een Goddelijk ‘maar’
16-10-2016 - Geplaatst door Andre PietDen Haag, zondag 16 oktober 2016
Het woordje ‘maar’ voegt twee zinsdelen aaneen en kondigt een zinswending aan. De nadruk ligt per definitie op wat na het ‘maar’ volgt. Zozeer zelfs, dat de volksmond zegt: alles wat je vóór ‘maar’ zegt, kun je vergeten. Hoe gebruiken we het woordje ‘maar’ waar het de dingen van God betreft? Zeggen we: Gods weg is de beste MAAR het leven is soms zo moeilijk? Of zeggen we: Het leven is soms zo moeilijk MAAR Gods weg is de beste? Beide zinnen zijn wezenlijk verschillend vanwege de klemtoon. En is het niet de toon die de muziek maakt?
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie: het Menselijke Gemaar en het Goddelijke 'maar'
- De Onvoorwaardelijke Belofte aan Abraham
- De God Die Doden Levend Maakt (en de Lach van Izak)
- Het Goddelijke 'maar': Gods Woord Boven Menselijk Gevoel
- Ten Volle Verzekerd: Geloof Is Geen Mensenwerk
- Onze Zekerheid Vandaag: de Opstanding van Jezus Christus
Introductie: het Menselijke Gemaar en het Goddelijke 'maar' ↑ hoofdstukken
Goedemorgen vrienden, ik ben heel erg blij dat ik hier weer een keer mag zijn en dat ik ook hartelijk welkom geheten ben door Peter, die toch wel een paar hele heftige weken heeft meegemaakt. Trouwens, jullie hebben ook zulke heftige weken meegemaakt en des te mooier is het dat je hier weer in levende lijve dit alles kan beleven.
Ik wil u vanmorgen eens meenemen naar de Romeinenbrief, Romeinen 4. Ik heb het als titel meegegeven, zoals u dat hier ook kunt zien: een Goddelijk ‘maar’. Ik had het met iemand over de rijkdom van het Woord en hoeveel voorrechten ons ten deel vallen wanneer je Hem mag kennen. En opvallend was toen dat er vervolgens een ‘maar’ klonk. U kent dat wel, we spreken dan over mitsen en maren. Zij hadden het trouwens later zelf over ‘gemar en gemier’, want zo werkt het vaak wel. Want ja, dat woordje ‘maar’ is een heel gewoon voegwoord; er gaan geen vijf zinnen voorbij, stel ik me zo voor, of je gebruikt het woordje ‘maar’ wel. Het wordt dus geen tirade tegen het woordje ‘maar’.
Maar! Daar heb je het dus al. Er zitten wel wat haken en ogen aan dat woord. We moeten heel goed weten hoe het werkt. Taalkundig bekeken is het een voegwoord, zei ik al. Het geeft altijd aan dat er een wending in de zin komt, in de gedachtengang. En daarbij is het bepalend dat de klemtoon altijd komt te liggen op dat wat na het ‘maar’ volgt. Soms heeft het dan ook in de praktijk de functie van een ontkenning van al het voorgaande. Strikt genomen hoeft dat niet, maar zo werkt het vaak wel. Daarom is mij heel dikwijls gebleken dat als iemand zegt: “Ja, maar...”, je dat met het grootste gemak ook kunt vervangen door: “Nee, want...”. Probeert u het maar eens een keertje uit.
Ik was aanvankelijk van plan om een keer een hele lijst van allemaal ‘maars’ in de Schrift op een rijtje te zetten, maar ik bleef steken bij Romeinen 4. Toen dacht ik: waarom zou ik nu zo’n uitgebreide studie doen? Laten we ons concreet beperken tot dat gedeelte, omdat ik daar een heel mooi voorbeeld vind van een Goddelijk ‘maar’. Want je hebt menselijk gemar, maar je hebt ook een Goddelijk ‘maar’. Daar is heel veel van te leren en dat wil ik u vanmorgen graag eens onder de aandacht brengen.
Ik begin daarbij te lezen vanaf vers 17. Dat betekent dus dat er al een flink aantal verzen aan voorafgegaan is. Paulus heeft het hier in Romeinen 4 over de figuur van Abraham. Dat bepaalt ons bij het begin van de Bijbel. Hij leefde weliswaar 2000 jaar na het eerste mensenpaar – daar zit nog een heel tijdvak tussen – maar niettemin: Genesis 12.
De Onvoorwaardelijke Belofte aan Abraham ↑ hoofdstukken
Daar begint de geschiedenis van Abraham. In Genesis 15 lees je die geschiedenis, dat ondanks het feit dat zijn vrouw Sara onvruchtbaar was, Abraham de belofte krijgt. Dat was trouwens al bij de aanvang, toen hij geroepen werd; toen werd hem al gezegd dat in zijn zaad – zo staat het daar heel plechtig – alle geslachten van de aardbodem gezegend zouden worden. Dat was op voorhand al de belofte waarmee hij op reis ging toen hij geroepen werd vanuit het Ur der Chaldeeën. Hij kwam in een land waar hij helemaal niet wist dat hij daar terecht zou komen, en dat land werd hem dan ook beloofd. Alles in zijn leven is doortrokken van belofte, van God die toezeggingen aan hem doet.
Op een gegeven ogenblik – je leest dat in Genesis 15 – wordt hij in de nacht geroepen om omhoog te kijken. Dan zie je een geweldige sterrenwereld. Ik heb zelf die ervaring ooit opgedaan, en wellicht velen van u ook, dat wanneer je in het Midden-Oosten in de nacht omhoog kijkt, je zoveel meer ziet dan wat we hier in de stad waarnemen. Hier wordt alles door kunstlicht nog eens een keertje verduisterd. Leuk hè? Door kunstlicht wordt alles verduisterd. Daar heb je pas echt een idee van die enorme sterrenwereld. En dan spreekt God tegen hem die geweldige woorden: "Zo zal jouw nageslacht zijn."
Dan lees je: "En Abram geloofde God." Er staat in het Hebreeuws eigenlijk een woord dat wij wel kennen, een werkwoord. Er staat namelijk: hij beaamde God. Hij zei amen. En dat betekent: zo is het, op wat God sprak. Dat speelt later in het Nieuwe Testament weer een grote rol, maar het staat al in Genesis 15 vers 6: "En Abram geloofde God en God rekende het hem toe als gerechtigheid." Dat is een wat plechtige manier van formuleren, maar het betekent gewoon dat Abram een rechtvaardige was voor God. Waarom? Hij geloofde. Hij deed niks. Trouwens, God had ook niks van hem gevraagd. Dat is misschien wel de grootste essentie in dit hele betoog, wat Paulus vervolgens in Romeinen 4 optekent.
De clue is: God vraagt niet iets. Abraham hoefde niks te doen, hij hoefde niet te werken. Als je een opdracht krijgt, dan moet je aan de slag. Maar als je een belofte krijgt – hij wordt geroepen, hij gaat omhoog kijken en God zegt: "Zo zal jouw nageslacht zijn" – ja, wat moet je dan doen? Hij hoefde helemaal niks te doen, dat werd ook niet gevraagd. Er werd hem iets toegezegd. Als er al iets gedaan moest worden, dan moest God iets doen. Toch? Belofte maakt schuld. Als God belooft, dan moet Hij iets doen. Dat klinkt wat vreemd als ik het zo zeg, dat God iets moet doen, maar het is wel zo: als God belooft, dan liggen de verplichtingen geheel aan Zijn zijde. Daar gaat het om. God belooft onvoorwaardelijk aan Abraham, zonder dat hij iets hoeft te werken. Abraham geloofde God; God overtuigde Abraham. Daar komen we straks nog even over te spreken.
Dat is de inleiding van Romeinen 4, het voorafgaande aan alles wat aan dit zeventiende vers voorafgegaan is. En dan staat er – en ik val midden in de zin: "...voor het aangezicht van die God in wie hij geloofde." Het gaat over Abraham dus. En wat is die God dan? Dat is de God die de doden levend maakt en het niet-zijnde tot aanzijn roept. Ik zeg er weer eventjes bij voor degenen die dat niet kennen: hieronder ziet u een interlineair. De meesten van u kennen dat fenomeen inmiddels wel. De eerste regel is de Griekse tekst, zoals Paulus die ooit optekende. De onderste regel is de wijze waarop dat vertaald is. Op die tweede regel moet u vooral letten: dat is de meest letterlijke, woord-voor-woord en consequente weergave. Daarin kun je precies zien hoe het is opgetekend, om zo dicht als mogelijk bij het origineel te komen, zoals het er echt staat geschreven. Afijn, Abraham geloofde die God.
De God Die Doden Levend Maakt (en de Lach van Izak) ↑ hoofdstukken
Hij geloofde in de God die de doden levend maakt. Dat moet u trouwens ook goed begrijpen, en we zullen dat straks nog veel duidelijker zien: Abraham was feitelijk een dode. Gewoon in termen van voortplanting waren hij en zijn vrouw doden. Er staat ook dat ze ‘verstorven’ waren. Ze konden namelijk geen nageslacht meer voortbrengen; ze waren in die zin impotent. Ze konden geen nieuw leven voortbrengen en vandaar waren zij dus doden. Maar Abraham geloofde in de God die de doden levend maakt, die over de dood gaat en die sterker is dan de dood. De boodschap dat God sterker is dan de dood, is precies wat maakt dat Hij de levende God is. ‘De levende God’ betekent niet alleen maar dat Hij de God is die leeft, maar het betekent ook dat Hij de God is die levend maakt en die sterker is dan de dood. Feitelijk is dat de hele Bijbelse boodschap: God is sterker dan de dood en daarom heeft de dood ook niet het laatste woord. Hij is de levende God.
Welnu, Abraham geloofde in de God die doden levend maakt. Dat wil zeggen dat ook een verstorven lichaam voor Hem geen probleem is. Hij is de God die het niet-zijnde tot aanzijn roept. Dat wat er nog niet is, dat roept Hij. God zei: "Er zij licht", en er was licht. Dat is wat we hier ook zullen zien. Ik lees even door: "En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd." Dat wil zeggen: tegen alle menselijke verwachting in. U moet eigenlijk ook iets weten over de geschiedenis, want aan Abraham was die belofte gedaan, maar in eerste instantie lees je dat wanneer die belofte niet uitkomt, Abraham denkt: "Dan zal dat wel betekenen dat ik een andere vrouw moet nemen." Je leest dat hij zijn slavin Hagar neemt en bij haar een zoon verwekt. Hij dacht: "Ik zou een vader worden en door mijn zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden; als Sara dan niet in staat is om te baren, dan doen we het op een andere manier, via Hagar." Ik zou zomaar in de verleiding kunnen komen om daar eventjes een ethisch oordeel op te plakken, maar daar gaat het me nu niet om. Trouwens, daar gaat het in de Schrift ook helemaal niet om.
In elk geval lees je later, in Genesis 17 — wanneer ook het teken van de besnijdenis aan Abraham en zijn hele huis wordt gegeven — dat God zegt: "Nee, het is niet Ismaël die uit Hagar geboren is. Nee, niet Ismaël. Het is iemand die zal voortkomen uit jou én uit Sara." En Sara was haar hele leven al onvruchtbaar geweest. Nu was ze bovendien een hele oude vrouw. Het ging haar niet meer ‘naar de wijze der vrouwen’, zo staat dat er. Ze menstrueerde niet meer; ze was de leeftijd daarvoor al ver gepasseerd. Ik wou zeggen: ze was over de datum, maar nee, we moeten wel eerbiedig blijven natuurlijk. Maar hoe dan ook: tegen alle menselijke verwachting in bleef er hoop. Tegen hoop op hoop heeft hij geloofd. Abraham is later, na die hele affaire met Hagar en Ismaël, dus gecorrigeerd. Het is overigens opmerkelijk dat daar in de Bijbel verder nooit meer aan gerefereerd wordt. Als er in het Nieuwe Testament gesproken wordt over gelovigen, wordt er nooit meer gesproken over wat ze hebben misdaan. Nee, daar gaat het niet om.
In die geschiedenis lees je dat hij een vader van vele volken zou worden. Hij heette eerst Abram en toen kreeg hij een ‘H’, een Hebreeuwse letter, aan zijn naam toegevoegd. Dat is eigenlijk een venster, en het staat ook voor het getal vijf. Ook Sarai veranderde; zij werd Sara. Ze kregen beiden de letter ‘H’ aan hun naam toegevoegd. Weet u wat Abraham betekent? Abram werd Abraham, en dat betekent letterlijk: ‘vader van vele volken’. Dat is precies de betekenis van zijn naam. En dat was volgens hetgeen gezegd was, maar dat was al eerder, pakweg vijftien jaar daarvoor. Je leest daar: "Zo zal jouw nageslacht zijn." Daar refereerde ik eerder aan, toen hij in de nacht naar buiten geroepen werd en gewezen werd op de sterrenhemel: "Zo zal jouw nageslacht zijn." Er was op dat moment nog geen enkele menselijke aanwijzing voor, maar God zei: "Zo zal het zaad van jou zijn, als de sterren des hemels."
Dan lees je: "En zonder te verflauwen in het geloof." Letterlijk staat er: "En toch niet zwak zijnde in het geloof", of: "Hoewel niet zwak zijnde in het geloof." En nu komt het eigenlijk heel dichtbij het onderwerp waar ik vooral uw aandacht voor wil vragen. Hij was absoluut niet zwak in het geloof, want God had gesproken. Hij heeft opgemerkt, hij heeft aanschouwd en gezien dat zijn eigen lichaam inmiddels verstorven was. Dat wil zeggen: hij was niet meer in staat om voort te planten, aangezien hij ongeveer honderd jaar oud was. En er staat bij dat ook Sara’s moederschoot was gestorven. Beiden dus. Sara was weliswaar tien jaar jonger, maar goed. In Genesis 17 lees je dat Abraham zich op zijn aangezicht wierp en lachte. Hij zei bij zichzelf: "Zal dan aan een honderdjarige een kind geboren worden? En zal Sara, een negentigjarige, baren?"
Nu kun je natuurlijk zeggen: "Ja, wacht eens even, in het boek Genesis lag dat toch allemaal wel wat anders? Toen bereikten ze immers veel hogere leeftijden." Per slot van rekening werd Abraham uiteindelijk 175 jaar oud. Na de zondvloed zie je, als je de lijn volgt van de leeftijden waarop mensen kwamen te overlijden, een sterk dalende lijn. Voor de zondvloed werden mensen natuurlijk sowieso vele eeuwen oud; dat is onvoorstelbaar in onze huidige perceptie, maar zo beschrijft de Bijbel dat. Maar ook toen ze nog erg oud werden, betekent het loutere feit dat Abraham zegt: "Zal aan een honderdjarige dan een kind worden geboren?", dat hij op dat moment zelf niet meer daartoe in staat was. Dat is een ding dat zeker is. En dat gold voor Sara sowieso; zij was, zoals gezegd, altijd al onvruchtbaar.
Abraham lachte bij zichzelf. Nu zou je kunnen denken dat dit betekent dat hij het niet geloofde, maar die lach is complex. Later lees je over Sara dat zij lachte, en daar klonk inderdaad ongeloof in door, maar hier bij Abraham niet. Dit was geen ongeloof. Abraham lachte omdat hij het opmerkte bij zichzelf: naar de mens gesproken was dit namelijk onmogelijk. Maar als God het zegt, ja, dan zal het wel zo zijn! Dat is lachen. Hij lachte feitelijk hun eigen onvermogen uit. Het is trouwens mooi, want Abraham lachte, en in het Hebreeuws staat er Yitschak. Dat is precies de naam van de jongen die geboren werd. Yitschak is de Hebreeuwse spelling van Izaak, en Izaak betekent: ‘hij lacht’. Dat lachen is heel veelzeggend. Het betekent dat God als het ware lacht om ons onvermogen, maar Hij doet ook Abraham en Sara, verstorven mensen, lachen omdat het leven toch bleek te triomferen. Ze waren verstorven, maar dat betekende niets. Hij lachte.
Ik vind het zo mooi dat al van tevoren tegen Abraham wordt gezegd: "Abram, jij zal Abraham heten, vader van vele volken." Ik moet erbij zeggen dat het nog een hele tijd zou duren voordat Abraham daadwerkelijk bij Sara een kind verwekte, namelijk Yitschak, oftewel Izaak. Dat duurde nog een aanzienlijke tijd. Dat betekent dus dat Abraham al Abraham heette terwijl hij nog bij lange na geen vader was van Izaak. Als Sara hem dus riep voor de maaltijd, dan zei ze: "Vader van vele volken, kom je eten?"
Vader van vele volkeren, dat is de betekenis vanuit het Hebreeuws: vader van vele volkeren. Moet je je voorstellen: iedere keer werd hij, alleen al door die naam, herinnerd aan Gods belofte. Hij zag er helemaal niets van, hij voelde dat ook niet; het enige wat hij had, was Gods verzekering.
En kijk: maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld. Ik lees nog eventjes terug: en hoewel niet zwak zijnde in het geloof, heeft hij opgemerkt dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven.
Als hij naar een bioloog was gegaan of een medicus, dan had die gezegd: "Wetenschappelijk gezien, beste meneer Abraham, gaat u uw naam never nooit waarmaken." En als Sara naar de gynaecoloog was gegaan, dan had ze eenzelfde boodschap gekregen. Kortom, gewoon alle medische kennis, alle wetenschappelijke kennis, alles wat er aan bezwaren in te brengen was, pleitte tegen alles wat Abraham van God vernomen had.
Maar, staat er dan: aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof.
Het Goddelijke 'maar': Gods Woord Boven Menselijk Gevoel ↑ hoofdstukken
En dit is nu dat goddelijke 'maar'. Dat goddelijke 'maar' wilde niet zeggen dat Abraham zijn kop in het zand stak en de menselijke bezwaren niet kende. Dat is het niet. Kijk, daar was het menselijk gevoel. Gewoon gevoelsmatig zullen zowel Abraham als Sara toch vaak bij zichzelf te rade gegaan zijn en gedacht hebben: hoe is het mogelijk? Of de menselijke waarneming, de menselijke conclusies, de menselijke wetenschap... al die bezwaren waren er. En Abraham heeft dat ook gewoon opgemerkt.
Maar aan de belofte van God... ziet u, aan de belofte van de God. Mooi is dat, weer dat bepaalde lidwoord: de God. Wel, God is degene die alles beschikt en Hij spreekt. Hij zegt: "Jij Abraham, jij honderdjarige impotente man, echtgenoot van een vrouw die altijd al onvruchtbaar is en nu negentig jaar is, jullie zullen ouders worden van een kind. En jullie zullen inderdaad zoveel zaad zien — dat wil zeggen, zoveel nageslacht — als de sterren des hemels." De mens mag dan zeggen dat dit helemaal niet kan; bezwaren plenty. Ze waren er genoeg, van alle kanten.
Het menselijk gevoel pleit ertegen. Sommige mensen denken — ik refereerde zojuist aan het begin even aan dat gesprek dat ik van de week had — dat gevoel een heel lastig ding is. Daar hebben we allemaal mee te maken en de één is daar misschien gevoeliger voor dan de ander. Dat hangt er een beetje van af. Andere mensen, als je niet zo gevoelsmatig bent ingesteld, hebben juist vaak weer de gevaren van het rationalisme, waarbij de rede vaak gaat overwoekeren. Maar goed, mensen zeggen vandaag — en ik denk dat het ook erg in de lucht hangt: je moet doen wat je voelt. Al die ingevingen van een mens; het gevoel is zo belangrijk. En dan kun je zeggen: "Ja, die Bijbel is wel rijk, maar ik voel er helemaal niets van." Mensen denken dan dat als ze zo'n bezwaar uiten, er echt wat mis is. Herkent u wat ik nu zeg? "God heeft gesproken, maar ik voel het niet." Nee? En? Valt er wat te voelen dan? Nou ja, natuurlijk, Abraham heeft daarna ook nog heel wat meegemaakt, maar gevoelens die gaan zo en zo. Daar kun je geen peil op trekken.
Zo werkt het toch? Dat is ook wat eigen is aan gevoelens. Ik vind het altijd mooi dat ons woord emotie verwant is aan het Engelse woord voor 'motion', en dat betekent beweging. Gemoedsbewegingen. Het gaat allemaal als de golven van de zee; daar kun je nooit van op aan. Gevoelens zeggen niets. Er was maar één ding dat hier in dit voorbeeld telde, en daarom is Abraham dat voorbeeld van geloof: God heeft gesproken. En dat was volstrekt onmiskenbaar voor Abraham. Voor ons is het niet anders: er staat geschreven. Al deze bezwaren mogen dan tot je dienst zijn, maar aan de belofte van God heeft hij niet getwijfeld. Kijk, de belofte van God had het laatste woord. Dat moet je goed realiseren als je het woordje 'maar' gebruikt. De nadruk en het accent liggen altijd op wat na 'maar' volgt. Dat is heel subtiel. Als mensen zeggen: "Ja, het Woord is rijk, maar ik voel er helemaal niets van," keer het dan eens een keer om: "Ik voel er helemaal niets van, maar het Woord is rijk." Qua informatie zeg je exact hetzelfde, maar het is met recht de toon die de muziek maakt. Het één verlegt de focus naar de mens: "Ik voel er niets van." Het ander erkent dat wel, maar stelt: Gods Woord, dat is bepalend.
Kijk, en dat is het 'maar' in Abrahams leven. Natuurlijk zijn die bezwaren er. Honoreer ze, maar God heeft het laatste woord. En dat geldt zo dikwijls. Als je juist dat woordje 'maar' hoort, wees dan op je hoede. Dan moeten de waarschuwingslampjes gaan branden. Want wat gaat nu de nadruk krijgen? De mens en het onvermogen van de mens, of datgene wat God wél bij machte is te doen? Maar aan de belofte van God heeft Abraham niet getwijfeld, hoewel hij inderdaad de bezwaren zag. Hoewel hij zag aan zijn eigen lichaam: het kan niet. Hoewel hij zag bij Sara: evenmin van haar kant. Dat heeft hij allemaal overwogen, maar aan de belofte van God heeft hij niet getwijfeld. Er staat letterlijk: er werd niet getwijfeld in het ongeloof. Dat is mooi, dat woord twijfel. Daar zit het woordje 'zwei' in — dat is trouwens Duits — van verdeeldheid. Iemand die twijfelt, die hinkt op twee gedachten, soms nog meer. Maar in ieder geval heb je dan de elementen. Zeg je: "God heeft gesproken, maar..."? Of zeg je: "Er zijn allemaal bezwaren tot je dienst, maar God heeft dit gezegd"? Dat laatste is het laatste woord. Dat is geen twijfel, dat is geloof.
En zo was het bij Abraham. Er werd niet getwijfeld in ongeloof. Dat wat God gesproken had, had het laatste woord bij Abraham. Hij werd versterkt in zijn geloof; hij werd bij machte gemaakt in geloof. Ik dacht vroeger altijd toen ik dit las: hij werd versterkt in zijn geloof, dat wil zeggen dat hij een steeds sterker geloof kreeg. Nee, er staat uiteindelijk dit: hij werd bij machte gemaakt in het geloof. Abraham geloofde God. God had gezegd: "Door jou en Sara zal er nieuw leven voortgebracht worden." De naam was waarschijnlijk al gezegd, namelijk Yitschak. Hij zou lachen. Vreugde! De lange neus naar de dood. Alle menselijke bezwaren, berekeningen, conclusies en emoties doen er niet toe: God heeft gesproken. En dat geloof heeft Abraham met recht potentie gegeven. Wij gebruiken het woord potentie natuurlijk ook in die betekenis, niet alleen in de seksuele zin van het woord. Abraham was verstorven, maar Abraham geloofde in opstanding. En dat vind ik wel mooi als we het over dit begrip hebben — en ik wil gewoon heel netjes blijven — maar Abraham heeft de opstanding aan den lijve ondervonden en daardoor nieuw leven voortgebracht.
Ik vind het zo'n prachtig voorbeeld hoe Abraham zoveel duizend jaar geleden al in type, in zijn eigen lichaam, heeft ervaren wat opstanding is en waardoor God nieuw leven voortbrengt. Vanuit de christelijke traditie wordt er natuurlijk vaak over seksualiteit gepraat in de trant van: "Ja, dat moet dan maar, maar eigenlijk is dat niet van God." Wat natuurlijk absurd is. Want als er één is die dat bedacht heeft, dan moet je bij Hem wezen: de Schepper van alle dingen. Hij heeft mannen en vrouwen gemaakt, mannelijk en vrouwelijk, en de seksualiteit. En daarin is een geweldig type neergelegd, een symboliek, een embleem van hoe God door liefde en door eenwording nieuw leven voortbrengt. En dat doet Hij door opstanding. Inderdaad, dat is precies wat de natuur uitbeeldt. En dan zie ik: de God van dit Woord is dezelfde als Degene die hemel en aarde, en ons mensen als mannen en vrouwen, en de seksualiteit en alles wat erbij hoort, heeft gemaakt en bedacht. Zo is het. Daar gaat de sprake van uit. Abraham werd in geloof... God had beloofd: "Uit dat verstorven lichaam ga Ik nieuw leven voortbrengen." Abraham heeft geloofd en hij werd bij machte gemaakt. Potent dus. En hij gaf daarmee God de eer. Dat wil zeggen: in geloof zei hij: "Alle bezwaren die er zijn, prima, maar God heeft gesproken." En dat is het goddelijke 'maar'. Gevende God de heerlijkheid. De grootste eer die een mens God kan bewijzen, is Hem op Zijn Woord te geloven. Meestal wordt er gezegd dat je moet doen wat Hij zegt, maar als het gaat om Gods belofte, valt er helemaal niets te doen. Dat mag je geloven. En let eens op wat er dan gebeurt, want er staat nog bij: "in de volle zekerheid." Daarom vind ik het zo mooi om die interlineair eronder te hebben, om dan even de puntjes op de i te zetten.
Ten Volle Verzekerd: Geloof Is Geen Mensenwerk ↑ hoofdstukken
Maar er staat ook: 'ten volle verzekerd zijnde'. Dat staat in een specifieke taalkundige vorm, namelijk in de passieve vorm. Dat wil zeggen: hij wás ten volle verzekerd. Dat is een passieve vorm. "Ik ben zeker", dat is een actie, iets wat ik ben. Maar als ik "verzekerd ben", dan is mij zekerheid gegeven. Dat overkomt je. In die vorm staat het hier. Abraham was ten volle verzekerd; God had hem verzekerd. Abraham geloofde God, maar zelfs dat geloof dat Abraham had, was geen werk van hem of iets van hemzelf. Nee, God had hem overtuigd.
Trouwens, dat is in het algemeen zo: geloven kun je helemaal niet op commando. Je kunt iemand niet vertrouwen op commando. Iemand overtuigt je, en als je overtuigd bent, dan zeg je: "Het is waar." Maar dat is iets wat je overkomt; dat is de kracht van Zijn woord. En Abraham was verzekerd. Hij had zekerheid gekregen. God had Abraham overtuigd. Daarom was het feit dat Abraham God beaamde niet Abrahams werk.
Dan kun je natuurlijk de vraag stellen: "Is er dan helemaal niks van een mens bij?" En het antwoord is: precies, er is niks van een mens bij. Daar gaat eigenlijk dat hele hoofdstuk Romeinen 4 over. God belooft, God overtuigt. Het is Zijn woord en Abraham gaf de eer. En dat is het allermooiste. Dat betekent dus ook dat God alle eer krijgt. Want als de mens iets doet, dan is er ook nog wat eer van onze kant in te leggen. Maar dat is het niet. "Alle roem", zingen we dan, maar dat is vaak vroom gepraat omdat we het niet echt geloven. Dan zeggen we: "Ja, alle roem is uitgesloten", maar... nou, dan weet je het alweer. Over geloof denken we vaak niet echt dat alle roem is uitgesloten. Maar nee, het is volstrekt uitgesloten. God belooft, God doet het, God zal het doen. En dat is nou precies wat geloof is: die zegt daarop "amen". Dat is het, dat is de waarheid.
Dat gaf Abraham ook precies die kracht. Abraham was verzekerd. Abrahams geloof was Gods werk. "Ten volle verzekerd zijnde dat Hij, God, bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen." Dat is toch mooi? Een God te kennen die werkelijk God is en dat wat Hij belooft ook niet alleen maar de intentie heeft om dat te doen, maar dan weer afhankelijk is van allerlei factoren. U weet wel hoe dat in de politiek gaat bij verkiezingen. Bij presidentsverkiezingen worden beloften gedaan, maar die beloften kunnen ze niet waarmaken. Waarom? Omdat er zoveel andere factoren zijn die het zo'n machtige president onmogelijk maken om dat te doen wat ze ooit gesproken hebben. Dan zouden ze het dus ook niet moeten beloven, maar dat is het probleem met menselijke beloftes.
Je doet een belofte of een gelofte, maar je bent niet in staat dat gestand te doen. Zelfs al is je intentie goed, er kunnen altijd factoren zijn waardoor je het gewoon niet waar kunt maken. Als ik zeg: "Ik beloof dat ik morgen 500 euro kom brengen", dan kan mijn intentie goed zijn, maar als ik vanavond mijn laatste adem uitblaas, dan kan ik het niet meer doen. Ik bedoel: ik ben niet machtig om dat te doen, afgezien van het feit of ik dat geld dan wel heb. Dat is de menselijke onmacht.
Maar Hij is God en Hij kent geen onmogelijkheid. Dat was ooit ook tegen Abraham gezegd: "Zou voor de Heer, zou voor Yahweh iets onmogelijk zijn?" God kent geen limits. Dat wat Hij voornemens is, dat doet Hij gewoon. Hij heeft de mens niet nodig. Dat dacht Abraham ooit ook: "Nou ja, ik moet God nu een handje helpen, laten we het maar zo doen." Nee, dat bleek een misverstand te zijn; Abraham werd daarin gecorrigeerd. Maar Abraham werd verzekerd, ten volle verzekerd dat God bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen.
En dan staat er: "Daarom ook werd het hem gerekend tot gerechtigheid." Dat wil zeggen: daarom was Abraham voor God een rechtvaardige. 'Gerekend tot gerechtigheid' betekent niet dat er iets administratiefs overgeboekt werd op zijn rekening. Nee, Abraham was een rechtvaardige. Weet je waarom? Omdat Abraham God werkelijk de eer gaf. Hij doet het, Hij doet alles. En dan ben je in de rechte verhouding tot God; dan ben je een rechtvaardige. Je vertrouwt Hem gewoon restloos: "Heer, U bent goed en U bent in staat om Uw woord waar te maken."
Dat is dus niet zomaar een rijtje dogma's onderschrijven. Ik denk dat heel veel van wat voor geloof doorgaat, helemaal geen geloof is, maar juist vaak zelfs het wantrouwen van God. Mensen worden in evangelisatiebijeenkomsten opgeroepen om een keuze te maken. En waarom? Om eigenlijk een verzekering af te sluiten voor hun eigen toekomst. Want anders loopt het niet goed met je af en eindig je in hel en verdoemenis. Is dat vertrouwen? Als u het mij vraagt, is het het tegenovergestelde. Het is wantrouwen van God. Je maakt een keuze vanuit wantrouwen. Die God kan ik niet vertrouwen, want Hij heeft Zijn eigen schepselen niet echt in de hand. Hij maakt niet alle dingen wel, Hij laat de werken van Zijn handen varen. Ik ben wel een schepsel van Hem, maar uiteindelijk loopt het helemaal slecht voor mij af en daarom moet ik maar gaan geloven.
Dat is geen geloof. Geloof wil zeggen: "God, U bent te vertrouwen. Ik ben het werk van Uw handen, dat laat U niet los. U hebt mij lief, restloos, zonder enige prijs en zonder enige voorwaarde. Ik kan daar niks aan afdoen, ik kan daar niks aan toedoen. Dat is een feit." Kijk, dat is vertrouwen. U bent werkelijk te vertrouwen; dat is geloof. En dat is wat God ook rekent tot rechtvaardigheid. Dat geeft Hem de eer.
Onze Zekerheid Vandaag: de Opstanding van Jezus Christus ↑ hoofdstukken
Er staat nog bij, mocht je denken dat dit alleen maar geschiedenis is die over Abraham van vierduizend jaar geleden gaat: nee, zegt Paulus. Het werd echter niet om zijnentwil alleen geschreven dat het hem werd toegerekend, maar ook om onzentwil, aan wie het zal worden toegerekend. Wij zijn het die ons geloof vestigen op Hem — dat wil zeggen: op God — die Jezus, onze Heer, uit de doden opgewekt heeft.
Met andere woorden: het was ooit Abraham die God geloofde, de God namelijk die de doden levend maakt. Wel, is het voor ons vandaag anders? Wij geloven toch ook in de God die de doden levend maakt. Tweeduizend jaar geleden werd de beloofde Messias, het zaad van Abraham, uit de doden opgewekt. Hem, die Jezus onze Heer uit de doden opgewekt heeft. Hij lag daar drie dagen dood en God heeft Hem opgewekt.
Dus dat is dezelfde God. Dat is trouwens ook het zaad van Abraham. Dat geloof van Abraham was dus feitelijk exact hetzelfde als het geloof dat Paulus predikte. We geloven in die God die de doden levend maakt. En de Eersteling — want dat is Christus Jezus — is inmiddels levend gemaakt. Dat is trouwens ook de garantie dat de dood volledig overwonnen en tenietgedaan wordt. Maar die God, die geloven wij, zonder mitsen en maren. Amen.
UltimateGoodNews