jaloers op wat geen natie is
12-02-2023 - Geplaatst door Andre Piet12 februari 2023, Benthuizen
In Romeinen 9-11 beschrijft Paulus hoe door Israëls verwerping van het Evangelie, de boodschap bij de natiën is terecht gekomen. En hoe God vandaag vanuit de natiën een natie uitroept dat eigenlijk geen natie is. Het was de unieke taak van Paulus als “apostel van de natiën” om het Joodse volk met deze boodschap bekend te maken. Oftewel: tot jaloersheid te verwekken.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Inleiding: de Twee Varianten van Jaloezie en Bijbelse Voorbeelden
- Romeinen 9 tot 11: de Tijdelijke Terzijdestelling van Israël
- Deuteronomium 32: Jaloers Gemaakt op een Dwaas Volk
- Jesaja 65: Absolute Genade voor Wie Hem Niet Zochten
- Romeinen 11: Israëls Misstap Brengt Rijkdom Naar de Natiën
- Paulus als Apostel van de Natiën: Zijn Eigen Volk Jaloers Maken
- De Verzoening van de Wereld en Leven uit de Doden
- Handelingen 22: een Historische Demonstratie van Jaloezie in Jeruzalem
Inleiding: de Twee Varianten van Jaloezie en Bijbelse Voorbeelden ↑ hoofdstukken
Een hele goedemorgen ook van mijn kant, vrienden. Het is een aparte gewaarwording om op deze wijze de zalen in te kijken. Het is een nieuwe, experimentele opstelling; we zullen vanzelf zien of we op deze manier verdergaan. In ieder geval is het allemaal wat ruimer. Ik wil ook mijn broer Dirk hartelijk bedanken voor deze prachtige introductie en om ons altijd weer in te leiden in de wonderen van de schepping. Het is geweldig om je daarvan bewust te zijn.
Ik mag u vanmorgen bepalen bij het onderwerp dat hier achter mij geprojecteerd staat: 'Jaloers op wat geen natie is'. Die titel is direct ontleend aan een tekst uit Romeinen 10 vers 19. We gaan daar straks meteen naartoe, maar ik wil eerst nog wat inleidende dingen zeggen over jaloezie. Daar gaat het immers over vanmorgen. Als je over dat begrip doordenkt en je zoekt het eens op, dan zul je al snel ontdekken dat er twee varianten zijn: een positieve en een negatieve.
Bij de positieve variant — hoewel er op de benaming 'positief' wel wat af te dingen valt — wordt bedoeld dat je ook iets wilt bezitten wat de ander heeft. Dat kan bijvoorbeeld zijn dat jij niet gezond bent en de ander wel, of de ander heeft geld of is gelukkig terwijl jij dat niet bent. Je vraagt je af wat het geheim daarvan is en je zou dat ook graag willen bezitten. Dat is positief in die zin dat je het de ander niet misgunt; er is geen sprake van rivaliteit. Als jij gelukkig wordt, wordt de ander daar niet minder gelukkig van. Als jij geld krijgt, wordt de ander daar normaal gesproken niet armer van. Je kunt natuurlijk een boom opzetten over de vraag in hoeverre het een goed streven is om net zo rijk te willen zijn als de ander, maar u begrijpt het idee bij deze variant van jaloezie: het doet de ander geen kwaad, het is geen misgunnen.
De negatieve variant van jaloezie noemen we dikwijls 'de kift'. Het is interessant om naar de etymologie en de woordafleiding te kijken; ik kwam erachter dat dit weer uit het Yiddisch komt. In het Yiddisch heet dat 'gift', en dan begrijp je ook meteen ons woord gif. Kijven betekent tweedracht of ruzie, en dat ontstaat doordat de ander iets gegeven is — een gift — wat jou giftig maakt. Vergif en gift zijn uiteindelijk allemaal tot elkaar te herleiden. Dit is pure afgunst en het heeft per definitie een negatieve klank. Het is het begeren van iets dat exclusief is voor die ander. Kijk, er zijn dingen die je kunt delen: als u gelukkig bent en ik wil dat ook zijn, dan wordt u niet minder gelukkig als ik het ook ben. Maar er zijn dingen die door slechts één persoon bezeten kunnen worden. Denk aan een favoriete plaats, de eerste plaats of het kampioenschap. Er kan er maar één kampioen zijn en er kan er ook maar één de hoogste plaats innemen. Als jij dan ook kampioen wilt zijn, is dat per definitie rivaliteit. Je gunt het jezelf, maar daarmee misgun je het de ander. Dat is een verterend verlangen, een verterende begeerte die heel veel schade kan aanrichten.
In de Bijbel zie je hier allerlei voorbeelden van. Volgende week heb ik een dubbele bijbelstudie over de figuur Absalom, en in de geschiedenis van David vind je heel wat voorbeelden van jaloezie. Dat begint eigenlijk al aan het begin van zijn carrière, nadat hij Goliath verslagen heeft. Je leest dan dat het volk zingt: "Saul versloeg zijn duizenden, maar David zijn tienduizenden." David is de kampioen en Saul wordt verteerd door jaloezie. David heeft een plaats in het hart van het volk ingenomen die Saul graag zelf zou willen bezitten. Als je veel verder teruggaat in de Bijbel, in het boek Genesis, vind je ook talloze voorbeelden. Wat dacht u van Jozef en zijn broers? Over 'gift' en rivaliteit gesproken. Maar dat begint eigenlijk al eerder, namelijk bij Rachel en Lea. Jakob had Rachel lief, maar hij kreeg Lea. Rachel zou de eerste zijn, maar het werd Lea — houd dat vast, want daar gaan we het straks nog over hebben. Die jaloezie van Rachel naar Lea en later ook weer andersom, omdat de ene geliefd was en de ander niet, laat zien hoe complex deze emoties zijn. Het gaat om complexe situaties en relaties.
Om een lang verhaal korter te maken — wat voor mij ook niet altijd meevalt — brengt dit ons bij het onderwerp van vanmorgen, namelijk de jaloezie van Israël. Laten we daarvoor gaan naar de tekst.
Romeinen 9 tot 11: de Tijdelijke Terzijdestelling van Israël ↑ hoofdstukken
Kijk naar de brief aan de Romeinen, een geweldige brief waarin Paulus de basis van het evangelie uiteenzet. In die brief vinden we eigenlijk een soort intermezzo, een onderbreking. Dat is niet zomaar pardoes binnengevallen; nee, het heeft een heel duidelijke rol. Het is een intermezzo waarin in Romeinen 9, 10 en 11 wordt besproken hoe God vandaag Israël tijdelijk terzijde stelt en een weg gaat via een andere apostel, namelijk Paulus. Hij bezoekt nu niet Israël, maar de natiën. Dat is een onderbreking in de heilsgeschiedenis. In die pauze — wat trouwens ook de betekenis van de naam Paulus is — bevinden wij ons tot op de dag van vandaag nog steeds.
In deze hoofdstukken gaat Paulus er dieper op in waarom het Joodse volk nu 'nee' zegt tegen de Messias. Daarmee bedoelt hij niet alleen maar, of zelfs niet eens in de eerste plaats, dat Israël haar Messias gekruisigd heeft. Ook daarna is het evangelie immers als eerste aan Israël verkondigd, namelijk het evangelie van de opgestane Messias. Die boodschap is alsnog naar het volk gegaan en de twaalf apostelen waren daar ook speciaal voor uitverkoren en bestemd. Maar je leest dat die boodschap wordt afgewezen en op een gegeven ogenblik wordt Stefanus zelfs officieel door het Sanhedrin gestenigd. Bij die gelegenheid komt er een figuur om de hoek kijken: Saulus. Later wordt hij geroepen en gaat hij inderdaad naar de natiën toe. Paulus beschrijft het fenomeen van hoe het volk van Israël nu terzijde is gesteld en hoe God nu een volk uit de natiën verzamelt.
Dit brengt mij bij Romeinen 10. Ik begin te lezen in vers 19; het is midden in het betoog, want Paulus was daar natuurlijk al veel eerder mee begonnen in hoofdstuk 9. Hij had in het voorgaande al gevraagd of het loutere feit dat Israël nu terzijde staat, komt doordat ze het niet gehoord hebben. Dat was de eerste vraag in vers 18: "Hebben ze het niet gehoord?" Nou, jazeker, ze hebben het wel gehoord. Iedere keer geeft hij de "bonnetjes" erbij en laat hij zien hoe deze dingen al in de Hebreeuwse Bijbel voorzegd of in ieder geval daarin verborgen zijn.
Nadat hij heeft vastgesteld dat ze het wel degelijk hebben gehoord, stelt hij de volgende vraag. Hij stelt iedere keer zelf de vragen om vervolgens ook het antwoord daarop te geven. Hij zegt dan: "Maar ik zeg: begreep Israël het dan niet?" Of: heeft Israël het dan niet verstaan? Begrepen dus. Paulus beantwoordt dat opnieuw met een citaat uit de Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament.
Deuteronomium 32: Jaloers Gemaakt op een Dwaas Volk ↑ hoofdstukken
Paulus onderbouwt zijn argument met verschillende Bijbelplaatsen. Hij begint bij Mozes, want daar begint de Bijbel ook: bij de boeken van Mozes. Hij zegt eerst: "Mozes zegt", en dan komt er een citaat uit Deuteronomium 32. Daar wordt door God tegen het volk van Israël gezegd: "Ik zal jullie jaloers maken op wat geen natie is, toornig op een onverstandige natie." Dit is trouwens een heel mooi voorbeeld van de tweede variant van jaloezie: de negatieve jaloezie. Dat wil zeggen dat de jaloezie hier parallel loopt met dat toornig zijn; dit is echt de kift, de rivaliteit. Het klinkt misschien wat verwarrend als er staat: "Ik zal jullie jaloers maken op wat geen natie is en toornig op een onverstandige natie." Is het nu wel een natie of is het geen natie? Als ik het woord 'natie' een paar keer zeg, roept dat natuurlijk allerlei andere associaties op. Maar ik heb het natuurlijk niet over de tweede variant... Oké.
Laten we eens naar die schriftplaats in Deuteronomium 32 gaan. Het blijkt dat het daar door Mozes al op een verborgen wijze gehint wordt. Dat is precies wat je mag verwachten als het gaat over deze tijd: dat er in Deuteronomium al gewezen wordt op de tijd waarin wij nu leven. Dat is de tijd waarin God het volk van Israël terzijde stelt. Als je in het boek Deuteronomium even terugbladert, zie je dat Israël verstrooid zou worden onder de natiën. Dat is heel apart; moet je nagaan, Deuteronomium gaat over de tijd dat Israël het land nog moest intrekken. Ze waren het beloofde land nog niet eens ingegaan en stonden eigenlijk op de grens, vlak voor de Jordaan. En dan lees je al dat er gezegd wordt: "Jullie gaan nu het land in, maar er komt een tijd dat jullie het land uitgezet worden en verstrooid zullen worden onder alle natiën." Dat is dus niet de Babylonische ballingschap, want toen werden ze naar één plek gebracht. Hier gaat het erom dat ze verstrooid zullen worden onder alle natiën en daar een afschuwelijke tijd zullen beleven, miskend en vervolgd zullen worden.
Maar er wordt ook gezegd dat God een keer een wending zal brengen in hun lot. Hij zal hen vanuit de natiën weer verzamelen naar het land en hun harten besnijden. Dat wil zeggen: Hij zal de bedekking wegnemen en alsnog Zijn beloften gaan vervullen. Er wordt hier dus over millennia heengekeken en voorzegd hoe de dingen zouden gaan. Voorzegd! Over die tijdspanne waarin God het volk heeft verstrooid onder de natiën, wordt in Deuteronomium 32 gesproken. In die schriftplaats zegt God bij monde van Mozes: "Ik wil Mijn aangezicht dan voor hen verbergen." Daar hadden we het onlangs op deze locatie ook over, over die uitdrukking dat God Zijn aangezicht verbergt. Dat is heel typerend voor de huidige tijd. God verbergt Zich. Hij is er, maar je ziet niets van Hem. Dat is natuurlijk voer voor het atheïsme, want men zegt: "Niet alleen zien we Hem niet, maar wat merken we van Zijn handelen?" Juist dat is heel typerend; in feite bewijst het het Woord van God. Het feit dat God Vandaag Zijn aangezicht verbergt en we niets van Hem en van Zijn heilshandelen opmerken met het oog – we weten het vanuit het Woord, dat is waar, maar we zien het niet – Hij verbergt Zijn aangezicht.
Er staat: "Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen en zien wat hun einde wezen zal, want ze zijn een verkeerd geslacht." Vervolgens staat er in vers 21: "Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen God is, zij krenkten Mij met hun ijdelheden." Dat wil zeggen: het gaat hier over de afgoderij waaraan Israël zich heeft overgegeven. God is Zelf ook een jaloers God. Ze verwekten Hem tot naijver. Is dat negatief? In zekere zin wel. God eist de eerste plaats op; Hij is niet tevreden met zomaar een plaats. En God zegt – trouwens, dat is ook een belofte: "Jullie zullen Mij liefhebben boven alles." Niet naast anderen. Dat is net als in het huwelijk: dat is exclusief, dat is de hele intentie. Op het moment dat Israël andere goden achterna gaat of naar anderen gaat luisteren en die boven God stelt, is dat in feite geestelijke hoererij of overspel. Ze gaat achter andere mannen aan en dat is een breuk; het gaat in tegen het ABC van trouw.
Het oude verbond is, net als het nieuwe verbond, een huwelijksverbond. De man die 'ja' zegt tegen zijn vrouw en de vrouw die 'ja' zegt tegen de man. Zij verwekten God tot naijver door wat geen God is en krenkten Hem met hun ijdelheden. Daarom staat er: "Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is, en door een dwaas volk zal Ik hen krenken." In het Hebreeuws worden hier twee verschillende woorden gebruikt: "wat geen natie is" en "een dwaas volk". Hier wordt voor 'volk' het woord goy gebruikt. Als u een klein beetje de Jiddische taal kent, kent u die uitdrukkingen: Joden spreken over de heidenen, over niet-Joden, als de gojim. Een goj. Dat zijn dus de niet-Joden. En hier wordt dat al gezegd: het is geen volk. Er wordt hier voorzegd dat God Zijn aangezicht zou verbergen, maar ook dat Hij hen tot naijver zou verwekken door wat geen natie is. Dat wil zeggen: geen volk in de gebruikelijke zin van het woord, zoals het Nederlandse volk of het volk van Israël.
En toch is het wel een volk; het is in ieder geval goy, het komt uit de natiën, het is niet Joods. Dat is, als u het mij vraagt, een zeer trefzekere aanduiding van de ekklesia. Dat wat God Zich vandaag verzamelt, is dat een gewoon volk? Nee, geen gewoon volk. Het is geen familie en ze wonen ook niet allemaal op één plaats. En toch is het wel degelijk een volk. Anders gezegd: het is geen natie, het is een dwaas volk. "Het is een bende, ja," hoor ik iemand zeggen. "Gideons bende." Inderdaad, er wordt hier ook nog gezegd: een dwaas volk. Dat wil zeggen dat God hier al iets voorzegt wat tamelijk cryptisch is. Er wordt aangegeven: "Ik ga aan een dwaas volk, aan goyim, een verzameling, iets geven waar jullie verschrikkelijk jaloers op zullen worden." Waarom? Omdat jullie dachten dat het voor jullie was, maar Ik ga het geven aan een ander volk. Dit fenomeen is dus al duizenden jaren geleden, voordat Israël zelfs het land binnenging, voorzegd. Paulus verwijst daar heel uitdrukkelijk naar door dit aan te halen in relatie tot wat God vandaag doet. Ik lees even verder.
Jesaja 65: Absolute Genade voor Wie Hem Niet Zochten ↑ hoofdstukken
In Romeinen 10 gaat Paulus gewoon verder als hij dat citaat gegeven heeft. Hij had eerst een citaat uit het boek Deuteronomium gegeven, wat Mozes vertelde, en dan zegt hij: "En Jesaja waagt het te zeggen..." Vervolgens geeft hij een citaat uit Jesaja 65. Hij doet niet anders dan sprokkelen wat er allemaal in de Hebreeuwse Bijbel beschreven staat. Jesaja waagde te zeggen – en God spreekt dan weer bij monde van Jesaja: "Ik werd gevonden door hen die Mij niet zochten, en Ik werd kenbaar aan hen die naar Mij niet vroegen."
Broer Dirk had het er eigenlijk al even in zijn gebed over. Ja, hebben wij God gezocht? Of hebben wij... laat ik het anders vragen: als je deze vraag aan Paulus had gesteld – hij was nu een getuige van Jezus Christus – had hij dat gezocht? Nee, in tegendeel zelfs! Maar wat maakt het uit? En daar komen we bij de clou van het evangelie: dat is Gods werk. Het is allemaal genade.
Dat klinkt als een cliché, dat weet ik. En het is vaak helemaal een cliché omdat er iets verteld wordt over genade terwijl het feitelijk geen genade is, want je moet er uiteindelijk toch weer wat voor betalen. Maar dít is echt genade! Ik bedoel, als God zegt: "Ik ben jouw Schepper", dan is dat een mededeling. Als Hij zegt: "Ik ben jouw Redder", dan is dat een mededeling. Het is geen aanbod, want bij een aanbod kun je altijd nog zeggen: "Nou, dat kan ik ook afwijzen." Je moet het wel aannemen en zo – dat is het gebruikelijke christelijke verhaal. Maar het is geen aanbod, het is een mededeling. Ja, zeg je dan, maar dan moet je wel geloven. Precies, dáár is die mededeling voor! Maar de mededeling staat, en ook als je niet gelooft, blijft die mededeling waar. Dat is het verschil met het idee van het evangelisch aanbod. Het aanbod van genade? Vergeet het maar. Het is een mededeling van genade.
En dan zegt God – ja, dat is het geweldige – het loutere feit dat Hij jouw ogen daarvoor opent en dat je denkt: "Wauw, wat geweldig!", ook dat is Zijn werk. Het oog dat ziet, het oor dat hoort, het hart dat verstaat: Hij heeft dat gemaakt. Dat is geen eigen verdienste.
"Ik werd gevonden", wordt hier door Jesaja gezegd. "Ik werd gevonden door hen die Mij niet zochten." Dan gaat het dus over de natiën. Wat hebben die met God? Zeker met de God van Israël? "En Ik werd kenbaar aan hen die naar Mij niet vroegen." Zie je, het loutere feit dat je Hem dan mag kennen... Dat volk dat vandaag verzameld wordt, wat van toeten noch blazen weet... ik bedoel, als er één volk is dat weet wat er in de Bijbel staat, hun eigen Bijbel, de woorden van God, dan zijn zij het toch wel? Dan is het al verschrikkelijk irritant dat een ander volk jouw geschriften leest en gaat uitleggen hoe de vork in de steel zit. En dat Hij dan gevonden wordt door hen die Hem niet hebben gezocht... ja, dat is dus genade.
Paulus zegt echter: "Maar tegen Israël zegt Hij..." En de aardigheid is: dit is Jesaja 65 vers 1: "Ik werd gevonden door hen die Mij niet zochten, Ik werd kenbaar aan hen die naar Mij niet vroegen." Maar tegen Israël, het volk dat dichtbij was en dat Hij wel kende, zegt Hij: "De hele dag spreid Ik Mijn handen uit naar een ongezeggelijk en tegensprekend volk." Het hele idee daarbij is vooral: waarom spreken ze tegen? Ze ménen het al te weten. En op het moment dat jij denkt dat je iets weet, dan sta je niet meer open voor iemand die jou iets anders gaat vertellen. Want je weet het al, of je denkt het al te weten. Dan ben je ongezeggelijk geworden. Je staat in een positie dat je niet meer te bereiken bent.
Het loutere feit – ook dat is Romeinen 9 tot en met 11, dat gaat zo diep – want wat blijkt dan? Dat had Paulus net in de voorgaande verzen gezegd en hij gaat het ook nog in het navolgende zeggen: dat Israël vandaag blind is, is ook bedoeld. Dat is opzet. Het feit dat er een volk is dat een "dwaas" is, hè? Dat totaal geen enkele aanspraak kan maken... nee, maar het feit dat zij wel zien dat zij de Heer gevonden hebben, dat is genade. Maar het loutere feit dat het zo gegaan is en dat er een volk is dat nu niets ziet en niet hoort, ook dat is Gods weg. En ik wil het u ook laten zien.
Romeinen 11: Israëls Misstap Brengt Rijkdom Naar de Natiën ↑ hoofdstukken
Als we even doorbladeren, komen we uit in Romeinen 11. Hier is Paulus aan het woord en hij zegt: "Ik zeg dan: zij struikelden toch niet opdat zij zouden vallen?" Hij heeft het hier over het Joodse volk dat gestruikeld is over de 'Steen des aanstoots'. Dat had hij trouwens ook al aan het eind van Romeinen 9 gezegd: God heeft een steen neergelegd in Sion. Die steen is de Messias, en wel de opgewekte Messias. Die steen heeft Hij daar gesteld, maar die steen is een 'Steen des aanstoots' geworden, want het volk Israël is daarover gestruikeld.
Paulus vraagt vervolgens: "Maar zij struikelden toch niet opdat zij zouden vallen?" En dan zegt hij: "Nee, volstrekt niet! Maar door hun misstap is de redding voor de natiën." Dat is wat Paulus in het vervolg zo duidelijk uiteen gaat zetten. Zij zijn nu vijanden van het evangelie om uwentwil. Daarom zegt hij ook: wees niet hoogmoedig. Denk nu niet: "O, nu wij wel." Jaloezie, maar dat geldt ook voor hoogmoed, is zo subtiel. Je kunt via een omweg alsnog weer arrogant worden op iets wat je hebt ontvangen. Het loutere feit is dat er bij Israël inderdaad sprake is van een overtreding in de letterlijke zin van het woord; ze zijn eroverheen gestapt, dus met recht een misstap. Maar Paulus zegt dat dit is vanwege de redding voor de natiën. Want via Israëls ongeloof is nu de boodschap van redding naar de natiën gegaan, en wel op een veel verhevener wijze dan ooit is verteld. In feite is wat Paulus vertelt de boodschap van de Redder van alle mensen, die Hij aan ieder gaat meedelen. Wat Paulus gedaan heeft, is de boodschap van Gods genade wereldwijd verkondigen.
Hoe heeft dat zo kunnen gebeuren? Hoe is Paulus naar de natiën gegaan? Dat ging niet zomaar. Want normaal gesproken zou je kunnen zeggen: was dat niet al een voorrecht in het Oude Testament, dat God ook via Israël de natiën zou zegenen? Jawel, maar dat was het aanvankelijke idee. Wat Israël wist, is dit: Israël herkent haar Messias en neemt Hem aan, en via Israël gaat vervolgens die boodschap naar de natiën. Dat wil zeggen: Israël ontvangt haar Messias, de Messias komt terug. Dat was ook de verwachting in het boek Handelingen. Er werd gepredikt aan Israël: "Kom tot bekering." Als zij tot bekering zouden komen, dan zou de Messias terugkomen om hier op aarde Zijn vrederijk op te bouwen, en dan zouden de natiën daarin delen. Dus via een hersteld Israël zouden de natiën verrijkt en gezegend worden.
Maar nu is het verhaal geprolongeerd. Israël gelooft het niet, en omdat Israël niet gelooft, gaat het naar de natiën. Er staat hier ook bij: "om hen jaloers te maken." Je moet even heel goed opletten en je goed realiseren wat die jaloezie inhoudt. Wat de natiën via Paulus aan de heidenwereld bekendgemaakt wordt, wat zij nu vernemen, dat overtreft de belofte die ooit aan Israël is gedaan. Ik zal het laten zien: het is dat wat dat 'dwaze volk', die 'natie die geen natie is', nu ten deel valt vanwege Israëls ongeloof, dat overtreft wat Israël ooit is beloofd. Wat aan Israël was beloofd, is een geweldige aardse positie. Die belofte staat trouwens nog steeds en die gaat vervuld worden. Maar wat nu dat 'dwaze volk' ten deel valt, dat is een hemels deel.
Ik weet dat het een oud misverstand is, maar het klopt niet dat wij als gelovigen nu worden ingelijfd bij Israël. Nee, we worden niet ingelijfd bij Israël; we worden ingelijfd in Christus. Wij zijn met recht ingelijfd, dat wil zeggen: in het lichaam van Christus. Dat is eigenlijk de clou van Paulus' boodschap. Toen hij geroepen werd, werd hij daar eigenlijk al mee geconfronteerd. Hij vervolgde de gemeente van God en de Heer zegt: "Nee, je vervolgt de gemeente van God, maar je vervolgt Mij." Die waarheid van Hoofd en Lichaam werd eigenlijk bij zijn roeping al bekendgemaakt. Het is een exclusieve waarheid die alleen bij Paulus zit: dat wij het Lichaam van Christus zijn. Alles wat aan Jezus Christus is beloofd, wordt gedeeld door dat 'dwaze volk' dat nu genoemd wordt. En dat is een zegen, een voorrecht en een plaats die overtreffend is ten opzichte van dat wat Israël ooit ten deel zal vallen.
Dat is wat Paulus nu aan de natiën gaat vertellen: dat er een volk onder hen verzameld wordt terwijl ze de besnijdenis niet hebben. Althans, dat hebben ze wel, ze zijn het ware volk, maar hen valt de hoogste zegen zomaar ten deel, gratis en voor niets. Waarom? In feite is dat volk dat nu verzameld wordt, de eerste. Die verwisseling van de eerste en de tweede heeft heel oude papieren; dat zie je in Genesis ook al. We dachten: de Messias komt en het eerste volk dat daarin gaat delen is Israël. Dat zouden we denken, en in Handelingen zie je dat fenomeen ook. Maar het komt bij de natiën terecht via Paulus, en zij krijgen de hoogste zegeningen. Het zijn voorrechten waar Israël zelfs nooit van heeft kunnen dromen. Het was hen ook nooit geopenbaard, het was verborgen. Dat zijn de dingen die Paulus nu allemaal onthult. Ja, dat maakt jaloers natuurlijk.
Paulus zegt nu: "Indien nu hun misstap..." – het feit dat zij de Messias nu verwerpen en vijanden zijn naar het evangelie – "...rijkdom van de wereld is en hun tekort rijkdom voor de natiën, hoeveel te meer hun volheid!" Als het Joodse "nee" nu al zoveel betekent voor de wereld, wat zal hun volheid dan zijn? Wat zal er gebeuren als zij tot volheid komen? Als hun misstap al rijkdom is, wat gaat het dan betekenen als zij Hem zullen aannemen? Kijk, en dit moet je goed begrijpen: dit was verborgen in het Oude Testament. In het Oude Testament en ook in de verwachting van het boek Handelingen was de gedachte: de natiën worden gezegend, jazeker, maar via een gelovig en hersteld Israël. Maar nu is er de onderbreking: nu gaat de rijkdom naar de natiën, naar de wereld, juist via een Israël dat terzijde wordt gesteld en niet gelooft. Sterker nog, juist daardoor gaat er een rijkdom naar de natiën die de rijkdom van Israël overtreft. Je gaat er haast van stotteren, maar het is zo. Over die jaloezie gaat Paulus dan verder in vers 13.
Paulus als Apostel van de Natiën: Zijn Eigen Volk Jaloers Maken ↑ hoofdstukken
Hij zegt: "Ik spreek nu tot jullie, de natiën." Tot dusver had hij over en tot Israël gesproken, maar nu spreekt hij tot de natiën. En hij zegt: "Voor zover ik inderdaad een apostel van natiën ben..." Was hij dat dan niet? Hij zegt: "Voor zover ik een..." Kijk, Paulus was een Israëliet. Hij zei: "Van de stam Benjamin." Jazeker, en niet de eerste de beste. Maar hij was ook een apostel van de natiën. Hij was een Romein en zelfs zijn naam is Grieks-Romeins of Grieks-Latijn. Hij is ook geroepen buiten het land; hij maakt geen deel uit van de twaalf apostelen. Die dertiende apostel komt pas in het vizier als Israël "nee" heeft gezegd, en via dat "nee" wordt Paulus eigenlijk ook geroepen.
Hij zegt: "Ik ben een apostel van de natiën." En 'apostel van de natiën' betekent dat hij eigenlijk deel uitmaakt van de natiën. Het is een andere term en ik wil u erop wijzen dit scherp te lezen. Het is niet een apostel voor de natiën — dat is hij ook hoor, dat wil zeggen dat hij als apostel een afgevaardigde is — maar hij is ook een apostel van de natiën. Dat wil zeggen dat hij deel uitmaakt van de natiën en als behorend tot de natiën wordt hij afgevaardigd. Waarnaartoe? Wij denken bij de term 'apostel van de natiën' vaak dat dit betekent dat hij een Israëliet is die als Israëliet naar de natiën toe gaat. Nee, 'apostel van de natiën' betekent: "Ik hoor bij de natiën en nu ga ik als behorend bij de natiën naar Israël toe."
Ik ga het u bewijzen ook, want hij zegt: "Voor zover ik inderdaad een apostel van natiën ben, verheerlijk ik mijn bediening." Dat wil zeggen: ik maak mijn bediening speciaal, bijzonder, heerlijk, groots en glorieus, zodat ik zo mogelijk mijn vlees en bloed — dat wil zeggen zijn volksgenoten, de andere Israëlieten — jaloers zou maken en enigen uit hen zou redden. Zien jullie wat hier gebeurt? Hij zegt: "Juist omdat ik apostel van de natiën ben — ik hoor erbij, ik ben een Romein — kom ik nu als Romein, als heiden, met een heidense boodschap." Dat werd Paulus juist verweten. Hem was het 'evangelie van de voorhuid' toevertrouwd. De besnijdenis en dergelijke hebben geen enkele betekenis in zijn bediening; het was geen enkele voorwaarde. Met dat onbesneden evangelie brengt Paulus nu als apostel van de natiën een boodschap aan Israël over.
Je ziet dit trouwens — want dit klinkt misschien wat abstract — gewoon gedemonstreerd in het boek Handelingen. Je ziet wat Paulus doet: als hij ergens onder de natiën komt, weet u waar hij dan eerst naartoe gaat? Naar de Joden. En wat gaat hij daar vertellen? Ja, het evangelie, maar hij gaat ook vertellen dat het heil naar de natiën is gezonden. Overal gaat hij dat vertellen. Nou, daar maak je geen vrienden mee hoor, dat kan ik u vertellen. Hij gaat hen vertellen dat het heil nu... Hij zegt dat in Rome helemaal duidelijk tegen al die rabbijnen daar. Hij zegt dat het heil van God, de redding van God, naar de natiën is gezonden. Dat wil zeggen dat het was gedeponeerd bij Israël en nu wordt het bewaard bij de natiën. En als deeluitmaker van de natiën ga ik dat tegen de Joden vertellen om hen tot jaloezie te wekken of om hen jaloers te maken.
Ziet u wat die bediening inhoudt? Heel vaak heb ik gehoord dat dit zou betekenen: "We moeten Israël jaloers maken zodat zij ook het evangelie willen horen." Nee, het idee is dat God nu een dwaas volk roept, een heidens volk, en hen bevoorrecht en zegeningen geeft die Israël niet kan verkroppen en waar ze toornig op worden. Ja, bij een aantal van hen, bij enigen, valt het kwartje, maar het volk als geheel wordt jaloers en toornig gemaakt. Zo heeft het ook inderdaad gewerkt. Je begrijpt ook het fenomeen: Israël zou toch als eerste na de komst van de Messias gezegend worden? Ja, en als dan blijkt dat er een volk geroepen wordt dat helemaal geen besnijdenis heeft, helemaal niet de rituelen houdt, helemaal niets met het jodendom of met de wet heeft — een onbesneden volk — en dat hen nu de voorrechten toevallen, zelfs nog meer dan dat... Wat is er dan waarbij Israël nu juist aan de zijlijn staat? Ja, dat is die jaloezie.
De Verzoening van de Wereld en Leven uit de Doden ↑ hoofdstukken
Nou zegt Paulus in vers 15 van Romeinen 11: "Want indien nu hun verwerping verzoening van de wereld is." Dat is de boodschap die Paulus nu onder de natiën brengt: de verzoening van de wereld. En weet u wat dat betekent? Er hoeft hier geen grote uitleg voor te zijn: de wereld wordt verzoend. Ook dat is weer een mededeling. God redt alle mensen. Hij verzoent ook alle mensen. Dat wil zeggen: Hij maakt alle vijanden tot vrienden. Hij opent ogen, Hij opent harten; dat is de verzoening van de wereld. Die rijkdom die nu naar de natiën gaat, ja, dat is onvoorstelbaar.
Maar die boodschap van genade – en ik weet het – die boodschap van genade is vertreden, erger eigenlijk nog: verdraaid. Want nu is het zo – Paulus waarschuwt trouwens al in Romeinen 11 – van: ja, nu is dit de situatie, maar ik waarschuw je. Ook de natiën zullen hier niet bij blijven. Hij voorzegt het ook al. En zo is het inderdaad ook gegaan in de kerkgeschiedenis. Ze blijven niet bij de goedertierenheid van God. Ze zijn gaan bogen op hun eigen gerechtigheid, hun eigen keuze: "Wij hebben het gedaan." Kijk, deze boodschap, dat is het Evangelie: de verzoening van de wereld. En alles wat dat ontkent, dan heb je de boodschap van genade volstrekt miskend en verworpen.
"Indien hun verwerping nu de verzoening van de wereld is" – de huidige situatie dus, wat Paulus bracht aan de volkeren – "wat zal dan hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden?" Paulus zet eigenlijk de tegenwoordige tijd tegenover dat wat gaat komen. Hij zegt: als het nu al zo is dat Israël "nee" zegt en de Joden het Evangelie verwerpen, als dat nu al zo'n glorie betekent voor de natiën, wat zal het dan niet zijn als Israël daadwerkelijk wel haar Messias zal aannemen en zij ook worden aangenomen? Want het werkt, denk ik, in dit geval naar twee kanten.
Wat zal de aanneming dan anders wezen dan leven uit de doden? Dat betekent gewoon: Israël staat op uit de doden. Het is een opstanding. Dit gaat over Israëls toekomstige bekering; dat is een nationale opstanding. In Ezechiël 37 spreekt hij erover, weet u wel, dat dal van dorre doodsbeenderen. Dat Israël tot een lijk was geworden en weer tot nieuw leven komt. Hosea 6 zegt er trouwens ook nog bij dat niet alleen Israël dood zal zijn, maar er wordt ook nog bij gezegd dat het voor twee dagen zal zijn en dat God Israël zal doen herleven op de derde dag. En dan zal Hij tot hen komen. Cryptisch wordt het gezegd, maar het staat al beschreven. Apart, niet?
En wat zal die aanneming dan anders wezen dan leven uit de doden? Dit verwijst dus naar dat wat binnenkort gaat gebeuren, namelijk als de twee dagen voorbij zijn en de derde dag gaat aanbreken. Wees u bewust van het ene: de rijkdom die nu naar de natiën en naar de wereld toe gaat via de verzoening van de wereld. Dat is het ene. Maar ook wat het gaat betekenen als Israël daadwerkelijk wordt aangenomen en haar Messias zal aannemen: dan zal het herstel komen. Dan gaan die beloften die God aan Israël heeft gegeven alsnog in vervulling. Dus we leven in een intermezzo, een onderbreking, een pauze. Maar wauw, wat een geweldige waarheid komt om niet bij de volkeren terecht. Nou, dan heb ik nog één ding dat ik graag even naar voren wil brengen ter illustratie van hoe dat werkt.
Handelingen 22: een Historische Demonstratie van Jaloezie in Jeruzalem ↑ hoofdstukken
Want we weten vanuit het boek Handelingen dat Paulus, enige tijd nadat hij de Romeinenbrief heeft geschreven, op weg gaat naar Jeruzalem. Hij zou daar met Pinksteren arriveren, zoals we ook in het boek Handelingen lezen. Uiteindelijk komt hij daar in Jeruzalem aan. Hij zag er erg tegenop, want hem was al gezegd dat hij daar veel zou moeten lijden om de naam van de Heer.
En inderdaad, de hel breekt los als Paulus daar in Jeruzalem verschijnt. Hij was daar geen geziene gast, en u begrijpt inmiddels wel waarom: omdat hij een evangelie voor de natiën draagt. Men zei van hem: "Gij predikt onder de natiën een afval van Mozes." Zelfs bij de Joodse gelovigen was Paulus zeer verdacht, en dan druk ik mij nog voorzichtig uit. Op een gegeven ogenblik willen ze hem lynchen, maar hij wordt in veiligheid gebracht door de Romeinen. Hij komt terecht op de grote trap die naar de burcht Antonia leidt. Daar staat hij op die trap, wenkt het volk en vraagt of hij hen mag toespreken. De menigte die hem kort tevoren nog wilde lynchen, luistert dan naar hem, want Paulus spreekt hen toe in het Hebreeuws. Hij bevindt zich daar op een Romeinse locatie, hij wordt bewaakt en beschermd door de Romeinen en hij is zelf ook een Romein — dat komt in diezelfde geschiedenis naar voren — maar hij spreekt Joden toe.
Hij vertelt zijn verhaal; het is ook zijn laatste publieke toespraak daar in Jeruzalem. Hij vertelt wat hem is overkomen en hoe hij ooit als vervolger van de christenen geroepen is. In vers 17 lezen we: "Het gebeurde echter, toen ik terugkeerde in Jeruzalem..." Hij was vlak bij Damascus geroepen en pas drie jaar later keerde hij terug naar Jeruzalem. Hij zegt: "Het gebeurde echter toen ik terugkeerde in Jeruzalem dat ik bad in de tempel en in extase geraakte." Extase is een Grieks woord, extrazee, wat betekent dat je buiten jezelf bent, dat je "eruit staat". In die zinsverrukking nam hij Hem waar die tot hem sprak — de Heer Jezus Christus zelf. Tegen Paulus wordt dan gezegd: "Haast je en ga snel uit Jeruzalem, omdat zij namelijk van jou geen getuigenis omtrent Mij zullen aannemen."
Paulus was ooit de kampioen onder de Joden; hij had het verder geschopt in het Jodendom dan wie ook, maar zelfs van hem zouden ze geen getuigenis aannemen. Dat wordt hier al tegen hem gezegd. Eigenlijk was daarmee al duidelijk dat hij het van Jeruzalem niet hoefde te verwachten. Paulus antwoordt dan: "Heer, zij zijn er allemaal van op de hoogte dat ik het was die degenen die op U vertrouwden in de gevangenis zette en per synagoge afranselde." Hij vertelt hier gewoon wat hij gedaan heeft als vervolger van de ekklesia. "En toen het bloed werd vergoten van Stefanus, de getuige van U, stond ik er zelf ook goedkeurend bij en ik bewaakte de mantels voor degenen die hem uit de weg ruimden." Dat is de eerste keer dat zijn naam, Saulus, in het boek Handelingen wordt genoemd: de jongeman die de mantels bewaarde. Even voor de goede orde, ik vind het altijd mooi om daarop te wijzen: de mantels zijn een uitbeelding van heerlijkheid. Israël legt die heerlijkheid af en waar komt die terecht? Bij Saulus, en hij bewaakt dat.
Maar de Heer zei tot hem, terwijl hij daar in de tempel in extase was: "Ga, want Ik stuur je naar de natiën ver weg." Dus niet in Jeruzalem, want zij zullen mijn getuigenis niet aannemen — niet van jou en trouwens van niemand. "Ga ver weg." Dat is wat Paulus nu daar in Jeruzalem vertelt. Ziet u hoe het werkt? Hij is hier een apostel van de natiën. Hier spreekt een Jood, maar ook een Romein, en hij zegt tegen al die Joden bij de tempel: "Ik ben door de Heer zelf, door de Messias, gezonden naar de natiën, want Jeruzalem zal het niet aannemen."
En dan lezen we iets heel typerends. Die hele menigte heeft hem tot dusver aangehoord. Hij had een behoorlijk lang verhaal verteld en tot nu toe was het muisstil geweest; ze hebben echt naar hem geluisterd. Maar op het moment dat hij vertelt dat Jeruzalem het getuigenis niet zal aannemen en dat hij naar de natiën moet gaan, staat er: "Zij hoorden hem aan tot op dit woord." Dit is het laatste publieke woord dat Paulus in Jeruzalem heeft gesproken. Vanaf hier wordt hij de gevangene. Uiteindelijk gaat hij een hele lange weg die hem in Rome zal brengen, maar het loopt hier in Handelingen 22 mis op het moment dat hij tegen Israël zegt dat de boodschap naar de natiën is gezonden.
Ze hoorden hem aan tot op dit woord en verhieven hun stemmen: "Weg van de aarde met zo iemand, want hij behoort niet te leven!" Dit is precies die jaloezie en die toorn waarover hij in de Romeinenbrief sprak: "Ik zal hen jaloers maken op wat geen natie is, en toornig op mijn volk." Het is een uitbeelding van de tegenwoordige tijd. In de geschiedenis van Paulus zie je gedemonstreerd hoe God vandaag een allesovertreffende rijkdom naar de natiën brengt, hoe Israël tijdelijk terzijde staat en hoe hen dat jaloers heeft gemaakt.
Als hij zegt: "Ik zal hen jaloers maken op een volk dat geen volk is," dan is dat historisch inderdaad vervuld in het boek Handelingen. Je ziet het beschreven in al die hoofdstukken: de kift dat de zegen nu naar een volk gaat dat niet naar de Heer heeft gezocht, dat geen besnijdenis heeft, geen rituelen en de wet niet houdt. Ze hebben niet gezocht en toch gevonden, en hen vallen de hoogste zegeningen ten deel. Zij horen bij de Messias zelf als hoofd en lichaam; hemelse zegeningen. Die jaloezie zie je in het hele Nieuwe Testament gedemonstreerd. En dan eindig ik met de woorden die ik zojuist voorlas: "Indien nu hun verwerping de verzoening van de wereld is, wat zal hun aanneming dan anders wezen dan leven uit de doden?" Amen.
UltimateGoodNews