GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

Kores Moet De Tempel Herbouwen

03-04-2016 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie gehouden op 3 april 2016 in Den Haag

De machtigste man van het Perzische wereldrijk, laat zeventig jaar na Jeruzalems verwoesting de tempel en Jeruzalem herhouwen. Hij moest dat doen. Maar hoezo? Wat bezielde deze heidense koning om uitgerekend in dat jaar deze opdracht te geven en het Joodse volk uit ballingschap te doen terugkeren? Het antwoord is: Kores wist zich door Israëls GOD geroepen. Al tweehonderd jaar voor zijn geboorte was zijn naam reeds genoemd om deze taak uit te voeren!

Het is een onbekend maar ook spectaculair verhaal! Het laat zien waarom Israëls GOD volstrekt uniek is!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Jeruzalem werd verwoest door Nebukadnezar en het volk werd zeventig jaar gedeporteerd totdat de Sabbatsjaren vergoed waren. Na deze voorzegde periode wekte God de geest van de heidense koning Kores op om de tempel te herbouwen. Kores kwam tot deze erkenning omdat Jesaja dit al lang van tevoren had voorzegd en hem bij naam had genoemd. Deze geschiedenis toont aan dat God het heden en de toekomst volledig regisseert en Zijn eigen woord bewijst.

“Voor God vindt er nooit een verrassing plaats. Nooit gaat er bij Hem iets fout. Hij heeft het script en de regie volmaakt in handen.”

Introductie en de Bijbelse Tijdtafel ↑ hoofdstukken

Een hele goedemorgen, vrienden. Ik ben blij hier weer eens te mogen zijn. Een paar maanden geleden stond ik hier ook en toen hebben we met elkaar nagedacht over Nebukadnezar. Dit ligt in feite een beetje in diezelfde lijn, althans, we gaan het vanmorgen hebben over Kores. Beide figuren, zowel Nebukadnezar als Kores, waren dé machthebbers in hun dagen; echt koningen van een compleet wereldrijk. Ik weet wel zeker dat het verhaal dat ik vanmorgen ga vertellen vanuit de Schrift erg onbekend is, maar het is ook heel spectaculair. Het is een geweldige geschiedenis die je echt moet kennen.

Maar laat ik, voordat ik daar wat meer over ga vertellen en we de Schrift openen, eerst de dingen even in de tijd plaatsen. Waar moeten we dan aan denken? Wel, dan beginnen we even met dit plaatje. Als we kijken naar de geboorte van Abraham — ik ben daar het laatste half jaar nogal mee bezig geweest, met de Bijbelse tijdtafel, zoals dat met een deftig woord heet. Daarin heb ik onder andere uitgelegd dat de geboorte van Abraham plaatsvond in het jaar 2000. U moet daarbij goed bedenken dat ik reken vanaf de creatie van Adam. Je kunt dat allemaal zo narekenen; ik ga dat nu niet doen, maar ik geef u even een kleine indruk van hoe dat zit.

Het mooie van de tijdtafel die ik heb ontdekt, is dat het ook heel simpel te onthouden is. Kenmerkend voor de tijdtafels die je op school onderwezen krijgt, is dat het allemaal heel lastige getallen zijn, maar de hele Bijbelse systematiek is geweldig; zo mooi. Dat wil ik u eens laten zien. De geboorte van Abraham vond plaats in het jaar 2000, precies 2000 jaar na de creatie van Adam. Precies 500 jaar later vond de uittocht uit Egypte plaats. Dat was dus in het jaar 2500, wat tevens het 50ste jubeljaar was. Afijn, daar ga ik nu even snel overheen, want anders komen we nooit bij Kores uit.

Als je vanuit de uittocht uit Egypte verder gaat — dat was dus in het jaar 2500 — en je gaat weer 500 jaar verder, dan kom je uit in de dagen van Salomo, op het moment dat zowel de tempel als zijn paleis, dus zijn plaats als koning, gevestigd is. Dat is exact in het jaar 3000. De Heer verschijnt dan ook aan hem in een visioen en dan worden hem dingen aangekondigd en beloofd. Dat is dus in het jaar 3000.

Ga je nog weer verder rekenen? Nou, wacht even, ik zeg nu eerst even 430 jaar. Vanaf het moment dat de Heer verschijnt aan Salomo — dat is dus in het jaar 3000 — reken je 430 jaar verder. Dan kom je in 3430 uit en op dat moment wordt de tempel verwoest. Jeruzalem wordt verwoest door Nebukadnezar, de figuur waar we het een paar maanden geleden over hadden. En u zegt: "Ja, maar nu kom ik 70 jaar te kort." Welnu, daar wil ik het dus ook nog even over hebben.

De Verwoesting van Jeruzalem en de Sabbatsjaren ↑ hoofdstukken

Laten we nu eerst eens bladeren naar 2 Kronieken 36. Dat is het laatste hoofdstuk. Ja, u kunt er naartoe bladeren, dat is altijd wel zo veilig om mij te controleren natuurlijk. En trouwens, het is altijd wel gemakkelijk als u dat in uw Bijbel ook voor u ziet; dan kunt u ook nog even de hele context en de samenhang erbij betrekken. Maar goed, ik ben u van dienst: ik laat het u allemaal zo zien via de beamer. We zijn dus helemaal aan het einde van het Kroniekenverhaal. Het tweede boek van de Kronieken is het einde van dat boek en daar haak ik aan bij vers 17. Daar lees je: "Hij..." Hij, en daar gaat het over de HEERE God. Hij deed de koning van de Chaldeeën tegen hen optrekken. De Chaldeeën, dat zijn de Babyloniërs, en die koning is dus Nebukadnezar. Als u dat niet geloven wilt, dan moet u dat even teruglezen in de verzen die daaraan voorafgaan. Hij deed de koning van de Chaldeeën tegen hen — en daar gaat het over Israël, meer speciaal over het koninkrijk van Juda wat nog overgebleven was — tegen hen optrekken.

Dramatisch. Er waren inmiddels sinds Salomo twintig koningen geweest die geregeerd hadden in Jeruzalem. En nu regeerde nog de laatste koning, dat was Zedekia. En dit was fataal, dit was het laatste. Laten we eens lezen, en het is niet fraai wat we hier lezen. Maar het was van tevoren al aangekondigd door Jeremia, de profeet Jeremia die in die dagen leefde. Ik lees even door: "Hij deed de koning van de Chaldeeën tegen hen optrekken." En deze — die koning van de Chaldeeën, Nebukadnezar dus — doodde hun jongelingen met het zwaard in hun heiligdom zelfs. En hij spaarde jongeling noch maagd, oude noch grijsaard; alles gaf Hij, God, in zijn macht. Nebukadnezar.

Al het gerei van het huis Gods, het grote en het kleine, de schatten van het huis des HEEREN... en dat was wat hoor! Want Salomo had die tempel, dat huis van God, met een gigantische luister en met een enorme rijkdom van goud en zilver gebouwd. Het was het aller, aller kostbaarste; er was een wereldwonder, vergis u niet. Dat wordt allemaal ook beschreven in andere boeken van de Bijbel. Het was gigantisch, maar daarom was het natuurlijk ook een willige prooi voor Nebukadnezar, want het was een enorme rijkdom. Al die schatten van het huis des HEEREN en de schatten van de koning — want vergis u niet, ook Israël had dagen van een wereldrijk beleefd. Afijn, al die schatten van de koning en van zijn vorsten, al die vorsten die nog op Salomo waren gevolgd, alles bracht hij naar Babel, de hoofdstad van het wereldrijk in die dagen.

Zij, die Chaldeeën dus, verbrandden het huis Gods. Zo met een enorme luister waar het 430 jaar ooit tevoren mee begon... wel, daar bleef helemaal niets van over. Ze verbrandden het huis van God, ze braken de muren van Jeruzalem af en zijn paleizen verbrandden zij met vuur. Alle kostbaarheden vernietigden zij. Dus dit is echt het einde van dat koninkrijk van Juda wat daarvan overgebleven was. Van de tempel en de stad bleef helemaal niets over.

Ik ga even verder: ook voerde hij — Nebukadnezar — hen die aan het zwaard ontkomen waren — dus degenen die nog niet getroffen waren door alle oorlogstuig — naar Babel. En zij werden hem en zijn zonen tot slaven, totdat het koninkrijk van Perzië de heerschappij verkreeg. U moet weten, we hebben het nu over Nebukadnezar, de grote vorst van het Babylonische rijk. Dat heeft een bepaalde periode geduurd. Hier wordt dus de verwoesting van Jeruzalem beschreven. Jeruzalem wordt verwoest: de tempel, al die paleizen, niets blijft er van over. En alles wat nog in leven bleef, wordt vervolgens uit het land gevoerd, gedeporteerd naar Babel. Daar zijn ze ballingen, maar ze zijn daar gewoon niets anders dan slaven.

Die situatie bleef voortduren totdat het koninkrijk van Perzië de heerschappij verkreeg. Dat wil zeggen dat de Perzen Babel veroverden en toen het Babylonische wereldrijk voorbij was; toen kregen we het Perzische wereldrijk. Nou, we komen er wel hoor! Maar we lezen even verder: "...totdat het koninkrijk van Perzië de heerschappij verkreeg," en dan staat erachter: "...om het woord van de HEERE, om het woord van Jahweh door Jeremia verkondigd, in vervulling te doen gaan." Als u dat na wilt lezen: in de profeet Jeremia vindt u dat in hoofdstuk 25 en hoofdstuk 29. Alles was voorzegd. Jeremia had voorzegd dat Nebukadnezar zou komen en dat er van de stad niets zou overblijven. Jullie zullen gedeporteerd worden, had hij gezegd. Maar dat niet alleen: hij had ook gezegd hoe lang dat zou duren. Er staat: "...om het woord van de HEERE door Jeremia verkondigd in vervulling te doen gaan."

Op deze woorden kom ik nog even terug, maar er staat: "Al de dagen die het woest lag — Jeruzalem dus — heeft het gerust." Er gebeurde helemaal niets. En er staat bij: "...om zeventig jaar vol te maken." Dus vanaf de verwoesting van Jeruzalem totdat het koninkrijk van Perzië aan de macht kwam, is een periode van 70 jaar, en dat was precies wat Jeremia had voorzegd. Dit zal 70 jaar duren. Voorzegd; God voorspelt niet, Hij voorzegt.

Dat had trouwens nog een speciale reden, want er staat bij — en dan kom ik nog even terug op die tussenliggende regels — er staat namelijk: "...totdat het land zijn Sabbatsjaren vergoed gekregen heeft." Nu moet ik daar nog iets bij zeggen: wat zijn dat, Sabbatsjaren? Gedurende een periode van 50 jaar — dat lees je allemaal in de wet van Mozes. Wij spreken ook wel over een sabbatical, maar dat is hieraan gerefereerd of aan ontleend. In een periode van vijftig jaar lagen zeven Sabbatsjaren. Dat wil zeggen: elk zevende jaar was een Sabbatsjaar en dan lag het land braak. Dan gebeurde er niets, er werd niet gebouwd en er werd niet geoogst. Het land had rust, Sabbat. Dan werd er weer geteld, een nieuwe cyclus van zeven jaar, en dan was het weer een Sabbatsjaar. Dat ging zo zeven Sabbatsjaren door. Dus in het negenenveertigste jaar had je weer een Sabbatsjaar en daarna kreeg je een jubeljaar. U kent die uitdrukkingen allemaal wel.

Dat betekent dus dat je in een periode van 50 jaar 7 Sabbatsjaren had. Maar Israël heeft die Sabbatsjaren nooit gehouden. Vanaf het moment dat Israël een koninkrijk was en de tempel er stond — dus vanaf het moment waar ik het zojuist al over had, dat de HEERE aan Salomo verscheen — al die 500 jaar zijn er geen Sabbatsjaren gehouden. Als 7 Sabbatsjaren horen bij 50 jaar, nou, dan worden er nu 70 Sabbatsjaren vergoed. Dat gaat dus over een periode van 500 jaar. Nietwaar?

Ik kom er even op terug. Dat betekent dus: we hadden het erover dat in het jaar 3000 de HEERE aan Salomo verscheen; toen waren de tempel en het paleis compleet. Dan krijg je een periode van 430 jaar en wordt Jeruzalem verwoest. De tempel wordt verwoest en het overgebleven volk wordt gedeporteerd naar Babel. Die periode zou dan 70 jaar duren. Dan heb je weer een periode van 500 jaar en dan brengt de HEERE, zoals dat heet, een keer in het lot van Zijn volk. Dan wordt de tempel ook herbouwd en dan zijn we weer 500 jaar verder. Dat zit allemaal zo geweldig in elkaar. Ik kan er veel meer over vertellen, maar dat doe ik nu niet. Ik wil u alleen even laten zien dat die 70 Sabbatsjaren betekenen dat er iets wordt vergoed: al die jaren dat het land had moeten rusten, ieder zevende jaar, die hebben ze niet gehouden.

De Opdracht aan Koning Kores ↑ hoofdstukken

In 2 Kronieken 36 lezen we over het eerste jaar van Kores. Kores was de man van dat Perzische wereldrijk toen Babel veroverd was door de Perzen. Kores was de man die ook wel Cyrus wordt genoemd; in het Engels zeggen ze ook Cyrus. In het eerste jaar van dat koninkrijk, en dus ook in het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de HEER zijn geest op. Er staat eigenlijk iets tussen haakjes bij: opdat het woord van de HEER door Jeremia verkondigd, voltrokken zou worden. Want ja, als God iets zegt, dan doet Hij het ook. In dat eerste jaar wekte de HEER de geest van Kores, de koning van Perzië, op. Die geest van Kores werd geprikkeld. Waardoor? Daar wil ik het juist graag over hebben.

Nog een keertje even dat plaatje: Jeruzalem wordt verwoest en zeventig jaar verder kom je in het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië. En dan wordt de koning van Perzië, Kores, in zijn geest geprikkeld door de HEER Zelf. De vraag is: hoe dan wel? Wel, ik lees nog even verder in 2 Kronieken 36. Kores, die machtige man, laat in zijn hele rijk een bevel uitvaardigen. In zijn gehele koninkrijk, ook in geschrifte. Dat wil zeggen dat het niet alleen mondeling wordt doorgegeven, maar dat het zwart op wit wordt vastgelegd. En u weet hoe dat gaat; dat is tegenwoordig nog steeds spreekwoordelijk: een wet van Meden en Perzen, van dat Medo-Perzische Rijk. Welnu, als daar iets uitgevaardigd wordt, dan gebeurt het ook. Ook in geschrifte laat hij deze oproep uitgaan. Welke oproep? Er volgt hier een dubbele punt. Zo zegt Kores — hij vaardigt dus iets uit en in zijn hele koninkrijk wordt dit gezegd en zwart op wit vastgelegd: "Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de HEER, de God des hemels, mij gegeven."

Moet u goed opletten: dit is een heidense koning. Geen Israëlitische koning die vertrouwd was met de Schriften of met de wet van Mozes. Helemaal niets. Het is een heidense koning die dit zegt. Maar vergis u trouwens ook niet wat voor koning het was. Hij had alle koninkrijken der aarde onder zich; die waren ondergeschikt aan hem. Hij had dus met recht een wereldrijk; alles was ondergeschikt aan hem. En hij zegt: "Alle koninkrijken der aarde heeft de HEER, de God des hemels, mij gegeven." Je vraagt je dan af: hoezo die erkenning? Maar goed, daar wil ik het juist over hebben. En er staat nog iets bij: "En Hij, de God des hemels, de HEER, JAHWEH, Israëls God, heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda."

Ik zei al: zeventig jaar daarvoor was de tempel verwoest. Heel Jeruzalem was platgegaan en het volk was gedeporteerd. Zeventig jaar heeft het land rust gehad en zijn de sabbatsjaren vergoed. En nu, precies op de juiste tijd en de juiste plaats, gaat Kores iets doen. Hij zegt: "De HEER heeft mij opgedragen." Ja, nu moest het gaan gebeuren. Jeremia had al voorzegd dat na zeventig jaar die terugkeer zou plaatsvinden en dat de tempel weer herbouwd zou worden. Maar hoe kwam het nu zo dat Kores daartoe geprikkeld werd? Dat hij tot deze erkenning kwam? Want hij zegt dat en hij herkent dus de God van Israël als Degene die hem al die macht heeft gegeven. En nog sterker: hij zegt dat God hem heeft opgedragen Hem een huis te bouwen daar in Jeruzalem, dat al zeventig jaar geleden helemaal compleet met de grond gelijk gemaakt en verbrand is. Nu moest hij dat gaan herbouwen in Jeruzalem, in Juda.

En dat is precies de vraag waar we het over hebben vanmorgen: hoezo? Dat een heidense koning tot deze erkenning komt en dat de HEER zijn geest geprikkeld heeft? Hoe dan wel? Vanwaar en waarom nu? Nou, dat in de eerste plaats: het was precies het zeventigste jaar. Nu moest het gaan gebeuren; dat was voorzegd door Jeremia. Jeremia leefde er al lang niet meer, mag je aannemen. Dit is trouwens het laatste vers van het boek Kronieken, van de Kroniekenboeken. "Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort, de HEER zijn God zij met hem, hij trekke op." Dat wil zeggen — en zo begint het boek Ezra dan ook vervolgens als dat beschreven wordt — wie wil, die mag optrekken naar Jeruzalem. Kores gaf al zijn medewerking, echt ook in financieel opzicht heeft hij medewerking gegeven om daar in Jeruzalem die tempel weer te laten herbouwen. Het volk mag daar naartoe gaan. Dat heeft nog heel veel voeten in de aarde gehad, maar het is gebeurd zoals was voorzegd. Maar de grote vraag is dus: hoe kwam Kores tot die erkenning? Nou.

Jesaja's Voorzegging over Kores ↑ hoofdstukken

Dan gaan we naar Jesaja 44 en 45. Want nu ga ik u iets vertellen wat ik er eerst bij moet zeggen als we naar Jesaja gaan. Ik noemde zojuist de naam van de profeet Jeremia. Die leefde dus in de dagen die ik hiervoor heb beschreven en die had voor zich: Jeruzalem wordt verwoest, het zal zeventig jaar verwoest blijven en daarna wordt het hersteld. Maar Jesaja — u kent de naam natuurlijk, hij is een van de grote profeten — profeteerde lang daarvoor. Hij heeft gedurende een hele periode geprofeteerd; u leest dat in hoofdstuk 1 vers 1 al van het boek Jesaja: gedurende de heerschappij van de koningen Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia. Dat was anderhalve eeuw daarvóór dat Jesaja heeft geprofeteerd en dat dit alles is geboekstaafd. Dat moet u weten, want het is heel belangrijk: Jesaja profeteerde anderhalve eeuw voordat Jeruzalem verwoest werd. En dan moeten we opletten wat Jesaja daar toen al over heeft gezegd.

We gaan eerst naar Jesaja 44. Ik haak aan bij vers 24 om een klein beetje een idee te hebben van het verband. Ik lees door bepaalde dingen wat snel heen, dat moet u me maar vergeven. Er staat: "Zo zegt de HERE, uw Verlosser." Dat wil zeggen, Hij spreekt tot het volk van Israël. "Uw Verlosser, uw Formeerder van de moederschoot aan: Ik ben de HERE, die alles gemaakt heeft; die de hemel heeft uitgespannen, Ik alleen; die de aarde uitgebreid hebt door eigen kracht." Kijk, dat is monotheïsme. Dat wil zeggen: Israël kent één God. En omdat we maar één God hebben, is die God ook werkelijk God. Hij hoeft Zijn macht niet te delen met een ander. Het is niet zo dat wat Israëls God besluit, weer gedwarsboomd kan worden door een andere god. Nee, er is maar één God. En als Hij iets wil, dan doet Hij het. Hij is niet te dwarsbomen; er is maar één God die alles plaatst. Jesaja loopt over van dit soort geweldige uitspraken; God wordt daar echt als God vereerd.

Ik lees even verder. Dan lees je over die God die de tekenen van de leugenprofeten tenietdoet. Er zijn zoveel profeten en zoveel mensen die in naam van hun god dingen voorzeggen, maar het karakteristieke is: een mens kent de toekomst niet. Wat we ook kunnen en wat er ook in ons vermogen ligt, geen mens kan zelfs maar iets met zekerheid zeggen over het volgende uur. Hij kan voorspellen, maar God voorspelt niet. Dat doen wichelaars, astrologen, piskijkers — die heb je ook nog — of koffiedikkijkers en mensen met een glazen bol. Maar dat is voorspellen. God voorspelt niet, Hij voorzegt. Dan staat er dat Hij de tekenen van de leugenprofeten tenietdoet en de waarzeggers — zo heten ze dan, maar ze spreken leugens — als dwazen aan de kaak stelt. Dat is prachtig: achteraf blijkt dan gewoon dat het niet waar is wat zij zeiden. Hij doet de wijzen — of wat daarvoor doorgaat — terugwijken en maakt hun kennis tot dwaasheid. Zo wordt in de Schrift gesproken over de wijsheid van deze wereld. Voor de Heere is het belachelijk; het is dwaasheid, het is stupide. Hoe komen ze erop? Er wordt nergens zo gelachen als in de hemel. Hij die in de hemel zetelt, lacht; de Heere spot met hen. Hij spot met alle grootdoenerij en dikdoenerij van de mens, of dat nu intellectueel, economisch of politiek is. De Heere spot met hen en met hun vermeende kennis.

Maar, zo staat er, Hij doet het woord van Zijn knecht gestand. Dat wil zeggen: degene die Hij aanstelt en die Hij een woord geeft, daar waakt God over. Hij voert de aankondiging van Zijn boden uit. Als de Heere een bode of boodschapper uitstuurt, dan waakt Hij er zelf over dat dit ook daadwerkelijk uitgevoerd en volvoerd wordt. En dan staat erachter: "Die tot Jeruzalem zegt: Het worde bewoond; en tot de steden van Juda: Laten zij herbouwd worden." Ik herinner u er nogmaals aan dat Jesaja dit zegt pakweg anderhalve eeuw voordat Jeruzalem verwoest zou worden. Hier wordt dus al door Jesaja voorzegd dat Jeruzalem verwoest zal worden, maar daar wordt zelfs al aan gepasseerd. Hij zegt: daar blijft het niet bij. God oordeelt weliswaar, maar Hij pakt de draad altijd weer op. Dat is God. Jeruzalem zal ook weer herbouwd worden. Hij zegt tot Jeruzalem dat het bewoond zal worden en tot de steden van Juda dat zij herbouwd zullen worden: "Haar puinhopen zal Ik weer oprichten." Hier wordt dus verondersteld dat Jeruzalem ooit een puinhoop zou worden — wat pas anderhalve eeuw later zou gebeuren — maar er wordt ook al voorzegd dat het weer herbouwd wordt. Dat is op zich al spectaculair.

Maar nu nog iets. Ik lees verder in vers 28, en nu komen we bij hetgeen waar ik u deze morgen naartoe wilde brengen: "Die tot Kores zegt: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren." Laat ik nog even doorlezen: "Door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd; en de tempel worde gegrondvest." Hoezo Kores? Wie is Kores? Kores was toen nog lang niet geboren. Maar hier wordt door Jesaja, 150 jaar van tevoren, niet alleen gezegd dat Jeruzalem verwoest zal worden, maar ook dat Jeruzalem én de tempel herbouwd zullen worden. En er wordt ook bij gezegd door wie dat gaat gebeuren: hij wordt met name genoemd, Kores. Wie is Kores? God voorzegt bij monde van Jesaja over deze Kores: "Mijn herder." Dat was een heidense vorst die God helemaal niet kende, maar God zegt: "Jij bent Mijn herder." En waarom? "Hij zal al Mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd; en de tempel worde gegrondvest."

Ik lees even verder in Jesaja 45, want het gaat daar gewoon door: "Zo zegt de HERE tot zijn gezalfde." Hier moet ik eigenlijk nog iets bij zeggen, want er staat: "tot zijn gezalfde". Weet u wat er in het Hebreeuws staat? Daar staat gewoon: "tot zijn Mashiach". Het woord 'gezalfd' in het Hebreeuws is 'Mashiach', ons woord 'Messias'. Je kunt het ook op z'n Grieks zeggen en dan zeg je 'Christus'. Dat woord wordt hier gebruikt. "Zo zegt de HERE tot zijn gezalfde, tot Kores" — daar heb je zijn naam weer. Wie is Kores? Dat is degene die volgens de voorzegging van Jesaja Jeruzalem en de tempel gaat herbouwen. Kores wordt hier dus een gezalfde genoemd, een Messias. "Wiens rechterhand Ik, de Heere, gevat heb." Stel u voor: Kores, die machtige wereldheerser, en de Heere zegt: "Ik heb zijn rechterhand gevat." Waarom? Om volkeren voor hem neer te werpen. Hij was de machtigste man van de hele aarde en heeft een heel wereldrijk onder de voet gelopen, namelijk dat van Nebukadnezar en de Babyloniërs, de Chaldeeën. Om volkeren voor hem neer te werpen, ontgordt God de lendenen van koningen en opent Hij deuren voor hem. De Heere heeft alle deuren voor hem opengezet; deuren die voor anderen gesloten waren, daar stapte Kores zo doorheen. Hij liep de ene na de andere natie onder de voet. En wie heeft hem die macht gegeven? Wel, dat is de Heere. Geen poorten bleven gesloten, overal had hij ingang.

Ik lees verder in vers 3: "Opdat gij weet..." Hier wordt Kores persoonlijk aangesproken. "Opdat jij weet dat Ik de HERE ben, die u bij uw naam riep, de God van Israël." Let op: God voorzegt hier bij monde van Jesaja, pakweg tweehonderd jaar voor de geboorte van Kores, dat er een moment komt dat Jeruzalem herbouwd wordt en dat dit gaat gebeuren door Kores.

En die Kores zal Mij ook erkennen. Waarom? Omdat Ik hem bij zijn naam heb geroepen. Ja, dat is toch wel even een heel apart verhaal. Het wordt heel vaak ook vergeestelijkt, en ik heb er helemaal geen bezwaar tegen, maar houd even goed in de gaten over wie we het hebben. We hebben het over iemand die door God wordt aangekondigd.

En deze Kores zou weten dat het de Heer is die hem al die macht heeft gegeven. Waarom? Omdat Hij hem al bij zijn naam had geroepen: de God van Israël. Ja, dan moet ik er nog iets bij zeggen. Laat ik dat meteen even bijvertellen. Want, ja, ik heb nu even geen schriftplaatsen bij de hand, maar u kunt het in het boek Daniël nalezen.

Er was iemand die ook naar Babel gedeporteerd werd: Daniël, met zijn vrienden. Die hebben daar een geweldig hoge post bekleed. En Daniël, die heeft ook nog die hele transitie meegemaakt. Dat was in die overgang van het Babylonische naar het Perzische Rijk. Hij had een hoge positie, zo lees je in Daniël 1 en in Daniël 6 of 7 lees je dat ook.

Daniël heeft die hoge positie behouden in het koninkrijk van Kores. Toen was het al een stokoude man, die moet toen al dik in de tachtig geweest zijn. Misschien wel negentig. Maar hij was een van de topmensen in het Babylonische Rijk, maar ook vervolgens in het Perzische Rijk. En nou komt het.

Kores Wordt Geconfronteerd met de Profetie ↑ hoofdstukken

Want hoe heeft die Kores dit nou alles geweten? Dat is niet zo moeilijk. Hij is geconfronteerd met de Schrift, met de Hebreeuwse profeten. Hij heeft de boekrol van Jesaja gezien. Een van de mensen in zijn hof die gewoon direct toegang had tot Kores – en ik kan geen ander noemen dan dat dat Daniël geweest is – die heeft hem verteld: "Het is vandaag, dit jaar, het eerste jaar dat jij nu koning bent hier van Babel. Dit is het zeventigste jaar, en jij gaat Jeruzalem herbouwen."

Ik stel me nu even voor hoe het gegaan is. "Hoe weet je dat?" vraagt Kores. "Nou, het is het zeventigste jaar. Jeremia heeft het gezegd. En een andere profeet, honderden jaren geleden, die heeft al jouw naam genoemd." "Mijn naam genoemd?" "Ja! Alsjeblieft, hier, Jesaja 44." Nou ja, die hoofdstukindeling had je toen nog niet, maar goed. "Hier: jouw naam. De Heer heeft jouw naam genoemd." Een heidense vorst die niets wist van Israëls dienst en de tempel, wist hij helemaal niets van, maar hij is in aanraking gekomen met de God van Israël, die hem reeds bij name genoemd had ver voordat hij geboren was. Dat is spectaculair.

En wat ik hier vertel, staat niet alleen zo in de Schrift. Er is ook een Joodse geschiedschrijver, Flavius Josephus, die dit allemaal zo vertelt. Dat inderdaad deze koning Kores in aanraking is gebracht met de profetie van Jesaja en dat Kores compleet – hoe zeggen ze dat in het Engels – flabbergasted was. Hoe is dit mogelijk, dat God mijn naam genoemd heeft? Hij wist dus ook meteen wat hem te doen stond in dit jaar, namelijk de herbouw van Jeruzalem en de tempel.

Ik lees nog even verder hoe Kores wordt aangesproken: "Dat Ik, de Heer, het ben die u bij uw naam riep, de God van Israël. Ter wille van mijn knecht Jakob en van Israël mijn uitverkorene heb ik u bij uw naam geroepen en gaf u een erenaam, hoewel jij mij niet kende." Dat is oud-Nederlands: "hoewel gij Mij niet kendet." Jij kende Mij niet, je was een heidense vorst. Alsof dat voor God een verhindering is! Jij kende Mij niet, maar Ik kende jou wel. En ver voordat jouw ouders zelfs geboren waren, had Ik jou al bij je naam geroepen. En waarom? Ter wille van Zijn volk Jakob, dat uitverkoren volk Israël.

Kijk, de waarzeggers of wat daarvoor doorgaat, stelt God aan de kaak als leugenprofeten, want geen mens kent de toekomst. Maar God is de God van Israël. Hij kent het heden en Hij overziet de toekomst. Met dezelfde nauwkeurigheid waarmee wij kunnen spreken over de dag van gisteren en wat voor weer het was, zo spreekt Hij over wat er in de toekomst gaat gebeuren. Dat is ook Jesaja, die van den beginne de afloop reeds verkondigt. Voor God vindt er nooit een verrassing plaats. Nooit gaat er bij Hem iets fout. Hij heeft het script en de regie volmaakt in handen.

Die Kores is daar diep van onder de indruk geweest en hij wist wat hem in dat eerste jaar van het koninkrijk van de Perzen te doen stond. Die machtigste man die God totaal niet kende, maar God kende hem. "Ik gaf u een erenaam hoewel ge Mij niet kende. Ik ben de Heer en er is geen ander, buiten Mij is er geen God. Ik gordde u, hoewel gij Mij niet kendet." En dan staat erbij: "Opdat men het wete waar de zon opgaat in het oosten en waar zij ondergaat in het westen, dat er buiten Mij niemand is. Ik ben de Heere, er is geen ander, die het licht formeert en die de duisternis schept."

Het positieve, het negatieve, alles staat onder Zijn controle. Licht formeert Hij, duisternis schept Hij. Hoe schept Hij duisternis? Nou, gewoon door het licht weg te nemen. Duisternis is niet 'iets', het is gewoon dat waar het licht ontbreekt. En dan staat erbij – en deze woorden heb ik even uit de Statenvertaling genomen, want dat is precies zoals het er letterlijk staat: "die de vrede maakt en het kwade schept." God, de Schepper van het kwaad. Zo staat het er. In de NBG-vertaling staat: "die het heil bewerkt en die het onheil schept." In de praktijk komt het op hetzelfde neer hoor, maar er staat gewoon: "Ik ben het die de vrede maakt, maar ook het kwade schept."

Waar komt het kwaad vandaan? Eén ding moet je nooit vergeten: er is één God en Hij wist van het begin de afloop. Hij heeft alles volmaakt onder controle, goed en kwaad. En ik blijf zeggen: dat wat wij kwaad noemen, dat is een min. Dat is wat we nú zien, maar het is in werkelijkheid een plus die nog niet af is. Dat is het voor God. "Die de vrede maakt, die het kwade schept, Ik, de Heere, doe dit alles." Waarom? Opdat men weet, van waar de zon opgaat tot waar ze ondergaat, dat Ik de Heere ben, degene die alles volmaakt onder controle heeft.

In vers 11 van ditzelfde Jesaja 45 lees ik nog even verder: "Zo zegt de Heere, de Heilige van Israël en zijn Formeerder: Vraag Mij naar de toekomende dingen." Als je wilt weten hoe het in de toekomst gaat, moet je niet bij een mens wezen. Ook niet bij de gewone opinieleiders of bij de knappe koppen. Zij kunnen er niets zinnigs over zeggen. Ze kunnen hun prognoses erop loslaten en dat is dan aardig, en in het beste geval zit het een beetje in de buurt, maar zekerheid hebben we niet. Weet je hoe je aan zekerheid komt? Dan moet je luisteren naar wat het Woord van God zegt. God vraagt niet zomaar blind geloof.

God Bewijst Zijn Woord en Werkt uit Genade ↑ hoofdstukken

God bewijst Zijn eigen woord. Dat is zo belangrijk. In het boek Jesaja legitimeert God Zich ook door te voorzeggen. Je leest dat op diverse plaatsen in Jesaja, maar ook al veel eerder. Hoe weten we dat het het woord van God is? Wel, God voorzegt, en daarmee bewijst Hij dat het het woord van God is. Geen mens kan namelijk werkelijk voorzeggen. Mensen kunnen wel voorspellen, maar dat komt meestal niet uit. God voorzegt echter wel, en daarmee bewijst Hij Zijn eigen woord. God bewijst Zijn eigen woord.

Dat is het geweldige van de Schriften. Eigenlijk is het ook geen boek; het is een complete bibliotheek. Zo zie je dat in Kronieken de geschiedenis weer verklaard en bewezen wordt. Het ene boek verklaart en bewijst het andere. Het is een goddelijke eenheid. Het zijn allemaal verschillende schrijvers, in verschillende eeuwen en op verschillende plaatsen ontstaan, maar het is één plaatje. Het is één puzzel en al die stukjes passen perfect in elkaar. Dat kan er maar Eén zijn, mensen. God bewijst Zijn woord.

Zo zegt de Heer, de Heilige van Israël en zijn Formeerder: "Vraag Mij naar de toekomende dingen. Vertrouw Mij Mijn zonen en het werk van Mijn handen toe." Dat is het beste advies wat je aan een mens kunt geven. Als je iets onderneemt of plannen hebt: vertrouw het maar aan Hem toe. Want als je afgaat op je eigen inzicht – dat staat al in het boek Spreuken, toch? Vertrouw op de Heer met uw ganse hart en steun op je eigen inzicht niet. Ook al heb je een IQ van hier tot Tokio, wat maakt dat uit? Je kunt de toekomst niet voorzeggen. Bovendien is dit wat vrede geeft. Hier kun je op staan, hier kun je op bouwen.

Nog even verder in vers 13. Het gaat nog steeds over Kores: "Ik ben het die hem verwekt heb." Dat is een mooie; eigenlijk wordt het hier al gewoon in de verleden tijd gezet. Voor God maakt dat namelijk geen enkel verschil; het is gewoon een feit. "Ik ben het die hem verwekt heb in gerechtigheid en al zijn wegen zal Ik effen maken." Dat wil zeggen: Ik zal de weg voor hem klaarmaken. God heeft daar Zijn motieven voor, waar ik het zojuist over had. "Hij is het die Mijn stad, Jeruzalem, herbouwen zal." Weer die voorzegging. En Mijn ballingen, al die mensen die gedeporteerd zijn – zeventig jaar later mogen die ballingen dan allemaal weer terugkeren. Ze worden vrijgelaten zonder koopprijs en zonder geschenk, zegt de Here der Heerscharen.

Ook dit is karakteristiek voor de wijze waarop God opereert: zonder koopprijs, zonder geschenk. Er hangt geen prijskaartje aan. God voorzegt het en God doet het. Hij voorzegt het van tevoren. Hij is degene die het in Zijn handen heeft en Zijn woord is waar. Daar kun je gewoon blind op varen. Het is toch geweldig om in een donkere wereld dat licht te hebben? Want zoals God voorzegt over zulke dingen – en daar zijn zoveel voorbeelden van – zo geldt het ook voor de tijd waarin wij leven.

Wij leven ook in zo’n markante tijd. God heeft het voorzegd. De derde dag, het derde millennium sinds het heengaan van de Heer, is aanstaande. Wij weten nu ook: het duurt niet lang meer. Waarom? Wel, God heeft gesproken. En het is allemaal genade. Hier komt totaal geen menselijke verdienste bij kijken. Dat is echt zo kenmerkend voor God. God vraagt niet – ik vind het zo mooi – Hij roept, Hij is een Vorst. Kores kende God niet, maar God laat niet varen het werk van Zijn handen. Als God zegt: "Ik houd van de schepping die Ik Zelf gemaakt heb", dan is dat omdat het Zijn werk is. Hij houdt ervan. Hij heeft er zorg voor gedragen dat er een losprijs betaald werd voor elke creatuur. Geen menselijke verdiensten, geen koopprijs of geschenk, of wat een mens ook doet, legt ook maar iets in de weegschaal. Dat heeft totaal geen enkele betekenis. De Heer houdt de eer aan Zich, zodat wij inderdaad zeggen: "Laten we roemen in de Heer." Hij heeft gesproken en Hij volvoert het ook. Ik stel voor dat we daarover een lied gaan zingen.

🎧 Kores Moet De Tempel Herbouwen
Delen: