GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

de onzienlijke God

04-08-2024 - Geplaatst door Andre Piet
Urk

De ene God maakt zich in de Schriften bekend als de Onzienlijke. Voor zover Hij zichtbaar werd in het OT was dat via engelen. Sinds de dagen van het NT echter maakt Hij Zich bekend via de eniggeboren Zoon. Deze is het Beeld, de Afstraling en Afdruk van de onzienlijke God. Verheven boven de engelen. Het vleesgeworden woord van God.

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

God is van nature onzienlijk, wat betekent dat de vergankelijke mens Hem niet rechtstreeks kan waarnemen. In het Oude Testament openbaarde God Zich daarom indirect via engelen, die als Zijn vertegenwoordigers optraden en namens Hem spraken. Sinds de volheid van de tijd maakt God Zich echter kenbaar via Zijn Zoon, die het volmaakte beeld en de afdruk van Zijn wezen is. Deze Zoon, het vleesgeworden Woord, is verheven boven alle engelen en representeert de onzichtbare God volmaakt.

“Dat God onzienlijk is, beschrijft in feite niet eens zozeer God Zelf, als wel ons onvermogen.”

Inleiding en Aanleiding ↑ hoofdstukken

Een hele goede middag allemaal. Vrienden, heel goed om elkaar hier weer te mogen treffen. Fijn dat ik jullie hier mag zien op deze eerste zondag in augustus. Ik had gedacht dat er nogal wat mensen op vakantie zouden zijn en inderdaad, er zijn al een aantal mensen op vakantie, maar zie daar, nog een behoorlijk gevulde zaal — of kantine moet ik eigenlijk zeggen.

Vanmiddag wil ik jullie bepalen bij dit onderwerp, en ik moet daarbij even mijn excuses aanbieden. Het is namelijk zo dat ik aanvankelijk een ander onderwerp had aangegeven dat we vanmiddag zouden gaan behandelen, namelijk: "Is God verantwoordelijk?". Maar dat heb ik sinds donderdag of vrijdag moeten omgooien. Dat wil zeggen, ik heb het min of meer moeten omgooien. Het was namelijk zo dat ik afgelopen week samen met mijn vrouw in Drenthe was en daar heb ik een tweetal Bijbelstudies mogen geven. Eén over de enige God en de tweede, dat was donderdagavond, over de onzienlijke God. Wat wil het geval? De opname met de camera is mislukt, geheel door een fout mijnerzijds. Een hele domme fout — dat is meestal met fouten het geval — maar zo ging het nu eenmaal. Dat vond ik wel jammer, want een aantal dingen die ik daarin naar voren heb gebracht, wilde ik graag toch ook voor een breder publiek naar voren brengen. Dus ik heb mij genoodzaakt gezien om dit alsnog te herhalen.

Er kwam trouwens nog iets bij. Ik dacht aanvankelijk dat ik mijn excuses moest aanbieden aan Lena, omdat zij er afgelopen donderdag bij was, maar zij is er nu nog niet bij. Als ik zo in dit gezelschap kijk, was er niemand bij die er toen ook bij was, dus ik hoef me wat dat betreft niet te excuseren. Dat is dan ook weer mooi. Er gaat niks boven herhaling, en ook dat kan geen kwaad. Bovendien heb ik inmiddels nog wat wijzigingen aangebracht en zaken aangevuld, dus het is niet helemaal hetzelfde. Ja, er was nóg een motief, en dat is dat ik het weekend nog weer wat drukker kreeg dan aanvankelijk gepland, want er kwam een uitvaart die ik morgen mag leiden. Daar heb je dan ook zo je voorbereidingen aan. Vandaar dus dat ik hetzelfde thema behandel als afgelopen donderdagavond; dan weet u hoe dat zit en waarom ik dat inderdaad gewijzigd heb.

Het schriftgedeelte dat zojuist door Koos is voorgelezen, past helemaal in de lijn. Want ja, daar gaat het over die dingen die wij niet zien. Trouwens, even later in dat hoofdstuk lees je nog die befaamde woorden over Mozes: dat hij was als ziende de Onzienlijke. Voor de rest zal dat woord niet meer genoemd worden en komt deze tekst verder niet meer voorbij, maar dan heb ik dat bij dezen ook nog eventjes vermeld.

God de Onzienlijke en de Vergankelijke Mens ↑ hoofdstukken

Ja, de onzienlijke God. Laat ik het wat systematisch opbouwen, want er zijn verschillende dingen die hierbij van belang zijn. De waarheid dat God de onzienlijke is, komt op nogal wat verschillende plaatsen aan de orde. De eerste die me daarbij in gedachten komt, is 1 Timotheüs 1. Dat heeft trouwens ook nog te maken met de studie van afgelopen week. Toen heb ik de eerste studie gegeven over de enige God, en de tweede gaat dus over de onzienlijke God. In dít ene vers komen die beide begrippen, die beide bijvoeglijke naamwoorden, samen.

Paulus onderbreekt zijn betoog in een ode, in een lofprijzing die hij dan uit, en dan zegt hij: de Koning van de aeonen, van de wereldtijdperken. Er worden drie dingen van deze God, van deze Koning genoemd. Hij is de onvergankelijke, zodat Hij met recht ook deze hele wereld, deze vergankelijke schepping, transcendeert en te boven gaat. Daar maakt Hij geen deel van uit. Hij is de onvergankelijke en Hij is de onzienlijke, waarover vandaag dus veel meer.

Hij is ook de enige God. Hij is een éne God, dat wil zeggen dat Hij één is in Zichzelf. Wat Hij zegt, dat doet Hij. Hij is integer; Hij is een God uit één stuk. Hij is niet innerlijk tegenstrijdig, maar Hij is ook de enige God. Uniek, er is er geen ander. Daarom is Hij ook werkelijk God. Want op het moment dat er meer dan één God is, is God niet meer absoluut. Dan moet Hij Zijn macht gaan delen met een ander, en als je meer dan één God hebt, kan er geen sprake meer zijn van almacht. Terwijl dat nu juist zo'n karakteristiek is van de God die wij kennen, de God die Zich openbaart in de Bijbel: Hij is almachtig. Dat betekent per definitie dat Hij ook uniek en absoluut is. Hij is de enige God en Paulus schrijft dan: Hem zij eer, glorie en heerlijkheid tot in de aeonen van de aeonen. In de meest overtreffende aeonen die nu nog te gaan zijn, waarin Christus zal heersen, zal Hem de glorie worden toegebracht.

Maar hier gaat het dus om de onzienlijke. Ik wil nog een aantal andere schriftplaatsen daarbij noemen terwijl we kriskras door het Oude en Nieuwe Testament gaan. Exodus 33 is een prachtige schriftplaats waar je die geschiedenis leest die u wellicht kent. Mozes vraagt om God te zien. Er staat beschreven hoe hij in de rotsholte geplaatst wordt en hoe hij JAHWEH voorbij ziet trekken. Maar hij kan God slechts in de achterste delen, slechts achteraf, waarnemen. Daar zitten geweldige dingen in, ook in het feit dat hij veiliggesteld wordt in die rots. Waar zou dat toch van spreken?

Het gaat mij nu even om vers 20. Daar staat dat Hij zei: "Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven." Dit bepaalt ons meteen bij een heel belangrijk motief. Het wordt hier met een redengevend woord toegelicht: hoezo niet kunnen zien? Wel, geen mens zal Mij zien en blijven leven op het moment dat God gezien zou worden. Op dat moment breken de stoppen door, om het zo te zeggen. Dat kan geen mens verdragen. Dat God onzienlijk is, beschrijft in feite niet eens zozeer God Zelf, als wel ons onvermogen. Het is onze handicap: wij zijn niet in staat Hem te zien.

Waarom niet? Wij zijn vergankelijk. Op het moment dat God Zijn heerlijkheid toont, houdt het meteen op met ons bestaan. Dat kunnen wij niet verdragen. De suggestie is dat dit in feite anders wordt op het moment dat deze schepping in de onvergankelijkheid getild zal worden. De nieuwe schepping is onvergankelijk en dan wordt het verhaal anders. Maar voor een vergankelijk mens geldt: een mens kan God niet zien. Dat is per definitie onmogelijk, want dan blijf je niet leven.

En dat bepaalt ons meteen bij een ander punt, want het roept de vraag op: als je enige Bijbelkennis hebt, dan weet je dat God Zich in het Oude Testament dikwijls openbaart. Ik had het over de geschiedenis van Mozes, en juist van hem lezen we dat hij God gezien heeft. Er staat zelfs: "van aangezicht tot aangezicht", en dat lijkt heel tegenstrijdig. Er zijn heel wat meer gelegenheden waarin God Zich toonbaar maakt, Zich laat zien en Zich openbaart.

Dat confronteert ons eigenlijk met een tegenstrijdigheid, iets wat niet lijkt te kloppen. Aan de ene kant lees je dat God per definitie de onzienlijke is – de onvergankelijke, de enige en de onzienlijke God – en tegelijkertijd zijn er tal van schriftplaatsen waarin God wél gezien wordt. Hoe kan dat dan? Het antwoord is niet zo heel moeilijk, denk ik. Ik geef het tweede hoofdstukje meteen al even aan.

Zichtbaarheid in het Oude Testament Via Engelen ↑ hoofdstukken

God maakt Zich zichtbaar in het Oude Testament via engelen, via boodschappers – een engel in het enkelvoud of meerdere engelen. De eerste en eigenlijk ook de meest treffende schriftplaats in dat verband is die we lezen in Exodus 3. Daar lees je dit: Mozes was gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan, te hoeden. Eens, staat er dan, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb. En daar verscheen hem de engel van Yahweh als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd.

In feite is die braamstruik ook een prachtig type van het volk van God, het volk Israël, dat zich inderdaad bevond in de vurige oven maar niettemin bewaard bleef in Gods wegen. Maar dat even terzijde. Hem verscheen de engel van Yahweh. En ja, wat denk je dan als je zoiets waarneemt? Nou, dan staat er precies wat er van Mozes ook beschreven wordt. Mozes dacht: "Laat ik toch dat wondere verschijnsel gaan bezien, waarom de braamstruik niet verbrandt."

En daar komt het. Toen de Heer zag dat hij het ging bezien, riep God hem uit de braamstruik toe: "Mozes, Mozes!" En hij antwoordde: "Hier ben ik." Ik hoop dat u meteen in de gaten hebt waarom ik dit zo aanhaal. Want aan de ene kant lazen we in vers 4 dat Yahweh hem zag en hem vanuit de braamstruik toeriep, maar in vers 2 was het de engel, een boodschapper van Yahweh, die aan hem verscheen. De vraag is dan: hoe zat dat nu?

Het antwoord is – en we zullen dat op vele manieren nog zien – dat de engel de Heer, Yahweh, representeert. Die gedachte op zich is vrij logisch, want God stuurt in dit geval een engel die Hem vertegenwoordigt en die spreekt alsof hij de Heer Zelf is. Dat is wat vertegenwoordiging is: een representatie. Hij spreekt namens God. Dat zie je vervolgens bevestigd, want er staat in vers 5: "En daarom zei Hij" – de Heer of de engel, zo u wilt – "kom niet dichterbij, doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat is heilige grond." Dat is een gewoonte die we vandaag bij de moslims nog heel goed kennen: op het moment dat men in hun ogen heilige grond betreedt, doe je de schoenen van je voeten. Er zit trouwens ook Bijbelse symboliek achter. De gedachte is dat een mens op grond van zijn wandel, op grond van wie hij is in zijn doen en laten, niet bij God kan verschijnen. Daar zul je echt de schoenen van je voeten moeten doen, want schoenen zijn een beeld van de wandel van een mens. Die moet je afdoen.

Als we dan nog even doorlezen, zie je ook weer bevestigd wat ik zojuist al aangegeven heb. Voorts zei Hij – de Heer of de engel, eigenlijk de engel namens de Heer: "Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob." En toen verborg Mozes zijn gelaat, want hij vreesde God te aanschouwen. Dus ja, hij ziet God. Hij is ook bang om God te aanschouwen, maar niettemin is dat wat hij doet. Maar met dien verstande dat het een engel is die namens God verschijnt. Dat is eigenlijk de algemene Bijbelse logica: God verschijnt, maar dan doet Hij dat middels een engel.

En dat dat inderdaad zo is, dat we dat niet verkeerd lezen, blijkt ook wel. Want als later, 1500 jaar later, Stefanus op deze geschiedenis terugblikt, dan zegt hij iets soortgelijks. In Handelingen 7 vers 30 zegt hij: "En toen er veertig jaren voorbijgegaan waren" – Mozes was inmiddels een man van tachtig – "verscheen hem in de woestijn van de berg Sinai een engel in de vlam van een brandende braamstruik." Dus ook hier weer: Mozes zag via een engel God in de vlam. Het is een medium waarvan God Zich bedient, een boodschapper die namens Hem spreekt.

Trouwens, als je dan nog even doorleest in datzelfde Handelingen 7, dan staat daar aan het eind van dat lange hoofdstuk tegen het volk Israël gezegd: "Gij die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen." Dit is een waarheid die we meerdere keren, met name in het Nieuwe Testament, tegenkomen. Je vindt wel hints in het Oude Testament, maar het is vooral Paulus die daar ook heel expliciet over spreekt. Aan de ene kant lees je heel duidelijk dat op de berg Sinai, waar Mozes veertig dagen verbleven heeft, hij uit de hand van God de stenen tafelen ontving. God Zelf gaf de wet via Mozes aan Israël. Dat deed God Zelf. Ik zou wellicht meer teksten kunnen aandragen waarin je dat naar voren gebracht ziet, maar wat blijkt? Dit geschiedde via engelen. Juist in Galaten 3 maakt Paulus dit heel duidelijk: dat God inderdaad via Mozes de wet aan Israël gaf, maar dat dit gebeurde door de beschikking van engelen. Niet eens één engel, maar meerdere – hoeveel weet ik niet – maar in ieder geval bediende Hij Zich van engelen. Dat was de manifestatie van God, maar dus middels engelen. In Hebreeën 2 vind je dezelfde gedachte.

Eigenlijk zou je heel wat schriftplaatsen kunnen aanhalen. Ook in het boek Richteren, of als je zelfs terugbladert naar hoe God verscheen aan Hagar en aan Abraham toen de drie mannen bij hem op bezoek kwamen. Er zijn heel veel gelegenheden waarbij de Heer inderdaad verschijnt, maar dan staat er iedere keer – of vrijwel altijd – dat het engelen waren, of een engel, of zelfs de Engel die bij uitstek daarvoor door God gebruikt wordt. Via zo iemand verschijnt God dan aan een van de aartsvaders of bij welke gelegenheid dan ook.

Ik wil nog een voorbeeld geven, ook uit de woestijnreis, dat heel apart is. Als je Exodus 13 en 14 met elkaar vergelijkt, dan zie je weer exact dezelfde gedachte. Ik noem deze voorbeelden om te laten zien dat er een patroon in zit; je ziet elke keer dat dezelfde gedachte wordt opgedrongen. In Exodus 13 vers 21 staat dit: "Yahweh ging voor hen" – dat wil zeggen voor het volk Israël – "uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg en des nachts in een vuurkolom om hun voort te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan." Yahweh ging voor hen uit. Dan moet u even doorbladeren naar een hoofdstuk verder, in vers 19 van Exodus 14. Daar staat: "Toen verliet de engel Gods, die voor het leger van Israël uitging, zijn plaats en ging achter hen aan. Ook verliet de wolkkolom haar plaats aan hun spits en ging achter hen staan." Nou, hier weer: wat was het nou? Was het de Heer die hen voorging of was het een engel Gods? Het antwoord is: het was de Heer die Zich middels een engel manifest maakte. Zo ging Hij aan het volk van Israël vooraf. Als u beide schriftplaatsen met elkaar vergelijkt, dan is dat de gedachte die zich opdringt. En eigenlijk is het ook logisch, want hoe zou het anders waar kunnen zijn dat niemand God kan zien? God moet Zich dus bedienen van iets anders of iemand anders.

Zichtbaarheid Via de Zoon: het Beeld van God ↑ hoofdstukken

God maakt Zich zichtbaar via de Zoon. Dit is uiteraard een nieuwtestamentisch gegeven. Want ja, hoe was het ook alweer? De Zoon was al van meet af aan, vanaf de oorsprong van de menselijke geschiedenis, aangekondigd en God heeft Zijn Zoon gezonden in de volheid van de tijd. Dat wil zeggen: na vierduizend jaar menselijke geschiedenis heeft Hij Zijn Zoon gezonden. En wie is die Zoon precies? We komen daar straks nog op terug, maar Kolosse 1 werpt daar een geweldig licht op.

Als u daar even naartoe bladert — of een paar verzen terugleest — dan ziet u dat het gaat over de Zoon van Gods liefde. Over Hem gaat het. Hij is de Geliefde in wie God ons Zijn welbehagen heeft gegeven; de Zoon van Gods liefde. En Hij, de Zoon, is het beeld van de onzichtbare God. Hier komen beide elementen samen: God is de onzienlijke, de onzichtbare God. Dat kenmerkt Hem voor een gehandicapte, vergankelijke schepping. Maar Hij, de Zoon, is het beeld van de onzichtbare God. In het Grieks staat daar dat woordje dat we allemaal gemakkelijk herkennen: eikoon. Dat is ons woordje icoon of het Engelse icon. Het betekent 'beeld' en de gedachte daarbij is altijd die van representatie. Een beeld representeert iets anders.

Ik heb hier voor het voorbeeld even een munt. Een wat verouderde munt, want u ziet het hoofd van Beatrix hier afgebeeld, maar dat maakt niet uit. Je hebt kop en munt, maar dit is een beeltenis, een beeld. Waarom gebruik ik juist dit voorbeeld? Omdat het ook een heel Bijbels beeld is. De eerste keer dat het woord eikoon in het Griekse Nieuwe Testament voorkomt, is in Mattheüs 22. Daar lees je dat de Heer Jezus in een twistgesprek verwikkeld is met de farizeeën over het betalen van belastinggeld. De Heer vraagt dan: "Laat eens een muntstukje zien. Wiens beeld is dit?" Ze antwoorden: "Dat is van de keizer." Dan zegt de Heer: "Geef dan aan de keizer wat des keizers is, maar vooral aan God wat van God is."

Het beeld is een cruciaal punt. Met deze hele formulering raak je automatisch verzeild in de problematiek van de vele twistgesprekken over de vraag: "Is de Zoon God?" Het eerste grote concilie in 325 na Christus, het Concilie van Nicaea, ging in feite over die vraag: Arius versus Athanasius. Athanasius zei: "Jezus Christus is God de Zoon." Arius zei daarentegen: "Jezus Christus is niet God de Zoon, want er is maar één God: de Vader. Jezus Christus is de Zoon van God." Hoe ging het toen? Arius werd als ketter veroordeeld en de formulering van Athanasius — God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest — vormde de drie-eenheid. Dat is sindsdien de kern van de christelijke orthodoxie geworden; daar is de orthodoxie begonnen, recht in de leer.

Dan krijg je dus de vraag: is de Zoon God? Het punt is dat daar wel wat voor te zeggen is. Letterlijk is God de Onzichtbare; zo wordt Hij hier ook genoemd: de Onzienlijke. Dat staat er heel letterlijk. Hij is de afbeelding, het beeld, de eikoon van de God — de Onzichtbare. Daarmee is God gedefinieerd: Hij is de Onzichtbare. En de Heer Jezus is het beeld, de representatie van de onzienlijke God. Dit fenomeen kennen we allemaal als beeldspraak, zodat op de vraag of Jezus Christus God is, je twee antwoorden kunt geven die allebei correct zijn. Het antwoord is: "Nee, Hij is niet God, want Hij is namelijk niet de Onzichtbare." Integendeel, Hij is juist de manifestatie, de zichtbare uitdrukking. Hij is het beeld. Maar niettemin zijn er goede argumenten om te zeggen dat Jezus Christus wel degelijk God is, maar dan praten we over beeldspraak.

De Zoon wordt op dezelfde manier geïntroduceerd als wanneer de Heer Jezus, op de avond voordat Hij overgeleverd en gekruisigd wordt, het brood neemt en zegt: "Dit is mijn lichaam." De rooms-katholieken hebben daar de hele leer van de transubstantiatie uitgevonden: dat op het moment dat de priester de zegen uitspreekt, dat stukje brood daadwerkelijk verandert in het lichaam. Maar dat is getheologiseerd. Het is gewoon een heel bekende stijlfiguur die wij beeldspraak noemen en die we dagelijks gebruiken. Wat dacht u van Openbaring 1? Daar ziet Johannes zeven kandelaren en er wordt uitgelegd dat die zeven kandelaren zeven bergen zijn. Niet letterlijk natuurlijk, maar als beeld. Dat is wat het woordje "is" in het Grieks meestal uitdrukt: beeldspraak. Of wat dacht u van deze: later in het boek Openbaring ziet u die goddeloze vrouw. Dan staat er: de vrouw is de grote stad. Is dat letterlijk zo? Nee, het is beeldspraak. Is het daarom onwaar? Nee, het is geen stijlfiguur die we niet kennen. Als u een gele 'M' langs de weg ziet staan, zegt u: "Kijk, McDonald's." Is dat McDonald's? Nee, het is alleen maar het logo, het beeld. Je krijgt geen hamburger door naar die gele 'M' op zich te kijken, maar het staat daarvoor; het representeert dat.

Met de formulering dat de Zoon van Gods liefde het beeld, de eikoon, is van God de Onzichtbare, heb je een theologische kwestie die diep in de kerkgeschiedenis heeft ingehakt in één keer beantwoord met pure Bijbelse formuleringen. De Zoon wordt in datzelfde Kolosse 1 vers 15 ook nog de "eerstgeborene van elk schepsel" genoemd. Dat betekent overigens niet dat Hij als eerste geboren is, want dat is niet zo. Hij is tot eerstgeborene gesteld. Wie een klein beetje de geschiedenis van het boek Genesis kent, weet dat een eerstgeborene meestal niet degene is die als eerste geboren werd. Over Salomo lees je in Psalm 89 dat hij tot eerstgeborene is gesteld, als de hoogste van de koningen der aarde. Salomo was trouwens de tiende zoon van David, maar hij is tot eerstgeborene gesteld; het erfrecht is aan hem toegekend.

Er is een prachtig en heel duidelijk voorbeeld vanuit de Hebreeuwse Bijbel van dit fenomeen waarbij de Heer Jezus de representatie is van God. Ik noem hem daarom ook: Zacharia 12. Ik haal het nu even aan via de Statenvertaling, omdat de NBG-vertaling het heeft gladgestreken; daar hadden ze niets meer mee te doen. In Zacharia 12 staat iets wat heel actueel is, want het gaat over de eindtijd. Je moet het maar eens nalezen. Er staat dat Jeruzalem te dien dage een zware steen zal zijn die alle natiën moeten heffen.

En daar staat het bij: ze zullen zich daarover verwonderen. Neem eens een kijkje en houd het wereldgebeuren bij van wat er allemaal in het Midden-Oosten gebeurt. Het gaat allemaal om het landje Israël en vooral om die stad Jeruzalem. Maar dan lees je ook over de volkeren die ten strijde zullen trekken tegen Jeruzalem, in Zacharia 12. En daar staat in vers 10: "Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen."

Mij! Jawel, Hij is hier aan het woord. Ze zullen Mij aanschouwen. In de Statenvertaling staat dit volledig correct, want dit is wat er in het Hebreeuws staat. "Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen." Dan weet je ook meteen waarom de NBG-vertaling dit heeft vlakgestreken, want grammaticaal lijkt dit niet te kloppen. Als er staat: "En ze zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en ze zullen over Hem rouwklagen," dan zou je, als je het puur grammaticaal bekijkt, zeggen dat het een fout is. Want is de persoon die zij zien nu de eerste persoon, degene die spreekt — Ik — of is het een andere, derde persoon — Hij, Hem? Maar dat moet je niet wegvertalen; het is namelijk beide waar.

Ze zullen Mij aanschouwen. Dat lees je trouwens twee hoofdstukken later ook weer, in Zacharia 14, waar staat dat de volkeren ten strijde trekken. En dan staat er: "En Zijn, JAHWEH's voeten, zullen staan op de Olijfberg." En bij die gelegenheid zal de berg ook middendoor spleten. Ook dan staat er: JAHWEH's voeten zullen staan op de Olijfberg. Ja, wie is dat? Dat is de representatie van JAHWEH, namelijk degene die ook de naam van JAHWEH draagt. Jezus betekent: JAHWEH is redder. Hij komt dan trouwens ook om te redden.

Het is degene die zij doorstoken hebben en zij zullen over Hem rouwklagen. Het is dus beide waar. Ze zullen Mij aanschouwen — dat is beeldspraak — en ze zullen over Hem rouwklagen. Er staat nog iets bij: "als met de rouwklage over een enigen zoon." Ja, dat is Hij namelijk. "En zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene." Hier heb je beide termen: de enige geborene en ook de eerstgeborene. In eerste instantie is Hij de enige geborene, in een ander opzicht is Hij de eerstgeborene.

Dat is degene die zij zullen zien. Dat is degene die ze ooit hebben afgewezen; wat zeg ik, degene die ze ooit hebben vermoord en gedood. Dan zal alles worden rechtgezet. Waarom ik het hier noem, is dat degene die verschijnt JAHWEH Zelf is, maar dan als Zijn beeld. Het is een prachtig voorbeeld, nota bene profetisch, waarbij Zacharia — terwijl de Heer Jezus nog geboren moest worden en de Zoon van God nog moest komen — al over Hem profeteerde: wie Hij zou zijn, wat er met Hem zou gebeuren en hoe het volk Israël over Hem zou struikelen. Maar ook hoe Hij de eerstgeborene en de enige geborene is, en de representatie van God Zelf. En dan gaan we nu naar een vierde punt.

De Zoon Is Gesteld Boven de Engelen ↑ hoofdstukken

De Zoon is gesteld boven de engelen. Dit is een heel belangrijk punt waar we nu zijn aangeland in Hebreeën 1. De schrijver — ik denk dat het Paulus is geweest, maar dat maakt voor het verhaal verder geen verschil — valt meteen met de deur in huis. Het is niet eens een adressering; hij begint direct zijn betoog. Laten we het gewoon maar lezen: "Nadat God eertijds, in vroegere dagen, vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten." Via de profeten heeft Hij gesproken, vele malen en op vele wijzen. Er zijn allerlei methoden waarvan God Zich heeft bediend, maar we hebben gezien dat God Zich openbaarde en tot de vaderen sprak door bemiddeling van engelen.

Het gaat hier om het contrast met het Oude Testament. Eertijds sprak God op vele wijzen tot de vaderen, maar diezelfde God heeft nu in het laatste der dagen tot ons gesproken in de Zoon. De laatste dagen breken in feite aan op het moment dat de Messias komt. Je zou kunnen zeggen dat tweeduizend jaar geleden de laatste dagen in die zin al aanvingen toen de Messias verscheen in de volheid van de tijd. Schematisch voorgesteld: eertijds openbaarde God Zich via engelen, en nu in het laatste der dagen openbaart God Zich via de Zoon. Dat is karakteristiek voor de laatste dagen, maar het staat ook in contrast. Want hoezo nu de Zoon, en wat heeft dat te maken met engelen?

Laten we even doorlezen. De schrijver benoemt hier een zevental heerlijkheden, aspecten van de glorie van de Zoon. God heeft Hem gesteld tot erfgenaam van alle dingen. Hij is de hoogste erfgenaam, vandaar ook de eerstgeborene. De eerstgeborene is immers altijd de hoogste erfgenaam, namelijk van alle dingen. Er staat ook: "Door wie Hij ook de aeonen maakt." Ik moet hier eventjes een aanmerking maken, want in de NBG-vertaling staat hier dat Hij de wereld geschapen heeft. Maar 'geschapen' staat er niet, en 'de wereld' ook niet. Het is bovendien een meervoudsvorm, dus die vertaling lijkt eigenlijk nergens naar. Het gaat niet over de wereld en het gaat ook niet over scheppen; het gaat over het maken van aeonen. Het staat bovendien in de aorist, zonder een specifieke tijdsgedachte. Het idee is dat God door de Zoon de aeonen maakt, dat wil zeggen: Hij geeft die aeonen vorm.

Het gaat hier over de aeonen die nog gaan komen, waarin de Zoon de heerschappij zal opeisen en uitoefenen. Via Hem gaat God die aeonen maken en vormgeven. Het gaat niet over de huidige aeon, want daar is de tegenstander de god van, maar over de toekomende aeonen. Die gaat God vormgeven en maken via Degene die Hij tot erfgenaam van alles heeft gesteld.

In het derde vers komen we bij de echte aanleiding: "Deze, de Zoon dus, is de afstraling van Zijn heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen." Prachtig hoe dat hier genoemd wordt. Ik moet overigens nog een puntje op de i zetten: 'wezen' staat hier eigenlijk niet. In het Grieks staat het woordje 'hypostasis' en dat betekent letterlijk een 'onderstelling'. Het idee daarbij is dat een onderstelling een aanname is. De Zoon is de afdruk van wat God veronderstelt. Je krijgt dan deze gedachte: je ziet hier niet de zon zelf, maar wat je ziet is de afstraling, de lichtstraling. Die lichtstralen onderstellen de zon. De bron zelf wordt niet gezien — God is de Onzienlijke — maar de afstraling is wat er gezien wordt.

Hij is niet alleen de afstraling van Gods heerlijkheid, maar hij is ook de afdruk van wat God onderstelt. Het Griekse woord voor afdruk is overigens 'charakter'. Met een beetje fantasie herken je daar ons woord 'karakter' in, zoals een karakter op een typemachine een afdruk is. Wie een afdruk ziet, veronderstelt een stempel. Weliswaar zien we die stempel niet, want God is de Onzienlijke, maar in de afdruk herkennen we de Schepper. Dat is natuurlijk geweldig: Jezus als de Zoon van God maakt God zichtbaar. Zo zegt Hij het zelf ook: "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien." Ik representeer God volmaakt. Hij is de afdruk van Gods wezen, van dat wat van God niet gezien kan worden. Hij is de afstraling van Zijn heerlijkheid die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht. Dat wil zeggen dat de Zoon de afdruk is van Hem die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht.

Ik ga hier even snel doorheen. Hij heeft, na de reiniging van de zonden tot stand gebracht te hebben — wat uiteraard spreekt van de dood en de opstanding van de Heer Jezus Christus — Zich gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Dat is Zijn hemelvaart. En dan komen we bij het andere belangrijke punt: Hij is zoveel uitnemender en beter geworden dan de engelen als de naam die Hij als erfdeel ontvangen heeft uitnemender is dan die van hen.

Hier zien we het contrast goed. Eertijds openbaarde God Zich via engelen, maar nu in de laatste dagen maakt God Zich kenbaar in Zijn afdruk, in de afstraling in de Zoon. Nadat Hij gedaan heeft wat gedaan moest worden, is Hij gezet aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge. Hij is zoveel overtreffender dan de engelen. Hoezo die engelen? Nou, dat was de wijze waarop God Zich voorheen bediende en hoe Hij Zich eertijds openbaarde. Maar nu in de laatste dagen is het zoveel overtreffender. Hij, de Zoon, is zoveel beter geworden dan de engelen als de naam die Hij als erfdeel ontvangen heeft uitnemender is. Dat wil zeggen dat de wijze waarop God Hem aanspreekt zoveel meer is dan wat Hij ooit bij een engel heeft gedaan.

Wat is die naam dan? Laten we doorlezen, want het wordt toegelicht: "Immers, tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Mijn Zoon ben Jij, Ik heb Je heden verwekt?" Het is waar dat engelen bij gelegenheid in de Bijbel ook zonen Gods worden genoemd, maar ze worden nooit uniek als Zoon aangesproken, laat staan dat ze verwekt zijn. Tot wie van de engelen heeft Hij dit ooit gezegd? Dat is een retorische vraag. Het antwoord is namelijk: Hij heeft nooit welke engel dan ook aangesproken met "Mijn Zoon ben Jij, Ik heb Je heden verwekt". Dat is een citaat uit Psalm 2. Daar wordt al gesproken over de Messias die zal regeren en die straks de aarde, alle volkeren en alle landen zal opeisen.

En dan wordt er gezegd van wie Hij is. Wel, Hij is de Zoon van God, verwekt door God Zelf. Ja, om twee redenen trouwens. Want Hij is letterlijk de Zoon van God. Kijk, dat Hij God is, dat is beeldspraak. Maar Hij is letterlijk de Zoon van God, want God heeft Hem verwekt.

Er is maar één God, de Vader. En God heeft Hem verwekt, in de eerste plaats uit Maria. Je leest in Lukas 1 dat tegen Maria gezegd wordt: de Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom zal het heilige dat uit u voortkomt genaamd worden: Zoon van God. Waarom? God Zelf heeft Hem, met de kracht van de Allerhoogste, verwekt in Maria, of vanuit Maria.

En er is trouwens nog een reden en ik denk dat het 'heden' daarop slaat: namelijk toen Hij drieëndertig jaar later werd verwekt door God uit de doden. Ik heb expres even verwezen naar Handelingen 13. Het voert nu te ver om daar naartoe te gaan, maar kijk het maar eens na, dan zie je dat 'Ik heb U heden verwekt' slaat op de dag van de opstanding. Toen is de Zoon aangesproken en zei God: "Ik heb Je vandaag verwekt uit de doden." Dus in de dubbele zin van het woord is de Heer Jezus Christus verwekt.

En typologisch werd het ooit al uitgebeeld toen Hij uit het doopwater verrees. Dan wordt trouwens ook tegen Hem gezegd: "Jij bent Mijn Zoon, Mijn geliefde." Immers, tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: "Mijn Zoon ben Je, Ik heb Je heden verwekt"?

Dus Hij, de Zoon van God, is boven de engelen verheven. Al die verschijningen van engelen, hoe wonderbaarlijk ook in het Oude Testament, dat kan zich niet meten aan de verschijning in het laatst der dagen. De Zoon van God is zoveel meer dan welke verschijning van engelen in het Oude Testament ook.

Het Vleesgeworden Woord (johannes 1) ↑ hoofdstukken

En dan kom ik bij de laatste schriftplaats die ik nog genoemd wil hebben, en dat is Johannes 1. Daar gaat het over de Zoon, het vleesgeworden Woord. Laten we een paar verzen daaruit nemen. We beginnen bij het begin, met recht bij de beginne. Johannes 1 vers 1: "In den beginne was het Woord." De meeste mensen – ik moet het erbij zeggen – hierover is zoveel getheologiseerd, maar ook kapot-getheologiseerd. Men heeft het moeilijk gemaakt. Als je gewoon leest wat er staat – sorry dat het misschien wat arrogant overkomt, maar dan is het echt niet moeilijk. "In den beginne was het Woord." Welk woord? Nou, God sprak! Je leest in Psalm 33 dat door het Woord van JAHWEH de hemelen gemaakt zijn, want Hij sprak en het was er, Hij gebood en het stond er. In den beginne was het Woord: God sprak namelijk "Er zij licht" en er was licht. Dat was er in het begin.

"En het Woord was bij God", of eigenlijk "naar God toe". Het Woord verwees naar God. God werd niet gezien, maar wel gehoord. En op het moment dat het Woord gehoord wordt, verwijst dat uiteraard naar de Spreker. Ik bedoel, als je spreekt, dan verwijst het woord terug en veronderstelt het een spreker. Wel, het Woord was bij God en het Woord was God. Wie hoorde je spreken? God Zelf. En er staat nog bij: "Dit was in den beginne naar God toe." Niet alleen "bij", maar "naartoe"; het verwees naar God.

Ik moet daar nu even snel doorheen gaan om mijn punt te maken. Alle dingen zijn door het Woord geworden; ja, dat is gewoon een Bijbelse vaststelling. En zonder dit is geen ding geworden wat geworden is. God schiep alle dingen door Zijn Woord. We komen samen, we doen Bijbelstudie. Waarom? Omdat alles het Woord is. We hebben het nu vooral over het Woord dat gesproken is, maar ook het Woord dat op papier staat, dat zwart-op-wit staat: het Woord van God dat vastligt in de Schriften. Het Woord van God, dat zegt Hebreeën ook, is levend en krachtig, scherper dan enig tweesnijdend zwaard. Over Gods Woord denk je altijd te klein en te gering. Daarom ga je ook terug naar het Woord, want het Woord is alles. Het Woord is leven. Dat staat trouwens ook in Johannes 1: het Woord is leven en het leven is het licht der mensen. Dat is alles wat een mens nodig heeft. De beste bijdrage die je aan wie dan ook kan leveren is: spreek het Woord van Hem en vermeng het met zo weinig mogelijk woorden van jezelf. Maak in ieder geval een goed verschil tussen dat wat Hij gesproken heeft en jouw conclusies en jouw gedachten daarover.

God schiep alle dingen door Zijn Woord. Het Woord is hier dus niet een medeschepper of een tweede schepper. Het is niet zo dat God schiep, maar ook het Woord. Nee, God schiep door het middel van het Woord. Er is één Schepper en Hij schept, Hij creëert, Hij brengt voort, Hij genereert door Zijn Woord. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is.

En dan sla ik een aantal verzen over en kom ik aan in vers 14: "Het Woord is vlees geworden." Het heeft onder ons gewoond, en zegt Johannes dan, wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een Eniggeborene bij een Vader. Het Woord is vlees geworden. Hoe? Ik heb het zojuist eigenlijk al even aangegeven door te verwijzen naar Lukas 1. Als het Woord tot Maria komt en er wordt aangekondigd dat de kracht van de Allerhoogste haar zou overschaduwen, dan wordt zij door dat Woord zwanger. Het Woord van God dat tot haar kwam, werd vlees toen Hij werd voortgebracht, verwekt door God Zelf. Ja, dan lees je: "Het Woord werd vlees en heeft onder ons gewoond", getabernakeld, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd. En wat voor heerlijkheid was dat dan? Nou, het was een heerlijkheid als van een Eniggeborene bij een Vader.

Er is trouwens maar één mens in de hele wereldgeschiedenis die verwekt is door God Zelf, vandaar ook de Eniggeborene. Uniek! Er is maar één mens die verwekt is door God Zelf: de eniggeboren Zoon van God. En wij hebben Zijn heerlijkheid gezien; Hij was als de Eniggeborene bij een Vader. Wie was Hij dan voor Zijn geboorte? Er zijn hele discussies over, maar het Bijbelse antwoord is: Hij was het Woord. Vóór Zijn geboorte was Hij het Woord en sinds Zijn geboorte is Hij de Zoon van God. En in de dubbele zin van het woord is Hij ook de Zoon van God doordat Hij is verwekt uit de doden.

Nu sla ik nog drie of vier verzen over en kom ik bij vers 18. Niemand – en nu is eigenlijk de cirkel weer rond – niemand heeft ooit God gezien. Hoezo niet? Lees je dan niet heel vaak dat men God zag? Jawel, maar slechts indirect nam men God waar. De eniggeboren Zoon, de enige mens die door God Zelf verwekt is, de eniggeboren Zoon die aan de boezem van de Vader is, Die heeft Hem doen kennen. Let op: Johannes tekent dit evangelie dertig of veertig jaar later op, nadat dit allemaal zijn beslag heeft gehad. Johannes tekent dit op en spreekt over de Here Jezus Christus als de eniggeboren Zoon. En Hij is – dat is tegenwoordige tijd – aan de boezem van de Vader. Hij is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogte. Eigenlijk is het hier nog intiemer: de boezem van de Vader. Dit is dus de tegenwoordige tijd. Toen Johannes dit optekende, was het waar en tot op de dag van vandaag is het nog steeds waar. Hij is de eniggeboren Zoon. En waar is Hij nu? Wel, aan de boezem van de Vader. En Hij heeft Hem doen kennen. Hij is nu de Zoon, Godsgestalte en Godsafdruk.

Samenvatting: de Vijf Punten op een Rij ↑ hoofdstukken

Nou, laat ik het nog even kort samenvatten in die vijf punten. Ik geef toe dat het misschien aardig wat is wat u zo aan teksten krijgt voorgeschoteld, maar het is goed om het even op een rijtje te zetten.

God – dat moet duidelijk zijn – God is de onzienlijke. Niemand heeft in absolute zin God ooit gezien. Via engelen openbaarde Hij Zich eertijds in het Oude Testament en nu, sinds de laatste der dagen zijn aangebroken, de volheid van de tijd, openbaart Hij Zich via de Zoon, die Zijn beeld is, Zijn icoon, Zijn afstraling en afdruk. Deze Zoon is verheven; deze manifestatie van God is verheven boven alle engelen. Dit is van een heel andere orde, want tot niemand van de engelen heeft Hij dit ooit gezegd en gedaan.

En deze Zoon, wie is dat? Dat is het vleesgeworden Woord van God. Het Woord dat reeds van den beginne was. Let op: alle dingen zijn geworden, maar het Woord wás er. Het is geen creatie. God sprak en dat Woord is vleesgeworden.

Daarmee hebben we door de Bijbel heen kunnen bladeren en heel wat schriftplaatsen gezien waarin God Zich inderdaad kenbaar maakt als de onzienlijke, maar die Zich niettemin wel degelijk laat kennen. Gode zij dank. Daar hebben we heel veel reden voor om daar dankbaar aan te denken. Amen.

🎧 de onzienlijke God
Delen: