English blog

32. Kunnen sommigen nooit meer tot inkeer komen (Hebreeën 6:4-8 en 10:26)?

Er is hier sprake van Jezus-als-Messias belijdende Hebreeën die terugvielen in het Jodendom en daarmee “de Zoon van God opnieuw kruisigden”. Ooit had het Jodendom in onwetendheid de Messias gekruisigd, maar door geloof en waterdoop hadden deze Hebreeën daarvan afstand genomen. Wanneer zij zouden terugkeren naar het Jodendom, dan kruisigde men daarmee opnieuw de Messias, maar dit keer welbewust.

De verwoesting van de tempel en de verbranding van Jeruzalem zouden niet lang meer duren (“die uitloopt op verbranding”, “felheid van vuur”). De schrijver zinspeelt op het drama dat zich zou voltrekken in 70AD. De Here zou zijn volk gaan oordelen (10:31; 8:13). Wie zou deze afvallige Joden die heel bewust het Evangelie afwezen nog opnieuw tot bekering kunnen brengen? Hen het Evangelie brengen had geen zin, want dat hadden ze juist afgewezen. Deze joden hielden letterlijk “geen offer meer over”. Want het ene ware Offer (er-)kenden zij niet meer, terwijl de offerdienst in Jeruzalem binnenkort beëindigd zou worden.

De uitspraken uit deze gedeelten kunnen slechts verstaan worden binnen het kader van hun historische context. De uiteindelijke bestemming is hier niet aan de orde.

Zie ook:
de setting van de Hebreeën-brief – deel 1deel 2

Delen: