GoedBericht.nl logo
UltimateGoodNews

niets uitgezonderd!

04-09-2022 - Geplaatst door Andre Piet
4 september 2022, Urk

God heeft alle dingen aan de Ben Adam onderworpen. Zoals reeds voorzegd bij monde van David in Psalm 8. In Hebreeën 2 gaat de schrijver nader in op dit “alle dingen” en benadrukt dat daarbij niets is uitgezonderd. Ook al zien we daar op dit moment nog niets van. Het is verborgen. Totdat…

Powered by RedCircle

📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing

Samenvatting van deze toespraak

Deze studie behandelt de belofte dat de toekomende, bewoonde wereld volledig onderschikt zal worden aan de Zoon van de mens (Ben Adam). Hoewel Hij voor een korte tijd beneden de engelen was gesteld en de dood heeft gesmaakt, is Hij nu met heerlijkheid en eer gekroond. Uiteindelijk zal Hij de dood tenietdoen, allen levend maken en alles zonder uitzondering aan Zich onderschikken. Daarna zal Hij Zelf alles overgeven aan God, opdat God alles in allen zij, waarbij de ekklesia als Zijn lichaam in deze heerschappij deelt.

“In het alle dingen onderschikken aan Hem laat God Zelf niets uitgezonderd dat er niet aan onderschikt is.”

Inleiding en Introductie ↑ hoofdstukken

Nou, Matanja, daar is eigenlijk weinig aan toe te voegen nu. Wat moet ik nu nog zeggen? Zulke prachtige dingen. We gaan weer! Ja, sorry voor het schermen... Het was geweldig, prachtig. En het sluit ook zo ontzettend naadloos aan bij wat we vanmiddag gaan bespreken. Inderdaad, Matanja vertelde alles. Niet veel, alles. En ik ga eigenlijk hetzelfde vertellen, namelijk: niets uitgezonderd. Maar dat is in feite precies hetzelfde als wat Daniël zojuist naar voren bracht vanuit een heel ander hoofdstuk en vanuit een andere optiek. Wij gaan ons vanmiddag bezighouden met een aantal verzen uit Hebreeën 2.

Achtergrond van de Hebreeënbrief ↑ hoofdstukken

Laat ik eerst even voor een aantal van u de geheugens opfrissen, en voor sommigen is het misschien nieuw wat ik ga vertellen. Ter inleiding eventjes als basis de Hebreeënbrief. Over welke brief hebben we het dan? Nou, in de eerste plaats weten we van deze brief dat hij geschreven is vanuit Italië. Dat staat er namelijk zwart op wit in het slot van de brief. Wie de schrijver is geweest, is nogal omstreden. In de grote manuscripten, zoals de Sinaiticus, staat hij tussen de brieven van Paulus in. Als ik mijn mening mag geven: ik denk ook dat Paulus de schrijver is van deze brief. In ieder geval was hij een metgezel van Timotheüs, en ik vind dat ook een hele aardige indicatie. We weten natuurlijk dat hij ook gevangen heeft gezeten, zo in het begin van de jaren '60 in Rome.

De brief is geschreven aan – u raadt het al – de Hebreeën in Jeruzalem, die zich in de legerplaats bevonden en die de oproep krijgen om de legerplaats te verlaten: 'Laat ons tot Hem uitgaan buiten de legerplaats.' De hele setting van de brief is nogal dramatisch, want de schrijver – ik noem hem voor het gemak Paulus – wijst erop dat God Zijn volk gaat richten en hij spreekt ook over een enorme felheid van vuur. Alles in deze brief ademt die sfeer van dingen die in korte tijd – zo staat het in hoofdstuk 10 ook – zouden gaan plaatsvinden, namelijk de verwoesting van Jeruzalem. Het oude verbond was nabij de verdwijning, en dat is dan ook weer wat u in hoofdstuk 8 vers 13 vindt.

U weet wellicht van de verwoesting van Jeruzalem; de vorige keer hebben we het daar trouwens uitgebreid over gehad naar aanleiding van wat we lezen in Lukas 21 over de profetie die Jezus ooit heeft uitgesproken op de Olijfberg, vlak voor Zijn sterven. Het gaat over de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70, precies veertig jaar na Zijn dood, opstanding en hemelvaart. Dit even als een inleiding en een aantal handgrepen om een idee te hebben van waar deze brief over gaat.

Eigenlijk is dat meer de adressering, de setting en het tijdstip. De brief zelf is een heel uitgebreid, diepgaand commentaar op wie de Zoon van God is, de Heer Jezus Christus. Hij overtreft de engelen en is groter dan Mozes, groter dan Jozua en groter dan Melchizedek – een van de sleutelfiguren in deze brief. Hij is de Hogepriester van een nieuw verbond. Kortom, ook dat geeft weer aan dat de lezers zeer vertrouwd waren met de Hebreeuwse Bijbel. Het is een aaneenrijging van allemaal schriftplaatsen uit de Hebreeuwse Bijbel; met name het gedeelte over het boek Leviticus en de Grote Verzoendag gaat zeer, zeer diep. Maar het is een fantastische, geweldige brief.

De Zoon, Verheven Boven de Engelen ↑ hoofdstukken

Wij gaan ons, zoals gezegd, bezighouden met het tweede hoofdstuk en een paar verzen daaruit. Hebreeën 2 vers 5 is een heel mooi begin om bij aan te haken, want dat vers begint met te zeggen: "Want niet aan engelen...". Als je het voorgaande gelezen hebt, dan weet je dat dit heel sterk aansluit bij alles wat zojuist door de schrijver is gezegd. Want in hoofdstuk 1 vers 5 zegt Paulus – we blijven hem voor nu even zo noemen: "Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, Ik heb U heden verwekt?"

Het hele idee is dat engelen in het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel, eigenlijk het vehikel zijn; de wijze waarop God Zich manifesteert via de engelen Gods. Bijvoorbeeld op de berg Sinaï – we hebben het daar onlangs hier ook nog over gehad – heeft God via engelen de wet aan Israël gegeven. En als de 'Ik Ben' aan Mozes verschijnt, dan verschijnt Hij ook via de Engel van Yahweh. Dus altijd wanneer God verschijnt, verschijnt Hij niet Zelf. Niemand heeft ooit God gezien, maar Hij verschijnt via de engelen.

Maar nu – en dat is zo triomfantelijk zoals de Hebreeënbrief binnenkomt – komt Hij niet via engelen en de heerlijkheid van engelen tot ons, maar zoals aangekondigd: via de Zoon van God. En Hij is ver boven alle engelen verheven. Hoe groot die heerlijkheid van engelen ook mag zijn, tot de engelen heeft Hij nooit gezegd: "U bent Mijn Zoon en Ik heb U heden verwekt." Dat is Psalm 2. En als je dan nog even doorleest in hoofdstuk 1 vers 13, dan zegt hij: "Tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd...", en dan gaat hij citeren uit Psalm 110: "Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor Uw voeten."

Dit is trouwens een schriftwoord dat heel vaak, en met name in deze brief, wordt aangehaald, omdat het tekenend is voor de huidige positie van de Heer Jezus Christus. Hij is verwekt, niet alleen uit Maria maar ook uit de doden, en sindsdien is Hij officieel de Zoon van God. Hij is gezeten aan Gods rechterhand daarboven. En wat doet Hij? Hij wacht. Ik kom daar straks nog even op terug, maar Hij zit daar totdat "Ik Uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor Uw voeten". Daarna gaat Hij heersen te midden van Zijn vijanden en vanuit Sion, zoals je in het vervolg van Psalm 110 leest. Vandaag is die Messias, de Zoon van God, onttrokken aan het oog. Dat is karakteristiek voor de hele Hebreeënbrief: Hij bevindt Zich nu in het heiligdom, onttrokken aan het oog. Dit alles heeft God niet tot engelen gezegd, en zo zijn we nu aangekomen in Hebreeën 2 vers 5.

De Aanstaande Bewoonde Wereld ↑ hoofdstukken

En dan begint dat ook weer met: "Want niet aan engelen..." en nu lees ik verder: "...onderschikt Hij de aanstaande bewoonde wereld, waarover wij spreken." Ik moet dit misschien even toelichten, want het wijkt inderdaad wat af van de gangbare vertalingen. In de eerste plaats gaat het om het woordje "onderschikken". Meestal wordt het vertaald met "onderwerpen", wat heel dikwijls ook de gedachte is. Een vijand onderwerp je, maar bijvoorbeeld kinderen en de vrouw – zoals de Bijbel dat zegt – zijn onderschikt aan de man. De man is het hoofd, maar zij zijn niet onderworpen. Dat is een heel ander begrip. Onderwerping wijst meer op een verhouding van vijanden en spreekt van macht, terwijl bijvoorbeeld mijn lichaam ondergeschikt is aan het hoofd; dat is een organisch verband. Dat wil zeggen: het hoofd geeft leiding aan. In ieder geval staat hier het woordje onderschikken, wat letterlijk "het onderplaatsen" is. Ik denk dat onderschikken dat beter weergeeft.

En dan nog: "Niet aan engelen onderschikt Hij de aanstaande bewoonde wereld." Meestal wordt dat in de NBG en de Statenvertaling vertaald met de "toekomende". Zo groot is het verschil niet eens, maar het idee is vooral de aanstaande: die op het punt staat te komen. De eerstvolgende, de aanstaande. Dat hoeft nog niet eens te betekenen dat dat al heel gauw is. Ik bedoel, als ik zeg "aanstaand jaar", dan wil dat niet zeggen dat het morgen is. Nee, dat wil zeggen: het eerstkomende jaar. Dus dat is het idee. Maar het is inderdaad wel toekomstig; er zit natuurlijk overlap tussen beide begrippen.

Dit begrip "aanstaande" of "toekomende" – ik gebruik ze even door elkaar – komt vaker voor in deze brief. Heel vaak wordt gewezen op die toekomende of, zo u wilt, de aanstaande aeon. Zo wordt dat in hoofdstuk 6 vers 5 genoemd: de toekomende eeuw. Hier gaat het over het toekomende aardrijk of de toekomende bewoonde wereld. In hoofdstuk 10 vers 1 lees je dat de Heer Jezus Christus nu in het heiligdom is, en dan staat er: "Hij is de Hogepriester van de toekomende goederen." De aanstaande goederen. Dat is ook een beetje een lastig begrip, want bij goederen denken wij meteen aan artikelen ofzo, maar "goederen" is eigenlijk het meervoud van "goed". Dan krijg je dus de goede dingen: de toekomende goede dingen. Al die goede dingen die als het ware in het heiligdom zijn, en die brengt de Hogepriester straks mee als Hij naar buiten komt. Die goede dingen deelt Hij dan uit, als het ware in Melchizedek. In hoofdstuk 13 vers 14 hebben we het ook nog over de toekomende stad. Er staat ook weer bij: "Laat ons uitgaan buiten de legerplaats", want wij zoeken niet het tegenwoordige, maar de toekomende of de aanstaande; die stad die eraan staat te komen. Dat is de gedachte.

En dan: "de bewoonde wereld". Die term kennen we eigenlijk wel. Het is niet het gewone woord voor wereld, kosmos, maar hier wordt een woord gebruikt dat we eigenlijk allemaal wel kennen: oikoumene, waar ons woord oecumene van afgeleid is. Dat betekent letterlijk de bewoonde wereld. Voor het gemak zeggen we gewoon de wereld, want zo'n beetje de hele wereld is tegenwoordig bewoond. Het scheelt niet veel. Maar in ieder geval is het de bewoonde wereld; dat is de betekenis van het woord.

Waar de schrijver het dus over heeft, is dat die toekomende of aanstaande wereld waarover wij spreken, niet onderschikt of onderworpen wordt aan engelen. Nee, dat is namelijk vooraf al heel glashelder gezegd in de Schriften: die wordt onderschikt aan de grote Erfgenaam. Hij zegt trouwens dat het de toekomende bewoonde wereld is waarover wij spreken. Het is dus niet de huidige wereld. Het idee is nergens in de Bijbel dat de tegenwoordige wereld onderworpen of ondergeschikt is aan de Heer Jezus Christus. Jazeker, alle macht is Hem gegeven, maar Hij oefent die macht nu niet uit. Dat wordt natuurlijk vaak gezegd. Er zijn ook heel veel liedjes die daarover gaan: "Koning Jezus regeert" en "je ziet het aan alles". Nou, je ziet het aan helemaal niks! Maar de schrijver spreekt over de toekomende wereld. Eigenlijk is het dus echt niet zozeer een schrijver; de brief heeft veel meer het karakter van een toespraak. Vandaar dat hij zegt: "waarover wij spreken". Die wereld die onderworpen of ondergeschikt gaat worden – niet aan engelen, maar aan de enige echte Erfgenaam, waarover straks meer – dat is niet de huidige wereld, maar de toekomende.

Dat is heel belangrijk om te zien. Ik zou me trouwens ook schamen om te zeggen dat de huidige aeon onderworpen is of dat daarin de Heer Jezus Christus regeert; dat is natuurlijk dwaarsheid. Sorry dat ik het zeg, maar dat is dwaarsheid. Maar dat heeft er ook mee te maken dat men alles vergeestelijkte. Als de Heer Jezus Christus – want over Hem hebben we het natuurlijk – zal gaan regeren, dan gaat Hij zitten en dan doet Hij dat vanuit de stad die daarvoor is voorbestemd: de stad van de grote Koning, Jeruzalem. Van daaruit zal Hij regeren, niet alleen over Israël, maar over de hele komende wereld. Kortom: over de hele bewoonde wereld. Maar niet de huidige; de aanstaande, de toekomst. Ik denk dat het heel belangrijk is om dat even goed in gedachten te houden. Het is ook heel logisch, maar je moet soms eventjes door heel wat theologie heen ploegen om dat toch weer wat scherp te krijgen, zeg maar. Nou ja, nu moet hij wel nog iets uitleggen.

Psalm 8 en de Roeping van de Ben Adam ↑ hoofdstukken

Want niet aan engelen onderschikt Hij de aanstaande bewoonde wereld waarover wij spreken. Maar iemand betuigde ergens... Nou, je hoeft geen groot Bijbelkenner te zijn als je doorleest wie dat is geweest en waar. Namelijk: het was die iemand in David, en dat 'ergens' is in Psalm 8. Dat is volstrekt helder, want nu volgt namelijk een citaat: "Wat is de mens dat U hem gedenkt, of de mensenzoon dat U naar hem omziet?"

En trouwens, als we het over theorie hebben: algemeen wordt dit ook in de christelijke wereld... Echt, ik vind het zo verbijsterend eigenlijk hoe men dat altijd zomaar uitlegt alsof het betrekking heeft op de mens in het algemeen. Op u en mij, maar daar gaat het echt niet over. De mens en de mensenzoon, dat is heel specifiek één iemand.

Laten we het in de eerste plaats eventjes goed bezien: wat is de mens? Kijk, dit is aangehaald door Paulus uit de Griekse vertaling van wat wij dan noemen het Oude Testament. Maar u weet: het Oude Testament is eigenlijk de Hebreeuwse Bijbel. Dus het is een vertaling. Dit is Grieks, uiteraard. Het is ook overgenomen en geciteerd uit de Griekse vertaling. Maar dat neemt niet weg: het is een vertaling. En in het Hebreeuws staat hier voor het woordje 'mens' niet het gewone woord voor mens, 'Adam', maar 'Enoch'. En dat heeft de betekenis van een sterveling. Wat is de sterveling dat U aan hem denkt? Ik lees even verder: "...of de mensenzoon dat U naar hem omziet?"

De mensenzoon... Dit is typisch 'de zoon van de mens'. Ah, ik moet erbij zeggen: ik vind het zo mooi, en het is mijn favoriete manier om het te formuleren, om het echt op z’n Hebreeuws te zeggen, namelijk: de Ben Adam. Want dat is namelijk wat er in het Hebreeuws staat: de Ben Adam. Ik weet niet, een aantal van jullie kennen een beetje Hebreeuwse lettertjes en die zien dan inderdaad: hier staat 'Ben Adam'. En Ben Adam, dat is de zoon van de mens, maar je kan ook zeggen: de zoon van Adam.

Want er is ooit een tijd geweest dat er maar één mens was, en dat was Adam. Hij is de representant, Adam. En eigenlijk hebben wij allemaal zijn naam geërfd. Dat is wat wij zijn: Adamieten. Maar de Ben Adam – en dat is het mooie, want 'Ben' betekent de erfgenaam – Hij is het die de erfenis krijgt van Adam. Het blijkt trouwens ook dat het hier niet gaat over Adam; het gaat over de Ben Adam, over de erfgenaam van Adam. Die eerst een sterveling was... Je vindt het misschien nu wat kort door de bocht als ik het zo zeg, maar houd me even vast, want straks blijkt dat vanzelf.

Maar in ieder geval, Hij is de sterveling, maar vervolgens ook de Ben Adam. Hij krijgt datgene wat Adam ooit toevertrouwd heeft gekregen. Hij zou heersen over alles, zo wordt het in Genesis 1 toch al gezegd. Hij was de kroon op de schepping en samen met zijn complement – daar kom ik nog even op terug, zijn aanvulling, Eva – zou hij heersen over de schepping. Wel, die erfenis – we weten hoe het gegaan is met Adam – die gaat over naar de Ben Adam, de zoon van de mens.

En ja, we hebben het hier dus inderdaad over één specifiek iemand. En daar staat er nog wel iets bij: "U maakt...", want het citaat gaat hier door, hè? Want nog steeds is Paulus bezig Psalm 8 te citeren. Dit zijn woorden van David, maar in vers 7 citeert hij verder: "U maakte hem..." Die Ben Adam, die sterveling. "U maakte hem een weinig minder dan de engelen." Dat is een beetje complex, want... Kijk, nou ja, complex, dat hangt er vanaf hoe moeilijk je het wilt maken. In ieder geval, in het Hebreeuws staat namelijk dit: "een weinig minder dan de Elohim".

En als u... Nee, niet in de Statenvertaling; de Statenvertaling heeft het heel correct gedaan als u het mij vraagt. Maar in de NBG-vertaling staat: "U hebt hem bijna goddelijk gemaakt." En vandaar ook dat de algemene lezing van dit vers luidt: "Ja, de mens is zo hoog, het is bijna goddelijk." En daar zou op zich wat voor te zeggen zijn vanuit het Hebreeuws, want Elohim is ook gewoon de aanduiding van God. Feitelijk, strikt genomen, is het een meervoudsvorm en ook de aanduiding van goden.

Als we het over complex hebben: dit is een wat moeilijk ding, we laten dat even rusten. In ieder geval, vanuit het Hebreeuws zeg je dus eigenlijk: "een weinig minder dan Elohim". Als je dit opvat als God, dan krijg je dus "bijna God", "een weinig minder". Maar als je zegt "een weinig minder dan Elohim" in de zin van "een weinig minder dan goden", dan krijg je de gedachte van engelen.

En zo heeft de Septuagint, waar Paulus hier uit citeert... Kijk, het grootste gedeelte van de Joden in de dagen van het Nieuwe Testament woonde niet in het land, maar buiten het land. Dat is trouwens nog steeds de situatie, want weliswaar wonen heel veel Joden in Israël, in het land, maar het grootste gedeelte van de Joden alleen al woont buiten het land. Nou, dat was in feite ook de situatie in de dagen van het Nieuwe Testament. Dat waren geen Hebreeuws-sprekenden, maar die spraken gewoon de toenmalige omgangstaal, en dat was Grieks. Dus de meeste mensen waren vertrouwd met de Griekse vertaling van wat wij noemen het Oude Testament.

Wel, de schrijver van de Hebreeënbrief citeert vanuit de Septuagint – zo kort je dat af, 'de zeventig' – waar Elohim wordt opgevat als goden, in de zin van engelen. En de Statenvertaling leest dat inderdaad ook op deze wijze. Ik denk dat het volstrekt correct is. Dat dit inderdaad de correcte vertaling is, blijkt uit de wijze waarop Hebreeën 2 verwijst naar Psalm 8.

Bent u er nog allemaal? Ik geef toe dat het misschien wat ingewikkeld is. Maar als dus de schrijver van Hebreeën 2 verwijst naar Psalm 8, dan zegt hij: "ja, een weinig minder dan de engelen". Dus niet "bijna goddelijk". Je krijgt eigenlijk een tegenovergestelde uitleg. In het ene geval is het "bijna goddelijk", zo hoog is de mens in zijn algemeenheid; in het andere geval gaat het over de Ben Adam die "een weinig minder", of eventueel "een korte tijd" – want dat is de gedachte dan – beneden de engelen gesteld is.

Dus in het ene geval is Hij hier heel hoog, en in het andere geval is Hij hier juist heel vernederd. Dus dat maakt nogal wat verschil. Vandaar ook dat ik het eventjes moet toelichten, zonder daar nu nog dieper op in te gaan. Maar dit is eigenlijk het verhaal.

Maar moet je eens opletten, het is geweldig hoor! Want kijk, Psalm 2 is ook een Psalm van David. Psalm 110 – "Zet U aan Mijn rechterhand" – is een Psalm van David. Psalm 8: een Psalm van David. En in al die gevallen gaat het over de Zoon van David, of, zo u wilt, de zoon van Adam: de Ben Adam. De 'Zoon des mensen' is dus eigenlijk de Ben Adam. Dus Hij erft niet alleen maar de kroon en de troon van David, maar Hij erft nog veel meer: Hij erft de troon van Adam. Dat wil zeggen: de hele bewoonde wereld.

Aan wie wordt dat gegeven? Wel, aan Degene die "een weinig minder gemaakt is dan de engelen". Ik kom daar straks nog even op terug, want de schrijver gaat dit gewoon uitleggen, wat daarvan de betekenis is. Maar die Ben Adam, die een weinig minder is gemaakt dan de engelen... die is met heerlijkheid en eer bekroond door God.

Dus dan hebben we het inderdaad over de Ben Adam. En Hij, die een weinig minder is gemaakt dan de engelen, is vervolgens gekroond met eer en heerlijkheid. "Bekroond" – hier staat het Griekse woord stephanoō, stephanōtos – maar dat betekent... er is ook iemand in de Bijbel die zo heet: Stefanus. Dat is een erekrans, een lauwerkrans; zo wordt het trouwens hier ook weergegeven.

Een eerkrans, een lauwerkrans. Dus die heerlijkheid en eer die van Godswege aan de Ben Adam is gegeven, dat is een heerlijkheid en eer als bekroning, als een eer voor dat wat hem is overkomen of wat hij gedaan heeft. Namelijk: hij is beneden de engelheid gesteld. Hij is een sterveling geworden, gestorven en zelfs beneden de engelheid gesteld. Maar hij is gekroond met heerlijkheid en eer. En als u mij vraagt: die heerlijkheid verwijst naar dat onvergankelijke leven wat hij aan het licht heeft gebracht als de Eersteling, toen hij opgewekt werd uit de doden.

De eer, dat is dat hij Heer is van allen. En ook de Ben Adam als de Koning-Priester naar de ordening van Melchizedek; alle hoogste titels zijn aan hem toegekend. Hij heeft een naam ontvangen – dat is Filippenzen 2 – boven alle namen. Daarom heeft God hem ook tot de uiterste maat verhoogd, zoals hij zich tot de uiterste maat vernederd heeft. Zo heeft God hem tot de uiterste maat verhoogd en hem de naam gegeven boven alle namen, opdat in de naam van Jezus – jawel, de naam die redt – alle knie zou buigen en alle tong zou belijden. Jezus is Heer, afijn.

Met die heerlijkheid en eer is de Ben Adam bekranst. Alle dingen onderschikt U onder zijn voeten. Niet veel, maar alles. Alle dingen onderschikt U. Dat betreft trouwens niet alleen de aarde, maar dat zie je ook al in Psalm 8 met betrekking tot de Ben Adam. U doet hem heersen over de werken van Uw handen. Zonder limieten. Alles wat God geschapen heeft. De werken van Zijn handen, dat is de hele wereld; dat is Zijn creatie namelijk. U doet hem heersen over de werken van Uw handen, alles hebt U onder zijn voeten gelegd.

Zie je trouwens hoe die schriftplaatsen hier in verband met de Messias, de Heer Jezus Christus, in elkaar grijpen? Want in Psalm 110 was het zo dat hij nu wacht totdat alle vijanden gesteld worden tot een voetbank voor zijn voeten, dus onder zijn voeten worden gesteld. En in Psalm 8 is de gedachte: alles wordt aan de Ben Adam onderworpen, nadat hij een weinig minder is gemaakt dan de engelen. Alle dingen onderschikt U aan zijn voeten.

Niets Uitgezonderd: Alles Is Hem Ondergeschikt ↑ hoofdstukken

Want we gaan dat nog eens even benadrukken. Die klemtoon die Matanja bij aanvang al naar voren bracht: namelijk niet veel, maar alles. De schrijver van de Hebreeën-brief doet daar in feite nog een schepje bovenop door te zeggen: ja, als ik zeg – of als de Schriften zeggen – ‘alles’, dan is dat ook werkelijk alles. Want in het ‘alle dingen onderschikken aan Hem’, de vraag die in Psalm 8 wordt gebezigd, laat Hij niets uitgezonderd dat Hem niet onderschikt is. Vandaar de titel van deze toespraken: ‘Niets uitgezonderd’. All-inclusive. Alle dingen zijn Hem onderworpen. Op het moment dat je daar iets van afdoet en zegt: "Nou, dat vind ik wel heel erg veel," dan mis je de clue. Het gaat er juist om dat het niet veel is, maar alles. Dat is waar het om gaat en dat wordt in de Schrift zo dikwijls gezegd.

In de inleiding werd al aangehaald wat ons is gegeven: Hoe zou Hij, die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Als je van dat ‘alles’ iets afdoet en er ‘veel’ van maakt, dan zeg je: "Veel is ook al heel veel." Ja, dat is heel veel, maar het is niet alles. En daar gaat het nu juist om. In het alle dingen onderschikken aan Hem laat God Zelf niets uitgezonderd dat er niet aan onderschikt is. De Heer Jezus heeft trouwens ook na Zijn opstanding, nadat Hij voor een korte tijd beneden de engelen was gesteld, gezegd: "Mij is gegeven alle macht." Eigenlijk staat er ‘alle volmacht’, exousia, volmacht in hemel en op aarde. God Zelf heeft Hem alle macht gegeven in hemel en op aarde. Hij oefent die macht momenteel nog niet uit op aarde, want niet de huidige wereld is aan Hem onderworpen, maar de aanstaande bewoonde wereld waarover wij spreken. Maar dat neemt niet weg dat de macht Hem gegeven is.

Op het moment dat Hij het zal zeggen – dat is trouwens ook Psalm 2: "Vraag van Mij en Ik zal U de einden der aarde geven" – zal de wachttijd voorbij zijn. Nu wacht Hij, maar straks worden de vijanden onder Zijn voeten gesteld en wordt de volmacht daadwerkelijk gerealiseerd. In Johannes 3 lees je ook zoiets. Johannes zegt daar als commentaar: "De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in Zijn hand gegeven." Ik laat het hier even bij, want er zijn nogal wat Schriftplaatsen waar woorden van exact dezelfde strekking worden gebezigd.

Nu lijkt het misschien alsof ik toch ga afdoen van wat ik zojuist heb gezegd door de uitzondering van God Zelf te noemen, maar dat is geen echte uitzondering. Dat moet ik er meteen bij zeggen. Want het gaat er juist om: als Hij zegt ‘alle dingen’, dan heeft Hij niets uitgezonderd. Dan moet je niet gaan zeggen dat er toch een uitzondering is. Laat ik een voorbeeld noemen. Stel dat ik zeg: "Alle leven in de zee is gestorven." Maar de mensen die op zee waren, of de mensen op het land, die leven nog. Is dat dan een uitzondering? Nee, want als ik zeg "alle leven in de zee", dan is dat alle leven ín de zee. Dat wat niet in de zee is, maar op zee of op land, is geen echte uitzondering; die horen domweg niet bij de categorie ‘leven in de zee’. Zo zijn alle dingen aan de Heer Jezus Christus, de Ben Adam, onderschikt. Is dat inclusief God Zelf? Nee, natuurlijk niet.

Paulus legt dat in 1 Korinthe 15 ook uit. Ik haak aan in vers 25: "Want Hij, de Heer Jezus Christus, moet als Koning heersen totdat Hij al Zijn vijanden zou plaatsen onder Zijn voeten." Hier hebben we weer een commentaar op zowel Psalm 8 als Psalm 110. In een heel andere zetting, maar het gaat over dezelfde waarheid. De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood. Want Hij – God – onderschikt alles onder Zijn voeten. Juist God heeft alles ondergeschikt gemaakt onder de voeten van de Ben Adam, de Heer Jezus Christus. In het Hebreeuws en het Grieks hebben ze het probleem met hoofdletters niet, want daar is alles in hoofdletters geschreven, maar als we het over God hebben, is dat in onze taal wel zo correct.

Wanneer Hij echter zegt dat alles is onderschikt, is dat duidelijk buiten Degene om die Hem het al onderschikte. Is dat een uitzondering? Nee, want God Zelf, die Hem alles onderschikt, hoort niet bij die ‘alle dingen’. Dat moet wel duidelijk zijn. Paulus doet niet eens moeite om dat uitgebreid uit te leggen, want op het moment dat je dat gaat uitleggen, wordt het eigenlijk alleen maar onduidelijker. Het is namelijk volkomen vanzelfsprekend: God heeft alles onder Zijn voeten gezet, maar dat is exclusief God Zelf.

Er staat ook bij: "Wanneer nu het al, ta panta, aan Hem onderschikt wordt, dan zal ook de Zoon Zelf worden onderschikt aan Degene die Hem het al onderschikte, opdat God zij alles in allen." Wat een geweldig woord. De diepgang en de betekenis daarvan laten we nu even rusten, maar het gaat erom dat hier ook gesproken wordt over het feit dat alles door God aan Hem ondergeschikt is. God is niet degene die ondergeschikt wordt aan de Zoon, integendeel. Het is zelfs zo dat als eenmaal alle dingen aan de Ben Adam, aan de Heer Jezus Christus, zijn onderschikt en zelfs de laatste vijand, de dood, is tenietgedaan – en hoe doet Hij dat? Door allen levend te maken, dan is er geen dood meer – wanneer dat gebeurd is, dan zal Hij ook alles weer overgeven aan Zijn God en Vader. De Zoon is instrumenteel, als ik het zo netjes mag zeggen. En dan wordt God alles in allen.

Dat is inderdaad universeel en alvattend. Dan zijn er geen stervelingen meer, want er is namelijk geen dood meer. Allen zijn levend gemaakt, zoals we lazen in vers 22 van dit hoofdstuk: "Zoals in Adam allen sterven, zo zullen in Christus allen worden levend gemaakt." Hoe dan wel? Wel, ieder in zijn eigen rangorde. God is dus uitgezonderd. Ik zoek naar de goede formulering, want het zou zomaar verwarring kunnen wekken, maar bij het alle dingen ondergeschikt zijn, hoort God uiteraard Zelf niet. Hij is namelijk Degene die dat heeft gedaan. Oké, dan heb ik er nog één.

De Ekklesia Deelt in Zijn Heerschappij ↑ hoofdstukken

Het is als alle dingen... Zie je deze? Mooi hoor! Als alle dingen ondergeschikt zijn aan de Ben Adam, is dat dan inclusief zijn lichaam? Wanneer alles onder zijn voeten wordt onderschikt, is dat dan inclusief zijn lichaam? Ja, want als alles aan mij ondergeschikt is, dan is dat aan mij als hoofd én lichaam. Dat dat zo is, daarvoor gaan we naar Efeze 1. Dit is zo onvoorstelbaar en het is een prachtige onderstreping van wat ons toekomt. Niet veel, maar alles. We hebben geen idee, lieve mensen, wat God voornemens is te geven aan de ekklesia, die zijn lichaam is.

In Efeze 1 vers 22, aan het slot van het hoofdstuk, staat: "En Hij, God, onderschikt alles onder zijn voeten." Ziet u hoe een groots thema dit is door de brieven heen? Want we hebben het nu over de Hebreeënbrief en over de Korinthebrief, die op hun beurt weer aanhalen uit diverse psalmen. Iedere keer komt datzelfde thema weer op de voorgrond. Hij, God, onderschikt alles onder zijn voeten, de voeten van de Heer Jezus Christus. Kijk er maar naar. En Hij, God, heeft Hem gegeven als hoofd boven alles aan de ekklesia. Het idee is hier niet dat de ekklesia een geschenk is aan Christus, nee. Hij is het hoofd boven alles en Hij heeft Hem in die hoedanigheid gegeven aan de ekklesia, aan de gemeente die zijn lichaam is. De aanvulling, of zoals we in de NBG lezen: de vervulling, de pleroma. De aanvulling van Degene die het al in allen vervult.

Ja, dit gaat duizelen. Het gaat naar de toppen. Maar ik hoop toch dat als ik dit zo lees en onder de aandacht breng, er iets begrepen wordt van de onvoorstelbare plaats van de ekklesia. Eigenlijk is het als bij Eva, de manninne die genomen was uit het lichaam van Adam. In zekere zin was zij zijn aanvulling. Alles was onder Adams voeten gesteld, en daarmee was het ook onder de voeten van Eva gesteld. Zij was de aanvulling, zoals mijn lichaam de aanvulling is van het hoofd. Dat is één hoofd en lichaam. Welnu, op dat lichaam doelt Paulus hier: de ekklesia. Het komt er op neer dat wat aan Christus is gegeven als het hoofd boven alles, wordt gedeeld door de ekklesia, de gemeente die zijn lichaam is. Als alles onder de voeten van de Ben Adam wordt gesteld, dan is dat ook inclusief onder onze voeten. Ik zeg nu 'ons', en daarmee bedoel ik wij die mogen geloven in Hem en wij die zijn lichaam mogen zijn.

Alle dingen zijn Hem dus ondergeschikt en alle dingen worden Hem ook daadwerkelijk onderworpen. Er is niets van uitgezonderd, behalve God Zelf uiteraard. En degenen die deel uitmaken van het lichaam van de Ben Adam horen daarbij. De Efezebrief gaat daarin in feite nog verder dan de Hebreeënbrief. Eigenlijk moet je nu even stil zijn, maar goed. Degenen die de podcast beluisteren, kunnen hem even op pauze zetten om dit tot zich te laten doordringen. De belofte die God heeft gegeven en wat geprofeteerd staat over Christus, daar delen wij als leden van zijn lichaam in. Dat is de verborgenheid ook. Heel veel mensen denken dat wij deel uitmaken van de belofte die God aan Israël heeft gegeven. Nee, wij delen in dat wat God aan Christus beloofd heeft. Daarom zijn wij ook niet de bruid, maar zijn we het lichaam van de bruidegom.

Goh jongens, er komen zoveel gedachten nu bij mij naar boven. Laten we weer even teruggaan naar Hebreeën 2.

Gekroond met Heerlijkheid Ten Behoeve van Allen ↑ hoofdstukken

Dan staat er dit: "Maar nu zien wij nog niet dat alle dingen hem ondergeschikt zijn." Alle macht, alle volmacht is hem gegeven, maar het is nogmaals de toekomende wereld, de bewoonde wereld die aan hem zal worden ondergeschikt en waarover hij zal regeren in de toekomende aeonen. Nu is hij verborgen. Het hele idee in de Hebreeënbrief is ook: straks zal hij verschijnen als koning, en vandaag doet hij dienst als hogepriester in het heiligdom en wordt hij niet gezien. Toch, als hogepriester in het heiligdom, laat hij wel van zich horen met die belletjes aan de zoom van zijn kleed. Hij laat wel van zich horen, je hoort hem wel, maar je ziet hem niet.

Heb ik het nou wel over onze Heer Jezus Christus? Hij is verborgen. Maar nu zien wij nog niet dat alle dingen hem ondergeschikt zijn. Ik zal meteen nog even die schriftplaatsen vermelden waar ik al eerder op doelde. Dan staat er in Hebreeën 10: "Maar deze, de Heer Jezus Christus, na één slachtoffer ten behoeve van de zonden te hebben gebracht, is voortdurend gaan zitten aan Gods rechterhand." Daar staat "voortdurend": ononderbroken, continu. Niet altijd, want er staat namelijk bij: "afwachtend, totdat zijn vijanden geplaatst zullen worden tot een voetbank voor zijn voeten." En dat is dus Psalm 110.

Maar in ieder geval, wat doet hij daar nu? Nou, hij is de bedienaar van het heiligdom. Hij bedient daar de kandelaar, hij zorgt dat er licht is, maar hij wacht. Hij wacht. Als koning is hij nu passief. De troon is vacant, is leeg. Het wachten is nu op het moment dat de termijn is vervuld en al zijn vijanden zullen worden geplaatst tot een voetbank voor zijn voeten. Maar wij zien nog niet dat alle dingen hem ondergeschikt zijn. Dat zien we niet, dat weten we. Maar wij zien Jezus — nou ja, wat heet — in geloof. Dat zijn dezelfde termen die ook gebruikt worden in verband met Mozes, van wie je leest: hij was als ziende de Onzienlijke. Wie het vatten kan, vatte het. In geloof. Ik bedoel, er zijn heel veel dingen die we niet zien, maar doordat je de Schriften gelooft, zie je het wel. Dan zie je het zitten. Dan zie je hem zitten. Ik zie helemaal niks, maar als ik de Bijbel open en ik weet dat het waar is en je gaat daarvan uit, dan zie je hem met recht zitten. En dat is in vertrouwen, met het oog van het hart, de verlichte ogen van het hart. Deze ogen, maar je hebt ook hier ogen.

En wij zien Jezus, die een weinig minder gemaakt is dan de engelen. Ik zei al, ik kom er nog even op terug, want hier wordt de term ook uitgelegd. Die een weinig minder gemaakt is dan de engelen... en er staat erbij: hoezo dan? Vraag je je dan af. Nou, het staat daarachter: "Vanwege het lijden van de dood." Daarom. Engelen sterven niet. En toen hij stierf en de dagen dat hij in het graf was, vandaar ook "een weinig", een korte tijd, was hij minder dan de engelen. Gewoon letterlijk, want engelen sterven niet. Dus de term leek misschien op voorhand of aanvankelijk wat ingewikkeld: weinig minder dan de engelen. Want sinds wanneer dan? Nou, vanwege het lijden van de dood.

Anderen, moet ik erbij zeggen, leggen een andere link. Want ik heb het hier in leestekens en haakjes gezet: "Wij zien Jezus — die een weinig minder gemaakt is dan de engelen — vanwege het lijden van de dood met heerlijkheid en eer bekroond." Dat geeft een perfecte zin, want hiermee verklaart deze zin de voorgaande zin. Hij is nog anders te lezen, dat zeg ik niet als in strijd met maar ter aanvulling: "Wij zien Jezus (die een weinig minder gemaakt is dan de engelen vanwege het lijden van de dood) met heerlijkheid en eer bekroond." Ook dat geeft een goede zin. Snappen jullie? Hoezo met heerlijkheid en eer bekroond? Wel, vanwege het lijden van de dood. En dan is het inderdaad een lauwerkrans, hij is bekroond met eer en heerlijkheid vanwege de weg die hij is gegaan. In beide gevallen krijg je een perfecte, goede zin. Dus als u nu vraagt aan mij: wat is de lezing, A of B? Ik denk A en D. Het komt namelijk in beide gevallen perfect uit.

Opdat — hij staat er nog bij — "hij in genade van God, ten behoeve van allen, de dood zou smaken." Ja, maar we hadden het zojuist over allen, zonder uitzondering. Heel de schepping, heel de mensheid. En hier wordt dat nog eens gezegd. Het is Gods genade ten behoeve van allen dat hij de dood heeft gesmaakt. En waarom zou hij de dood smaken? Waarom? Het is trouwens een heel sterke term. Hij was een mens en hij heeft de dood geproefd. Je leest ook dat hij de kelk van lijden heeft leeggedronken. Hij heeft het werkelijk... het is niet zomaar kunstmatig dat hij die weg is gegaan en dat het als een geestelijk wezen allemaal langs hem heen is gegaan. Nee, hij heeft de dood gesmaakt. En hoe staat het er? Hij is vernederd tot de dood van het kruis. Die diepe weg is hij gegaan en dat deed hij ten behoeve van allen.

Opdat hij de dood zou smaken ten behoeve van allen. Waarom? Opdat hij de dood teniet zou doen. Het loutere feit: hij stierf om op te kunnen staan uit de doden. En voor wie deed hij dat? Wel, voor heel het mensdom. Zoals — nu kom ik weer terug bij dat vers uit 1 Korinthe 15 — zoals in Adam allen sterven. En niemand... en dat is zo frappant, van de week had ik er nog een gesprek met iemand over die er eigenlijk niet over uit kon dat dat inderdaad "allen" is. En dan bleek hij er geen enkele moeite mee te hebben dat allen in Adam sterven. Ik zeg: is dat een keuze dan? Is dat eigenlijk onrechtvaardig? Waarom dat voor iedereen? Ik heb er toch niet om gevraagd? Nee, maar het is een gegeven. Allemaal zijn we adamieten, stervelingen, bovendien ook allemaal zondaren. Er is geen keuze geweest. God staat in Romeinen 11 vers 32: "Hij heeft allen onder de ongehoorzaamheid (of onder de weerbarstigheid) besloten", als vissen in een net. Er is geen uitzondering: allen. Maar dan staat erachter: "opdat Hij zich over allen zou ontfermen."

Wat een God! Hij deed hem, de Heer Jezus Christus, sterven. Dat is zijn genade voor allen. Waarom? Omdat hij alle mensen, heel het mensdom, wil levend maken en ook gaat levend maken. Dan moet je nog even geduld hebben, want het is inderdaad de laatste vijand die tenietgedaan wordt. Maar wat een uitkomst van Gods weg! En dan zie je ook weer: bij hem gaat er nooit iets mis. Want als God dat voornemens is, als Gods liefde werkelijk all-inclusive is, niemand uitgezonderd... Hij houdt van zijn creaties, dan maakt hij het ook wel. Hoe dan ook en wanneer dan ook. En daar neemt hij de tijd voor. Hij heeft de aeonen zelf gemaakt, maar hij gaat alles wel maken. Alles zonder uitzondering en met iedereen ook zonder uitzondering, opdat hij in genade van God ten behoeve van allen de dood zou smaken.

En daarom hebben we werkelijk een evangelie. Dit is... ik zeg het zo vaak... vanmorgen mocht ik in Niek Buinenswijk... het is een bericht, het is een mededeling. Het is geen aanbod, dat kun je afwijzen. Het is echt een geweldig bericht. En of je het nou gelooft of niet, maar het is de waarheid. En dat maakt me zo enorm blij, want daar kan een mens niks aan afdoen en een mens kan er niks aan toevoegen. En dan zeg je: maar wat hebben wij dan nog? Waar is de roem van een mens? Het is uitgesloten. Het is de genade van God. Amen.

🎧 niets uitgezonderd!
Delen: