als GOD ogen opent…
23-04-2023 - Geplaatst door Andre Piet23 april 2023, Zeewolde
Het oog dat ziet en het oor dat hoort, beiden heeft de HERE gemaakt, zo zegt Spreuken 20:12. Telkens weer benadrukt de Schrift dat het GOD is die ogen, oren en harten opent… En bij gelegenheid ook sluit. Dat geldt voor de fysieke ogen en oren maar bepaald niet minder ook voor “de ogen van het hart”. Deze waarheid zet de mens op z’n plaats en sluit alle eigenroem uit.
Helaas is het beeld tijdens de toespraak in onderstaande video ‘weggevallen’. Voor het oog gesloten…
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
Yahweh Heeft het Oor en het Oog Gemaakt ↑ hoofdstukken
Ik mag jullie vanmiddag bepalen bij een prachtig onderwerp, vind ik zelf. Ik moet er ook bij zeggen dat het in zekere zin een heel simpel onderwerp is. Want als je het ABC waar we straks mee beginnen doorhebt, dan begrijp je alles. Tegelijkertijd moet ik zeggen dat het een heel zwaar thema is, omdat er zoveel diepere lagen in liggen en op een aantal daarvan wil ik jullie graag attent maken.
Kijk, het thema is – en waarom dat vreemde plaatje daar staat, ga ik pas aan het einde toelichten – 'Als God ogen opent'. Als God ogen opent, dan gaan er dingen gebeuren. Maar de essentie van wat ik vanmiddag eigenlijk wil vertellen, en daarop doelde ik toen ik zei dat het zo enorm simpel is: God is degene die ons geopende ogen geeft, ook in de zin van het vermogen om de dingen te zien. Dat geldt trouwens ook voor andere zintuigen, daar komen we vanzelf op. Maar goed, om het thema niet al te uitgebreid en de titel ook niet al te omvangrijk te maken, heb ik het hiertoe beperkt. Als God de ogen opent; dat is toch wel misschien het meest primaire zintuig daarin.
De eerste tekst die ik graag wil noemen, komt uit een reeks van zeven schriftplaatsen. Dat is min of meer toeval, maar goed, het is wel een mooi getal natuurlijk als we het hebben over de Schrift. De eerste tekst is er één uit het boek Spreuken. Dat is een boek dat ik heel graag lees en bestudeer. 'Bestudeer' is misschien een groot woord, want het zijn vaak van die losse teksten allemaal, maar wauw, wat een diepgang en wat een waarheid komt daarin tegemoet. Nou, dit is ook weer zo'n voorbeeld dat ik heel graag noem als de basis van dat wat ik vanmiddag graag met jullie wil delen.
Het is deze tekst, Spreuken 20 vers 12: "Het oor dat hoort en het oog dat ziet, Yahweh heeft beide gemaakt." In de gangbare Nederlandse vertalingen staat daar 'de HEERE', maar Yahweh heeft beide gemaakt. En ja, dat is een vanzelfsprekendheid. Ik bedoel, we weten allemaal dat een mens kan zien en een mens kan horen; laten we het even daartoe beperken. Het loutere feit dat je kunt zien en het loutere feit dat je kunt horen, dat is een geweldige zegen. Maar niemand zou het in zijn hoofd halen om dat als een prestatie te beschouwen. Toch? Het loutere feit dat je dingen mag zien en dat je het wonder mag meemaken van kleuren en vormen, dat is zo imponerend, maar het is een gave, een geschenk. Geen mens zou het inderdaad in zijn hoofd halen om dat als iets van eigen werk te beschouwen of als iets om trots op te zijn. Je mag dat zien.
Dat geldt net zo goed natuurlijk voor het gehoor. Het is toch een zegen als je kunt genieten van muziek en als je dingen kunt verstaan. Ik word wat ouder en het is een beetje een familiaire klacht dat het gehoor er nou niet bepaald beter op wordt, maar er is tot dusver redelijk goed mee te dealen. In ieder geval word je er dan bij bepaald hoe het werkt. Vaak word je je juist door contrast, juist door het ontbreken van iets, ervan bewust hoe geweldig het is dat het wel functioneert.
Maar goed: het oor dat hoort, het oog dat ziet, Yahweh heeft beide gemaakt. Dat is in fysieke zin, gewoon in de meest letterlijke zin, een vanzelfsprekendheid. Dat wil zeggen dat het geen eigen prestatie is. Oké, de meeste mensen zullen dat niet aan God toeschrijven, maar die denken dat dat gewoon het gevolg is van een heel lang evolutionair proces. Een bizar idee, daar ga ik het verder nu niet over hebben, maar als u het mij vraagt: het is een regelrecht godswonder dat je dat vermogen hebt. Hoe je het in je hoofd kunt halen dat daar niet een ontwerp en een designer achter zit, daar ben ik nog steeds niet achter, maar dat even terzijde.
Yahweh, God, de Ene, de Schepper, heeft dat niet alleen ontworpen, maar Hij heeft het ook gecreëerd. Maar weet u wat ik nou zo geweldig daarvan vind? Dat is niet alleen letterlijk in de fysieke zin het geval, maar ook geestelijk. In overdrachtelijke zin zeggen we toch ook dat je dingen 'ziet', en dan bedoelen we het niet fysiek. Of dat je dingen 'verstaat', in de zin van begrijpen. De Bijbel spreekt dan over de 'verlichte ogen van het hart', zoals Paulus daarover schrijft. Dat wil zeggen dat wat je mag zien – en laat ik meteen maar ter zake komen, want je kunt het natuurlijk heel breed nemen – voor alles geldt.
Dat je dingen mag zien, dat geldt al als je op school zit. Soms heeft een docent of een leraar het de hele tijd tegen je, maar het kwartje is nog steeds niet gevallen. Je ziet het niet. Totdat er zomaar een moment aanbreekt: "Nou zie ik het!" Is dat een prestatie? Het overkomt je. We zeggen wel eens: "Je moet gewoon naar je doppen kijken, je hebt toch ogen in je hoofd, gebruik ze dan ook!" Dat is de menselijke kant van het verhaal. Maar het loutere feit dat je dat kunt, is een zegen en een geschenk. En dat is letterlijk zo, fysiek zo, in de brede zin van alles wat je tot je neemt aan informatie, maar dat is bovenal ook de waarheid als het gaat om de geestelijke dingen. Juist dat is iets wat ik vanmiddag ook wil laten zien.
De Schepper Maakt Ziende Én Blind ↑ hoofdstukken
De tweede tekst die ik graag eens voor het voetlicht wil brengen, is een tekst uit Exodus 4. Dat gaat over de geschiedenis waarin Mozes geroepen wordt in de woestijn bij de braamstruik. Dat is de bekende geschiedenis waarin hij wordt geroepen en hem de opdracht wordt gegeven om naar de Farao toe te gaan, om eigenlijk weer terug naar huis te gaan. Daar komt het ook op neer, met daarbij de opdracht van Godswege dat hij de Farao zou zeggen het volk te laten gaan.
In het gesprek dat dan plaatsvindt, somt Mozes een aantal bezwaren op. De bekendste is deze, dat hij zegt: "Ja, ik ben eigenlijk helemaal niet geschikt om naar de Farao toe te gaan, want ik ben zwaar van tong." Zo zegt hij dat dan. Wat hij er precies mee bedoelde, weten we niet, maar het komt er in ieder geval op neer dat hij niet echt goed in staat was om dingen onder woorden te brengen of voor een publiek te spreken. Misschien stotterde hij wel, of had hij een ander spraakgebrek; hij was zwaar van tong. Hij vraagt zich dus af: "Bent u nou degene die mij roept, terwijl ik eigenlijk helemaal niet het vermogen heb om goed te spreken?"
En dan krijgt hij dit antwoord: "Maar JAHWEH zei tot hem: Wie heeft de mens een mond gegeven? Wie maakt stom – in de zin dat je niks meer kunt zeggen, want dat is wat stom betekent – wie maakt stom of doof, ziende of blind? Ben Ik het niet, JAHWEH?" Het is eigenlijk een retorische vraag. Wat je hier ziet, is dat niet alleen het vermogen om te kunnen zien van God komt, maar ook het feit dat je níét kunt zien. Want er wordt hier ook gezegd: "Wie maakt stom of doof?"
Er zijn Bijbelse voorbeelden van wie Hij stom maakt. We kennen natuurlijk allemaal het voorbeeld van Zacharias. Die werd inderdaad gedurende een bepaalde tijd stom; hij kon niet meer praten. En wie was degene die dat deed? Ja, dat is er maar Eén. Wie heeft de mens een mond gegeven? Als je trouwens even doorleest, dan blijkt dat ook Mozes een mond krijgt, maar laten we dat aspect even parkeren. De waarheid blijft namelijk staan: er is er Eén die ons een mond en een tong heeft gegeven. Soms ben je die tong 'verloren', dan zit hij meestal nog wel gewoon in je mond, maar het vermogen om hem te gebruiken is er dan niet. Wie heeft dat gegeven? Wie heeft het vermogen gegeven om te spreken? Maar ook: wie maakt dat je niet kunt spreken? Daar is er maar Eén.
De waarheid die hierin naar voren komt, is dat er Eén is die onze Creator is. Als je mag zien, dan is dat omdat Hij jou ziende heeft gemaakt. En als je doof bent, dan is dat omdat Hij jou doof heeft gemaakt. Wie maakt stom? Wie maakt doof? Ziende of blind? We zullen straks ook zien dat ook de negatieve kant van het verhaal – van stom en doof en blind – allemaal tijdelijk en voorlopig is.
Juist voorafgaand aan deze samenkomst hadden we daar in een gesprek eventjes over. Een van mijn favoriete uitspraken, ik vind het een geweldige metafoor: er bestaan helemaal geen minnen bij God; er zijn alleen maar plussen die nog niet af zijn. Dan denk je dat je een min ziet, maar in werkelijkheid is wat je ziet een plus die nog niet afgerond is, die nog niet compleet gemaakt is. Als je op die manier de wereld inkijkt, als je dat mag zien, dan zie je een heel andere wereld. Dan zie je helemaal geen minnen meer, al zijn die minnen er feitelijk natuurlijk wel – dat ontken ik niet – maar als je het grote geheel ziet en de toekomst kent, dan verandert dat je kijk op de zaak.
In feite zijn we allemaal gehandicapt. Bijvoorbeeld omdat we creatuur zijn en niet van onszelf het vermogen hebben om de toekomst te zien, zelfs op korte termijn niet eens, laat staan op langere termijn. Voor zover we die dingen kennen, dan is dat omdat God ons het een en ander heeft meegedeeld en dat je daarvan uitgaat. Dus in die zin zijn we ook allemaal nog in allerlei opzichten gehandicapt. Je ziet bepaalde dingen in ieder geval nog niet, of je verstaat dingen nog niet. Ik denk wel eens dat we van het overgrote deel van wat er te verstaan is, en wat we eens ook zullen verstaan, nu nog geen flauw idee hebben. Dus in die zin zijn we allemaal gewoon nog blind; het hangt er maar net vanaf waarmee je het vergelijkt.
Oké, dat is dus duidelijk: Hij is de Schepper en Hij maakt stom en doof en ziende en blind. En uiteraard, het loutere feit dat Hij zegt: "Ben Ik het niet?", dat begrijp je toch wel. Geen mens heeft zichzelf gemaakt. Of je nou een blinde bent of een dove, of een ziende of wat dan ook: je bent een creatie. En geen mens heeft zichzelf gemaakt. Als je dat mag zien, dan kijk je omhoog; dan kijk je in ieder geval de goede kant op. Je bent een creatie. Goed, dan gaan we nog naar een andere schriftplaats.
Veertig Jaar Lang Geen Hart Om te Verstaan ↑ hoofdstukken
De derde tekst vinden we in Deuteronomium 29. Dat is trouwens ook Mozes, maar dan zijn we inmiddels veertig jaar verder. Het leven van Mozes is eigenlijk verdeeld in drie perioden van veertig jaar en we bevinden ons hier aan het einde van de woestijnreis. Het volk Israël staat op het punt om het land binnen te trekken. In het boek Deuteronomium wordt eigenlijk een terugblik gegeven op de woestijnreis en de lessen die daaruit te trekken zijn. Mozes is hier aan het woord en hij staat zelf ook op het punt om afscheid te nemen, want hij zou zelf het beloofde land niet ingaan. Dat zou Jozua doen — de ware Jozua, denk ik dan ook meteen; die brengt hen in het beloofde land.
In Deuteronomium 29 vers 2 lees je dat Mozes heel Israël tot zich riep en tot hen zei: "Jullie hebben alles gezien wat JAHWEH in het land Egypte voor uw ogen aan Farao, al zijn dienaren en zijn hele land heeft aangedaan." In feite refereert hij nu aan dingen die al veertig jaar eerder hadden plaatsgevonden. Zij stonden nu op het punt om het land binnen te trekken, maar die uittocht uit Egypte vond veertig jaar eerder plaats. Hij spreekt hen eigenlijk als natie aan, want de meesten hadden dat niet eens meer zelf meegemaakt. Maar toch, als volk hadden ze dat allemaal met eigen ogen gezien: de grote beproevingen, de grote tekenen en de wonderen. Ik denk dan in de eerste plaats natuurlijk aan de tien plagen die over Egypte zijn gegaan en aan de wonderlijke uitreddingen van God; aan de wijze waarop Hij hen door de Schelfzee heeft gebracht, maar ook aan alles wat daarna heeft plaatsgevonden.
En dan staat er dit — ik weet niet of het u ooit is opgevallen of dat u het wel eens echt gezien heeft. Met Bijbellezen gaat dat vaak zo; dat is althans mijn eigen ervaring. Soms ben je als het ware blind: je leest wel iets, maar je leest er straal overheen. Echt, er zijn dingen die ik al honderd keer gelezen heb, dingen die ik inmiddels ontdekte terwijl ik ze daarvoor al zo vaak had gelezen. Hoe heeft het mij ooit kunnen ontgaan? Ik zag het niet, terwijl het er toch echt staat. Maar je ogen moeten ervoor open gaan.
In Deuteronomium 29 vers 4 staat iets wat heel opmerkelijk is: "Maar JAHWEH heeft jullie geen hart gegeven om te verstaan, of ogen om te zien of oren om te horen, tot op de huidige dag." Ik ga ervan uit dat ik dat nu verder niet zo hoef toe te lichten, want het doet voor dit verhaal niet direct ter zake, maar ik denk dat op het moment dat ze het land daadwerkelijk zouden ingaan, ze het toen pas wel hebben gezien. Maar op het moment dat Mozes dit aan zijn volk meedeelt, zegt hij: tot op de huidige dag hebben jullie geen ogen om te zien en oren om te horen. Ze hebben het met eigen ogen gezien en gehoord, veertig jaar geleden, en toch hebben ze het niet verstaan.
Waar ik nu vooral op wijs, zijn die eerste regels: "Maar JAHWEH heeft jullie geen hart gegeven om te verstaan." Er staat niet: "Maar jullie hebben het niet willen verstaan." Ik zeg niet eens dat dat onwaar is, ik zeg alleen dat het er niet staat. Er staat: God gaf jullie geen hart om te verstaan, en dat niet alleen, ook geen ogen om te zien of oren om te horen. Dit zijn lastige dingen. Want zoals ik al zei: als het gaat om de fysieke kant van het verhaal, begrijpen we allemaal dat het een geschenk en een zegen is als je mag zien, horen en verstaan. Dat is geen prestatie; het is geen eigen werk waar je je op kunt beroemen. Je zegt niet tegen een blinde: "Wat stom dat je dat niet ziet." Dat zou hoogmoedig en stupide zijn. Wees blij dat je zelf mag zien, in plaats van in die verwijtende sfeer te zitten. Het is toch geen prestatie? Dat is een krankzinnig idee.
Maar nu de geestelijke kant van het verhaal: dat God nu bij monde van Mozes tegen het volk zegt: "Ik heb jullie geen hart gegeven om het te verstaan, of ogen om het te zien en oren om het te horen. Ik heb jullie dat gewoon niet gegeven." Zeker voor mensen met een evangelische achtergrond, die vaak erg geporteerd zijn voor de eigen wil en de eigen keuze, is dit eigenlijk niet te verhapstukken. Nee, God moet jouw ogen daarvoor openen. En nu, na veertig jaren, wordt er gezegd: "Jullie hebben van Godswege geen ogen gekregen om het te zien, al die veertig jaren." Deze tekst wordt overigens ook aangehaald in Romeinen 11; daar kom ik straks nog op terug.
"Veertig jaar liet Ik u door de woestijn trekken..." Het is ook eigenaardig wat er dan nog bij staat: "De gewaden die jullie droegen zijn niet versleten, evenmin als de schoenen aan jullie voeten." Moet je je voorstellen dat je zo lang met je schoenen doet? Nee, ik ga nu geen mevrouw aanspreken die nogal een liefhebber van schoenen is. Dat is trouwens ook een wonder dat gedurende die woestijnreis heeft plaatsgevonden. Niet alleen kregen ze dagelijks eten dat letterlijk uit de hemel kwam vallen, maar ook hun kleding en schoenen sleten niet in al die veertig jaren.
Overigens zijn die veertig jaren, zoals ik al aanstipte bij Romeinen 11, volgens mij een beeld van de tweeduizend jaar waarin wij nu leven, waarin Israël tijdelijk terzijde staat. Na die tweeduizend jaar — wat trouwens ook veertig cycli van jubeljaren zijn — zal Israël alsnog ogen krijgen. In feite wordt er dan gezegd dat Israël uit de doden zal opstaan. Ik weet niet of u er zo wel eens over nagedacht hebt, maar feitelijk wordt een mens bij de opstanding uit de doden, of dat nu letterlijk of overdrachtelijk is, ook ziende gemaakt. Op het moment dat je sterft, word je blind; je sluit de ogen, je hoort niets meer en het hart kan geen dingen meer overwegen. Kortom: je bent dood. Op het moment dat God de doden doet opstaan of tot leven wekt, dan herleven ze. Dat betekent dus dat de ogen en oren worden geopend en alles gaat leven. Opstanding is dus ook een vorm van herstel van handicaps, en nog veel meer dan dat. Dat geldt ook voor Israël na die veertig cycli van jubeljaren, na twee 'dagen' van duizend jaar. Als het volk opstaat uit de doden, dan krijgt het ogen om te zien en mag het alsnog het land in. Net als bij deze veertig jaren: daarna krijgen ze geopende ogen, oren en harten. En God doet dat; daar gaat het mij nu even om. God heeft het hun veertig jaar niet gegeven en uiteindelijk geeft Hij het hun wel, op Zijn tijd.
Als u in de loop van deze toespraak het gevoel krijgt dat u steeds kleiner wordt, dan valt het kwartje denk ik aardig. Want het hele idee is: wij zingen het vaak heel vroom, "wij zijn klei en Hij is de Pottenbakker", Hij maakt wat van ons... maar dat is nu juist de waarheid. Niets is van de mens.
Het Onvermogen Om te Zien (jezaja 6) ↑ hoofdstukken
Gaan we naar Jesaja 6. Daar krijgt Jesaja een visioen dat beschreven wordt in dat hoofdstuk; het visioen waarin hij geroepen wordt. Hij krijgt daar in feite een soort mission impossible. Waarom? Omdat hij wordt geroepen om iets te doen waarvan hem op voorhand wordt verzekerd: dat gaat niet werken. Dat zou je frustrerend kunnen noemen als je zo wordt opgeroepen. Let maar op, want als hij dan geroepen is – daar gaan mooie dingen aan vooraf, maar ik laat het allemaal even weg – dan staat er in vers 9: "Toen zei Hij: Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor, maar verstaat niet, en ziet aldoor, maar merkt niet op."
Feitelijk is dit een handicap. Je kunt namelijk dingen zien en het niet verstaan, en het weliswaar horen, maar niet opmerken. Dat is waar het hier over gaat. Jesaja moet nu naar zijn volk gaan en dat tegen hen zeggen. In feite is het een beetje vergelijkbaar met wat je leest over Mozes in Exodus 4, wanneer hij geroepen wordt om naar het huis van Farao te gaan. Hij krijgt op voorhand al te horen dat als hij naar Farao zou gaan, Farao niet zal luisteren omdat God zijn hart zal verharden. Op het moment dat Farao dreigt te bezwijken onder de druk van de plagen, lees je dat God zijn hart ging verharden. Met andere woorden: dat was namelijk de bedoeling.
Wanneer je zulke dingen opmerkt – en het staat gewoon zwart op wit in de Schrift – dan kom je bij de vraag: als dat zo is, wat heeft Hij dan nog aan te merken? God had immers gezegd: "Ik ga Farao's hart verharden," en zo moest het ook gaan. In Romeinen 9 wordt dat uitgebreid uitgelegd. We hadden het er voorafgaand aan de samenkomst al even over: in Romeinen 9 wordt dit geweldig uiteengezet. De wil van God was voor Farao bekend: "Laat mijn volk gaan!" Dat was Gods wil. Maar was het ook de bedoeling dat hij dat deed? Nee, dat niet. Het was de bedoeling dat hij 'nee' zou zeggen. Waarom? Omdat God daar een bedoeling mee had. Er staat dat God juist door een onwillige tegenstander – de machtigste man ter wereld in die dagen – Zijn kracht zou betonen. Kortom, alles heeft een bedoeling. God heeft alles gemaakt voor Zijn doel, zelfs de goddeloze voor de dag van het kwaad, zoals ook in de Spreuken staat.
Tegen Jesaja wordt dus gezegd: "Ga maar naar het volk en zeg dat dan maar: Hoort maar verstaat niet, ziet maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof." Ik heb erover nagedacht wat dat zou betekenen, maar de gedachte is eigenlijk heel voor de hand liggend. Hij spreekt tot het volk, hij gaat tot hen spreken, maar als het woord niet doorkomt en niet verwerkt wordt, dan hoopt het zich op. Men stelt zich gereserveerd op en het wordt met reserve aangehoord. Het wordt niet verwerkt, en dan wordt het hart vet. Zo gaat het toch als je dingen consumeert: als het niet wordt verwerkt en in energie omgezet, dan word je vet.
Maar het idee is dus: spreek tot dit volk, maar juist daardoor zal het alleen maar onwilliger worden. "Maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta." Die dingen worden altijd aan elkaar gekoppeld. Ze zien het niet en ze merken het niet op, laat staan dat het hart het vervolgens daadwerkelijk begrijpt, verstaat en realiseert wat de betekenis ervan is, zodat het zich niet bekere en genezen worde.
Ik weet dat dit van die teksten zijn die meestal worden overgeslagen of weggemoffeld. Maar Jesaja krijgt dit op voorhand al van God te horen: "Ga naar dit volk en ze zullen niet horen." Het is zelfs de bedoeling, want er staat dat het met de ogen niet ziet. Wij denken altijd dat het de bedoeling is dat iedereen naar het Woord hoort en het ook zal verstaan. Uiteindelijk wel, maar nu niet. Dat is ook nu de waarheid. Je kunt het Woord prediken, maar ik weet op voorhand al – die garantie vinden we in de Schrift – dat niet de hele wereld zal uitstromen. Sterker nog, het is nu niet eens de bedoeling. Betekent dat dan dat je het Woord niet hoeft door te geven? Nee, dat staat er niet. Er wordt juist gezegd: "Ga naar dit volk," maar God geeft op voorhand de verzekering: het volk zal niet horen en dat is ook de bedoeling. De bedoeling is dat het zich nu niet bekeert.
Ziet u dat dit eigenlijk best wel lastige dingen zijn om je te realiseren? Want hoe vanzelfsprekend die waarheid van het zien en het horen ook is, het hele idee dat het volk niet ziet, is de actuele situatie. Deze tekst uit Jesaja 6 wordt vier keer aangehaald in de evangeliën: in Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes. In Johannes zullen we dat straks trouwens ook zien. Bovendien wordt het aangehaald aan het slot van Handelingen, wanneer Paulus in Rome is gearriveerd. Het boek Handelingen wordt er officieel mee afgesloten. Er wordt gezegd: nu wordt definitief vervuld wat Jesaja eeuwen geleden al heeft gezegd, namelijk dat dit volk het niet zal zien en niet zal horen; het gaat zich nog niet bekeren. Ondanks al die tekenen die ze gedurende de tijd van het boek Handelingen gezien hebben, zagen ze het niet echt. Moet je nagaan: al die wondertekenen die hebben plaatsgevonden, juist ook met het oog op Israël, ze zagen het en toch niet.
Sommige mensen denken: "Als ik het nou maar zie, dan geloof ik het wel." Maar er is ook een psychologisch fenomeen: als men niet wil, dan houdt het op. Als je het niet wilt zien of horen, dan is een mens – hoe intelligenter hij is – des te beter in staat om sluiproutes te vinden om zich eronderuit te redeneren. Deze woorden zijn in feite heel illustratief voor de huidige tijd. Israël als volk ziet in het algemeen niet wie de Messias is, haar eigen Messias. En dat is ook de bedoeling. Waarom dat zo is, daarvoor moet je bij Paulus zijn.
Laten we naar Johannes 12 gaan, waar deze tekst wordt aangehaald. Ik zei zojuist al dat deze tekst uit Jesaja 6 in Mattheüs, Marcus en Lucas wordt genoemd, maar ook in Johannes 12 wil ik dit even laten zien. Dat is aan het einde van Jezus' bediening hier op aarde, vlak voorafgaand aan Zijn overlevering. Johannes tekent dat dan zo op: "Daarom konden zij niet geloven" – dan gaat het over de oversten, de leidslieden van het volk – "omdat Jesaja wederom zei..." En dan volgt dit citaat: "Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard." Er wordt dus geciteerd uit Jesaja 6. Ik vind dat apart. Als je de vraag stelt hoe het komt dat de leidslieden van Israël toentertijd, en in het algemeen, niet in staat waren te geloven? Welnu, ze konden het niet.
Ze willen het niet, ja, maar dat komt ook door het onvermogen. Men ziet het niet, en weet u hoe dat komt? Dat is omdat alleen God ogen, oren en harten opent. En als een mens daar geen zin — zo’n aardige woordspeling in dit verband — als een mens daar geen zintuig voor heeft, daar geen antenne voor heeft, dan dringt het niet door.
Je kunt natuurlijk zeggen: dat komt omdat ze ongelovig zijn. Ja, maar hoe? Nu komen we bij het punt. Hoe komt het dat men niet kan geloven? Nou, dat komt omdat hun ogen daarvoor niet geopend zijn. Er is Er één die dat zo beschikt. En ik moet eigenlijk zeggen: ze konden nog niet geloven. Want we gaan even verder.
Een Geest van Verdoving en de Functie van Uitverkiezing ↑ hoofdstukken
We gaan naar Romeinen 11. Ik heb deze tekst al even genoemd toen ik het had over Deuteronomium 29, want daar wordt die tekst ook weer aangehaald. Ik begin te lezen in vers 7 van Romeinen 11. Het is natuurlijk midden in het betoog van Paulus. In de hoofdstukken 9, 10 en 11 spreekt hij over het huidig ongeloof van Israël. Paulus heeft daar als Jood zijnde ook enorm mee geworsteld: dat Joodse 'nee' tegen de Messias. Hoe komt dat dan? Hij laat zien dat het met opzet is dat men het nu niet verstaat.
Paulus vraagt: "Wat dan? Hetgeen Israël naar zoekt, dit verkreeg zij niet." Als je terugleest in deze hoofdstukken, dan zie je dat zij hun eigen gerechtigheid proberen op te bouwen; ze proberen zelf iets te verdienen. Wat Israël zocht, verkregen ze niet. De term die daar altijd voor gebruikt wordt, is 'eigen werken'. Werken wil zeggen dat iets je eigen prestatie is, dat je er prat op kunt gaan en kunt zeggen: "Dat heb ik gedaan." Via allerlei routes kan dat zich voltrekken, maar altijd met het idee dat het iets van jezelf is. Het hele evangelie komt er echter op neer dat er niets van de mens bij is. Alles is van Hem. Dat is precies de ellende met religie: men zegt dat er veel genade is, maar men wil er niet écht aan. Er moet altijd toch weer iets van de mens bij. Paulus getuigt van hen dat ze ijver voor God hebben, maar zonder verstand, zonder werkelijk besef waar het om gaat.
Hij zegt erbij: "Het uitverkoren deel verkreeg het en de overigen werden verhard." Hier zie je het weer: dit is passief, je wórdt verhard. Paulus stelt het gewoon vast. Het woord van de opgewekte Messias is tot hen gekomen en Paulus is daar zelf zeer actief in geweest, maar slechts een uitverkoren deel heeft het verkregen. Dan hebben we weer zo'n begrip: uitverkiezing. Is dat in de Bijbel zo'n belangrijk woord? Jazeker. Maar ook dat is weer zoiets. De uitverkorenen zijn zij die weten: het komt niet van de mens. God kiest uit, dat doet een mens niet.
Ik weet dat het begrip uitverkiezing, zeker in ons land en in de calvinistische wereld, een hele grote rol speelt. Maar weet u wat men daar van de uitverkiezing gemaakt heeft? Men denkt: je bent uitverkoren en dan zit je goed. Men stelt dat God een klein deel heeft uitverkoren die naar de hemel gaan en worden gered, terwijl de rest verloren gaat en het nooit meer goed komt. Dat is in de Bijbel nooit de betekenis van uitverkiezing. Uitverkiezing heeft altijd te maken met een functie. God kiest je uit voor een bepaald doeleinde, en dat is altijd om tot zegen te zijn. God koos Abram niet uit omdat de rest van de wereld Hem niet interesseerde; nee, God koos Abram uit opdat via hem de hele wereld gezegend zou worden. Uitverkiezing is dus nooit ten koste van de rest, integendeel, het is juist ten gunste van de rest.
Niettemin is uitverkiezing exclusief in die zin dat de een het wel ontvangt en de ander niet. Het is geen prestatie. Als je het aan een Jood vraagt: "Wij zijn het uitverkoren volk," is dat dan mooi? Dat hangt ervan af hoe je het bekijkt. Het is een voorrecht als je een kanaal van zegen mag zijn, maar het is ook een enorme last. Dat geldt in feite ook nu. Als je een gelovige mag zijn, dat wil zeggen: als Hij jouw ogen nu al geopend heeft voor de waarheid van wie Hij is en de waarheid van Zijn Woord, dank God dan op je blote knieën. Hij heeft jouw ogen daarvoor geopend. Is dat een zegen? Jazeker, een geweldige zegen. Is het alleen maar leuk? Nee, want in sommige gevallen ben je voor de buitenwereld de dorpsgek. Als jij iets ziet en de rest ziet het niet, dan ben je in hun ogen een dwaas die 'van lotje getikt' is. Of dat leuk is, hangt een beetje van je persoonlijkheid af. Als je graag met de groep mee wilt gaan en niet wilt opvallen, dan is het niet leuk. Als je sowieso een beetje een 'eigenheimer' bent, dan is er goed mee te leven.
God kiest uit. Paulus zegt dat we tevoren zijn uitgekozen, vóór de nederwerking van de wereld. Het geweldige van het evangelie is dat God houdt van deze wereld en dat Hij elk mens liefheeft. Hij is de Redder van alle mensen, maar ieder in zijn eigen rangorde. Die uitverkorenen zijn de eerstelingen, degenen die Hij uitkiest om de rest te bereiken en waar Hij een doel mee heeft. Dat is uitverkiezing.
Het uitverkoren deel verkreeg het dus, maar de overigen werden verhard. Zoals het is geschreven – en hier citeert Paulus een combinatie van Deuteronomium 29 en Jesaja 29: "God heeft aan hen gegeven een geest van verdoving." Let op: Hij heeft het hen gegéven. Een geest van verdoving is dus ook een gift. Wat betekent verdoving? Dat je doof bent; er komen geen prikkels meer tot je, of in ieder geval reageer je er niet op. De ergste vorm van verdoving is feitelijk de dood, dan reageer je nergens meer op. Een geest van verdoving, ogen die niet zien en oren die niet horen, tot de dag van vandaag.
Dat stond al zo exact in Deuteronomium 29. Daarom kon het volk indertijd nog niet het land binnengaan, tot de dag van vandaag. Wat Paulus hier schreef in Romeinen 11, ergens in de jaren vijftig van de eerste eeuw, dat is nu nog steeds zo. We zitten nu wel aan het einde van die periode, maar nog steeds is het volk verdoofd. Ze zien hun eigen Messias niet eens. Hoe komt dat? Is het volk niet intelligent genoeg? Integendeel, ze hebben juist de reputatie ongeveer het meest intelligent te zijn. En toch zien ze het niet. Hoe komt dat? God heeft hen een geest van verdoving gegeven: ogen die niet zien en oren die niet horen, tot de dag van vandaag.
En als je nu denkt dat er een reden is om je boven hen te verheffen, dan zegt Paulus in hetzelfde hoofdstuk: "Wees niet hoogmoedig." Want God heeft dat gedaan. Hij legt uit dat zij vijanden van het evangelie zijn om uwentwil, maar geliefden om de vaderen wil. God kiest nu expres voor een omweg. Omdat Israël weigerde, maakt Hij in de geschiedenis een soort U-bocht via de natiën. Dat is het geheim van Paulus: alles heeft een bedoeling.
Het geweldige van deze waarheid vind ik aan de ene kant dat het een zegen is als je inziet dat het pure genade is dat je dingen mag zien, omdat Hij je ogen en oren geopend heeft. Tegelijkertijd geeft het zo'n rust om te weten dat God op Zijn tijd ook de ogen en oren van die anderen gaat openen. Op Zijn tijd! Ik weet het, soms zijn we ongeduldig. Waarom zien ze het nu niet? Je zou het wel in hun oren willen tetteren of het erin willen stampen. Maar zo werkt het dus niet. Op Gods tijd gaat het kwartje vallen. Na de veertig jubeljaren, om het zo te zeggen, als de termijn is verstreken. Alles op Gods tijd.
Elymas Gepauzeerd: Blind tot de Bestemde Tijd ↑ hoofdstukken
Dan heb ik er nog een: Handelingen 13. Dat is een illustratie waar je vindt dat Paulus – nou ja, Saulus – voor het eerst bij een echte, pure heiden komt, om het zo maar te zeggen. Ik bedoel: Cornelius in Handelingen 10 was nog een vreemdeling binnen de poorten, maar hier is hij bij ene Sergius Paulus. Een heel eigen aardigheid: de naam 'Paulus' komt voor het eerst in de Bijbel voor in Handelingen 13. En wie kreeg die naam? Dat was een Romeinse stadhouder, Sergius Paulus.
Die Sergius Paulus was heel benieuwd naar wat Paulus – of nee, Saulus – te vertellen had. En dan lees je die geschiedenis, hoe een zekere Barjesus (of zijn naam in het Grieks: Elymas), een Joodse tovenaar, probeerde die Sergius Paulus afkerig te maken. Want die stadhouder was heel benieuwd naar wat Saulus te melden had, en daar komt die Joodse tovenaar die in die kringen vertoefde en probeerde Sergius Paulus afkerig te maken. Dat gaat clashen. En met recht hoor, want dan lees je dit: "Saulus, anders gezegd Paulus..."
Heel de geschiedenis die hieraan voorafgaat, is het consequent altijd "Saulus, Saulus van Tarsus". En dat verandert op het moment dat Saulus bij die Sergius Paulus is. Dan verandert zijn naam, maar dan ook consequent; vanaf dat moment wordt hij altijd Paulus genoemd. Dus ineens: "Saulus, anders gezegd Paulus, vervuld van heilige geest, keek hem – dat is die Elymas, die Joodse tovenaar – scherp aan."
En dan maakt hij een heel mooi 'compliment' aan hem. Dan zegt hij dit: "O duivelszoon..." – diabolos. Van de diabolos, de doormekaar-gooier; dat is wat een diabolos is, een duivel. "...vol van alle bedrog en van alle zwendel." Daar is ongetwijfeld veel meer aan voorafgegaan in deze geschiedenis. Die Elymas was een tovenaar, dus hij was vol met trucjes, ook met redeneertrucs. Hij probeerde Sergius Paulus op een ander spoor te brengen. En dan krijgt hij dus dit te verstaan: "Vol van alle bedrog en van alle zwendel, vijand van alle rechtvaardigheid... zul je niet ophouden te verdraaien de rechte wegen van de Heer?" Nou, dat wordt hier als een vraag gesteld, maar eigenlijk is het antwoord: ja. Vanaf hier gaat hij ophouden.
Maar nu heb ik nog iets, en dat is echt leuk. Dat vind ik mooi. Hier staat namelijk in het Grieks voor 'ophouden' een woord dat direct verwant is aan ons woord "pauze". Pauze betekent stoppen, ophouden. Het is afgeleid van het Griekse werkwoord pauo. Dus in feite is wat er gebeurt, dat Elymas, de Joodse tovenaar bij wie het Woord niet geland was en die de heiden – of in dit geval deze heidense Sergius Paulus – afkerig wilde maken, door Paulus wordt 'gepauzeerd'. Hij wordt gestopt. En vanaf dit moment wordt Saulus "Paulus". Paulus is dus degene die Elymas stopt; hij drukt op de pauzeknop. Dat is eigenlijk wat er gebeurt, want vanaf dit moment kan Elymas helemaal niks meer. Lees maar na.
"En nu, let op: de hand van de Heer is op u." Ik heb het expres zo weergegeven. In de meeste vertalingen staat: "Hij is tegen u." En natuurlijk kun je dat verdedigen, dat is ook de gedachte, maar letterlijk staat er: "De hand van de Heer is op u." Ik moet er gewoon aan denken wat er gebeurt als je dit doet: je hand voor iemands ogen houden. Dan is de hand van de Heer 'op' je, en dan zie je niks meer. Ik vind daar eigenlijk een hele mooie gedachte in zitten. Als een vader zijn kind wil verrassen, dan houdt hij de handen voor de ogen om het kind door het contrast te verrassen.
Nou, in feite zie je dat hier ook: "En nu, let op, de hand van de Heer is op u en u zal blind zijn en de zon niet zien tot de bestemde tijd." Ja, de hand van de Heer is op u, u zal niet in staat zijn om te zien... En er staat nog bij: "tot de bestemde tijd". Met andere woorden: die Elymas wordt nu blind gemaakt. Kijk maar na, want ik moet dit even doorleven, want er staat vervolgens: "En terstond..." – niet gewoon een tijdje later – "...viel op hem een waas en duisternis." Hij zag dus helemaal niets meer. "En rondgaande zocht hij begeleiders om hem bij de hand te nemen." Ineens was die hele trucendoos van hem gesloten. Hij kon niets meer. Hij was gepauzeerd tot de bestemde tijd. Hij was blind en zag niets meer.
In feite is zo’n geschiedenis in het boek Handelingen illustratief voor de hele waarheid die in dit boek wordt opgetekend: hoe inderdaad het Joodse volk tijdelijk blind gemaakt wordt vanwege de afkerigheid van het volk. Dat is in feite precies hetzelfde. En hoe het via die route juist bij de heidenen terechtkomt. Maar: tot een bestemde tijd. Dat wil zeggen dat het nooit voor altijd is. En dat geldt altijd voor Gods oordelen. Gods oordelen hebben altijd een bedoeling, maar ook een einde. Het is altijd correctief. Het is altijd om de dingen recht te zetten. Dus het is uiteindelijk ook altijd weer Gods liefde.
Ja, ik zie dat het uur ook zo ongeveer op zijn einde loopt.
Elk Oog Zal Ontluiken op Gods Tijd ↑ hoofdstukken
Maar ik wil nog op een ander fenomeen wijzen, en dat is dat je met begrip 'ogen' kunt zien. Ik kom oorspronkelijk uit Aalsmeer. Mijn achternaam is Piet en Aalsmeer is zo’n beetje de enige plaats waar die naam veel voorkomt. Ik kom uit de rozenwereld, uit de rozenteelten. Ik heb daar zelf ook lange tijd in gewerkt en juist in de rozenteelt wordt heel vaak gesproken over 'ogen'. In andere teelten zijn het kroppen, maar wat je hier ziet aan een rozentak, dat noemen we een oog. Dat is wat uiteindelijk een knop gaat worden. De hele biologie laten we even voor wat het is, maar wat er gebeurt, is dat zo’n oog gaat ontluiken. En dat gebeurt trouwens ook door licht. Als er licht op komt, dan gaat het oog open.
In feite spreekt heel de natuur erover. Wat je momenteel in het voorjaar beleeft, is dat het licht toeneemt. Alles ontluikt, maar alles op zijn tijd. Niet allemaal tegelijk. Wat krijg je eerst? De sneeuwklokjes. Pas later komen de tulpen. Dat zie je in de dierenwereld net zo goed; dat de dingen bij geboortes ook hun eigen moment hebben. In mei legt elk vogeltje een ei; alles op Gods tijd! Ik vind dat geweldig. Al die knoppen zijn voor mij 'ogen'. Het Latijnse woord voor oog is 'oculus'. In mijn vakgebied kent u misschien het woord 'oculeren'. Dat is een soort enten; dan ent je het oog op zo’n wilde onderstam. Ik vind het zo leuk om dit te noemen omdat ogen en knoppen ook biologische termen zijn.
Het geweldige is: op het moment dat het licht gaat toenemen, wanneer het duistere seizoen en de dood ten einde zijn en het licht gaat doorbreken — en de warmte daarmee — dan gebeurt alles op zijn tijd. Elk soort is weer van een andere orde en krijgt dan het licht in de ogen en gaat ontluiken. Ga nu niet zeggen dat een sneeuwklokje knapper is, of beter is, of beter presteert dan een plant, een bloem, een boom of een heester die pas later gaat bloeien. Nee, alles heeft God gemaakt op Zijn tijd.
Het loutere feit dat je de dingen mag zien, en ze nú al mag zien, betekent dat je te feliciteren bent. Want dan ben je namelijk een voorloper, een eersteling. Je bent het 'eerste kievitsei', zal ik maar zeggen. Want de eerste krijgt in de Bijbel altijd de hoogste bestemming. Bij ons trouwens ook; als je de eerste bent, dan krijg je de beker natuurlijk. Nu kun je nog zeggen dat dit een verdienste is, maar begrijpt u: de eerste krijgt de hoogste bestemming, maar in de natuur is dat toch geen prestatie.
En daar gaat het mij eigenlijk om, wat ik vanmiddag graag met jullie wilde delen: God opent ogen. Hij doet dat op Zijn tijd, en als je ogen nu al zijn geopend, dan is dat geen prestatie. Je kunt niet zeggen: "Dat is natuurlijk mijn keuze", want weet u wat ik dan zeg? Sorry dat ik een beetje hard ben, maar dan zeg ik: dan zitten uw ogen nog dicht. Dat meen ik echt. Want dan pocht u nog op prestatie en op werken. Het is God die jouw ogen opent. Als je denkt dat het eigen werk is, dan roem je daarop, net als Israël. Dan poog je iets te zijn voor God wat je niet bent. Het is genade, en genade alleen.
En ja, het geweldige is: op Gods tijd gaat Hij ook de ogen openen van degenen die nu nog blind zijn. In feite is iedereen die blind is, 'nóg' blind. Want er komt een moment dat iedereen het gaat zien en iedereen ervan zal getuigen. We hebben het vanmiddag toch gewoon gezongen? En weet je wat er dan gebeurt? Dan krijg je dit. Ik had het beloofd: wat er gebeurt als je ogen opengaan. Ik zag vorige week op internet een filmpje voorbijkomen van een klein kind dat heel slechtziend is en een bril krijgt aangemeten. En wat er dan gebeurt... kijk, dat is wat er gebeurt als God je ogen opent. Wauw! Wat geweldig! Wat een God! Maar daar zit geen prestatie bij. Vergeet dat nooit. God opent de ogen, op Zijn tijd, van iedereen.
UltimateGoodNews