GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Ja, natuurlijk!

12-11-2017 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden zondag 12 november 2017 in Zoetermeer

De Schrift spreekt op diverse plaatsen over ‘de natuur’ en ‘natuurlijk’. Maar heel anders dan we vanuit de (christelijke) traditie hebben meegekregen. Wat b.v. te denken van ‘een zondige natuur’? Is de natuur zondig of juist het onnatuurlijke? Wat betekenen die begrippen eigenlijk? En waarom zou daar vandaag zoveel verwarring over bestaan?
Redenen genoeg om dat eens scherp te krijgen…

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze Bijbelstudie onderzoekt de diepere betekenis van de begrippen 'natuur' en 'natuurlijk'. De spreker toont aan dat de schepping en de natuurlijke orde onmiskenbaar getuigen van een intelligente Ontwerper. Wanneer de mens echter deze realiteit loslaat en het schepsel in plaats van de Schepper vereert, ontstaat er een fundamentele desoriëntatie. Dit resulteert in tegennatuurlijk gedrag en hartstochten van oneer, zoals gedetailleerd beschreven in de Romeinenbrief. Het erkennen van de Schepper die alles een doelbewuste plaats geeft, herstelt het perspectief en brengt licht in het verstand.

“Als je God als God erkent, dan herken je: er is iemand die de dingen plaatst.”

Introductie: de Betekenis van het Woord 'natuurlijk' ↑ hoofdstukken

In mijn gebed had ik het zojuist over de reden waarom we hier bij elkaar zijn: Zijn Woord, het Woord van God. Je zou misschien kunnen denken dat de Bijbel alleen gaat over de dingen die deze wereld en de natuur te boven gaan. Dan spreken we al gauw over het 'bovennatuurlijke', een term die we overigens zo niet in de Bijbel tegenkomen. Vandaag gaan we echter een stapje lager. Dat wil zeggen: we spreken niet over het bovennatuurlijke, maar over het natuurlijke.

Vandaar dat ik als thema heb meegegeven: 'Ja, natuurlijk!'. Ik herinner mij — ik heb het bij mijn weten nooit gezien, maar ik weet dat het bestond — dat er in de jaren tachtig of negentig een programma van de NCRV was dat over de natuur ging en diezelfde titel had. Bij dezen heb ik die copyrights dan ook maar weer omzeild. 'Ja, natuurlijk!' U ziet hier op de achtergrond ook een plaatje van DNA, en dat heeft inderdaad alles te maken met de natuur.

Laten we eerst eens wat onderzoek doen naar het woord zelf: 'natuurlijk', de betekenis in het Nederlands. Als je in het woordenboek kijkt, vind je als een van de eerste betekenissen dat 'natuurlijk' datgene is wat aangeboren is, zoals we dat in heel de natuur aantreffen. Juist vanmorgen zag ik daar nog een prachtig voorbeeld van. Het ging over de herfst en de vogeltrek. Wie leert een vogel, een zwaluw, nu om naar het zuiden te gaan? Dat is geen aangeleerd gedrag. Nee, dat is gewoon de natuur; dat zit in de genen. Het is aangeboren.

Het is trouwens interessant, want ons woord 'natuur' komt uiteindelijk uit het Latijn. Ik ben daar altijd in geïnteresseerd, in de etymologie: wat is de oorsprong van een woord? Ons woord 'natuur' komt van het Latijnse woord natalis. Daarin herkennen we natuurlijk weer ons woord 'nataal', zoals in 'prenataal' (voor de geboorte) of 'postnataal'. Natalis betekent geboorte, dus daar heeft de natuur inderdaad alles mee te maken.

Wat betekent het bijvoeglijk naamwoord 'natuurlijk' dan? Het betekent 'aangeboren' of 'volgens de natuur'. In de praktijk gebruiken we het woord vooral om aan te duiden dat iets niet kunstmatig is, waarbij vooral de gedachte meespeelt dat het zonder menselijke ingrepen of zonder menselijke beïnvloeding plaatsvindt. In het Engels spreken ze dan over nature versus nurture. Je hebt de nature, de natuur zelf, en de nurture, de omgeving, wat te maken heeft met wat je aanleert. Over wat nu nature is en wat nurture is, is een heleboel te doen, maar daar gaan we het vanmorgen niet al te veel over hebben. We gaan straks naar de Schrift.

Maar goed, we kijken eerst even naar dat woord. Je hebt ook de afgeleide betekenis ervan: 'vanzelfsprekend'. Als je vraagt: "Ga je vanmorgen ook naar de samenkomst?", dan zeg je: "Ja, natuurlijk!" Dan bedoel je dat het vanzelfsprekend is. Dat heeft dan eigenlijk niet zozeer direct met de gedachte van de natuur te maken, maar het is een afgeleide betekenis. Het is onwillekeurig; uiteraard doe je dat. 'Uiteraard' is ook een heel leuk woord, want dat betekent eigenlijk 'vanuit de aard'. En 'aard' is weer een ander woord voor de natuur — denk maar aan het woord 'geaardheid'. Dus 'uiteraard' is: ja natuurlijk, vanuit de aard.

Het Griekse 'physis' en de Logica van de Ontwerper ↑ hoofdstukken

Nu gaan we eventjes naar het Bijbelse woord. Want u weet dat de Bijbel — u hebt nu wellicht een Nederlandse vertaling voor u — niet in het Nederlands is geschreven. Het Oude Testament werd geschreven in het Hebreeuws en het Nieuwe Testament in het Grieks. We zullen ons vanmorgen helemaal beperken tot het Nieuwe Testament. Het Griekse woord waarin Paulus en de andere schrijvers van het Nieuwe Testament dit optekenden, het woord voor natuur, is 'physis'. Wij kennen dat nog bijvoorbeeld in ons woordje 'physica', dat is afgeleid van dit Griekse woord. Je staat er versteld van hoeveel van origine Griekse woorden we in het Nederlands gebruiken. Dit woord komt, even voor de statistiek, veertien keer voor in de Schrift.

Dit woord is — en dat is ook wel weer leuk — dan weer afgeleid van een ander woord en dat is 'phuo', en dat betekent spruiten of ontspruiten. Maar dan moet u niet denken aan die groente waar wij die specifieke naam aan hebben gegeven; nee, gewoon iets wat uit de natuur spruit in de zin van ontspruiten. Zo wordt het ook gebruikt in Lukas 8, om maar eens een voorbeeld te geven, in de gelijkenis van de zaaier waarbij een deel van het zaad op de rots viel. "En het ontspruit," staat er dan, en daar wordt dit Griekse woord 'phuo' gebruikt. Het gaat dus om dat wat onwillekeurig vanuit de natuur ontspruit.

Het is natuurlijk een gigantisch godswonder. We gebruiken het woord 'natuurlijk' vaak, maar als u het mij vraagt: is de natuur zelf al — sorry voor het wat vreemde taalgebruik — bovennatuurlijk? Het is toch onvoorstelbaar dat je een zaadje laat vallen en het komt op de rots, maar dat het in eerste instantie dan toch ontspruit. Er zit in dat met het oog niet eens waar te nemen zaadje zo'n geweldig ontwerp geprogrammeerd. Heel de wereld spreekt, als je goed kijkt, van een ontwerp: een intelligent design.

Het is een kwestie van logica. Dat zegt de Bijbel ook, we zullen dat straks ook zien. Het is een kwestie van denken om je te realiseren: als er een ontwerp is, dan is er dus ook een Ontwerper. Alleen als je die logica niet toelaat, oftewel als je niet nadenkt, kun je dat verwerpen. Je kunt je denken ook gebruiken om vervolgens die onzin te gaan bevestigen en dat academisch vorm te geven; dat heet dan atheïsme.

Terug even naar het woordje 'physis', afgeleid van 'phuo', wat spruiten of ontspruiten betekent. Je hebt ook een bijvoeglijk naamwoord: niet 'natuur' maar 'natuurlijk', oftewel 'phusikos'. Daar herkennen we ons woordje 'fysisch' dan weer in, maar ook 'fysiek'. Het is allemaal daarvan afgeleid. Dat woord komt drie keer in de Schrift voor en we zullen deze verzen in Romeinen 1 straks ook gaan bezien. Nu weet u in ieder geval eventjes zo kortweg waar we het over hebben. Ja, natuurlijk. De natuur.

Jakobus 3 en Judas: de Menselijke Natuur Vergeleken met Redeloze Dieren ↑ hoofdstukken

En ik begin met Jakobus 3, waar dat woord voorkomt. Want feitelijk wat ik doe, is niet al die plaatsen waar dat woordje natuur of natuurlijk gebruikt wordt voor het voetlicht brengen, want dan zouden we echt aan een uurtje tekortkomen. Maar ik geef een paar voorbeelden die toch wel heel karakteristiek zijn en waar ook zoveel van te leren valt.

Eerst Jakobus 3. Nou, daar lees je: 'want iedere natuur van wilde dieren...' Overigens, dat zeg ik er weer even bij voor degenen die daar onbekend mee zijn: u ziet hier de interlineair, de Griekse tekst zoals Jakobus die heeft opgetekend. En daaronder — daar moet je vooral op letten — de meest letterlijke woord-voor-woordweergave. De grijze regel is dan wat de NBG-vertaling ervan gemaakt heeft.

Letterlijk staat hier in Jakobus 3: 'Want iedere natuur...' In dit vers komt het woordje natuur twee keer voor. In de NBG-vertaling staat dan wel 'elk soort'. Nou ja, daar komt het inderdaad wel op neer. Elk soort van wilde dieren. Er worden hier een aantal groepen genoemd van natuur. Een soort is ook weer een bepaalde groep in de natuur die afgebakend is.

Ik geef hier een paar voorbeelden van wilde dieren. Een leeuw brult, een hond blaft en een kat miauwt. Een kat is trouwens geen wild dier; nou ja, van origine wel. In mijn beleving nog steeds, want ik houd niet van die dieren. Dat is mijn afwijking, geef ik direct toe. Ja, ik ben er bang voor; ik zal ze altijd op afstand houden. Dus in die zin is het nog wel heel verstandig, want het zijn van origine toch wilde dieren. Dat geldt ook voor honden; dat zijn eigenlijk wolven. Al die dieren worden getemd door de menselijke natuur. Maar dat is dan minus André Piet, want ik ben nog niet zo ver gekomen om ze te bedwingen.

Maar het is wel bijzonder dat al die dieren gewoon hun eigen natuur hebben, hun aangeboren gedragingen. Trouwens, feitelijk het hele functioneren van het lichaam is aangeboren. Het gebeurt gewoon. Waarom gebeurt dat? Nou, het is aangeboren, het zit erin, het is geprogrammeerd. Feitelijk is dat DNA, dat erfelijk materiaal waar we het over hebben, een programma; het is al geprogrammeerd. Het is buitengewoon ingewikkeld; daar kan geen computer aan tippen, hoor. Zo enorm gedetailleerd als alles ontworpen is. En je zult niet meemaken dat een hond gaat miauwen; dat is niet de natuur.

Iedere natuur van wilde dieren, van vliegende schepsels — dat kunnen vogels zijn, maar ook vleermuizen en al wat vliegt. Het is allemaal zo wonderlijk. Een vleermuis heeft van nature het vermogen; hij heeft ogen, maar kan er nauwelijks wat mee. Maar hij heeft een sonarsysteem; hij ziet met zijn oren, om het zo te zeggen. Ik weet ook niet hoe ik het beter moet zeggen. Net zoals een dolfijn. Maar dat zit in de natuur; daar heeft hij niet voor geleerd. En duiven, die stuur je dan naar Madrid. Mijn broer had vroeger die sport. Dan gingen die duiven mee naar een van de Zuid-Europese landen en ze wisten weer feilloos de weg naar huis te vinden. Al die duizenden kilometers te overbruggen, dat is de natuur.

Iedere natuur van wilde dieren, van vliegende schepsels, van kruipende dieren (reptielen, amfibieën) en van zeedieren. Dat hoeven niet alleen vissen te zijn, want een dolfijn is ook een zeedier maar geen vis. Maar al die dieren worden getemd en zijn getemd. Temmen heeft te maken met tam maken en daarmee ook met bedwingen. Ik zei al: door de menselijke natuur wordt dat gedaan. Feitelijk is de menselijke natuur — en nu weerspreek ik even mijn persoonlijk verhaal van zojuist — superieur over de dierlijke natuur. In die zin brengt Jakobus dat hier ook naar voren. De mens is in staat om de dierenwereld te bedwingen en daarmee ook te manipuleren, eigenlijk te beheersen.

Trouwens, daar was de mens ook voor geroepen. Van origine had de mens... ik moet lachen terwijl ik het zeg, maar de reden daarvoor heb ik zojuist al genoemd. Maar van origine had de dierenwereld ook vrees voor de mens. Dat wil zeggen: die had ontzag. Dus als Adam verscheen, dan zou een dier het absoluut niet in zijn hoofd halen om hem aan te vallen. Dat is allemaal verloren gegaan, maar dat zat ook in de natuur.

Jakobus relativeert dat meteen hoor. Want hij zegt: ja, de mens is dan wel superieur over alles in de natuur van de dierenwereld, maar, zegt hij er dan bij, de mens heeft niet eens de macht over zijn eigen tong. Zo'n klein lid, een lichaamsdeel. Daar gaat hij dan verder over in vers 8, maar daar gaat het me nu niet om. Het gaat me even om die natuur in al zijn geschakeerdheid. Het gaat hier trouwens nog alleen maar over dieren en mensen. Feitelijk is de natuur uitgebreid; daar is ook nog de plantenwereld. Van de week las ik een leuk zinnetje. We zijn erg op woorden nu. Toen ging het over het merkwaardige Nederlands dat we dan zeggen: 'Dieren en mensen wijden, planten zich voort.' Maar goed, de rijke geschakeerdheid van de natuur.

Ik ga nog even naar een tekst in de brief van Judas. Die heeft maar één hoofdstuk en daar lees je in vers 10. Daar wordt gesproken over boodschappers die een valse boodschap brengen en die absoluut geen idee hebben wat ze vertellen. En dan wordt er gezegd — en het gaat me even om één specifieke zin daarin: 'En in alles waar zij, zoals de niet-rationele dieren, van nature op de hoogte zijn, worden zij verdorven.'

De niet-rationele dieren. Hier wordt in het Grieks het woordje aloga gebruikt. En 'loga' heeft weer te maken met ons woord logos (woord), maar ook met logisch. Dus het vermogen om... Kijk, dieren hebben zoveel capaciteiten, zelfs capaciteiten waar de mens helemaal geen idee van heeft. Neem de vleermuis waar we het zojuist over hadden, met dat sonarsysteem waarmee je zonder ogen kunt zien. Nou, dat is toch geweldig? Maar ze zijn niet rationeel. Ze kunnen niet abstract over dingen denken en logische conclusies trekken. Ze kunnen geen boeken schrijven, enzovoort. Zij missen dat vermogen van logos. Vandaar ook dat de NBG dit vertaalt met 'redeloze dieren'. Dat geeft perfect de zin weer: het zijn redeloze dieren.

Maar nu zegt Judas hier: ja, deze mensen zijn, in tegenstelling tot de redeloze dieren, wel degelijk op de hoogte van zaken. De mens weet dingen die de dieren niet weten. De mens weet bijvoorbeeld van God, om maar meteen het belangrijkste te noemen, en is ontvankelijk voor Zijn spreken. God spreekt en wij zijn in staat om dat op te vangen, daarnaar te luisteren, daarover te denken en dat door te geven. Kortom, dat is wat de mens inderdaad verheft boven alles. Dat vermogen, dat is ook beeld en gelijkenis van God.

Maar, zegt Judas dan, die lui waar hij het hier over heeft, die zijn eigenlijk, hoewel zij van nature op de hoogte zijn — gewoon omdat ze mens zijn, de menselijke natuur — weten ze dingen, maar ze zijn feitelijk als de redeloze dieren. Maar zij worden verdorven. Kijk, een dier kun je het niet kwalijk nemen dat hij beestachtig is, maar de mens wel als die zich verlaagt tot dat niveau. De dingen die hij van nature weet, maar feitelijk terzijde schuift. Dan komen we meteen al op een punt dat als een rode draad door dit onderwerp loopt: de natuur vertelt ons inderdaad ook zoals het is ontworpen.

Romeinen 2: de Natiën en het Onbijbelse Concept van de 'zondige Natuur' ↑ hoofdstukken

Ik ga naar Romeinen 2 toe. Het is met name in de Romeinenbrief dat Paulus spreekt over de natuur. Verreweg het boek waar de meeste keren over natuur en natuurlijk gesproken wordt, is de Romeinenbrief. Ik heb zojuist een aantal dia's eruit gehaald die gingen over Romeinen 11, omdat ik dacht dat ik het anders nooit rond zou krijgen vanmorgen. Maar in Romeinen 11 wordt bijvoorbeeld gesproken over de olijfboom en over een wilde olijf. Er wordt beschreven dat je een tak van een wilde olijf kunt pakken en die kunt enten op een tamme olijf. Zo'n wilde olijf wordt dan, tegen zijn natuur in, door menselijke manipulatie veranderd. Je kunt de natuur zodanig bedwingen en manipuleren dat je een stukje van een wilde olijf ent op een tamme olijf. Er zitten vast Boskopers in ons midden die dat herkennen. Ik kom zelf uit Aalsmeer en daar was rozen enten een heel gangbare praktijk. Het is eigenlijk het manipuleren van de natuur. Dat was Romeinen 11; daar ga ik nu niet verder op in, want anders wordt het onderwerp te groot.

Naar Romeinen 2 wil ik u echter wel even meenemen. Paulus betoogt in de Romeinenbrief over de menselijke capaciteit, het vermogen om het woord te verwerken en door te geven. Dat is het denken, het rationele. In Romeinen 2 vers 14 zegt hij: "Want wanneer de natiën..." En als hij het heeft over de natiën, bedoelt hij gewoon alle volkeren, vaak in onderscheid van 'dé natie', namelijk Israël. De heidenvolkeren, de niet-Joodse volkeren. Hij zegt dat de natiën de wet niet hebben. Dat is duidelijk: God heeft ooit het volk Israël uitgeroepen uit Egypte en gaf na 2500 jaar menselijke geschiedenis sinds Adam aan één volkje de wet. Dat heeft Hij niet aan de andere volkeren gedaan; aan dat ene volk gaf Hij die wet voor een specifiek doel. Nu zegt Paulus hier: "De natiën, die de wet niet hebben en ook nooit hebben gekregen, doen van nature de dingen van de wet."

Dat is opmerkelijk. Er zijn heel veel dingen in de wet, vooral als het gaat om morele regels, die de natiën vanzelf doen. Gisteren las ik in Dagblad Trouw een wekelijkse rubriek die al jaren bestaat: De Tien Geboden. Daarin worden bekende Nederlanders de Tien Geboden voorgehouden en mogen ze daar hun eigen verhaal aan koppelen. Bij "gij zult niet stelen" of "gij zult niet begeren" vertellen mensen dan hun verhaal. Wat dan zo eigenaardig is: veel van die bepalingen in de 'tien woorden', verreweg de meeste zelfs, zijn algemene, universele menselijke waarheden. Elk mens begrijpt dat je je handen af moet houden van spullen die niet aan jou toekomen. Daar hoef je niet godsdienstig voor te zijn. Paulus spreekt hier over natiën die de wet niet hebben, maar die van nature de dingen doen die in de wet staan. Ik noemde nu diefstal, maar dat geldt ook voor echtbreuk. Je bent verbonden met een partner, en daar hoort een ander van af te blijven. De grap is dat we het een ander in ieder geval kwalijk nemen wanneer die zich daar niet aan houdt. Dat zijn van die logische dingen die de mens van nature weet.

Een mens weet van nature trouwens ook van God. Ik ben calvinistisch grootgebracht en op catechisatieles werd dat altijd 'ingeschapen godsbesef' genoemd. Die term vindt u niet letterlijk zo in de Bijbel, maar het idee is dat de mens weet dat God er is. Dat is aangeboren, dat weet hij gewoon. Waarom? Omdat hij een verstand heeft. Zoals we net al vaststelden: alles is ontworpen, dus weet je dat er een Ontwerper is. De mens weet dat. Paulus spreekt hier in Romeinen 2 over de natiën die de wet niet hebben, maar die van nature de dingen doen van de wet. Hier betekent 'van nature' ook vanzelfsprekend. Het is aangeboren, maar het is ook logisch, het is uiteraard. In ieder geval weet de mens ervan, en dat is trouwens ook de betekenis van het woordje geweten. Een mens heeft een geweten; hij weet dingen. Geweten en natuur hebben heel veel linken met elkaar.

Ik wil daar nog iets bijzeggen: de Bijbel kent niet zoiets als een 'zondige natuur'. Als je de christelijke traditie volgt – en die heeft al heel oude papieren, dat gaat al ver voor Calvijn terug – dan wordt er gezegd dat de menselijke natuur slecht is, zeer slecht, verdorven zelfs. Maar ga het maar eens na in de Bijbel: je zult het niet terugvinden. De Bijbel spreekt over het menselijk hart en over het feit dat er in het vlees geen goed woont, maar het wordt nooit toegeschreven aan de natuur, aan zijn aard. Ik ben erachter gekomen dat er in de theologie en de dogmatiek over de natuur wordt gesproken op een manier die ver verwijderd is van wat de Bijbel er heel nuchter over zegt. Als je een concordantie of trefwoordenregister pakt en zoekt waar 'natuur' voorkomt, en je vergelijkt dat met wat er in de christelijke traditie over wordt gezegd, dan zie je een groot verschil. Men zegt: "De menselijke natuur is verdorven." Maar waar staat dat in de Schrift? Nergens. Sterker nog, we zullen straks zien dat niet de natuur, maar juist het tegennatuurlijke verdorven is.

Ik wilde nog een ander voorbeeld geven. Men spreekt in de theologie ook vaak over de 'twee naturen'. Van Christus wordt de 'twee-naturenleer' geleerd: Hij zou God en mens zijn, twee naturen onvermengd... Hoe staat dat ook alweer precies geformuleerd? In de geloofsbelijdenis van Athanasius wordt het zo verwoord. Dat is allemaal zo vastgesteld in dogma's, maar in de Bijbel vind je dat soort woordgebruik niet. Als je gezond wilt denken en het woord wilt volgen zoals de Schrift er in het origineel over spreekt, moet je dat soort terminologie vermijden. Dat verwart alleen maar. U zult mij vanmorgen dus niet horen over een 'zondige natuur'; dat kent de Bijbel niet. Sterker nog: de natiën die de wet niet hebben, zouden de dingen van de wet doen als zij hun natuur zouden volgen. Zo staat het er. Het kan dus nooit zo zijn dat de natuur van de mens niet deugt, want als dat zo was, zou Paulus het nooit zo hebben geformuleerd. Als de natuur niet deugde en de mens zou zijn natuur volgen, dan zou hij juist níét de dingen van de wet doen. Het lijkt mij nogal duidelijk: ja, natuurlijk! Deze mensen, die de wet niet hebben, zijn zichzelf tot wet. Dat wil zeggen dat ze gewoon de natuur volgen. Ze volgen dat wat ze weten. Een mens kan immers niet meer doen dan dat wat hij gekregen heeft. Als je de wet niet hebt ontvangen, kun je daar ook niet op aangesproken worden. Maar de mens heeft een natuur; hij weet dingen vanaf de geboorte, 'van huis uit' zeggen we dan. Zo is hij geboren, het zit in zijn DNA, hij weet dat gewoon.

Romeinen 1: de Waarheid van Dé God Vervangen Door een Leugen ↑ hoofdstukken

Nou, dan ga ik naar Romeinen 1. Want met name in dat hoofdstuk spreekt Paulus over de natuur. Hij spreekt over de Schepper en hij spreekt over de schepping, wat wij dan de natuur noemen. Hij laat daarin ook zien... Laten we gewoon eens beginnen bij vers 25. Ik moet er wel bij zeggen dat wat Paulus hier naar voren brengt, toch wel haaks staat op het algemene denken hierover, zeker in onze dagen. Maar we trekken ons daar gewoon niets van aan. Het staat gewoon geschreven en we lezen dat. En ik vertel u gewoon wat u zelf ook kunt zien. Ik moet u zeggen: het is echt verlichtend. Het verlicht het verstand, want zo zit het. Als God Zijn licht laat schijnen, dan worden de dingen helder en duidelijk. En dan zeggen ze: "Ja, natuurlijk!"

Paulus heeft het hier in Romeinen 1 over degenen die de waarheid van de God vervangen. Ik moet eigenlijk eventjes wat toelichten, want het begint eigenlijk al in vers 18 dat Paulus daarover spreekt, over de wereld in zijn algemeenheid. Hij spreekt daar over alle goddeloosheid en ongerechtigheid — de onrechtvaardigheid van mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Dat is vers 18. Dus de waarheid, dat waarvan men weet dat het zo is, dat zijn de feiten. Die mogen niet verteld worden, daar wordt niet mee gerekend, het wordt ten onder gehouden. En dat geef ik niet als willekeurig voorbeeld, dat is juist de essentie. De mens weet dat God er is, maar hij houdt dat ten onder.

Dat is het beeld waar ik eigenlijk onwillekeurig aan denk: een bal die je onder water houdt. Dat kun je doen, maar fysisch gezien heeft zo'n bal de neiging om weer boven te komen. Alleen door te manipuleren kun je hem inderdaad ten onder houden. Dat geldt voor de waarheid ook. Juist de waarheid heeft altijd de neiging om aan het licht te komen. Dat is een heel hinderlijke eigenschap, maar voor iedereen die strikt naar de waarheid is, is dat ook een fikse geruststelling. Wacht maar, de waarheid komt altijd een keer aan het licht. Je kunt ervoor kiezen om te liegen, maar je loopt een keer tegen de lamp. Dat is ook een leuk woordgebruik in dit verband, want die lamp is wat licht verspreidt en dat is de waarheid. Licht is waarheid, zoals leugen duisternis is.

Met de leugen weet je ook niet meer waar je bent. Dan wandel je... De Bijbel spreekt heel vaak in dat soort gelijkenissen of metaforen: de mens in de duisternis, de wereld die wandelt in de duisternis. Ze weet niet waar ze vandaan komt, ze weet niet waar ze naartoe gaat. Ze is dus gedesoriënteerd. Ze weten niet waar ze eigenlijk zijn en waar ze naartoe gaan. Kortom, dan leef je toch echt in de duisternis.

Zij vervangen de waarheid van de God. Dat moet u ook even goed begrijpen in Romeinen 1. Wat Paulus zegt, is dat de wereld weet dat God er is. Ik heb dat nu eigenlijk al een paar keer zo naar voren gebracht: Hij is er. De mens weet dat van nature. Onlangs las ik nog, ik meen dat het in het NRC was — een onverdachte bron, NRC Next geloof ik — de uitdrukking dat de mens ongeneeslijk religieus is. Dat zit er dus eigenlijk ingebakken. Hij weet het, hij zoekt het hoge. Dat is er gewoon. Want hij kan zich nooit aan de indruk onttrekken dat er ontwerp is. Daar loop je altijd tegenaan op het moment dat je studie maakt van de dingen van de natuur. Dan weet je: dit is allemaal ontworpen. En dus word je in je onderzoek en in je denken voortdurend geconfronteerd met God.

Nu kun je je best doen om die waarheid ten onder te houden. Trouwens, dat is hier nog niet eens zozeer atheïsme. Atheïsme is iets wat de Schrift niet of nauwelijks kent, gewoon als filosofische stroming. Het gaat erover dat de mens weet dat God er is, maar wat doet hij? Hij ontkent dat God, God is. En dat vindt u in Romeinen 1 vers 21, een heel veelzeggend vers. Immers, zo staat er: hoewel zij God kenden — en dat wil zeggen: zij weten dat God er is, zij weten van Zijn bestaan — hebben ze Hem niet als God verheerlijkt of gedankt. Maar hun redeneringen — daar heb je het weer, het vermogen dat een mens heeft om te redeneren, om conclusies te trekken — zijn op niets uitgelopen. Ja, dat is logisch. Want als het uitgangspunt niet deugt, dan kun je een hele mooie, ingewikkelde redenering hebben die zelfs logisch is ook, maar als het uitgangspunt niet deugt, dan klopt je conclusie dus ook niet. Dus al die redeneringen lopen op niets uit. En er staat bij dat het donker is; het is duister geworden in hun onverstandig hart. Het is heel onverstandig om de waarheid te ontkennen, maar het wordt ook nog eens heel duister en donker.

Omgekeerd — en ik houd ervan om het vooral positief te zeggen — als je God kent en je weet: er is er Eén die aan het begin staat, die aan het eind staat, die alles in Zijn hand heeft, die alles bedacht heeft, alles ontworpen heeft... Ik ben Zijn creatie. Als je dat weet, weet je eigenlijk alles. De rest is voetnoot, is toelichting. En daar is heel veel over te melden, zeventig boeken, dat is allemaal Woord. Daar is heel veel over te zeggen, maar dat is de essentie: Hij is er. Maar let erop: het gaat er niet alleen om dat je weet dat God er is. Dat weet eigenlijk de hele wereld, dat is dat religieuze. Maar het gaat erom dat je God als God verheerlijkt en dankt, en dat je erkent: Hij is God.

Het mooie daarvan is — als je dat in het Grieks weet — dat is 'Theos'. Ons woord theologie komt daarvandaan, maar het betekent 'de Plaatser'. Als je God als God erkent, dan herken je: er is iemand die de dingen plaatst. En Hij is God met een hoofdletter, Hij plaatst alles. Denk daar eens over na. Er vindt niets plaats zonder dat Hij het een plaats geeft, anders zou het namelijk niet plaatsgevonden hebben. Het vindt een plaats omdat Hij het een plaats geeft. Dat is God. Hij is de God. En als je Hem als God verheerlijkt, dan betekent dat dat Hij dus de Almachtige is, dat Hij de Alwetende is. Hij is God. En als je God als God verheerlijkt, dan wordt het licht in je hart. Dan krijg je uitzicht. Dan weet je inderdaad waar je vandaan komt, dan weet je waar je naartoe gaat en weet je dat het met de hele schepping gewoon goed is. Het is namelijk het werk van Zijn handen. Het loutere feit dat de hele wereld door Hem bedacht is, dat zij bij Hem vandaan komt, dat is een garantie voor de goede afloop. Want het komt bij Hem vandaan; Hij maakt niet zomaar wat.

Even terug: ze vervangen de waarheid van de God in de leugen. Ja, door wat te doen? Nou, door van de God een god te maken. Een 'godje', denk ik dan. Paulus had juist dat in het voorgaande ook uitgelegd. Men maakt een creatuur, men maakt beelden. Dat kun je heel artistiek opvatten in de zin van zoals je dat in Athene en Rome had: allemaal beelden van God. Je kunt het ook abstracter doen; dan heb je een godsbeeld, dan heb je een beeld van een god gemaakt. Maar dat is dus op het moment dat je God niet meer als God herkent... dan heb je de waarheid van de God — de God, die éne namelijk — vervangen in de leugen. Let even op dat woordje 'vervangen', want dat komen we straks tegen. Het is belangrijk om dit vers 25 er even bij te nemen, want ik wil op die natuur terugkomen. En dan staat er: "En zij worden eerbiedig vereerd en zij dienen het schepsel naast de Schepper." Let ook hier weer even op dat woordje 'naast'.

Want net als dat woord ‘vervangen’, speelt dat nu in het vervolg een grote rol. Men kent dus wel een God, maar Hij wordt op het niveau van het schepsel gebracht. Ze dienen het schepsel naast de Schepper. God wordt dus feitelijk vernederd. Hoe? Door de mens, het schepsel, te verhogen.

In de antieke oudheid, zoals in de dagen dat Paulus dit optekende, had je allerlei soorten goden. Je had de god van de zee, Neptunus – u kent ze waarschijnlijk allemaal wel, ik zeg wel ‘u kent ze allemaal’, maar ik ken ze zelf in ieder geval niet allemaal. Maar u weet het: je had de god van de ruimte, de god van de liefde, de god van de oorlog, Mars. En dan heb je de Griekse versie en dan heb je de Latijnse versie: Jupiter en Zeus. Het zijn eigenlijk dezelfde, alleen de ene naam is Latijn en de andere is Grieks. Maar die Jupiter was dan de oppergod; het waren allemaal goden. Maar op het moment dat je goden hebt, heb je dé God vernederd. Natuurlijk heb je nog steeds het besef dat er één God is, maar dé God heb je niet meer. Want er is er maar één. Op het moment dat je meer dan één God hebt – dat is trouwens ook het grote probleem feitelijk van de drie-eenheid, daar komen we wat dichter bij huis – heb je geen God meer. Je hebt of één God, of geen God. Want als je goden hebt, dan ben je feitelijk dé God kwijt.

Op het moment dat er twee goden zijn, al zijn het er maar twee of drie of vier of vijfentwintig miljoen – dat maakt eigenlijk geen bal uit – moet een god zijn macht en zijn vermogen delen. Dan kan er ook conflict zijn. Want wat de ene god dan bepaalt, kan de andere god weer ongedaan maken. Ook in de christelijke traditie heb je feitelijk een oppergod, maar daarnaast heb je ook een andere god en die kon zomaar bijvoorbeeld de hele boel in het honderd laten lopen. Zodat het in het begin ooit mis is gegaan. En toen moest God vervolgens, de oppergod, weet u wel, weer alles in het werk stellen om het weer op de rit te krijgen, om te redden wat er te redden valt en de boel weer te repareren. Nou ja, dat lukt niet helemaal, want het merendeel gaat dan toch fout, maar goed, een deel wordt gerepareerd. Nou, dat is heidendom. Dat is puur heidendom, want dan ben je dé God kwijt. Dan heb je nog wel goden, maar dé God heb je niet meer.

Ik hoop... we krijgen een boodschap binnen. Dat was die ‘van boven’. Ik dacht dat ik hier juist mee bezig was. Als het belangrijk is, moet je het maar eventjes zeggen, dan zal ik het even voorlezen. Een goed bericht? Ja? Maar nu ben ik wel helemaal de draad kwijt, dat is dan weer het nadeel daarvan. Ja. Maar wat moest ik daar nu nog aan toevoegen eigenlijk? O ja, ik weet het weer.

Want je kunt natuurlijk zeggen: Paulus heeft het hier over de toestanden die daar in Rome waren, in het Romeinse Rijk in de antieke oudheid; toen hadden ze allemaal goden en zo. Het is nu allemaal abstracter geworden, maar ook in het christendom is er zo enorm veel heidendom geslopen waarbij we feitelijk nog steeds zitten met goden. En ik bedoel nu niet alleen maar dat men zegt: ‘Hij is God, Hij is God, Hij is God’, verschillende personen allemaal. Ik heb het ook over het hele idee dat er een god is van het goede en een god van het kwade, en die strijden dan met elkaar en dan is het maar afwachten hoe dat afloopt. Dat is pure heidense filosofie. Dan ben je de God kwijt. Daarom is het zo belangrijk te weten dat er maar één is die alles plaatst. Er is dus ook één die alles daar brengt waar Hij het hebben wil. Als je meerdere goden hebt, dan ben je daar nooit zeker van.

Of neem bijvoorbeeld de stelling dat de mens een vrije wil heeft. Dat is in feite ook die hele leer van de vrije wil: het idee dat de mens onafhankelijk van de Schepper een koers kan kiezen waar Hij geen invloed op zou hebben. Wij zijn werk van Zijn handen, we zijn gewoon allemaal uit de klei getrokken. We zijn werk van de Pottenbakker en Hij heeft ons gemaakt. Maar dat die mens eigenlijk een traject kan volgen waar Hij ook helemaal geen invloed op heeft... dan heb je dus feitelijk de leer van miljoenen, of hoeveel zijn het er tegenwoordig? Zeven miljard, geloof ik. Zeven miljard allemaal goden, die allemaal iets kunnen doen wat de Schepper eigenlijk niet voor ogen had en wat in strijd is met Zijn bedoelingen. Heidendom.

Zo zie je dat veelgodendom heel dichtbij komt hoor. Dat is niet iets van toen, of van toen mensen ‘stom’ waren. Mensen deden het toen anders, maar nog steeds vervangen zij de waarheid van de God in de leugen. Zij worden eerbiedig vereerd en ze dienen het schepsel naast de Schepper, die is gezegend tot in de aeonen. Amen.

Mannelijk en Vrouwelijk als Beeld van Schepper en Schepping ↑ hoofdstukken

Let er trouwens op dat het gaat over de Schepper. Ik wijs er even op dat dit een mannelijk woord is. Bij ons is ‘Schepper’ mannelijk, maar in het Grieks zie je dat nog veel sterker. God, Theos, is mannelijk. Waarom zeg ik dat nu? Wel, daar gaat Paulus nu verder over spreken. God is mannelijk, terwijl de schepping — ook dat is iets wat later in de Romeinenbrief nog weer aan de orde komt — vrouwelijk is. Het zijn prachtige beelden. Die waarheden van mannelijk en vrouwelijk, en waar het een beeld of type van is, die zijn we tegenwoordig bijna allemaal kwijtgeraakt.

Maar God is inderdaad mannelijk. Nu moet u niet de fout maken in uw denken dat God dus een man is. God is geen man; daar moet ik ineens aan denken. Het betekent dat mannelijk en vrouwelijk de uitdrukking zijn van een waarde. Het mannelijke geeft, het vrouwelijke ontvangt. Het mannelijke verwekt, het vrouwelijke baart. Daar lees je over in Romeinen 8: de schepping is in barensnood en vervult de rol van een zwangere vrouw. De schepping is dus in blijde verwachting. Dat is een geweldige gedachte. En waarom? Omdat de Schepper haar hoop heeft gegeven.

Sorry dat ik het zo zeg, u vindt dat misschien banaal klinken, maar ik bedoel juist dat het seksuele een geweldige betekenis heeft en verwijst naar de grootste, hoogste waarheden die je maar kunt bedenken. De Schepper bezwangerde de schepping. Dat wil zeggen: Hij heeft haar hoop gegeven. Of laat ik het nog anders zeggen: Hij gaf Zijn zaad. En wat is dat zaad? Dat is het Woord. Het Woord van God, dat is Zijn zaad, en dat maakt de schepping zwanger.

Ik kan het nog sterker vertellen. Hoe zeg je dat nou netjes? Het mannelijke en het vrouwelijke komen bij elkaar door opstanding. Wij gebruiken daarvoor altijd een Latijns woord: erectie. Maar dat betekent natuurlijk ‘opstanding’. En door opstanding wordt er nieuw leven verwekt. Dat is de waarheid: God heeft door opstanding nieuw leven in deze schepping gecreëerd, waardoor deze schepping in blijde verwachting is en vol hoop is. We wachten ook op de verlossing — dat is ook zo’n term — de openbaring. Maar in ieder geval is dat het uitzicht.

Wat ik er maar mee wil zeggen, is dat die waarheden van God als mannelijk en de schepping als vrouwelijk zo verankerd zijn in het betoog van Romeinen 1. Paulus gaat nu door, nadat hij het heeft gehad over het vervangen van de waarheid van God.

De Consequentie van de Dwaling: het Natuurlijk Gebruik Vervangen ↑ hoofdstukken

En dan staat er: daarom levert God hen over. Daarom dus, vanwege de vervanging van de Schepper in het schepsel, levert God hen over tot in hartstochten van oneer. Let trouwens op: er staat hier 'tot in', niet 'aan'. Hij levert ze niet over áán, zo van: nu geef ik jou over aan dat. Nee, Hij levert ze over tót in. Dat wil zeggen: Hij laat het los. Het is een laten begaan. De mens laat de Schepper los en God laat de schepping los. Let wel, Hij laat het niet varen, dat is wat anders. Je kunt iets laten varen, dat betekent dat je er gewoon helemaal nooit meer aandacht aan geeft. Je kunt iets loslaten voor een bepaald doel, en dat is hier wat er aan de orde is. God levert over, of Hij geeft over — loslaten, dat is het idee. Hij laat hen los, zodat ze in hun duisternis verder zelf mogen uitzoeken om er proefondervindelijk achter te komen wat het betekent om God niet te hebben.

En daarom levert God hen over tot in hartstochten van oneer. Letterlijk betekent dat dus ook: zonder eer, zonder heerlijkheid. En die hartstochten hebben inderdaad alles te maken met seks. De seksualiteit, om het even deftig te zeggen. Maar als je eenmaal de Schepper kwijt bent, dan wordt de seks eigenlijk ook platte seks. Dan is de verwijzing naar de Schepper weg. Normale seksualiteit is juist heel verheven als je de Schepper daarin mag kennen en als je weet van de Schepper die het mannelijke en het vrouwelijke schiep. God schiep de mens, maar in het algemeen plant heel de natuur zich voort; dat is mannelijk-vrouwelijk, alles is mannetje-vrouwtje, alles. In heel de schepping, heel de levende natuur zie je dat principe in de plantenwereld, in de dierenwereld en in de mensenwereld. God schiep de mens mannelijk en vrouwelijk met een bepaald doel uiteraard.

Die seksuele omgang is ook zoiets... De mens is seksueel, trouwens heel de natuur is zo seksueel als het maar kan. Men zegt wel eens dat de levensdrift, en dus ook de drift tot voortplanting, de sterkste drift is die er in heel de natuur is. Dat is iets aangeborens. Maar die seksuele eenwording, gemeenschap en omgang is er één van eer als je de Schepper kent. Het wordt oneer, plat en zonder heerlijkheid wanneer die Schepper weg is. Dan heb je nog wel hartstocht, maar niet meer 'van eer'. Dan heb je alleen nog maar hartstocht, lust, of geef het maar een naam. Het is wel hartstocht, plezier of lust, maar het mist de eer en de verhevenheid.

Want hun vrouwelijken... In een begripsvertaling wordt dat vertaald met 'vrouwen', maar het gaat hier niet zozeer over vrouwen, maar vrouwelijken. Dat wil zeggen: letterlijk die van het vrouwelijke geslacht. Je moet dat er in het Nederlands even bij zeggen, want je kunt van een man ook zeggen dat hij vrouwelijk is, maar daar gaat het hier niet over. Het gaat over wat in je paspoort staat: sekse, geaardheid, mannelijk, vrouwelijk. Hun vrouwelijken, die van het vrouwelijke geslacht zijn, die vervangen, zegt Paulus dan. Dit is dus een voorbeeld van hartstochten van oneer. Als je de Schepper helemaal kwijt bent, dan ben je de Schepper kwijt en wat overblijft is hartstocht van oneer, zonder heerlijkheid.

En dan geeft Paulus het voorbeeld: want hun vrouwelijken vervangen het natuurlijk gebruik. Eerst werd er in de voorgaande verzen gesproken over de vervanging van waarheid door de leugen en de vervanging van de Schepper door de schepping. Als gevolg daarvan raakt de vrouw de man kwijt; dat is eigenlijk het idee. Je bent je Schepper kwijt. Maar ziet u vooral het logische verband: als je eenmaal de Schepper kwijt bent, dan ben je dus ook gedesoriënteerd in de seksualiteit. Dan zie je niet meer het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk in de natuur. Zelfs de natuur raak je dan kwijt. Er staat ook: zij vervangen het natuurlijk gebruik, namelijk het mannelijke, tot wat naast de natuur is. In de NBG-vertaling staat 'tegennatuurlijk'. Prima, maar letterlijk staat er inderdaad dat het naast de natuur is. Het is in zekere zin nog natuur, maar het zit ernaast. In die zin is het met recht een ontsporing.

Evenzo ook de mannelijken, die van het mannelijke geslacht zijn, die het natuurlijke gebruik van het vrouwelijke loslaten. Want het mannelijke en het vrouwelijke geslacht zijn qua anatomie en biologie helemaal voor elkaar ontworpen. Ik heb er maar een heel discreet plaatje van een stekkerdoos bij gezet, want elektriciens spreken ook altijd over een mannetje en een vrouwtje. Dat hoort bij elkaar, daar hoef je verder niet over te discussiëren. Dat is gewoon zoals het is. Nou, maar zegt Paulus nu: als je nu eenmaal de Schepper kwijt bent, dan laat je dat natuurlijk gebruik van het vrouwelijke los. De vrouwen hebben het natuurlijk gebruik verlaten en vervangen. Overigens is het nog maar de vraag of Paulus hier doelt op vrouwen met vrouwen. Dat kan ook heel goed zijn, maar dat is een andere discussie. Ik wil het even laten voor wat het is, maar hij kan hier ook doelen op de seksuele omgang van de vrouw met het dier, dus bestialiteit. Dat is ook echt ontspoord, dat lijkt me duidelijk.

Maar goed, evenzo ook de mannelijken, loslatende het natuurlijke gebruik van het vrouwelijke, werden ontbrand in hun hunkering naar elkaar. Nog steeds ter toelichting van: als je eenmaal de Schepper kwijt bent, is wat je overhoudt hartstocht van oneer. Wat je dus krijgt is die ontsporing en dan worden ze ontbrand in hunkering naar elkaar. Mannelijken — letterlijk staat het er heel beeldend uitgedrukt: niet als mannen met mannen, maar letterlijk 'mannelijken in mannelijken'. Ik hoef dat verder niet toe te lichten waar hier sprake van is; wij noemen dat dan homoseks.

Ik wil daar trouwens wel heel uitdrukkelijk iets bij zeggen. Wij denken misschien dat het een modern fenomeen is, maar ik heb me er nog eens in verdiept. Ik wist het wel, maar ik vond het ontzettend: homoseksualiteit, trouwens ook biseksualiteit en pedoseksualiteit, was zeer, zeer verbreid in het Romeinse Rijk. Het was zelfs een enorm percentage; ik heb gelezen van meer dan 50%. In die wereld was het wel veel flexibeler. Wij denken veel meer in termen van 'homo's', maar het was destijds veel meer biseksualiteit. Het ene kon makkelijk vervangen worden door het ander. Trouwens, dat is in de dierenwereld ook zo.

Wij denken ook dat het homohuwelijk een moderne Nederlandse uitvinding is, maar wist u dat keizer Nero — de keizer die aan het bewind was in de dagen dat Paulus de Romeinenbrief schreef — getrouwd was met een man? Wist u niet, hè? Ja, wij maar denken dat een homohuwelijk een heel moderne uitvinding is, verlicht als wij zijn. Verlicht... daar moet ik nou echt zo hard om lachen. Maar zo was het. Het onfatsoen bewerkend, begrijp me goed. En dat wilde ik zojuist al zeggen: het gaat hier inderdaad over homoseks, dat is waar, maar ik wil er heel uitdrukkelijk bij zeggen dat de Bijbel geen letter wijdt aan homofilie. Ik heb het hier over mannelijken in mannelijken, over de praktijk, niet over de neiging tot, want dát is wat homofilie is.

Homo en philie zijn allebei Griekse woorden. Het gaat om de neiging tot. Dat geldt trouwens ook voor pedofilie: de seksuele aantrekkingskracht van een volwassene tot een kind. Die neiging is iets anders dan pedoseks, begrijp me goed. Maar over die 'philie' zegt de Bijbel niets. Dus ik daag u uit: probeer maar eens een keer in de Bijbel iets te vinden over homofilie. Het probleem van de homofilie kent de Schrift gewoon niet. En als u vraagt wat ik daarvan vind? Nou, daar heb ik wel een mening over, maar daar zit u helemaal niet op te wachten – en terecht. We hebben het hier gewoon over de praktijk waarvan hier sprake is: over mannelijken en mannelijken. Dat wil ik even gezegd hebben.

Ik wilde hier trouwens nog wel iets bij zeggen. Degenen die vanuit de traditie, ook vanuit de kerk, van oudsher opgezadeld zijn met schuld of schuldgevoelens vanwege emoties, gevoelens of neigingen: dat is volkomen ten onrechte. De Schrift heb je daarbij niet aan je zijde. Kijk, van oudsher is het in de traditie zo dat seks vies was, toch? Een noodzakelijk kwaad. Dat had ook te maken met de visie op de mens: de natuur van de mens was zondig. Nu is het echter zo natuurlijk om seksueel te wezen. Die drang is zó natuurlijk. Maar ja, de natuur deugde niet, dus was dat eigenlijk allemaal fout. Alles wat natuurlijk was – genieten van eten en drinken, seksualiteit – al dat soort natuurlijke dingen was altijd maar fout en zondig. Niks ervan! Het heeft een hoge betekenis. En daarover schuldgevoel aangepraat te krijgen, dat is niet naar de Schrift. De Bijbel doet daar volstrekt niet moeilijk over. Dat je daar zelf problemen met bepaalde neigingen kunt hebben, dat is tot je dienst, maar daar gaat het nu niet over.

Er staat dan: "Ze werden ontbrand in hun hunkering naar elkaar, mannelijken in mannelijken, het onfatsoen bewerkend, en de vergelding van hun dwaling die bindend was, in zichzelf terugkrijgen." Wat is hun dwaling? Die dwaling is niet homoseks. Zo wordt het heel vaak aangevoerd, maar dat is het niet. De dwaling is dat men de Schepper kwijt was geraakt. Men was niet meer georiënteerd op de andere kant – ik zeg het expres nu even zo: op de verkeerde kant, namelijk naar zichzelf, naar het schepsel. Maar het schepsel is gemaakt voor de Schepper. Die oriëntatie hoort te zijn zoals een magneet: de noordpool trekt de zuidpool aan. De polen trekken elkaar aan, dat is normaal. Op het moment dat die oriëntatie weg is, dát is de dwaling. Het heeft te maken met het feit dat je de Schepper, de Man, kwijt bent. Ja, dan is het onherroepelijk – het is zelfs bindend – dat je de vergelding daarvan krijgt.

De vergelding, dat zijn die hartstochten van oneer. Dat betekent dat je ook in je hartstochten, in de lust en in de seksuele beleving, de Schepper kwijtraakt. Die hartstochten van oneer worden niet vergolden; zij zijn de vergelding. Het wordt meestal zo voorgesteld dat dit bestraft wordt, maar nee, het gaat er niet eens zozeer om dat dit een straf is. Het is het natuurlijke gevolg van deze desoriëntatie, van die dwaling.

Nou zie ik dat het inmiddels al vijf over half twaalf is, dus we moeten het inderdaad gaan afsluiten. Ik wilde graag nog wat meer daarover zeggen, maar ik laat het hierbij.

Samenvatting: de Schepper Alle Eer Geven ↑ hoofdstukken

Ik hoop in ieder geval dat één ding duidelijk is geworden vanochtend. Laat ik dat dan even zo mogen samenvatten. God de Schepper heeft alles machtig ontworpen en Hij schiep in de natuur goed het mannelijke en het vrouwelijke. En dat heeft een geweldige betekenis, omdat het verwijst naar de verhouding Schepper-schepping.

En als je dat ziet, mag zien, dan versta je ook waar de hele seksualiteit voor ontworpen is en bedoeld is. Als je dat mag zien, dan schijnt het licht in je verstand, in je hart. En dan weet je: dan ben je goed georiënteerd. En als je dat mag zien, dan weet je dus ook welke kant je op mag gaan en op mag denken.

Uiteindelijk waar het op neerkomt, is dat we in de waarheid de Schepper de eer geven. Die alles plaatst. Die werkelijk God is. En dat is het geweldige licht dat mag schijnen. En dat lijkt mij toch het goede bericht. Zullen we het daarbij laten?

🎧 Ja, natuurlijk!
Delen: