English blog | Oude Artikelen

over het voorbestaan van de Zoon (2)

15-02-2017 - Geplaatst door Andre Piet

In de vorige blog besprak ik een vraag over het voorbestaan van de Zoon. Hieronder de volledige vraagstelling.

Ik meen ooit van je gehoord te hebben dat de Here Jezus er niet al was vóór zijn geboorte in Bethlehem. Zoals vanuit Johannes 1: 14 (Het Woord is vlees geworden…) zou worden geconcludeerd. De vraag is natuurlijk meteen al of ik dit verkeerd begrepen heb…??

Dit weekend las ik nog eens Spreuken 8, waar de Wijsheid aan het woord is. Ze spreekt over de aanvang, de schepping van de aarde, noemt zichzelf gezalfde (vers 23) en verder zegt ze: want wie mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van de Heer (vers 35). En dan nog vers 22: De Heer bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, vóór Zijn werken, van toen aan.
Is de Wijsheid niet precies dezelfde als de Messias? vroeg ik me af. Ik legde er Johannes 17:5 naast: En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.

Zou je eens willen schieten op mijn conclusie dat vóór de wereld was, de Redder der wereld er al was??
Daar ben ik bijzonder benieuwd naar.

In de vorige blog besprak ik de eerste alinea. Samengevat kwam dat er op neer, dat (1) Jezus Christus de Zoon werd door zijn verwekking uit de maagd Maria. En (2) dat als Johannes spreekt over de Zoon die “tevoren was”, dit betrekking heeft op “het woord” waardoor heel de schepping tot stand kwam. Jezus Christus is het woord dat vlees werd (Joh.1:14). Ik ontken dus niet een  voorbestaan van Jezus, wat ik beweer is dat Jezus vóór zijn verwekking, “het woord” was.

Spreuken 8

Dan nu de rest van de vraagstelling. In Spreuken 8 vanaf vers 12 is “de Wijsheid” aan het woord. Ze wordt als een persoon voorgesteld, die samenwoont bij de Schranderheid. Zo’n stijlfiguur noemen we ‘personificatie’, wat betekent dat een abstract begrip (zoals hier ‘wijsheid’) voorgesteld wordt als een persoon. Ongeveer zoals wij spreken van ‘vrouwe Justitia’, ‘vadertje Staat’ of ‘moeder Natuur’. De Wijsheid vertelt in Spreuken 8 dat door haar de koningen in staat zijn te regeren maar ook dat ze er bij was toen toen alles in de schepping tot stand kwam. Ze jubelt dat ze toen voor God een geliefd troetelkind was. De vraag in de mail luidt: “Is de Wijsheid niet precies dezelfde als de Messias?”

Dat de ‘Wijsheid’ in Spreuken 8 in veel opzichten doet denken aan de Messias, lijkt mij onmiskenbaar. Hoewel de Spreuken-dichter in 8:23 niet spreekt van ‘gezalfd’ (zoals in het woord ‘messias’), somt de vraagsteller een paar duidelijke overeenkomsten met de Messias op. En zegt Paulus ook niet van Christus dat deze “wijsheid van God” is (1Kor.1:24)? Toch moeten we hier oppassen voor een één-op-één gelijkstelling.

  1. de Wijsheid hier, is in het Hebreeuws vrouwelijk (chokmah). Vergelijk de tegenstelling met Spr.9:13 waar sprake is van “Vrouwe Dwaasheid”. De Messias is echter mannelijk.
  2. Niet alleen de wijsheid wordt hier als persoon voorgesteld maar ook de schranderheid. Zou de Wijsheid werkelijk een persoon zijn naast God, wie is dan de Schranderheid?
  3. De Wijsheid wordt in Spreuken 8 voorgesteld als Metgezellin van God in de schepping. Het drukt (dichterlijk!) uit dat de wijsheid altijd bij Gods was, als leidende capaciteit in al zijn werken. Maar het idee in de Schrift is nooit, dat God samen met een ander, de schepping tot stand bracht. Want Hij alleen is de Schepper, zoals de Schrift benadrukt.

Hij spant GEHEEL ALLEEN de hemel uit, en Hij schrijdt voort over de hoogten der zee.
Job 9:8 

… Ik ben JAHWEH, die alles gemaakt heb; die de hemel heb uitgespannen, IK ALLEEN; die de aarde uitgebreid heb door eigen kracht…
Jes.44:24

Wanneer Spreuken 8 vertelt dat de wijsheid God bijstond tijdens de schepping, mogen we dus beslist niet concluderen dat God iemand naast zich had als co-creator. Evenmin in Johannes 1, waar we lezen dat God door het woord alle dingen tot stand bracht. Wijsheid is een nimmer wijkende eigenschap van God, zoals zijn woord het resultaat is van zijn spreken. Wanneer de wijsheid als afzonderlijke persoon wordt voorgesteld, is dat een stijlfiguur. En stijlfiguren dienen niet letterlijk genomen te worden. Zoals we dat ook niet doen wanneer we horen over: ‘de bodem smacht om regen’ of ‘het gevaar ligt op de loer’. Uit zulk taalgebruik concluderen we toch ook niet dat ‘de bodem’ of ‘het gevaar’ personen zijn, die resp. kunnen smachten dan wel op de loer kunnen liggen.

Johannes 17:5

Een andere tekst waar in de mail naar verwezen wordt is Johannes 17:5, uit het zogenoemde ‘hogepriesterlijk gebed’:

En nu, verheerlijk mij, U Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid die ik had bij U, vóór de wereld was.

Bidt Jezus hier om terugkeer naar de heerlijkheid die Hij zich herinnert uit zijn voorbestaan? Zo ja, is de heerlijkheid die Hij zou ontvangen dan niet principieel nieuw voor Hem? Was Hij eerder verhoogd aan Gods rechterhand? Was Hij toen soms al Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek? Nee, dit was heerlijkheid die Hij nooit eerder heeft gehad, of zelfs maar gehad kón hebben. Want het was heerlijkheid gebaseerd op zijn lijden. Maar (en nu komt het): voor God had Hij die heerlijkheid wel degelijk, al “vóór de wereld was”. Want door God was Hij “tevoren gekend” (1Petr.1:20). En de heerlijkheid waarmee de Zoon verheerlijkt zou worden, daarover had God tevoren gesproken. In vele Schriften is dat ook vastgelegd (Luc.24:26,27). M.a.w. in het wóórd had Jezus die heerlijkheid al “van [de] beginne”. Jezus ontving dus heerlijkheid, welke Hij in en als woord reeds had.

Het is een manier van denken die voor ons wellicht vreemd overkomt, maar die we in de Bijbel veel vaker tegenkomen. Zo lezen we in Openbaring 13:8 (ook door Johannes geschreven):

… het Lam, dat geslacht is vanaf ’s wereld neerwerping.

Naar de mens gesproken werd het Lam geslacht, duizenden jaren na de neerwerping (=geboorte) van de wereld. Maar voor God was de slachting van het Lam al een feit sinds het begin van de wereld.

Wat voor de slachting van het Lam geldt, geldt ook voor zijn verheerlijking. Wanneer Jezus dus in ‘het hogepriesterlijk gebed’ vraagt om de heerlijkheid te ontvangen die Hij reeds had, eer de wereld was, refereert Hij aan de heerlijkheid die God voor Hem in petto had. Want in Gods voorkennis en voornemen, was die heerlijkheid reeds een feit.

Delen: