GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

De Schatkamer Van God

10-12-2006 - Geplaatst door Andre Piet
toespraak gehouden op 10 december 2006 in den Haag

Over de rijkdommen die Paulus tentoonstelt in Efeze 1.

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Efeziërs 1 toont ons de geestelijke schatkamer waarin God al Zijn zegen in Christus aan gelovigen heeft gegeven. God handelt daarin volkomen soeverein en onafhankelijk van menselijke werken of vrije wil, volgens Zijn eigen plan en genade. Gelovigen zijn al vóór de grondlegging van de wereld uitverkoren en voorbestemd om als eerstelingen een hemelse bestemming te ontvangen. Uiteindelijk zal God, bij wie nooit iets misgaat, alles in de hemel en op aarde onder één Hoofd samenbrengen. Vanuit die zekerheid mogen we vol vrede en vreugde leven tot lof van Zijn heerlijkheid.

“Weet u wat de blijde boodschap is? Dat er bij God nooit iets misgaat.”

De Schatkamer van God: Lezing Efeziërs 1 ↑ hoofdstukken

Goedemorgen, broeders en zusters, dames en heren. Ik ben blij dat ik weer in uw midden mag zijn en ik ben blij dat wij mensen zijn die niet zijn als degenen die geen hoop hebben, maar dat wij over het graf heen kunnen zien en dat we een geweldige toekomst hebben en dat we daar weet van mogen hebben.

Ik stel voor dat we vanmorgen de brief van Paulus aan de Efeziërs opslaan, hoofdstuk 1. De brief die Paulus heeft geschreven aan de Efeziërs… nou ja, als u in vers 1 van hoofdstuk 1 leest, dan ziet u dat ‘in Efeze’ tussen vierkante haakjes staat. Dat betekent dat het er later vermoedelijk is ingeslopen, maar dat het niet hoort bij de originele tekst. En dat maakt deze brief nog veel bijzonderder, want het geeft aan dat deze brief niet gericht is aan een bepaalde plaatselijke geloofsgemeenschap, maar dat het gericht is aan allen die in Christus Jezus zijn. Dat wil zeggen: ook aan ons.

Ik begin te lezen vanaf vers 1 en ik ga door tot en met vers 14. Ik lees u voor uit de NBG-vertaling. Soms zal ik wat afwijken, maar dat zal ik dan later nog toelichten.

“Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus. Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus. Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de nederwerping der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. En in Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand door ons het geheimenis van Zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten. In Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem die in alles werkt naar de raad van Zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid, wij die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk dat Hij Zich verworven heeft, tot lof van Zijn heerlijkheid.”

Tot zover maar eens even, want dat is een hele mond vol als je dat zo voorleest. Er zijn nauwelijks Bijbelhoofdstukken te vinden waarbij we zulke lange zinnen aantreffen als hier. Het hele gedeelte wat we zojuist gelezen hebben, zijn een stuk of drie, vier zinnen. Sommige zinnen zijn bijna onmogelijk om voor te lezen. Dat wil zeggen: je moet iedere keer eventjes pauzeren en dan begint er weer iets nieuws. Het wemelt van allerlei tussenzinnen; het is net alsof Paulus zo vol is – nou, dat is niet ‘alsof’, dat ís hij – dat hij het ene bij het andere voegt.

Het is zeer de moeite waard om dit gedeelte eens wat nader te bezien. Ik stel me zo voor dat je aan de verzen die we hier nu gelezen hebben met gemak een heel Bijbelstudieseizoen zou kunnen wijden, want er staat zo ongelooflijk veel in. Men heeft wel eens gezegd: Efeze 1 is de schatkamer van God. En dat is ook zo. Alle rijkdommen die wij in Hem hebben, worden hier uitgestald.

Laat ik eens beginnen bij het begin. Dat begint meteen met de naam van Paulus. Ik weet niet of u van de week nog een beetje het nieuws hebt gevolgd, maar de apostel Paulus stond warempel prominent in het nieuws. Hebt u het gehoord of gelezen? Nee? Volgt u het nieuws niet? Nou, het stond tamelijk prominent in de Telegraaf, daar heb ik het in gelezen: dat het graf van de apostel Paulus is gevonden in de Sint-Paulusbasiliek in Vaticaanstad. De archeologen zijn er met vrij grote zekerheid van overtuigd dat dat inderdaad het graf moet zijn van de apostel Paulus.

Nou, dan weten we dat ook weer, denk ik dan. Ik steek mijn handen er niet voor in het vuur, maar ik heb daarentegen ook helemaal geen enkele reden om het te betwijfelen. Bovendien ben ik geen archeoloog, dus ik neem het gewoon voor kennisgeving aan. Ik denk dan: als we nu zijn graf hebben gevonden… nu zijn boodschap nog! Want daar hoeven we helemaal niet naar te zoeken. Dat staat gewoon prominent en pontificaal, zwart op wit, al tweeduizend jaar zo opgetekend. Je kunt het zo lezen, maar slechts weinigen weten wat daar werkelijk staat. Dat geldt voor heel Paulus’ bediening, maar niet in het minst voor die van de Efeze-brief. Wat een rijkdom, wat een schatten.

Paulus: Apostel van de Verborgenheid en de Tussentijd ↑ hoofdstukken

Paulus stelt zich in deze brief meteen voor, zoals hij dat eigenlijk altijd doet in zijn brieven. Hij geeft direct aan wie hij is en daarmee zegt hij ook meteen iets over zichzelf en over de naam die hij van Godswege heeft ontvangen. Want u weet toch hoe het zit met de naam Paulus? Hij was ooit Saulus, degene die de gemeente Gods vervolgde. In het Hebreeuws is er de naam Saul, en Saul was degene die David vervolgde. Welnu, hij was Saulus en hij was degene die de Zoon van David vervolgde. Maar later werd hij Paulus, en dat heeft alles te maken met de tussentijd waarin wij nu leven. Waarom ik dat zo zeg? Wel, als u de naam Paulus goed en gemakkelijk wilt onthouden, dan moet u bij Paulus gewoon denken aan ‘pauze’. Ons woord ‘pauze’ komt namelijk uit het Grieks en dat woordje pau wil eigenlijk zeggen: stoppen of onderbreken. Het heeft te maken met een onderbreking, en daar heeft de naam Paulus alles mee te maken.

Voor het eerst vind je die naam in Handelingen 13. Daar staat in vers 9: “Saulus, anders gezegd Paulus.” Dat heeft alles te maken met de onderbreking die zich voltrekt in het boek Handelingen. U moet zich realiseren dat deze brief aan de Efeziërs geschreven is aan het einde van het boek Handelingen; dat is heel gemakkelijk aan te tonen. We lezen in deze brief verschillende keren dat Paulus zegt dat hij een gevangene is, en we lezen aan het einde van het boek Handelingen inderdaad dat hij in gevangenschap was. Handelingen 28 vermeldt dat hij daar twee jaar gevangen zat en in zijn eigen gehuurde woning verbleef. Er is dus een hele geschiedenis aan de Efezebrief voorafgegaan. Je zou het boek Handelingen eigenlijk moeten kennen en er kennis van moeten nemen voordat je de Efezebrief leest.

Het boek Handelingen is de geschiedenis waarbij het evangelie van de opgewekte Christus in de eerste plaats gepredikt wordt aan het volk Israël. Israël zou moeten weten wie de verrezen Koning is: Hij is de beloofde Zoon van David en Hij heeft de dood overwonnen. Die boodschap wordt in het boek Handelingen gepredikt aan Israël met daarbij ook de belofte dat als zij tot geloof en aanvaarding van Hem zouden komen, het Koninkrijk van God op deze aarde zou aanbreken en gevestigd zou worden. Dan zou de Heer Jezus Christus vanuit de hemel terugkeren en Zijn troon vestigen op de enige plaats waar die ook hoort, namelijk in Jeruzalem. Dan zou Israël hersteld worden en gesteld worden tot het hoofd van de volkeren, en heel de volkerenwereld zou delen in de zegen die dat met zich mee zou brengen. Dat was de verwachting in die dagen van het boek Handelingen; dat was ook het motief van de verkondiging. Alles was daarop gericht: Israël zou tot geloof komen.

Het boek Handelingen is echter juist ook geschreven om te laten zien hoe het volk vijandig staat tegenover het evangelie van die opgewekte Christus. Zij moeten er niets van hebben en wijzen het af. Zoals ze ooit de Heer Jezus hebben gekruisigd, zo wijzen ze in het boek Handelingen ook Hem af die de Verrezene is. Terwijl die afwijzing zich aftekent en Stefanus gestenigd wordt door het Sanhedrin — heel officieel door de leiders van Israël — zie je dat er achter de coulissen iemand anders op het toneel verschijnt. Hij verschijnt daar in eerste instantie nog heel erg op de achtergrond: de naam Saulus. U weet wel, hij was degene die de mantels bewaarde toen de mannen van het Sanhedrin Stefanus stenigden. Voor het eerst kom je daar die naam Saulus tegen. Hij stemt er op dat moment nog volledig mee in, want hij moet er ook niets van hebben.

Maar dan wordt een hoofdstuk of twee later Saulus “in zijn kladder gegrepen”. Hij krijgt vanuit de hemel een visioen te zien van de verheerlijkte Christus, een verschijning die zo ontzagwekkend is dat het hem voor een paar dagen blind maakt. En dan blijkt deze apostel Paulus uitverkoren te zijn om een heel speciale boodschap te gaan prediken. Nu Israël de boodschap afwijst, mag de apostel Paulus de prediking gaan verkondigen van Hem die in de hemel is en die in deze tussentijd — want er ontstaat een tussentijd waarin het Koninkrijk nog niet aanbreekt in deze wereld — Zich een volk vergadert: een gemeente, een ‘uitroepsel’ uit alle volkeren. Zonder enige wet en ook buiten Israël om. Dat is de geschiedenis van het boek Handelingen; dat vinden we daar allemaal opgetekend. Tegen die achtergrond zou je ook de Efezebrief moeten lezen. Paulus stelt zich dus voor. Laat ik niet al te veel meer uitweiden over die achtergronden, maar laten we ons bepalen bij wat er staat in dit hoofdstuk.

Christus Jezus: de Verheerlijkte Heer in de Hemel ↑ hoofdstukken

Dan zegt Paulus: “Ik ben door de wil van God een apostel van Christus Jezus.” Laten we daar even bij stilstaan. “Christus Jezus” is een typische formulering die we vrijwel uitsluitend bij Paulus vinden. Een kleine honderd keer gebruikt hij de naam in deze volgorde. Bij Petrus, Jakobus of Johannes zul je hem niet aantreffen; het is altijd Paulus die deze formulering gebruikt. En de reden daarvoor is niet moeilijk te vinden. Dat is geen eigenaardigheidje, een toevalligheid of een willekeurige verspreking van Paulus.

Kijk, de anderen noemen Hem meestal Jezus Christus. Jezus is de naam van Hem die hier op aarde werd geboren. Toen Hij in Bethlehem ter wereld kwam, ontving Hij de naam Jezus. Toen Hij daarentegen ruim dertig jaar later opstond uit de dood, werd Hij officieel tot Heer en tot Christus gemaakt. In die volgorde was Hij dus eerst Jezus en vervolgens werd Hij de Christus. Maar Paulus kende Jezus helemaal niet naar het vlees. Paulus was niet zoals Petrus, Jakobus en de twaalven die de Heer Jezus hier op aarde hebben gekend. Hij heeft Hem niet gevolgd, Hij heeft Zijn onderwijs niet gekend, hij is niet met Hem meegereisd en vermoedelijk heeft hij Hem zelfs nooit gezien. Paulus zegt ook in 2 Korinthiërs 5 dat hij Christus niet kent naar het vlees.

Nee, Paulus kent Hem vanuit de hemel. Hij kent Hem alleen als die oogverblindende Heer die hem ooit heeft geroepen. Herinnert u zich de verschijning op de weg naar Damaskus nog? Saulus vroeg: “Wie bent U, Heer?” En toen kreeg hij het antwoord: “Ik ben Jezus, die jij vervolgt.” Paulus kent Hem dus eerst als de Christus. Zo verschijnt Hij aan hem: als de verheerlijkte, oogverblindende Heer die gezeten is boven alle overheid en macht—een uitdrukking die we overigens ook hier in Efeziërs 1 vinden. En vervolgens stelt die verschijning Zich voor als: “Ik ben Jezus, die jij, Saulus, vervolgt.”

Hij kende de Heere Jezus Christus inderdaad op die manier. Hij kende Hem niet primair als degene die hier op aarde wandelde en vervolgens opstond uit de dood om verheerlijkt te worden. Nee, hij kende Hem uitsluitend als degene die in de hemel Zijn positie inneemt boven alle overheid en gezag. Vervolgens weet hij dat dit Dezelfde is die hier ooit op aarde leefde, maar op de voorgrond staat Christus. Voor Paulus is het daarom Christus Jezus; Christus staat voorop, niet Jezus. Als je dat betrekt op Paulus’ bediening en de wijze waarop hij geroepen is, is dat volstrekt logisch.

Dat zijn dingen waar je over moet vallen. Paulus is een apostel “door de wil van God”, want het was natuurlijk niet zijn eigen wil dat hij een apostel werd. Het was echt geen vrije keuze. Een heleboel mensen, vooral evangelische christenen, praten altijd maar over die vrije wil en eigen keuze. Nou, Paulus zegt: “Ik ben niet door mijn eigen wil een apostel hoor, integendeel!” Hij is gewoon overweldigd. Zo zegt hij het ook in de Timotheüsbrief. Prachtig! Paulus is overweldigd door de liefde van God en door de heerlijkheid van Zijn verschijning. Door de wil van God is hij een apostel van Christus Jezus geworden.

En dan schrijft hij aan degenen tot wie de brief gericht is. Hij schrijft deze brief aan “de heiligen en gelovigen in Christus Jezus”. Dat zij “te Efeze” zijn, kun je eigenlijk weglaten, want dat staat niet in de oudste grondteksten. Het is dus gericht aan ons: aan allen die apart gezet zijn, want dat is wat het woord “heilig” betekent. En zij die geloven… ja, over dat woord “geloven” heb ik altijd een beetje een bijsmaak. Voor vrijwel alle mensen heeft dat woord tegenwoordig de betekenis van twijfel. Als je zegt “ik geloof het wel”, dan weet je het dus niet zeker. Terwijl in de Bijbel geloven “vertrouwen” is. Als ik zelf een Bijbelvertaling zou mogen maken, dan zou ik het woord “geloof” misschien wel helemaal schrappen. Een Bijbel zonder geloof, hoe vindt u dat? Ik zou het simpelweg vervangen door “vertrouwen”. Wij vertrouwen in Christus Jezus. Dat is wat het is; het heeft te maken met overtuiging, met zeker weten. Je vertrouwt op Hem. Wel, deze brief is gericht aan de heiligen en de gelovigen—of zoals we er nog eens over moeten nadenken voor een vertaling: aan de heiligen en degenen die vertrouwen in Christus Jezus.

Genade en Vrede: Rusten in Gods Soevereiniteit ↑ hoofdstukken

En dan zegt hij, zo begint hij ook al zijn brieven: “Genade zij u en vrede van God onze Vader en van de Heer Jezus Christus.” Genade zij u en vrede. Er wordt wel gezegd, en dat klopt ook: vrede, dat is de Hebreeuwse wijze van groeten. Als je nu nog steeds in Israël komt, dan zeggen ze: “Shalom.” Dat betekent vrede. Wel, in de Griekse wereld groette men elkaar niet met shalom, want dat is Hebreeuws. Nee, daar groette men elkaar met genade, met het Griekse woord voor genade. Het feit dat Paulus zegt: “Genade zij u en vrede,” betekent dat hij zowel de Griek als de Jood aanspreekt. Let trouwens ook op die volgorde: eerst de Griek en dan pas de Jood. Israël staat niet eens meer op de voorgrond, maar dat even terzijde.

Genade zij u en vrede. Weet u, daar zit nog veel meer achter. Want als het er werkelijk om gaat, is er één groep mensen in deze wereld die echt reden heeft tot genade, dat wil zeggen: tot vreugde. Want genade is in de kern exact hetzelfde woord als vreugde. Ik houd er altijd van om al die woorden eens een keertje gewoon terug te brengen naar onze eigen taal. Termen als genade, heilige of apostel zijn ons misschien wel vertrouwd geraakt; we kennen die woorden wel, maar we weten eigenlijk niet echt wat ze betekenen. Wel, dat is met genade ook zo. Wat betekent genade? Genade heeft in ieder geval te maken met ‘om niet’: volkomen gratis en onvoorwaardelijk ontvang je het. En daarom is het ook vreugde. Als je iets om niet ontvangt zonder dat er een prijskaartje aan hangt, dan is dat een reden voor blijdschap, voor vreugde.

Kijk, dat is waar deze brief over spreekt en waar de bediening van Paulus eigenlijk van overvloeit. Zo zegt hij het ook: overvloeiende van genade. God verkwist bij wijze van spreken Zijn genade; Hij geeft zo ongelooflijk veel. Hij geeft nog veel meer genade dan we nodig hebben, daarom noemt hij het overvloeiend. Dat is waar hij van spreekt. Wij kennen genade en wij kennen vrede. Weet u waarom? Ik lees het in vers 11: dat God degene is die in alles werkt, in het heelal werkt, naar de raad van Zijn wil. God is degene die alles in de hand heeft. God is degene bij wie nooit iets misgaat; Hij is namelijk God. En als je dat weet, heb je vrede.

Als je weet dat alles verloopt zoals het verloopt – hoe afschuwelijk het soms ook is, hoeveel kwaad daar ook een rol in speelt en hoeveel tranen het ook tot gevolg heeft – dan weet je dat er Eén is die het allemaal een plaats heeft gegeven in Zijn plan. Hij ziet het in het juiste perspectief; Hij weet waar het voor is en waar het toe dient. Hij weet dat wat wij nu als negatief ervaren, als een min, eigenlijk helemaal geen min is. Het is een plus die alleen nog niet af is. Als je dat weet, heb je vrede. Dan heb je nog veel meer dan vrede; niet alleen vrede in de zin dat je niet meer in opstand komt, nee, het geeft zelfs vreugde, want het wordt een reden tot dankzegging. Je kunt God inderdaad in alles dankzeggen omdat je weet: alles wat er plaatsvindt, werkt mee naar het goede, naar het beste. Gods weg is volmaakt, we zingen het toch? Ik denk wel eens: we zingen het wel, maar geloven we het ook?

De wijze waarop zoveel christenen leven… Nou ja, ik ben hier uitgenodigd, dus ik ga ervan uit dat ik het mag zeggen: ik vind dat zo ongelooflijk veel gelovigen die belijden Hem te kennen, zo armetierig door het leven gaan. Ze kennen zo weinig van de genade, de vreugde en de vrede. Ze slepen zich altijd maar door het leven heen. Dan denk ik: kennen we dan niet de rijkdom die we hebben in Hem? Weten we dan niet dat er iemand is die alles in de hand heeft en die alles leidt naar Zijn wil? Je zou het jezelf toch niet moeten aandoen dat je, terwijl je schathemeltje rijk bent, zo armoedig door het leven gaat.

Je zou het jezelf niet moeten aandoen, maar bovendien is het refrein in dit hoofdstuk: “Tot lof van Zijn heerlijkheid.” Toen ik bezig was met de voorbereiding, heb ik dat boven mijn aantekeningen geschreven. Dat is namelijk het refrein in het gedeelte wat we gelezen hebben. We lezen het drie keer: tot lof van Zijn heerlijkheid. Waarom zijn wij hier nu? Waartoe heeft God ons überhaupt uitverkoren en voorbestemd? Wel, dat wordt er tot drie keer toe bijgezegd: tot lof van Zijn heerlijkheid. Daarom zijn we er. We zijn er niet om ons door de dag heen te slepen en om chagrijnig of gedeprimeerd, naar beneden kijkend, ons leventje te leiden vol met tobberijen. Nee, wij zijn hier tot lof van Zijn heerlijkheid, om inderdaad te mogen demonstreren dat er een God is die echt God is en die een overvloed van genade geeft in Zijn Zoon Christus Jezus. En dat wij gezegend zijn… nou, laat ik dat dan gewoon meteen lezen.

Gezegend met Álle Geestelijke Zegen in Hem ↑ hoofdstukken

Efesiërs 1 vers 3, Paulus roept het meteen uit. Hij heeft zich nauwelijks voorgesteld en de brief geadresseerd, of hij valt al met de deur in huis. Daar zegt hij: “Gezegend zij de God…” – weer zo’n woord dat een soort kerkelijk vocabulair is geworden. Gezegend betekent letterlijk: van goed spreken. Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons gezegend heeft met… En de vertalers vonden het blijkbaar een beetje al te gortig om het woordje ‘alle’ in te vullen, dus hebben ze er maar ‘allerlei’ van gemaakt. Ze konden blijkbaar niet geloven dat God ons werkelijk alles geeft, maar dat is wel exact het woord wat hier staat. Het zijn hier geen ‘allerlei’ zegeningen, want dat suggereert dat er nog uitzonderingen zijn. Nee, Paulus gebruikt hier gewoon het woord voor ‘alle’ of ‘elke’.

Ik moet me misschien een beetje beperken in mijn kritiek op de vertalingen, maar het is de NBG-vertaling die hier niet correct is. In de Voorhoeve-vertaling, de Telos-vertaling, staat het wel correct, en er zijn ongetwijfeld nog veel meer vertalingen die het juist hebben. Het is erg storend als je leest dat Paulus zegt dat wij in Hem geplaatst zijn, in Christus Jezus, en dat God Hem gezegend heeft met alles. God onthoudt Hem niets, en omdat wij in Hem geplaatst zijn, hebben wij dus net zo goed alles ontvangen. Dat is wat hier staat: álle geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus. Alles! Er is geen geestelijke zegen te bedenken die Hij niet aan ons heeft gegeven.

En wij maar vragen: “Wilt U ons zegenen?” Met een armoedig leven bedoel ik niet alleen dat je vaak met je hoofd naar beneden loopt of een beetje zo door het leven heen sjouwt. Nee, ik bedoel daarmee ook dat je niet weet wat je allemaal bezit. Dat je leeft op een manier die niet past bij die rijkdom. Het lijkt soms heel vroom – en misschien sta ik nu wel op lange tenen – als mensen bidden: “Heer, wilt U ons zegenen? Wilt U ons genade geven?” Het gaat mij er niet om daar kritiek op te leveren; natuurlijk mag je bidden. Maar als je weet dat je álle zegen hebt ontvangen in Hem, dan zul je het niet in je hoofd halen om dat alsnog te gaan vragen.

Kijk naar vers 7: “In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen.” Let op wat hier staat: wij hébben de vergeving van de overtredingen. Wij hebben dat. Dat is een zegen die ons gegeven is. Er wordt geen beperking gemaakt; we hebben niet slechts vergeving voor wat er in het verleden gebeurd is. We hebben de vergeving; dat is de staat waarin God ons in Hem aanziet: volmaakt. En wij vragen: “Heer, wilt U onze zonden vergeven?” Ik zeg ‘wij’, maar ik weet niet of u daar ook bij hoort. Begrijpt u dat dit niet in overeenstemming is met de enorme rijkdom die Paulus hier aanslaat? Ik herhaal: het gaat mij er helemaal niet om dat het niet zou mogen, of dat u straks weggaat en zegt dat André Piet zegt dat wij niet mogen bidden om vergeving. Dat zegt André Piet niet. Ik wil alleen vanuit Gods Woord laten zien dat wij in Christus de vergeving hébben. En omdat wij het hebben, kunnen we Hem daarvoor danken. Zoals wij alle geestelijke zegen in Hem hebben ontvangen, kunnen we daar op voorhand voor danken.

Dat is net zoiets als danken voor de maaltijd. Het eten staat voor je en je dankt daarvoor. Je hoeft dan in wezen niet meer te vragen of Hij het wil geven; je dankt dat Hij het gegeven hééft. Met bidden is helemaal niets mis, maar het gaat er natuurlijk om dat we danken. Hoe staat het in 1 Thessalonicenzen 5? “Bid zonder ophouden.” Vele mensen zetten daar een punt, maar er staat iets achter: “dankt onder alles”. Dat wil zeggen: dank onder dat alles terwijl je bidt. Het gaat erom dat wij inderdaad bidden, maar in dankzegging. Dat als je God dingen vraagt, je Hem dankt voor het feit dat Hij vermogend is om te doen wat Hij zal doen.

In Kolossenzen 2 staat dat we overvloeiend moeten zijn in dankzegging. Ik kan het nooit zo mooi zeggen als Paulus het formuleert in Kolossenzen 2 vers 6: “Nu gij Christus Jezus de Heer aanvaard hebt, wandelt in Hem, geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof…” En dan komt het: “overvloeiende in dankzegging.” Niet slechts vervuld met dankzegging, of dat alles gekenmerkt wordt door dankzegging, maar dat je daarvan overvloeit. En u weet: waar het hart vol van is, loopt de mond van over. Dat overvloeien in dankzegging heeft daarmee te maken. Het is niet alleen een hart dat vervuld is, maar een mond die daarvan overloopt, zodat je spreken ook gekenmerkt wordt door die dankzegging.

Ik ga weer even terug naar Efesiërs 1, want ik wil hier nog een paar dingen over naar voren brengen. Ik zei u al: er staat tot drie keer toe dat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid. Ik sla nu zomaar een paar verzen over, want ik ben verplicht om ten slotte bij vers 14 uit te komen. Maar eerst staat er in vers 5…

Voorbestemd en Uitverkoren Naar Zijn Voornemen ↑ hoofdstukken

In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen tot zoonstelling. Hij heeft ons bestemd om zonen van Hem te zijn door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade.

Als er één woord is dat schittert in de brieven van de apostel Paulus, dan is het genade: volstrekt om niet. Genade staat tegenover werken. Als het door werken is, dan is genade geen genade meer, zoals ergens in Romeinen 11 staat. Maar genade heeft te maken met het feit dat God om niet geeft. Dat blijkt ook wel uit de andere dingen die daarbij staan, want hij formuleert het zo: in vers 3 zegt hij al dat wij uitverkoren zijn. Hij spreekt er ook over dat wij tevoren bestemd zijn. Voordat wij er waren – wat zeg ik, voordat de wereld, de kosmos die God geschapen heeft in het begin, nedergeworpen werd en tot een chaos werd – daarvoor al heeft Hij ons in Hem uitverkoren. Hij kende ons. Dat betekent dus: God heeft ons uitgekozen; niet wij kozen voor Hem. Als je dat denkt, dan denk je in termen van werken en van prestaties. Nee, het gaat erom dat God ons heeft uitgekozen en dat God ons ook tevoren bestemd heeft.

Moet u nog eens een andere Schriftplaats lezen, in 2 Timotheüs 1. Schitterend! Ik hou ervan om eraan te denken dat al ver voor de aionen, voordat ik er was en voordat wij er waren, God mij al op het oog had om in Hem te zijn. Hij had mij al een plaats gegeven in Zijn plan. Dat hele idee van: “Ik heb voor Jezus gekozen,” dat verschrompelt in één keer totaal. In 2 Timotheüs 1 vers 9 staat zoiets schitterends. Paulus steekt Timotheüs daar een hart onder de riem en zegt hem om voor dat evangelie ook te lijden. Want u weet het: als je het evangelie spreekt en dat goede bericht vertelt van wie God is en Zijn geweldige voornemen, dan zullen velen het je niet in dank afnemen. Dat heeft lijden tot gevolg. Wel, zegt hij: Timotheüs, schrik er niet voor terug. En dan zegt hij: “…lijden voor het evangelie in de kracht van God, die ons behouden heeft en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en de genade die ons in Christus Jezus gegeven is voor eeuwige tijden.”

Voordat die tijden der eeuwen begonnen – want ‘eeuwig’ heeft te maken met een tijdsperiode, met wereldtijden of aionen – voordat die eeuwige tijden begonnen, is ons reeds die genade gegeven in Christus Jezus. En dus niet naar werken. Want wij waren er nog niet, dus konden we ook niks doen of presteren. We konden dus ook niks in het negatieve presteren waardoor we het weer zouden kunnen verspelen. Nee, het heeft niets met onze werken te maken. Niet met goede, niet met slechte, helemaal niets. Het heeft te maken met Zijn voornemen. God heeft een plan, zo geweldig! En wij zijn zo enorm bevoorrecht dat Hij ons nu al geroepen heeft. Wij zijn eerstelingen. Want dat is juist zo prachtig: God heeft het geheel op het oog, maar wij zijn eerstelingen, wij zijn uitgeroepenen. En dat is puur om niet, dat is allemaal genade.

God heeft ons de ogen geopend. Ik zeg ‘ons’ en ik ga er even gemakkelijk vanuit dat we hier als broers en zussen onder elkaar gezamenlijk die ervaring hebben. Hij heeft ons de ogen geopend; wij hebben Hem niet gezocht. Nee, Hij heeft ons geroepen en Hij die ons riep, die heeft ook inderdaad ons hart geopend, de ogen geopend en ons oor geopend, zodat we luisterden naar Zijn woord. Hij heeft ons gemaakt tot gelovigen. Wij zijn bestemd om in Christus Jezus geplaatst te zijn. In vers 5 staat dat wij bestemd zijn om zonen te zijn. ‘Zonen’ betekent in de Bijbel gewoon erfgenaam. Ben je een zoon, dan ben je een erfgenaam. Wel, wij zijn erfgenaam in Hem en zoals de Heer Jezus Christus de Zoon is, zo zijn wij met Hem ook zonen, want wij krijgen namelijk die erfenis met Hem. Dat kan ik u laten zien, want nu gaan we meteen eventjes een paar verzen verder.

Het Geheimenis van Zijn Wil: Alles Onder Één Hoofd ↑ hoofdstukken

In vers 8 staat dat God ons de rijkdom van Zijn genade overvloedig heeft bewezen. Met alle wijsheid en verstand heeft Hij ons – let op – het geheimenis, de verborgenheid van Zijn wil doen kennen. Dat is een term die bij Paulus zo vaak naar voren komt en een grote rol speelt. Hij heeft ons die verborgenheid doen kennen in overeenstemming met het welbehagen dat God Zich in Christus had voorgenomen, ter voorbereiding van de volheid van de tijden, om alles – letterlijk staat er ‘het al’ – wat in de hemel en op de aarde is, onder één Hoofd samen te vatten.

Dat is gewoon dat wat ‘in den beginne’ geschapen is. Want ‘het al’ wil zeggen: dat wat God ooit in den beginne heeft geschapen. ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde.’ Welnu, dat al, die kosmos, die hele wereld… daar staat van geschreven dat Hij alles wat in de hemel en op de aarde is, onder één Hoofd, dat is Christus, zal samenvatten. In Hem, in wie ook wij het erfdeel ontvangen hebben. Kortom: Hij is de Erfgenaam, de Zoon, maar wij zijn met Hem ook zonen. Wij delen in die erfenis en wij delen met Hem straks de allerhoogste positie. Daarom ook ‘in de hemelen’. Zoals ik u zojuist zei: wij zijn eerstelingen.

Kijk, God heeft nog veel meer in Zijn plan en in Zijn voornemens staan. U weet dat God nog een geweldig plan heeft met deze aarde, met Israël en met de volkerenwereld. Dat staat allemaal in de profetieën. Daar gaat God ook Zijn weg mee. Maar wij zijn eerstelingen. Dat wil zeggen: voordat God dáár Zijn weg mee zal gaan, roept Hij ons nu. En omdat wij eerstelingen zijn, hebben we ook de hoogste positie. Dat vindt u misschien vreemd, maar dat is altijd zo in de Bijbel.

U weet toch hoe dat gaat? Kijk maar na in de Mozaïsche wet. Al het eerstgeborene, de eerstelingen van de oogst… wat gebeurde daarmee? Dat ging naar de Heer toe; dat kreeg de allerhoogste bestemming. Dat ging naar de tempel van Jeruzalem, kwam bij de priester terecht en werd aan God aangeboden. Het was voor de Heer, want het was heilig en uitzonderlijk; het verdiende de hoogste plaats. Welnu, dat is met ons ook zo. Sinds de Here Jezus Christus als het Hoofd is opgestaan, wordt er vandaag een ‘uitroepsel’ geroepen – hierheen, daarheen – en wij verblijden ons in die boodschap die de apostel Paulus heeft mogen bekendmaken.

Wij zijn eerstelingen, maar wij weten ook dat God nog zoveel meer voornemens is. Hij heeft ons het geheim van Zijn wil doen kennen. En wat is dat dan? Dat Hij Zich in Christus heeft voorgenomen om in de volheid van de tijden alles wat in de hemel en op de aarde is – in Filippenzen 2 staat er nog bij: ‘allen die onder de aarde zijn’ – onder één Hoofd te brengen. Om alles tot de erkenning te laten komen van wie Jezus Christus is. God heeft Hem de naam gegeven boven alle namen, opdat in de naam van Jezus – ‘Jezus’ betekent: ‘de Heer is Redder’ – elke knie zich zou buigen: van hen die in de hemel zijn, die op de aarde zijn en die onder de aarde zijn. En elke tong – dat heeft te maken met wat van binnenuit komt – zou belijden tot eer van God de Vader: ‘Jezus Christus is de Here!’ Daarheen is God op weg. Dat is het geheim van Zijn wil om uiteindelijk in die volheid van de tijden… Prachtig, hè?

Want in dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van al die tijden. Kijk, we worden aan de ene kant verplaatst naar een heel ver, grijs verleden: vóór de nederwerping van de wereld had God ons al voorbestemd en uitgekozen. En hier worden we vervolgens verplaatst naar de volheid van de tijden in de toekomst, wanneer al die ‘aionische’, die eeuwige tijden waar ik het zojuist over had, hun vervulling vinden, hun hoogtepunt bereiken en daarmee ook hun eindpunt. Wanneer Gods plan is voltooid en alles onder één Hoofd is samengebracht: Christus Jezus. Dat gáát God doen. Daarin is Hij volstrekt onafhankelijk van ons en van onze wil. Want ook wij zijn geroepen, net zoals Paulus: terwijl we niet naar Hem zochten, heeft Hij ons geroepen. Hij heeft ons hart geopend en Hij heeft ons uitgekozen. Het is Zijn voornemen, Zijn plan.

En weet u, daarom ben ik er ook vast van overtuigd: dit gaat God lukken. Ja, dit gaat God écht lukken hoor! Hij heet niet voor niets ‘de gelukkige God’. Alles wat Hij Zich heeft voorgenomen, alles wat Hij van plan is, dat gaat Hij realiseren. Dit heeft Hij in Zijn hart. God heeft heel Zijn schepping lief en op het oog. In de tijden die Hij Zich heeft gemaakt en heeft voorgenomen, gaat Hij dat uitwerken. God zet alles zo op zijn plek.

In vers 10 staat dat Hij alles wat in de hemel en op de aarde is, onder één Hoofd, dat is Christus, zal samenvatten. In Hem, in wie ook wij het erfdeel ontvangen hebben. Want wij zijn toch met Hem geplaatst? In de hemel, op de allerhoogste plaats. Ik denk daar weleens aan… eigenlijk heel vaak. Ik houd er altijd van om naar de sterrenhemel te kijken en dan denk ik: ja, daar is straks mijn arbeidsterrein. Wij zijn geplaatst in Christus in de hemelse gewesten. Ik kan me er nauwelijks een voorstelling bij maken; het gaat me duizelen als ik daaraan denk, dat God ons zo’n enorme, hoge bestemming heeft gegeven.

Moet u eens lezen in Efeze 2 vers 6: ‘Door genade bent u behouden’. Ja, dat is door genade, dus er is helemaal niets van uzelf bij. ‘Hij heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus.’ En dan staat erbij in vers 7: ‘…om in de komende eeuwen, de komende aionen, de wereldtijdperken die nog gaan komen, de overweldigende rijkdom van Zijn genade te tonen, naar Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus.’ Ik geef toe, het is een hele mond vol. Maar wat hier staat, is dat God ons een plaats heeft gegeven boven alles in de hemelse gewesten. Waarom? Om daar de overweldigende rijkdom van Zijn genade te gaan tonen, te demonstreren en te etaleren op de allerhoogste bestemming. En dan lees ik ten slotte nog – want ik zie dat het inmiddels tijd is – nog even verder.

God Is Geen Verliezer: Hij Werkt Álles Naar Zijn Raad ↑ hoofdstukken

In Efeze 1 vers 11 staat: “In Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren” – tevoren al – “krachtens” – of letterlijk: naar het voornemen – “naar het plan van Hem die in alles werkt naar de raad van Zijn wil.” Misschien is dat nog wel het allermooiste: om je ervan bewust te worden dat er een God is die niet zomaar iets doet, die geen loser is. Echt waar, er staat hier dat God in alles werkt naar de raad van Zijn wil, tot lof van Zijn heerlijkheid.

Ik denk wel eens: zoveel christenen kennen geen God die werkelijk God is, die te loven en te prijzen is, bij wie nooit iets misgaat. Ze kennen een loser, denk ik wel eens. Echt waar hoor. Er zijn heel veel christenen die denken: “Ja, God heeft ooit de wereld mooi gemaakt, maar al heel gauw ontstond er een opstand in de hemel. Ja, dat had God niet gepland, maar zo ging het nu eenmaal en toen ging het mis. Nou, en toen schakelde God over op een minder plan. Toen heeft Hij op de aarde de mens neergezet; misschien dat het daar beter zou gaan.”

Maar ging het ook al mis? Want ja, in no time had de mens van de verboden vrucht gegeten. En toen is God overgeschakeld op een nog minder plan en is Hij bezig te proberen om nog zoveel mogelijk mensen te redden, zodat Hij aan het eind kan zeggen: “Nou, ik heb er toch nog een paar gered.” Denkt u dat? Dat is niet de God van de Bijbel. Dat is ook niet een God wiens heerlijkheid te loven is. Dat is geen God, dat is zielig. Dat is ook absoluut geen blijde boodschap.

Weet u wat de blijde boodschap is? Dat er bij God nooit iets misgaat. En dat als er een hemelse figuur is die opstaat tegen God, dat volstrekt in overeenstemming is met Zijn plan. God kan die tegenstander gebruiken. Alles verloopt naar de raad van Zijn wil. Dat is de essentie. Er gaat nooit iets mis. En omdat er nooit iets misgaat, hebben we vrede. Daarom is het eindpunt ook absoluut safe. Het is solide. Dat gaat God bereiken. Alles werkt naar de raad van Zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof van Zijn heerlijkheid.

Daar zou je natuurlijk nog veel meer over kunnen en willen zeggen, maar ik vind het voor nu wel mooi geweest. Ik vind het heerlijk om eraan te denken dat we zo’n grote God mogen kennen en dat we dag in, dag uit in die genade en in die vrede mogen leven, en dat we Zijn heerlijkheid mogen loven. Want we zijn hier niet voor onszelf; we zijn hier niet om ons door het leven heen te slepen met zo’n gezicht. Nee, we zijn er om Zijn heerlijkheid en de genade die Hij betoont te verheerlijken, in het licht te stellen en goed te spreken van zo’n grote God.

Afsluitend Dankgebed ↑ hoofdstukken

Amen. Ik stel voor dat we nog maar met elkaar danken.

Hemelse Vader, we willen U heel hartelijk dankzeggen dat we dit lied mogen zingen. Dat we alle reden hebben om te zingen en te getuigen van dat nieuwe leven dat ooit aan het licht is gebracht op die dag na de Sabbat, toen de steen werd weggewenteld en eens voor altijd de dood werd tenietgedaan.

En Heer, er gaan zo weinig dagen en zo weinig weken voorbij of we worden eraan herinnerd dat we in een vergankelijke wereld leven. Dat we ook zelf vergankelijk zijn en dat er mensen om ons heen wegvallen. We hebben er vanmorgen over gehoord en we zijn daarbij bepaald. Maar Heer, we danken U dat we, terwijl we dat zien en meemaken, en terwijl er tranen gehuild worden – en dat is allemaal terecht, er is zoveel reden om te lijden en verdriet te hebben – toch mogen danken met verwachting. Niet als degenen die geen hoop hebben, maar zo dat we over dat graf heen kunnen zien.

Dat we ons mogen verlustigen in een God die werkelijk sterker is dan de dood. U bent de God van het leven en de God van de hoop. U bent werkelijk God, die een voornemen heeft en die volkomen los van onze werken of onze wil opereert en Zijn gang gaat, Zijn weg gaat. Heer, we danken U dat wij in Christus Jezus een toppositie mogen hebben. Geplaatst boven alles, gezegend met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten, in Hem. En dat dit straks, binnenkort, openbaar zal worden. Dat we met Hem in heerlijkheid zullen verschijnen en dat we onze bediening en onze taak zullen aanvangen in de hemelse gewesten.

Heer, we danken U dat U een plan hebt met deze aarde en dat U daar ook een volk voor hebt gereserveerd, speciaal om te dienen als een zegenkanaal om ook alle andere volken te bereiken. Want U kiest nooit alleen maar uit voor onszelf; U kiest uit om juist anderen te bereiken. Heer, we danken U dat we dat zicht mogen hebben op uitverkiezing en op die voorbestemming. Dat U heel Uw schepping op het oog hebt en dat U ons bekend hebt gemaakt met het geheimenis van Uw wil: om in de volheid der tijden het al – alles wat in de hemel en op de aarde is – onder één Hoofd samen te vatten. Zodat alle tong zal gaan juichen tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer!

Heer, we danken U dat U zo’n geweldige liefde hebt voor Uw schepping en dat het bewijs van die liefde ooit in deze wereld stond: dat kruis van Golgotha. Daar werd de losprijs voor allen betaald. Heer, we danken U dat Uw liefde allen aangaat, dat Uw liefde nooit zal falen en dat U Uw voornemen gaat realiseren. Dat we in die vrede en die vreugde mogen leven, Heer, dag in dag uit, tot lof van de heerlijkheid van Uw genade. Amen.

🎧 De Schatkamer Van God


Powered by RedCircle

Delen: