David & De Toonbroden
17-03-2013 - Geplaatst door Andre PietPresentatie van samenkomst gehouden op 17 maart 2013 in EH-Rotterdam
In 1Samuel 21 lezen we dat David naar de priester in Nob gaat voor vijf broden voor zijn manschappen. Het is top-secret en hij krijgt van het heilige brood dat strikt bestemd was voor de priesters en hij deelt het met zijn manschappen. Ook wordt hem het zwaard van Goliat gegeven waarmee hij ooit de doodslag had toegebracht aan de grote vijand. Het was inmiddels een heilig embleem voor de priesters geworden.
In dit hoofdstuk doet David dingen die volgens de wet niet mochten. Maar juist daarin is Hij een type van de Zoon van David, de Koning-Priester.
Als we dat ont-dekken komt zo’n oude geschiedenis werkelijk tot Leven!
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
Niet Ethisch, maar Profetisch Lezen ↑ hoofdstukken
Een hele goede morgen, broeders, zusters, dames en heren, jongens en meisjes. En als ik zeg een goede morgen, dan bedoel ik ook echt een goede morgen. Niet zoals ik van de week ergens op internet las over het journaal dat altijd begint met goedenavond, want de volgende tien of vijftien minuten vormen meestal een uitleg van waarom het helemaal geen goede avond is. Maar als wij tegen elkaar goedemorgen zeggen, dan bedoelen we dat ook zo. Waarom? We hebben een goede God. We hebben een geweldig goed woord. We kennen een goed bericht van de dood die is overwonnen en een God die alles in zijn handen heeft: goed en kwaad. Kijk, en dat maakt alles goed. Dus het is niet zomaar dat we elkaar zo begroeten.
Maar even wat meer ter zake. We hebben zojuist een gedeelte gelezen en dat was langer dan Tjerk dacht. En toen hij het klaar had, zei hij: "Nou heb ik het helemaal gehad." Ik weet niet precies wat hij bedoelde, maar ik kan me wel een beetje voorstellen hoor als je dat leest, dat 21ste hoofdstuk van 1 Samuël. Want het is een hoofdstuk dat, als je dat aandachtig leest – ik weet niet hoe u hier zit en hoe aandachtig u hebt meegelezen – toch wel wat vragen oproept.
Eén van de vragen die je daarbij zou kunnen stellen, en dat is misschien wel de meest voorkomende vraag die naar boven komt bij verreweg de meesten: Hoe kan een man die in de Bijbel toch te boek staat als een man naar Gods hart, David, die zo’n grote rol speelt in de hele Bijbelse geschiedenis met alle betekenissen die daaraan vastzitten, zulke dingen doen? Hij liegt, dat hebben we allemaal in dit hoofdstuk gelezen. Hij eet brood wat verboden was. En hij stelt zich aan als een krankzinnige, hij verlaagt zich. Hoe kan hij daarin voor ons nou een voorbeeld zijn?
Want met die mindset lezen een heleboel mensen de Bijbel. Ze pakken een bepaalde passage en stellen zich de vraag: wat kan ik hier nu van leren, wat heeft het mij te zeggen en hoe kan ik hieraan een voorbeeld ontlenen? Met die opzet raak je teleurgesteld. Wat ik u vanmorgen wil vertellen, is dat deze geschiedenis – en dit is geen uitzondering, maar juist regel – niet een voorbeeld voor ons is. Ik zeg niet dat er helemaal geen voorbeelden in zitten, ongetwijfeld, maar dat is niet de clou van dit gedeelte en van de Bijbel in het algemeen.
Wij lezen alles heel erg ethisch – ik kom daar straks nog even op terug – en dan denken we in termen van: is dat nou wel goed of is dat niet goed? We leggen onze ethische maatlat langs het leven van David en zeggen: nee, dat deugt niet en dat deugt niet. Daarmee zijn wij nog zo wettisch in ons denken. Tjerk zei er in de inleiding al wat over, over de prediking en over dat in een sjabloon gedrukt worden, zoals dat zo dikwijls gaat in godsdienst, ook in de christelijke wereld. Dat heeft er allemaal mee te maken: met zo’n hele wettische manier van de Bijbel lezen.
Laat ik u dit zeggen: dit gedeelte – laat ik het als een one-liner neerzetten – is niet een voorbeeld voor ons, het is een voorbeeld van Jezus Christus, de Zoon van David. Dit gedeelte is geschiedenis; het vertelt iets over een man die pakweg 3000 jaar geleden leefde. Het zijn geweldige geschiedenissen als je je daarmee bezighoudt. Het zijn spannende verhalen, je leest het met groot genoegen maar ook met spanning; je leest de hele biografie van David. Maar het is niet alleen maar geschiedenis. Natuurlijk, die man heeft geleefd en heeft dat allemaal meegemaakt, maar het is niet primair geschiedenis.
Het leeft. Zo'n Bijbelgedeelte gaat leven en ik bedoel dat veel letterlijker dan u misschien op het eerste gezicht zou denken. Dit gedeelte gaat leven doordat je onder de oppervlakte iemand anders gaat zien die daadwerkelijk leeft. Niet een man die inmiddels zoveel jaren geleden gestorven is; nee, het verhaal wijst op iemand die nú leeft: de Zoon van David, de grote Overwinnaar. Dan worden die dode letters van zo'n oude geschiedenis – oké, een spannend verhaal, maar ethisch zitten we er al erg mee in onze maag – levend. Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat we daar in aanraking komen met die ene Persoon waar heel de Bijbel naar verwijst. Zulke prachtige verhalen wijzen op de Levensvorst, de grote Overwinnaar die straks zal komen als de grote Koning van Israël, maar die ooit geboren werd in de velden van Efrata, net als David trouwens. Kijk, en dan gaat zo'n gedeelte met recht levend worden.
Laat ik, om het een klein beetje in perspectief te plaatsen, een kort overzicht geven. De geschiedenis van David vangt aan in hoofdstuk 16 van dit Bijbelboek 1 Samuël. Daar lees je dat David een herdersjongen is, geboren en woonachtig in Bethlehem, en hij wordt daar tot koning gezalfd. Vervolgens hoofdstuk 17 – we hebben er zojuist nog over gezongen en ik ga het er straks ook nog even over hebben: de geschiedenis van David die Goliath overwint. Daar hoef ik verder niets over te vertellen, bekend genoeg. Maar laat ik u ook dit zeggen: al deze dingen hebben een dubbele bodem. Alles wat ik over David zeg, zeg ik feitelijk over de Zoon van David. U bent gewaarschuwd. Alles wat ik vanmorgen zeg, is niet alleen waar met betrekking tot de geschiedenis, maar het gaat over Degene naar wie hij verwijst.
David overwint Goliath, dat is hoofdstuk 17. Dan hoofdstuk 18 en 19: David vlucht voor aanslagen van Saul. Dat zijn heel wat geschiedenissen, ook prachtige verhalen, waar we ongetwijfeld nog wel eens bij een andere gelegenheid op terugkomen. Hoofdstuk 20: daar lees je dat David een verbond sluit met de zoon van Saul, namelijk Jonathan. Eigenlijk gaat het erover dat David zich daar twee dagen verborgen houdt in het veld. Over die twee dagen zullen we het straks ook nog even hebben, want daar ontkomen we ook niet aan.
En dan hoofdstuk 21, het hoofdstuk waar we het vanmorgen over hebben. In het eerste gedeelte gaan we het hebben over David in het heiligdom in Nob. Nu was ik tot een paar uur geleden nog van plan om dat tweede gedeelte er ook nog bij te betrekken, maar dat werd toch echt te veel: namelijk die geschiedenis dat David vervolgens naar de Filistijnen gaat, in Gat terechtkomt en zich daar als een dwaas gedraagt. Ik wilde dat erbij betrekken, maar zoals gezegd: dat gaat het niet worden. Dat parkeren we gewoon voor een volgende gelegenheid. Nu treft het toeval dat ik over vier weken hier weer ben, dus dan beloof ik bij deze dat we dan die geschiedenis zullen bespreken. Het is dus een korte serie daarover.
Aankomst in Nob en de Verborgen Tijd van de Gezalfde ↑ hoofdstukken
We beperken ons vanmorgen dus tot die geschiedenis dat David daar in Nob komt. En waarom kwam hij daar dan? Nou, dat was niet voor niets – of voor 'Nob'. Nee, hij kwam daar met een speciale reden. Nob betekent trouwens 'vrucht'. Anderen zeggen 'hoge plaats'. In beide gevallen begrijp ik dat heel goed, maar dat bedoel ik dan ook weer met die dubbele bodem. Maar Nob, laat ik u dit zeggen, Nob was een priesterplaats. Het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 22 van ditzelfde Bijbelboek, gaat daar nogal uitgebreid over dat er een hele slachting plaatsvindt. Het is ook een heel bloedig boek: 1 Samuël, en 2 Samuël trouwens ook. Maar goed, David kwam daar bij de priester Achimelech. 'Mijn broer is koning' betekent die naam.
Waarom kwam hij daar? In ieder geval omdat hij brood wilde. Maar we weten uit hoofdstuk 22 vers 10 – want dat 22ste hoofdstuk hoort er nog helemaal bij, bij dat 21ste hoofdstuk; daar gaan we het nu dus helemaal niet over hebben, maar dit is wel even van belang – dat hij ook ging om de HEERE te raadplegen. Hij ging naar de hogepriester, die de efod had en waardoor hij de HEERE kon raadplegen. De efod, dat is dat priestervest; ook daar kom ik straks nog even op terug. Hij kwam bij de priester Achimelech en dan lees je in hetzelfde vers: toen ging Achimelech David bevende tegemoet. Want ja, de priester had kennelijk vernomen over de onmin die er was tussen Saul en David, zodat hij er een hard hoofd of een zwaar hoofd in had over hoe dat zou gaan. Dus hij ging David bevende tegemoet en hij vroeg hem: "Waarom zijt gij alleen? En is er niemand bij u?" Dat vond hij verdacht. Dat klopte niet helemaal, want er waren wel mensen bij hem. Dat weten we, ook dat zal ik straks nog even lezen.
En dan gaat David iets zeggen wat niet klopt. Ja, je zou ook kunnen zeggen: hij gaat liegen. Maar je kunt ook zeggen: het was een noodleugen. Hij moest wel, want laat ik eerst even vers 2 lezen: David antwoordde de priester Achimelech: "De koning heeft mij iets opgedragen en tot mij gezegd..." Nou, dat was helemaal niet zo. Maar David was genoodzaakt. Zou David namelijk nu hier openheid van zaken hebben gegeven, dan had hij zijn manschappen – dat was niet een al te groot gezelschap op dit moment nog hoor, het waren maar een paar mannen die hij bij zich had – maar die moesten in leven blijven. Hij leefde in het geheim. Dus hij moest om die mannen veilig te stellen, hier de waarheid verbergen. En dat is ook inderdaad wat hij doet. Ook hier kunnen we natuurlijk weer zeggen: "O, dat was niet goed", maar hij was gedwongen juist omdat hij zijn leven inzette voor die mannen die bij hem waren. Want hij droeg daar zorg voor.
En dat is een hele aparte reden. We vinden daarvan wel meer voorbeelden in de Bijbel. Denk aan die vroedvrouwen in Egypte, die ook naar de farao toe niet de waarheid vertelden, maar puur om het leven van het volk Israël veilig te stellen. Dat was de reden. Ach, en we kennen in de recente geschiedenis daar ook nog voorbeelden van in Nederland, van onderduikers. Ook daar sprak men over de noodleugen en dan zeggen we: dat is ethisch wel gerechtvaardigd. Maar het gaat mij nu ook helemaal niet om de ethische kant van het verhaal, want dan sta je echt op het verkeerde been. Het staat zo opgetekend: David heeft het zo gezegd. Dat is het verhaal. En hij deed dat voor zijn manschappen.
Hij zegt dus: "De koning heeft mij iets opgedragen en tot mij gezegd: Niemand mag ook maar iets weten." En in feite wat hij nu zegt, dat klopt wel: "Niemand mag ook maar iets weten van de zaak waarvoor ik u uitzend en die ik u heb opgedragen. En de manschappen heb ik ergens heen gezonden." Dat klopt inderdaad ook, want die mannen die hij bij zich had, die waren nu dan weliswaar niet bij de priester, maar die waren daar inderdaad in de nabijheid. Dat klopt. Maar alles in dat leven van David gedurende de tijd dat hij gezalfd was tot koning – en vooral toen hij eenmaal de overwinning had behaald op Goliath – toen werd Saul zijn grote rivaal. Je moet het eigenlijk omkeren: David werd de grote rivaal van Saul. En vanaf die tijd leeft hij in het diepste geheim. Top secret was alles wat hij toen deed in die tijd van verwerping, totdat hij daadwerkelijk koning zou worden.
Want laten we gewoon dit vaststellen: David is dus die man uit Bethlehem, die goede herder. Want dat was hij: hij zette zijn leven in voor de schapen en hij schuwde het zelfs niet om de leeuw en de beer daarbij te verslaan. Het was een herder uit één stuk. Een echte vent, een ongetemde man, een echte kerel. Maar hij was die man die gezalfd was, tot mashiach was geworden, messias. Hij had de overwinning behaald, maar het zou nog een hele tijd duren voordat hij daadwerkelijk koning zou worden over Israël. Als ik het zo vertel, dan begrijpt u meteen de link met de Zoon van David, Die ook gezalfd is. Hij is bestemd om iets te zijn, maar het duurt nog steeds totdat Hij daadwerkelijk die functie ook zal vervullen.
En dit is de tijd van de verwerping, dat Hij in de verborgenheid is. Alles is secret, alles is verborgen. Het is ook een geheime periode waarin geheimenissen worden verteld, waarin Zijn koningschap helemaal niet gezien wordt. Ondanks liederen die we wel eens een keer zingen over dat Hij regeert en we zien het... Nou, vergeet het maar, je ziet er helemaal niks van. En dat is ook helemaal niet de bedoeling. Het punt is juist: deze Zoon van David is verborgen. En Hij heeft een aantal mensen om Zich heen. Dat waren trouwens ook echte kerels hoor, en die schuwden het avontuur ook niet. Want het is natuurlijk niet niks om dan de zijde te kiezen van deze David, die verworpen werd door de koning die op zijn hielen gezeten werd.
Maar hij had mannen om zich heen. Dat gezelschap werd later nog veel groter. Waren dat allemaal echte mannen? Dat weet ik niet. Je leest in elk geval dat het mensen waren die dik in de... hoe zeg je dat nou netjes? In de problemen zaten. Of ze hadden schuldeisers, of mensen die in conflict leefden. Dat lees je dan later in 1 Samuël 22 over die mannen die in de spelonk van Adullam bivakkeerden. En hier ook al: mannen die zich realiseerden dat deze David degene is geweest die de overwinning op Goliath heeft behaald. En God heeft hem uitgekozen. Zij wisten wat God voornemens was met hem. En al had dan alle schijn tegen en was Davids leven niet zeker, zij wisten wat David ook wist: God heeft mij hier toe geroepen. En al spreekt alles dat tegen en al verwerpt iedereen het, so what? Als Hij voor mij is, wat of wie kan er dan tegen mij zijn? Kijk, dat zijn echte mannen. En alles was geheim. Als ik het zo zeg, dan denk ik: ja, dat is een plaatje ook van de tegenwoordige tijd. Ik herken mij, en ik hoop u ook, in die mannen die aan de zijde van David stonden toen hij absoluut niet populair was, toen hij zijn leven niet zeker was en toen hij alles in het geheim moest doen. Wel, dat was die David en dat was dat gezelschap om hem heen.
Vijf Heilige Broden: Genadebrood uit het Heiligdom ↑ hoofdstukken
David gaat verder. Hij is daar bij de priester in het heiligdom. In die tijd was er natuurlijk nog geen tempel; er was de tabernakel en die stond in de plaats Nop. Vandaar dat dat ook een priesterplaats was; daar woonden zij destijds. Nu vraagt David: "Wat heb jij voor handen? Geef mij vijf broden mee, of wat er maar is." Ik denk dan meteen aan de twee visjes, dat zou ook nog kunnen. Want als dat in de handen van David komt, dan komt het wel goed.
Waarom vroeg hij er nou specifiek vijf? We hebben zojuist nog een lied gezongen over David, over een geschiedenis van een paar hoofdstukken eerder. Vlak voordat hij Goliath zou verslaan, zocht hij vijf steentjes. Waarom nou vijf? Dacht hij eerst vier keer mis te schieten of te gooien? Nee, natuurlijk niet. Maar hij had iets met het getal vijf. Eén ding weet ik wel: het getal vijf heeft te maken met genade. De Hebreeuwse letter voor vijf is de hee. Dat is een venster; een venster met uitzicht. Onze letter H. Het heeft alles te maken met genade en met het uitzicht dat God geeft.
Maar lees even verder. David vraagt dus brood, want hij was al een paar dagen op veldtocht en hij had honger. Daarop antwoordde de priester: "Ik heb geen gewoon brood voor handen, maar er is wel heilig brood." Wat bedoelde hij met dat heilige brood? Dat is het brood dat in het heiligdom lag. In de tabernakel heb je twee afdelingen: het heilige en het heilige der heiligen. In dat heilige stonden drie voorwerpen: de gouden kandelaar (de menora), het reukofferaltaar en een houten tafel die met zuiver goud was overtrokken. Op die tafel werden wekelijks, op de sabbat, twaalf broden geplaatst in twee stapels van zes. Elke week werd dat ververst. Over dat brood lees je in de boeken Leviticus en Numeri. Dat brood was uitsluitend bestemd voor de priesters. David mocht dat eigenlijk helemaal niet hebben, want David was uit de stam Juda.
Het was dus helemaal niet vreemd, maar die Achimelek zegt: "Ik heb geen gewoon brood, er is wel heilig brood." Wat hij daar allemaal bij begreep, weet ik niet. Het kunnen natuurlijk ook puur menselijke motieven zijn geweest, zoals angst, waardoor hij David niet heeft willen teleurstellen. Daar blijf ik vanaf. Maar één ding weet ik wel: ook hier geldt weer dat het niet gaat om de vraag of het nou goed of niet goed was wat Achimelek deed. Het gaat om de betekenis. Hij geeft, want dat is wat hij doet. Hij biedt het in ieder geval aan: "Ik heb heilig brood."
Hij stelt daarbij wel één eis: als de manschappen, dat wil zeggen de jonge mannen, zich maar van de vrouwen onthouden hebben. Dat wil zeggen dat ze geen gemeenschap hebben gehad met vrouwen. Dat gold trouwens ook voor de priesters; als ze een heilige handeling moesten verrichten, dan mochten ze daarvoor één of twee dagen geen gemeenschap hebben met een vrouw. Dat is de eis die hij dan stelt. Ze voldeden sowieso natuurlijk al niet aan de voorwaarden; het waren geen Levieten en geen priesters, dus zij mochten dat brood eigenlijk niet eten. Maar dan stelt Achimelek eigenlijk als minimale eis dat ze in ieder geval 'heilig' zijn, in de zin dat ze niet recentelijk nog gemeenschap hebben gehad met een vrouw. Dat is wat hij zegt. En dan geeft David daar antwoord op en hij zegt tot Achimelek: "Zeker, de omgang met vrouwen is ons, evenals vroeger, ontzegd."
De Profetische Betekenis van de Derde Dag ↑ hoofdstukken
Nou, laten we even inzoomen op dat 'even als vroeger'. Als u meeleest in de Statenvertaling, dan ziet u dit staan. En dat is ook precies wat er veel letterlijker staat: gisteren en eergisteren. David zegt hier in feite: wij hebben al twee dagen geen gemeenschap meer gehad met een vrouw. Dat was niet omdat ze nou zo vroom waren, maar ze waren gewoon op veldtocht; ze waren gewoon weg.
Maar waarom staat dat er nou zo? Je kunt dit natuurlijk weer gewoon wettisch lezen, maar je kunt ook zien dat God hier iets mee te zeggen heeft. Het heeft profetische waarde. Laten we die draad gewoon vasthouden; daar kom je nooit bedrogen mee uit als je ervan uitgaat dat heel de Schrift getuigt van Hem en van Gods wegen. Dit is niet zomaar een of andere vrome wetgeving dat dit niet mocht. Nee, het heeft een betekenis, het wijst vooruit. En ik zal u dit vertellen: die twee dagen waar David naar verwijst, dat er geen gemeenschap is geweest met een vrouw, die komen we ook elders tegen.
Laat ik u eens meenemen naar Exodus 19. Daar lees je wat er gebeurde vlak voordat God aan het volk Israël de stenen tafelen zou geven. Er wordt via Mozes een woord tegen Israël gesproken. In vers 15 van dat hoofdstuk zegt Mozes tot het volk: "Weest over drie dagen gereed, nadert niet tot een vrouw." Dat is wat hij tegen de mannen onder het volk zegt. En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen werd – dus bij zonsopgang – dat er donderslagen, bliksemstralen en een zware wolk op de berg waren, met een zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in de legerplaats was, beefde. In de volgende verzen lees je dan nog dat de HEERE nederdaalde ten aanschouwen van het volk.
Kijk, ook hiervoor geldt weer: dit is geschiedenis, maar het is ook profetisch. Want dit verwijst naar de derde dag, waarop de HEERE zal nederdalen ten aanschouwen van het volk met bazuingeschal. Dan weet je meteen over welke dag het gaat: de grote Dag van de HEERE. En dat is die derde dag waar de profetieën zo vaak over spreken. Neem nu letterlijk Hosea. Hosea spreekt over de derde dag dat de HEERE tot het volk Israël zal komen.
Petrus heeft het er veel later ook nog eens een keertje over: wanneer komt de Heere nou? Hij zegt: "Eén ding mag u niet ontgaan, geliefde broeders, dat bij de Heere één dag is als duizend jaar en duizend jaar als één dag." Dus de Heere komt inderdaad op de derde dag, na twee dagen. Ik had het over Hosea, maar wat lees je daar? Dat is ook zo'n eigenaardige geschiedenis. Ik ga een beetje kriskras door de Bijbel en ik hoop dat u me volgt, maar in elk geval lees je in Hosea dat hij een vrouw moest kopen op de markt, een hoer. Hij betaalt de prijs voor haar en vervolgens zet hij haar weg – in quarantaine, zou ik bijna zeggen. Hij mocht verder niets met haar doen; geen man zou tot haar naderen, ook hijzelf niet. Pas na die dagen zou Hosea tot haar mogen komen en gemeenschap met haar hebben.
Kijk, wat ik bedoel te zeggen is dit, en dat wordt in Hosea ook uitgelegd: Israël zal gemeenschap hebben, dat wil zeggen haar Heere kennen, na twee dagen. Na twee dagen van duizend jaar zal de Heere alsnog gemeenschap hebben met Zijn volk. Haar kennen, haar bekennen. Die twee dagen hebben te maken met de periode dat Israël terzijde staat. De prijs is al wel voor haar betaald, jazeker, maar ze staat terzijde. Pas op de derde dag is er gemeenschap. En dat is precies ook wat wij weten. Wij leven nu in die twee dagen. Die derde dag gaat komen en we leven in bijzonder boeiende tijden, want wij weten dat het derde millennium binnenkort gaat aanbreken.
Het geweldige is dat in een geschiedenis zoals we die nu onder ogen hebben in 1 Samuël, daar feitelijk ook al naar verwezen wordt: gisteren en eergisteren is de vrouw ons onthouden, we hebben geen gemeenschap gehad met een vrouw. Met andere woorden: we zijn heilig. Dat is trouwens nog opmerkelijk, want dan lees je even verder in datzelfde vijfde vers van 1 Samuël 21: "De wapens der manschappen zijn heilig; en al is dit een ongewijde weg, toch niettemin is hij heden heilig in de wapens."
Hoe moet ik dit nou even netjes uitleggen? Wij denken bij wapens: wat hebben die hier nou weer mee te maken? De vraag ging over gemeenschap met een vrouw en dan zegt David: "Nee, er is helemaal geen gemeenschap met een vrouw geweest, want we zijn al een paar dagen op veldtocht." Dus een paar dagen is dat al niet aan de orde geweest. Hoezo zijn de wapens heilig? Waar hij het gewoon over heeft is dit: dat woord 'wapens' betekent instrument of gereedschap. Hoe zal ik dat nou eens netjes uitleggen? Aan de lach bespeur ik dat enkelen het al enigszins begrijpen. Als hij het heeft over het gereedschap dat heilig is, dan doelt hij inderdaad gewoon op het mannelijk gereedschap. Daar wil ik het maar bij laten, want we kunnen daar natuurlijk nog wel andere grappige opmerkingen over maken, maar de hint is duidelijk. Dat is waar David het over heeft. Dan begrijp je ook waarom hij dit zegt; hij heeft het over het mannelijke gereedschap. Dit is een eufemisme, netjes geformuleerd. Goed, we gaan even verder in vers 6.
De Zoon van David als Koning en Priester ↑ hoofdstukken
Het opmerkelijke is dat deze geschiedenis later in het Nieuwe Testament opnieuw ter sprake komt. En het is de Heer Jezus zelf die dit in gesprek met de Farizeeën benoemt. Hij zegt namelijk dit in Matteüs 12 – even de voorgeschiedenis: Jezus is op de sabbat op reis, of in ieder geval Hij loopt door de korenvelden, en dan wordt Hij door de Farizeeën aangesproken dat Zijn discipelen de sabbat schenden. Zij deden dingen die ze niet mochten doen, namelijk aren plukken. Jezus is daarbij verbolgen over de hypocrisie, maar dan geeft Hij antwoord aan de hand van de Schrift. Hij zei tot die Farizeeën, die het allemaal zo goed wisten en die de Bijbel allemaal zo ethisch lazen maar die er geen jota van begrepen... want daar komt het op neer. Ze waren zo intensief bezig met de Bijbel en met ethiek en met netjes leven, keurig volgens de regels, maar ze begrepen er helemaal niks van.
Hij zei tot hen: "Hebt gij niet gelezen wat David ooit gedaan heeft? Toen hij en die met hem waren honger kregen?" Ziet u wel, ze waren wel bij hem. "Hoe hij het huis Gods binnengegaan is..." Hij is David. Dus David heeft niet alleen van die broden gegeten, hij is zelfs nog het huis Gods binnengegaan. Hij deed iets wat alleen maar een priester mocht doen. En dan staat er nog bij: "...en zij de toonbroden hebben gegeten." Dat wil zeggen: David is dat huis binnengegaan, hij heeft van die broden genomen. Veel meer dus dan vijf; hij kreeg er twaalf. Hé, dan moet ik ook meteen denken aan die geschiedenis van de vermenigvuldiging. Waarvan hij, noch die met hem waren, mochten eten; alleen de priesters. Waar het hier om gaat, is dat David iets doet wat alleen maar bestemd was voor de priesters. En dan kun je nogmaals de vraag stellen: mocht dat of mocht dat niet?
Maar gaan we het nu eens hebben over de Zoon van David, dan wordt het hele verhaal compleet anders. Want dan vergeet je alle ethiek en dan zeg je: "Halleluja, geweldig dat dit spreekt van Hem die inderdaad de Zoon van David is!" Hij is uit het huis van Bethlehem afkomstig, Hij is gezalfd en Hij heeft de overwinning behaald. Maar wat lees je nog meer van die Zoon van David? Hij was gesteld – lees het maar na, David zelf profeteert dat al in Psalm 110 – Hij zou Koning zijn, de Zoon van David zou Koning zijn, maar ook Priester naar de ordening van Melchizedek. Met excuses als ik nu erg veel ter sprake breng en niet iedereen het volgt, maar het komt gewoon hierop neer: de Koning die zou komen, de Zoon van David, is niet alleen Koning, maar Hij is ook Priester. Onder de wet was dat onmogelijk, want een priester kwam uit de stam van Levi en een koning kwam uit de stam van Juda. Die twee functies konden nooit in één persoon verenigd zijn. Maar de Bijbel profeteert al dat de Zoon van David wel degelijk beide functies zal vervullen en Koning zou zijn én Priester. Namelijk naar de ordening van Melchizedek; die was dat namelijk ooit ook al. Van hem lees je al honderden jaren voordat de wet kwam dat hij koning en priester was.
Eén ding moet duidelijk zijn: deze geschiedenis, wat David hier doet, was naar de wet niet correct, maar profetisch past hij perfect bij de Zoon van David. Wij kennen Hem die gesteld is tot Koning, maar wat doet Hij vandaag in deze tussentijd? Weet u wat Hij doet? Inderdaad, alles is secret, alles is verborgen. Hij is verworpen. De bruiloft, de gemeenschap met de vrouw, wacht nog tot de derde dag; dat is waar. Maar ondertussen zorgt Hij voor Zijn manschappen. En wat geeft Hij hen? Brood. Brood uit het heiligdom. Vijf broden... U weet wat er gebeurt als Hij zoveel broden in de handen krijgt, dan maakt Hij er overvloed van. Hij deelt dat uit, want het is genadebrood. Vijf, vijf... nou ja, dat vroeg hij. Maar in ieder geval: Hij deelt dat levensbrood uit. En dat is een prachtig plaatje van de tegenwoordige tijd, waarin wij Iemand kennen, de Zoon van David, die nu geplaatst is en die het hemels heiligdom is ingegaan als ware Hij een Priester. Inderdaad, Hij zal straks komen en Koning zijn, maar vandaag is Hij een Priester. En wat Hij doet is met de mannen, met de mensen om Hem heen die David herkennen en weten: Hij is het die God heeft aangewezen en aangesteld en tot Gezalfde gemaakt heeft. Hij geeft brood. Hij zorgt voor ze. Hij staat garant voor ze.
Oké, dat gezelschap deugde van geen kant; het waren allemaal outcasts. We waren een soort van struikrovers, zeg maar; in de maatschappij niet in tel. Nee. Maar die David, die zorgt voor ze. Het is genade, mensen! Brood uit het heiligdom. En dat heeft echt voedingswaarde; dat is wat Hij geeft. Dus daarmee passeer je compleet de vraag of dit nou mocht of niet mocht. We zien hiermee op de Zoon van David. En laat ik dan nog even verder gaan, want ik zie dat mijn tijd aan het verstrijken is, maar ik wil dit er nog even bij nemen. Het is maar goed dat ik die andere geschiedenis ook niet erbij genomen heb.
Het Zwaard van Goliath als Trofee van Overwinning ↑ hoofdstukken
David zei tegen Achimelech: "Hebt u hier geen speer of zwaard voorhanden? Want ik heb noch mijn zwaard, noch mijn andere wapens kunnen meenemen." Dat klopte, hij had helemaal geen wapens bij zich. Maar over het motief doet hij hier geheimzinnig: "Omdat de opdracht van de koning dringend was." Dat klopte natuurlijk niet, maar het was zijn verhaal. Hij had geen wapens en dan moeten we even opletten wat er staat.
Daarop zei de priester: "Het zwaard van de Filistijn Goliath, die u zelf verslagen hebt in het Terebintendal." Als u een Statenvertaling hebt, staat er: "In het Eikendal" of "In het dal van de eiken", want dat is wat een terebint gewoon is. Zie, dat is hier. David wordt gewezen op het zwaard dat hij ooit zelf bemachtigd heeft. U kent het toch, we hadden het zojuist al even over dat vijfde steentje waarmee Goliath geveld was. Wat er vervolgens mee gebeurde, is dat hij dat zwaard — een groot zwaard zal dat geweest zijn, een reusachtig zwaard — heeft gebruikt om Goliath te onthoofden. Daarmee was de overwinning over Goliath beklonken in het Eikendal.
En nu zegt die priester: "Kijk, hier heb je dat zwaard, dat als overwinningstrofee hier in het heiligdom bewaard wordt." En daar staat nog bij: "Gewikkeld in een mantel achter de efod." Wat is die efod? Nou, u ziet het hier op het plaatje, dat is dat vest dat de priester droeg. Een priestervest, waarbij de hogepriester ook nog eens dit borstschild met die twaalf edelstenen droeg, waarbij hij zijn volk op het hart en op zijn schouders droeg. Het was het vest van de priester. Waar het nu even om gaat: dat zwaard van Goliath ligt gewoon hier bij de priesterlijke kleden, achter de efod, het allerheiligste stuk van het gewaad van de priester. Het zwaard was inderdaad een overwinningstrofee, want het sprak van de grote overwinning die recentelijk nog behaald was. Maar het werd behandeld als een heilig voorwerp, als een priesterlijk attribuut. En hier komt weer naar voren wat ik al zei: David krijgt hier priesterlijke dingen. Eerst dat brood, en nu krijgt hij het zwaard. Hij treedt priesterlijk op. Het was een heilig voorwerp.
Kijk, ook dat begrijp je alleen maar wanneer je het profetisch beziet. Het slaat namelijk op de Zoon van David, de Gezalfde, en Hij is degene die de grote vijand heeft overwonnen. Inderdaad, ik heb het over de dag dat Hij opstond uit de doden en daarmee Gods belofte vervulde. En wat dacht u? Dat Eikendal... die eik, dat woord 'eik' in het Hebreeuws is verwant aan 'eed'. Het verwijst naar de eed die God ooit gezworen had aan Abraham: dat uit een dood lichaam — oude mensen — God nieuw leven voortbrengt. Vervolgens kreeg Abraham ook nog eens het teken van de besnijdenis, dat ook weer alles met de vrucht van de eik te maken heeft. Maar dan moet u weer even denken aan dat gereedschap. Kijk, die eik en dat wat David deed, dat spreekt van overwinning op de dood, van nieuw leven, van die onvergankelijkheid die Hij aan het licht gebracht heeft. Dat zwaard was als het ware een embleem daarvan; de overwinning was behaald.
Moet u eens opletten wat David dan zegt. Ik heb een vers overgeslagen over Doëg, dat laten we nu even buiten beschouwing. Ik wil nog even op dit laatste vers inzoomen. De priester zegt tegen David: "Indien jij het nemen wilt, neem het. Het is eigenlijk jouw zwaard; het is het zwaard wat jij bemachtigd hebt." Het is een heilig attribuut geworden. Het is als het ware priesterlijk geworden; het behoort toe aan het kleed van de hogepriester. "Maar jij mag het hebben, David. Indien je het nemen wilt, neem het. Een ander is er niet, alleen dit." "Ja, maar dat is meer dan genoeg," zal David gedacht hebben. Sterker nog, hij zegt het ook min of meer: "Zijnsgelijke bestaat er niet. Geef het mij!"
Kijk, dat vind ik zo prachtig. David gaat vervolgens weg met dat ene grote zwaard. Was dat vanwege de functie? Nee, het was een embleem. David ging nu vervolgens in de overwinning staan. Wat dacht u daarvan? Hij ging in de overwinning staan die God hem ooit op een goddelijke wijze had gegeven. Die mannen bij hem hebben dat zwaard natuurlijk ook bij zich gehad en ervan geweten. Dat zwaard herinnerde hen gedurende heel de tijd dat zij met David omzworven aan de overwinning die God heeft gegeven.
Kijk, en in die overwinning — daar wil ik het vanmorgen bij laten — in die overwinning leven wij net zo goed. Dat is ook wat deze morgen een goede morgen maakt en wat ons leven goed maakt. Wij denken aan het feit dat die steen werd weggewenteld en dat de Zoon van David even buiten de poorten van Jeruzalem opstond uit de doden. Zo trok God als het ware een lange neus naar de dood en alle vijanden. Hij overwint! En Hij zal het op Zijn tijd ook gaan openbaren. In die overwinning leven wij. Wij eten van het brood dat Hij ons geeft in overvloed. Hij zorgt voor ons. Hij stelt Zijn leven in de waagschaal voor ons. Kijk, dat is de Zoon van David die we mogen kennen. En de overwinning waarvan wij nu ook gaan zingen. Want ik wilde graag met u een lied zingen over de Zoon van David: "Geen graf hield Davids zoon ontkneld, Hij overwon die sterke held. Hij steeg uit 't graf door 's Vaders kracht, want Hij is God, bekleed met macht."
UltimateGoodNews