GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

hebben de apostelen zich vergist? (2)

21-07-2024 - Geplaatst door Andre Piet
21 juli 2024, Den Haag

In de veertig jaren na Jezus’ hemelvaart hadden de eerste christenen sterk de verwachtig dat in hun dagen de wederkomst zou plaatsvinden. En hoewel dit niet expliciet was beloofd, had die verwachting wel degelijk goede gronden. Aan het eind van zijn leven gaat Petrus in zijn laatste brief hier nader op in en voorzegd dat in komende generaties met de beloofde wederkomst de spot zou worden gedreven. Maar deze spotters ontgaan een paar belangrijke zaken…

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

De studie bespreekt de vraag waarom de wederkomst van de Heer langer op zich laat wachten dan de apostelen aanvankelijk dachten. Vanuit de tweede Petrusbrief wordt uitgelegd dat God een ander tijdsperspectief hanteert, waarbij duizend jaar als één dag is. Dit sluit aan bij de profetie uit Hosea dat het herstel van Israël na twee dagen, ofwel tweeduizend jaar, zal plaatsvinden. De tussentijd waarin God wacht en geduld toont, is bedoeld voor de verzoening van de wereld. Uiteindelijk zal de aanneming van de Messias door het volk leiden tot een nationaal herleven, als leven uit de doden.

“In de tijd van Israëls verwerping, in die twee dagen, klinkt deze boodschap van de verzoening der wereld.”

Terugblik: de Messiaanse Verwachting in de Handelingentijd ↑ hoofdstukken

Goedemorgen allemaal, vrienden hier in Den Haag. Ik ben blij dat ik vanmorgen weer in uw midden mag zijn, na een maand absent te zijn geweest. Het was inderdaad vier of vijf weken geleden dat ik hier ook stond, en dat gaf mij de vrijmoedigheid om nogmaals aandacht te vragen voor het thema dat u hier achter mij geprojecteerd ziet: 'Hebben de apostelen zich vergist?' Ik moet er trouwens bij zeggen dat ik toen eigenlijk ook al min of meer had beloofd dat er waarschijnlijk een vervolg op zou komen, want ik had de indruk dat het nog wat incompleet was. Laat ik voor de goede orde nog wat punten uiteenzetten die ik toen naar voren heb gebracht. Er zijn immers mensen die er toen waren en nu niet, en omgekeerd. Omdat dit een vervolg is, moet ik even aangeven wat we inmiddels hebben vastgesteld, wat dan ook als basis dient om verder te gaan.

We zullen vooral aandacht vragen voor Petrus; dat deden we de vorige keer ook al. De vorige keer liet ik zien dat er in de eerste eeuw van onze jaartelling iets heel markants aan de hand was vanuit de Bijbelse profetie. Misschien bent u daar helemaal niet zo van op de hoogte, maar de profeet Daniël had in hoofdstuk 9 van zijn boek al voorzegd wanneer de Messias zou komen en wanneer Hij zou worden uitgeroeid. Gerekend vanaf het moment dat het woord uitging om Jeruzalem te herbouwen – dat doelt op de dagen van Kores – zouden er 69 jaarweken volgen. Dat wil zeggen: cycli van sabbatsjaren. Dan kom je een kleine vijf eeuwen later uit. Zeventig jaarweken duiden in totaal op vijfhonderd jaar. Ik heb toen ook verteld dat je na zeven cycli van sabbatsjaren altijd nog een toegevoegd jaar krijgt: een jubeljaar, het vijftigste jaar, waarna die cyclus weer opnieuw begint. Zeventig jaarweken doelen dus in totaal op een tijdsbestek van vijfhonderd jaar.

Die eerste eeuw was wat dat betreft heel markant. In die dagen zou de Messias komen en daar zie je ook talloze sporen van terug in het Nieuwe Testament. Kijk de inhoud van de prediking er maar op na. We hebben dat toen ook gezien bij het optreden van Johannes de Doper, maar ook bij de Heer Jezus direct bij de aanvang van Zijn bediening. De boodschap aan het volk Israël luidde steevast: bezinning, want het Koninkrijk is nabijgekomen. Alles vanuit de profetie wees erop dat de termijn was verstreken; de tijd is vervuld, zo lees je. Later lees je in de Galatenbrief dat de apostel Paulus zegt dat God Zijn Zoon heeft gezonden op een heel markant moment, namelijk in de volheid van de tijd. Dat wil zeggen dat de tijd compleet was, de tijd was vol, de termijn was verstreken. Toen zond God Zijn Zoon. Op basis van de profetie moest de Messias komen en daarmee in feite ook het Messiaanse Rijk.

In de Handelingen-tijd zie je die boodschap heel duidelijk klinken: de boodschap dat Israël tot geloof zou komen in haar Messias, Degene die zij hadden overgeleverd om te worden gekruisigd. Ze worden tot bezinning opgeroepen en Israëls bekering wordt gepredikt, met daarbij de gekoppelde belofte dat als Israël zich inderdaad zou bekeren en zou terugkeren tot haar God en tot erkenning van hun eigen Messias, de Messias dan ook daadwerkelijk zou terugkeren. In Handelingen 3 zie je heel duidelijk dat dit de boodschap is. Ik weet het zo goed omdat ik juist in Benthuizen daar een hele serie Bijbelstudies over geef. Dat hoofdstuk maakt het duidelijk, maar eigenlijk zie je het in het hele boek Handelingen.

Aan het begin van het boek Handelingen lees je dat de apostelen een vraag stellen aan de Heer, vlak voordat Hij op de Olijfberg aan het oog wordt onttrokken bij Zijn hemelvaart. Ze gaan naar Hem toe en vragen: "Heer, herstelt U in deze tijd het koningschap voor Israël?" De Heer ontwijkt de vraag feitelijk en wijst op hun missie. Hij zegt: "Het komt jullie niet toe te weten de tijden en gelegenheden waaraan de Vader Zich de beschikking gehouden heeft. Maar jullie zullen Mijn getuigen zijn." Je weet wat je te doen staat, en of dat inderdaad in deze tijd gaat gebeuren, dat komt jullie nu niet toe.

Decennia later – we hebben dit de vorige keer vrij uitdrukkelijk besproken – bleek dat de eerste christenen de verwachting hebben gehad dat Johannes nog de wederkomst zou meemaken. Je leest dat in Johannes 21. Niet omdat de Heer dat uitdrukkelijk had gezegd – dat staat er zelfs heel expliciet bij; de Heer had het niet beloofd – maar dat was hun conclusie: dat de apostel Johannes dat nog zou gaan meemaken. De broeders hebben dat altijd gemeend. In hun dagen dachten ze dus dat Johannes het nog zou meemaken. Nogmaals, de Heer had het niet uitdrukkelijk gezegd, maar het was wel een optie. Het hing allemaal af van de bekering van Israël. Als je dus een antwoord wilt geven op de vraag of de apostelen zich hebben vergist, dan is het antwoord: ja zeker, die hebben zich vergist. Dat staat er zelfs heel uitdrukkelijk bij. Maar de Heer heeft Zich niet vergist. Dat moet duidelijk zijn; de Schriften zijn duidelijk.

Gedurende de Handelingen-tijd heeft de Heer dit echter bewust voor hen verborgen gehouden. Ze mochten het niet weten; het kwam hen niet toe te weten. Pas aan het einde van het boek Handelingen volgt eigenlijk het antwoord. Wanneer Paulus in Rome is gearriveerd, in het laatste hoofdstuk van Handelingen, wordt het duidelijk aangezegd aan de rabbijnen die bij hem in huis zijn: het Koninkrijk zou in hun dagen niet openbaar worden en het volk was tijdelijk terzijde gesteld. Het zou met de ogen niet zien, met de oren niet horen, met het hart niet tot geloof komen en het zou ook niet hersteld worden. Dat wat aanvankelijk nog de vraag was – gaat het in deze tijd gebeuren? – wordt aan het einde van het boek Handelingen, ruim dertig jaar later, beantwoord met: niet in deze tijd. Inmiddels weten wij het wel: niet in die tijd. Waarna natuurlijk de vraag komt: wanneer dan wel? Daar hebben we het de vorige keer nauwelijks over gehad; ik heb hooguit een paar hints in die richting gegeven. Dat is wat we nu wat duidelijker moeten gaan neerzetten.

Petrus' Geestelijk Testament voor de Val van Jeruzalem ↑ hoofdstukken

We gaan nu opnieuw naar Petrus. Als ik zojuist refereer aan Petrus, die ooit vroeg hoe het zat met die terugkeer en met zijn conclusie dat Johannes dat nog zou meemaken, maar ook dat hij daar aan het volk van Israël gepredikt heeft dat het tot bekering zou komen en dat de Heer zou terugkeren... Petrus heeft heel sterk in die verwachting geleefd. Het gaat wellicht in onze tijd gebeuren. En dan kom je helemaal aan het einde van zijn leven en dan schrijft hij een brief: de tweede Petrusbrief. Vandaar ook dat ik het er nu bij vermeld. Hij schrijft zijn geestelijke testament, want daar komt het echt op neer.

Ik zal even 'het bonnetje' erbij leveren. In 2 Petrus 1 lees je dat hij schrijft aan zijn lezers, Joodse lezers. Want ja, hij was een apostel van de besnijdenis; hij richtte zich tot het volk. Hij zegt: "Ik weet dat het afleggen van mijn tent" – en dan doelt hij op zijn lichaam, dat is een tent, een tijdelijk verblijf, dit oude lichaam – "ik weet dat het afleggen van mijn tent spoedig komt." En dan zegt hij er iets heel interessants bij: "zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten." Daarmee verwijst hij naar dat gesprek waarvan Johannes verslag heeft gedaan in Johannes 21.

Bent u er nog? Als u er de vorige keer niet bij was, kan ik me voorstellen dat u nu even goed moet nadenken. Maar dat kan geen kwaad, dat is gymnastiek. In ieder geval, de Heer had inderdaad de conclusie al getrokken over Johannes, die het wellicht nog zou meemaken. Maar de Heer had tegen Petrus gezegd: "Als jij eenmaal oud geworden bent, dan zul je gebracht worden op een plaats waar jij niet heen wilt." En daar lees je ook dat Hij doelde op de dood die Petrus zou sterven; hij zou de marteldood sterven.

Petrus schrijft nu zijn laatste brief en hij zegt dat dit heel spoedig gaat gebeuren. Dat heeft onze Heer ruim dertig jaar geleden al aan mij laten weten, dat dit daadwerkelijk zou gebeuren. Hij zegt: "Ik weet dat het afleggen van mijn tent spoedig komt, zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten." En dan zegt hij ook: "Maar ik zal mij beijveren dat gij ook na mijn heengaan telkens weer aan deze dingen kunt denken." Hij doelt uiteraard op het feit dat hij deze brief schrijft, maar ook dat hij bezig is geweest met het verzamelen van de geschriften van het Nieuwe Testament. Als je wilt dat volgende generaties kunnen denken aan datgene wat je te melden hebt, dan moet je dat vastleggen. Petrus is aan het einde van zijn leven actief geweest met het completeren van het Nieuwe Testament, het verzamelen van de geschriften en de hele boekstaving van wat wij het Nieuwe Testament noemen.

Dat is één, want ik wil een paar dingen zeggen over die tweede Petrusbrief. Het is Petrus' geestelijk testament en hij is de apostel van de besnijdenis. Hij is bij uitstek, als een van de twaalf maar ook als de woordvoerder, degene die zich richt tot het volk. De besnijdenis is de technische term voor het volk van Israël. Hij waarschuwt zijn volk voor valse profeten onder het volk. Ik zal daar een voorbeeld van geven uit hoofdstuk 2. Daar schrijft hij: "Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser die hen gekocht heeft verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend. En velen zullen hun losbandigheden navolgen."

Waar hij op doelt – en dat is dan het derde punt – schrijft hij aan het einde van zijn leven, ergens in de jaren zestig, vlak voor de val van de stad Jeruzalem. Het jaar 70 is dat beruchte jaar waarin Jeruzalem, maar ook de tempel en alles wat erin is, is platgewalst en totaal verbrand. Het was eigenlijk ook het einde van de Joodse staat. Het is een vreselijke gebeurtenis geweest, maar u moet weten dat die val van de stad Jeruzalem in het jaar 70 zo dramatisch is geweest vanwege dat wat eraan voorafgegaan is. De Romeinen hebben zo keihard opgetreden omdat er een Joodse opstand was; dat zijn die valse leraren die in de jaren zestig hebben opgetreden in Jeruzalem en in Judea, het Joodse land.

Zoals ik in dat derde punt aangeef: Petrus schrijft in het tweede hoofdstuk een lang gedeelte over het aanstaande drama van wat bekendstaat als de Joodse opstand. We kennen dat uit de beroemde boeken van Flavius Josephus, die dat allemaal heel nauwkeurig te boek heeft gesteld. Dat ging allemaal vooraf aan Jeruzalems verwoesting. Vandaar dat tabelletje: het jaar 30 is het jaar dat de Heer stierf, opstond en ten hemel voer. In het jaar 70, precies veertig jaar later – ook niet voor niets natuurlijk – wordt Jeruzalem verwoest. Even daarvoor, ergens halverwege de jaren zestig, heeft Petrus zijn brief geschreven. Dat even voor de zetting. Petrus schrijft dus deze brieven als zijn geestelijk testament. Dit moest ik even vermelden, dan weet u over wie we het hebben, wat de omstandigheden waren en wat het motief was waarom hij schrijft. Het is heel urgent; hij waarschuwt zijn volk voor wat er gaat gebeuren. Laten we nu naar 2 Petrus 3 gaan.

De Komst van Spotters in de Laatste Dagen ↑ hoofdstukken

En dan begin ik te lezen bij vers 3. Ik moet alle zeilen bijzetten om bij vers 9 te komen, dus dat eerste vers laat ik eventjes voor wat het is. En dan schrijft Petrus dit: "Dit vooral moeten jullie weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen..." Die naar hun eigen begeerte, dat wil zeggen naar hun eigen inzichten en hun eigen gedachten wandelen. Hun eigen gedachten, gevoelens en opinies zijn daarbij leidend; daarnaar zullen zij wandelen. Spotters. Ja, wat doen spotters? U zegt: "Vliegtuigen bekijken." Nee, dat bedoel ik niet. Maar ja, spotternij; die de draak steken met de heilige dingen.

Spotters met spotternij zullen komen. Heel boeiend hè. Dus Petrus zegt aan het einde van zijn leven: die spotters zullen nog gaan komen in de laatste dagen. Aan het einde, vlak voorafgaand aan de parousia, de terugkeer van de Heer, zullen zij optreden. Spotters met spotternij zullen komen die naar hun eigen begeerte wandelen en zeggen: "Waar blijft de belofte van zijn komst?"

En begrijp me goed, dat is hier niet, zoals Petrus dat eigenlijk al aangaf, een geïnteresseerde vraag, zo van: hoe zit dat nou eigenlijk? Want feitelijk stellen wij die vraag ook. Hoe zit het nou eigenlijk met de belofte van zijn komst? Is er een vergissing? Dan zeg ik: ja, u hoort mij aarzelen in die zin; niet in de Schrift, maar de apostelen hebben zich inderdaad wel vergist. Maar als het dan inderdaad niet in die dagen is gebeurd, hoe zit het dan wel?

Nou, daar gaat Petrus dus op in. In feite gaat heel 2 Petrus 3 over de vraag: waar blijft de belofte van zijn komst? En waarom stelt hij die vraag? Wel, omdat hij al aangeeft dat er dagen gaan komen dat men spottend die vraag zal gaan stellen. En daarmee is in feite ook aangegeven dat de wederkomst of de parousia – dat is eigenlijk het Bijbelse woord daarvoor, zijn aanwezigheid; ik bedoel, Hij is nu absent en straks zal Hij present zijn, dat is wat het woordje parousia ook betekent – die wederkomst zal veel langer duren dan aanvankelijk gedacht.

Dat is eigenlijk wat hij aangeeft, want hij zegt: ja, als Petrus in zijn leven tientallen jaren de gedachte heeft gehad dat zijn collega-apostel Johannes nog de parousia zou meemaken... En hij zegt nu aan het einde van zijn leven: ja, in de laatste dagen zullen er spotters komen, en die zullen dan zeggen: waar blijft de belofte van zijn komst. Daarmee zegt hij impliciet: voorlopig gaat het nog niet gebeuren dus. Petrus heeft dus ook een totale... hij heeft moeten omdenken. Je leest dat later in dit hoofdstuk – ik kom daar nu niet meer aan toe, maar ik wijs er nu even op – als u vandaag, als u straks terugkomt, moet u maar eens een keertje kijken aan het einde van het hoofdstuk.

Dan zegt hij ook: als je nou echt wilt weten hoe dat zit met het uitblijven van die terugkeer van de Heer, dan moet je wezen bij onze geliefde broeder Paulus. Hij schrijft in al zijn brieven over die langmoedigheid, over dat uitblijven van de terugkeer van de Heer; dat de Heer maar niet ingrijpt. Als je echt wilt weten, dan moet je bij hem wezen. Paulus schrijft namelijk in al zijn brieven hierover. Hij zegt: maar ze zijn zwaar om te verstaan. Dus daarmee geeft Petrus ook aan dat hijzelf heel veel moeite heeft gehad met wat Paulus te melden heeft. Dat weten we trouwens uit andere gegevens ook. Ze hebben elkaar de rechterhand der gemeenschap gegeven, maar ze begrepen elkaar niet. Nou, eigenlijk moet ik zeggen: Petrus begreep Paulus niet. Aan Paulus zijn veel meer dingen bekendgemaakt. En voordat Petrus geüpdatet was, daar zijn heel wat jaren, decennia zelfs, overheen gegaan.

Oké, men zou zeggen: "Waar blijft de belofte van zijn komst?" en dan zal men dat ook zo motiveren: "Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zo als het van het begin van de schepping af geweest is." Eigenlijk wat zij dus zullen zeggen in die laatste dagen: vanaf dat er al gewacht wordt op de parousia, sinds de vaderen ontslapen zijn, verandert alles helemaal niet. Men verwachtte het, men predikte de parousia. Dus men dacht dat het in die dagen zou gebeuren. En Petrus waarschuwt al van: nou, er gaat dus een tijd komen dat ze daar de draak mee zullen gaan steken en dat ze daarover zullen spotten. En ze zullen zeggen van: ja, al generaties, al vanaf dat de vaderen ontslapen zijn, blijft alles gewoon zoals het is, dus hoezo, waar blijft nou die belofte van de terugkeer?

Ik heb in allerlei toonaarden die vraag al zo vaak gehoord. Of eigenlijk ook een spottende vraag, of als je spreekt over de terugkeer van de Heer, of over de ernst van de tijd, of over de profetische betekenis van de dagen waarin we leven, dan krijg je zo vaak toch: "Dat dachten ze in de eerste generatie ook." Waarmee ze feitelijk nog enigszins gelijk hebben ook, alleen... hoe zal ik dat zeggen? Ze hebben de klok horen luiden, maar ze weten niet waar de klepel hangt. Dat is het probleem.

En dan zeggen ze: "Ja, er zijn al zoveel generaties voorbijgegaan, twintig eeuwen, en er is al zoveel gespeculeerd", wat trouwens ook waar is. En iedere keer dachten we: het gaat nu gebeuren, en het gebeurde niet. En dat is natuurlijk een prachtig argument om dit aan op te hangen. Als je al twintig eeuwen gezegd hebt: "Nu gaat het gebeuren", en er is nog steeds niets gebeurd, dan is dat tegen die achtergrond niet geloofwaardig als iemand nu nog zegt: "Ja, maar nu is het echt." Maar kijk, vanuit de Bijbel weten we: het gaat gebeuren. Hoe dan ook. En als mensen zich vergissen, ja, maar dat verandert toch niet de profetische waarheid?

De Miskenning van Gods Eerdere Ingrijpen ↑ hoofdstukken

Petrus gaat vervolgens in op de spotternij. Achter die spotternij schuilt namelijk ook een feitelijke, serieuze vraag: waar blijft die belofte van Zijn komst dan? Hij gaat daarop in met een paar belangrijke punten. Het eerste wat hij noemt, is dit: "Want willens en wetens ontgaat hun dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat." Dat is een heel interessante opmerking, maar het gaat mij nu vooral om wat Petrus hier onderstreept. Het ontgaat hun dat die hemelen en ook de aarde er zijn door het woord van God.

Waar Petrus hier op wijst, is dat het woord van God ons vertelt over een Schepper die hemel en aarde heeft voortgebracht. Bovendien getuigt dat woord — zoals we in het volgende vers zullen zien — ook van de zondvloed in de dagen van Noach. Het is frappant dat dit precies de twee feiten zijn die vandaag de dag worden weggeredeneerd: de schepping en het loutere feit dat God bij gelegenheid heeft ingegrepen. In 2 Petrus 2 wijst de apostel overigens ook al op de zondvloed, evenals op de gebeurtenissen met Sodom en Gomorra. De hele gedachte dat alles eigenlijk nooit verandert, is een miskenning van het feit dat God bij gelegenheid wel degelijk heel drastisch ingrijpt.

De zondvloed is daar een voorbeeld van. Ik lees even verder: "...waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water." Ik zei wel dat het woord van God hierop wijst, maar het is in feite veel algemener. Onder de hele mensheid zijn enorm veel overleveringen bewaard gebleven. Of je nu in Zuid-Amerika, Afrika of Azië kijkt: overal hebben volkeren hun herinneringen aan een goddelijk ingrijpen behouden en wijzen ze op de zondvloed. Natuurlijk geeft het boek Genesis daar de betrouwbare versie van, maar onder de volkeren weet men dat de wereld inderdaad blank heeft gestaan, dat de mensheid is omgekomen en dat God door middel van een groot schip een aantal mensen heeft bewaard. De hele wereld weet dat dit zo is. Alleen past het niet in het evolutionaire denken dat alles vanzelf is ontstaan. Hoezo een God? Hoezo een goddelijk ingrijpen? Dat wordt gewoon weggeredeneerd.

Maar Petrus zegt hiervan: het ontgaat hen willens en wetens. De Bijbel is daar heel duidelijk in: als je God wegredeneert, ben je een dwaas. Als je niet inziet dat alles wat er is een creatie is, bedacht en ontworpen, dan spoor je niet. Dat bedoel ik niet beledigend, maar een ontwerp getuigt nu eenmaal van een Ontwerper. Dat design zie je in alles terug. Als je God wegredeneert, en daarmee ook elk goddelijk ingrijpen, dan ben je willens en wetens de waarheid aan het verdraaien. Ik weet dat wanneer je opgroeit in een omgeving waar dit op scholen en universiteiten als het absolute axioma wordt verteld, je als gek wordt versleten als je zegt: "Wacht even, hoe kan dat nou?"

In deze aion, deze wereldtijd, regeert de leugen. Het wegredeneren van God als God is buitengewoon kwalijk, want het erkennen van Hem is het begin van wijsheid. Omgekeerd geldt dat als je Hem wegredeneert en Hem uitsluit in je denken, je veroordeeld bent tot dwaasheid. Als het uitgangspunt niet juist is, zijn de conclusies per definitie ongeldig. Dat leer je immers ook op school: als je aan het begin van een som al een fout maakt, kun je de rest van de berekening wel naar de prullenbak verwijzen.

De toenmalige wereld is dus vergaan. Dat had Petrus in het tweede hoofdstuk ook al betoogd. In 2 Petrus 2 vers 5 zegt hij: "De wereld van de voortijd heeft God toen niet gespaard, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, met zeven anderen bewaard, toen Hij de vloed over de wereld van de goddelozen bracht." Dat heeft Hij gedaan, zo'n 4.500 tot 5.000 jaar geleden. Het woord van God getuigt daarvan, het is in de collectieve herinnering van de mensheid bewaard gebleven en trouwens, ook de aarde zelf getuigt ervan via de aardlagen. Maar dat is een hoofdstuk apart.

Waarom brengt Petrus dit nu ter sprake? Wat heeft dit te maken met de vraag: "Waar blijft de belofte van Zijn komst?" Nou, hij wil duidelijk maken dat God wel degelijk ingrijpt. Hij voegt eraan toe: "Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard." Dit is een vergelijking die je vaker in het Nieuwe Testament aantreft: de dagen van de Parousia, of de dagen die daar vlak aan voorafgaan, worden vergeleken met de dagen van Noach. Het zal zijn als in de dagen van Noach: men eet, drinkt en trouwt. Alles draait gewoon door en wie denkt er dan aan een goddelijke interventie? Totdat... totdat Noach de ark binnenging en God de deur sloot.

Petrus zegt dat de tegenwoordige hemel en aarde door hetzelfde woord "als een schat weggelegd" zijn. Dat is een mooie gedachte: God beschouwt deze wereld als een schat en Hij gaat hem louteren. Hij bewaart ze voor het vuur tot een dag van oordeel en van ondergang van de goddeloze mensen. Dat wil zeggen dat wat ooit plaatsvond, opnieuw zal plaatsvinden, maar dan op een andere manier. Ook dat wordt in dit hoofdstuk naar voren gebracht. Die dag is hier de dag van de duizend jaren, het millennium, en de tijd die daar vlak aan voorafgaat en erop volgt. Dat is de ondergang van de goddeloze mensen. Houd die gedachte even vast.

Het Goddelijke Tijdsperspectief: Duizend Jaren als Één Dag ↑ hoofdstukken

En dan zegt Petrus dit – en ja, die is heel belangrijk. Waarom is dat zo belangrijk? Wel, omdat Petrus dat zelf aangeeft. Hij schrijft: "Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaren." En hij herhaalt het nog een keer: "en duizend jaren als één dag." Dus als het gaat over de vraag: waar blijft de belofte van Zijn komst? En dat zou toch spoedig gebeuren? Wel, dan zegt Petrus: dit mag je niet ontgaan, want bij de Here is één dag als duizend jaar. Mocht je dan denken: hij had ook wel tienduizend jaar kunnen zeggen... nee, daarom herhaalt hij het juist en zegt hij: duizend jaar is als één dag. Met andere woorden, het is uiterst belangrijk. Ik weet dat dit namelijk heel vaak zo wordt uitgelegd: één dag is als duizend jaar, maar er had ook tienduizend of honderdduizend jaar kunnen staan, of gewoon 'een hele lange tijd'. Maar nee, hij noemt specifiek twee keer een dag en twee keer duizend jaar. Zo rekent God. Dat mag ons niet ontgaan.

Dat weten we trouwens niet alleen omdat Petrus dat hier zo zegt. In Psalm 90 had Mozes – want dat is een Psalm van Mozes – dat namelijk al zo gezegd. Laten we daar even naartoe gaan, want die Psalm is te boeiend en eigenlijk ook te belangwekkend om hier nu even terzijde te laten. Daar staat in Psalm 90:3: "U doet de sterveling wederkeren tot stof en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen." Er staat letterlijk 'zonen van de mens', of 'zonen van Adam' eigenlijk. Ik wil daar eventjes wat dieper op ingaan, want als God dat zegt tegen de zonen van Adam, of gewoon tegen de mensheid, tegen Adam en alle Adamieten – alle nakomelingen van Adam – dan herinnert dat aan wat in Genesis 3:19 staat nadat er van de verboden vrucht is gegeten. Daar staat: "totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren." Dit weten we allemaal; dat is gewoon wat wij zijn. Daarom zijn we ook stervelingen. We léven niet, we zijn stervende. Is er dan leven? Ja, dat moet dus wel. Als het leven niet vóór de dood is, dan moet het dus daarna zijn. Eigenlijk is de vraag over leven na de dood: ja, waar anders? Want daarvóór is het immers het sterven. We zijn bezig om dood te gaan.

Oké, waarvan akte: tot stof zult gij wederkeren. Dat herinnert dus inderdaad aan wat al tegen de mens, tegen Adam, was gezegd. Trouwens, daarvóór was al tegen Adam gezegd dat het zou gebeuren "in de dag" of "ten dagen" – zo staat het in de meeste vertalingen. Maar letterlijk staat er: "in de dag dat je daarvan eet, zul je voorzeker sterven" (of: stervende sterven). Ik begrijp het wel, daar struikelt men over, want dat 'stervende sterven' verwijst naar het wederkeren tot de aardbodem of tot stof. Maar dan moeten we toch vaststellen dat Adam maar liefst 930 jaar oud is geworden. Kijk het maar na in het boek Genesis. Trouwens, vóór de zondvloed werd men allemaal vele eeuwen oud. De oudste was Metusalach. Die kennen we allemaal wel, hè? Nou ja, we kennen hem geen van allen persoonlijk, maar we weten wel dat hij de oudste was: "zo oud als Metusalach". Hij werd 969 jaar oud, als ik me niet vergis. Adam werd 930 jaar oud.

Maar nu ga ik u dit zeggen: als God zegt: "In de dag dat je daarvan eet, zul je sterven," en wij stellen vast dat hij pas 930 jaar later stierf, was dat dan in dezelfde dag? Voor God wel, ja. En sterker nog: geen mens, geen van de zonen van Adam, is ooit ouder geworden; niemand heeft het millennium overschreden. Er zijn er heel wat die inderdaad boven de 900 jaar oud werden – nou ja, 'heel wat' houden we te goede, maar in ieder geval aardig wat – die inderdaad zelfs nog ouder werden dan 900 jaar. Maar de duizend jaren hebben ze nooit bereikt. Geen van de mensen. Trouwens, je leest in verband met het Messiaanse Rijk ook weer dat de mensen leeftijden zullen bereiken als die van de bomen. En dan staat er: "als iemand dan al jong sterft..." – en dan staat er dat een jongeling als honderdjarige zal sterven. Kijk maar eens na in Jesaja 65. Met andere woorden: als je dan als honderdjarige komt te overlijden door welke omstandigheden dan ook, dan ben je nog een jongeling. Verstaan we dat niet? Ik ben nog hartstikke jong! Maar goed, begrijpt u? Het is dus "in die dag". Voor de Heer is dat één dag.

Ik ga weer even terug naar Psalm 90: "U doet de sterveling wederkeren tot stof en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen." Want – en dit is belangrijk – "want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren wanneer hij voorbijgegaan is." Dus als Petrus zegt: "Dit ene mag u niet ontgaan, dat één dag voor de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als één dag," dan refereert hij aan wat Mozes allang ooit had gezegd. Hij citeert hem niet letterlijk, maar hij refereert eraan. Het verband is ook heel erg boeiend, juist omdat er gesproken wordt in het verband van het wederkeren van de sterveling van Adam tot de aardbodem. Dat zou allemaal in een dag gebeuren. En dan staat er: "want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren." Is dat niet boeiend? Dus daar in Genesis – en Mozes verklaart het later in de Psalm – wordt er in feite al gehint naar het fenomeen of het gegeven hoe de Heer rekent. Duizend jaren is voor Hem als één dag binnen een millennium.

En dan vind ik het ook wel heel apart dat er gesproken wordt over zes dagen en dat Hij de zevende dag heiligt. Ja, God heiligde de zevende dag. Dan kun je gewoon denken in termen van dagen van 24 uur, dat mag uiteraard. Maar kijk eens even verder: de grote Sabbatdag is het millennium, de Dag van de Here. En dat is logischerwijs dan ook na zes dagen, na zes millennia. En ja, moeilijk is het niet. Duizend jaren is één dag, en één dag is duizend jaar. En daar komt nog iets bij, want het is toch wel apart dat Petrus dat zo benadrukt. Ik gaf u net al aan waarom dat belangrijk is, maar Petrus spreekt twee keer over één dag en twee keer over duizend jaren. Waarom zou dat zijn? Wel, dat verwijst nog weer naar een andere profetie. Petrus had immers al in het begin van dit hoofdstuk gezegd: "Ik wil jullie herinneren aan de woorden van de profeten." Nou, dit is ook zoiets profetisch.

De Profetie van Hosea: Israëls Herleven Na Twee Dagen ↑ hoofdstukken

Want we vinden een hele cryptische uitspraak of profetie over de terugkeer van de Heer, en wel in het boek Hosea. Eigenlijk kan ik het nauwelijks maken om het zo kort aan te stippen, maar vanwege de beperkte tijd moet ik dat toch even doen. Ik zou graag ook iets zeggen over het voorgaande; doe dat thuis nog eens een keer. Maar er staat dit in Hosea 6: "Komt, laat ons wederkeren tot de Here" – dat wil zeggen tot JAHWEH. En dan gaat het hier over het volk van Israël.

Israël zal als natie zeggen: "Laat ons terugkeren tot JAHWEH, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons helen; Hij heeft geslagen en Hij zal ons ook weer verbinden." Er komt dus een moment dat het volk weer als volk zal terugkeren. Dat is omdat men het gevoeld heeft. Hoe is het ook alweer? Wie niet horen wil, die moet voelen. Men hoorde niet en dan heeft de Heer hen ook gewoon gecorrigeerd. Hardhandig, maar de correcties van de Heer hebben altijd de bedoeling om de mens weer te richten. Daarom heet het ook een 'gericht': om gericht te worden op Hem namelijk.

En als Hij dan verscheurd heeft, zal Hij ook helen. Dit gaat ook over de afgelopen duizenden jaren die we hebben meegemaakt, waarin het volk zoveel te verduren heeft gekregen. Het is geslagen en verscheurd, maar Hij herstelt. Hij heelt en Hij zal verbinden. Het boeiende daarvan is dat er niet alleen wordt gezegd dát Hij dat gaat doen, maar dat er wel degelijk, zij het cryptisch, een aanwijzing in tijd wordt aangegeven: "Hij zal ons na twee dagen doen herleven; ten derde dage zal Hij ons oprichten en wij zullen als volk nationaal leven voor zijn aangezicht."

Dat is boeiend, want hiermee wordt dus gezegd dat het volk van Israël zal herleven en zal opstaan. Twee dagen is het eigenlijk dood geweest; het had geen besef van wie Hij is en men lag in het 'graf der volken'. Er zijn allerlei Bijbelse metaforen voor, maar de termijn zou twee dagen duren. Twee dagen? Hoe rekent God dan, stel je de vraag. Het gaat hier toch niet over twee etmalen? "Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derde dage zal Hij ons oprichten en wij zullen leven voor zijn aangezicht."

Opstanding; wij kennen dat van de Messias, Hij stond op ten derde dage. Dat was inderdaad letterlijk na drie dagen en drie nachten en toen stond Hij op uit de doden. Zou het volk haar Messias op dezelfde wijze volgen? Ook het volk zou op de derde dag opstaan en herleven. Er staat: "Ja, wij willen JAHWEH kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad – dat wil zeggen de zonsopgang – is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen die het land besproeit."

Met andere woorden: Israël wordt hersteld. Israël keert terug tot haar God na een tijd van rampspoed, van geslagen en verscheurd zijn. Dan zal het terugkeren tot haar God. Maar het zal ook herleven en na twee dagen zal Hij tot ons terugkeren; dan komt Hij tot ons. Dat gebeurt bij het begin van de derde dag, zoals de Heer trouwens ook op het begin van de derde dag verrees uit het graf. De associaties liggen voor het oprapen.

Dus met andere woorden, als je de vraag stelt: wanneer zal Israël herleven? Wanneer? Want die twee antwoorden zijn aan elkaar gekoppeld: wanneer zal Hij tot ons komen? Welnu, het antwoord is: na twee dagen, op de derde dag. Waarna eigenlijk alleen nog maar één vraag overblijft: wat is de sleutel tot deze cryptische opmerking? Hoe moeten we dit 'decrypten'? Wat betekent dit dan?

Welnu, dan zegt Petrus: "Dit ene mag u niet ontgaan, geliefden: één dag is bij de Here als duizend jaar en duizend jaar als één dag." Het is niet voor niks dat hij twee keer over een dag spreekt en twee keer over een millennium. De profeten wijzen in die richting. Met andere woorden, wij leven nu in die tijd. Als de Heer is vertrokken in het jaar 30 en is teruggekeerd naar zijn plaats – kijk maar na aan het einde van Hosea 5, waar staat dat Hij is teruggekeerd naar zijn plaats – wanneer gaat Hij dan terugkeren? Hier staat het: na twee dagen.

Dat betekent dat wij inmiddels bijna twee millennia verder zijn. Als Hij in het jaar 30 vertrok – en ik doe geen uitspraken over het exacte jaartal – dan is 30 plus 2000 jaar het jaar 2030. Dat is een mijlpaal. Begrijp me goed, ik zeg daarmee niet of dan de wegrukking plaatsvindt of zijn terugkeer voor Israël; daar is genoeg over te zeggen, maar het is nu even niet aan de orde om dat precies vast te stellen. Het gaat mij erom dat we weten dat er twee millennia bijna zijn verstreken en die mijlpaal passeren we bijna.

We leven echt in buitengewoon boeiende tijden en ik vind dat we heel veel reden hebben om juist nu bepaald te worden bij deze dingen. Het was ooit Luther die vijf eeuwen geleden al een chronologie opstelde, een hele Bijbelse tijdlijn. Hij schreef daar een boek over – ik meen dat het in het jaar 1547 werd gepubliceerd – en hij zei: "Dit is het jaar 5500." Men ging er ook vanuit dat ergens in het derde of vierde decennium van deze eeuw het jaar 6000 zou aanbreken, oftewel dat de zevende dag zou aanvangen. Gerekend vanaf Adam, en gerekend vanaf het heengaan van de Heer zijn dat twee dagen. Zo moeilijk is het allemaal niet, maar dit zijn zulke belangrijke dingen.

De Reden van Gods Geduld: de Verzoening van de Wereld ↑ hoofdstukken

Ik wil daar nog één ding over zeggen naar aanleiding van vers 9. De Heer talmt niet met de belofte, al zijn er, zegt hij, die aan talmen denken. Je zou kunnen denken: talmen, dat wil zeggen uitstellen of vertragen, maar dan vooral met de gedachte van tegenzin. Je kent het wel: "Ga je dat nou nog even opruimen?" "Ja, dat ga ik nog wel doen, dat komt nog wel." Je stelt het uit omdat je er helemaal geen zin in hebt om het te doen. Maar de Heer talmt niet. Het is niet zo dat Hij niet wil dat die belofte vervuld wordt.

Het woord voor talmen betekent eigenlijk vertragen. Je leest dat ook bij de Emmaüsgangers, tegen wie de Heer zegt: "O, trage van hart." Je bent zo langzaam; het is net alsof je in de stroop zwemt, het schiet niet op. Maar talmt de Heer? Nee, helemaal niet. Hij talmt niet met de belofte, al zijn er die aan talmen denken, maar Hij is geduldig jegens jullie. In de tekst staat: "Daar Hij niet bedoelt..." Dat zou ik niet te letterlijk willen nemen als een wens die niet uitkomt, want hier wordt gesproken over Gods raad. Gods wil kan weerstaan worden, maar Gods raad nooit. Niemand heeft ooit Gods raad weerstaan. Zijn raad is niet dat sommigen verloren gaan, maar voor allen geeft Hij ruimte tot bezinning.

Ik heb daar een lange tijd met dat vers geworsteld. Hoe zit dat nou? Is het zo dat de Heer maar uitstelt zodat mensen nog tot bekering kunnen komen? Maar hoe langer Hij wacht, hoe meer mensen er eigenlijk de brui aan geven. Het is dus niet zo dat er door het lange wachten simpelweg meer mensen tot bekering komen. Het punt is dat Hij gedurende de tijd dat Hij niet ingrijpt, geduldig is. En waarom? Wel, Hij heeft de bedoeling — of laat ik het negatief zeggen zoals het hier staat — Hij bedoelt niet dat sommigen verloren gaan. De positieve manier om het te zeggen is: Hij bedoelt dat allen worden gered.

Dat is precies de boodschap die in de huidige tussentijd klinkt, of in ieder geval zou moeten klinken. In de twee dagen dat de Heer uitblijft, klinkt de boodschap dat Hij, Jezus Christus, de Redder der wereld is. Dat is een hele mooie, kijk dat maar eens na in Johannes 4. Dat is een beetje slagroom op de taart. Je leest in Johannes 4 over de Samaritaanse vrouw en dat de Heer twee dagen bij de Samaritanen verblijft. Hij is daar onder de natiën, buiten Zijn eigen volk. En dan staat er: zij erkennen Hem als de Redder der wereld. Na die twee dagen komt Hij op de derde dag aan in Kanaän. Daar was ooit een bruiloft geweest en daar wordt ook weer iemand genezen. Dat zijn zulke schitterende lijnen die je onder de oppervlakte ziet.

Gedurende de tijd dat Hij geduldig is en niet ingrijpt, is dat omdat deze boodschap zou klinken: de boodschap van Zijn geduld en dat Hij bedoelt dat allen worden gered. Hij wil namelijk niet dat zelfs maar sommigen verloren gaan. Daar heb ik nog een mooie tekst voor uit Romeinen 11. Paulus gaat er daar op in dat God nu eigenlijk een omweg maakt. Israël heeft de boodschap van de opgestane Messias verworpen. Daarom roept Hij een dertiende apostel, Paulus, en die gaat naar de natiën. Hij is de apostel der natiën.

In Romeinen 11 vers 15 zegt Paulus: "Want indien hun verwerping de verzoening der wereld is..." Israël heeft haar Messias verworpen, en dat leidt tot de verzoening der wereld. Weet u wat verzoening betekent? De meeste christelijke mensen weten dat helemaal niet; die denken dat verzoenen betekent dat je vergeven wordt. Dat heeft er niks mee te maken. Verzoenen betekent dat je een vijand tot een vriend maakt. Als je verzoend bent, dan ben je een liefhebber geworden. Je was vijandig of vervreemd en God verandert je.

Wat nu klinkt is de boodschap van de verzoening der wereld: God verzoent de wereld. Hij maakt deze vijandige wereld tot vrienden en dat doet Hij door het bloed van het kruis. In de tijd van Israëls verwerping, in die twee dagen, klinkt deze boodschap van de verzoening der wereld. Paulus zegt: als dat al zo geweldig is in de tijd van Israëls verwerping, wat zal hun aanneming dan anders wezen dan leven uit de doden? Daar hebben we hem weer. Israël neemt haar Messias alsnog aan na de twee dagen en wat betekent dat? Een nationaal herstel, een nationaal herleven, leven uit de doden.

Als je het graag schematisch hebt: je krijgt dus die termijn van twee dagen, van twee millennia. Israël staat op een zijspoor, maar dan klinkt de boodschap van de verzoening der wereld. Daarna zal de parousia plaatsvinden op de derde dag. Dan zal Israël haar Messias alsnog aannemen, Hij zal terugkeren en dat zal een nationaal herleven zijn. Wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?

Dat was eigenlijk deel twee van de vraag: hebben de apostelen zich vergist? Ja, de apostelen hebben zich vergist en Petrus heeft aan het einde van zijn leven nog mogen vertellen hoe de vork in de steel zit. Hij zegt: denk niet in termen van decennia, maar denk gerust in termen van millennia. En dat mag u niet ontgaan, geliefden. Daar wil ik het graag bij laten voor vanmorgen.

🎧 hebben de apostelen zich vergist? (2)
Delen: