt
- Koning-priester Naar de Ordening van Melchizedek Krachtens Onvernietigbaar Leven
- Waarom Paulus Exclusief Spreekt over 'christus Jezus'
Inleiding: Christus Is Geen Achternaam, maar Betekent Gezalfde ↑ hoofdstukken
Een hele goedemorgen nogmaals allemaal en hartelijk dank voor de uitnodiging dat ik hier vanmorgen weer in jullie midden mag zijn. Het voelt hier altijd – ik zei het vanmorgen al tegen Boy – als een thuiswedstrijd als ik hier mag spreken. Ik kom hier ook al meer dan dertig jaar, wist u dat? Niet zozeer op deze locatie, maar in jullie midden. Destijds was ik nog een jong ventje, en nog heel dun ook.
Ik wil jullie vanmorgen graag bepalen bij het onderwerp dat hier achter mij geprojecteerd staat: Jezus de Christus. Dat bepaalt ons meteen bij een heel fundamenteel onderwerp, want we zijn zo gewend om deze woorden in de mond te nemen, maar wat zeggen we eigenlijk? Ik denk dat een heleboel mensen die niet zo vertrouwd zijn met de Bijbelse terminologie denken dat de frase 'Jezus Christus' gewoon een naam is. Twee namen, of een voor- en achternaam, ongeveer zoals ik André Piet heet. Men denkt dan dat 'Jezus' de voornaam is en 'Christus' misschien de achternaam, maar dat is absoluut niet het geval.
Voor de meesten van jullie zal dit waarschijnlijk niet nieuw zijn, maar toch is het een misverstand dat zomaar kan ontstaan. Jezus is inderdaad de naam – ik kom daar straks nog op terug – maar Christus is geen naam, het is een titel. Om precies te zijn is het de Griekse vertaling van het Hebreeuwse woord Mashiach, wat wij in het Nederlands hebben vertaald als Messias. Christus en Messias zijn dus dezelfde woorden met dezelfde betekenis: het betekent 'gezalfd'. In het Grieks betekent Christus gewoon gezalfd en Messias draagt diezelfde gedachte. Dat kom je niet zomaar te weten als je enkel de term Christus hoort, terwijl een Griek direct zou horen: 'Oh, dat betekent gezalfd.' De term geeft daar meteen aan wat het is. Bij ons is dat niet zo; dat moet eerst uitgelegd worden.
Dat gezalfd zijn is van belang, want het verwijst naar het Bijbelse gebruik waarbij zowel koningen als priesters tot hun ambt werden gezalfd. Trouwens ook profeten, maar dat laat ik nu even buiten beschouwing. Bekend is de geschiedenis van Saul, die tot koning werd gezalfd. Hij werd gezalfd met een kruik, wat heel eigenaardig is. Later lees je dat David ook gezalfd wordt met olijfolie, maar bij David gebeurt dat vanuit een hoorn. Daar zit meteen de gedachte in dat het koningschap van Saul eigenlijk heel breekbaar, broos en van voorbijgaande aard was. Bij David gaat het om het definitieve koningschap, of in elk geval de definitieve dynastie.
Dat die zalving met olijfolie gebeurt, heeft veel betekenis. Olijfolie is in het algemeen een type, een symbool voor leven en voor geest. Geest en leven zijn min of meer synonieme begrippen: als je de geest krijgt, begin je te leven, en op het moment dat je de geest geeft, sterf je. Ik laat zo een paar plaatjes zien die hierin al veelzeggend genoeg zijn. Denk aan de duif die na de wereldwijde vloed terugkwam bij de ark met een olijftakje in zijn snavel. Dat was een aanwijzing van nieuw leven, een heel nieuw begin. Die duif is op haar beurt ook weer een type van de Geest, dus dat sluit allemaal bij elkaar aan. Bovendien is een olijfboom een boom die van zichzelf niet doodgaat; het is een zichzelf regenererende boom en daarmee een type van onvergankelijk leven. Leven dat sterker is dan de dood. Daar is een olijfboom een beeld van, en het verbaast mij dan ook niet dat olijfolie zo’n algemeen bekende, vitaliserende werking heeft.
Dan heb ik nog een plaatje van de menora. In de Bijbel lees je dat het licht dat de menora verspreidde, voortkwam uit de olijfolie waarmee de kandelaar was voorzien. Het licht in het heiligdom werd voortgebracht door olijfolie en de priester kwam dagelijks in het heiligdom om de menora aan te vullen, zodat deze licht zou blijven verspreiden. U begrijpt dat dit alles een type is van Leven en van Gods Geest. Om een lang verhaal kort te maken: gezalfd worden met olijfolie is een beeld van gezalfd worden met Geest, met Leven. Laten we nu eens een aantal schriftplaatsen met jullie langsgaan.
De Betekenis van de Naam Jezus en de Profetie van Daniël 9 ↑ hoofdstukken
Eerst wil ik eventjes aangeven dat 'Jezus' de naam is. Je leest daarover in Lukas 2, en ik lees het u voor uit de NBG-vertaling. En toen acht dagen vervuld waren – dat wil zeggen sinds de geboorte van Jezus – zodat zij Hem moesten besnijden (dat waren de ouders, Jozef en Maria), ontving Hij ook de naam Jezus. Dat vond plaats op de achtste dag; de officiële naamgeving vond plaats bij de besnijdenis. En dan staat er ook bij: 'die door de engel genoemd was eer Hij in de moederschoot was ontvangen'. Al ver van tevoren was zowel tegen Maria als tegen Jozef gezegd dat Hij de naam Jezus zou krijgen. Jezus is trouwens de vergriekste vorm van Jesjoea, wat de Hebreeuwse manier van uitspreken is. Dat betekent: 'Jahweh redt'. Het meest karakteristieke, het loutere feit dat onze Heer zo heet, geeft aan dat het verwijst naar Jahweh Zelf. In Jezus redt Jahweh, de God van hemel en aarde, en in feite is het een onvoorwaardelijke mededeling en een geweldig bericht: Hij redt! Daar zou een mens inderdaad zijn vertrouwen op mogen stellen. In de naam Jezus wordt dus meteen verwezen naar wat God Zelf doet.
Maar dat is de naam Jezus. Hij ontving die naam bij Zijn geboorte, of acht dagen later zo u wilt, en op aarde, tijdens Zijn wandeling hier op aarde, droeg Hij de naam Jezus. Vandaar ook dat je in de evangeliën altijd leest: 'Jezus deed dit' en 'Jezus wandelde daar naartoe', et cetera. Altijd gewoon de naam Jezus, want dat was simpelweg Zijn naam. Maar goed, we hebben het vanmorgen met name over het feit dat deze Jezus de titel 'Christus' draagt, en dat is al ver van tevoren aangekondigd. Daarvoor neem ik u mee naar Daniël 9. Dat is een passage waar onvoorstelbaar veel over te melden is, want de inhoud is geweldig rijk. Daniël krijgt daar, precies in het zeventigste jaar van de ballingschap van het Joodse volk, een profetie te horen. Daniël wist trouwens al: dit is het jaar dat Jeruzalem weer hersteld gaat worden. Waarom? Omdat dat ooit voorzegd was door de profeet Jeremia. Daniël doet dus een beroep op Gods belofte en zegt: 'Dit is het jaar'. En inderdaad, Daniël was nog niet uitgebeden of hij krijgt al een boodschapper op bezoek die zegt: 'Uw gebed is vervuld'. Het woord is uitgegaan om Jeruzalem te herbouwen en het is koning Kores geweest die dat bevel heeft gegeven.
Vervolgens lees je dat daar een nieuwe periode gegeven wordt. Er was een periode van zeventig jaren afgesloten en nu werd er een periode gegeven van zeventig weken – dat wil zeggen: zeventig jaarweken. U moet weten dat in de Bijbel een week wordt afgesloten met een sabbat, maar je hebt dus ook jaarweken waarbij na zes jaren het zevende jaar een sabbatsjaar is. In dat jaar krijgt het land rust; er wordt niet bezaaid en er wordt niet geoogst, het land krijgt gewoon rust, een heel jaar lang. Na zeven jaarweken – dus na zeven maal zeven jaren, negenenveertig jaar – krijg je ook nog een jubeljaar. Dat was allemaal in de wet al verordineerd en geregeld. Nu wordt er aan dat fenomeen gerefereerd en wordt er gezegd: 'Zeventig jaarweken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad'. Het gaat dus heel specifiek over het Joodse volk en over de stad Jeruzalem.
Er staat bij: 'om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen'. Al deze dingen die ik nu noem zouden eigenlijk veel toelichting behoeven, maar één ding is duidelijk: dat zou zich allemaal realiseren in de zeventig weken die zouden komen. En er staat nog iets bij wat ik nu nog niet heb voorgelezen: 'en iets allerheiligst te zalven'. Ik kan het nu verder niet uitgebreid aantonen, dat zou wat meer tijd behoeven, maar ik geloof inderdaad dat het hier gaat over de Messias, het Heilige der heiligen. Hij zou inderdaad gezalfd worden na negenenzestig jaarweken. Vanaf het moment dat Daniël deze profetie te horen krijgt, wordt hem gezegd wanneer de Messias zou komen. Dat zou nog vijfhonderd jaar duren; zeventig jaarweken is immers bijna vijfhonderd jaar.
Er wordt gezegd: 'Weet dan en versta: vanaf het ogenblik dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen' – dit jaar dus, dat specifieke moment – 'om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op de Messias, Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig jaarweken'. In de NBG-vertaling staat het een beetje slordig; de vertalers hebben naar mijn idee niet begrepen waar het om ging, maar in de Statenvertaling staat het keurig. In ieder geval zouden er vanaf het moment dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen – dus gerekend vanaf het moment dat Daniël deze profetie kreeg – nog zeven weken en tweeënzestig jaarweken volgen. In totaal dus negenenzestig jaarweken. Die zeven jaarweken hebben te maken met de termijn waarin Jeruzalem herbouwd werd; dat is de tijd van Esra en Nehemia geweest. De tweeënzestig jaarweken daarna vormen de periode tot op de Messias. In totaal zouden er dus negenenzestig jaarweken volgen.
In vers 26 staat dan – ik sla wat over om bij mijn punt te komen: 'En na de tweeënzestig weken' – dus na het totaal van negenenzestig weken – 'zal de Messias worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen Hem is'. Andere vertalingen zeggen wat letterlijker: 'terwijl Hij niet zal hebben'. Het hele idee is, als u het mij vraagt, dat Hij als Vorst nog niets zal hebben. En wat heeft een vorst? Die heeft een koninkrijk. Hij wordt uitgeroeid en Hij heeft dat koninkrijk dus nog niet. Overigens klopt het wel dat er niets tegen Hem was; er was geen enkele terechte beschuldiging. Dus hoewel de vertaling misschien niet helemaal deugt, klopt wat erin uitgedrukt wordt natuurlijk wel. Waar het om gaat is wat hier aangekondigd wordt: in de dagen van Daniël werd al voorzegd dat de Messias over negenenzestig jaarweken, vijfhonderd jaar later, zou worden uitgeroeid.
Wat hier zo apart is, is dat er al wordt voorzegd dat de Messias zou komen – de Gezalfde. Niet zomaar een gezalfde, nee, de Gezalfde die aangekondigd was: de grote Koning, maar trouwens ook de Priester waar ik later nog op terugkom. Hij zal komen, en wat hier gezegd wordt is heel specifiek. Waar Hij zou verschijnen was sowieso bekend; waar Hij geboren zou worden heeft een andere profeet al gezegd, namelijk dat dit in Bethlehem-Efrata zou zijn. Maar wat hier zo enorm bijzonder is, is dat het hier al wordt voorzegd, en daarmee bewijst de Bijbel ook Zichzelf. Dat vind ik geweldig. Profetie is het goddelijk keurmerk op de Schrift. Mensen kunnen prognoses uiten en dingen voorspellen, maar ze kunnen niet 'voorzeggen'. God voorspelt niet, God voorzegt: 'Zó zal het gaan'. Het wordt hier op het jaar nauwkeurig – of laat ik het anders zeggen: op de zeven jaar nauwkeurig – voorzegd wanneer de Messias zou worden uitgeroeid, namelijk na de negenenzestig weken. En zo is dat inderdaad gegaan. Men wist dus, en dat is het aparte en eigenlijk ook wel het logische, dat de getrouwen onder het volk aan het begin van onze jaartelling wisten: dit moet de tijd zijn dat de Messias gaat komen. En inderdaad, zij waren er, zoals een man als Simeon of een Hanna in de tempel.
Zij verwachtten Israëls verlossing. Ze wisten gewoon van de termijn die vervuld werd. Dus ze wisten niet alleen dát Hij zou komen, maar zelfs ook wannéér Hij zou komen. En dat was al door Daniël voorzegd.
Ik geloof trouwens ook dat die Messias zou worden uitgeroeid, en dat zou gebeuren drieënhalf jaar later. Een halve jaarweek – maar dat moet u eventjes nog doorlezen in vers 27. Dat is een heel veelzijdig onderwerp, moet ik erbij zeggen, en ook controversieel, dat weet ik.
Maar drieënhalf jaar later werd de Heer Jezus gedoopt in de Jordaan en toen is Hij drieënhalf jaar werkzaam geweest, en toen werd Hij daadwerkelijk uitgeroeid. Ja, dat is dus allemaal gebeurd na de 62 weken, of zo u wilt: na de 69 jaarweken.
De Eerste Zalving: de Doop in de Doodsjordaan en de Heilige Geest ↑ hoofdstukken
Oké, dat bepaalt ons bij nog een andere vraag. Niet alleen dat de Messias is aangekondigd en wanneer Hij zou komen en uitgeroeid zou worden – dat zou immers na de zeven en tweeënzestig weken zijn, jawel – maar wanneer is Hij nou eigenlijk gezalfd? Ik heb het al een beetje verklapt, maar laten we het wat preciezer bekijken en ook vanuit de Schrift laten zien. Ik geloof namelijk dat de Bijbel heel duidelijk maakt dat Hij gezalfd werd.
Dat is het eerste antwoord. Niet het definitieve, maar wel het eerste: Hij werd gezalfd met de Geest bij Zijn doop in de Jordaan, bij de aanvang van Zijn officiële dienst. In Handelingen 10 lezen we dat Petrus in het huis van Cornelius is. Op een gegeven ogenblik krijgt Petrus het woord en gaat hij vertellen over wat destijds algemeen bekend was: "Gij weet van de dingen die geschied zijn door het gehele Joodse land, te beginnen in Galilea, na de doop die Johannes verkondigde." Dat is heel bijzonder, wat Johannes deed. Vandaar ook dat hij de Doper heette. Dat was heel eigenaardig, want Johannes doopte anderen. Dat kende het Joodse volk helemaal niet. Ze kenden het fenomeen van de doop wel, maar men doopte zichzelf. Nu kwam daar een man die zei: "Word gedoopt." Hij doopte het volk, en dat was uniek; dat fenomeen kende men niet.
In ieder geval, hij verkondigde de doop en vervolgens staat er in vers 38 van Handelingen 10 over Jezus van Nazaret – Jezus, geboren in Bethlehem en woonachtig in Nazaret. Hij had de naam Jezus en hoe God Hem met de heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Vervolgens is Hij rondgegaan, weldoende en genezende allen. Eigenlijk wordt hier aangegeven dat Zijn zalving het begin was van Zijn openbare optreden; dat Hij ging weldoen en genezen en dat Hij begon met Zijn officiële dienst. Hij werd gezalfd met de heilige Geest. Daarin zie je trouwens ook meteen dat de olijfolie waarmee koningen en priesters gezalfd werden, een beeld is van de Geest.
Die zalving vond inderdaad plaats bij Jezus' doop door Johannes, zoals hier al wordt gezegd. We gaan naar een andere schriftplaats, nummer vier: Matteüs 3 vers 16. Daar staat dat terstond nadat Jezus gedoopt was, Hij opsteeg uit het water. Dat was in de Jordaan. Hij steeg op uit het water en zie, de hemelen openden zich. Johannes de Doper is hier logischerwijs ooggetuige van geweest, evenals meerdere mensen. Johannes heeft dit gezien en getuigt daar later ook van: "Ik heb gezien en getuigd dat Hij het is."
Let op: de hemel opende zich en hij zag de Geest Gods neerdalen als een duif. Heb je hem weer? Zowel het idee van de zalving als van de duif komt hier terug. Hij zag de Geest Gods neerdalen als een duif en op Hem komen. Daar bleef het niet bij, want er staat: "En zie, een stem uit de hemel zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde." Als je dat terugvertaalt naar het Hebreeuws, dan zou er zoiets staan als "David", want David betekent namelijk ook "geliefde". Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb. Waarmee God dus aangeeft: Hij is het. Vanuit de hemel wordt Zijn dienst hier bevestigd: "Hij is het, deze is mijn Zoon, deze is de geliefde, in Hem heb Ik mijn welbehagen."
Hier werd Hij dus gezalfd. Ik geloof trouwens – en dat brengt ons meteen bij de volgende schriftplaats – dat deze gebeurtenis, Zijn doop in de Jordaan, een type is van de opstanding drieënhalf jaar later. In feite wordt dat hier ook al aangegeven, want er staat: Jezus was gedoopt en terstond steeg Hij op. Hij stond op uit het water. Dat is uit de doodswateren. De Jordaan had van oudsher die reputatie; het volk Israël was door de Jordaan, door de dood heen, in het beloofde land gekomen. Vandaar dat wij nog steeds spreken over de doodsjordaan. De Jordaan is een type van de dood, of je er nu doorheen trekt of eronder gaat zoals Naaman ooit deed. Als je daaruit opstaat, is dat een embleem, een type van nieuw leven.
Toen de Heere Jezus opstond uit de doodswateren van de Jordaan, ontving Hij vervolgens demonstratief de Geest. Toen werd Hij gezalfd. Ja, maar het spreekt van Zijn definitieve verzalving drieënhalf jaar later, toen Hij inderdaad na drie dagen in het graf verbleven te hebben werd opgewekt door Zijn Vader.
De Definitieve Zalving: Opgestaan uit de Doden en tot Christus Gemaakt ↑ hoofdstukken
Ik neem u mee naar Handelingen 2, want daar wordt dit naar mijn overtuiging heel duidelijk aangegeven. We zien Petrus op de pinksterdag. De Geest was bij die gelegenheid in Jeruzalem op demonstratieve wijze uitgestort en dan neemt Petrus het woord. Hij zegt: deze Jezus, die jullie allemaal bij die naam kennen, die heeft God opgewekt. Waarvan wij allen getuigen zijn. Het is natuurlijk prachtig dat zij allen getuigen waren. De groep getuigen was niet alleen veelvuldig, maar ook unaniem. "Wij allemaal zijn getuigen," zegt hij. Dat is een juridisch begrip: een getuige is iemand die iets gezien en gehoord heeft en onder ede verklaart dat het waar is wat hij zegt. Dat is een getuige.
Petrus bevestigt hier: "Wij allemaal zijn hier getuigen van, wij bevestigen dat dit het is: God heeft Hem opgewekt." Dat Hij in het graf was gelegd, was duidelijk; dat was zelfs op nogal demonstratieve wijze gebeurd met de Romeinse soldaten die erbij waren neergezet, het verzegelde graf en de zware steen. Wat het graf was, was volstrekt duidelijk. Maar de steen was weggewenteld en Hij is van Godswege opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.
Dan staat er verder in vers 33: "Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is." Want dat is eigenlijk wat Zijn opstanding ook is. Hij was door de mens tot het uiterste vernederd, tot de dood, ja, de dood van het kruis, en vervolgens is Hij in het graf gelegd. Maar Hij is door Gods rechterhand — dat spreekt van het handelen van God en waar God voorrang aan geeft — verhoogd in Zijn opstanding. Hij heeft de belofte van de heilige Geest van de Vader ontvangen.
Je zou kunnen zeggen dat dit drieënhalf jaar eerder ook al het geval was geweest, toen Hij van Godswege de Geest ontving, de hemel zich opende en die duif demonstratief op Hem neerdaalde nadat Hij was opgestaan uit het water. Maar nu zie je de definitieve vervulling daarvan. Hij is door Godshand, de rechterhand, verhoogd en Hij heeft de belofte van de heilige Geest van de Vader ontvangen. Dat is toch heel logisch? Hij was dood en Hij ontving de Geest. Juist doordat Hij de Geest ontving, kreeg Hij leven. Daarom kon Hij ook opstaan; God wekte Hem op. Hij kreeg de Geest, Hij kreeg het leven en Hij ontving de belofte van de heilige Geest. Daarmee bewees God natuurlijk voor eens en voor altijd dat Hij de Christus is.
Hij werd toen de Gezalfde. Petrus zegt: nu Hij dan door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de heilige Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort wat gij ziet en hoort. Vijftig dagen eerder was de Heer Jezus opgestaan uit de doden en had Hij de Geest van God ontvangen. Nu heeft Hij de Geest die Hij ontvangen heeft, vervolgens ook uitgestort. Petrus kan zeggen: het is wat jullie allemaal zien en horen. Het was allemaal zo duidelijk wat daar plaatsvond op die bewuste pinksterdag, de vijftigste dag in Jeruzalem. Hij heeft zelf de belofte van de Geest ontvangen, vijftig dagen eerder, en vijftig dagen later is dat ook demonstratief gebeurd in Jeruzalem. Al die inwoners en de mensen die daar voor de gelegenheid van het feest waren, hebben dat gezien en gehoord.
We blijven even in datzelfde Handelingen 2. Als we een paar verzen overslaan, komt Petrus bij zijn conclusie in vers 36, wat echt een sleutelvers is in dit hoofdstuk. Hij zegt: "Dus moet ook het ganse huis van Israël zeker weten dat God Hem en tot Heer en tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus die gij gekruisigd hebt." Hier wordt het verhaal echt compleet en wordt het helemaal duidelijk. Wat had het volk gedaan met hun Overste die zij hadden overgeleverd aan de Romeinen? Wat hadden de mensen gedaan met Jezus? De mensheid, het volk Israël zo u wilt, heeft Jezus gekruisigd. Zij kenden Hem allemaal onder de naam Jezus en zij hadden Hem gekruisigd. Maar God heeft Hem vervolgens tot Heer en tot Christus gemaakt. Hoe dan? Wel, door die opstanding waar Petrus zojuist over sprak. Hij is door de rechterhand Gods verhoogd en inderdaad gezalfd. Hij heeft de Geest ontvangen. Hij is door God tot Christus gemaakt.
Wat al eerder uitgebeeld was bij Zijn doop in de Jordaan — dat was al Zijn zalving — is definitief, voluit en officieel feitelijk bewaarheid geworden toen Hij verrees uit het graf en de Geest van God ontving. Toen werd Hij gemaakt tot Christus, tot Gezalfde. Sindsdien is Hij dus inderdaad niet alleen Jezus, maar officieel ook de Christus. In eerste instantie was Hij dat al vanaf het moment dat Hij gedoopt werd, maar uiteindelijk en definitief werd Hij bij Zijn opstanding uit de doden van Godswege tot Christus gemaakt. Hij is ook verhoogd en God heeft Hem de naam boven alle naam gegeven. Hij is Heer, Hij is de Kurios. Hij eist dat nu nog niet op, dat komt nog, maar Hij hééft de naam boven alle naam en Hij is Heer — we hebben het zojuist ook nog gezongen. Hij is de hoogste Heer, Degene die zal heersen over alles. En Hij is tot Christus gemaakt.
Feitelijk is wat we hier in Handelingen 2 lezen vervolgens ook de prediking in het boek Handelingen, met name aan het Joodse volk. Eerst aan de Jood. Ik zal zeker niet ontkennen dat het ook aan de natiën is, maar in eerste instantie is iedere keer de prediking: Jezus is inderdaad de beloofde Christus, want God heeft Hem tot Christus gemaakt. Ik kan daar heel wat voorbeelden van geven, maar ik beperk me nu tot Handelingen 17. Daar lees je dat Paulus in Thessalonica is. In vers 2 staat: "En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen in de synagoge en hij behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, door aanhalingen uitleggende dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden en dat deze de Christus is, die Jezus die ik jullie predik."
Kijk, hier zie je dus dat de frase 'Jezus Christus' heel duidelijk aangeeft: Jezus, Hij is de beloofde Christus. Waarom? Omdat Hij volledig voldoet aan het profiel dat al vanouds in de Schriften van Hem gegeven was. Wat doet Paulus daar drie sabbatten achter elkaar? Hij overlegt gewoon de bonnetjes. Hij doet de Schriften open bij een schriftplaats en brengt allerlei aanhalingen en citaten naar voren. Hij laat zien dat de Christus moest lijden. Hoeveel schriftplaatsen hij ook heeft aangevoerd, we gaan dat nu niet nog eens nadoen, maar hij toonde ook aan dat de Christus moest opstaan uit de doden om Christus te kunnen zijn. Waaruit trouwens ook blijkt dat Hij juist op grond van Zijn opstanding daadwerkelijk bewezen heeft de Christus te zijn. Sinds Zijn opstanding is Hij in de volle zin van het woord de Christus.
Wel in eerste instantie nogmaals bij zijn doop in de Jordaan, maar uiteindelijk en definitief vanaf zijn opstanding uit de doden. En dat is heel karakteristiek. De boodschap is: jullie verwachten toch de Messias? Wel, Hij is gekomen en het is Jezus die volledig beantwoordt aan dat wat de Christus, de Messias die jullie verwachten, zou doen en zou zijn.
Nu sla ik nog een hoofdstuk over en we komen in Handelingen 18. Daar zijn we trouwens in Korinthe... nee, dan zijn we weer in Efeze. Kijk het maar even na: het is inderdaad in Efeze. Want daar lezen we over Apollos. Die man kwam uit Alexandrië; hij was overgekomen en kwam in Efeze aan. En dan lees je: onvermoeid bestreed hij de Joden in het openbaar, want het werd zeer tegengesproken. Van deze Apollos lees je dat hij een zeer geleerd en welsprekend man was. Hij lustte ze, om het zo te zeggen, rauw. Hij bewees het; hij kon alle tegenstand de mond snoeren. Hij kon gewoon onderbouwen dat het waar was wat hij zei. Het was niet zomaar een mooi of stichtelijk verhaal; nee, hij bewees het vanuit de Schriften. En dan staat er ook: hij bestreed de Joden in het openbaar en bewees uit de Schriften dat Jezus, die hier op aarde rondwandelde, de Christus is.
Hier zie je ook heel duidelijk: het een is een naam, het ander is een titel. En niet zomaar één van die gezalfden. Ik zei al dat alle priesters en alle koningen feitelijk mashiach waren; ze waren allemaal gezalfd. Maar we hebben het nu over de Christus: de ene Koning-Priester.
Koning-priester Naar de Ordening van Melchizedek Krachtens Onvernietigbaar Leven ↑ hoofdstukken
En als ik dat gezegd heb, komen we bij nog een schriftplaats die ik ook niet onvermeld wil laten, en dat is Hebreeën 7. Trouwens, Hebreeën is in zijn totaliteit een brief gericht aan mensen die Hebreeuws spraken, de taal van de Schriften. Wat in die brief aan de orde wordt gesteld, is wie de Christus is. Het wemelt daar van de citaten uit de Tenach, ons Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel. Paulus – waarvan ik denk dat hij de schrijver was, ook al wordt zijn naam niet vermeld – geeft daarin allerlei typen aan.
Hij gaat bijvoorbeeld heel uitgebreid in op de figuur van Melchizedek. Ik kan me herinneren, als je hier al meer dan dertig jaar spreekt, dan heb je al heel wat onderwerpen bij de kop gehad. Maar ik herinner mij dat ik meerdere keren over deze figuur in jullie midden heb mogen spreken: Melchizedek. Ik weet nog een keertje, ik vond het zelf eigenlijk wel een leuke titel: "Van waar Abram de most vandaan haalt." Hoe was het ook weer? Ja, dat is de uitdrukking. En dat is van Melchizedek. De most – niet de mosterd, maar de most, de wijn – die krijgt hij van Melchizedek.
Kent u Melchizedek? Nee? Nou, even kort: over Melchizedek lees je in het boek Genesis dat Abraham een ontmoeting met hem had, en verder wordt er niets van hem vermeld. Hij was koning te Salem, lees je, en hij was ook priester. Dat is op zich een heel bijzondere combinatie, want dat bestond in Israël helemaal niet. Een koning kwam uit de stam van Juda en een priester kwam uit de stam van Levi, zodat je nooit koning en priester tegelijkertijd kon zijn.
Maar wat in de Schrift al wordt voorzegd – in de Psalmen lees je dat – is dat er eenmaal iemand zou komen die door Gods wet zou worden verhoogd: de Messias. En Hij zou koning-priester zijn naar de ordening van Melchizedek. In Psalm 110 staat dat, trouwens ook een profetie van David. Melchizedek betekent zelf 'koning van de gerechtigheid' en die Melchizedek staat dus eigenlijk model voor degene die ooit zou komen: de Messias. Nou ja, dit zijn prachtige onderwerpen, maar ik moet mezelf eventjes tot de orde roepen.
In vers 15, midden in het betoog, gaat Paulus verder en hij zegt: "En nog veel duidelijker wordt het als naar het evenbeeld van Melchizedek een andere priester opstaat." Want Melchizedek is slechts, tussen aanhalingstekens, een type van degene die zou komen. Een andere priester. Een andere priester die opstaat, die vind ik trouwens ook wel heel erg mooi. Want daarmee weet je ook meteen sinds wanneer Hij priester is, namelijk sinds zijn opstanding. Het is geen bewijs, maar ik vind het wel mooi.
Daar staat in vers 16 dat Hij dit niet is geworden krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke afkomst. Oké, het klinkt wat ingewikkeld, maar daar is makkelijk doorheen te prikken. Hij is degene die nu opgestaan is en die een evenbeeld is van Melchizedek, die andere, de definitieve priester. Hij is het niet geworden krachtens een wet met een voorschrift betreffende vleselijke afkomst.
Van Melchizedek lezen we trouwens ook helemaal niets over zijn afkomst. We weten niet wie zijn vader was, wie zijn moeder was of wat zijn komaf was. Helemaal niets over wanneer hij geboren was. Normaal gesproken is dat altijd heel erg belangrijk; een koning-priester of een priester moet zijn geslachtsregister kunnen overleggen om te laten zien: "Ja, dit is mijn afkomst." Maar van deze Melchizedek lees je dat allemaal niet. Welnu, naar het evenbeeld van Melchizedek zou er een priester opstaan en die is priester geworden, gezalfd tot priester. Niet vanwege zijn vleselijke afkomst – later wordt dat trouwens in deze brief ook uitgelegd – want de Heer Jezus kwam helemaal niet uit de stam van Levi. Hij kwam uit de stam van Juda. Al zodanig had Hij ook recht op de troon van zijn vader David, maar priester kon Hij niet zijn volgens de wet.
Maar nu kom ik bij mijn punt: Hij is het geworden krachtens onvernietigbaar leven. Toen Hij hier op aarde rondwandelde, was de Heer Jezus nog geen priester. Nee, want Hij kwam helemaal niet uit de stam van Levi. Hij werd priester krachtens onvernietigbaar leven. Dat betekent uiteraard gewoon dat Hij sinds zijn opstanding de Geest heeft ontvangen, leven heeft ontvangen dat onvernietigbaar is. Onverwelkelijk – welke termen worden daar allemaal voor gegeven? In ieder geval leven dat sterker is dan de dood. Dat is precies waar de olijfolie, de olijfboom en de olijftak van spreken: van Geest, van leven.
Welnu, Hij is koning-priester naar de ordening van Melchizedek. Waarom? Omdat Hij sinds zijn opstanding uit de doden, sinds Hij onvernietigbaar leven als eersteling aan het licht heeft gebracht, gezalfd is. Dat is een geweldige waarheid natuurlijk. Dus ja, Jezus is de Christus. Sinds wanneer? Nou, definitief sinds zijn opstanding uit de doden als eersteling. Dit is trouwens een geweldige boodschap, want dat betekent dat Hij de eersteling is en dat de rest allemaal gaat volgen. Dan zegt Paulus heel laconiek in 1 Korinthe 15: "Ja, maar ieder in zijn eigen rang natuurlijk, niet allemaal tegelijk." Wij mogen trouwens in onze dagen ook eerstelingen zijn, maar God denkt groot en heeft het totaal op het oog. Jezus Christus, Hij is de eersteling en Hij is koning-priester naar de ordening van Melchizedek. Een hele officiële aanduiding: krachtens onvernietigbaar leven.
Waarom Paulus Exclusief Spreekt over 'christus Jezus' ↑ hoofdstukken
Tenslotte wil ik nog één ding aanstippen, en dat is de volgorde: Jezus Christus of Christus Jezus. Ik weet dat wat ik nu ga zeggen voor velen misschien niets uitmaakt; men zegt dan dat het gewoon een typische Paulinische eigenaardigheid is die verder niets om het lijf heeft. Nou, zo ga ik niet met de Schrift om. Ik excuseer me daar niet voor, ik ben er zelfs trots op dat we naar deze details kijken.
Laten we eens lezen in 1 Korinthe 1, daar zien we een veelzeggende volgorde. Paulus begint daar met te zeggen: "Paulus, een geroepen apostel van Christus Jezus door de wil van God." In de Efezenbrief doet hij dat ook, hij doet dat heel vaak. Dat is namelijk best eigenaardig. De normale aanduiding is immers Jezus Christus. Ik heb het even in een concordantie opgezocht; ik heb het niet eigenhandig geteld, maar er zijn computerprogramma's die dit gewoon voor je doen. De aanduiding "Jezus Christus" kom je maar liefst 134 keer tegen in het Nieuwe Testament. Dat is de bekende term. Maar de term "Christus Jezus" komen we ook heel wat keren tegen: wel 94 keer in de brieven, maar uitsluitend bij Paulus. Jacobus doet dat niet, Petrus doet het niet en Johannes doet het niet. Alleen Paulus spreekt heel vaak – ik zeg niet altijd, want hij spreekt ook heel vaak over Jezus Christus op een logische wijze – over Christus Jezus.
Maar waarom noemt hij Hem zo vaak zo? Wat zit daarachter? De logica dringt zich eigenlijk als vanzelf aan je op op het moment dat je je realiseert hoe Paulus een geroepen apostel is geworden. Kijk, Jacobus, Petrus en Johannes, de Twaalf in het algemeen, hebben met de Heer Jezus hier op aarde gewandeld. Ze zijn al die drieënhalf jaar door Hem onderwezen. Ze kenden Jezus, die vervolgens in Zijn opstanding definitief de Christus is geworden. Zij kenden dus Jezus die de Christus werd, en dat is in feite zoals dat chronologisch ook heeft plaatsgevonden: Hij was eerst Jezus en Hij werd de Christus.
Voor Paulus ligt dat echter anders. Toen hij geroepen werd, kende hij Jezus niet. Nee, hij kwam in aanraking met de Opgestane, met de Christus. Toen hij vanuit de hemel geroepen werd met de woorden: "Saul, Saul, wat vervolg je Mij?", was de vraag: "Wie bent U, Heer?" Want het was wel duidelijk dat het een Heer moest zijn die dat zo vanuit de hemel zei. Dan zegt Hij: "Ik ben Jezus, die jij vervolgt." Dus Paulus kende Christus, de Opgewekte, de Verheerlijkte en de Verhoogde. Zo maakte hij kennis met Hem. Vervolgens werd hem uitgelegd dat die Christus – en dat was natuurlijk de grote ontdekking in Saulus' leven – diezelfde Jezus bleek te zijn die hij als "terrorist" al vervolgde als geen ander.
Dus voor Paulus is de volgorde ook heel chronologisch. Dat Jacobus, Petrus en Johannes Hem Jezus Christus noemen, is logisch, want dat was hun chronologie. Maar voor Paulus is Christus Jezus ook heel chronologisch, want hij kende Hem primair als de Opgestane en de Verheerlijkte. Toen de Heer Zich daarna bekendmaakte, zei Hij: "Ja, dat is de Jezus die hier op aarde rondwandelde en gekruisigd is." Het is dus logisch dat voor Paulus de Christus vooropstaat. Voor Paulus staat voorop dat Hij de Verhoogde en de Verheerlijkte is; zo kennen wij Hem ook. Dat Hij ook Jezus was, staat feitelijk op de tweede plaats.
Hierdoor ontsluiten zich meteen geweldige waarheden, want het laat ook zien dat Paulus ons als geen ander inleidt in de geweldige schatkamer van God. Hij spreekt van Hem die verhoogd en verheerlijkt is. Er is geen schrijver in het Nieuwe Testament die zo geweldig laat zien wie de Verhoogde is: de Christus. De hemelse Christus, die hem ooit riep op de weg naar Damascus. Paulus mag dan inderdaad uitpakken over wie die Christus daar nu in de hemelen is. Dat is Degene die hier op aarde ooit als Jezus rondwandelde, maar Hij is nu de Christus. Dat staat voorop, dat is primair.
Het is dus bepaald niet zonder betekenis – en ik hoop dat ik u hiermee heb kunnen overtuigen – dat Paulus de enige is die in zijn brieven spreekt over Christus Jezus, en dat zelfs heel vaak, in onderscheid met die andere term Jezus Christus. Dat heeft diepe betekenis. Hiermee wil ik afsluiten. Het Woord dat we in ons bezit mogen hebben, waar we vanmorgen in een tiental Schriftplaatsen doorheen mochten bladeren, bepaalt ons bij de allergrootste waarheden. Jezus is inderdaad de Christus, maar wij kennen Hem nu ook primair als de Verhoogde, zoals Paulus Hem vervolgens ook onder de natiën heeft mogen prediken: Hij die verhoogd is aan Gods rechterhand. Ik stel voor dat we daar nu een lied over gaan zingen.
UltimateGoodNews