de verborgenheid achter Pinksteren
24-05-2026 - Geplaatst door Andre PietEpe
De Bijbelse hoogtijden vallen uiteen in twee groepen: de feesten van de eerste maand verwijzen naar Christus’ eerste komst, die van de zevende maand naar zijn wederkomst. Opvallend genoeg ligt Pinksteren daar precies tussenin — als uitbeelding van Gods werk in de huidige tijd waarij Hij zich een volk van eerstelingen uit de natiën verzamelt. Wat op de Pinksterdag zelf nog verborgen bleef, werd pas later door de apostel Paulus onthuld: de identiteit van dit volk als “de ekklesia die Zijn lichaam is”.
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
- Introductie op de Ware Betekenis van Pinksteren
- De Drie Voorjaarshoogtijden: Christus' Eerste Komst
- De Drie Najaarshoogtijden: Christus' Wederkomst
- Het Wekenfeest: de Verborgen Tijd Tussen de Twee Komsten
- De Betekenis van de Twee Gezuurde Broden
- Wanneer Is de Ecclesia Werkelijk Begonnen?
- De Tussenmuur Weggebroken: Jood en Heiden Verenigd
- Christus als Fundament en de Rol van de Apostelen
- De Verborgenheid van de Ecclesia Geopenbaard aan Paulus
- Ingelijfd in Christus: een Heerlijk Vooruitzicht voor Allen
Introductie op de Ware Betekenis van Pinksteren ↑ hoofdstukken
Een hele goede morgen, ook van mijn kant. Lieve mensen in Epe, het is alweer een tijdje geleden dat we elkaar getroffen hebben, maar ik ben blij dat ik vanmorgen in jullie midden mag zijn op deze stralende Pinksterdag. We gaan mooie dingen met elkaar bespreken; een geweldig thema.
Het kan niet missen: het is vandaag Pinksteren. Het is wel interessant – Gerard begon zojuist met een quiz – om je eens af te vragen: waar komt dat eigenlijk vandaan? Als ik u bijvoorbeeld vraag: wat was nu de eerste Pinksterdag? U zegt: “Vandaag is het toch Eerste Pinksterdag?” Nee, het is niet vandaag de Eerste Pinksterdag. Maar als ik u nu zou vragen: wat was de éérste Pinksterdag? Het regent geen antwoorden. Dat is waarschijnlijk omdat u nattigheid voelt en denkt: “Als ik het zeg, dan gaat hij me weer tegenspreken, dus dat gaan we niet doen.” Dat begrijp ik wel.
Laat ik het zo zeggen: mijn inschatting is dat de meeste mensen zullen denken dat de eerste Pinksterdag de dag was die beschreven wordt in Handelingen 2. De dag, vijftig dagen na de opstanding van Jezus Christus, dat de discipelen – honderdtwintig man – daar vergaderd waren en dat de geest op hen neerviel en over hen werd uitgestort. Heel demonstratief, met het geluid van een geweldige windvlaag en vlammen van vuur die zich op hen zetten. Er vond een talenwonder plaats en de menigte was daar enorm over verbaasd, waarna Petrus een toelichting gaf over wat daar allemaal plaatsvond. Wat daar in die tijd werd waargenomen, was echt zichtbaar; de geest kwam werkelijk over hen. Dat was inderdaad de Pinksterdag, althans de bekendste.
Dat neemt niet weg dat Pinksteren afgeleid is van een inzetting die God al pakweg 1500 jaar eerder had gegeven, namelijk bij de wetgeving, toen Hij Zijn kalender gaf aan Israël: de hoogtijden van Yahweh. Er is een heel hoofdstuk in de Bijbel daaraan gewijd, Leviticus 23, waarin dat systematisch en in chronologische volgorde uiteengezet wordt. Er wordt verteld hoe dat allemaal in elkaar steekt. Ik ben daar het afgelopen seizoen heel intensief mee bezig geweest, mag ik wel zeggen. Het is voor mij altijd al een heel intrigerend thema geweest, maar juist het afgelopen seizoen heb ik daar een hele serie studies over gegeven in Capelle aan de IJssel. Het staat me dus eigenlijk nog allemaal helder voor de geest.
Het is misschien goed om even een korte introductie te geven over wat die Pinksterdag nu eigenlijk is, ook in verband met de andere hoogtijden die God heeft gegeven. Ik zeg “hoogtijden”, want meestal worden het “feesten” genoemd. In het Hebreeuws heet dat de Moadim. Dat is een bekend Joods begrip en het betekent eigenlijk: de afgesproken data, de afgesproken tijdstippen. God heeft bepaalde data vastgelegd in Zijn kalender en Israël zou die onderhouden. Het zijn dagen waarop God heeft vastgelegd dat men iets zou gedenken of vieren. Soms wordt een kalenderdag daarvoor vastgesteld en soms een specifieke weekdag.
Laat ik ze eens op een rijtje zetten, heel illustratief aan de hand van de Menorah. Dat is ook zo’n embleem dat overigens niet in Leviticus 23, maar in Leviticus 24 wordt beschreven. Het is een soort gestileerde amandelboom met aan beide kanten drie armen. In totaal zijn het, als je de middelste ook meerekent – en daar gaat het vanmorgen vooral over – zeven hoogtijden. Ik wil ze graag eens op een rijtje zetten, want het is namelijk heel eenvoudig te onthouden hoe dat in elkaar steekt. Vooral als je eenmaal weet waar het betrekking op heeft, dan kan het helemaal niet meer missen. Ik ga het u in dit opzicht, denk ik, heel makkelijk maken.
De Drie Voorjaarshoogtijden: Christus' Eerste Komst ↑ hoofdstukken
Kijk, je hebt drie hoogtijden in de eerste maand. In de maand Nisan, ook wel de maand Aviv genoemd; dat betekent eigenlijk gewoon de lentemaand. In de eerste maand van het jaar, dat is een voorjaarsmaand, dat is dus ergens in maart of april. Er zijn drie hoogtijden in die maand en die zijn inmiddels allemaal vervuld in het verleden, in de eerste komst van Christus — of het eerste deel van zijn komst, dat hangt er vanaf hoe je het wil formuleren. Maar in ieder geval zijn die allemaal vervuld en ik kan het ook heel eenvoudig even laten zien zonder ze uiteraard uitgebreid te gaan bespreken.
Op de veertiende van die maand Nisan of Aviv werd het Pascha gehaald en dan werd er een lam geslacht. En het is uitgerekend op die dag dat de Heer Jezus Christus als het Lam Gods is gestorven en geslacht. De Bijbel verwijst er op allerlei manieren naar en Paulus zegt dan triomfantelijk in 1 Korinthe 5 dat ook ons Pascha is geslacht: Christus. Zelfs als je dit niet zou kennen, dan zou je dat op voorhand al kunnen voorspellen. Ja, dat moet dan op de dag geweest zijn die God daarvoor speciaal had gereserveerd. En dat is ook zo: Christus vierde het Pascha op de veertiende. Hij is daar dus werkelijk de vervulling van, van die inzetting.
Vervolgens begon een dag later het eigenlijke feest van de Ongezuurde Broden. Dat duurde dan een week lang. Dat was op de vijftiende en het was de eerste dag dat de Heer Jezus in het graf lag. Dus op de veertiende stierf Hij en vervolgens op de vijftiende begon het feest. Dat was trouwens ook de reden waarom de Joodse autoriteiten zoveel haast hadden met het kruisigen van de Heer Jezus, want het moest voor het feest allemaal afgerond zijn. Dat wordt ook in de evangeliën diverse keren beschreven. Dus op die dag, dat was de dag dat Hij in het graf lag, voor de eerste dag dus. Ik bedoel in totaal: Hij stond op de derde dag op, maar dit was de dag waarin eigenlijk zijn dood ook gemarkeerd wordt.
En dan vervolgens, en daarvoor wordt dan weer geen datum gegeven maar wel een weekdag: dat moest zijn op de dag na de Sabbat. Dat wil zeggen: de Sabbat, onze zaterdag, en de dag daarna zou de dag zijn van de Eerstelingschoof. En dan moet u weten: er zijn verschillende oogsten. Eigenlijk zijn al die hoogtijden ook oogstfeesten, oogsthoogtijden. Allemaal zijn ze gelinkt aan het binnenhalen van de oogst. Dat zullen we ook in de feesten zien die later in het jaar gehouden worden; allemaal houden ze verband met de oogst en in dit geval met de gersteoogst. De eersteling van de gersteoogst, die werd dan aangeboden aan God door de priester en die werd dan bewogen. Die schoof van eerstelingen op die dag — want het gaat vooral om de datum — op die dag dat de Eerstelingschoof werd aangeboden, daags na de Sabbat, zo heet dat dan in de Bijbel. Dat is de dag dat de Heer Jezus Christus, het ware Pascha, opgewekt werd uit de doden. We hebben er zojuist ook over gezongen: Hij werd opgewekt door zijn God en Vader uit de doden als Eersteling.
En dat betekent in de Bijbel ook: ja, als ik zeg ‘eerste’, dan betekent dat ook dat er meer volgt. En de rest zal volgen. En die rest, dat is heel de mensheid. Zoals allen sterven in Adam, zo zullen in Christus ook allen worden opgewekt. En dan zegt Paulus erbij in 1 Korinthe 15: maar ieder in zijn eigen rangorde. Christus als Eersteling. En dan gebruikt Paulus precies dat woord wat in de Septuagint, in het Oude Testament, ook gebruikt wordt voor de Eerstelingschoof. Dus de link is onbetwistbaar en Hij verrees op die dag. God heeft data, heeft zijn hoogtijden vastgelegd, heel specifiek. Dan zullen jullie dat gedenken, omdat het allemaal profetisch is.
De Drie Najaarshoogtijden: Christus' Wederkomst ↑ hoofdstukken
Vervolgens heb je ook nog eens drie hoogtijden in de zevende maand. Als de hoogtijden in de eerste maand betrekking hebben op Zijn eerste komst – en dat is inmiddels vervuld – dan kun je je eigenlijk al voorstellen, als je een klein beetje de Bijbelse gedachtengang kent, dat die drie hoogtijden in de zevende maand betrekking moeten hebben op de voltooiing van Zijn komst, of zo u wilt: op Zijn wederkomst.
Inderdaad zullen die vervuld worden, want hoewel het de komende tijd binnenkort is, wacht dat nog op een vervulling. Dat zal gebeuren als Christus zal terugkeren. Het eerste wat je dan leest, vindt plaats op de eerste van de zevende maand. In het Jodendom is dat ook nieuwjaarsdag, maar laat ik daarover nu niet te veel in details treden. Dan moet u die studies die ik in Capelle heb gehouden nog maar eens een keertje naluisteren. Het is zo ontzettend boeiend, echt. Als je kennisneemt van die dingen, dan verwonder en verbaas je je telkens weer over hoe accuraat God de dingen voorzegt en daarmee ook Zijn eigen Woord verklaart en bewijst.
We staan op solide grond. Het zijn niet alleen maar mooie dingen en het is niet alleen maar een goed bericht, maar het is ook echt een bericht; dat wil zeggen: het is een mededeling van feiten. Op die grond staan we en dat maakt het echt tot een goed bericht. Wat een blijde tijding!
Als Hij terugkeert, zal dat zijn wanneer Hij voor Zijn volk verschijnt met bazuingeschal. Dan zal Hij Zijn volk ook verzamelen; daar dient dat bazuingeschal trouwens ook voor. En als u het mij vraagt, zal dat inderdaad gewoon weer zijn op 1 Tishri. Enige dagen later, op de tiende van die maand, heb je Yom Kippur, de Grote Verzoendag. Ook dat zal in de toekomst werkelijk zijn vervulling gaan krijgen. Dat kan niet missen, natuurlijk weer op de daarvoor aangewezen datum. Ik ga dat nu uiteraard niet helemaal bespreken, maar het gaat er even om een idee te hebben van hoe dat zit.
Nog weer vijf dagen later heb je opnieuw een feest van een week lang: Sukkot, het Loofhuttenfeest. Dat heeft ook alles te maken met dat Messiaanse Rijk en de volkeren die dat dan gezamenlijk zullen vieren. Hoe dan ook, je hebt dus een groep hoogtijden in de eerste maand die betrekking hebben op de eerste komst van Christus, en een drietal hoogtijden in de zevende maand die betrekking hebben op Zijn wederkomst. En dan heb ik…
Het Wekenfeest: de Verborgen Tijd Tussen de Twee Komsten ↑ hoofdstukken
Er is één feest dat we nog niet hebben genoemd en dat is precies het feest dat in het midden zit. Dat wil zeggen, de middelste hoogtijd, zoals die wordt beschreven in de derde maand. Ook daarvoor wordt trouwens geen datum genoemd, maar men moest tellen. Men moest vijftig dagen tellen: zeven maal zeven dagen en daarna de vijftigste dag. Pinksteren betekent ook ‘vijftigste’.
Dus vanaf de dag van de Eerstelingschoof, vanaf de dag dat de Heer Jezus Christus is opgestaan, moest men vijftig dagen tellen. En op de vijftigste dag is het dan wat in het Jodendom meestal, en in de Bijbel trouwens ook, het Wekenfeest wordt genoemd. Zeven maal zeven dagen, zeven kwadraten, en daarna krijg je de vijftigste dag. Ik kom er straks nog even op terug.
Maar waarop zou dat feest nu betrekking hebben? Stel dat je nergens van weet en je ziet nu dit overzicht van die hoogtijden. Je weet dat die eerste drie feesten allemaal betrekking hebben op de eerste komst. De andere hoogtijden hebben betrekking op Zijn wederkomst. Waarop zou dat feest dat daartussenin ligt dan betrekking hebben? Ja, op dat wat God doet tussen de eerste komst en de wederkomst van Christus. Het staat dus op voorhand model. Ik ga het straks wat duidelijker maken en illustreren aan de hand van wat er op die dag plaatsvond, maar als je gewoon het schema neemt, dan is dit een inkoppertje. Je weet gewoon: oh, dit moet dan daar ook betrekking op hebben. Het is allemaal zo perfect in lijn, zo mooi systematisch en chronologisch geplaatst.
Pinksteren heeft te maken met dat wat God doet tussen de eerste komst en de wederkomst. Ik wil ook laten zien dat de Pinksterdag — en als ik nu zeg ‘de Pinksterdag’ bedoel ik ook even de bekendste, om mee te gaan in het spraakgebruik, wat in Handelingen 2 beschreven wordt — typologisch staat voor wat God vandaag doet. Hij verzamelt Zich in onze dagen een volk uit de natiën. Dat is waar de Pinksterdag van spreekt. Dat wist men op de Pinksterdag zelf nog niet eens; hoe dat precies in elkaar steekt, zou pas later geopenbaard worden. De echte geheimen daarachter komen we niet alleen in Efeze 1 tegen, waar Paulus dat bekendmaakt, maar ik ga u straks ook nog meenemen naar Efeze 3.
Overigens moet ik er nog even bij zeggen — dat vergat ik zojuist — dat wat betreft de oogsten in de eerste maand de gersteoogst werd binnengehaald, en zeven weken later was ook de tarweoogst binnengehaald. Dat is iets later. Pinksteren heeft dus vooral met de oogst van de tarwe te maken. Zoals in de zevende maand, dat is ergens in september of oktober, ook de olijfoogst en de druivenoogst binnengehaald zijn. Die zevende maand heeft dus weer betrekking op die oogsten.
Ik wil nog wat duidelijker aantonen hoe de Pinksterdag inderdaad spreekt van wat God doet in onze dagen. En als ik zeg ‘onze dagen’, dan bedoel ik gewoon de tijd tussen de eerste en de tweede komst van Christus. Als je het mij vraagt, zijn dat ongeveer tweeduizend jaren. In die periode doet God dat werk. Ik wil dat laten zien aan de hand van de bepalingen die God heeft gegeven; de dingen die Hij heeft vastgelegd over wat men zou doen op de Pinksterdag. Dat is een heel uitgebreid verhaal, maar ik wilde het kortweg even aanstippen, zodat het duidelijker wordt waarom die Pinksterdag zo’n prachtig type is van wat God vandaag doet. Voorafgaand aan Zijn voltooiing en voorafgaand aan Zijn terugkeer, waarbij Israël op zijn plaats gezet wordt en alle volkeren daaromheen daarin zullen delen, vindt er een oogst plaats.
Het eerste is: het is dag vijftig. Dan kom je natuurlijk al heel gauw terecht in de symboliek. Zeven is in de Bijbel het getal van de volheid; dat is vrij algemeen bekend. Je hoeft geen grote kenner van Bijbelse symboliek te zijn om dat te weten. In het Hebreeuws betekent ‘zeven’ ook gewoon volheid. Het is simpelweg een woord. Voor ons is het misschien niet zo logisch, maar in het Hebreeuwse denken zeg je als je ‘zeven’ zegt ook ‘volheid’ of ‘voltooiing’. Het is het getal van de volheid en zeven maal zeven is zeven in het kwadraat, dat is negenenveertig. Daarna krijg je de vijftigste dag, en dat spreekt eigenlijk van wat voorbij de voltooiing en de volheid is. Het spreekt van overvloed, want als iets vol is en het gaat daar voorbij, dan krijg je overvloed. Dan stroomt het over; die is ook wel mooi.
Het heeft ook te maken met de nieuwe schepping. God werkt een plan uit gedurende duizenden jaren. Zesduizend jaar ploetert de mens en dan is het zevende millennium, de duizend jaren, de grote Sabbatsmiddag. Ik geloof dat dit heel aanstaande is. Als dat voorbij is, dan krijg je een nieuwe schepping, een hele nieuwe fase. Daar spreekt die vijftig ook van.
Men moest dus kijken op de dag van de Eerstelingschoof; dat was de eerste dag van die periode, de omertelling. Dan begint men vijftig dagen te tellen. Echt letterlijk. Men moest dagen tellen, men moest ook de sabbatten tellen. Er was dus niet een datum vastgelegd in de zin van: op die datum moet je dat doen. Nee, men moest gewoon dagen tellen en op de vijftigste dag… dat is per definitie op een zondag. Je telt namelijk vanaf de dag na de zondag. Bent u er allemaal nog? Kijk het maar eens na, maar dat kan niet anders. Als je begint op de zondag en je gaat vijftig dagen tellen, dan is de vijftigste dag opnieuw weer een zondag.
De Betekenis van de Twee Gezuurde Broden ↑ hoofdstukken
Hoe dan ook, daar ging de priester op de vijftigste dag met twee gezuurde broden. Die werden dan als een spijs overgebracht aan God. Dat is heel eigenaardig, want normaal had zuurdesem geen enkele rol in de offerdienst. Als iets aan God wordt aangeboden, dan is het per definitie ongezuurd. Het zuurdesem is in de Bijbel eigenlijk altijd een beeld van bederf. Als iets bederft, dan wordt het zuur. En ongezuurd brood, dat bederft niet. Die matzes, weet u wel, die kunt u heel lang bewaren en het blijft goed. Of u het lekker vindt, dat is weer een ander verhaal, maar het bederft niet. Gewoon brood wel. Gewoon brood rijst, dat gist. Eigenlijk is gist niks anders dan deeg van de vorige dag — van gisteren dus. “Gisteren” en “gist”, die woorden hebben samenhang; dat is niet voor niks.
Maar die twee gezuurde broden spreken eigenlijk ook van een dubbelheid uit de oude omschrijving. Laten we het zo gewoon zeggen: God verzamelt Zich een volk en dat volk bestaat eigenlijk ook uit twee afkomsten, namelijk uit de besnijdenis en uit de voorhuid. Dit zijn hele technische termen hoor, maar het betekent in de praktijk gewoon: uit het Joodse volk en uit de natiën, of uit de heidenen zoals u wilt. Het maakt me eigenlijk even niet uit, als u maar begrijpt wat ik bedoel. En dat is één volk. Dat zijn mensen, en daar zit het zuurdesem in, maar het is wel gebakken. Dat wil zeggen: het blijft niet rijzen.
Die twee gezuurde broden werden dan door de priester bewogen. Het was een beweegoffer, of een wuifoffer in een andere vertaling. Ik noem het altijd een zwingende priester — geen zingende priester, al deed hij dat misschien ook wel. Dat is een uitbeelding van leven. In feite, als iets beweegt, dan weet je dat het leeft. Dat vind ik wel grappig, want op de eerste Pinksterdag was er een geluid van een geweldige windvlaag. Dat is ook weer die beweging. De Geest brengt leven en doet bewegen. En dat was trouwens ook al het geval met die eerstelingschoof. Die werd ook bewogen. De eersteling werd levend gemaakt; Hij ontving de Geest en dan komt dat tot leven. En dat wordt ook genoemd: die twee broden werden samen “het Brood der Eerstelingen” genoemd. Kijk het maar na in Leviticus 23.
Nou, het volk dat God Zich vandaag verzamelt tussen de eerste en tweede komst van Christus, dat is in feite al een nieuwe schepping. Maar het heeft een dubbele afkomst en het leeft. Net zoals de Heer Jezus Christus; toen Hij opstond uit de doden, ontving Hij leven en ontving Hij de Geest. Welnu, dat volk ontvangt ook de Geest en het leven in Zijn naam. Hij is de Eersteling. De boodschap van het evangelie is niks anders dan de boodschap van Hem die door God is opgewekt uit de doden. En Hij leeft! Hij heeft de dood achter Zich, Hij leeft echt. Hij is ook degene die de dood tenietdoet; dat is het evangelie. Elke boodschap die daaraan morrelt of dat zelfs ontkent — dat de dood een blijvertje is of waarin gewaarschuwd wordt voor een “eeuwige dood”, waarmee men dan een eindeloze dood bedoelt — dat is geen evangelie. Ik hou van duidelijkheid. De boodschap van het evangelie is dat de dood tenietgedaan wordt. Het is de laatste vijand, maar als de dood tenietgedaan is, dan leven allen. Dan leven allen en dan kan God ook worden: alles in allen. Dat is het evangelie.
Hoe dan ook, dat volk dat God Zich vandaag verzamelt, dat zijn eerstelingen. Hij, de Heer Jezus Christus, is de Eersteling en het volk dat Hem volgt, zijn eerstelingen. Er volgen nog veel meer uit allen, maar ieder in zijn eigen rangorde. En ja, in de Bijbel heeft het eerste altijd de hoogste bestemming. Dat verschijnsel kennen wij ook: als je de eerste bent, dan ben je kampioen, hè? De eerste haringen enzovoorts, daar betaal je een vermogen voor. Zijn ze de lekkerste? Nou, niet per definitie, maar het krijgt gewoon de hoogste bestemming. Dat is het hele idee, en dat geldt voor ons ook. Het volk dat zich vandaag verzamelt, zij zijn niet beter. Ik zal het u nog sterker vertellen: zij zijn per definitie juist niet beter. Maar juist hen heeft God uitgekozen. Ik vind dat een mooi ding.
Ik wil u helemaal niet publiekelijk belachelijk maken of bekritiseren, want ik hoor er namelijk zelf ook bij. Gisteren gaf ik een Bijbelstudie en toen maakte ik die vergelijking ook. Wat God Zich vandaag verzamelt, dat is gewoon als de grot van Adullam. Peter en ik zeggen het heel vaak tegen elkaar: je zou er niet zoveel voor geven. Maar dat heeft God juist uitverkoren. Wat niet in aanzien is, wat niet in tel is. Ja, maar dat heeft God juist uitverkoren om wat wel iets is, of wat iets meent te zijn, gewoon te kijk te zetten. God is namelijk niet afhankelijk van menselijke prestaties. Integendeel, het gaat helemaal buiten werken om. Dat is als u zegt: “Ik voel me helemaal niet zo best.” Dan zeg ik: “Nou, dat zou een aanwijzing kunnen zijn dat u juist daarbij hoort.”
Hoe dan ook, het volk krijgt de hoogste bestemming. Er was trouwens nog iets waar ik even op wil wijzen in verband met Pinksteren. Wat er op die dag plaatsvond, de oogst, was ook heel uitdrukkelijk bestemd — kijk het maar na in Leviticus 23 — voor de arme en de vreemdeling. Het hele boekje Ruth, als u dat kent, gaat daar ook over. Boaz, die man geweldig van vermogen, die krijgt dan Ruth op zijn akker. Je leest erbij: “en het was de tijd van de tarweoogst”. Tussen de gersteoogst en de tarweoogst, staat er aan het einde van Ruth uitdrukkelijk bij. Hoe dan ook, Ruth was een vreemdeling, een Moabitische. Zij had absoluut geen recht daarop, maar zij deelde in de oogst en ze raapte het op. Dat was precies de bedoeling; het was heel uitdrukkelijk ook bestemd voor de vreemdeling.
Om nu even het verhaal kort samen te vatten: wat er op die Pinksterdag gebeurde, is een uitbeelding van het volk van eerstelingen dat door de Priester — en daarbij doel ik op Hem die vandaag voor God verschijnt — bewogen wordt. We hebben een positie als eerstelingen, we ontvangen het leven; wij hebben het leven nu reeds, gelovend in Zijn naam. En het wordt verzameld uit het hart van Israël, maar ook uit de natiën. Sterker nog: dat hele onderscheid speelt vandaag in feite niet eens een rol. Eigenlijk zie je dat ook al uitgebeeld op de Pinksterdag, want dan vindt er een talenwonder plaats. Ik las juist vanmorgen een column in de Volkskrant die daarover ging. De schrijfster benaderde het nogal ludiek, maar ze vroeg: “Was het nou een spreekwonder of een hoorwonder wat daar plaatsvond?” Dat is nog een leuke quizvraag, al vind ik hem minder goed dan de vraag die jij zojuist voorlegde. Maar hoe dan ook, het was een talenwonder, dat is een ding dat zeker is. Men hoorde ieder… op de Pinksterdag waren er heel veel pelgrims in Jeruzalem. Petrus voert het woord en hij zegt: “Voor u is de belofte, en voor allen die verre zijn.” Ook voor de vreemden in de diaspora. Zij hoorden allen in hun eigen taal spreken van de grote daden Gods. Dat was een onmiskenbaar talenwonder, dat is een ding dat zeker is. En daarin zie je dus eigenlijk ook al weergegeven dat het ook is voor hen die zich buiten het land bevinden. Nou, en nu wil ik nog iets, een andere vraag daarin betrekken.
Wanneer Is de Ecclesia Werkelijk Begonnen? ↑ hoofdstukken
Ik begin eigenlijk met een stelling, namelijk over de ekklesia. Ik gebruik meestal dat woord; het is een Grieks woord. Meestal spreekt men over ‘gemeente’, wat ik ook prima vind, maar ekklesia vind ik zo’n mooi woord omdat het letterlijk een ‘uitroepsel’ betekent, of een volk van uitgeroepenenden. Anderen spreken van ‘kerk’, maar dat woord neem ik in dit verband eigenlijk nooit in de mond. Je vindt het ook niet in de Bijbel; ‘kerk’ komt oorspronkelijk uit het Latijn. Maar in ieder geval: de ekklesia is gewoon het volk dat God Zich vandaag uitroept.
Ja, wanneer is dat begonnen? Er bestaan nogal wat verschillende ideeën over. In feite steek ik nu mijn handen in een wespennest, hoewel dat ook weer wat overdreven is. Laat ik het vriendelijk zeggen: ik denk dat er veel misverstanden over bestaan. Hoe moet ik dit nu aanvliegen? Ik doe het zo: er zijn mensen die zeggen dat de ekklesia begonnen is met de apostel Paulus. Misschien kent u die opvatting niet eens. De meest gebruikelijke gedachte is dat de ekklesia begon met Pinksteren. Maar zelfs dat is niet helemaal waar.
Nu hoort u mij zeggen: “André, waar wil je nou naartoe?” Kijk, de traditionele gedachte is dat de kerk of de gemeente bestaat vanaf Adam tot aan de jongste dag. Die gedachte kunt u sowieso al parkeren, want dat gaat echt nergens op. Een andere gedachte, die in evangelische kring denk ik het meest gebruikelijk is, is dat de ekklesia begon bij Pinksteren. Met die groep voel ik mij overigens het meest verwant, omdat zij heel duidelijk inzien dat de apostel Paulus een hele bijzondere boodschap heeft die vandaag maatgevend is. Ik zal dat straks ook laten zien. Dat is ook zo, maar het is een misverstand om te denken dat de gemeente begon bij Paulus. Er zijn mensen die dat zo zeggen, maar ik denk dat je er dan niet goed over nagedacht hebt. Het is ook absoluut niet Bijbels, en ik wil dat ook laten zien.
Ik geloof dus dat de ekklesia begon bij de opstanding van Christus, op de dag van de eerstelingschoof, toen Hij verrees. Laat ik u meenemen naar wat ik het duidelijkste bewijs vind in Kolosse 1 vers 18. Als je de voorgaande verzen erbij betrekt, zie je hoe Paulus alle schijnwerpers zet op de geweldige glorie van de Zoon van Gods liefde; wie Hij is en wat God voornemens is in Hem te doen. In vers 18 staat: “En Hij is het hoofd van het lichaam.” Wat bedoelt Paulus daarmee? De ekklesia.
Wie is het hoofd van dat lichaam? Er zijn meerdere schriftplaatsen waar dat zwart op wit zo gesteld wordt. Hij is het hoofd, en een hoofd heeft in de Bijbel ook de gedachte van ‘de eerste’. Het eerste dat verschijnt bij een bevalling is het hoofd. Het hoofd is ook de nummer één: het hoofd van de school is degene die in de hiërarchie bovenaan staat, en het hoofd van een bedrijf is altijd de eerste. Dat kan in volgorde zijn of in rangorde, maar het is de eerste. In het Hebreeuws is dat heel leuk: het woordje voor hoofd is ‘rosh’, en dat is letterlijk verwant aan het woordje ‘rishon’, wat ‘de eerste’ betekent. In het Hebreeuws zie je dat heel duidelijk.
Hij is dus het hoofd van het lichaam, de ekklesia. Dat is een openbaring die je alleen bij de apostel Paulus vindt: dat de ekklesia het lichaam van Christus is. De Christus is het hoofd, maar de Christus is het hoofd inclusief het lichaam. Luister goed wat ik nu zeg, want ik weet absoluut zeker dat je je niet ten volle realiseert wat dit betekent. God geeft aan de ekklesia — dat volk dat Hij Zich vandaag verzamelt — de positie van het hoofd. Dat wil zeggen dat de ekklesia deelt in de glorie die God aan Hem heeft toegekend. We zijn één, en wat God aan Hem geeft, geeft Hij ook aan die ekklesia.
Daarom hebben we de hoogste positie; ik bedoel ook letterlijk hemels. We zijn gezegend met alle geestelijke zegen in Christus, te midden van de hemelsen. Waar Hij is, daar zijn wij. Dáár is ons leven. Wat je hier ziet, is eigenlijk maar voor spek en bonen. Ons echte leven is daar, en de toekomst die voor de ekklesia is weggelegd, is verbonden met Hem daar. Hij is het hoofd van het lichaam, de ekklesia, en dan staat er: “Hij als begin”. Waar begint de ekklesia? Nou, bij het hoofd. Daar heb je niet zoveel fantasie voor nodig. Sterker nog, je hebt helemaal geen fantasie nodig, want het staat hier gewoon expliciet. Waar begint die ekklesia? Bij het hoofd, want dat is namelijk Zijn lichaam en bij Hem begint het. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden.
Dat wil zeggen: de eerste die de dood definitief achter zich liet, is Hij. Er waren eerder mensen opgestaan uit de doden — dat is steevast de tegenwerping die misschien bij je opkomt — maar zij keerden eigenlijk gewoon weer terug naar het sterfelijke bestaan. De Heer Jezus Christus werd opgewekt als eersteling en Hij liet de dood definitief achter Zich. Hij is begonnen als de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder allen de eerste zou zijn. Dat geldt voor alles wat daarop volgt, maar het gaat mij nu vooral om de vraag: waar begon de ekklesia? Bij Hem, de Christus, de eerstgeborene uit de doden. Sindsdien is Hij trouwens ook Hoofd, de Christus en Heer.
Ik heb nog een schriftplaats waarin dat heel duidelijk naar voren wordt gebracht. Ik had het net over Efeze 1. Het bekendste beeld dat gebruikt wordt voor de ekklesia is typisch Paulus — nee, niet alleen typisch, maar zelfs exclusief Paulus — namelijk dat de ekklesia het lichaam van Christus is. Hij is het Hoofd bij het lichaam. Maar hij gebruikt ook in Efeze 2…
De Tussenmuur Weggebroken: Jood en Heiden Verenigd ↑ hoofdstukken
Nog een ander beeld en dat is het beeld van een bouwwerk, van een tempel. En dan zegt hij in vers 19, dat is ongeveer het slot van het hoofdstuk: “Zo zijn jullie…” — en hij heeft het over wij van de besnijdenis. Paulus was zelf ook een Jood natuurlijk qua afkomst, en hij spreekt ook de natiën aan. Zo zijn jullie — hij heeft het over de natiën — geen gasten en bijwoners meer, maar inmiddels medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods. Eigenlijk is dit meer een conclusie; hij had dat namelijk in het voorgaande al betoogd.
Kijk, tot aan de roeping van Saulus was de ekklesia eigenlijk een puur Joodse aangelegenheid. Je leest in Handelingen 9 over de roeping van Saulus. In Handelingen 10 zie je dat Petrus heel aarzelend en met veel commotie de deur opent naar de natiën. Maar dat is allemaal vanaf de roeping van Paulus. Tot aan die tijd was de ekklesia puur een besnijdenis-gebeuren; ik bedoel het volk van de besnijdenis, een Joods gebeuren. Het bestond slechts uit groepen of uit gelovigen uit de besnijdenis. Sinds Saulus, of Paulus, komen ook de natiën in zicht. Eigenlijk gaat dat stapsgewijs, maar gewoon als mijlpaal kun je inderdaad zeggen: tot aan de roeping van Paulus is het Joods, daarna komen ook de natiën in zicht.
Zelfs zo sterk gaan de natiën de plaats innemen van Israël — dat wil zeggen: niet dat Israël niet meer het volk van God is, maar nu wordt er een volk gevormd uit de natiën waarbij God helemaal geen onderscheid meer maakt en Israël er ook gewoon bij hoort bij de natiën. Maar ja, tot aan die tijd was het wel zo, zeker voor de groep uit de besnijdenis, dat de natiën eigenlijk gewoon alleen maar gasten waren. Later lees je ook, als de natiën in beeld komen, dat het wel mocht, maar dan wel met restricties. Ze mochten erbij horen; zo werd daar tegenaan gekeken.
Het is heel sterk als Paulus in Jeruzalem komt; je leest dat in Handelingen 21. Hij kwam er niet graag, want hij was daar bepaald geen geziene figuur — en dan druk ik het nog heel zacht uit. Paulus komt in Jeruzalem in Handelingen 21. Weet u wanneer dat was trouwens? Welke tijd? Met Pinksteren. Ja, als we het hebben over Pinksteren in het boek Handelingen, denkt iedereen aan Handelingen 2. Maar ik denk aan iets anders — nou ja, ook aan iets anders — namelijk dat Paulus toen hij in Jeruzalem kwam, dat was inderdaad in de tijd van Pinksteren. Het was daar vergeven van de pelgrims, dus dat ligt ook heel erg voor de hand.
Maar dan gaat hij naar de tempel toe en dan ontstaat er een enorme commotie, want dan krijgt hij de beschuldiging te horen dat hij Trofimus, een medewerker van hem, had meegenomen in het heiligdom. Ik denk dat wij daar nauwelijks nog een idee van hebben, maar je had dus het heiligdom en dan had je de voorhof waar alleen Israël mocht komen. En dan had je ook nog, buiten die muur, de voorhof voor de natiën. Daartussen stond een muur, dat wordt in Efeze 2 de tussenmuur genoemd — de sorek heette dat. En het was op straf van de dood dat men die muur zou passeren als heiden. Stel je voor: je kwam daar als heiden, als niet-Joods, dan mocht je naar de tempel toe, maar je mocht absoluut niet in de eigenlijke voorhof komen. Als je dat wel deed, dan was je des doods schuldig.
En dat is wat er gebeurde toen Paulus daar in Jeruzalem was. Toen kreeg hij de beschuldiging te horen dat hij een heiden had meegenomen. Dat was niet zo, maar het is wel heel illustratief, want het is precies wat zijn boodschap is, namelijk dat de natiën geen vreemdelingen en geen gasten meer zijn. Er zijn geen bijwoners; ze horen er helemaal bij. Maar dan niet fysiek, ik bedoel in de geest. Dat is zijn boodschap en dat is wat Paulus eigenlijk vertelt. Efeze 2 is eigenlijk het handvest van de ekklesia. Dat wil zeggen: de twee zijn eengemaakt. De natiën zijn geen gasten en bijwoners meer; ze zijn medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods.
Die twee groepen die er waren, de besnijdenis en de voorhuid, die zie je in het boek Handelingen nog heel duidelijk als twee groepen. Voor Paulus speelde die tussenmuur echter niet meer; hij noemt dat ook de wet der geboden die is weggebroken. Binnen de ekklesia, in de praktijk, betekent dat gewoon voor ons vandaag: er is één volk uit de natiën waarin het onderscheid tussen Jood of heiden, of je afkomst, geen enkele rol speelt. Als je het woord hoort aangaande de opgestane Christus, dan hoor je bij dat lichaam van Christus, de ekklesia, die eerstelingen. Afkomst speelt geen rol. Het is ook niet zo dat je als Jood een hogere plaats hebt of dat je geacht wordt de wet te houden; dat hele verschil speelt binnen de ekklesia vandaag geen enkele rol.
Feitelijk is het zo dat de ekklesia een heidens gezelschap is. Waarom? Omdat die muur weggebroken is; de wet en geboden spelen geen rol. Ja, als we hier nou nog even over door zouden gaan, dan krijg je nog flinke pillen te slikken hoor. Want als je dit met traditionele oren beluistert… Men heeft toch in het algemeen in de kerkgeschiedenis de wet gewoon weer helemaal overgenomen. En ook weer aangepast trouwens, en opgelegd aan de heidenen. In feite is het zo met Pinksteren en alle feesten die wij kennen: het zijn niet echt de hoogtijden voor Israël. Het is afgekeken, het is een kopie. Het is eigenlijk ook nep trouwens. Of het nu gaat om Pasen of al die andere hoogtijden: ze zijn allemaal op een of andere manier afkomstig uit die hoogtijden die God aan Israël heeft gegeven, en men heeft ze veranderd en men heeft ze gekristianiseerd, gekerstend. Gekerstend betekent letterlijk ook gechristianiseerd, christelijk gemaakt.
Dat geldt trouwens ook voor de sabbat; daar heeft men de zondag van gemaakt. En in plaats van de besnijdenis… We zitten hier op de Veluwe, hoe zou men dat dan invullen in de gewone reformatorische kerken? Dan leest men bij het besprenkelen van een klein kindje een doopformulier voor en dan staat er ergens die frase: “In plaats nu van de besnijdenis is de doop gekomen”. Men heeft het dus allemaal gekopieerd en vervolgens aangepast, gechristianiseerd. Maar ik zal dit verduidelijken: wetten en rituelen spelen geen enkele rol in de ekklesia. Vinden mensen soms ook jammer, want ja, je wilt toch wat zichtbare dingen en zo. Nee, het is allemaal geestelijk en er valt niks te zien. U zegt: “Dat vind ik saai”. Nou, ik niet. Het is in ieder geval ook heel vrij. Vrij bedoel ik: we zijn vrij van al die lasten en rituelen. Dat speelt voor ons geen enkele rol en we zijn één.
Wat zie je altijd bij rituelen? Die brengen altijd ook een scheiding aan natuurlijk. Het water dat scheiding brengt. Hoeveel discussies zijn er niet over de waterdoop? Wanneer moet dat gebeuren en hoe moet dat gebeuren? Hou toch op zeg! Het speelt voor ons helemaal niet mee. Tot dat volk horen wij, waarin de natiën er inderdaad bij horen. Sterker nog, het volk dat God zich vandaag verzamelt is heidens. Er staat nog iets bij in Efeze 2; ik moet even doorlezen.
Christus als Fundament en de Rol van de Apostelen ↑ hoofdstukken
Gebouwd op het fundament van de apostelen en de profeten. Ik wilde bewijzen dat Christus de Eerste is van de ekklesia. Hier zie je die ekklesia; hier is het beeld van een bouwwerk, van een tempel. En die tempel, de ekklesia, is gebouwd op het fundament. En wat anders zou het fundament zijn dan Christus zelf? Dat fundament is gelegd door de apostelen en de profeten. Ik moet er trouwens wel even bijzeggen dat de profeten waar het hier over gaat, niet de profeten van het Oude Testament zijn. In dat geval had er trouwens ook een omgekeerde volgorde moeten staan: de profeten en de apostelen. Nee, het gaat hier om profeten in de zin van mensen die het woord van God doorgegeven.
Als u daar nog een bewijs voor wilt hebben: in Efeze 4 lezen we over de Heer Jezus Christus die is opgevaren, ver boven de hemelen. In vers 11 van dat hoofdstuk staat: “En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars.” Daar zie je dus precies diezelfde uitdrukking weer. Ik zeg dit om aan te geven dat deze profeten niet de profeten van het Oude Testament zijn. Ik zal straks trouwens nog een argument geven. Maar kijk, het geweldige is dat Christus het fundament is. Hij is de Eersteling; op Hem is alles gebouwd. Dat staat trouwens ook al in Jesaja: God heeft een fundament gelegd in Sion. In Jeruzalem heeft Hij de Messias opgewekt uit de doden en dat is die hoeksteen, dat fundament.
En dat fundament is gelegd door de apostelen en de profeten die dat als eersten hebben verkondigd. Christus was de Eersteling en vervolgens is dat fundament neergelegd en gepredikt door de apostelen. Ik zal daar nog een aardige aanwijzing voor geven, een bewijs eigenlijk. Paulus zegt in 1 Korinthe 12: “Jullie nu zijn het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden.” Daar heb je die uitdrukking weer. God heeft sommigen geplaatst in de ekklesia en daar zegt hij: “ten eerste apostelen”. Ik gaf zojuist al een hint waarom ik deze dingen naar voren breng.
Het is van belang om te zien dat de ekklesia is begonnen bij de opgewekte Christus. Dat doe je teniet als je zegt dat de gemeente pas bij Paulus is begonnen. Dat is niet zo. Paulus is degene die de verborgenheid daarover bekendgemaakt heeft, maar de ekklesia zelf is begonnen bij het Hoofd. Dat is de ene manier: Hij is het begin. Anderzijds is Christus Jezus, als bouwwerk gezien, het fundament dat gepredikt en gelegd is door de apostelen. Dat zie je hier in 1 Korinthe 12 ook weer: God heeft sommigen geplaatst in de ekklesia en wie waren de eersten? De apostelen. Je kunt dus niet zeggen dat de ekklesia begonnen is met Paulus, want Paulus was niet de eerste apostel. Sterker nog: Paulus was de laatste apostel.
Dat zegt hij ook in 1 Korinthe 15: “Daarna is Hij verschenen aan al de apostelen; het laatst is Hij ook aan mij verschenen.” Hij voegt eraan toe dat hij het niet waard is om een apostel te heten. In die zin is hij dus de laatste. Maar dat was juist de bedoeling. Hij motiveert waarom hij niet waard is een apostel te heten: “Want ik heb de ekklesia van God vervolgd.” Waaruit trouwens volgt dat de ekklesia van God er al was voordat hij werd geroepen. Hij schrijft deze brief aan de ekklesia van God, maar hij zegt: “Ik heb de ekklesia van God vervolgd.” Je kunt dus nooit zeggen dat die ekklesia pas begon bij de roeping van Paulus. Snapt u?
Vandaar dat Paulus zei: “Ik ben de laatste.” Maar dan zie je het geweldige aan deze laatste apostel. Hij noemt zichzelf in Efeze 3 ook de geringste van alle heiligen. Hij vond zichzelf niet waard om een apostel te heten. Hij zegt: “Maar aan mij is de overvloeiende, onnaspeurlijke…” Wacht, ik kom er even niet op. Ik heb een bijbeltje bij me, jazeker. Nu wil ik het weten ook. Ja, om de onnaspeurlijke rijkdom te verkondigen. In vers 8 van Efeze 3 staat: “Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen om aan de natiën de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen en in het licht te stellen wat de bedeling, het beheer van de verborgenheid inhoudt, dat van aionen her verborgen is gebleven in God.” Dat zijn natuurlijk geweldige dingen. Maar dat is van belang, en dat is mijn derde punt dat ik nu nog graag wil laten zien aan de hand van het hoofdstuk dat ik zojuist heb opengeslagen: Efeze 3.
De Verborgenheid van de Ecclesia Geopenbaard aan Paulus ↑ hoofdstukken
De waarheid aangaande de Ecclesia, namelijk als het lichaam van Christus, is geopenbaard aan Paulus. Terwijl de Ecclesia feitelijk al begonnen was bij de opstanding van Christus, werd pas jaren later, sinds de roeping van Paulus, de waarheid daarover ook geopenbaard en via hem bekendgemaakt. Ik hou ervan, en ik hoop dat u daar ook van houdt – sterker nog, dat ‘houden van’ is eigenlijk nog te gering. Je moet het eigenlijk als eis stellen: als iets beweerd wordt, waar staat dat dan? Waar baseer je dat op? Je moet de Bijbel onderzoeken. Dat lezen we van de Bereërs. Herman en Gerard, jullie hebben het ongetwijfeld al een paar keer naar voren gebracht: je kunt iets zeggen of iets beweren, en ook al is het heel onbekend of zeer omstreden, dat maakt niet uit; als je iets zegt, dan moet het inderdaad aantoonbaar zijn. De Schrift moet het zeggen.
Nou, dat geldt hier ook. Iemand kan zeggen: “Ja, je zegt dat de gemeente begonnen is bij Christus.” Inderdaad, Hij is het begin, het Hoofd, de Eerstgeborene uit de doden. Hij is het fundament dat gelegd is door de apostelen en profeten. Maar wanneer is de waarheid over die verborgenheid bekendgemaakt? Dat gebeurde door Paulus, sinds Paulus en door hem. Ik lees even een paar verzen. Ik moet er snel doorheen gaan, want ik zie dat de tijd verdergaat. Behalve een eerste bijeenkomst is er ook nog een tweede, dus dat is dan weer het voordeel.
Daarom is het, zegt Paulus, wat ik noemde de oorkonde van de Ecclesia. De twee die één gemaakt zijn, zijn daarin vastgelegd. En dan zegt hij: “Daarom is het dat ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus ten behoeve van jullie, de natiën…” Ja, hij was een gevangene omdat hij ooit – en dat was nota bene tijdens Pinksteren – een heiden binnen de heilige plaats zou hebben gebracht. Dat heb ik zojuist al naar voren gebracht; daarom werd hij gevangen genomen. Eerst heeft hij nog twee jaar gevangen gezeten in Caesarea, vervolgens is hij op het schip gesteld en naar Rome gegaan. Maar dat was allemaal die gevangenschap, en hij was gevangen ten behoeve van de natiën. Want dat werd hem zo kwalijk genomen. Het was niet alleen dat de boodschap naar de natiën was gegaan, maar hij had gezegd: “Israël was het volk van God en nu is er ook een volk van God uit de natiën.” In Romeinen 9 wordt dat ook zo gezegd.
Dan zegt hij in vers 2: “Jullie hebben immers gehoord van het beheer van de genade van God, mij met het oog op jullie gegeven.” Paulus heeft een beheer ontvangen, een huishouding. In het Grieks staat daar ‘oikonomia’, een economie. Dat heeft alles te maken met de natiën. Waarom? Omdat God zich vandaag een volk uit de natiën vergadert, zonder enig onderscheid. En hij zegt: “Dat mij door openbaring…” – nee, laat ik het goed zeggen – “Jullie hebben immers gehoord van het beheer van de genade van God, mij met het oog op jullie gegeven; dat mij door openbaring, onthulling, apocalyps, de verborgenheid of het geheim bekendgemaakt is, zoals ik tevoren in het kort daarvan schreef.”
Paulus heeft in al zijn brieven over de verborgenheid gesproken, maar pas aan het einde, in zijn laatste brieven, pakt hij echt helemaal uit. In de Kolossensenbrief gaat hij er uitgebreid over schrijven, terwijl hij eerder in zijn brieven daar al over had geschreven, maar summier. Nu doet hij dat uitgebreid, en dat was ook niet zonder reden. Het gaat er even om dat het hem door openbaring bekend is gemaakt. Toen Paulus geroepen werd, is hij naar Arabië gegaan en daar heeft de Heer hem onderwezen. Dat staat in Galaten 1. Hij heeft die dingen gezien en gehoord, en reken maar dat hij dat allemaal heeft moeten verwerken. Hij zegt ook aangaande het evangelie: “Het is aan mij bekendgemaakt, ik heb het niet van mensen.” Gerrit zei het zojuist ook al: hij heeft het niet van Petrus. Hij zegt: “Het is mij door openbaring van Christus Zelf bekendgemaakt.” Hij is niet alleen door de Heer geroepen, maar ook door de Heer onderwezen.
“Dat mij door openbaring de verborgenheid bekendgemaakt is, zoals ik tevoren in het kort daarvan schreef.” Daarna zegt hij tegen zijn lezers, tegen zijn publiek – en daar horen wij nu ook bij: “Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in de verborgenheid van Christus.” Dan gaat hij straks ook uitleggen wat die verborgenheid is. Hij zegt dat wat hij vertelt, ten tijde van vroegere generaties, vroegere geslachten, niet bekend is geworden. Het was verborgen en het is nu aan hem geopenbaard. Het is niet bekend geworden aan de zonen der mensen.
Ik moet er trouwens wel bij zeggen: het is geopenbaard aan Paulus, het was voor die tijd verborgen, maar het is er achteraf wel in terug te vinden, zij het bedekt. Alleen als de bedekking weggenomen wordt, zie je het. Bijvoorbeeld met Pinksteren; dat is een van de dingen die ik wilde vertellen. Namelijk dat wat je vindt in Leviticus 23; daar liggen zoveel dingen in verborgen. Als je eenmaal weet hebt van wat God doet tussen de eerste en tweede komst van Christus, dan ga je dat achteraf begrijpen. Dus als je het eenmaal kent, dan herken je het in het Oude Testament. Daar ligt het dus verborgen, maar dan moet het je wel eerst bekendgemaakt zijn. Dat is van belang.
En hij zegt ook: “…zoals het nu geopenbaard is aan de heilige apostelen en profeten.” Dit is prachtig: aan Paulus is het bekendgemaakt, aan hem is het onthuld, en vervolgens is het via hem ook aan de andere apostelen en profeten geopenbaard. Paulus is dus eigenlijk het intermediair, het medium, het middel waardoor het bekend is gemaakt, ook aan Petrus en al die twaalf. Lees het maar eens na in de laatste brief van Petrus. Als hij het daar heeft over het uitblijven van de terugkeer van de Heer, dan zegt hij: “Als je wilt weten hoe het zit, dan moet je wezen bij onze geliefde broeder Paulus.” Hij zegt dat daarin een en ander moeilijk te verstaan is, maar als je wilt weten hoe het zit, dan moet je daar wezen. Kijk, het is via Paulus ook aan Petrus, en ook aan Johannes trouwens, bekend geworden. Aan de apostelen. En het mooie daarvan is – dat is hopelijk inmiddels toch duidelijk geworden.
Ingelijfd in Christus: een Heerlijk Vooruitzicht voor Allen ↑ hoofdstukken
Dat God nu Jood en Heiden, dat wil zeggen iedereen van de natiën zonder onderscheid, één heeft gemaakt en ingelijfd in Christus. En als u wilt weten wat dat is, dan zou u door moeten lezen in vers 6 en 7. Dat gaan wij nu niet doen, want dat zou veel te ver voeren. Maar het idee is: wij zijn letterlijk ingelijfd. Wij zijn niet ingelijfd in Israël, we zijn ingelijfd in Christus. In Zijn lijf – ik bedoel: in Zijn lichaam – geplaatst. We zijn één met Hem en we hebben geen idee hoe groot dat is.
Ja, als je daar een deel van uit mag maken, dat geweldige uitzicht… En als je dat niet kent – en die mensen heb ik eigenlijk nu aangesproken – als je zegt: “Nou ja, daar hoor ik niet bij”, dan heb ik toch een heel goed bericht voor je. Ook als je het nu nog niet kent of verstaat, als het nog niet is binnengekomen, er komt een moment dat het je wel duidelijk zal worden.
Er komt een moment dat je ook met je knieën zult buigen voor Hem. En met je tong van harte zult gaan erkennen wat God van Hem gemaakt heeft, namelijk Heer en Christus. Ja, en dan komt er een moment dat heel de mensheid, sterker nog, heel de geschapen wereld in aanbidding zal neerbuigen voor God de Vader. En zo zal het zijn: Jezus is Heer. Amen.
Powered by RedCircle
UltimateGoodNews