GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

De Rode Koe & Het Reinigingswater

23-02-2014 - Geplaatst door Andre Piet
Presentatie van de GoedBericht-samenkomst gehouden op 23 februari 2014 in Zoetermeer.

Numeri 19 is opmerkelijk hoofdstuk dat handelt over de bereiding en toepassing van reinigingswater voor allen die ritueel onrein geworden waren door contact met de dood. Het begint met de slacht en verbranding van een jonge, rode koe, buiten de legerplaats. De as ervan werd buiten de legerplaats bewaard om te worden gemixed met levend water. Als iemand verontreinigd was door de dood, moest deze op de derde dag gereinigd worden door dit water om aan de avond van de zevende dag (en dus aan het begin van de achtste dag!) volkomen rein te zijn.

Numeri 19 mag oppervlakkig gezien een bloederige en macabere inzetting zijn, wie de Schriften onderzoekt weet echter beter. Het verwijst naar de stoffelijke resten in het graf van Jozef van Arimathea… die op de derde dag werden levendgemaakt! Van Hem getuigen de Schriften – het levende water. Een ieder die besmet is door de onvermijdelijke dode contacten in de wereld, vindt buiten de legerplaats door dat Woord reiniging!

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze Bijbelstudie behandelt de wetgeving rondom de rode koe uit Numeri 19 als een schaduw van toekomstige heilsfeiten. De slachting en verbranding van dit vrouwelijke dier buiten de legerplaats symboliseren de diepe vernedering en de kruisiging van Christus. De as die met levend water wordt gemengd, verwijst naar Zijn opstanding op de derde dag en de levendmakende kracht van het Woord. Waar het ritueel destijds slechts het vlees reinigde van de dood, reinigt dit ware levende water vandaag ons bewustzijn van dode werken.

“Aan de oppervlakte gezien is dit saai, dood en macaber. Maar kijk je onder de oppervlakte, dan zie je alleen maar leven.”

Inleiding: Lezen Versus Onderzoeken van de Schriften ↑ hoofdstukken

In Rijnsburg geef ik met enige regelmaat tweewekelijks bijbelstudies over de Hebreeënbrief. Inmiddels zijn er al een kleine twintigtal studies gepasseerd en een aantal weken geleden kwam daar het gedeelte uit Hebreeën 9 voorbij. Dat gaat over de rode vaars. De rode koe — een vaars is een jonge koe die nog niet gekalfd heeft. Dat refereert dan weer aan Numeri 19. Ik heb toen tijdens die bijbelstudie een paar dingen daarover naar voren gebracht, maar ik heb er meteen bij gezegd dat ik het wat onbevredigend vind om dat allemaal zo kort, zo even aan te stippen. Dat zou veel breder voor het voetlicht geplaatst moeten worden, zodat we echt veel duidelijker weten waar we het over hebben. Het betreft een bijbelgedeelte dat erg onbekend is, en dat is eigenlijk ook wel logisch.

Kijk, als je zo’n gedeelte in Numeri 19 leest — ik kom er straks wat de plaatsing van het hoofdstuk betreft nog even dieper op terug — laat ik dat dan even ter inleiding zeggen: dan is dat niet echt voor onze heidense oren direct tot de verbeelding sprekend. Stel je voor, je hoorde bij dat volk Israël dat uitgeleid was uit Egypte en je krijgt al die woorden te horen die God via Mozes aan het volk Israël heeft bekendgemaakt. Als je toen in die tijd leefde en je kreeg deze inzetting te horen, dan was dat natuurlijk spannend, alles wat daar toen vermeld werd. Maar inmiddels zitten wij zoveel duizenden jaren verder; daar bevinden wij ons. Bovendien horen wij helemaal niet bij dat volk Israël en het was een totaal andere tijd. Het was de tijd onder de wet, zoals dat heet in de Bijbel; het was onder de bepalingen van de wet van Mozes. Dat staat zo ver van ons af.

Maar — en nu ga ik meteen iets anders zeggen — op het moment dat je er echt kennis van neemt, en dan bedoel ik dus niet gewoon aan tafel als een ritueel dat leest, want dat is ook vaak de zaak. Mensen verbazen zich daar soms over en voelen zich misschien een beetje schuldig: "Sorry, maar dat spreekt mij niet aan." Nou, in de eerste plaats: het is ook niet direct aan u gericht. Ik bedoel, heel de Schrift is voor ons, maar niet heel de Schrift is direct aan ons gericht. Dus dat gaat ons ook niet direct aan.

Maar dan moet ik er nog iets bij zeggen, en dat is dat de Schriften ook niet 'gelezen' zouden worden. In Johannes 5 zegt de Heer Jezus tegen de schriftgeleerden, in een polemiek, een twistgesprek met hen, niet: "Lees de Schriften", maar: "Onderzoek de Schriften." Dat is iets heel anders. Je kunt de Bijbel lezen van voor naar achter en van achter naar voren en dan met grote regelmaat die cyclus volgen, maar dat is lezen. Het gaat erom dat je gaat onderzoeken, gaat kijken wat er precies staat. Maar dat niet alleen: onderzoek heeft ook te maken met dat je 'onder' gaat zoeken. Dat is een mooi woord, onderzoeken: dat je onder de oppervlakte gaat kijken en dat je naar de verbanden gaat zien. Waar komt dat nog vaker voor? Want dat is echt wat onderzoeken is. Dat je gaat kijken waar dat nog vaker voorkomt en wat de structuur hier is. Dat is een totaal ander verhaal natuurlijk dan alleen maar lezen.

Met dat in gedachten wil ik vanmorgen uw aandacht vragen voor Numeri 19, over de rode koe — over de rode vaars — en het reinigingswater. Voordat ik daar nu op inga — ik heb inmiddels een inleidende opmerking gemaakt, maar ik wilde er nog één maken — is het deze: ik ben bezig met een studiecyclus over de Hebreeënbrief en dan komen we binnenkort te spreken over Hebreeën 10 vers 1.

De Wet als Schaduw van Toekomstige Goederen ↑ hoofdstukken

En daar lees je dit, en dat is ook iets wat je heel goed in gedachten moet houden als je bezig bent met een gedeelte, een passage uit de Mosaïsche wetgeving. In Hebreeën 10 staat een tekst waar je voortdurend tegenop loopt. En dat heeft twee kanten: een schaduw getuigt van licht – ik bedoel, zonder licht is er geen schaduw – maar een schaduw op zichzelf is duister.

Het is niet moeilijk om dat te herkennen in allerlei passages. Sla het boek Leviticus maar open, of in dit geval Numeri 19, waar gesproken wordt over een dier dat geslacht wordt. Het is zo bloederig; er is heel veel dood. Het is ook een bediening van veroordeling. Maar in dat alles is het een schaduw die getuigt in zijn contouren. Want dat is wat een schaduw doet: in zichzelf is het duister, maar de contouren laten licht zien. Het verwijst naar iets. Namelijk, zoals dit plaatje ook liet zien, naar Hem die zou komen om te lijden en te sterven, met al de heerlijkheid daarna.

Ik zal u vanmorgen laten zien – althans, dat is wat ik echt beoog en ik denk ook dat het niet moeilijk is om dat te herkennen – dat die wet en al die bepalingen, die op het eerste gezicht duister zijn, donker, bloederig, macaber en doods, in werkelijkheid getuigen van geweldige goede dingen. Dingen die in die dagen nog steeds toekomstig waren en inmiddels gekomen zijn, althans ten dele. Het is een schaduw van de toekomstige goede dingen, niet de gestalte van die dingen zelf. Dat wil zeggen: het is niet de werkelijkheid. Het gaat niet om een rode koe, het gaat niet om de slachting, het gaat niet om al die bepalingen waarover gesproken wordt; dat is slechts een schaduw. Het verwijst naar iets. Dat moet je nooit vergeten, anders mis je op voorhand al de clou.

Het is een schaduw van de toekomstige goede dingen en niet de gestalte van die dingen zelf. Zij is nimmer in staat om ieder jaar met dezelfde offeranden, die onafgebroken gebracht worden, degenen die toetreden te volmaken. Nou ja, dat laten we dan maar even voor de rest rusten. Eén ding moet echter duidelijk zijn: die wet zelf is niet in staat om tot volmaakheid te brengen. Het doet niets en het heeft geen nut in zichzelf, anders dan dat het verwijst. Dat is op voorhand een heel belangrijk gegeven.

De Context van Numeri 19: Leven te Midden van de Dood ↑ hoofdstukken

Met die aantekeningen gaan we vervolgens naar Numeri 19 toe. Laten we het systematisch aanpakken. Wanneer we kijken in Numeri 19, dan betekent dit dat er inmiddels al achttien hoofdstukken aan vooraf zijn gegaan. Laten we eens zien wat daar staat, want de plaats van dit hoofdstuk is – en dat is wat ik ermee wil aangeven – niet willekeurig. Het is niet zo dat dit net zo goed aan het begin van het boek had kunnen staan. Het heeft een specifieke locatie gekregen die het hoofdstuk een bijzondere plek binnen het boek geeft.

In hoofdstuk 16 vind je de opstand van Korach, Datan en Abiram, die het hogepriesterschap van Aäron en het leiderschap van Mozes betwisten. In hoofdstuk 17 vind je de prachtige geschiedenis – een kort hoofdstuk – waarbij het hogepriesterschap van Aäron inderdaad ook betwist wordt, maar God geeft het bewijs wie de hogepriester is van Zijn keuze. Namelijk door een dode staf tot bloei te brengen. Dat wil zeggen: leven uit de dood voortbrengen. Hij is de hogepriester; schitterende betekenissen liggen daarin opgesloten. Maar goed, daar hebben we het nu verder niet over. Dat zijn de hoofdstukken 16 en 17, en hoofdstuk 18 is daarvan min of meer een appendix.

En dan krijg je het vervolg na Numeri 19. Daar wordt de dood beschreven van Miriam, de zus van Mozes, en ook de dood van Aäron, de broer van Mozes. Zodat ook dit hoofdstuk, Numeri 19, ingebed is en zich bevindt te midden van hoofdstukken die in hoge mate gaan over het verschijnsel van de dood. Doden, mensen die doodgaan; dat vond je trouwens ook in hoofdstuk 16 nogal duidelijk, wanneer de aarde zich opent voor dit gezelschap. Dus als je hoofdstuk 19 aantreft, dan is dat een hoofdstuk dat omgeven is door hoofdstukken die gaan over de dood. Maar Numeri 19 zelf – en dat moet toch duidelijk zijn – gaat over leven te midden van de dood.

Ik wil er nog iets over zeggen, nu niet zozeer over de plaats van het hoofdstuk te midden van het boek, maar meer over de inhoud. Als je het hoofdstuk zelf opslaat, dan is de opbouw nogal simpel. Het telt in totaal 22 verzen en het meeste daarvan wil ik in ieder geval even aanstippen. De eerste tien verzen gaan over de bereiding van het reinigingswater. Dat wijst erop dat reiniging tot stand komt met water dat op een speciale manier geprepareerd moest worden. Waarom moest dat water klaargemaakt worden? Nou, met het oog op reiniging. Mensen die met de dood in aanraking kwamen, werden onrein. Als je een lijk had aangeraakt of een graf, of op enige andere wijze in contact kwam met de dood, dan was je daarmee verontreinigd.

Dat is geen schuld, maar je was dan ritueel onrein. Dat wil zeggen: ongeschikt om deel te nemen aan de heilige dienst. Want in de dienst van God – en dat is weer een schitterend gegeven – daar getuigt alles van leven, en dood is verontreiniging. Wie in aanraking kwam met de dood, in welke zin dan ook, die zou gereinigd worden door reinigingswater of water ter ontzondering. Dat soort details laat ik nu even rusten, maar het moet wel duidelijk zijn: de eerste tien verzen van het hoofdstuk gaan over de wijze waarop het reinigingswater bereid wordt, en de navolgende verzen tot het einde van het hoofdstuk, vers 11 tot en met 22, gaan over de wijze waarop dat reinigingswater wordt toegepast. Hoe het gebruikt werd, met welk oogmerk, enzovoort; de toepassing van dat reinigingswater dus. Goedemorgen Esther, hartelijk welkom. We zijn alvast begonnen. Tot zover over Numeri 19 zelf.

De Symboliek van de Volmaakte Rode Koe ↑ hoofdstukken

Laten we de koe maar eens bij de horens vatten; dat lijkt me heel aardig in dit geval. En de rode loper uitleggen, dat kan ik ook nog even zeggen. Dan treden we het hoofdstuk binnen. In vers 1 staat dit geschreven. Voor de rest wil ik de opbouw heel simpel houden en namelijk gewoon de verzen bespreken of in elk geval even aanstippen, om kort toe te lichten wat daar zoal over gesproken wordt.

De Heere nu sprak tot Mozes en Aäron: "Dit is het wetsvoorschrift dat de Heere, Jahweh, gebiedt: spreek tot de Israëlieten." Dat zijn dus niet wij, maar dat zijn de Israëlieten. Daar heb ik al wat over gezegd. Maar wat moest hij zeggen? Wat moest er worden gedaan? Dat zij u een rode, gave koe brengen, waaraan geen gebrek is en die geen juk gedragen heeft. Een rode koe, een rode vaars.

Het is grappig, maar ik heb dat van de week nog gedaan; trouwens, al veel eerder was ik daarvan op de hoogte gebracht. Misschien heeft u er ook wel eens wat over gelezen, maar dit is een heel item binnen het Jodendom, ook het huidige Jodendom. Er zijn heel veel websites die daarover gaan, maar ook zijn er zoveel activiteiten voor het tot stand laten komen van een nieuwe tempel daar in Jeruzalem. De Joden zijn natuurlijk uiterst ontevreden over het feit dat daar geen tempel staat. Ze zijn teruggekeerd naar het land — althans, voor wat daarvoor doorgaat. Er is een Joodse staat en Jeruzalem is in Joodse handen sinds 1967, maar daar staat dat heiligdom van de moslims. Hoe dat verder moet, dat is echt een heel verhaal apart; daar wil ik het nu niet over hebben. Maar één ding moet duidelijk zijn: daar moet weer een Joodse eredienst gaan komen. Dat vinden de Joden trouwens en de Schrift zegt dat het ook gaat gebeuren. Hoe dan ook, ik plak daar nou geen moreel oordeel aan vast of dat goed of fout is, daar gaat het even niet om. Het zal gebeuren.

Voordat die tempel weer gebouwd zal worden — en dat is ook wel aardig woordgebruik — is alles eigenlijk al in kannen en kruiken. Alles ligt al klaar. Het is eigenlijk alleen nog maar wachten tot ze daar kunnen gaan bouwen en dan kan dat in no-time allemaal functioneren, opgebouwd en in gebruik genomen worden. Maar dat betekent dus ook dat er nogal wat bij komt kijken, zoals de priesterlijke kleding en alles wat daarbij noodzakelijk is. Daar wordt druk aan gewerkt om dat dan meteen van start te laten gaan. Een van de dingen die daarvoor noodzakelijk is, is dat er ook een rode koe is. U zegt: "Nou, dat is toch niet zo moeilijk? Er lopen toch rode koeien genoeg rond?" Maar het moet een heel specifieke rode koe zijn.

Waarom heeft het Jodendom dit zo enorm uitvergroot? Omdat zij het zo verstaan dat wanneer hier staat dat het een gave koe is waar geen gebrek aan is, dat vooral zou slaan op dat rode. Het moet dus echt een volmaakt rode koe zijn. Nou, dat moet je tegen een orthodoxe Jood zeggen! Er wordt echt op geteeld en gekweekt. In elk geval moet er een rode koe zijn en daar wordt echt met de loep naar gekeken. Er mag geen zwart haartje tussen zitten. En die is er, die rode koe is er. Dat was een enorme happening, want u weet: er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan. Dat geldt hier dus ook voor. Maar men heeft zo'n rode vaars in het vizier, en er zijn er zelfs al meerdere, heb ik begrepen. Er is heel veel informatie over die rode koe, of die jonge rode koe. U begrijpt natuurlijk ook wel dat hij niet jong blijft, dus vandaar dat dat een item blijft.

Dat is even wat het Jodendom er vandaag mee doet, maar dat is niet waar ik vooral uw aandacht voor wil vragen. Het gaat mij om de betekenis. Hoezo rood? Het woord voor rood in het Hebreeuws is adom. U kent dat trouwens nog van Edom, de andere naam van Ezau, die zich gestationeerd had in het rode gebergte van Edom, waar Petra ook gelegen is. Dat was het rode gebied. Daar had Ezau trouwens ook wat mee, met dat rode daar.

Adom is heel opmerkelijk in hoe dat in het Hebreeuws is opgebouwd en de associaties die dat in het Bijbels Hebreeuws oproept. Als een Israëliet spreekt over rood, adom, dan denkt hij daarmee ook meteen aan adamah. Waarbij ik wil zeggen dat die klinkers voor ons heel belangrijk zijn, maar in het Hebreeuws niet. Die klinkers kun je eigenlijk zelfs wegdenken; de medeklinkers zijn ongeveer identiek. In ieder geval heeft adom alles te maken met de aarde, de rode aarde, adamah. Het heeft ook te maken met het woord dam. Als je alleen de eerste letter eraf haalt, dan houd je het woord dam over en dat betekent bloed. En dan heb je nog het woord adam, de mens. Dat heeft alles te maken met rood, het heeft alles te maken met bloed en het heeft te maken met uit de aarde genomen zijn. Adam is uit de aarde genomen en vandaar ook de naam Adam. Het heeft te maken met dat rode, want dat zult u vanuit het vervolg vanzelf zien: het heeft te maken met dat bloed. Rood is de kleur van het bloed.

Vervolgens staat er: het is een gave koe. Dat wil zeggen dat er geen gebrek aan is en er is ook nog niets mee gebeurd; hij heeft geen juk gedragen. Het is gewoon een perfecte en, zoals dat uitgedrukt wordt in dit woord, een gave koe. Een koe die dus volkomen smetteloos en zonder gebrek is. Waar spreekt dat van? Laten we dat ook even op voorhand zeggen. Het moet natuurlijk niet moeilijk zijn om ook hierin een heenwijzing te zien naar het grote offer. Ik zeg dat nu even tussen aanhalingstekens, want strikt genomen is deze rode koe niet eens een offer, maar hij wordt in elk geval geslacht. Laat ik het dan anders zeggen: het verwijst naar het Slachtoffer dat zou komen. Een slachtoffer in de Bijbel was niet een afdankertje, zo van: "Nou ja, we halen een zieke uit de kudde, die is nog wel goed genoeg voor God." Nee, het moest het beste zijn. Gaaf. Volmaakt. Dat is het idee. Alleen als zodanig kon zij in dit geval functioneren als een slachtoffer. Het moest volmaakt en smetteloos zijn. Het verwijst uiteraard naar Hem die zou komen, die gaaf was en zonder gebrek.

Het enige wat dan wel verbaast misschien, is dat het in dit geval een koe betreft. Dat is eigenlijk heel opmerkelijk. Een koe, dat wil zeggen een vrouwtje dus. In dit geval was het zelfs verplicht vrouwelijk. Dat is uniek; kijk het maar na in Exodus, Leviticus of Numeri, daar vind je dat nooit: dat een offerdier vrouwelijk moest zijn. In bepaalde gevallen mocht het vrouwelijk zijn, maar in dit geval moest het vrouwelijk zijn. Meestal is er een tegenstelling tot bijvoorbeeld een brandoffer; een brandoffer in de Bijbel is altijd en per definitie mannelijk. Waar heeft dat mee te maken? Dat heeft alles te maken met de symboliek. Dat kennen wij vandaag niet meer, want wij denken in termen van unisex en feminisme enzovoorts. Wij willen die verschillen tussen mannelijk en vrouwelijk vooral wegpoetsen. Maar ik ben juist zo blij met het verschil dat de Schrift hier aanbrengt.

Ja, maar het heeft in de Bijbel een geweldige betekenis: mannelijk en vrouwelijk. Mannelijk heeft te maken met de verwijzing naar God, naar Hem, naar de Schepper. Het vrouwelijke verwijst naar de schepping. Daar is niets minderwaardigs in; nee, het heeft te maken met de relatie Schepper-mannelijk en schepping-vrouwelijk. De schepping is vrouwelijk ten opzichte van de Schepper. De Schepper heeft de schepping ook zwanger gemaakt. In blijde verwachting brengt zij nieuw leven voort.

Die hele symboliek en de typologie gaat zo ver, het is schitterend. Maar nog even om echt bij mijn onderwerp te blijven, want anders komen we er natuurlijk never nooit: ik bedoel bij het tweede vers. Een brandoffer, dat is... ja, daar moet ik ook bij zeggen: je hebt een dier dat wordt geslacht. Waar zou die slachting van spreken? Uiteraard van Hem die zou komen. Die Geslachte stierf, een Volmaakt Iemand weliswaar — dat moest Hij ook zijn — maar Hij werd geslacht. Eigenlijk is dat een groot onrecht: dat een volmaakt dier dat prima was, wordt geslacht.

Maar ook dat is weer typologisch, want het feit dat Hij, de Volmaakte, stierf en geslacht werd, was het grootste onrecht dat ooit heeft plaatsgevonden. Mensen zeggen: "Dat is dan het offer," of: "Golgotha spreekt van het offer." Maar dat is niet waar. De slachting is niet het offer. Sterker nog, dat is helemaal niet het offer. Het was noodzakelijk vóór het offer. Voordat een dier een offer werd, moest het eerst geslacht worden. De slachting zelf is niet het offer; Golgotha is niet het offer. Ik weet dat er tal van liederen zijn die dat zo zeggen, over "het offer op Golgotha", maar dat is niet naar de Schrift. Hij werd geslacht, maar dat is het offer niet.

Wat het offer wél is, is dat wat ná de slachting plaatsvindt. Eigenlijk is het zo logisch als wat: een dier werd geslacht en vervolgens, na de slachting, kwam het op een verhoging. Dat is een altaar. En daar steeg het op. "Gode tot een lieflijke reuk," staat er dan altijd bij. Dat was een brandoffer. Het gaat over dat wat er gebeurt na de slachting; dat is voor God een lieflijke reuk. Zo zie je dat zo'n dier dat daar op het altaar lag, in rook opging. Wij zouden zeggen: dat stinkt. Maar nee, het was voor de HERE een lieflijke reuk. Waarom? Op zich? Nee, natuurlijk niet. Het gaat niet om dat gebeuren op zich, maar om waar het naar verwijst. Het is een schaduw en het spreekt van wat er na de slachting gebeurde. Het spreekt over de derde dag, het spreekt over nieuw leven, over Hem die uit de doden verrees en Heer is.

Nu ben ik eindelijk bij mijn punt, want dat is waar het namelijk van spreekt. Het brandoffer heeft te maken met het feit dat Hem de heerschappij toekomt. Hij is de Heer. U weet dat "Heer", "heerschappij" en "heersen" mannelijke begrippen zijn. Ons werkwoord "heersen" komt van "Heer", en een heer is een mannelijk begrip. Dat hoef ik toch niet uit te leggen? Nee, ik ben niet van de SGP, maar het idee dat heersen en heerschappij een mannelijke functie is... dat is geen ethiek wat ik nu zeg, dat is gewoon symboliek. Heerschappij is een mannelijke activiteit. Daar heeft het brandoffer mee te maken; vandaar dat een brandoffer per definitie mannelijk is.

In dit geval gaat het niet om heerschappij. Dit dier dat geslacht werd, was ook geen offer; het gaat puur om het feit dat dit vrouwelijke dier vernederd werd. Daar spreekt die rode koe van: van vernedering. Niet van heerschappij, maar het spreekt van Hem die buiten de legerplaats — houd me even vast, want daar komen we nog over te spreken — buiten de legerplaats vernederd werd, gekruisigd werd en stierf. Onreinheid. Smaad. Wel, daar heeft de waarheid van die rode koe mee te maken. Het is vrouwelijk. Ik spreek dus niet van heerschappij, maar van vernedering. Goed, en dan vers 3.

Slachting en Smaad Buiten de Legerplaats ↑ hoofdstukken

En gij zult haar, die rode vaars, aan de priester Eleazar geven. Dat is eigenlijk de tweede priester; de eerste hogepriester was Aäron en de tweede was zijn zoon, de nieuwe hogepriester. Nee, ik ga het verder niet toelichten, maar vervolgens zal men haar – die rode koe nog steeds – buiten de legerplaats brengen en haar in zijn tegenwoordigheid slachten. Dit was niet een werk dat de priester zelf moest doen; nee, het werd in zijn tegenwoordigheid gedaan, meer niet. Maar waar hier de nadruk op gelegd wordt, is op het feit dat het buiten de legerplaats geschiedde. Het was namelijk onrein.

En buiten de legerplaats, wat betekent dat? Nou, daar hoeven we niet over te fantaseren. Ik neem u even mee naar Hebreeën 13, het laatste hoofdstuk van die brief. Daar lees je dit, want die frase 'buiten de legerplaats' vind je heel dikwijls zo terugkeren in de Mozaïsche wetgeving. De schrijver van de Hebreeënbrief geeft daar dit commentaar op: "Want van de dieren waarvan het bloed als zondoffer door de hogepriester in het heiligdom werd gebracht" – het gaat hier trouwens specifiek over Jom Kippoer, Grote Verzoendag – "werd het lichaam buiten de legerplaats verbrand. Daarom heeft ook Jezus, teneinde Zijn volk door Zijn eigen bloed te heiligen, buiten de poort geleden." U weet het: Jezus heeft niet in de stad geleden, maar buiten de legerplaats, buiten de poort.

En als u mij vraagt – daar loop ik even vooruit op wat ik straks nog zal laten zien, want dat is een onderwerp apart – dan was dat op dezelfde locatie waar ook deze rode koe geslacht werd. Op de plaats die in het Jodendom en in het Hebreeuws 'Mifkat' heet, de speciaal aangewezen, bestemde plaats. In vers 13 van Hebreeën staat er nog bij: "Laten wij derhalve tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen." Hier is dat trouwens heel letterlijk, want die Hebreeën waren Israëlieten die daar in Jeruzalem en omgeving woonden. De schrijver zegt tegen hen: "Jullie moeten maken dat je wegkomt, naar buiten de legerplaats." Want Jeruzalem zou binnen korte tijd, binnen enkele jaren, met de grond gelijk gemaakt worden en er zou van de stad niets overblijven.

Laten wij uitgaan buiten de legerplaats; dat zijn heel concrete woorden hier. Maar er zit natuurlijk ook veel symboliek in, want de Heer heeft buiten de legerplaats geleden en is daar gestorven. Dat betekent dat men binnen de legerplaats – binnen het godsdienstige systeem, de tempel en de schriftgeleerden, de hele godsdienstige leiding – Hem heeft vermoord. Nou, en dan zegt de schrijver: "Laten wij tot Hem uitgaan buiten de legerplaats." Als je bij de Heer wilt horen, dan hoor je niet bij het gevestigde systeem. Dan moet je niet wachten of denken dat je in deze wereld, zeg maar binnen de legerplaats... of je nu denkt aan het godsdienstige systeem of gewoon aan het systeem van deze wereld, de legerplaats waar iedereen zich veilig en geborgen voelt binnen de bolwerken van mensen. Daar is geen plaats voor Hem. De Heer is niet voor niets buiten de legerplaats geworpen; buiten de legerplaats is Hij terechtgesteld.

Wel, als je bij Hem wilt horen, dan houdt dat automatisch in dat je bij Iemand hoort voor wie in deze wereld, binnen het gevestigde systeem, geen plaats is. Ga er buiten! Dat betekent trouwens ook dat je in een enorme vrijheid staat, dat je niet te maken hebt met het juk van het systeem. Maar denk nu niet dat dat een plaats van eer is: "Laten wij tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen." Maar zulke smaad is onze eer. Het gaat hier dus over 'buiten de legerplaats'. Daar leed de Heer op een plaats van vernedering en van smaad. Wel, dat is heel karakteristiek voor Numeri 19. We zullen het diverse keren tegenkomen: buiten de legerplaats, een onreine plaats waar men ook zijn neus voor ophaalt.

Goed, ik ga weer even terug naar Numeri 19. We hadden het er dus over dat die rode koe geslacht werd voor de ogen van de priester, buiten de legerplaats. Dan zal de priester Eleazar met zijn vinger van haar bloed nemen en van haar bloed zevenmaal sprenkelen. Zeven heeft in de Bijbel altijd te maken met compleetheid en voltooiing. Het Hebreeuwse woord voor zeven, 'shewa', betekent ook volkomen. Goed, en hij moest met haar bloed zevenmaal sprenkelen in de richting van de voorzijde van de tent der samenkomst. U moet zich voorstellen dat deze instructie werd gegeven door Mozes op weg naar het beloofde land in de woestijn. Daar was nog geen tempel, er was een tabernakel.

Die sprenkeling vond dus plaats in de richting van de voorzijde van de tent. Dat is dus gekeerd naar het oosten, met recht georiënteerd. Oriënt betekent 'het oosten', dus gericht op het oosten, want de ingang van die tent wees naar het oosten. En waarom heb ik nu dit plaatje erbij gedaan? Omdat dat zo boeiend is; daar moet je even bij stilstaan. Waarom? Kijk, laten we er even gemakshalve vanuit gaan dat dit de tempellocatie is. Ik denk niet dat het helemaal klopt, want ik geloof dat het hier ligt, maar daar zullen we het verder niet over hebben.

Maar in ieder geval, als je vanaf de tempellocatie naar het oosten kijkt, dan kijk je naar de Olijfberg. Als die priester dan dat bloed zevenmaal ging sprenkelen, dan wees hij dus eigenlijk naar het westen. Waarom? Ja, u begrijpt nu toch waar ik het over heb? Hij wees naar het westen omdat de ingang van de tent georiënteerd was op het oosten. In de Bijbel is alles gericht op het oosten, de oorsprong. Waar de zon opgaat, dat weten we wel. Waar het licht verschijnt en waar de nacht verdwijnt; daarop is het gericht.

Maar hoe was het later in het Jodendom geregeld? Eigenlijk kon je vanzelf ook wel zoiets voorspellen, namelijk dat die plaats 'buiten de legerplaats' in het oosten was. Dat wil zeggen: in de richting van de Olijfberg. Er zijn heel veel plaatsen in allerlei oude, antieke Joodse documenten die direct bevestigen dat de plaats waar de rode vaars geslacht werd en waar al die rituelen plaatsvonden, inderdaad op de Olijfberg was. Dat noemden ze Mifkat, het Mifkat-altaar. Heel boeiend, maar in ieder geval: op de Olijfberg.

En ik geloof ook dat de Heer letterlijk hier op de Olijfberg... Ik weet wel, het is hoogst ongebruikelijk om zo te denken. Iedereen weet dat de Heer buiten de legerplaats heeft geleden, maar men denkt dan allemaal in deze of in die richting, maar het is precies in de oostelijke richting. Dat ligt ook – laat ik me vanmorgen even beperken tot het typologische argument – in het oosten. Daar hoort het. Vrij logisch. Over andere argumenten moeten we het nog maar eens een keertje hebben. Trouwens, in het GoedBericht-weekend zullen we daar zeker nog wel op terugkomen. Dat GoedBericht-weekend is het laatste weekend van mei, dus als u geïnteresseerd bent... u kunt zich nog altijd aanmelden, er zijn nog wat plaatsen vrij. Dat 'buiten de legerplaats' was dus in de oostelijke richting. Dat is even genoeg om hierover te vermelden. Ik moet verder gaan.

Tot As Verbrand: Cederhout, Hysop en Scharlaken ↑ hoofdstukken

Daarna zal men de koe voor zijn ogen tot as verbranden. Haar huid, haar vlees, haar bloed zal men met haar mest verbranden. Dat wil zeggen niet alleen met de uitwerpselen, maar ook met alle maaginhoud, gewoon alle etensresten; het wordt totaal verbrand. Dit is geen offer. Dit is ook niet voor de Here een lieflijke reuk. Dit vond niet plaats op het altaar en dit werd niet gedaan door de priester, want een offer mocht alleen door de priester gebracht worden. Bovendien lees je nooit dat ook het bloed verbrand wordt. Dit dier werd in zijn totaliteit, met huid en haar – ja letterlijk – verbrand. Dat is uniek; dat vind je nergens anders. Dit is dus strikt genomen geen offer, dit gaat alleen maar om slachting.

Het dier werd vervolgens gecremeerd en dat bevestigt precies waar we het over hadden: dat het een uitbeelding is van vernedering. Ik weet ook wel dat de Heer niet gecremeerd is – Hij is begraven – maar in beeld is dat hier de gedachte. Een crematie is in de Bijbel altijd een beeld van vernedering. Iets wat in ere wordt gehouden, wordt aan de aarde toevertrouwd. Maar als iets gecremeerd wordt, als het verbrand wordt, dan is dat eigenlijk het idee dat het in rook opgaat of dat er niets van overblijft. Dat is een vernederend symbool. Ik bedoel dit niet als ethiek, maar gewoon als Bijbelse typologie en symboliek. Als je dat eenmaal weet, dan ga je anders over de dingen denken. Dan ga je ook anders denken over de vraag waarom we begraven; ja, dat heeft natuurlijk een betekenis.

In elk geval: dat dier werd dus tot as verbrand, inclusief huid, haar en bloed, met haar mest, daar buiten de legerplaats. En de priester zal cederhout, hysop en scharlaken nemen en dat midden op de brandende koe werpen. De priester stond erbij en keek ernaar, maar hier deed hij wel iets: hij wierp daarop cederhout. Weet u waar ceders vandaan komen? Uit de Libanon. Het is zeer elegant hout. Het is het duurste hout wat je in de Bijbel aantreft, omdat het buitengewoon houdbaar is. Salomo liet schepen aanrukken uit de Libanon met ceders voor de tempel en voor zijn eigen paleis. 'Libanon' heeft trouwens weer met 'Laban' te maken, en dat betekent 'wit'. Dat heeft te maken met reiniging. Waarom zeg ik dat? Omdat al deze drie attributen met reiniging te maken hebben. Dat geldt voor de hysop en het scharlaken. 'Al waren uw zonden als scharlaken...' – Jesaja, kent u hem? – '...Ik zal ze wit maken als sneeuw.' Dat heeft inderdaad ook te maken met reiniging.

Deze drie elementen in combinatie vind je op verschillende plaatsen in Leviticus 14 terug. Daar wordt het ook vermeld en daar gaat het eveneens om reiniging. Waarom noem ik die kwast er nou bij? De logica dringt zich heel erg aan je op: deze drie elementen vormden samen een kwast. Hysop werd gebruikt als een kwast; het is een plant. Je leest ook in Exodus 12 dat wanneer de deurposten bestreken werden, dat gebeurde door hysop in het bloed van het lammetje onder te dompelen en vervolgens die deurposten te bestrijken. Dat was dus altijd de functie van een kwast. Maar in dit geval werd het gecombineerd met cederhout en scharlakendraad. Dit zijn drie elementen die op zichzelf allemaal betekenis hebben, maar het totaal had de functie van een kwast, namelijk ter reiniging. Let op: ter reiniging. Aan de koe die verbrand werd, werden deze elementen toegevoegd. Een speciale kwast met het oog op reiniging; dat lijkt me vrij duidelijk. De priester nam die drie attributen en wierp ze midden op de brandende koe.

O ja, die was ik nog vergeten te vermelden: Psalm 51 vers 9. Daar lees je dat David zegt: 'Ontzondig mij met hysop.' Hysop was dus een reinigingsmiddel. Nee, met 'sop' heeft het verder niets te maken, dat is alleen in het Nederlands zo. Maar: 'Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein; was mij, dan ben ik witter dan sneeuw.' Later komen we in dit hoofdstuk hysop trouwens nog een keertje tegen in hetzelfde reinigende verband, in die context.

Ik ga nu even een vers overslaan, want ik kan niet op alle details ingaan; ik zie dat het inmiddels alweer tien over elf geweest is, dus we moeten doorgaan. Dan zal een rein man de as van die koe verzamelen en buiten de legerplaats op een reine plaats neerleggen. Alles gebeurt buiten de legerplaats. De as, dat wil zeggen dat wat overblijft van die koe, van dat slachtoffer. De stoffelijke resten van dat slachtoffer worden bij elkaar gebracht en op een reine plaats neergelegd. Wie dat later gedaan heeft, historisch gezien, is niet zo moeilijk – ik vermeld zijn naam hier ook: Jozef van Arimathea. Hij heeft inderdaad de stoffelijke resten van dat volmaakte offer, dat buiten de legerplaats geslacht en verbrand is in vernedering, bij elkaar gebracht.

Kijk, as is ook weer zo'n mooi voorbeeld van een schaduw. Wat is as? Het restant. Het idee is dat dit is wat er overblijft van dat slachtoffer. Ook hier in de schaduw is dat iets doods, dat lijkt me nogal duidelijk. Maar in beeld spreekt het van Hem die na Zijn slachting op een reine plaats is terechtgekomen. Hij werd in een graf gelegd dat nog niet eerder gebruikt was, uitgehouwen in de rotsen door Jozef van Arimathea. Daar werd Hij neergelegd. En dat was nodig. Waarom? Er staat bij: 'Buiten de legerplaats op een reine plaats zal dat worden neergelegd, opdat zij voor de vergadering daar bewaard blijve ter bereiding van het water der reiniging.' Het is een middel tot ontzondiging. Dus die as, de stoffelijke resten van dat slachtoffer dat buiten de legerplaats geslacht en verbrand was, heeft een noodzakelijke plaats en speelt een noodzakelijke rol in dat water der ontzondering, in die reiniging.

Het gaat hier over het lichaam van de Heere Jezus Christus, die na Zijn slachting een geweldige rol zou gaan spelen. Dit symbool, de weggewentelde steen, zegt alles. Dat is die plaats waar Hij neergelegd is. Maar het loutere feit dat die steen is weggerold, spreekt van leven. De as spreekt van de dood als schaduw, maar het verwijst naar Hem, naar de stoffelijke resten van Hem die na Zijn slachting opstond uit de doden. Zo zie je dat iets wat op zichzelf doods is – schaduw, duister, donker – in zijn contouren spreekt van Hem die leeft. Dat dit zo is, zal ik u laten zien, want we gaan nu naar vers 11.

Het Reinigingswater en de Betekenis van de Derde Dag ↑ hoofdstukken

Hij die het lijk van enig mens aanraakt, zal zeven dagen onrein zijn. Dat was de bepaling voor het vlees, nietwaar? Zo moest dat geregeld worden. En dan staat erbij: hij zal zich... Dat wil zeggen, degene die het lijk van een mens aanraakt, was daar onontkoombaar onrein. Het is ook geen schuld, maar je was dan ritueel onrein, oftewel ongeschikt voor het heiligdom. En nu moeten we opletten, want dat lees je in vers 12: 'Hij zal zich op de derde dag ermee ontzondigen.' Ja, waar kennen we dat nou van?

Kijk naar dat plaatje; ik heb niks met dat plaatje gedaan, ik heb het gewoon op de dia gehaald. Want ik zei: die as die daar op die plaats neergelegd werd, spreekt van de stoffelijke resten van onze Heer, die geslacht is buiten de legerplaats. Ja, maar Hij leeft! Het zijn niet slechts stoffelijke resten; er is leven in gekomen. En dat is essentieel. Het verwijst inderdaad naar de derde dag. Want wat er vervolgens met die as gebeurt — en daar ben ik eigenlijk nog even aan voorbijgegaan, want dat moest ik nog even lezen — is dat de as werd verzameld. Vervolgens werd dat met levend water gemengd. We zullen dat straks nog zien, maar in ieder geval werd het gemixt met water. Wat was er zo bijzonder aan dat reinigingswater? Wel, dat was water waarin as van die rode koe was terechtgekomen. Dat water maakte de mensen weer ritueel rein. Hij zal zich dus op de derde dag ermee ontzondigen; dat water ging zijn functie vervullen.

Je was onrein geworden door aanraking met de dood, en wanneer werd je daar weer van bevrijd? Op de derde dag. Kijk maar eens in de Bijbel waar je de derde dag overal aantreft; dat is een schitterende Bijbelstudie. Ik heb er ooit eens een hele serie over gehouden: 'De derde dag in het Oude Testament'. En altijd weer, of je nu in Genesis of Exodus kijkt of in de profetische boeken, heeft de derde dag te maken met nieuw leven. Met die weggewentelde steen. Alles is daarop gericht: de overwinning op de dood.

Hier lees je dus: iemand is besmet door de dood. Hoe word je daarvan gereinigd? Op de derde dag! Door water dat gemixt is met de as van dat slachtoffer. Er staat nog bij: 'op de zevende dag zal hij rein zijn'. Dat wil zeggen dat op de derde dag dat proces begint en op de zevende dag zal het voltooid zijn. Ik kom daar straks nog even op terug, maar indien hij zich op de derde dag niet ontzondert, zal hij op de zevende dag niet rein zijn. Het gaat allemaal op; het moest op de derde dag gebeuren.

In de hele Bijbelse symboliek is dit zo wezenlijk. Dat vind ik nou het geweldige van de beste Schriftonderzoekers. Want als je zo’n gedeelte onder de oppervlakte gaat bekijken, dan zie je zulke geweldige panorama’s. Je ziet altijd weer exact dezelfde structuur; dat bedenkt geen mens. Aan de oppervlakte gezien is dit saai, dood en macaber. Maar kijk je onder de oppervlakte, dan zie je alleen maar leven. Alleen maar leven dat sterker is dan de dood! Op die derde dag vindt de ontzondering plaats, die vervolgens daadwerkelijk wordt gecompleteerd.

Ik lees even verder in vers 13: 'Ieder die een lijk, enig mens die gestorven is, aanraakt en zich niet ontzondigt, verontreinigt de tabernakel des Heren' — want daar moest alles van leven spreken — 'en hij zal uit Israël uitgeroeid worden.' Dat is ook macaber gesproken, en veroordelend. Omdat het water der reiniging niet op hem gesprenkeld werd, zal hij onrein wezen; zijn onreinheid is nog steeds op hem. Met andere woorden: zonder de reiniging van die derde dag is er geen toekomst, geen leven. De derde dag en dat reinigingswater zijn essentieel; heb je dat niet, dan is er geen toekomst.

Dat geldt trouwens ook voor Israël in profetische zin — misschien ga ik nu wat te ver voor sommige mensen — maar ook in profetische zin geldt: als Israël niet op de derde dag gereinigd wordt (ik bedoel in dat derde millennium dat binnenkort gaat aanbreken), dan zal er geen toekomst zijn. Dan zullen ze worden uitgeroeid en het beloofde land niet binnengaan. Ik laat het even bij: wie het vatten kan, die vatte het.

Ik moet verdergaan naar vers 17. Men zal voor de onreine van de as van het dier dat voor ontzondering verbrand is nemen, en daarop in een vat levend water gieten. Hier wordt exact gezegd wat er gebeurt met de as van het dier. De as werd verzameld en vervolgens gecombineerd met levend water in een vat. Dat werd gemixt en dat was vervolgens het water voor de ontzondering, het reinigingswater.

Het is niet zo moeilijk waar dit naar verwijst. Namelijk naar Hem, naar het Slachtoffer dat buiten de legerplaats geslacht werd in vernedering. Maar wat er van Hem is overgebleven, is dit: Zijn stoffelijke resten zijn verrezen, Hij is tot nieuw leven gewekt. Vervolgens werd dit gemengd met levend water, en uiteraard spreekt dat van de Schriften. Water spreekt van leven, water spreekt van de Schriften; dat wat uit de mond Gods uitgaat en levend en krachtig is. Waarom is het ook 'levend water'? Hoe kan dat water van het Woord van God reinigen? Wel, door dat getuigenis van leven. Alles in de Schrift getuigt van Christus, van de Opgewekte. Van de triomf over de dood, over leven en over de toekomst. En nu zal ik er ook nog even iets anders bij zeggen.

Praktische Toepassing: Gereinigd Worden Door het Levende Woord ↑ hoofdstukken

Want ik kan me voorstellen dat je misschien denkt: wat betekent dat nou ook voor ons? Welke les kun je hieruit trekken voor onszelf? Nou, laten we maar vaststellen dat we allemaal leven in een doodse wereld. Ik bedoel daarmee een wereld die geregeerd wordt door de dood. We zijn allemaal stervelingen. Mensen hebben vaak geen weet van wat echt leven is. Ja, wat zij leven noemen, dat is in werkelijkheid gewoon sterven. Wij bedoelen met leven doorgaans de jaren die we hier op aarde doorbrengen totdat we doodgaan, maar dat is eigenlijk geen leven; dat is sterven. Dat is het proces op weg naar de dood.

Nee, ik heb het over leven. Leven ken je wanneer je Hém kent. Dat wil zeggen: leven dat de dood achter zich heeft. Dat is pas leven. Zolang je dit 'open leven' nog voor je hebt, is het sterven; pas als je het achter je hebt, is het leven. Welnu, wij leven in een doodse wereld en het is onvermijdelijk om daarmee voortdurend in aanraking te komen. We kennen Hem – ik zeg nu 'we', wij als gelovigen – en we leven uit het Woord. We zijn samen rondom dat levende Woord en wat er feitelijk gebeurt op het moment dat je met dat Woord in aanraking komt en je de Heer daarin ziet, is dat het je reinigt. Het maakt je denken weer schoon.

Maar dan ga je hier vandaan, of morgen spreek je weer met je collega's, of je zet de televisie aan, en je raakt weer een 'lijk' aan, of het 'graf'. Begrijpt u wat ik bedoel? Je bent weer in aanraking met de dood. Men kent het leven niet; het is allemaal dood. In de wet was alles wat in aanraking kwam met de dood verontreinigd, besmet. Die besmetting is onvermijdelijk. Met de dood, het doodse en alles wat daarmee verband houdt. Is dat erg? Nee, dat is helemaal niet erg; het is simpelweg onvermijdelijk omdat we in zo'n wereld leven. Je komt in contact met gesprekken die iedere keer weer je denken verontreinigen. Is dat een ramp? Helemaal niet, want er is reinigingswater. Er is het water, daar is het Woord.

Als u zich afvraagt hoe ik aan die link kom, lees dan even deze brief; daarin lees je dat de Heer vandaag Zijn Ecclesia ook reinigt met het waterbad van het Woord. Wat de Heer vandaag doet, is allen reinigen die buiten de legerplaats komen – want daar was het immers, hè? Als je gereinigd wilt worden in je denken, dan kan dat. Ben je verontreinigd, ben je besmet door de dood en het denken van de wereld? Dat is onvermijdelijk! Maar weet dan dat daar, buiten de legerplaats, de reiniging is. Inderdaad, je moet buiten het systeem, 'buiten de box'. Als je buiten de legerplaats komt, dan kom je in aanraking met Hem en dan is Hij daar, die door Zijn Woord jou reinigt.

Niet een rituele reiniging naar het vlees – dat is slechts een beeld – nee, in je bewustzijn reinigt Hij je van dat doodse en van de dood zelf. Hij maakt je schoon in je denken. Dat is de werking van het Woord van God. Dat Woord van God is levend, het is krachtig, het is sprankelend en het is vitaliserend, omdat het allemaal getuigt van het Slachtoffer dat opgestaan is uit de doden. Daarom is het reinigingswater. In een donkere, duistere wereld kun je schoongemaakt worden, gereinigd worden, buiten de legerplaats.

Kijk, dat is de praktische betekenis die het voor ons heeft. Besmetting is onvermijdelijk, ik zeg het nog eens, maar laat je ook reinigen. Laat je schoonmaken door dat geweldige Woord van God. Dat maakt je schoon en weer helemaal innerlijk clean, zodat je niet meer met de dood in de schoenen loopt, maar met leven. Je wandelt dan in nieuwheid des levens. Geen dood, geen schaduw, geen duisternis, maar licht. En je weet: licht heeft alles te maken met leven, zoals schaduw alles te maken heeft met de dood. Wat de Heer doet, is ons buiten onze legerplaats reinigen. Besmetting? Geen probleem, Hij is daar. Zijn reinigingswater reinigt ons zo geweldig; dat is de kracht van het levende Woord van God vandaag.

Ik moet nog even een paar aantekeningen maken. Er staat: "Dan zal een reine man hysop nemen..." Hier hebben we het weer over die reinigende werking van hysop. "Dan zal een reine man hysop nemen, dat in vaten dopen en dit sprenkelen op de tent, op al de vaten, op de personen die daarin zijn en op degene die het gebeente, de gedode, het lijk of het graf heeft aangeraakt." Kortom: op eenieder die op enige wijze met de dood in aanraking gekomen is. Welnu, op het moment dat je in aanraking komt met het reinigingswater, ben je daardoor gereinigd. De reiner zal op de derde dag en op de zevende dag de onreine – dat wil zeggen: degene die besmet was – besprenkelen. Hij zal hem op de zevende dag ontzondigen, en diegene zal zijn klederen wassen, zich in water baden en 's avonds rein zijn.

Dat is echt genadig, want er wordt hier gesproken over de zevende dag, maar de reinheid was er in de avond van de zevende dag. U weet hoe dat gaat: de dag loopt van avond tot avond. De avond van de zevende dag was dus het einde van de zevende dag en daarmee officieel de aanvang van de achtste dag. 's Avonds zal hij rein zijn, na de zevende dag. Dan wordt het plaatje helemaal mooi. We hadden het over de derde dag, wat uiteraard te maken heeft met de weggewentelde steen; op de derde dag verrees Hij uit het graf. Maar op de zevende dag wordt het gecompleteerd en op de achtste dag is het een realiteit.

Het getal acht in de Bijbel heeft altijd te maken met de nieuwe schepping. Je moet maar eens opzoeken waar de achtste dag bijvoorbeeld voorkomt: wanneer een Joods jongetje besneden moet worden, gebeurt dat op de achtste dag. De achtste dag is de eerste dag van een nieuwe reeks. Je hebt een reeks van zeven dagen en de achtste dag is weer het begin van een nieuwe reeks. De acht spreekt dus eigenlijk van een nieuw begin, een nieuwe schepping. Het is eigenlijk ook de vervulling van de drie. Hebt u daar wel eens over nagedacht? Als je een acht tekent, dan zijn dat eigenlijk twee drieën die gespiegeld zijn. Het is de vervulling van de drie. Typologisch is dat zo. In elk geval heeft dat alles te maken met het ontzondigingswater, met dat reinigingswater. Het getuigt van leven dat op de derde dag verscheen, in werking treedt, en op de achtste dag gecompleteerd een realiteit zal zijn.

Conclusie: het Geïnspireerde Commentaar uit Hebreeën 9 ↑ hoofdstukken

Dat is echt het laatste: Hebreeën 9. Want daar vindt u het geïnspireerde commentaar op die rode vaars in de Bijbel. Dat verzin ik zelf niet, ik lees het ook gewoon maar voor. In Hebreeën 9 lees je dit: "Want als reeds..." — ik sla even een zinsdeel over — "... de besprenging met de as der vaars hen die verontreinigd zijn heiligt, zodat zij naar het vlees gereinigd worden."

Ja, het was allemaal een ritueel gebeuren; lichamelijk waren ze dan weer rein en waren ze in staat om in het heiligdom weer te komen. Maar het was een reiniging naar het vlees. De zin loopt echter verder, want we moeten doorlezen in vers 14: "Hoeveel te meer zal het bloed van Christus..." — Hij die opstond uit de dood — "... die door de eeuwige, de aionische Geest..." — degene die de aionen produceert; Geest heeft allemaal te maken met leven — "... Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken om de levende God te dienen?"

Kijk, nu zie je dus het commentaar van de schrijver in de Hebreeënbrief. Die zegt: "Kijk naar die rode vaars." Dat reinigingswater reinigt hier naar het vlees. Maar dat is een les en een beeld van Hém, dat smetteloze offer, die ons bewustzijn — niet het vlees, maar gewoon vanbinnen ons denken — reinigt van alles wat met de dood te maken heeft. Waarom? Zodat we niets meer met de dood, met de zonde of met de wet van doen hebben. We hebben een levende God. Een God die leeft, een God die leven geeft en die alle dood tenietdoet. Ooit, op de derde dag, overwon Hij de dood en straks, in een nieuwe schepping op de achtste dag, zal het allemaal realiteit zijn. Zo leven wij, zo worden we gereinigd. Amen.

🎧 De Rode Koe & Het Reinigingswater
Delen: