GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

een horend oor en een ziend oog…

12-07-2026 - Geplaatst door Andre Piet
Benthuizen

Met het oog kan men zien en met het oor horen. Dat is lichamelijk waar, maar ook geestelijk. Want God maakt niet alleen het oog en het oor, Hij geeft ook het vermogen om te zien, te horen en te verstaan. En omdat Hij volstrekt soeverein is, opent Hij ogen en oren wanneer Hij wil, en houdt Hij ze gesloten zolang het Hem behaagt. Wat specifiek bij Israël wordt gedemonstreerd, blijkt Gods weg te zijn met heel de schepping. Want uiteindelijk opent Hij alle ogen, alle oren en ieder hart!

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

In deze Bijbelstudie staat centraal dat zowel het fysieke als het geestelijke vermogen om te horen en zien volledig door God gegeven wordt. Niet alleen het geloof, maar ook blindheid en ongeloof worden door Hem beschikt met een specifiek doel. Deze verharding is echter altijd tijdelijk, zodat God zich uiteindelijk over allen kan ontfermen. Dit sluit elke eigen roem uit, omdat de mens uitsluitend kan geloven wanneer God de ogen daarvoor opent.

“Maar de fundamentele waarheid is: Hij geeft het vermogen om te zien, en anders zie je het niet.”

Inleiding: de Maker van Oor en Oog ↑ hoofdstukken

Ik gaf het zojuist al even aan, maar over dit thema gaan we het dus hebben, wat u hier achter mij ziet geprojecteerd: ‘Een horend oor en een ziend oog’. Deze titel is ontleend aan een schriftplaats, en ik ben daar vele jaren geleden ooit eens op geattendeerd — en dat vond ik geweldig — door een broer die hier in de zaal zit. Het is een hele tijd geleden dat hij hier was; vanwege allerlei toestanden thuis kon hij hier niet zijn. Toevallig is hij vanmorgen in ons midden: hartelijk welkom, laat ik dat ook eventjes mogen zeggen.

Maar nu even mijn punt: waar denkt u dat deze tekst of titel aan ontleend is? Welke Bijbelplaats? Spreuken hoor ik, daar zit u al heel warm. Sterker nog, dat is correct! Maar nog wat specifieker? Nou, dat is waarschijnlijk te veel gevraagd. Ik zal het meteen onthullen: het is Spreuken 20 vers 12. Daar staat letterlijk — dit is een wat letterlijke weergave —: “Het oor dat hoort en het oog dat ziet, JAHWEH (of ‘de HEERE’, de Godsnaam staat hier dus in het origineel) heeft beide gemaakt.”

Waarom dit zo bijzonder is? Kijk, het loutere feit dat wij weet hebben van God en dat Hij de Schepper is, maakt het natuurlijk logisch dat Hij de Creator is van het oog, van het oor en van wat niet. Maar in feite ligt de nadruk hier niet eens zozeer op het orgaan, maar op de functie daarvan. Want wat heb je aan een oog als je er niet mee kunt kijken? En wat heb je aan een oor als je er niet mee kunt horen?

Wat hier naar voren gebracht wordt… Het is toevallig dat ik juist de afgelopen week nogal bepaald ben bij het oor met name. Ik had wat problemen met het evenwichtsorgaan en dan ga je je daarmee bezighouden; je wordt er door de arts ook op geattendeerd hoe dat allemaal zit. Bij het trommelvlies heb je het evenwichtsorgaan — ik ga niet te technisch doen hoor —, dat zijn drie van die buisjes met kristalletjes erin. Als die kristalletjes net niet op de goede plek zitten — ik zeg het maar even heel eenvoudig zoals ik het begrepen heb —, dan gaat alles om je heen tollen. Nou, dat had ik dus afgelopen week. Ik spreek nu over een thema waar ik eigenlijk vorige week zondag op Urk over zou spreken, maar dat kon niet doorgaan omdat ik op bed lag; alles stond om me heen en ik kon echt niet op mijn benen staan.

Waar het me nu even om gaat: je gaat je er dan mee bezighouden hoe alleen al zo’n evenwichtsorgaan bij het gehoororgaan wonderbaarlijk in elkaar steekt. Maar dat geldt ook voor het oog en de ogen: het is onbegrijpelijk dat het allemaal werkt. Je wordt er eigenlijk pas bij bepaald als het niet meer goed werkt, maar het is veel wonderlijker als het het allemaal wel doet, want er kan zoveel misgaan. In ieder geval: Hij is Degene die dat vermogen geeft.

En kijk, in de fysieke, letterlijke zin is dat natuurlijk gewoon waar: als je kunt kijken, is dat geen verdienste. Dat lijkt me nogal logisch. Je kijkt toch niet neer op iemand die een slecht gezichtsvermogen heeft of blind is? Nee, dat bepaalt je juist bij het voorrecht dat jij wel mag kijken. Ik beschouw het niet als een prestatie — wie wel natuurlijk — dat je goed kunt zien of normaal kunt horen. Maar geestelijk is het net zo goed waar, en in feite ligt daar vanmorgen met name de nadruk op. Als je dingen mag zien en verstaan in geestelijke zin, dan is dat ook geen prestatie. Er zijn velen, ook velen die zich christen noemen, die denken dat het allemaal een eigen wil is. Vanwege het loutere feit dat ze zicht mogen hebben op de waarheid van het Woord, denken ze dat het hun eigen keuze is. Dan denk ik bij mezelf: in hoeverre zie je nou werkelijk?

Nou ja, dat is weer een andere vraag. Maar beide heeft de Heer gemaakt. In feite klinkt hier al in door dat horen en zien eigenlijk één categorie is, geestelijk in ieder geval. Want degene die werkelijk hoort, die ziet ook. Het begint trouwens ook bij gehoor. Geloof is sowieso uit het horen, maar als je de dingen hoort en het dringt daadwerkelijk door, dan ga je de dingen ook zien. Je zou hier zelfs een communicatiecursus op kunnen baseren en zeggen: als je goed luistert, ga je ook zicht krijgen op de dingen. Wie goed luistert, krijgt inzicht.

Maar dat is de fundamentele waarheid waar we wat nader naar willen kijken of luisteren. Want de waarheid van deze spreuk is: God is Degene die zicht geeft, God is Degene die het vermogen geeft om te luisteren. En dat kan trouwens in allerlei gradaties zijn. We weten allemaal dat ook als je niet blind bent, je toch bepaalde vormen van blindheid kunt hebben, toch? Je kunt bijvoorbeeld woordblind zijn: je kunt heel goed kijken, maar op het moment dat je een boek voor je neus hebt, kun je niet goed lezen. Dyslexie is in feite ook een vorm van blindheid. Dat geldt trouwens ook voor doofheid. Denkt u maar aan Oost-Indische doofheid; dat is eigenlijk weer een andere categorie, want dat is bewust doof zijn en dingen niet willen horen. Maar je hebt ook gewoon bepaalde dingen die je niet kunt horen.

Gisteren heb ik nog naar zo’n filmpje gekeken dat ging over het gorilla-effect. Hebben jullie daar wel eens van gehoord? Nou, dat is een experiment dat in de jaren negentig is uitgevoerd, waarbij mensen moeten kijken naar een filmpje waarin een bal wordt overgespeeld tussen mensen, en dan moet je tellen hoeveel keer je dat ziet. Bij dat experiment blijkt dat het de helft van de mensen die dat filmpje zien ontgaat dat er in een minuut tijd ongeveer een gorilla door het beeld heen kruipt of loopt. Als je het eenmaal ziet, denk je: hoe kan me dit ontgaan? Ja, maar de helft van de mensen ontgaat het; je ziet het niet omdat je op andere dingen let.

En je leest van de Emmaüsgangers — die wil ik er dan ook nog even bij noemen — dat die vreemde man (die man die ze dachten niet te kennen) zich incognito bij hen vervoegt, en hun ogen werden bevangen zodat zij Hem niet herkenden. Later pas, bij de breking van het brood, gingen hun ogen ineens open en toen zagen ze het. Ja, wat is dat?

Nou, deze waarheid wordt op allerlei wijzen in de Bijbel beschreven, en ik wil vanmorgen een zevental schriftplaatsen laten zien en er veel laten passeren in een speciale opbouw, waarbij we eerst het principe zullen zien en later ook hoe dat zich in de geschiedenis demonstreert — profetisch, maar ook typologisch hoe dat in de Bijbel naar voren gebracht wordt.

Exodus 4: Wie Maakt Stom of Doof, Ziende of Blind? ↑ hoofdstukken

Exodus 4 is ook een hele bijzondere. Dat is een tekst waarin geschreven wordt over de roeping van Mozes tot zijn bediening. Hij is daar in de woestijn, en van hem lezen we dat hij zwaar was van tong, dat wil zeggen: hij kon niet goed spreken. Tenminste, dat was in ieder geval zijn eigen analyse en diagnose.

Wanneer hij geroepen wordt om naar het volk van Israël en naar Farao te gaan als woordvoerder, maakt hij het bezwaar: “Ik ben zwaar van tong en ik kan dat allemaal niet.” En dan lees je in vers 11 van Exodus 4 dat JAHWEH tot Mozes zei: “Wie heeft de mens een mond gegeven?”

Letterlijk staat hier – ik heb het even onderstreept, je ziet het ook in de interlineair – letterlijk het woordje ‘plaatsen’. Dat vind ik heel mooi. Idiomatisch klopt dat misschien niet helemaal in het Nederlands, maar dat is wel zoals het in het Hebreeuws tot uitdrukking wordt gebracht: “Wie heeft de mens een mond geplaatst?” Dat is eigenlijk de gedachte. En dat bepaalt ons weer bij dat geweldige feit dat God de Plaatser is van de dingen. Hoe komt het dat iets plaatsvindt? Dat komt omdat er Iemand is die alles een plaats geeft.

“Wie heeft de mens een mond gegeven? En wie maakt stom of doof, ziende blind?”

Eigenlijk staat het hier nog wat extremer dan in de tekst van zojuist in Spreuken 20. Want hier wordt niet alleen het vermogen om te horen en het vermogen om te zien aan God toegeschreven, maar ook het omgekeerde, het tegengestelde: namelijk het onvermogen om te zien (dat je blind bent), het onvermogen om te horen en te verstaan, en trouwens ook om te spreken.

Wie maakt dat de mens niet kan spreken, of wie maakt dat de mens niet kan horen, oftewel doof is? En wie maakt ziende, maar ook blind? Ook die beperkingen – dus niet alleen het vermogen, maar ook het onvermogen – worden hier gewoon door God aan Zichzelf toegeschreven. Hij is degene die dat beschikt en plaatsgeeft.

Dat wordt trouwens op een hele duidelijke wijze gezegd. Het is niet zomaar een mededeling, het is een retorische vraag. Het is eigenlijk nog veel sterker: het antwoord is vanzelfsprekend. Wat je daarin vooral moet zien, is dat niet alleen het positieve (het zien en het horen) door God beschikt wordt, maar ook het onvermogen. Dat je het niet ziet en dat je het niet verstaat, is ook wat God beschikt.

En waarom? Nou loop ik vooruit, maar als je eenmaal weet dat Hij degene is die het beschikt, betekent dat dus dat Hij daar een bedoeling mee moet hebben. Het is geen toeval. Want hoe zeggen wij dat als je een bepaalde beperking hebt, of als het niet goed gaat, of als je ineens op je benen staat te tollen? “Ja, toevallig.” Dat zeggen we omdat we er geen verklaring voor kunnen geven. Maar het valt je toe, en iets valt altijd van boven. Houd dat goed vast! Ook al hebben wij er totaal geen zicht op wat er achter de schermen plaatsvindt, ga er maar vanuit dat het niet zomaar gebeurt. Er is er één die de dingen beschikt en bij Wie – ik zeg het graag en herhaal dat ook heel graag – nooit iets misgaat.

Je kunt zeggen: “Dat is de natuur, het gaat nu eenmaal zo.” Maar daarmee zeg je eigenlijk alleen iets over je eigen onkunde, dat wil zeggen: wij weten het verder niet. Maar wie is degene die de natuur gemaakt heeft? Wie heeft dat bedacht? Dan kom je hoe dan ook uit bij de oorsprong: bij God Zelf. “Ben Ik het niet?” Jawel!

Het wordt hier als een retorische vraag naar voren gebracht. Een mens wordt geacht te weten dat er een God is. Maar als Hij daadwerkelijk God is, dan betekent het dat Hij alles beschikt: niet alleen het goede, maar ook het kwade – dat wil zeggen, het negatieve. Dat wat je niet kunt, dat waar je je vragen of klachten over hebt, of wat pijn veroorzaakt. Er is er één die weet wat Hij doet, wat Hij niet doet, en wat Hij nog niet doet.

Nou loop ik helemaal vooruit, want als Hij een mens blind maakt of het onvermogen geeft om te zien, dan is dat omdat Hij ziende gaat maken.

Dit wordt dus tegen Mozes gezegd, die het bezwaar uitte tegen God dat hij niet kon spreken. Maar God geeft daarvoor de bekwaamheid. Dat is wat God hier tegen Mozes zegt: “Ik ben dat toch? Ik geef een mond. Ik heb je oren gegeven, Ik heb je ogen gegeven… en als Ik dat wil, kun jij kijken; en als Ik dat wil, kun jij het verstaan; en als Ik het wil, kun je ook spreken.”

God bekwaamt degene die Hij roept. Draai het niet om: Hij roept niet degene die bekwaam is, nee, het is omgekeerd: Hij bekwaamt degene die Hij roept. Als Hij roept, geeft Hij daartoe ook de bekwaamheid. Een geweldige waarheid is dat!

Deuteronomium 29: Zien Zonder te Verstaan ↑ hoofdstukken

We hebben nu twee schriftplaatsen gezien. Ik ben absoluut niet uitputtend, maar gewoon om het wat fundamenteel ook echt te onderbouwen vanuit de Schrift gaan we nu naar Deuteronomium 29, omdat we hier in feite een historisch verslag krijgen. Deuteronomium wil zeggen: de Tweede Wet. Aan het einde van de woestijnreis wordt er teruggeblikt – dat is waar het boek Deuteronomium ook over gaat – teruggeblikt op de hele periode die daar direct aan voorafgegaan is.

In vers 2 staat: “Mozes dan riep geheel Israël tot zich en hij zei tot hen…” Het volk als zodanig wordt hier aangesproken. Dit is dus aan het einde van de veertig jaren dat Israël door de woestijn heeft gezworven. U weet, Israël was toen uit het land Egypte bevrijd en vervolgens zouden ze naar het beloofde land gaan. Dat zou geen veertig jaar gaan duren; dat zou binnen een hele korte tijd hebben plaatsgevonden, want die reis was niet zo heel erg groot. Met een heel volk is dat weliswaar nog een hele onderneming, maar waar het om gaat: er worden 38 jaren aan toegevoegd. Waarom? Omdat Israël niet geloofde. U kent de geschiedenis van die twaalf verspieders die veertig dagen in het beloofde land verkeren en dan terugkomen. En tien van die verspieders zeggen: “Dat moeten we niet gaan doen, dat is een heel slecht idee. Want die lieden daar zijn veel te machtig, veel te groot ook letterlijk. Dus dat is niet ons pakie-an, dat moeten wij gewoon niet doen.” En er waren maar twee, Jozua en Kaleb, die zeiden: “Jawel, als God ons roept en daartoe bestemt, dan kan dat ook.” Dat was geloof. Zij zijn trouwens ook de enige twee van die generatie die daadwerkelijk zijn ingegaan in het beloofde land, verder helemaal niemand, Mozes inclusief – maar dat had trouwens weer een andere reden.

Dit is dus het einde van de woestijnreis. Ik benadruk dit ook even om aan te geven dat een waarheid die elders in de Schrift onderstreept wordt, klopt: waarom konden zij niet ingaan? Vanwege ongeloof. Hebreeën 3 en 4 gaat daar uitgebreid op in. Dus dat is de waarheid, dat klopt. Maar nu wordt het in dit gedeelte op een wijze belicht die u misschien nog nooit gehoord hebt.

Ik lees verder wat Mozes zegt in datzelfde vers 2: “Gij…” – meervoud dus: jullie – “…hebt alles gezien wat JAHWEH in het land Egypte voor uw ogen Farao, al zijn dienaren en zijn gehele land heeft aangedaan.” De terugblik begint dus al voordat de uittocht daadwerkelijk had plaatsgevonden, nog in het land Egypte, met al die plagen die daar hadden plaatsgevonden. Ze hebben dat allemaal gezien! Gezien hoe het volk doorgetrokken is door de Rode Zee, en ook hoe het leger van Farao daar juist in omgekomen is. Ze hadden het allemaal voor hun ogen gezien. Let eventjes op hoe dat benadrukt wordt. Ik heb het hier expres even wat dikker gedrukt: alles gezien voor uw ogen. En vers 3: “De grote beproevingen die gij met eigen ogen gezien hebt, die grote tekenen en wonderen.” Het was onmiskenbaar. Het was zelfs zo onmiskenbaar dat als Rachab later – dat is niet zoveel later trouwens – in Jericho is, al die lieden daar in Jericho bibberden omdat ze wisten wat er allemaal had plaatsgevonden. God had Zijn naam voor de volkeren ook groot gemaakt, want dit was bekend geworden en ze hadden het met eigen ogen gezien: grote tekenen en wonderen.

En nu komt het. Vers 4: “Doch JAHWEH heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien of oren om te horen tot op de huidige dag.” Hebt u het ooit gelezen? Hoe komt het dat Israël, terwijl ze alles gezien hadden met hun eigen ogen – het wordt juist heel expres benadrukt – er toch staat: JAHWEH heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien? Ze hadden alles gezien en ze hadden het toch niet gezien. Dat is eigenlijk wat er staat.

En hoe komt dat dan? Want dat is dan de vraag. Dan zou je kunnen zeggen: “Ja, maar jullie hebben niet willen luisteren.” Wat op zich trouwens een correct antwoord is, want daar refereerde ik zojuist aan: ze konden niet ingaan vanwege ongeloof. Jawel, maar nu komt de volgende vraag: hoe komt het dat een mens dan niet gelooft? Het antwoord dat hier geformuleerd wordt is heel duidelijk, en het is waar zoveel mensen de grootste moeite mee hebben: dat komt omdat God hen geen ogen heeft gegeven om te zien en oren om te horen, en daarmee dus ook geen hart om dat daadwerkelijk te verstaan. Dus niet omdat jullie niet hebben willen luisteren, maar God heeft het jullie niet gegeven.

Of – maar nu loop ik opnieuw vooruit – nog niet gegeven! Want dat is eigenlijk wat er staat: “tot op de huidige dag.” Daarin klinkt in ieder geval impliciet door dat het nog niet gegeven is, maar ook dat het ongeloof – het feit dat jullie geen ogen hebben om te zien omdat God het jullie niet gegeven heeft – tijdelijk is. Er komt een moment, en ik zal dat straks ook nog wel duidelijker laten zien als dit vervolgens wordt aangehaald of waarnaar gerefereerd wordt in Romeinen 11. Het is tijdelijk. Vandaar ook dat hier staat: “tot op de huidige dag.” Want feitelijk is het zo dat toen zij ingingen in het beloofde land, men het is gaan verstaan. Tot op zekere hoogte, moet ik er ook bij zeggen. Als u daar wat meer over wilt weten, dan verwijs ik nog een keer naar Hebreeën 3 en 4, want daar wordt dat fenomeen ook uitgelegd.

Wat we dus gezien hebben: in Spreuken geeft God ogen om te zien en oren om te horen. God maakt ook dat een mens het niet ziet. En in dit geval, als een mens niet ziet en een mens niet hoort – in dit geval het hele volk als geheel, het gaat hier niet over individuen, maar het volk als geheel zag niet, hoorde niet, verstond niet – waarom niet? Omdat God hun dat niet heeft gegeven. Is dat Gods schuld? Nee natuurlijk niet, maar wel Gods weg. Het moest zo gaan. En waarom, nou daar komen we nog over te spreken, maar het feit staat.

Oké, we gaan naar een andere schriftplaats.

Jesaja 6: de Missie tot Verharding ↑ hoofdstukken

In Jesaja 6 wordt het perspectief nog wat anders, en vooral ook profetisch. Jesaja 6 is het hoofdstuk waarin wordt beschreven dat Jesaja geroepen wordt; dat is het eerste deel van het hoofdstuk. En dan lees je vervolgens hoe zijn lippen worden aangeraakt door de kolen van het altaar — een heel bijzondere uitdrukking. En dan staat er in vers 9 dat God Zelf tot hem spreekt: “Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor, maar verstaat niet, en ziet aldoor, maar merkt niet op.”

Jullie oren registreren het geluid wel, maar geluid registreren is wat anders dan horen. Je hoort aldoor, maar verstaat het niet. En je ziet aldoor met je eigen ogen, maar toch ontgaat het je; je merkt het niet op. Het aparte hier is opnieuw dat God Zelf degene is die dat initieert. Jesaja wordt erop uitgezonden. Dat is geen aangename missie hoor, maar goed, hij is de mond van God. Profeet betekent in het Hebreeuws immers ook ‘de mond van God’.

Je zou zeggen dat hij erop uitgestuurd wordt om het volk te doen verstaan en hun ogen te openen. Nee, het is precies andersom: “Maak het hart van dit volk vet” — dat wil zeggen: geef het zoveel dat ze vatsig worden, zodat het niet meer doordringt — “en maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven.” Doordat Jesaja zijn woord gaat spreken, dient zijn prediking om het volk te verharden. Het hart van het volk wordt verdoofd.

Ik gebruik ‘verdoofd’ nu in een betekenis die ik ter plekke verzin, want verdoven betekent eigenlijk doof maken. In dit geval is het ook daadwerkelijk dubbelzinnig: dat je het niet meer opmerkt, maar dat je het ook niet meer voelt en dus ook niet meer verstaat. Ik moet er een beetje aan denken: nog niet zo heel lang geleden was ik bij een gelegenheid waar enorm veel herrie geproduceerd werd op een feestje — Petra, je weet waar ik het over heb. Als opmerking terzijde: dat is met recht verdovende muziek! Je wordt er echt doof van, maar ik denk dat het ook de bedoeling is om de mens in een soort narcose te brengen, zodat ze dingen helemaal niet meer in de gaten hebben. Dat gaat altijd hand in hand met elkaar. Het is een vrije associatie, ik weet niet of ik deze opmerking had moeten maken.

“Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven.” Dat is dus de missie die aan Jesaja wordt meegegeven. En de doelstelling is: “opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde.” Je zou zeggen: een profeet gaat toch tot het volk zodat degenen die bereid worden juist wél gaan zien met hun ogen en horen met hun oren? Nee, hier is het precies het omgekeerde! Ook dit is een hard woord — met een d, ja.

Je zou zeggen: maar dat is toch niet de bedoeling? Nee, het is niet de eindbedoeling, dat is waar. Maar blindheid, doofheid, oftewel ongeloof, hebben een doel. De bediening van Jesaja heeft juist dít doel. Deze tekst wordt in het Nieuwe Testament diverse keren aangehaald, waaronder in Mattheüs 13. Daar wordt het meegegeven als verklaring waarom de Heer in gelijkenissen spreekt. De meeste mensen denken dat de Heer in gelijkenissen sprak om dingen duidelijk te maken, maar het is het omgekeerde. Hij spreekt over een landbouwer die zaait en zo. En vervolgens komen de discipelen en vragen: “Waarom spreek je tot het volk in gelijkenissen?” De gelijkenissen dienden juist om het volk dat luisterde níét te laten verstaan. Zij hoorden alleen maar een mooi verhaal, meer niet. En dat was ook de bedoeling, want de uitleg werd aan de discipelen afzonderlijk gegeven; zij mochten het verstaan. Het was helemaal niet voor hun oren en ogen bestemd.

En ze zagen de Heer uit het huis gaan en bij de zee gaan zitten. Vanaf de zee sprak Hij het volk toe. Daar ging een hele sprake van uit. Ze zagen met hun eigen ogen wat de Heer deed: dat Hij het huis van Israël verliet en vanaf de zee het volk toesprak. Dat is een typologische waarheid. Maar ze zagen het niet; ze zagen het met hun eigen ogen, maar het ontging ze en werd niet opgemerkt.

Ik wil nog één vers toevoegen om iets te benadrukken. Want als dit zo gezegd wordt, staat er in vers 11: “Toen vroeg ik: Hoe lang, Heer?” Hoe lang? Dat wil zeggen: dit is toch niet voor altijd, hè? Dat wist je eigenlijk al op voorhand, daarom vraagt hij ook “hoe lang?”. En Hij antwoordde: “Totdat de steden verwoest zijn, zodat er geen inwoner meer is, en de huizen, zodat er geen mens meer in is, en het bouwland verwoest is tot een wildernis.” Dit heeft ook alles te maken met de eindtijd, dat het hele land verwoest zal zijn. Pas als de mens helemaal aan het eind van zijn Latijn is, gaat God de ogen weer openen. Blindheid, doofheid, verharding en ongeloof hebben niet alleen een bedoeling, maar ze zijn uitdrukkelijk per definitie altijd tijdelijk.

Johannes 12: het Onvermogen Om te Geloven ↑ hoofdstukken

Johannes 12 heeft ook alles te maken met wat we zojuist hebben gezien. Daar lees je… dit is inmiddels aan het einde van Jezus’ bediening, dus vlak voordat Hij gevangen wordt genomen, gearresteerd en gekruisigd wordt. Dan lees je dat hoewel Hij – dit gaat over de Heer Jezus – zovele tekenen voor hun ogen gedaan had, zij niet in Hem geloofden. Het gaat hier trouwens specifiek over de leiders van het volk, als je dat nakijkt.

Eigenlijk doet dit heel erg denken aan wat we in Deuteronomium 29 lazen. Er hadden zoveel wondertekenen plaatsgevonden. Hij had het volk Israël gedurende de veertig jaren meegemaakt, met hun eigen ogen gezien, en toch dringt het niet door. En dat is met de Heer ook gewoon het geval geweest. Zijn prediking was overtuigend, met gezag; Hij bewees de dingen, maar Hij demonstreerde het ook. En dan zou je zeggen: hoe zou een mens dan niet geloven, zo overtuigend? Ik ben daar ook wel mee opgevoed – dat is trouwens een Bijbelse waarheid, dat heet dan wondergeloof, dat bestaat ook – maar het hele idee is: wonderen an sich genereren geen geloof. Je zou denken: als je nou maar voldoende bewijst, dat een mens dan wel tot inkeer komt. Nee, want je kunt wel wonderen zien, maar als je hart het niet opmerkt… Nee, nu moet ik het anders zeggen: als Hij niet jouw hart, je ogen en je oren daarvoor opent, dan zie je nog niks. Al gebeurt er pal voor je ogen, al gaat het tig keer voor je ogen gebeuren, dan nog gebeurt er niks. Als je blind bent, zie je niks. Het gebeurt voor je ogen, maar er is Eén die ogen geeft. En als Hij die ogen nog gesloten houdt, dan zie je helemaal niente, niks!

Hoewel Hij zoveel tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem. En waarna de vraag zich dan opdringt: hoe kan dat dan? Hoe kan het dan dat Hij… Hij was tot Zijn volk gezonden en Hij deed zoveel tekenen, was zo overtuigend, en desondanks geloofden ze niet in Hem? Nou, en dan lees je vervolgens in vers 39 – ik sla vers 38 omwille van de tijd even over –: “Daarom…” Dat is dus niet alleen de observatie, maar het is een verklaring: “Daarom konden zij niet geloven.” Waarom? Nou, omdat Jesaja elders… Er was zojuist al een citaat uit Jesaja gegeven… omdat Jesaja elders gezegd heeft… Aha! Dus ze konden niet geloven omdat het voorzegd was. Het moest ook zo gaan gebeuren. En nou lees ik… Ja, dat is wel mooi om er even bij op te nemen: het ongeloof was dus geen ontsporing of zo. Bij God gaat er nooit iets mis, en ook dit is in overeenstemming met Zijn plan.

En dan staat er in vers 40… Want de vraag is: waarom konden zij niet geloven? Nou, omdat er staat geschreven in Jesaja: “HIJ heeft hun ogen verblind…” Hij – met hoofdletters! – “…en hun hart verhard, dat zij niet met hun ogen zien.” De reden dat ze niet geloofden, dat was God. Omdat God Zelf hun ogen gesloten hield, en hun oren en daarmee ook hun hart. Dat is de reden. Dus als je nou vraagt: hoe komt het dat een mens niet gelooft? Nou, de reden is – lees gewoon wat er staat – de reden is: God maakt dat een mens het niet ziet, of nog niet ziet.

Dat laatste is heel erg belangrijk, want anders kom je in de zware refo-wereld terecht. Die zien op zich wel de waarheid van: ja, God moet de ogen openen, en die moeten niks hebben van de evangelische, Arminiaanse gedachte van vrije wil en dat de mensen kiezen en zo. Ze zeggen: nee, God moet je ogen openen. Dat is waar. Maar de geweldige waarheid is: God gaat ook alle ogen openen. In dit geval gaat het specifiek over Israël, maar het is een universele waarheid. Maar laat ik even bij mijn punt blijven: alleen of uitsluitend wanneer God de ogen opent, kan een mens geloven. En als je dat verstaat en erkent, dan weet je ook dat alle roem is uitgesloten. Het loutere feit dat je mag geloven… dank God op je blote knietjes dat Hij jouw ogen daarvoor geopend heeft!

Kijk, en je kunt het doorgeven aan iedereen, dat iedereen het kan horen, dat is waar. Maar vandaar ook dat je vijftien keer in het Nieuwe Testament leest: “Wie een oor heeft, die hore.” Waarin in principe ook al doorklinkt: niet elk oor hoort het. Je kunt het iedereen vertellen, en degenen voor wie het bestemd is, die verstaan het. En de rest… dat komt nog. Dat is zo rustgevend, het is geweldig!

A: het sluit alle eigen roem uit, want Hij geeft jou het vermogen. Doe niet zo bizar en stupide om te denken dat jij… Ik bedoel nu weer eventjes de link met het fysieke: geen mens haalt het in zijn hoofd om een blinde aan te spreken van: “Maar jij kunt lekker niet kijken!” of “Wat dom zeg!” Wees blij dat jij het vermogen wel hebt, maar reken het een ander niet kwalijk. Natuurlijk, ik weet wel in de praktijk – en dat is misschien de nuance die ik erin aanbreng – spreek je mensen aan en je zegt: “Doe het nu ook, let op, dat staat er.” Ja, maar ik weet tegelijkertijd dat voor degenen die het niet opmerken, het kennelijk nog niet voor hun gehoor bestemd is. Kan ook zijn dat ik het nog een keertje beter moet uitleggen, dat is ook zo, dat zijn menselijke overwegingen. Maar de fundamentele waarheid is: Hij geeft het vermogen om te zien, en anders zie je het niet.

Nou, zo mag je je eigen geloof verstaan, maar zo mag je ook het ongeloof van de ander verstaan.

Romeinen 11: de Tijdelijke Diepe Slaap van Israël ↑ hoofdstukken

Romeinen 11 is de zesde passage die ik wil laten passeren. Daar gaat Paulus in op het ongeloof van Israël ten opzichte van hun eigen Messias. De boodschap van de opgewekte Messias is immers tot het volk gekomen. De twaalf hebben dat duidelijk gepredikt, maar het volk en de leiders hebben het afgewezen. Ze hebben Stefanus gestenigd. En dan lees je dat God een dertiende apostel roept die naar de natiën gaat. Israël als volk heeft namelijk niet alleen de boodschap van de Messias hier op aarde verworpen, maar ook het feit dat God Hem, de opgestane Messias, tot Heer en Christus gemaakt heeft. Ook dat hebben zij verworpen.

In deze hoofdstukken gaat Paulus daar uitgebreid op in en vraagt: wat dan? Hetgeen Israël najaagt, namelijk om rechtvaardig voor God te zijn, heeft het niet verkregen. Waarom? Dat had hij al eerder uitgelegd, dat laat ik nu liggen. Maar, zegt hij, het uitverkoren deel heeft het verkregen. Dat wil zeggen: degenen die God uitkiest en heeft uitgekozen, die hebben het verkregen. Zij verstaan het wel, zij geloven het wel; bij hen valt het dus niet zomaar ergens, maar in goede aarde. En de overigen, zo staat er, werden verhard. Kijk het maar na in het werkwoord: het is een passieve vorm. Ze wérden verhard, niet: ze hebben zichzelf verhard. Ik zeg niet eens dat dat onjuist is, maar dat is niet wat hier staat. Ze werden verhard, en dat wordt ook uitgelegd en gemotiveerd. Paulus laat de Schrift in de Hebreeuwse Bijbel spreken: “Gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, en ogen om niet te zien, en oren om niet te horen.”

Eigenlijk refereert hij hier aan diezelfde tekst waar we het zojuist over hadden: Deuteronomium 29. Hij doet dat wat vrij, want hij citeert mede nog Jesaja 29, waar staat: “Want de HEERE heeft een geest van diepe slaap over u uitgestort.” Die twee combineert hij. Hier staat dus: “God gaf hun een geest van diepe slaap”, maar in feite is dat hetzelfde als: “God heeft u niet gegeven ogen om te zien.” Dat is echt hetzelfde. Want als je ogen niet zien, komt dat omdat ze gesloten zijn. En als je in een diepe slaap bent – zeker als je onder narcose bent – dan merk je helemaal niets op. Je mag dan wel ogen hebben, maar ze zijn gesloten, en in een diepe slaap merk je niets op.

Dat is de huidige toestand, en dat was het ook in de eerste eeuw toen Paulus dit optekende. Nu leven wij in de eenentwintigste eeuw – het einde van de termijn – en het is nog steeds de waarheid: Israël gelooft nog steeds niet in haar Messias. Dat is ongeloof, jawel, maar Paulus zegt dat dat van Gods wege is. Dit is ook de bedoeling. Ze zijn gestruikeld – zoals hij eerder en ook in het navolgende van Romeinen 11 schreef – opdat het tot de natiën zou gaan; dus om uwentwil! Ongeloof, jawel, maar: “God gaf hun een geest van diepe slaap, en ogen om niet te zien, en oren om niet te horen, tot op de dag van heden.” Nu zijn wij inmiddels in 2026 en is dat nog steeds het geval. Maar het geeft ook aan: hun ongeloof heeft een ’totdat’.

Hoe weet je dat? Dat staat er al impliciet. En als je een paar verzen verder leest, in vers 25, dan lees je: “Een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid van de natiën binnengaat.” Het uitverkoren deel verstaat en gelooft het wel, hun ogen zijn geopend, maar het grote geheel als volk is verhard. Maar er staat bij dat dat zo is totdat de volheid van de natiën binnengaat. Met andere woorden: die verharding van Israël is een feit en van Gods wege, maar het is ook ’totdat’. Het is niet definitief! Dat is het verhaal in de kerkgeschiedenis: dat in de plaats van Israël de kerk is gekomen en het met Israël over en uit is. Nee, het is een onderbreking, een intermezzo. God gaat op Zijn tijd de draad weer oppakken met Zijn volk – totdat! God bepaalt bovendien de timing. Daar hadden we het de vorige keer over, maar het heeft een ’totdat’, daar gaat het om.

Als je nog een paar verzen doorleest, blikt Paulus helemaal terug op het geheel en zegt: “Want God heeft allen onder de ongezeggelijkheid besloten.” Elders wordt datzelfde werkwoord gebruikt in verband met vissen die in een net zitten; die zitten vast en hebben geen uitweg. God heeft allen onder de ongehoorzaamheid, de weerbarstigheid of de ongezeggelijkheid besloten. Dat is Zijn werk. Maar goddank is het een helend verhaal, want het heeft namelijk een doel. Het is niet de bedoeling dat hun ogen gesloten blijven en dat ze ongezeggelijk blijven. Nee, die ongezeggelijkheid is niet definitief, het heeft een ’totdat’. Hij heeft hen onder de ongezeggelijkheid besloten om Zich over allen – heel de mensheid, Jood en heiden – te ontfermen.

Dat is in feite de echo van weer andere schriftplaatsen in de Romeinenbrief: alles wat in Adam verloren ging, wordt in Christus hersteld. Alles! Dat is een gegeven, een mededeling en het goede bericht. Het is allemaal God Die dat doet en niets van de mens: God heeft hen onder de ongehoorzaamheid besloten. En nu wil ik nog één passage noemen, en dat is in feite een illustratie ervan.

Johannes 9: de Blindgeborene tot Eer van God ↑ hoofdstukken

En dat is de geschiedenis van de blindgeborene in Johannes 9. Het is een heel lang hoofdstuk, dat gaan we niet helemaal bespreken, maar ik wil er even bij het begin aan haken. Want je leest in vers 1 van dat hoofdstuk — en het is alleen in het Johannes-evangelie dat dit wordt opgetekend; in Matthäus, Marcus en Lukas ontbreekt het — dat Jezus voorbijging. Dat wil zeggen, Jezus ging voorbij. Het was daar in Jeruzalem; Hij ging de tempel uit, als ik me niet vergis. Ja, zo was het. En voorbijgaande zag Hij een man die sedert of vanaf zijn geboorte blind was. Die man was dus niet blind geworden; die man was nooit anders dan blind geweest. Die had helemaal niet de ervaring van het kunnen zien.

En dan krijg je die beroemde vraag die de discipelen stellen. Zijn discipelen pakken het heel filosofisch en theologisch aan. Gewoon de mens, die stelt zulke vragen eigenlijk. Dat doet een klein kind al. Onze kleinzoon is drie en daar gaat geen minuut voorbij of hij vraagt: “Waarom? Waarom? Ja, hoe komt dat nou?” Ik heb weleens gelezen van een vader wiens zoontje ook iedere keer de vraag stelde van: “Waarom is dat dan, waarom is dat dan?” Die vader zei iedere keer op de vraag van het kind: “Nou, dat weet ik ook niet jongen, dat weet ik ook niet.” Maar die moeder werd er op een gegeven moment een beetje flauw van en zei: “Laat hem nou eens eventjes ophouden joh.” En toen zei die vader: “Hé joh, laat hem, daar leert hij van.” Ja, zelfs daar wil je van leren. Een mens kan het antwoord niet geven.

Zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: “Rabbi, wie heeft gezondigd?” En dan zijn er eigenlijk twee opties. Aangezien — en dat is eigenlijk de vooronderstelling in de vraag — zonde hier de reden moet zijn, is de vraag: van wie dan? Van hemzelf? Wat een vrij absurde gedachte is, want dan zou hij prenataal gezondigd moeten hebben, of in zijn vorige leven — wat ook een serieuze verklaring is voor deze vraagstelling. Maar goed, óf zijn ouders, óf zijn grootouders, in ieder geval zijn voorgeslacht. Meer smaken zijn er niet: wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?

En dan geeft de Heer Jezus antwoord: “Nóch deze heeft gezondigd, nóch zijn ouders.” Daarmee ontkent Hij niet dat zij op zichzelf gezondigd zouden hebben, maar het is niet de reden dat hij blind is. Het ziet niet terug. Nóch deze heeft gezondigd, nóch zijn ouders, maar opdat de werken van God in hem openbaar zouden worden. Dáárom.

Dus die man — hij was inmiddels volwassen, dat lees je later in de geschiedenis ook, waar zijn ouders zeggen: “Vraag het hem zelf, want hij heeft een leeftijd, hij kan voor zichzelf praten” — is dus tientallen jaren blind geweest. Waarom? Kijk, dat is zo geweldig. Hij was blind… zo moet ik het zeggen: die man werd niet genezen omdat hij blind was, het is precies omgekeerd! Die man was blind, opdat hij genezen zou kunnen worden. Dat was de reden. Hoe zou de Heer zijn ogen kunnen openen als hij niet eerst blind was?

Dat geldt trouwens echt algemeen. Er zit hier zoveel meer aan vast. Want in feite is dit het grote goddelijke antwoord dat ook elders in de Schrift zo luid en duidelijk klinkt op de vraag waarom het kwaad er is. Mensen denken van: “Ja, de zonde…” Lees de boekjes er maar op na. Maar nee, God is God. Hij beschikt de dingen en Hij heeft een plan, en Hij gaat alles welmaken. Maar dat is nog niet eens alles: dat kwade heeft ook betekenis.

God is niet de schuldige van het feit dat die man tientallen jaren blind was. Hijzelf ook niet, logischerwijs, en ook de ouders niet. Maar ook God niet: God is niet de schuldige. Bij het hele idee, als je zegt dat God de auteur is van alle dingen, dus ook van goed en kwaad, vragen mensen: “Dus jij geeft God de schuld?” Nee, geef God de eer! Hij is namelijk degene die maakt dat… Wie is het die blind maakt, en doof en stom? Ja, maar altijd met een doel: opdat de werken van God in hem openbaar zouden worden.

En dat is wat er vervolgens ook gebeurde. Want die geschiedenis is mooi zat en ik raad iedereen aan om dat nog eens te lezen, het is schitterend. Maar het gaat hier natuurlijk om die geweldige waarheid: deze man was blind, jawel, maar er was een reden voor. En God is het die op zijn tijd — Hij excuseert zich niet, maar op zijn tijd gaat Hij het allerbeste voorbrengen. En dan weten we: ah, daarom! Dáárom was het: opdat de werken van God in hem openbaar zouden worden.

Nou, dit bepaalt ons hier gewoon bij. En dat is het einde van deze toespraak, want ik zie dat er inmiddels een uur gepasseerd is. De Bijbelse waarheid lijkt mij duidelijk: Hij is het die beschikt, plaatst en alles tot een onovertroffen einde gaat brengen. Alle eer aan Hem, maar ook aan Hem alleen. Amen.

🎧 een horend oor en een ziend oog


Powered by RedCircle

Delen: