GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Psalm 8 – De Ben Adam

13-01-2013 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van samenkomst gehouden op 13 januari 2013 in Zoetermeer

Psalm 8 heeft de reputatie te handelen over de luister van de mens in het algemeen. Een groot misverstand! Psalm 8 is een profetische psalm, waarin David spreekt van Hem die een korte tijd beneden de engelen gesteld zou worden, vanwege zijn sterven, maar daarna met luister en heerlijkheid zou worden gekroond. De Zoon des Mensen, de Ben Adam is het grote onderwerp van deze machtige psalm!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Psalm 8 is een profetische psalm die niet slechts over de mens in het algemeen spreekt, maar specifiek vooruitwijst naar de Messias, de Ben Adam. Hij werd voor een korte tijd minder dan de engelen gemaakt om de dood voor eenieder te smaken en te overwinnen. Hoewel Zijn heerschappij in de huidige tijd nog verborgen is, regeert Hij in genade als Hoofd van de Ecclesia. Uiteindelijk zal alles, inclusief de dood als laatste vijand, aan Zijn voeten onderworpen worden. Dit alles leidt tot de definitieve voltooiing waarin God alles in allen zal zijn.

“Ooit kwam door Adam de dood in de wereld, maar door de Ben Adam wordt de dood volkomen tenietgedaan en buiten werking gesteld.”

Introductie en Voorlezing van Psalm 8 ↑ hoofdstukken

Ook van mijn kant een hele goede morgen, dames en heren, jongens en meisjes, vrienden. En in zekere zin zet ik het verhaal voort wat u zojuist hebt gehoord over bestemmingsplannen. Want als we ons vanmorgen eens wat nader willen bepalen bij Psalm 8, zoals u dat hier op het projectiescherm ziet, dan gaat het daar ook over. Psalm 8 is een profetische psalm, een psalm van David, en die gaat over toekomende dingen.

Ik stel voor, voordat ik wat nader zal ingaan op de verschillende verzen, dat ik eerst even de psalm in zijn totaliteit met u zal gaan lezen. En dan begin ik uiteraard bij vers 1. Ik sla even een paar woorden over die u in de Bijbelvertaling vindt – ik zal dat straks direct na de voorlezing toelichten – maar de psalm vangt aan met deze woorden: een psalm van David.

O Here, onze HERE – ik lees overigens voor uit de NBG-vertaling – hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde, Gij, die uw majesteit toont aan de hemel. Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen. Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren die Gij bereid hebt: Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt en het mensenkind dat Gij naar hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt en hem met heerlijkheid en luister gekroond. Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd: schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds, de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist. O Here, onze HERE, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde.

Waar de psalm mee begon, daar eindigt die ook mee. En dan lees ik even verder in hoofdstuk 9 vers 1: "Voor de koorleider. Op de wijze van: De dood van de zoon." En dat lees ik erbij, omdat dit doorgaans – en zoals dat in vrijwel alle bijbelvertalingen ook is weergegeven – bovenaan de volgende psalm staat. Maar degenen die een beetje vertrouwd zijn met het Engels en wel eens gehoord hebben van de Companion Bijbel – dat is in de Engelstalige wereld een beroemde bijbeluitgave – daar wordt het zo weergegeven dat die aanduiding voor de koorleider, in dit geval "op de wijze van de dood van de zoon", niet bij Psalm 9 hoort zoals men het geïnterpreteerd heeft.

Kijk, u moet het zo zien: de grondteksten, de Hebreeuwse woorden die beschikbaar zijn, kennen geen spaties en indelingen in hoofdstukken. Daar staan al die teksten gewoon onder elkaar en die indeling van verzen en van hoofdstukken is pas later gekomen. En dan is de vraag: wat hoort nou bij wat? Er is een hele goede reden om aan te nemen dat dit niet bij de volgende psalm hoort, maar een afsluiting is van de voorgaande psalm.

De belangrijkste reden daarvoor wil ik u noemen. Dat is dat we in het boek Habakkuk ook een psalm vinden. Eén psalm. En dat is zo'n fraai voorbeeld, want wat lees je dan aan het slot van het boek, in hoofdstuk 3 vers 19? Daar staat: "De Here HERE is mijn kracht; Hij maakt mijn voeten als die der hinden, Hij doet mij treden op mijn hoogten." En dan eindigt het boek en die psalm met: "Voor de koorleider. Met snarenspel." Die aanduiding van "voor de koorleider met snarenspel" kan hier niet op het navolgende slaan, want er is geen navolgend. Dus het is gewoon de afsluitende regel van dat wat daaraan voorafgegaan is.

Dat is een hele belangrijke aanwijzing ook voor het boek der Psalmen. Die aanduiding voor de koorleider en dan vervolgens "met snarenspel" of welke aanduiding ook nog meer, slaat op het voorgaande. Dus als we even teruglezen, dan is het zo dat die woorden van hoofdstuk 9 vers 1 hierbij horen. Houd dat in gedachten. Ik zal nog wel aanmerkingen gaan leveren op de vertaling die we hebben gelezen, want daar zitten toch wel een paar hele cruciale fouten in, maar houd even goed in het vizier wat er staat. Deze psalm is geschreven voor de koorleider, op de wijze van "de dood van de zoon". En dat is in hoge mate profetisch. Maar laat ik dan eerst maar eens beginnen bij het begin.

Een Psalm van David: een Profetische Blik op de Messias ↑ hoofdstukken

We gaan de Psalm zo even doorlopen. Dat kan niet al te uitgebreid, maar zodat we in een klein uur een overzicht krijgen van deze psalm. Het begint met: "Een psalm van David". Dat zijn de eigenlijke beginwoorden. Een psalm van David, de grote koning. Hij die ooit geboren werd in Bethlehem, de herder die zijn leven inzette voor de schapen, die ooit al bestemd was om koning te worden, maar daar ging nog een hele tijd overheen. Hij werd verworpen en pas na vele jaren werd hij daadwerkelijk koning over Juda en later ook over heel Israël. Een schitterend type van Hem die na hem zou komen: de Zoon van David, of in het Hebreeuws: de Ben David, de erfgenaam van David.

David leefde ongeveer 1000 voor Christus. Deze David was een koning, en de profetieën zijn talrijk waarin gesproken wordt dat iemand die uit zijn lendenen zou voortkomen, de Messias zou zijn. Ook het Jodendom, dat Jezus verwerpt, weet dat de Messias, de Mashiach, de Zoon van David zal zijn, voortkomend uit het geslachtsregister van David. Dat verklaart ook meteen waarom het Nieuwe Testament aanvangt met een koningenregister in Matthäus, maar ook in Lukas, om aan te geven dat die lijn van Jezus direct is terug te voeren op David. Dat is in ieder geval één van de redenen om dat te bewijzen.

Maar even terug naar 'een psalm van David'. Ik neem u mee naar de Pinksterdag, de beroemde Pinksterdag die we beschreven vinden in Handelingen 2. Daar voert Petrus het woord voor een hele mensenmenigte die daar was samengekomen en bedwelmd was vanwege alle wonderlijke verschijnselen die daar ter plekke plaatsvonden. Dan citeert hij kennelijk uit het hoofd allerlei psalmen en geeft hij op een gegeven ogenblik commentaar op die citaten uit de psalmen. Bij die gelegenheid haalt hij niet Psalm 8 aan, maar Psalm 16, ook een van de psalmen van David. Dan zegt hij over David: "Daar hij nu een profeet was...". In het Hebreeuws – het woord profeet is eigenlijk een Grieks woord – betekent 'pro-' letterlijk 'voor' en 'phete' heeft te maken met zeggen. Tevoren zeggen, voorzegging. Omdat hij nu een profeet was en wist dat God hem onder ede gezworen had. Dat doet God niet gauw, hoor. Bij slechts een paar gelegenheden lees je dat God een eed zwoer, vier of vijf keer in de Bijbel. Dat is trouwens heel bijzonder. Normaal gesproken belooft God gewoon, maar als Hij een eed zweert, dan roept Hij er ook getuigen bij zodat het dubbel vaststaat. Het is met opzet dat ik het zo zeg: dubbel, die eed.

God had hem onder ede gezworen dat één uit de vrucht van zijn lendenen – dat is wel wat oud-Nederlands, maar de betekenis is duidelijk: iemand die uit hem voort zou komen, uit zijn zaad, om zo te zeggen. Dat is een hele Bijbelse zegswijze. Wel, God had hem gezworen dat één uit de vrucht van zijn lendenen op zijn troon zou gaan zitten. Die belofte staat trouwens nog steeds. Mijn broer Dirk verwees daar eigenlijk al even naar toen hij het had over Jeruzalem, de stad waar beloften voor liggen. Die stad, waar nu nog zoveel tumult is en die eigenlijk een kruidvat is in het hele Midden-Oosten, dat is de stad van de Grote Koning waar de Mashiach zal regeren. Wel, dat zal iemand zijn uit het geslacht van David; dat was onder ede beloofd.

Er staat dat David, die een profeet was, in de toekomst heeft gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, de Messias. Christus is gewoon de Griekse vorm van Messias. Petrus gaat verder met zijn commentaar, maar daar gaan we het nu verder niet over hebben. Het gaat mij er nu even om goed te onderstrepen dat David een profeet was en in de psalmen schouwde in de toekomst. Allerlei woorden die op het eerste gezicht misschien heel gezwollen lijken – is dat niet wat overdreven om dat zo aan te geven? – Nee, het is geen gezwollen taal, geen hyperbool zoals men dat noemt, of een Hebreeuwse overdrijving. Nee, het is profetische taal. Hij voorzegt; hij heeft in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus.

Ik zal u vertellen: ook Psalm 8 is daarop geen uitzondering. Deze psalm is heel gemakkelijk aan te tonen als een profetische psalm, want het wordt in het Nieuwe Testament ook zo uitgelegd. Voor de uitleg van deze psalm hoeven we niet te gaan fantaseren; het Nieuwe Testament gaat ons daar direct in voor. Goed, we gaan verder: "O HERE, onze Here". In onze vertaling is dat niet zo duidelijk, want dan lijkt het net alsof er twee keer hetzelfde gezegd wordt. Maar in werkelijkheid is het zo: die 'HERE' met hoofdletters is de naam van God, Yahweh. U ziet hier onderaan de interlineair voor degenen die kritisch meelezen. Dan kunt u zien wat er letterlijk in het Hebreeuws staat en de letterlijke weergave, de wijze waarop het in de NBG-vertaling is weergegeven. Letterlijk staat er dus: "Yahweh onze Heer, onze Adonai". Hij die de eigenaar en bezitter is van alles. "Hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde", waarbij de nadruk ligt op het feit dat dit niet slechts in Israël geldt, maar overal elders.

Vervolgens: "Gij, die Uw majesteit toont aan de hemel." Ik moet nog even dit zeggen over die 'ganse aarde': ook dit blijkt profetisch te zijn. Er komt een tijd dat die naam van God, de naam van Yahweh – dat is wat David hier voorzegt – heerlijk zal zijn over de ganse aarde. Waarbij hij natuurlijk doelt op het Messiaanse Rijk, waar eenmaal de kennis van Yahweh zo groot zal zijn. Hoe staat dat elders in de profeten? Dat de kennis des HEREN de aarde zal overdekken zoals de zee de zeebodem bedekt. Zo zal de wereld vervuld zijn.

Maar ik zal u nog even iets bijzeggen: in Psalm 8 verwijst David ook naar de verborgen dingen, naar de huidige tijd. Hij openbaart het niet, laat ik het duidelijk zeggen. De openbaring van die verborgenheden vind je elders, dat doet met name de apostel Paulus. Hij openbaart verborgenheden, maar die verborgenheden vind je al in de psalmen; dat er een keer een tijd zou zijn dat de naam van de Here ook elders op de aarde zou klinken, en dan vooral ook in de tegenwoordige tijd. Ik kom daar nog even op terug.

Eerst nog even dit gedeelte van vers 1: "Gij, die Uw majesteit toont aan de hemel." Letterlijk staat er: "Gij, die Uw majesteit geeft boven de hemelen." Bereidt u er even op voor – we hebben het eigenlijk al gelezen – dat die majesteit waarover hier gesproken wordt, gaat over de majesteit van de maan en de sterren. Dat is waar. Maar als je het letterlijk leest, gaat het hier over een majesteit die niet getoond wordt aan de hemel, maar die Hij geeft boven de hemel. Ik zou zomaar een heel aantal schriftplaatsen in het Nieuwe Testament kunnen citeren – ik doe dat nu trouwens niet – waar gesproken wordt over Iemand die geplaatst is boven alles van de hemelen en aan wie heerlijkheid en eer gegeven is. U voelt natuurlijk direct aan dat ik het uiteraard heb over de Zoon van David, die momenteel gekroond is met eer en heerlijkheid. Wel, Hij heeft een majesteit ontvangen boven alles van de hemelen. Ik ga verder.

Lof Bereid uit de Mond van Onmondigen ↑ hoofdstukken

Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. En dan uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen. Je moet eventjes door de wat oudere taal heen prikken, maar laat ik nader ingaan op waarom ook deze woorden in het Nieuwe Testament worden geciteerd. Je leest in Matteüs 21 — ik ga er meteen maar even naartoe — in vers 15 het volgende: "Toen de overpriesters en de schriftgeleerden de wonderwerken zagen die Hij deed..." Dat was duidelijk. Die wonderwerken bewezen allemaal Zijn identiteit; wie Hij was en dat Hij met recht Degene is die voorzegd was. Wel, ze zagen dat, maar vervolgens ook de kinderen die in de tempel riepen: "Hosanna!"

Dat is trouwens ook een woord uit de Psalmen, uit Psalm 118. "Red toch!", dat betekende Hosanna. Sommigen hebben gedacht dat het de naam van die ezel was, maar dat is niet zo. Hosanna? Nee, laten we serieus zijn. Ze riepen: "Hosanna de Zoon van David!" En toen namen zij dat kwalijk. Dus die overpriesters en de schriftgeleerden, die waren geïrriteerd. Nou, veel meer dan dat, dat bleek wel diezelfde week nog. Vanwege de wonderwerken die onmiskenbaar waren en dus ook niet te loochenen, maar vervolgens ook vanwege de kinderen die in de tempel dit riepen. Ze namen dat kwalijk.

En dan lees je: "En ze zeiden tot Hem: 'Hoort Gij wat dezen zeggen?'" Zo van: dat zou Godslasterlijk zijn. En toen zei Jezus tot hen: "Ja, dat hoor ik. Hebt gij nooit gelezen..." — en nu gaat Hij iets citeren uit de Psalm waar wij het vandaag over hebben, Psalm 8 — "...Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid?" Hebben jullie dat nooit gelezen? Dat wil zeggen: lof komt voort uit die kleine kinderen. Die begrijpen het heel wat beter dan die overpriesters en die schriftgeleerden met al hun kennis. Ondanks hun status bleken zij niet in staat te zijn Degene te herkennen die zo duidelijk bewees te zijn wie Hij was, namelijk de Zoon van David, de aangekondigde Messias. Maar die kleine kinderen hadden het donders goed in de gaten. Zij spraken Zijn lof en Jezus wijst hen daar fijntjes op: "Hebben jullie dat nooit gelezen in Psalm 8?"

En die tegenstanders, die vijanden en die wraakgierigen? Nou, we weten dan meteen ook over wie dat gaat. Ik wil er trouwens bij zeggen dat die categorie van de kleine kindertjes nog uitgebreider is. Niet alleen fysiek natuurlijk; hier in dit geval waren het letterlijke kleine kindertjes. Maar als je even tien hoofdstukken terugbladert in datzelfde Matteüs-evangelie, dan komen we in Matteüs 11. Dat was trouwens ook in de tijd dat Jezus verworpen werd. Dat was in Galilea, in het noorden van Israël; Hij werd verworpen door de synagogen en ook weer door de priesters en de schriftgeleerden. En dan lees je, terwijl de afwijzing zo massief was: "Te dien tijde hief Jezus aan en zei: 'Ik dank U, Vader.'"

Dat is een heel frappant verband trouwens, want juist hier wordt gesproken over zo’n sterke afwijzing. Dat zal Jezus aan den lijve hebben gevoeld. Als je zo wordt miskend, terwijl je de dingen zo duidelijk naar voren hebt gebracht vanuit het Woord en men wil er niet aan... hoe pijnlijk moet dat zijn geweest? En wat doet Jezus? Hij hief aan en zei: "Ik dank U, Vader. Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen..." — dus tussen aanhalingstekens — "...verborgen hebt, maar aan kinderkens geopenbaard."

Letterlijk staat er "onmondigen", dezelfde kinderen waar we het over hadden. Zij weten het. Dat is geen kwestie van kennis vergaren en door status ergens komen. Nee, mensen die van zichzelf niets weten, die geloven gewoon. Trouwens, in de Bijbel lees je dat ook in de Evangeliën: geloven als een kind. Zij gaan zich niet afvragen: hoe kan dat nou en zal dat allemaal wel zo zijn? Nee, er staat geschreven en zo is het. Geloven als een kind is een categorie die de woorden van God niet hoeft te leren; zij accepteren die gewoon. Pas als je volwassen wordt, dan raak je dat kwijt. Dan verleer je eigenlijk het vermogen om gewoon te accepteren.

Maar het wordt ons ten voorbeeld gesteld. Het gaat er niet om dat je niet nadenkt; als er één soort mensen is die ook nadenkt en altijd maar vragen stelt, dan zijn het juist kleine kinderen. "Waarom dan?" Dat is die nieuwsgierigheid van kleine kinderen. Maar ze stellen nog niet de eis van: ik moet het begrijpen en dan pas accepteer ik het. Kleine kinderen weten sowieso op voorhand: ja, dat begrijp ik toch niet, maar wat zou dat? Daar kom ik later wel achter. Die instelling, die openheid, dat gewoon kunnen absorberen als een spons en alles tot je nemen... dat geloven als een kind.

Ik wil daar verder nu niet meer over zeggen, behalve dit: als daar in Psalm 8 gesproken wordt over kinderen die Hem lof bereiden, dan is dat natuurlijk letterlijk waar. Maar het is ook in geestelijke zin waar: zij die geloven als een kind. Ook vandaag. Ik zeg "ook vandaag", waarom? Omdat ik geloof dat deze Psalm ook juist daarover spreekt. Over de huidige tijd. De tijd waarin het in de wereld nacht is, waar ook over gesproken wordt in deze Psalm.

De Nietigheid van de Sterveling Onder Gods Sterrenhemel ↑ hoofdstukken

Aanschouw ik Uw hemel, het werk van Uw vingers. Dat onmetelijke heelal, die ruimte. Een paar maanden geleden hebben we daar een Bijbelstudie over gehouden. Een wat controversieel onderwerp over dat uitspansel, waar dat dan staat en dergelijke. Nou, daar gaan we nu niet nog eens een keer dunnetjes over doen. Maar het is zo wonderbaar.

Aanschouw ik Uw hemel, het werk van Uw vingers. Moet je nagaan hè? Dat spriegelwerk voor God. Dat geweldige heelal, die schier oneindige ruimte. Het is het werk van Zijn vingers. Niet het werk van Zijn handen, maar van Zijn vingers. Dat is onze God. De maan en de sterren. U ziet, er wordt verwezen naar de nachtelijke hemel. Niet over de zon, niet over de dag, maar over de nacht. In overdrachtelijke zin leven wij nu ook in de nacht.

Aanschouw ik dat? De maan en de sterren die Gij bereid hebt. Ik weet niet in hoeverre u daar wel eens oog voor hebt. Zelf ben ik daar altijd erg door geïmponeerd. Ik vind het heerlijk om zomaar bij een heldere hemel – wat in Nederland natuurlijk niet al te vanzelfsprekend is – in de nacht omhoog te kijken en die sterren te zien. Wat dat betreft is het trouwens aan te bevelen om eens wat zuidelijker te gaan, want dan zie je nog veel meer. Dan moet je naar de woestijn gaan. Ik heb nooit een sterrenhemel zo mooi gezien als toen ik ooit een keer een reis heb gemaakt door de Sinaï-woestijn. Geweldig wat je dan ziet. En dan word je zo verschrikkelijk klein. En dat is precies ook de bedoeling; dan word je weer een kind.

En dan staat er: wat is dan de mens? Wat is de mens? Letterlijk staat er trouwens een Hebreeuws woord, Enos, en dat heeft te maken met een sterveling. Wat is dan een sterveling, dat Gij zijner gedenkt? Als ik dat zie en je ineenkrimpt, zo klein wordt en gaat reageren: dit is de creatie van Zijn handen. Waarbij trouwens ook alles – en nu verwijs ik even naar wat eerder gezegd is – zo geweldig getimed is.

Een van de dingen waarin het hemelruim zo indrukwekkend is, is niet alleen de enorme ruimte die God daarin uitgespannen heeft, maar ook de timing; hoe alles perfect tot op de seconde nauwkeurig als een uurwerk draait. Dat is precies waarom de astronomische wetenschap ook zo exact is. Men weet precies wanneer de zon opkomt. Dat alles op de seconde nauwkeurig functioneert, dat is allemaal design en dat is allemaal getimed. En als je dat alles aanschouwt, dan stel je de vraag: wat is dan de sterveling dat Gij zijner gedenkt? En nu gaat David nog wat verder: en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet.

De Ben Adam: de Definitieve Mens en Erfgenaam ↑ hoofdstukken

Ik kom nu op een punt waarmee ik meteen de titel van deze studie of predicatie kan toelichten. U hebt op het titelblad gezien dat ik dit thema heb meegegeven: De Ben Adam. Welnu, hier wordt in het Hebraeus gesproken over Ben Adam. Letterlijk is dat 'zoon van mens' of 'zoon van Adam'. Het Hebraause woord voor mens is Adam. Dat kan slaan op de mens in het algemeen, maar het kan ook slaan op die ene mens, de eerste mens. Dan is het een persoonsnaam: de Adam. Ik ken ook nog andere Adammen – er zitten hier zelfs Adams in de zaal – maar ik heb het nu even over de eerste Adam, aan wie de hele mensheid haar naam heeft ontleend. Heel de mensheid is in hem begrepen; we komen uit die Adam voort.

Het is jammer dat men die aanduiding in de NBG-vertaling heeft weergegeven met 'het mensenkind', want dat klinkt te algemeen. Het is Ben Adam. Dat is de zoon van Adam. Die uitdrukking, die we in het Nieuwe Testament talloze keren tegenkomen als 'Zoon des mensen', is hier onder andere aan ontleend. Maar wat is dat precies? We zijn wellicht gewend om die uitdrukking te bezigen, maar het gaat over Ben Adam: de zoon, dat wil zeggen de erfgenaam van Adam. Adam, aan wie heel de schepping was gegeven; alles was onder zijn voeten gelegd. Dat lees je al in Genesis 1. Maar ook daaraan is al eerder gerefereerd: Adam is uit de hof gezet, en niet omdat er iets misging, hoor. Hij is uit de hof gezet omdat uiteindelijk alle kaarten waren gezet op de laatste Adam.

Je hebt de eerste Adam en je hebt de laatste Adam. En in die laatste Adam is eveneens heel de mensheid begrepen. De schriftgeleerden van tegenwoordig weten dat wellicht niet, maar de Bijbel spreekt daar gewoon over. Heel de mensheid, zoals heel de mensheid begrepen is in die eerste Adam – alle mensen zijn stervelingen, alle mensen zijn zondaren, dat is geen keuze maar een gegeven – welnu, zo is ook heel de mensheid, al die miljarden, begrepen in die laatste Adam. Let op: niet de tweede Adam. Het is de 'tweede mens', zegt Paulus in 1 Korinthe 15, maar het is de laatste Adam. Daarna komt er niets meer. Het is niet zo dat we moeten afwachten of het met die Adam ook weer niet misgaat. Nee, Hij is de laatste: de definitieve versie. De zoon, de erfgenaam. Hij krijgt dat wat ooit aan Adam was gegeven, maar die werd een sterveling en zou het uiteindelijk verspelen. Het gaat hier over de Ben Adam, een schitterende aanduiding van ten diepste de Messias. "Wat is de Ben Adam dat gij naar hem omziet?"

Wat is er met die Ben Adam aan de hand? Nu komen we op een heel lastig vers. Waarom? Omdat de NBG-vertaling het weergegeven heeft op een wijze waarvan ik durf te zeggen dat ze niet Bijbels is. Naar strikt Hebreeuwse maatstaven is er ongetwijfeld wat voor te zeggen, maar op het moment dat we de hele Schrift erbij betrekken, lijkt dit nergens naar. Het zet je ook op een heel verkeerd been. In de NBG-vertaling lezen we: "Toch hebt Gij hem..." – dan denkt men dat het gaat over het mensenkind, over u en mij en al die andere mensen – "...bijna goddelijk gemaakt." Maar degenen die een Statenvertaling hebben, lezen iets heel anders. Eigenlijk zelfs een tegengestelde betekenis. Zij lezen een weergave die voortkomt uit de Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament. Die geeft dit weer met: "een weinig minder dan de engelen" (de Elohim) gemaakt. De betekenis is compleet anders. Hier is de gedachte, zoals de NBG dat weergeeft: "Gij hebt hem bijna als God gemaakt." Maar wat er in werkelijkheid staat – en ik zal straks echt de 'bonnetjes' geven, u moet even geduld hebben – is dit de geïnspireerde gedachte: niet dat Gij hem een klein beetje minder dan God hebt gemaakt, maar dat Gij hem "een weinig" – een korte tijd namelijk – minder dan de engelen hebt gemaakt.

Ik geef toe, Elohim kan natuurlijk ook gewoon God zijn. Ik ga nu niet op alle vertaaltechnische aspecten in en houd het eenvoudig. Ik wil u straks meenemen naar diverse passages in het Nieuwe Testament waarbij de betekenis onmiskenbaar is. Dit gaat over die ene Zoon des mensen, over Ben Adam. Deze woorden worden ook inderdaad geciteerd in het Nieuwe Testament. Die andere weergave kunt u wel vergeten; Psalm 8 gaat niet over de mens in het algemeen. Psalm 8 gaat over dé Mens, Ben Adam, die een korte tijd of een weinig minder dan de engelen gemaakt is. En dan staat erbij: "en hem met heerlijkheid en luister gekroond."

Ik lees even verder: "Gij doet hem heersen over de werken van Uw handen." Dat is een prachtige aanduiding van de schepping die we vaker vinden, met name in de Psalmen. Over de hemel lazen we zojuist, over de maan en de sterren: het is het werk van Zijn vingers. Maar de schepping in het algemeen is het werk van Zijn handen. Dat wilde ik zojuist nog even zeggen toen we het over de schepping hadden. Ik zag eerder deze week een uitzending op televisie met een bekende cabaretier, Joep van 't Hek, die werd geïnterviewd door een verslaggever van de EO. Hij vertelde dat hij zo onder de indruk was van de schepping; hij geloofde dat er "iets" moest wezen. Hij sprak ook letterlijk over "de schepping". Toen zei die gast van de EO: "Maar dan is er ook een Schepper." Nee, nee, nee, daar verweerde hij zich tegen. Hij had geen problemen om te spreken over een schepping, maar om over een Schepper te spreken? Nee, dat kon niet. Ik moest lachen, want ik dacht: hoe zit dat dan met zo'n woord? Een schepping veronderstelt toch een Schepper? Of ben ik nu gek? Iemand die de dingen gemaakt heeft. Maar dat ging hem te ver.

Dat is echter waar deze Psalm op wijst: over de grote God, de Schepper inderdaad van hemel en aarde. En dan wordt er gezegd: "Gij doet hem" – en dan is dat uiteraard diegene die minder gemaakt is dan de engelen, maar vervolgens met heerlijkheid en luister gekroond is – "Gij doet hem heersen over de werken van Uw handen; alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd."

Jezus, Vanwege het Lijden Des Doods Beneden de Engelen Gesteld ↑ hoofdstukken

Waar gaat dit over? Ik heb het al aangegeven: het gaat hier over de Heer Jezus Christus. Maar nu ga ik het bewijzen, en het bewijs bij uitstek vinden we in Hebreeën 2. Daar gaan we dan ook meteen maar even naartoe. Daar lees je dit – en ik val midden in het verband – dat de schrijver, die zijn naam niet bekendmaakt (dus we houden het maar even op de schrijver van de Hebreeënbrief), zegt: "Iemand heeft ergens betuigd". En ik kan u verklappen: hij gaat nu spreken over David. Die "iemand" is David en dat "ergens" is Psalm 8.

Hij citeert dan: "Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet?" Die Ben-Adam, weet u nog? En nu komt het – dit is nog steeds een citaat: "Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond; alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen." Die "Gij" is uiteraard Yahweh en die "hem", dat is Ben-Adam, de Mensenzoon. Hier ziet u dat als de schrijver van de Hebreeënbrief Psalm 8 citeert, hij het niet heeft over "bijna goddelijk gemaakt". Nee, hij zegt: "Dit is wat er staat in de Psalmen." Dit speelt zelfs een grote rol in zijn hele betoog; het is niet iets wat arbitrair is of onbelangrijk. Nee, dit is heel cruciaal, want om erachter te komen over wie het gaat, is deze zinsnede buitengewoon belangrijk.

Hier zegt de schrijver: "Dit is wat er staat." Trouwens, de Joden in het buitenland wisten dat allemaal, want de Joden die destijds geen Hebreeuws kenden, hadden allemaal een Septuagint. Dat wil zeggen: de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament. En zij lazen het allemaal zo. De schrijver van de Hebreeënbrief hoefde dit dus ook helemaal niet toe te lichten; dit was gewoon bekend: "Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond; alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen."

Nu gaan we naar het commentaar, want tot zover het citaat. De schrijver vervolgt nu met zijn eigen woorden: "Want bij dit 'alle dingen hem onderworpen', heeft hij niets uitgezonderd." We komen straks trouwens nog op een uitzondering, maar dat is een apart verhaal. "Alle dingen hem onderworpen, heeft hij niets uitgezonderd dat hem niet onderworpen zou zijn." Ja, er staat dat alle dingen hem onderworpen zijn, maar, zegt hij: "Doch thans zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn." Nee, daar valt op dit moment nog helemaal niets van te zien, van die heerschappij over alle dingen. Als we het hebben over Jezus Christus: Hij heeft de naam boven alle namen ontvangen, alles is onder Zijn voeten gesteld, en toch zien we er nog niets van.

Dat komt omdat Hij de heerschappij nog niet op Zich genomen heeft. Of, je moet het eigenlijk anders zeggen: Hij heerst in genade. Dat wil zeggen dat Hij niet ingrijpt. In de praktijk is dat hetzelfde: als een heerser niet ingrijpt, dan zie je niets van zijn heerschappij. Dat is de huidige gang van zaken. Daarom heet dit ook – nou ja, in ieder geval is dat één van de redenen – de huishouding van genade. God heerst in Zijn Zoon in genade. Hij grijpt niet in, Hij oordeelt niet, Hij voert geen gerichten uit. Daarom zien wij nog niet dat alle dingen hem onderworpen zijn. Het is verborgen; wij zien het niet.

Dat is trouwens ook weer een verwijzing naar de nacht, waar de vorst der duisternis heerst. Eigenlijk is dat die maan; dat lees je al in Genesis 1. De zon wordt gesteld tot heerschappij over de dag en de maan wordt gesteld tot heerschappij over de nacht. De maan is om zo te zeggen de nachtvorst. Dat is wel aardig in deze tijd van het jaar: de vorst van de nacht, hij die heerst in de nacht, in de duisternis. Wel, daar gaat het over. In deze tijd is er Iemand aan wie alles is onderworpen, maar daar is nog niets van te zien. Ook dat is "by design".

Maar wat zien we dan wel? De schrijver gaat verder: "Maar wij zien Jezus." In de naam van Jezus zit trouwens ook die naam van Yahweh; Jezus betekent "Yahweh redt". Maar wij zien Jezus – en nu zet hij iets tussen haakjes, een tussenzin: "Die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was." Aha, daar hebben we het weer: "een weinig minder dan de engelen". Waar gaat het over? De schrijver zegt dat dit simpelweg is "vanwege het lijden des doods". Hoezo een weinig minder dan de engelen? Wel, engelen sterven niet. Engelen gaan niet dood. Dus als Hij een korte tijd "een weinig minder" is – en het is niet lang geweest, maar een paar dagen – dan duidt dat erop dat Hij onder de engelen gesteld is omdat Hij stierf, of voor een korte tijd dood is geweest. Engelen ondergaan dat niet; die kennen dat verschijnsel van het lijden des doods niet.

Daarom: "Die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was, vanwege het lijden des doods." Daar gaat het over. Dus als de schrijver van Psalm 8, David, spreekt over Hem die na hem zou komen, de Zoon van David, die ook de Zoon van Adam is, de Ben-Adam, dan gaat het over Jezus. Hij is inderdaad voor een korte tijd "een weinig minder dan de engelen" gemaakt vanwege het lijden des doods. Een korte tijd, want drie dagen later verrees Hij uit het graf. Er staat trouwens nog bij: "Opdat hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken." Ik had dat ook met kapitaalletters en vetgedrukt kunnen weergeven. Waarom moest Hij sterven? Om op te kunnen staan uit de dood. Om sterker te zijn dan de dood. Hij bewees de overwinnaar te zijn van en over de dood, en Hij heeft voor ieder die dood gesmaakt.

Ook hierin zie je al aangegeven waarom Hij de Ben-Adam is: alle mensen zijn in Hem begrepen. Dat is Gods genade. Dat is zo’n geweldige boodschap! Dat is het goede bericht, de blijde tijding; dat is precies wat God aan de mensheid mede te delen heeft. Zijn liefde: "Ik ben jouw God. Ik heb alles in Mijn handen, Ik beschik alles." Inderdaad, Hij heeft een bestemmingsplan waar niets buiten valt. Het gaat perfect getimed, zoals dat aan de hemel ook gaat. Nu zie je nog niets, het is inderdaad nacht, maar er zijn mensen voor wie de ogen al geopend zijn en die zien Hem. Die zien Hem zitten. Ja, die zien hét zitten! Wij zien het zitten, want wij kennen God. Wij weten dat er niets misgaat; alles komt daar waar Hij het hebben wil. Wat Zijn liefde wil bewerken, ontzegt Hem Zijn vermogen niet.

En of je het nu gelooft of niet, dit is geen oproep. Dit is geen vraag. Dit is ook geen vermaning. Dit is een mededeling. Gisteravond hadden we een feestje en toen hadden we nog een hele leuke discussie – of nou ja, geen discussie, maar een gesprek – met een aantal mensen over deze dingen. Dat ging over de essentie van het evangelie. En wat je dan eigenlijk doet – en dat vind ik zo geweldig – is mensen eraan herinneren dat God, God is. Eigenlijk is het een open deur intrappen. Als ik zeg: "André is André", dan begrijpt u dat ook wel. Maar het gaat erom mensen erop te wijzen: God is God. Ik wil ook nog even dit zeggen: soms hoor je mensen vragen of God niet probeert mensen te trekken. Toen zei ik: "God probeert?" We hebben het over een Almachtige! Ineens zag ik het in haar ogen en ze zei: "Ja inderdaad, wat heb ik gezegd?" Een mens voelt dat aan.

God probeert toch niet. God doet. Hij beschikt. Hij laat niet varen het werk van Zijn handen. Wat dacht je? Het is het werk van Zijn handen; daar kom je niet aan. Misschien laat Hij het los, maar dat is ook allemaal gepland om dingen te bewijzen. Alles past in Zijn plan.

Wat je doet als je vertelt over de blijde boodschap... Je spreekt over die genade Gods. Je spreekt over het feit dat we een God hebben. En we kennen Iemand die de dood voor een ieder smaakte en die inderdaad, na een korte tijd in het graf geweest te zijn, rees uit het graf. Hij is de grote Overwinnaar. Een kind kan het begrijpen: er is Iemand die sterker is dan de dood. En dus zien wij over alles heen. Dat is toch geweldig als je dat weet? Dat heeft niets te maken met voelen; dat is weten. Maar als je dat weet, als je die hoop hebt, dan lééf je nu ook. Hoop doet leven, nu al. Dat maakt je nu al gelukkig. Je hebt uitzicht.

Wel, ik ga nu even... en weer terug; ja, dat moet. Wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken. En nu maakt hij de zin af – want dit zou je allemaal tussen haakjes kunnen zetten – maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond. Alsjeblieft.

Wie is die Ben Adam van Psalm 8 waar David over spreekt? Nou, dat hoeft niet te verbazen. Dat is één Iemand die daarvoor in aanmerking komt: Hij die een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, maar die nu gekroond is met eer en heerlijkheid. Dat wordt nu nog niet gezien. Het is nacht in deze wereld. En straks, als de Zon der gerechtigheid op zal gaan – maar daar gaat zo'n macht niet over – ja, dan wordt het dag. Dan is het onmiskenbaar.

De Verborgen Heerlijkheid: de Ecclesia als Zijn Lichaam ↑ hoofdstukken

Maar nu in deze tijd... laat ik nog een woord nemen waar ook Psalm 8 aangehaald wordt. Nou, aangehaald is een groot woord; het is meer dat daar wordt aan gerefereerd. Efeze 1, Paulus in vers 22. Ik zou graag het verband er nog bij halen, maar dat doe ik niet, want daar kom ik niet meer aan toe. Maar lees even met mij mee: "En Hij" — dan gaat het over God — "heeft alles onder Zijn voeten gesteld." Hé, waar kennen we die woorden van? Psalm 8. Paulus verwijst hier naar Psalm 8.

Het gaat over de Ben Adam, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was en die nu gekroond is met eer en heerlijkheid. Wel, Hij — God — heeft alles onder Zijn voeten gesteld en Hem, die Ben Adam, als Hoofd boven al wat is gegeven aan de Ecclesia, die Zijn lichaam is. Wanneer er staat dat Hij alles onder Zijn voeten heeft gesteld, dan is dat inderdaad alles, maar daar zijn toch twee uitzonderingen op.

Namelijk, hier wordt de Ecclesia genoemd. Die Ecclesia hoort namelijk bij die Ben Adam. Wist je dat? Zo wordt het hier gezegd. Het Hoofd, bovenal wat is, is gegeven aan die Ecclesia die Zijn lichaam is. En alles is onder Zijn voeten gesteld. Ja, dat is ook zo; echt alles is onder Zijn voeten gesteld. Maar die Ecclesia maakt deel uit van Zijn lichaam, onder wiens voeten alles is gesteld.

Dat is ongelooflijk, maar dat is de heerlijkheid van het 'uitroepsel' — want dat is wat Ecclesia betekent: zij die nu uitgeroepen worden. Als je deel uitmaakt van die Ecclesia, wel, dan maak je deel uit van die Ben Adam. Hij is het Hoofd bij het lichaam, en alles wordt onder de voeten van die Ben Adam gesteld: Hoofd en lichaam.

Ik wijs nu alleen maar op dit feit; daar moet je thuis nogmaals heel goed over nadenken, want hiermee zeg ik heel veel over de positie van de Ecclesia die nu uitgeroepen wordt. Maar die Ecclesia, dat zijn die 'kindertjes'. In de wereld wordt het miskend en voor wijzen en verstandigen is het verborgen, maar uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen heb Jij lof bereid. Het is aan kinderkens geopenbaard. Uit hun monden wordt de lof bereid.

De Voltooiing: de Dood Onttroond en God Alles in Allen ↑ hoofdstukken

Ik ga nog naar één schriftplaats, dat is de laatste: 1 Korinthe 15, het hoofdstuk over de opstanding bij uitstek. Ook daar verwijst Paulus naar Psalm 8, naar die woorden van David. De laatste vijand die onttroond wordt, is de dood. Paulus heeft hier ook, om even in de terminologie en beeldspraak te blijven, een telescoop in handen. Hij blikt in de toekomst en spreekt over de heerschappij van de Christus. Er staat: de laatste vijand die onttroond zal worden, is de dood. De dood is weliswaar nu al overwonnen, maar is nog niet tenietgedaan. Dat duurt nog even; sterker nog, het is pas het laatste wat zal gebeuren: dat de dood er niet meer zal zijn. De laatste vijand die onttroond wordt, is de dood, want er staat: alles heeft Hij aan Zijn voeten onderworpen.

Ik ben wellicht overcompleet als ik nu zeg dat dit uiteraard verwijst naar Davids woorden in Psalm 8. Daar staat het: alles aan Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer hij zegt dat alles onderworpen is aan Hem — die 'Hem', dat is dus hoofd en lichaam, dus ook de ekklesia is daarbij betrokken — dan zegt Paulus dat er nog iets is uitgezonderd. Wanneer hij zegt dat alles onder Hem onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd — dat is logica — die Hem alles onderworpen heeft. Die 'Hem', dat is de Ben Adam. Maar wie heeft dat allemaal aan Zijn voeten onderworpen? Dat is Yahweh, de Naam. Hijzelf is daar uiteraard niet bij inbegrepen. Het gaat over hemel en aarde; alles is aan Zijn voeten onderworpen.

En dan lees je: maar wanneer alles Hem daadwerkelijk onderworpen is... Hierin zie je ook dat die woorden van Psalm 8 profetisch zijn. Dit zal letterlijk vervuld worden in de Ben Adam: dat alles, inclusief de dood, aan Hem onderworpen zal zijn. Ooit kwam door Adam de dood in de wereld, maar door de Ben Adam wordt de dood volkomen tenietgedaan en buiten werking gesteld. Dan is er geen dood meer en zijn alle mensen levend gemaakt. Nu zeg ik iets wat al in vers 22 van ditzelfde hoofdstuk stond: zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen worden levend gemaakt.

Wanneer alles, inclusief de dood, Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem die Hem alles onderworpen heeft. Waarom? Opdat God zij: alles in allen. God, jazeker. Opdat God zij: alles in allen, zonder uitzondering. Alle mensen, sterker nog: elk schepsel. Die God. En daarom eindigt Psalm 8 ook met deze woorden: "O HERE, onze Here, hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde!"

Zullen we met elkaar een lied zingen?

🎧 De Ben Adam
Delen: