gij zult niet begeren…?
21-07-2019 - Geplaatst door Andre Piettoespraak gehouden op zondag 21 juli 2019, Den Haag
‘Begeerte’ is een negatief beladen begrip, niet in het minst ook onder christenen. En dan vooral als het over seks gaat. Waar komt die obsessie toch vandaan? En hoe heeft dat het verstaan van de Bijbel beïnvloed? Bijvoorbeeld Jezus’ woorden in ‘de Bergrede’ over het begeren van een vrouw en dan in je hart al echtbreuk hebben gepleegd. Wat gebeurt er wanneer je in alle ernst probeert ‘niet te begeren’? Paulus schrijft daarover in Romeinen 7 en daar wordt je niet vrolijk van. Maar hoe wordt dit Bijbelwoord dan wel vervuld? En wanneer? Het antwoord daarop blijkt heel verrassend…!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
Inleiding op het Tiende Gebod ↑ hoofdstukken
Een hele goedemorgen, vrienden. Ik ben blij dat ik weer eens bij jullie mag zijn. Waar zullen we het eens over hebben? Over het tiende gebod, want zo heet dat dan. Die telling is tamelijk algemeen, dat kan ook eigenlijk niet missen, hoewel de telling van de 'tien woorden' of de tiende geboden nog wel eens verschilt. Dat hangt er weer vanaf of je dat op de rooms-katholieke manier doet of op de protestantse wijze. Maar het tiende gebod is helder: dat is gewoon de laatste van de tien woorden. En als ik zeg de tien woorden, dan doel ik op die woorden die we vinden in Exodus 20.
Net als meer van jullie ben ik van protestants-reformatorischen huize. In mijn jonge jaren hoorde ik deze woorden elke zondag vanaf de kansel: de Tien Geboden. "Wij stellen ons onder de tucht des Heren." Daar hoort ook een bepaalde toon bij, tenminste in mijn beleving wel. Dan kreeg je te horen wat God had uitgesproken aan het adres van Israël, het volk dat Hij zojuist uit het land Egypte had geleid. Woorden die ook aan dat volk werden gegeven. "Gij zult niet begeren..." puntje, puntje, puntje met een vraagteken, want achter al die woorden zit eigenlijk nog een hele wereld.
We willen vanmorgen de loep eens leggen op elke bijzonderheid in deze ene korte zin. Wat is dat, begeren? En wat betekent: "Gij zult niet"? Eerst even een andere vraag: klopt deze titel wel? De titel is ontleend aan Exodus 20, het is zelfs een direct citaat. Maar klopt de titel? Want als je het 'straightforward' leest, denk je: o, begeren, je mag niet begeren. Maar ik zal u vertellen: begeren kan in de Bijbel ook heel positief zijn.
Ik zal een paar voorbeelden geven. In Psalm 68 lezen we over God Zelf, waar Hij zegt van de berg Sion: "Dezen berg heeft God begeerd tot Zijn woning." Daar wordt exact hetzelfde woord gebruikt als wat ook in Exodus 20 gebezigd wordt. De gedachte van "je mag niet begeren" of "je zou niet behoren te begeren" klopt dus niet, want begeren aan zich kan heel positief zijn. In het Nieuwe Testament lezen we over de Heer Jezus dat Hij in de nacht dat Hij werd overgeleverd het Pascha vierde met Zijn discipelen. Dan lees je dat Hij zegt: "Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten, eer Ik lijd." Ook hier weer dat woordje begeren en de Heer begeerde. Dus hoezo kun je in het algemeen zeggen dat een mens niet zou moeten begeren? Nee, dat kun je zo niet zeggen.
Het punt is namelijk dat het citaat incompleet is. Er staat helemaal niet: "Gij zult niet begeren." Kijk, ik kan zeggen: beste mensen, in de Bijbel staat dat er geen God is. Sterker nog, dat staat er twee keer. Ik moet er wel iets bij zeggen, want daar staat iets aan voorafgaand: "De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God." Aha! Dat maakt het citaat heel anders. Als je die woorden er niet bij betrekt, dan krijg je een heel andere gedachte. Je moet dus de hele zin nemen, anders krijg je een misconceptie. Je moet het in zijn geheel citeren, anders trek je het uit zijn verband. "Gij zult niet begeren" staat er niet op die manier.
Laten we naar dat gedeelte toegaan in Exodus 20. Je zou dit trouwens ook kunnen lezen in Deuteronomium, wat 'de tweede wet' betekent. Deutero betekent tweede en nomium heeft te maken met wet. Daar vind je diezelfde woorden. Ik neem u vanmorgen mee naar een zestal schriftplaatsen om deze Bijbelse waarde, dat tiende gebod of het tiende woord, eens nader te bezien. Exodus 20: "Je zult niet begeren..." Aha, wacht even, dus dat klopt toch wel? Maar lees even verder: "...het huis van je naaste." Wacht even, dat is anders. "Je zult niet begeren het huis van je naaste, je zult niet begeren de vrouw van je naaste, noch zijn dienaar, noch zijn diensmeisje, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van jouw naaste is." Dat brengt een woord als "Gij zult niet begeren" ineens in een ander perspectief. Het gaat erom dat je niet iets zou begeren dat aan de ander, jouw naaste, toekomt en zijn of haar bezit is. Ongeacht wat dat dan ook is, je zou dat niet begeren.
De Ware Betekenis van Begeren ↑ hoofdstukken
Dan moet ik er trouwens nog iets bij zeggen, want wat bedoel je nou precies met begeren? Een van de eerste keren dat het woord wordt gebezigd in de Torah — niet de eerste keer, want we vinden het al in Genesis — is in Deuteronomium 7. Ik neem jullie even mee naar die tekst, omdat het begrip daar nader wordt toegelicht in een parallelle zin. Dat zie je heel vaak in de Schrift; ze noemen dat parallellisme. Je hebt dan twee zinnen in bijvoorbeeld de Psalmen of de Spreuken die parallel lopen, waarbij de eerste zin feitelijk wordt toegelicht door de tweede. Dat is hier ook het geval.
Het gaat daar over de goden van de Kanaänieten, het volk dat ze zouden verdrijven. Er staat: "De gesneden beelden van hun goden zullen jullie verbranden met vuur. Je zult niet begeren..." — heb je het weer? — "...het zilver en het goud daarvan." Dat wil zeggen: het zilver en het goud van die beelden van hun goden. En dan volgt: "...en het je toe-eigenen, opdat je daarin niet verstrikt wordt." Met die tweede zin krijgen we een toelichting op de zin die er pal boven staat. Je zult niet begeren het zilver en het goud ervan én het je toe-eigenen; ofwel: namelijk het je toe-eigenen.
Dit is meteen de nadere verklaring van het woord begeren. Het gaat er bij begeren om dat je de intentie hebt — eventueel het voornemen, dat gaat nog ietsje verder — maar in ieder geval de intentie om het tot je te nemen. Het is het begeren om iets je toe te eigenen. Voor wie dat nog wat nader wil bekijken, wat de precieze betekenis is van dat woord begeren en hoe het wordt gebruikt, heb ik nog wat andere Schriftverwijzingen gegeven, zonder daarbij volledig te willen zijn. Deze laten eveneens zien dat begeren te maken heeft met de intentie, de bedoeling om iets je toe te eigenen.
Misverstanden Rondom Mattheüs 5 ↑ hoofdstukken
Dat is een heel belangrijk punt. Ik neem jullie vervolgens mee naar een andere schriftplaats die erg bekend is. Ik durf te beweren dat de verklaring, de uitleg van dat vers, een heleboel kwaad heeft aangericht in de loop van de kerkgeschiedenis. Ik doel op Matteüs 5 vers 28.
Ik weet dat ik dat destijds — en trouwens niet eens alleen vanuit mijn kerkelijke achtergrond, maar in het algemeen is het zo — dat de meeste mensen de woorden in Matteüs 5 vers 28 als een loodzware, om niet te zeggen onmogelijk te dragen last beschouwen. Laten we daar even naartoe gaan. Eerst vers 27 voor de context: "Jullie hoorden," zegt de Heer in de Bergrede, "dat er werd gezegd: je zult niet echtbreken." Dat is ook weer een citaat uit één van die tien woorden. Je zult niet echtbreken. De echt, dat wil zeggen het huwelijk, zul je niet verbreken. Dat is wat echtbreuk is.
Maar nu doet de Heer daar in feite nog een schepje bovenop. Want het gaat niet alleen om het daadwerkelijk verbreken van de echt, van het huwelijk, maar Hij zegt: "Ik zeg tot jullie dat eenieder die een vrouw aanziet om haar te begeren, in zijn hart reeds echtbreuk met haar pleegt."
Ik heb destijds, en ik denk dat het alom zo wordt verstaan en uitgelegd, begrepen dat deze woorden te maken hebben met het feit dat als je, in dit geval heel specifiek als man, een vrouw aanziet en je fantaseert daarover — en dat zou dan begeren zijn — dat dit in feite al in je hart een vorm van echtbreuk zou zijn. Maar ik zei al: dat is in de praktijk een uitleg die niet alleen loodzwaar, maar zelfs onmogelijk is. Feitelijk is dat een veroordeling van elke vorm van seksuele fantasie en killing voor de hele seksualiteit. Want ik zal u dit vertellen: elke gezonde ontwikkeling van seksualiteit begint met het verlangen naar of het fantaseren over — dat is allemaal hetzelfde hoor — in ieder geval de drang naar.
En als je als man een vrouw aanziet... Laten we het even uitbreiden: of je ziet als vrouw een man aan met de gedachte van... nou ja, ik ben niet zo goed om dat allemaal heel beeldend uit te leggen, maar u kunt zich er wel iets bij voorstellen. Dat als je daar met verlangen naar kijkt of aan denkt, dat dit in je hart al echtbreuk zou zijn. Ik heb het altijd vreemd gevonden. Maar ik moet u zeggen: sinds ik enig zicht heb op dit woord, dit tiende woord uit Exodus 20, is het ook dwaasheid.
Kijk waar het hier over gaat, en laten we het consequent nemen: het gaat ook hier over de intentie om die vrouw toe te eigenen. Dat is iets heel anders dan dat je een vrouw ziet en denkt: "Zo, hé." Is dat in je hart echtbreuk plegen? Nee, dat is iets heel anders. Echtbreuk heeft te maken met het aanzien van de vrouw en daarbij de intentie, eventueel het voornemen hebben om haar toe te eigenen. We hebben daar een heel mooi Bijbels voorbeeld van dat ik graag eens wil geven. Namelijk in de geschiedenis — nou ja, of het een mooi voorbeeld is weet ik niet, maar in ieder geval een geschiedenis die dit verschil wel heel duidelijk aangeeft.
Het Voorbeeld van David en Bathseba ↑ hoofdstukken
Namelijk de geschiedenis van David en Batseba in 2 Samuël 11. Laten we er even naartoe gaan. Daar lees je dat er oorlog was en de conditie van David was eigenlijk al niet om over naar huis te schrijven. Het loutere feit dat hij niet in de strijd zelf verwikkeld was, maar dat hij daar luxueus in Jeruzalem thuis bleef, gaf al te denken. Maar dat laat ik even allemaal rusten.
Er staat in 2 Samuël 11: "En het geschiedde tegen de avond dat David opstond van zijn bed en hij wandelde op het dak van zijn paleis en een vrouw zag bezig zich te baden en die vrouw was zeer schoon van uiterlijk." Nou, die vrouw zal daar niet met kleren en al zich gebaad hebben. Dus hij zag daar vanaf het dakterras van zijn paleis dit aanzicht.
En nu heb ik een vraag voor u. Heeft op dit moment dat David dit vaststelt — of misschien nog eens een keer bekeken heeft en gedacht: "Wauw, geweldig" — was dat echt breuk in zijn hart? Nou, ik kan u vertellen, ik heb het heel vaak gehoord. Iedereen die verlangend uitziet naar een vrouw die niet de zijne is, of in het algemeen naar iemand met wie je niet getrouwd bent, dat zou al echtbreuk zijn. Dat klinkt heel erg vroom, maar als je nu vraagt of dat ook Bijbels is, dan zeg ik: nee, absoluut niet. Dat staat er ook helemaal niet.
Kijk, wanneer werd het echt breuk in het hart van David? Laten we eventjes verder lezen. We kennen de geschiedenis wel, maar laten we het even voor de goede orde doorlezen. En dan staat er: "En David zond heen" — een bode kennelijk — "om navraag te doen naar die vrouw." En men zei: "Is dat niet Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van de Hethiet Uria?" Aha, dus het was de vrouw van zijn naaste. En dan lees je: "Daarop zond David boden om haar te halen en zij kwam tot hem en hij lag bij haar."
De rest van de geschiedenis is bekend en het gaat mij even om deze fases. Eerst ziet hij op het dakterras daar een zeer schone vrouw. En dat was niet schoon omdat ze zich gebaad had trouwens, maar schoon in de zin van mooi. Een zeer mooie vrouw van uiterlijk. En het feit dat hij naar deze bevallige vrouw keek, dat was niet de echtbreuk in zijn hart. De echtbreuk in zijn hart was op het moment — niet eens dat hij navraag liet doen — maar toen hij vernam dat het de vrouw was van Uria en haar toen desondanks liet halen.
Het zou trouwens gekund hebben — dat is trouwens een vraag apart die je in de geschiedenis verder niet beantwoord vindt — welke rol Batseba hier zelf in gespeeld heeft, want Batseba ging gewoon mee. Oké, het gaat hier natuurlijk vooral om het feit dat het een misdaad was van David. Het was niet alleen maar echtbreuk, het was ook nog eens een keertje moord die daar nog weer bij kwam. Want hij liet vervolgens gewoon die Uria omkomen, heel welbewust in de strijd. Nou ja, dat is het vervolg van de geschiedenis.
Maar wat David deed: hij had het voornemen om die vrouw zich toe te eigenen. Het had in theorie gekund dat Batseba daar niet voor in was en gewoon helemaal niet was gekomen, zodat hij zijn voornemen niet eens daadwerkelijk ten uitvoer had kunnen brengen. Dan nog had hij in ieder geval de intentie om dat te doen, en zelfs het daadwerkelijke voornemen. Kijk, en dat was de echtbreuk in zijn hart.
En dat is een heel ander verhaal dan de gedachte... maar u weet het van oudsher, vooral in de kerkgeschiedenis is men heel spastisch omgegaan met alles wat met seks te maken heeft. Eigenlijk is men daar helemaal door geobsedeerd en alles op dat gebied is zonde. En de gedachte eraan, dat mag eigenlijk al helemaal niet. En ik moet u zeggen: dat is buitengewoon niet alleen frustrerend, het heeft talloze jonge mannen en vrouwen belast met schuld. Volkomen onterecht, want het is namelijk gewoon de natuur.
Dank God daarvoor. Het hele kerkelijke idee in de kerkgeschiedenis waarbij eigenlijk de seksualiteit zelf iets was wat minderwaardig was, dat was eigenlijk gewoon blasfemisch. En Paulus zegt zelfs in 1 Timoteüs 4 dat dit een demonische leer is, een lering van demonen. Hij had het al voorzien, hij zei al: er komen tijden dat men leringen van demonen zal gaan aanhangen en men zal verbieden te trouwen. Dat is een voorzegging al van het verplichte celibaat. En hij noemt dat een lering van demonen. Hij zegt: want God heeft namelijk dat geschapen. Alles wat God geschapen heeft, inclusief het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk en de aantrekkingskracht tussen beiden, is een scheppingsgegeven door de natuur. En op het moment dat je dat onderdrukt, is dat tegennatuurlijk.
Er zit dus een hele gedachtegang achter waarbij de mens verplicht wordt, genoodzaakt wordt om onnatuurlijk te gaan denken en daarmee ook gefrustreerd te gaan leven. Er is dus een heel groot verschil tussen het aanzien — en zelfs het fantaseren over — en de intentie om de ander tot je te nemen. Ik vond dat belangrijk, als we het hebben over "gij zult niet begeren", om dat ook eens eventjes recht te zetten. Ik moet zeggen dat ik er nog zo vaak tegenaan loop dat dit woord uit Matteüs 5 op die manier wordt aangehaald, en volkomen ten onrechte. Ik hoop dat ik dat in ieder geval wat duidelijk heb kunnen maken.
En nou komen we op nog iets. Ik heb het nu dus gehad over dat begeren, namelijk het begeren van iets dat van je naaste is. Wat is begeren? Dat is niet hetzelfde als fantaseren. Nee, dat is de intentie om iets wat van de ander is je toe te eigenen. En dat is waarvan gezegd wordt dat het niet gedaan zou worden.
Maar nou komt misschien nog wel het allerbelangrijkste, en dat is: hoe lees je de zin überhaupt? Hoe lees je dat "gij zult"? En nou komt de echte clue. Met name in Romeinen, maar ook in de Galatenbrief en feitelijk in heel Paulus’ bediening wordt dat zo glashelder onder woorden gebracht. Ook dat is zo bekend. Die woorden "gij zult" hebben altijd de lading gekregen, ook in de christelijke wereld vandaag nog steeds, van: je moet. En je krimpt ineen. Zeker als het om zoiets onmogelijks gaat als: je zult niet begeren.
Oude Versus Nieuwe Lezing: Gebod of Belofte? ↑ hoofdstukken
Ik heb dit gedeelte als subkopje 'oude lezing versus nieuwe lezing' gegeven. Wat ik daarmee bedoel is het volgende. Ik neem u eerst even mee naar Romeinen 7. Daar maakt Paulus in vers 6 een onderscheid tussen de nieuwe staat, namelijk die van de Geest, en de oude staat, die van de letter. U zou dat eigenlijk in de hele context moeten lezen, maar dat voert nu te ver. Waar het om gaat is dit: als hij spreekt over de letter, dan doelt hij op de letters die op stenen gegrift zijn. Die uitleg vindt u in 2 Korinthe 3. De letter, dat zijn de woorden die in steen gegrift waren; de Tien Woorden dus. Dat is de letter, en met de Geest bedoelt hij het nieuwe verbond.
Het oude verbond was het verbond dat God bij de berg Sinaï sloot met het volk van Israël. Hij gaf de wet op stenen tafelen, en wat er met die stenen tafelen gebeurde, is opmerkelijk. Nog voordat ze beneden waren gearriveerd, waren ze al verbroken. Dat is heel typerend. Vervolgens gaf God een tweede set, beschreven in Deuteronomium. Daarvan zei Hij dat deze stenen tafelen in het binnenste gelegd moesten worden, dat wil zeggen: binnenin de ark. Dat was die houten kist, met goud overtrokken, die in het heiligdom stond en waarop de verzoening plaatsvond. Tussen haakjes: dat is een onmiskenbaar en prachtig embleem van onze opgewekte Heer Jezus Christus. In Hem is het veilig. Die wet in de ark zou ook niet verwelken, want die wordt veilig bewaard.
Maar die eerste wet, dat is de oude staat van de letter, die onvermijdelijk verbroken moest worden. Ik verwijs hierbij naar Jeremia 31. Daar lees je dat God bij monde van Jeremia tegen Israël zegt dat er dagen komen dat Hij met het huis van Juda en het huis van Israël een nieuw verbond gaat sluiten. Leest u het maar eens na vanaf vers 31. Hij zegt: 'Niet zoals het verbond dat Ik ooit met hen sloot bij de berg Sinaï, toen ze uit de woestijn werden geleid; een verbond dat zij verbroken hebben.' Maar er staat dat er een nieuw verbond komt, en dat dit verbond een blijvend verbond is. En weet u waarom? Het karakteristieke van dat nieuwe verbond is dat er niets van de mens – of in dit geval specifiek van Israël en Juda – wordt verwacht. Op het moment dat er iets van dat volk wordt verwacht, zit de mislukking er al in gebakken. Ik daag u echt uit om Jeremia 31 eens na te lezen. Wanneer dat nieuwe verbond wordt beschreven, vindt u niet één keer dat er iets van het volk wordt verwacht. Wel leest u tot zeven keer toe dat God zegt: 'Ik zal, Ik zal en Ik zal.' Kortom, het is één en al belofte wat God in dat nieuwe verbond gaat doen.
Hoewel de basis al is gelegd – het bloed van het nieuwe verbond is gestort en wij hebben ook te maken met de Geest van dat verbond – is het nieuwe verbond zelf nog toekomstig. Het kenmerkende van dat verbond is dat God alles doet. Hij zegt bijvoorbeeld: 'Ik zal Mijn wetten in jullie harten schrijven.' Dan wordt het niet meer opgelegd, maar dan doe je het omdat je ervan houdt; je doet het van harte. Er wordt helemaal niets meer opgelegd. Laten we het even op een rijtje zetten als contrast: het oude verbond van de Sinaï tegenover het nieuwe verbond dat in de nabije toekomst gesloten zal worden. Het ene heet 'de letter', het andere 'de Geest' – datgene wat Gods Geest gaat uitwerken in en door een mens. Het ene is geschreven op stenen tafelen, het andere is geschreven in vlezen harten. 'Vlezen' is in dit geval positief bedoeld; het staat tegenover steen. Het is niet meer in steen geschreven, maar in een kloppend hart. Van harte dus, met liefde.
Die oude set werd figuurlijk verbroken. Het volk kreeg de opdracht en verbrak het verbond. Ze verbraken wat ze hadden toegezegd. U weet nog wat Israël deed bij de berg Sinaï: nog voordat God in Exodus 20 die Tien Woorden gaf, zei het volk tegen God: 'Alles wat Yahweh gesproken heeft, zullen wij doen.' Dat was 'tricky', om het heel zacht uit te drukken. Dat hadden ze nooit moeten doen, want daarmee beloof je iets en belofte maakt schuld. Door te zeggen 'alles wat Yahweh gesproken heeft, zullen wij doen', getuig je ervan jezelf niet te kennen. Dat bleek ook direct, want bij de eerste de beste gelegenheid – de wet was fysiek nog niet eens gegeven – was hij al verbroken. Dat is het oude verbond: 'wij gaan het doen', maar het wordt verbroken. Het nieuwe verbond daarentegen wordt niet verbroken, maar vervuld. Het krijgt inhoud. Dat kan ook niet anders, want daar is het niet de mens die iets belooft. Een gelofte? Nee, het is een belofte van God. Dat is het grote verschil. Het oude verbond is gebaseerd op werken; je moet er iets voor doen of verdienen. Het andere is een belofte; het heeft te maken met geloven.
Nu komt het punt: de woorden 'gij zult'. Met 'oude oren' – de oren van de oude staat van het oude verbond – hoor je: 'jij moet'. Zo wordt het toch altijd opgevat? Ik weet bijna wel zeker dat als je een enquête zou houden onder mensen in het algemeen, en zeker onder hen met een godsdienstige achtergrond, over de betekenis van 'gij zult niet begeren' of 'gij zult niet echtbreken', vrijwel iedereen zou zeggen: 'Dat mag je niet doen, toch?' Maar zelfs naar de strikte normen van de grammatica betekent het dat niet. 'Gij zult niet echtbreken', 'gij zult niet stelen' of 'gij zult de Heer uw God liefhebben' betekent simpelweg: je zúlt of je zal dat doen. Dat is een belofte, en dat is een totaal andere lezing.
Bij 'gij zult niet begeren' onder het oude verbond probeer je het en ga je werken; je ziet het als een opdracht die je moet vervullen. Maar in het nieuwe verbond hoor je exact hetzelfde, alleen krijgt de wet een andere plaats en wordt ze anders gelezen. Niet meer als een last, maar als een lust. Waarom? Omdat God het belooft. Dan word je ontlast; de last wordt van je afgenomen. Je hoeft niets. God zegt: 'Ik sta er garant voor, je zúlt niet begeren.' Dat betekent dat je helemaal niets meer hoeft te doen, want als Hij het belooft, moet Hij het ook doen, toch? Als het volk zegt: 'Alles wat de Heer zegt, zullen wij doen', dan moeten zíj het doen. Maar als God belooft, bij monde van Jeremia en later ook bij de sluiting van dat nieuwe verbond, dan is Hij degene die het volbrengt.
En hij zegt: "Ik zal." Nou, dan moet hij het ook doen.
En weet je wat geloof is? Werken wil zeggen: "Gij zult niet..." of: "Gij zult de Heer uw God liefhebben", en dat ik dan mijn best ga doen om de Heer mijn God lief te hebben. Het nieuwe verbond is dat je hoort: "Gij zult de Heer uw God liefhebben", en je zegt: "Wauw. Ja? Wanneer dan?" Dan is het namelijk een belofte.
Eigenlijk krijg je dan ook meteen een andere vraag, want dan is het inderdaad niet meer: "Waarom mag ik dat niet?" Dat wordt dan namelijk gevraagd. Maar dan krijg je de lezing, of je hoort iets heel anders, namelijk: "Je zult dat niet", of: "Je zult dat wel."
De Prikkel van de Zonde (romeinen 7) ↑ hoofdstukken
Ik lees even verder in Romeinen 7. De nieuwe staat van de geest en de oude staat van de letter worden hier tegenover elkaar gezet. Vervolgens vraagt Paulus: "Wat zullen we dan zeggen? Is de wet zonde?" Hij antwoordt direct: "Volstrekt niet!" Dat is een typisch antwoord voor Paulus; hij werpt de vraag op van een denkbeeldige opponent of luisteraar, maar hij beantwoordt hem ook meteen. Is de wet zonde? Nee, het punt is niet dat die wet zonde is, maar door de bril van 'werken' — de bril van het oude verbond — wordt het wel zonde. Namelijk in de zin dat het zijn doel mist. Als je het op die manier probeert, dan lukt het niet. De wet op zichzelf is geen zonde, maar als je leest "gij zult niet" als "ik mag niet", dan wordt het zonde. Dat wil zeggen: dan gaat het zijn doel missen, want dat is wat zonde letterlijk betekent.
Paulus zegt: "Integendeel zelfs, ik kende de zonde niet, tenzij door de wet." Door de wet, door de norm, maar ook door de onderwijzing: de Torah. Want dat is wat Torah eigenlijk betekent: onderwijzing. God onderwijst en Hij zegt dat. Paulus stelt: "Want ook van de begeerte zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zei: je zult niet begeren." De wet geeft daar onderwijs over. Maar, zo zegt hij dan: "De zonde grijpt het voorschrift aan en bewerkt in mij elke begeerte, want zonder wet is de zonde dood." Is de wet dan toch zonde? Nee, de wet niet, maar wel de wijze waarop deze beluisterd wordt. Want dan wordt het voorschrift "gij zult niet" — laten we bij het gegeven voorbeeld blijven: "gij zult niet begeren" — gelezen als "ik mag niet begeren". En dan prikkelt het juist de zonde. Er staat: "Zonder wet is de zonde dood."
Dit is echt een Paulinische waarheid. Je kunt het in Romeinen 5 al lezen, in Romeinen 6 staat het ook — daar komen we straks nog even op terug — en natuurlijk in Romeinen 7. Wat dacht u trouwens van 1 Korinthe 15? Daar staat dat de kracht van de zonde en de prikkel van de zonde gelegen is in de wet. We kennen allemaal het pedagogische gegeven: op het moment dat je tegen een kind zegt "dat mag je niet", wat gebeurt er dan? Dan wordt het kind juist op een idee gebracht. Het wordt feitelijk zelfs gestimuleerd.
Ik heb eens een verhaal gehoord over een man die een papegaai terugbracht naar de winkel nadat hij hem een paar maanden in huis had gehad. Hij was ontevreden over die papegaai, want het beest vloekte zo ontzettend. De winkeleigenaar vond dat vreemd en vroeg: "Hoe kan dat dan?" De man begreep het ook niet: "Ik heb die papegaai elke dag vijf tot zes keer geïnstrueerd dat hij die woorden juist níét moest zeggen!" Tja, "je mag dat niet"... hoe werkt dat? Dan wordt het juist geactiveerd. "Gij zult niet begeren."
Nu komen we bij de laatste schriftplaats waar ik u nog mee naartoe wil nemen. Het is een beetje een vreemde volgorde, want ik sprak net over Romeinen 7 en ga nu naar Romeinen 6. Trouwens, over Romeinen 7: ik heb er nu omwille van de tijd maar twee verzen uitgehaald, maar u zou dat hoofdstuk eens helemaal door moeten lezen om te zien hoe smartelijk dat is. Romeinen 7 is het hoofdstuk dat eindigt met: "Ik ellendig mens!" Paulus beschrijft daar wat dat gebod — met name "gij zult niet begeren" — kan uitwerken in de godsdienstige mens. Dan heb ik het over mensen die juist heel ernstig zijn; ik heb het niet over hypocrisie, maar over mensen die met grote ernst proberen dat gebod te volbrengen.
Hij zegt: "Het goede wens ik wel," maar het averechtse wordt juist in hem uitgewerkt. Dat geeft zo’n innerlijk conflict, een innerlijke strijd. "Ik probeer het wel, ik strijd de hele tijd." De strijd tegen de zonde — en dat bedoel ik helemaal niet om onaardig te doen of te schoppen tegen mijn eigen reformatorische achtergrond — wordt ook echt zo onderwezen. De strijd tegen de zonde. In allerlei formulieren staat beschreven dat wij ons hele leven moeten strijden tegen de zonde. Tegelijkertijd wordt ons echter ook verteld dat dit niet lukt. Ik kan u vertellen dat het buitengewoon frustrerend is om iets te gaan proberen waarvan van tevoren al vaststaat dat het niet gaat lukken. Dat is niet alleen frustrerend, het is letterlijk en figuurlijk killing. Dat is Romeinen 7.
Er is wel een antwoord. Trouwens, als Paulus dit beschrijft in Romeinen 7, dan doet hij dat eigenlijk ook al vanuit het antwoord dat hij al eerder had gegeven. Het punt is: als je "gij zult niet begeren" leest als "je mag niet begeren", dan is dat onvermijdelijk de uitwerking. Je verwacht het namelijk van jezelf; je bent zelf aan het proberen, aan het werken, terwijl dat helemaal niet de bedoeling zou zijn.
Vrij van de Wet (romeinen 6) ↑ hoofdstukken
Laten we Romeinen 6 eens lezen. Dat is de laatste schriftplaats waar ik u mee naartoe neem: "Zo ook jullie..." Ja, dit is eigenlijk al een conclusie uit het voorgaande, maar ik lees vanaf dit vers: "Zo ook jullie, reken jezelf inderdaad doden te zijn voor de zonde, levenden echter voor God in Christus Jezus." Even voor de goede orde: wat Paulus al duidelijk gemaakt heeft, is dat de dood van Christus in het verleden en zijn opstanding uit de doden niet alleen maar een historisch feit is, maar ook een belofte. Wij worden met Hem gerekend. God ziet ons aan zoals Christus. Dat wil zeggen dat wat Hem overkwam, ook ons deel wordt. Zo ziet God ons al aan: als volmaakt, de dood is voorbij. Christus stierf, dus ik stierf met Hem. Christus stond op uit de doden, dus ik ben met Hem opgestaan. Zo ziet God dat. Het is weliswaar nog toekomstig, maar dat is de bestemming. Wij rekenen altijd vanuit het verleden, maar God rekent vanuit de toekomst. Mijn identiteit wordt niet gedefinieerd door mijn verleden, maar door mijn toekomst; door wat God voor mij in petto heeft. Zo ziet God mij, namelijk gestorven voor de zonde en levend voor Hem. En wat Paulus nu zegt, is: reken zo. God ziet dat zo, dat is je bestemming, dat is jouw identiteit. Dat ben je, en zo mag je rekenen.
Doden te zijn voor de zonde betekent gewoon dat je dus niks meer met die zonde te maken hebt. Het betekent maar één ding in de praktijk: je hebt er niks mee te maken en dus kun je en mag je het negeren. Zonde is negatief — en dat moet u heel letterlijk nemen — namelijk 'negatief' in de zin van afgeleid van het werkwoord negeren. Dat wil zeggen: je geeft er geen aandacht aan. Als je het wel doet, dan is het zonde; de zonde is wanneer je daar aandacht aan geeft. Je kunt trouwens alleen maar iets negeren door je aandacht juist aan iets anders te geven. Als ik de bekende opdracht geef: "Je mag niet aan blauw denken", waar denk je dan aan? Onvermijdelijk aan blauw. Dat is het feitelijke probleem van 'gij zult niet begeren'. In de zin zelf zit het falen al ingebakken. Op het moment dat je dat leest als iets wat je moet doen, dan lukt het juist niet. Maar dat is geen 'bug', om het even in computermenmen te zeggen; het is geen foutje. God had het niet verkeerd gezegd. Nee, dat was de bedoeling: dat de mens eerst zou leren dat hij het zelf zou doen en dat het niet zou lukken. Op het moment dat je de belofte hoort — 'gij zult niet begeren' als een belofte en een voorzegging — dan ga je God danken. Dat is de echte versie, dan ga je God geloven.
Kijk, als God zegt: "Gij zult de Heer uw God liefhebben", dan is dat geen opdracht, maar een belofte die ik gewoon mag geloven. Als Hij iets belooft, dan zeg ik: "Als U het zegt, Heer." Tegen Abraham werd gezegd: "Gij zult een vader van een menigte volkeren zijn." Was dat een opdracht? Voor Abraham was het heel moeilijk. Zijn vrouw was kinderloos, onvruchtbaar en bovendien al heel erg oud. Zelf was hij ook 'verstorven', impotent. Dus ja, hoezo opdracht? Onmogelijk! Maar toen God zei dat hij een vader van een menigte volkeren zou zijn, was dat geen opdracht, maar een belofte. En Abraham geloofde God: als U dat zegt, dan gebeurt dat. Dan hoor je ineens iets heel anders. Dat is gewoon goed nieuws, een blijde tijding en een geweldige belofte. Met de zonde hebben we helemaal niks meer te maken; wij leven gewoon voor God. Dat is het!
"Laat dan de zonde niet langer heersen in jullie sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen." Hoe gebeurt dat, dat je beheerst wordt door de zonde? Nu ga ik u nog wat anders vertellen. Weet u hoe je beheerst wordt door de zonde? U zegt misschien: "Dat doen de mensen in de wereld." Nee, kijk het maar na in dit hele verband. Beheerst worden door de zonde gebeurt juist bij degenen die strijden tegen de zonde. Ik durf wel te stellen dat de godsdienstige mens beheerst wordt door de zonde. Zijn godganse leven — sorry dat ik het zo zeg — wordt in feite bepaald door: "O, ik mag dit niet, ik mag dat niet, ik moet zorgen dat ik daarvan wegblijf." Eigenlijk is dat ook de hele bedoeling van de lezing van de wet in de kerken: dat een mens bepaald wordt door wat hij wel en wat hij niet moet doen. Het feitelijke resultaat van die gedachte, van die lering en van dat verstaan, is dat men een heel leven beheerst wordt door de zonde en daardoor inderdaad juist aan de begeerte gehoorzaamt.
Het laatste vers dat ik nu aanhaal is: "Immers, zonde zal jullie heer niet zijn." Kijk maar na of het waar is wat ik zojuist zei. Beheerst worden door de zonde heeft te maken met het feit dat je onder de wet leeft. Dat staat hier gewoon: "Immers, zonde zal jullie heer niet zijn, want jullie zijn niet onder de wet." Met andere woorden: als je onder de wet bent, dan is zonde je heer. Oftewel: dan word je beheerst door de zonde. Als je er even logisch over doordenkt, dan zie je dat dit inderdaad waar is. Maar zonde zal jullie heer niet zijn; we hebben er helemaal niks mee te maken. We leven voor God, precies zoals God dat beloofd heeft. Dat is ook de strekking van die belofte 'je zult niet begeren'. Het is een belofte, want God gaat dat vervullen.
Conclusie: de Belofte Vervuld Door Geloof ↑ hoofdstukken
Dus even geconcludeerd en samengevat: je zult niet begeren onder het oude verbond. Dat was een onmogelijke opdracht — als opdracht onmogelijk — en onder het nieuwe verbond is het een heerlijke belofte. Waarom heerlijk? Wel, omdat God er zelf garant voor staat en er wordt niets van jou of van mij verwacht. En daarentegen ga je omhoog kijken en je verwacht alles van Hem die het geeft en doet. Want Hij voorziet; de HERE zal voorzien. En dat betekent: Hij geeft. Hij voorziet en Hij geeft alles wat nodig is.
En weet je wat er dan gebeurt? Als Hij dat belooft en jij gelooft dat, ja, dan heb je vrede. Maar dan betekent het ook dat je tevreden wordt. Het mooie is: op het moment dat je vrede hebt en tevreden bent en God dankt voor wat je ontvangt, dan heb je niet meer de intentie, dan begeer je niet meer iets wat van je naaste is, want je bent tevreden. En pas dan wordt dat woord, "gij zult niet begeren", daadwerkelijk vervuld.
Namelijk: je gelooft de belofte en zo werkt het. Via werken, via het eigen doen en het eigen proberen, is het op voorhand gedoemd te mislukken. Op het moment dat je hoort: "God gaat het doen", Hij belooft, Hij geeft... ja, dan is het een geweldige belofte. En zo, door geloof in wat Hij zegt, wordt het vervuld. Is dat niet een geweldig goed bericht?
UltimateGoodNews