GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

God is géén mensenkind…

18-07-2021 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden op zondag 18 juli 2021 in Den Haag

In de Bijbel vinden we heel dikwijls ‘mensvormige’ manieren waarop over God wordt gesproken. Bijvoorbeeld dat Hij slaapt en ontwaakt.  Of dat Hij ogen, oren, een neus, een mond en zelfs een achterste heeft. Maar ook dat Hij berouw zou hebben. Die vergelijkingen dienen om zaken voor ons mensen begrijpelijk te maken. Zulke taal is echter altijd ‘bij wijze van spreken’. Want GOD is zoveel groter en hoger en met niets en niemand te vergelijken.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt het feit dat de Bijbel vaak mensvormig over God spreekt, ondanks dat Hij geen mens is. Eigenschappen zoals berouw, lichaamsdelen of slapen worden metaforisch gebruikt om Gods betrokkenheid in menselijke termen uit te drukken. In werkelijkheid is God de onveranderlijke, almachtige Schepper die Zich niet vergist en alles volledig overziet. Dit besef biedt de gelovige rust, nieuwe kracht en een zuiver perspectief op tegenslag.

“Bij God gaat er nooit iets mis.”

God Is Geen Mensenkind ↑ hoofdstukken

Een heel goedemorgen allemaal, vrienden. Wat goed om jullie hier weer te mogen treffen op deze prachtige, stralende zondagmorgen in de maand juli. Het lied dat zojuist gezongen is, "Niemand anders dan U alleen", is een heel mooie brug, een link naar wat we vanmorgen eens met elkaar willen overdenken. Ik heb de studie de titel gegeven die u hier ziet geprojecteerd: God is geen mensenkind. Deze titel is direct ontleend aan een woord in het boek Numeri, uit de toespraak, de rede die Bileam ooit hield voor het volk Israël. Hij sprak heel ware woorden.

Bijvoorbeeld deze woorden, en dat is precies ook de reden waarom ik de studie zo benoemd heb: "God is geen man," zegt dit vers dan, "dat Hij liegen zou; of een mensenkind, dat Hij berauw zou hebben. Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?" Dat is een retorische vraag; het antwoord is natuurlijk nee. Dat is onmogelijk. Hij is geen mensenkind. Een mensenkind kan zich namelijk vergissen. Dat is eigen aan wat een mens nu eenmaal is: beperkt in zijn verstand. Daarom weet je niet hoe de dingen zijn of hoe de dingen zullen zijn, en daarom ga je gissen. En als je gaat gissen, dan kun je je dus ook vergissen. Iemand die alles weet, hoeft niet te gissen; die weet de dingen.

Vandaar ook dat hier staat: "Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en niet volbrengen?" Dat heeft te maken met het feit dat Hij alwetend is. Dat staat bijvoorbeeld ook in het boek Jesaja zo prachtig: "Die van den beginne de afloop verkondigt." Dat weet Hij. Hij overziet de tijden. Sterker nog, de tijden zijn door Hem gecreëerd. De tijd is, net als de ruimte, een creatie van Hem. Wij kunnen daar niet buiten treden, maar Hij staat daar wel buiten en boven en gaat daaraan vooraf.

Maar dat niet alleen: Hij is niet alleen alwetend, Hij is ook alvermogend, almachtig. Dat betekent niet dat Hij alles kan, want Hij kan bijvoorbeeld niet liegen. Dat staat letterlijk zo in Hebreeën 6. Ik vind het altijd mooi als mensen Gods almacht definiëren door te zeggen dat Hij alles kan. Nee, dat is niet wat almacht betekent. Gods almacht betekent dat "wat Zijn liefde wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet" – met dank aan een mooi lied. Je zou ook kunnen zeggen: Hij kan wat Hij wil. Niets wat Hij wil, is aan Zijn vermogen onttrokken. Vandaar ook dat Hij kan zeggen en het vervolgens ook doet. Als Hij spreekt, dan volbrengt Hij dat ook.

Hij weet alle dingen en Hij kan alles wat Hij uitspreekt, verklaart en wil. Dat is werkelijk God. Wat het woord "God" ook betekent: de Ene, de grote God die alles een plaats geeft en die dus ook nooit mistast en nooit een fout maakt. Bij God – het is een gevleugelde uitdrukking voor mezelf, ik zeg het zo vaak en ik ben niet origineel, maar dat wil ik ook niet zijn want ik zou het elke dag wel willen uitroepen – bij God gaat er nooit iets mis. Dat is de grond van ons bestaan en zoals Bileam dat ooit verklaarde, is het zo waar: God is geen mensenkind.

Mensvormig Spreken over God ↑ hoofdstukken

Waar ik het eigenlijk eens over wil hebben, zou ik heel duur kunnen verklaren. Iemand die een theologische opleiding heeft genoten, zou na afloop kunnen zeggen: "André Piet heeft het gehad over het antropomorf spreken van de Bijbel." Nu heb ik dat toch maar eventjes gezegd; ik kan het in ieder geval. Ik ga het niet nog een keer zeggen, want dan struikel ik waarschijnlijk. Antropomorfisme is vernederlands Grieks en dat betekent anthropos, wat mens betekent – u kent dat wel van antropologie en zoveel woorden die daarmee beginnen – en morf heeft te maken met vorm. Dus je zou het ook gewoon in heel normaal Nederlands kunnen zeggen, en daar geef ik dan toch de voorkeur aan, als u me niet kwalijk neemt. Waar ik het over wil hebben, is het mensvormig spreken van de Schrift.

God wordt inderdaad mensvormig beschreven. Daar zit wel wat aan vast hoor, dus ik wil daar graag eens over spreken. Kijk, God is geen mensenkind, dat is één ding wat zeker is. Hij is geen man dat Hij liegen zou, maar Hij is ook geen mensenkind in het algemeen. Dat neemt niet weg – en dat is toch wel heel frappant – dat er zoveel mensvormigs aan God wordt toegeschreven. Laat ik eens een aantal voorbeelden lukraak uit de Schrift nemen. Het lijstje is bepaald niet compleet, maar geeft in ieder geval een aardige indruk. Van God lees je bijvoorbeeld dat Hij wandelt. Je leest in Genesis 3 dat Hij wandelde in de hof, en Adam en Eva hoorden Zijn stem en vernamen dat. Van God lees je dat Hij slaapt en ontwaakt in Psalm 44, maar er zijn wel meer Schriftplaatsen: "Waarom slaapt U nu, God?"

Ik zal straks ook wel duidelijk maken dat dat bij wijze van spreken is. Als ik zeg "bij wijze van spreken", dan bedoel ik niet dat je het niet serieus zou moeten nemen, maar het is niet letterlijk waar. Er zijn zoveel stijlfiguren die we gebruiken die niet letterlijk waar zijn, maar niettemin wel vol figuurlijke betekenis. Je leest elders bijvoorbeeld in de Psalmen weer dat de Bewaarder Israëls sluimert noch slaapt. Dan kun je de vraag stellen: hoe verhouden die twee teksten zich? Het ene is letterlijk: Hij slaapt niet, Hij waakt altijd. Een mensenkind moet wel eens even rust nemen en knijpt dan een oogje dicht, waardoor hij de dingen niet ziet. Als je enig besef hebt van de God van de Bijbel, dan weet je ook dat die God niet in die menselijke categorieën valt. Dat neemt niet weg dat Hij slaapt bij wijze van spreken. In feite is dat de ervaring van de afgelopen tweeduizend jaar, toch? Dat mensen zeggen: "Ik merk niets van God, wat doet Hij nou?" Vandaar ook dat er in de Psalmen nogal eens opgeroepen wordt: "Waarom houdt U Zich slapend? Sta op en kom in actie!"

Nou, dat gaat God ook doen. Nu is het alsof Hij slaapt. Zo sterk zelfs, in zo'n diepe slaap, dat sommige theologen – ja ja, daar hebben we ze weer – een richting aanhangen die dat zo verklaart: God is dood. Nou, dan slaap je wel heel diep. Hij laat namelijk niets van Zich merken. Maar je leest ook bijvoorbeeld, om nog iets te noemen: God verwekt door het zaad van Zijn Woord. Je leest in Genesis 11 – maar er zijn heel wat meer teksten – een prachtig voorbeeld van de mens die daar in de vlakte van Sinear, daar in Irak, een stad gaat bouwen, en niet alleen dat, ook een toren waarvan de top de hemel zou bereiken. Dan lees je, als de mens daarmee bezig is, dat de HEERE uit de hemel moet nederdalen om te kunnen zien waar zij mee bezig zijn. Kijk, de mens verenigt alle krachten en bereikt dit, maar God moet naar beneden komen om te zien waar ze mee bezig zijn. Dat is uiteraard bij wijze van spreken, maar wel met humor hoor. Het zet de mens precies op zijn plek, namelijk wie hij is ten opzichte van God.

Dit zijn dan werkwoorden in verband met God – voor zover slapen een werkwoord is, maar u begrijpt wat ik bedoel. Van God lees je echter ook als het gaat om lichamelijke kenmerken. Hij heeft een arm. Je leest over Zijn rechterhand. Zou de arm des HEEREN te kort zijn? Je leest over Zijn ogen, over Zijn oren, over Zijn neus, over Zijn ingewanden zelfs bij meerdere gelegenheden, en zelfs van Zijn achterste. Dat lees je in de geschiedenis van Mozes, dat hij de achterste delen van God zag toen de HEERE aan hem voorbijging. Ik bedoel maar te zeggen dat dit allemaal dingen zijn die wij toekennen en die menselijk zijn; ze zijn eigen aan wat wij kunnen en wat wij doen, maar ook aan wat wij lichamelijk hebben. Je zou kunnen zeggen dat dit dus het mensvormig spreken van God is. Maar laten we het nu eens van de andere kant bekijken.

De Mens als Weerspiegeling van de Schepper ↑ hoofdstukken

Kijk, van de mens lezen we al in het eerste Bijbelhoofdstuk dat hij is geschapen naar Gods beeld, of letterlijk: in Gods beeld. Overigens, je leest niet dat de mens Gods beeld is – kijk het maar eens na. Wij dragen Zijn beeld, maar ik weet van slechts één iemand van wie gezegd wordt dat Hij het beeld Gods is, en dat is Christus Jezus. Hij is het beeld Gods en de mens is geschapen naar dat beeld. Zodat de mens geschapen is naar het beeld van God, oftewel naar Christus Jezus.

En ja, dat is heel opmerkelijk, want in feite zou je dus kunnen zeggen: toen God Adam schiep, toen creëerde Hij hem naar het beeld van de laatste Adam. Terwijl de laatste Adam nog moest komen – dat zou nog duizenden jaren op zich laten wachten – werd Adam al naar diens beeld geschapen. Dus, wie was er nu eerder? Dat is een goede vraag, hè? De laatste Adam was er eerder dan de eerste Adam. Eigenlijk is dus de laatste Adam het model en Adam, die gecreëerd werd, ons aller voorvader – al die miljarden mensen kunnen hun stamboom terugbrengen tot dat de eerste mens er was, tot Adam – was de kopie.

Maar goed, de mens is geschapen naar Gods beeld, maar dan kun je het dus ook omkeren. Kijk, God is geen mensenkind, maar de mens is goddelijk. Kijk, wij zeggen dan dat als God ziet en God hoort en Hij wandelt enzovoorts, dat dit mensvormig spreken van God of over God is. Maar keer het nou eens een keer om: dat als wij het vermogen hebben om te zien en te horen, om te verstaan en om te denken, dan zijn dat goddelijke eigenschappen. Dat is 'theomorf' over de mens gesproken. Ik verzin de term ter plekke, dus vergeet hem maar weer, maar u begrijpt hopelijk wat ik bedoel. Dat wat van de mens gezegd wordt, al die dingen die wij kunnen, dat is in feite een reflectie van God. God ziet en daarom hebben wij ogen gekregen om ook te zien, en daarin zijn wij een beeld van God of naar dat beeld geschapen, om het correct te zeggen.

Ziet u? Dat is een heel andere manier. God is het origineel en de mens is een reflectie. Onze vermogens, dat wat wij hebben en ook de zintuigen die daarmee gekoppeld zijn, dat is een reflectie of afspiegeling, of hoe je het ook maar zeggen wilt, van wie God is. Dus het zegt eigenlijk veel meer over het enorme niveau waarop God de mens heeft neergezet. Ja, daar is veel meer over te melden dan dat ik nu zeg, maar ik wil u in ieder geval hier eens even op attent maken.

Ik wil nog een voorbeeld geven en ik herinner me dat ik al een paar jaar geleden hier een hele samenkomst daaraan gewijd heb, namelijk aan woorden in Efeze 3. Kijk, wij zeggen bijvoorbeeld: wij noemen God Vader – dat is de gangbare verklaring. Als God Vader genoemd wordt, dan zeggen ze: ja, dat is een metafoor omdat wij hier vaderschap kennen en daarom noemen wij God Vader. Dus eigenlijk een vernoeming van het origineel dat wij hier op aarde kennen. Nee, zegt de Schrift. Paulus zegt het zelfs expliciet, lees maar mee in Efeze 3 vers 14 en 15. Daar zegt hij: "Ik buig mijn knieën voor de Vader, naar wie elk vaderschap in hemelen en op aarde wordt genoemd." Dus Hij is de Vader, en het vaderschap dat wij hier op aarde kennen – en trouwens zelfs in de hemel, dat is een verhaal apart – maar het vaderschap dat wij in de schepping kennen, is een reflectie van of vernoemd naar de echte Vader. Het vaderschap van Hem is het origineel, het model, en dit wat wij hier kennen is de kopie. En dat plaatst dit hele verhaal toch in een heel ander perspectief.

Hoe We Gods Berouw Moeten Begrijpen ↑ hoofdstukken

Ik wil nog even teruggaan naar de tekst waar ik mee begon: Numeri 23:19. Daar wordt gezegd dat God geen man is dat Hij liegen zou, of een mensenkind dat Hij berouw zou hebben. De bijbelkenners onder u hebben misschien meteen gedacht, of misschien dacht u het al: "Ja, dat kun je nu wel zeggen André, maar ik weet toch echt dat er in de Schrift diverse keren gesproken wordt over Gods berouw. Hoe zit dat dan?"

Laten we daar eens een voorbeeld van geven. Het mooiste vind ik 1 Samuël 15, omdat in datzelfde hoofdstuk de kwestie ook wordt beantwoord en verklaard. Het gaat over de geschiedenis van Saul, die afgezet wordt als koning en plaats moet maken voor David. In 1 Samuël 15:35 lees je dat Samuël Saul niet meer zag tot de dag van zijn dood, maar Samuël droeg leed over Saul. U moet zich realiseren dat Samuël Saul veertig jaar eerder tot koning had gezalfd, dus Samuël droeg daar leed over. Maar het is nog sterker; er staat: "en de HERE" – of Yahweh – "had berouw dat Hij Saul tot koning over Israël had aangesteld."

Dit is niet de enige keer dat je leest dat de HERE of God berouw heeft. In Genesis 6:6 gaat het over de mens. Als je die twee zessen tegenkomt, dan kun je dat eigenlijk wel voorspellen – maar dat is een grapje hoor, dat knippen we er dan weer uit. Maar in ieder geval lees je in Genesis 6:6, net voorafgaand aan de geschiedenis van de zondvloed, dat het de HERE berouwde dat Hij de mens had gemaakt. Er staat dat alles wat de mens voortbracht en bedacht misvormd was. Alles. En dan lees je die woorden: "en het berouwde de HERE."

Dit is natuurlijk in letterlijke zin tegenstrijdig. Als de ene tekst zegt dat de HERE geen berouw heeft omdat Hij geen mensenkind is, en er niettemin bijbelteksten zijn waar staat dat de HERE wel berouw heeft, dan is of het ene of het andere niet letterlijk waar. Het is een van beiden, want het is zwart-wit; het is een contrast. Het aardige is dat dit hier in 1 Samuël 15 precies zo gezegd wordt. Vers 35 eindigt met de constatering dat de HERE berouw had, maar even eerder, in vers 29, stond al iets anders. Daar stond precies het tegenovergestelde. De schrijver was zich zeer bewust van dat contrast toen hij vers 35 optekende, want hij had zojuist een paar verzen eerder al geschreven dat Israëls God geen berouw kent.

In vers 29 lees je: "Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet." Hij is Degene bij wie geen schaduw van omkeer is; Jacobus zegt dat er geen zweem van verandering bij Hem is. God is een constante. Hij is wie Hij verklaart te zijn: "Ik ben die Ik ben." Hij verandert niet en daarom kun je werkelijk op Hem en Zijn woord bouwen. Dat is een geweldig woord: de Onveranderlijke Israëls. Hij kent geen berouw, want Hij is geen mens dat Hij berouw zou hebben.

De verklaring is niet zo heel moeilijk als je Schrift met Schrift vergelijkt. Het antwoord is natuurlijk dat God geen mens is. Berouw in de zin zoals een mens dat heeft, betekent spijt. En spijt is eigenlijk altijd wijsheid achteraf: "Als ik het geweten had, had ik dat toen niet gedaan." Dat is wat wij onder berouw en spijt verstaan. Uiteraard is dat niet iets wat past bij een God die alles tevoren weet en die alle dingen kent. Bij Hem is nooit iets een verrassing en Hij kan zich dus ook niet vergissen of ergens spijt van hebben.

Toch is die term 'berouw' wel degelijk van betekenis, al is het inderdaad een stijlfiguur. Het is bij wijze van spreken. Het is te vergelijken met de pijn en het leed dat een mens heeft als hij spijt heeft. Daarom staat er: "en het berouwde de HERE." Het is bij wijze van spreken, maar niettemin is het van groot belang om de Schrift te verklaren en om zo'n tegenstelling in perspectief te zien. Het is essentieel om te begrijpen waarom God zich soms zo uitdrukt. Hij doet dat om de pijn aan te geven die Hij heeft. Want dat is ook iets: het leed van God. Dat is niet bij wijze van spreken, dat is echt zo. God lijdt met Zijn schepping mee.

Eigenlijk is dat ook logisch als je erover nadenkt. Ook het feit dat wij verdriet kunnen hebben, is iets goddelijks. God kent de schepping uiteraard; Hij heeft elk creatuur zelf gemaakt. Hij kent elk mens en elk schepsel, en in het leed dat een mens heeft, lijdt Hij mee. U weet hoe het werkt bij een vader of moeder die een kind liefheeft: als je het kind ziet lijden, dan lijd je als ouder mee omdat je het liefhebt. Zo is God ook. Hij lijdt met Zijn schepselen mee – zozeer houdt Hij van hen. Het is onbegrijpelijk, zoals het onbegrijpelijk is dat Hij de Creator is van alle dingen en alles in handen heeft. Dat gaat ons denkvermogen volstrekt te boven. Maar Hij lijdt inderdaad mee. Bij wijze van spreken heeft Hij berouw – niet letterlijk, want Hij is God en geen mensenkind en Hij heeft geen spijt – maar Hij kent de pijn die een mens kan beleven als deze berouw heeft. Dat is wat God ook kent.

God Is de Gans Andere en Onvergelijkbaar ↑ hoofdstukken

En voor de rest, ja, God is—we zongen het al—de Gans Andere. Hij is zo anders en ook onvergelijkbaar. Er is geen Bijbelboek waarin dat zo duidelijk en prachtig naar voren komt als in het Bijbelboek Jesaja. Er zijn er meer, maar Jesaja is daarin denk ik wel de kampioen. Juist ook omdat hij hoofdstukken heeft, vooral hoofdstuk 40 waar ik nu naartoe ga, waarin zo schitterend majestueus wordt beschreven dat God werkelijk God is.

In vers 17 staat: "Alle volkeren zijn als niets voor Hem." Er staat niet dat ze niets voor Hem zijn, maar ze zijn als niets voor Hem. Zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel. Alleen daarom al zou je hier even stil moeten staan. Moet je je voorstellen: al die miljarden mensen, al die volkeren tezamen met hun streven, hun bouwsels, hun idealen, hun ideologieën en hun machten. Ook daarover gaat het in dit hoofdstuk. Het stelt voor Hem niets voor. In ditzelfde hoofdstuk staat ook dat het is als een stofje aan de weegschaal en als een druppel aan een emmer. Volstrekt nietig dus.

Dat is de schepping, die immense wereld in haar totaliteit. En dan word je daar echt bovenuit getrokken. Die God, daarover hebben we het. Alle volkeren zijn als niets voor Hem; zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel. Met wie dan wil je God vergelijken? En welke vergelijking wil je op Hem toepassen? Elke vergelijking met God gaat per definitie mank. Want ja, als je Hem vergelijkt, dan moet je Hem vergelijken met een schepsel. Maar Hij is geen schepsel; Hij is de Schepper. Wij kunnen ons met elkaar vergelijken omdat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten. We zijn allemaal mensen, we zijn allemaal schepselen en creaturen. Maar Hij is de Schepper, Hij is van een totaal andere orde. Inderdaad, wij zijn naar Zijn beeld gecreëerd, maar toch is geen enkele vergelijking op Hem van toepassing.

Natuurlijk gaat elke vergelijking uiteindelijk mank, dat weet ik ook wel. Als je A vergelijkt met B, dan kan dat alleen maar omdat A anders is dan B. In die zin gaat een vergelijking altijd in een bepaald opzicht mank, maar bij God is dat in de absolute zin zo. De Bijbel vergelijkt God overigens wel, bijvoorbeeld met een pottenbakker. Dat is een hele mooie in dit verband. De pottenbakker pakt een stuk klei—we zijn immers allemaal uit de klei genomen—en Hij maakt daar wat van. U zegt: een potje? Ja, vaten van eer en vaten van on-eer.

Dan kom je meteen bij het punt: hoe kan God zich dat permitteren? Romeinen 9 is daarin een schitterend hoofdstuk. Daar lees je over God die al van tevoren tegen Mozes had gezegd: "Je gaat naar de farao toe, maar hij gaat niet luisteren." Dan komen er allemaal plagen over Egypte, het machtigste rijk van die tijd. Op een gegeven moment, na de zesde plaag, lees je dat de farao ook bezwijkt onder de druk. Maar dan lees je dat God zijn hart versterkt, zodat hij oppositie blijft voeren en weerspannig blijft. Waarom? Dat had God al van tevoren gezegd: "Omdat Ik Mijn kracht wil demonstreren." En om kracht te demonstreren heb je een tegenstander nodig. "Maar gij zult tot mij zeggen," schrijft Paulus dan, "wat heeft Hij daar nog aan te merken?" Want God heeft de farao immers precies zo gemaakt voor dat doel: om weerspannig te zijn. Ja, dat is ook zo. Maar hoe kan Hij zich dat permitteren? Eigenlijk gaat ons dat helemaal niets aan. Hij is de Pottenbakker. Dat is wat Paulus zegt—ik geef het even vrij weer: een pottenbakker heeft toch het recht om een pot te maken voor sanitair gebruik en aan de andere kant een siervaas voor op het dressoir? Dat kan toch? "Maar waarom heeft Hij mij nou zo gemaakt?" Niemand heeft zichzelf gemaakt. U niet, ik niet. Maar God plaatst alles.

Elke vergelijking met God gaat per definitie mank. Dat geldt ook—dat is een belangrijk punt dat ik even wil aansnijden—voor allerlei morele eisen die wij als mensen aan elkaar stellen. De eisen die wij aan elkaar stellen, of die de ene mens voor de andere mens stelt, die gaan voor God niet op. Dat is heel belangrijk. Zoals ik zojuist al zei: "Wat heeft Hij daar nog aan te merken?" Als je dat van mens tot mens zou zeggen, zou je zeggen dat het niet redelijk is. Voor een mens zou dat inderdaad niet redelijk zijn, maar God is de Gans Andere. Totaal onvergelijkbaar. Dat moet je je goed realiseren.

Om maar één voorbeeld te geven: je leest dat God doodt. Ja, maar Hij is geen moordenaar. Er zijn zoveel teksten waarin dat beschreven wordt. Ga even met me mee naar 1 Samuël 2 vers 6. Dat is de lofzang van Hanna. Haar schoot was verstorven, om het in Bijbelse termen te zeggen. Zij kon geen nieuw leven voortbrengen, maar God brengt leven voort uit de dood. Dat is eigenlijk de hele Bijbelse boodschap: daar waar de mens eindigt in zijn kunnen en vermogen, daar begint God. In die prachtige lofzang in 1 Samuël 2 vers 6 lezen we: "De HEERE doodt." Hoe vaak lees je dat niet? In feite is het zo: op het moment dat je de adem van God krijgt, word je geboren en begin je te ademen. Dan begint het leven en beginnen we de leeftijd te rekenen. Maar er komt een moment dat je de laatste adem uitblaast, en dan ben je dood. Wie doet dat dan? Er is één God. Hij vraagt niet of we dat goed vinden; dat hoeft niet democratisch besloten te worden. Op het moment dat je vraagt welk recht Hij daartoe heeft, moet je weten wie je bent. Hij is de Schepper, Hij is God.

Dit is trouwens een heel aardig voorbeeld: de HEERE doodt, maar Hij kan iets wat geen mens kan. Daarin zie je ook dat de vergelijking met een moordenaar niet opgaat. Want de HEERE doodt, maar Hij doet ook herleven. Dat kan geen moordenaar, en trouwens geen enkel mens. Wij vinden moord erg, en logisch ook. Ik ook, uiteraard. Zojuist gaf je het voorbeeld van wat we afgelopen week hebben meegemaakt met Peter R. de Vries. Van zo'n daad gruwel je. Maar waarom is dit zo erg? Omdat moord zo definitief is. Je doodt iemand en dan is het het einde. Dat kun je niet meer herstellen. Als je iemand geweld aandoet, kan iemand daar nog van herstellen. Maar moord, het wederrechtelijk iemand het leven benemen, is van een andere orde omdat dat voor een mens niet te herstellen is.

En dan zie je precies wat het grote verschil is met God, want God doodt inderdaad, maar Hij doet ook herleven. Stel je voor dat een moordenaar of een mens ook weer zou kunnen doen herleven, dan zouden we moord helemaal niet eens meer erg vinden. Heb je daar wel eens bij stilgestaan? Waarom is moord erg? Omdat het een grens is die de mens niet kan overschrijden. Je kunt het niet herstellen; je kunt niet doen herleven. Maar God wel. Daarom is het ook van een totaal andere orde dat God doodt. Hij kan doen herleven en dat doet Hij ook. De Bijbel zegt dat heel luid en duidelijk: "Zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen worden levend gemaakt." Ieder in zijn eigen rangorde, maar het feit staat. God doodt, maar Hij doet ook herleven. Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen. De HEERE maakt arm? Ja. Hij neemt je bezittingen weg. Is Hij daarmee een dief? Ja...

Een mens, als ik uw rijkdom zomaar afpak, dan ben ik een dief. Dat zijn de intermenselijke gedragsregels en dat is maar goed ook. Natuurlijk. Maar God staat daar buiten, daar boven. Ik leg dit nu uit en we zoomen erop in om te proberen daar ook wat Bijbels zicht op te krijgen, maar het is eigenlijk zo evident als je weet dat God, God is. Ja, Hij doodt, Hij doet herleven, Hij maakt arm en Hij maakt ook rijk, Hij vernedert en ook verhoogt Hij alles op Zijn tijd. Want voor alles is een tijd, zegt Prediker al. En God heeft alles volmaakt gemaakt op Zijn tijd: het negatieve en het positieve.

En in the end, onder de streep, is er geen eens een min meer, want Hij maakt alle minnen tot plussen. Dat kan een mens niet. Een mens kan allerlei minnen maken; in je eigen leven trouwens, maar ook in dat van een ander, zonder dat je het ongedaan kunt maken, zonder dat je het goed kunt maken. Hoe vaak hoor je het niet: "Wou ik maar dat ik het goed kon maken." Nee, maar er is er Eén die het wel goed kan maken.

En over het kwade zegt Jozef al in het laatste Bijbelhoofdstuk van Genesis: "Jullie hebben wel kwaad gedacht, maar God heeft het allemaal ten goede gekeerd." Het is zelfs nog sterker: die minnen moesten er zijn om een plus te maken. Want maakt u maar eens een keer een plus zonder een min? Dat staat niet. Er bestaat alleen maar een plus vanwege die horizontale lijn. Dat is mooi, hè?

Bij God gaat er nooit iets mis. Wat wij minnen noemen, dat is negatief — in onze beleving natuurlijk wel — maar Hij is God. Kijk, en dat is wat je nooit zou moeten vergeten.

Nieuwe Kracht voor Wie de Here Verwachten ↑ hoofdstukken

Enkele verzen later, in Jesaja 40, lezen we: "Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de HERE." De God van de eeuwen, van de aionen. Hij staat aan het begin; Hij creëerde ook de aionen, de eeuwen. Hij is de HERE Yahweh: "Ik ben die Ik ben." De Schepper van de einden der aarde. Hij wordt noch moede, noch mat. Een mens wel, hè? Die wordt niet alleen moe, maar die gaat op een gegeven moment ook slapen. Dat is bij God dus niet van toepassing. Hij wordt noch moede, noch mat en Zijn verstand is niet te doorgronden. Het gaat volstrekt boven elk voorstellingsvermogen uit. Dat is God.

Van de week hadden we het even over aantallen. U zegt misschien: "Waar heb je het over?", maar het ging over het aantal mugjes. Eén mug in een kamer kan al genoeg zijn, zelfs te veel, maar denk eens aan die onvoorstelbare hoeveelheid van die zwermen met miljoenen mugjes. Dat is slechts één voorbeeld van Zijn schepping. Iets anders: er staat geschreven dat zelfs al je haren zijn geteld. Zijn verstand is niet te doorgronden; elk aandeel, alles is door God gecreëerd. Daar begrijpen we toch helemaal niets van? Zelfs een creatie die je onder de microscoop moet leggen om het überhaupt te kunnen zien, is een absoluut godswonder. Dat kan geen mens maken. Zijn verstand is werkelijk niet te doorgronden.

Eigenlijk begint God daar waar de mens eindigt. Dat is trouwens ook het beginsel van wijsheid: de vreze des HEREN. Dat wil zeggen: het hebben van ontzag voor het feit dat Hij God is. Dáár begint de wijsheid. De wijsheid eindigt daar niet, zij begint daar. Als dat niet je startpunt is — het feit dat Hij God is — dan loop je vast. Ik had vorige week een spreekbeurt in Benthuizen die hier eigenlijk aan voorafging: God is God. In Romeinen 1 vers 21 lees je over de wereld die God niet als God erkent, niet als de Plaatser. Er staat dat hun redeneringen zijn verijdeld en dat het duister is geworden in hun onverstandig hart. Op het moment dat je God niet meer als God erkent, dan lopen je redeneringen gewoon stuk. Je uitgangspunt is dan niet goed. Je kunt nog zo academisch gevormd zijn en allerlei academische titels voor je naam hebben staan, maar als je uitgangspunt niet goed is, dan is de uitkomst niet valide of geldig. Dan moet je helemaal opnieuw beginnen met het enige goede startpunt: Hij is God, en wij hebben ontzag voor Hem. Zijn verstand is niet te doorgronden.

Laat ik nog even verder lezen. We hebben het over Iets wat niet moede en niet mat wordt, en waar de kracht niet van verdwijnt. Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte. Ik hoop dat u goed begrijpt dat dit niet zomaar een theoretische exercitie is; laten we het hier alsjeblieft niet alleen maar interessant hebben over antropomorfisme. Dit gaat over de meest fundamentele waarheid die er is. Elke dag die niet begint met dat besef, is een verloren dag. Want alleen met dat besef zie je de dingen werkelijk in het juiste perspectief. Het geeft sowieso uitzicht. Als er bij God nooit iets misgaat, dan geeft dat toch hoop? Dat is verwachting. Maar het geeft mij ook kracht. Als je moe bent en geen energie meer hebt, dan moet je natuurlijk slapen, maar kijk ook omhoog naar Hem die inderdaad kracht geeft. Het kennen van Hem is een bron van energie.

"Jongelingen," zo staat er, "worden moede en mat." Mensen die geacht worden sterk en energiek te zijn, zelfs zij hebben hun grenzen. "Zelfs jonge mannen struikelen." Maar dan staat er: "Wie de HERE verwachten, die putten nieuwe kracht. Zij varen op met vleugelen als arenden. Ze lopen, maar ze worden niet moe. Ze wandelen, maar worden niet mat." Kijk, dan krijg je eigenlijk de goddelijke eigenschappen terug. Er ontstaat een krachtbron, een energiebron die is als van God.

Er staat dat zij opvaren met vleugels als arenden. Weet u wat daar zo mooi aan is? Een arend fladdert niet. Een arend spreidt gewoon zijn vleugels en wordt meegenomen, gedragen door de wind. We zingen dat ook in een lied: gedragen door de wind. Uw Geest... "geest", "wind" en "adem" zijn in de Bijbel immers hetzelfde woord. Dat draagt je. Je wordt gedragen door de thermiek, door de kracht en de warmte van Zijn liefde. Daardoor word je inderdaad opgetild. Het enige wat zo'n arend doet, is zijn vleugels uitspreiden, en dan zijn het de wind en de thermiek die hem doen opstijgen tot ongekende hoogte. Dat is wat Godskracht vermag. Het brengt je op grote hoogte, en weet u wat het mooie is van op grote hoogte zijn? Dan heb je een geweldig overzicht, maar ook een geweldig uitzicht. Zullen we daarvan een lied zingen?

🎧 God is geen mensenkind...
Delen: