niemand is zoals Hij!
17-11-2024 - Geplaatst door Andre Piet17 november 2024, Rotterdam EH
In de Bijbel wordt God vergeleken met een koning, een krijgsheer, een pottenbakker, een herder, enzovoort. Tegelijkertijd waarschuwt de Bijbel dat God met niemand te vergelijken is. Vergelijkingen met Hem gaan mank omdat zij slechts een facet van God belichten. GOD laat zich niet passen in menselijke categorieën en dat geldt ook voor onze morele oordelen over Hem. Want al neemt God weg, Hij pleegt geen diefstal. En al maakt God dood, dan nog is Hij geen moordenaar. In de Schrift maakt GOD Zelf duidelijk hoe en waarom Hij verheven is boven al Zijn creaturen.
Powered by RedCircle
📝 Samenvatting & Transcriptie van deze lezing
⏱️ Hoofdstukindeling van deze studie:
De Onvergelijkbare God en de Functie van Vergelijkingen ↑ hoofdstukken
Een hele goede morgen, ook van mijn kant, vrienden hier in Rotterdam. Het is goed om in jullie midden te mogen zijn en om wat dingen te mogen doorgeven vanuit het Woord van God dat we zojuist hebben gelezen. En trouwens, dankjewel Ingrid; het gebeurt denk ik zelden dat een thema van de predicatie zo mooi aansluit bij het laatste lied. Want inderdaad, daar gaat het over: niemand is zoals Hij. Ik heb er als ondertitel bij geschreven: Onvergelijkbaar. Als u zojuist goed heeft opgelet bij het voorlezen van de tekst, dan is het u wellicht ook opgevallen dat in vers 25 staat: "Met wie dan wilt gij Mij vergelijken?" God spreekt daar zelf, bij monde van Jesaja. En dan klinken daar deze woorden: "Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem gelijk zou zijn? zegt de Heilige."
Het is overigens wel zo — en dat is het eerste wat ik daarover wil opmerken — dat God in de Bijbel niettemin heel vaak wordt vergeleken met iets of iemand. Hier staat dan wel: "Met wie wilt gij Mij vergelijken?", maar dat neemt niet weg dat de Bijbel dat zelf wel heel dikwijls doet. Dat is eigenlijk heel duidelijk te illustreren aan de hand van wat we zojuist hebben gezongen en overwogen, namelijk de vele vergelijkingen die met God worden gemaakt. Er is gezongen: "U bent mijn vuurtoren, mijn lighthouse." Dat is een vergelijking. Maar wat dacht je? Er zijn zo enorm veel vergelijkingen die in de Bijbel met onze God worden gemaakt. Hij is een Koning, of Hij is een Krijgsheld — zo wordt Hij ook genoemd — die het opneemt voor Zijn volk Israël en strijdt als een Krijgsheer voor Zijn volk. Of Hij wordt vergeleken met een Pottenbakker of met een Herder. Hoe vaak wordt dat niet gezegd in de Psalmen? "De Heer is mijn Herder", maar ook de Herder van Zijn volk, waarbij het volk vergeleken wordt met een kudde. Of de Heer is een Rots: "U bent mijn Rots." Hij heeft ook allerlei andere beelden vanuit de natuur. God is als een Zon. We hebben trouwens ook gezongen: als een Schild, dat dan weer beschermt tegen de zon. Maar Hij is ook als een Leeuw die het opneemt voor de Zijnen.
Ik kan natuurlijk zo nog wel even doorgaan. Hoe vaak wordt God niet vergeleken met iets? Hoe kan dat dan zo staan? Is dat dan in strijd met deze retorische vraag: "Met wie dan wilt gij Mij vergelijken?" Het antwoord daarop zou natuurlijk zijn: "Ik ben niet te vergelijken met wie of wat dan ook." Ik denk dat het antwoord is dat dit ook zo is, want elke vergelijking die met God gemaakt wordt, blijft een vergelijking. Het is niet hetzelfde. Je kunt niet een is-gelijk-teken zetten tussen het één en het ander. Dat wil zeggen dat elke vergelijking slechts tot op zekere hoogte opgaat. Het is min of meer een open deur intrappen, want u begrijpt dat wel, maar het is toch goed om u dat te realiseren. Als u een vergelijking maakt met God, of de Bijbel presenteert die vergelijking zelf, dan is dat om een bepaald aspect van Hem in het licht te stellen. Maar het is niet hetzelfde. We begrijpen dat wel, maar je zou zomaar verkeerde conclusies uit zulke vergelijkingen kunnen trekken.
Ik bedoel maar: we lazen zojuist dat JAHWEH is als mijn Rots. Maar dan moet je niet zeggen: "Nou ja, een rots... ik denk aan een liedje van Simon & Garfunkel: 'A rock feels no pain and an island never cries'." Een rots huilt niet en spreekt ook niet. Als je dan zou zeggen: "Hij is mijn Rots, dus Hij praat niet en huilt niet en is zonder gevoel," dan bevraag je zo’n vergelijking te ver. Hij is een Rots waarmee aangegeven wordt: je kunt erop staan, je kunt er werkelijk op bouwen en Hij is onwankelbaar en standvastig. Dat is de vergelijking, en elk ander aspect daarbuiten ligt buiten de vergelijking. Dus dat even gezegd hebbende: "Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem gelijk zou zijn?" Het is dus niet zo dat het identiek is. Het is altijd maar een vergelijking, en eigenlijk wordt dat ook onderstreept door de wijze waarop die zin dan afgesloten wordt: "zegt de Heilige." De term 'heilig' in de Bijbel heeft ook de betekenis van afgezonderd, dat wil zeggen: apart gezet. Het is van een totaal andere orde en dat lijkt mij in dit geval heel evident: God is de Heilige. Dat wil zeggen dat Hij de Gans Andere is. Hij is uniek en van een totaal andere orde dan wat wij ook maar in deze schepping kennen.
U zou er trouwens nog een andere vergelijking bij betrokken kunnen hebben, maar die heb ik bij nader inzien toch maar even geschrapt: "God is als een Vader." Dat zou je ook kunnen zeggen. Maar dat is feitelijk, als je het Bijbels beschouwt, geen vergelijking. Ik kan dat duidelijk maken aan de hand van wat we lezen in Efeze 3, waar het zelfs min of meer expliciet staat. Daar lees je dat Paulus, na geweldige dingen opgetekend te hebben, zijn knieën buigt. Hij zegt in vers 14: "Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle vaderschap in de hemelen en op de aarde genoemd wordt." Ik benadruk dit even, want zo staat het in de meeste vertalingen niet; meestal wordt er gezegd "naar wie alle geslacht" of "alle families" genoemd worden. Maar hier staat eigenlijk gewoon het woord vaderschap. Pater is vader en patria is het vaderschap. Waarom noem ik dat? Omdat hier dus staat dat Gods vaderschap niet een metafoor is die ontleend is aan ons vaderschap. Het is niet zo dat wij hier vaders op aarde kennen, hetzij in de mensenwereld of daarbuiten, en dat we bepaalde eigenschappen daarvan projecteren op God om Hem daarmee te vergelijken. Hier staat eigenlijk precies het omgekeerde: elk vaderschap, of dat nu hier op aarde is of zelfs in de hemelen, wordt genoemd naar het vaderschap van God.
Met andere woorden: het vaderschap van God is het origineel. Wat wij hier als vaders kennen — het begrip vaderschap — is eigenlijk een projectie van of ontleend aan het origineel. God is de echte Vader en wat wij hier als vaderschap kennen, is daaraan ontleend. Dus feitelijk drukken we met het woord Vader Zijn wezen uit in de relatie tot Zijn schepselen. Het is wel relatief, want een vader zonder kind bestaat natuurlijk niet, maar Hij is het origineel. Hij is de Bron, Hij is degene die zorgdraagt, met alles wat dat verder nog betekent. U ziet: dat is niet direct een vergelijking. Ik wil daar eigenlijk graag met jullie nog eens over doordenken aan de hand van de Bijbel en enkele schriftplaatsen daarover bezien; over deze waarheid dat God onvergelijkbaar is.
Het Verbod op Beelden en Christus als het Ware Icoon ↑ hoofdstukken
En dat is ook de reden waarom we in de beroemde tien woorden die God ooit aan Israël gaf, deze dingen lezen. In Exodus 20 staat in vers 4, dat is het tweede gebod – het eerste gebod is: 'Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben' – en dan is het tweede woord wat klinkt: 'Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.' En dan staat er ook nog bij: 'Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen.' Het hele idee achter dit gebod is dat God zich niet laat afbeelden. De mens zou geen beeld van God maken, want elk beeld dat wij van Hem maken, doet per definitie tekort aan wie Hij is. Het suggereert dat wij van Hem een voorstelling kunnen maken, maar dat kan helemaal niet, want Hij is onvergelijkbaar. Met wie dan wilt u God vergelijken? Daarom wordt het ook uitdrukkelijk verboden dat een mens zich een beeld van God maakt.
Er zit nog een diepere reden achter, namelijk dat God Zichzelf een beeld maakt of een beeld presenteert. Dat lezen we eigenlijk al op de eerste bladzijde van de Bijbel: dat de mens gemaakt wordt naar het beeld van God. In feite zit daar heel veel aan vast, maar het betekent ook dat de mens – ik weet dat een heleboel mensen daar anders over denken – feitelijk geen beeld van God is. Dat wordt wel heel vaak gezegd: we zijn allemaal beeld van God. Maar er is er slechts Eén die het beeld is van God. Je leest dat over de Heer Jezus Christus op diverse plaatsen. Ik heb de teksten erbij vermeld voor de degenen die dat toch eens willen nazoeken en checken: in 2 Korinthe 4, maar ook in Kolossense 1. Daar lees je dat Hij, de Zoon van Gods liefde, het beeld is, het ikoon is van de onzienlijke God.
De mens heeft natuurlijk wel behoefte aan een beeld, want God is de Onzienlijke. Maar God presenteert Zich wel en laat Zich ook representeren. Wij zouden geen beeld van God maken; God zegt: 'Ik maak Mij een beeld.' In feite is de mens naar dat beeld al gemaakt. Eigenlijk is het zo dat toen Adam geformeerd werd, had God de laatste Adam al op het oog: Hij die zou komen. Feitelijk werd Adam dus gemaakt naar de Komende. Hij wordt in Romeinen 5 ook een beeld van de Komende genoemd. Dus het werkt eigenlijk naar twee kanten toe. Je zou de vraag kunnen stellen: wie was nu eigenlijk de eerste Adam? Als Adam gemaakt werd naar het beeld van de Komende, namelijk de laatste Adam, wie was er dan eerder? In feite was de tweede er eigenlijk eerder. God had Hem op het oog, de laatste Adam, de Heer Jezus Christus, die opgewekt is uit de doden. Hij representeert God. Als je wilt weten wie God is en hoe Hij is, dan zou je Hem zien. En het is ook zo dat als God verschijnt – wat niet zo onmogelijk is aangezien Hij de Onzienlijke is – dan doet Hij dat via Hem, Zijn ikoon, Zijn gestalte. Dat is de geweldige heerlijkheid van de Heer Jezus Christus. Het onderstreept precies waar de Bijbel altijd zo de nadruk op legt: God is onvergelijkbaar en God is de Onzienlijke, en een mens zou zichzelf geen beeld maken.
Later neem ik u ook nog even mee naar Handelingen 17. Daar lees je dat Paulus in Athene is en op de Areopagus staat. Hij komt daar in aanraking met allerlei filosofische scholen, zoals de Epicureërs en de Stoïcijnen – namen die tegenwoordig nog steeds opgeld doen. Hij is daar in discussie met zulke lui en dan wordt hem op een gegeven ogenblik gevraagd om te vertellen wat hij te melden heeft. Nou, dat hoeft u hem niet twee keer te vragen. Paulus steekt van wal en wat hij dan doet, is hen in eerste instantie confronteren met de God die de Schepper is van hemel en aarde. Dat moet ik er even bij zeggen, want dat is heel apart; in de meeste vertalingen komt dat niet echt uit de verf. Hij doet dat naar aanleiding van het feit dat hij in Athene – zo begint zijn toespraak ook – een gigantische hoeveelheid beelden van goden had gezien, met alle diverse namen die daarbij horen. Hij begint eigenlijk met het maken van een compliment: 'Jullie hebben enorm veel ontzag voor God, voor goden of voor het goddelijke.' Hij zegt: 'Maar nu kwam ik ook nog een lege sokkel tegen, niet een beeld, maar een lege sokkel met een inscriptie: "Aan de onbekende God".'
Het idee is – en dat is eigenlijk heel logisch – dat je een onbekende God verder niet kunt uitbeelden, vandaar ook die lege sokkel. De gedachte daarachter was: we hebben zoveel goden, maar wellicht zijn we er ook nog eentje vergeten. Voor de zekerheid hebben we dan toch in ieder geval ter ere van die God die we vergeten zijn en die we niet kennen, deze lege sokkel gewijd. Paulus vliegt dat prachtig aan en zegt: 'Die God die jullie niet kennen, die verkondig ik jullie.' Hij gaat dan vertellen dat dit de God is die hemel en aarde gemaakt heeft. In vers 29 lees ik verder: 'Daar wij dan van Gods geslacht zijn...' Hij had zojuist ook een van hun dichters aangehaald en verteld dat wij uit God voortkomen; God is Vader. Omdat wij uit God voortkomen, zegt hij erbij: 'Moeten wij niet menen dat de godheid lijkt op goud of zilver of steen, door menselijke kunstvaardigheid gesneden of bedacht.'
Dat laatste vind ik ook boeiend. Zoals ik het begrijp, bedoelt hij daarmee te zeggen: je kunt beelden maken van goud, zilver en met allerlei kunstvaardigheid snijden, maar je kunt ze ook gewoon bedenken. Feitelijk zijn wij daar veel vertrouwder mee: met beelden van God in abstracte zin, wat dan gewoon denkbeelden zijn. Ook dat zijn beelden die je in je gedachten vormt, maar die per definitie afbreuk doen aan wie God is. Vandaar ook dat God zegt: 'Je moet je geen beeld maken.' Dat is eigenlijk de boodschap aan de hele mensheid: maak je geen beeld van Mij. Dat wat Ik te melden heb over wie Ik ben, dat doe Ik zelf. Hij heeft gesproken en Hij heeft het laten optekenen. En Hij heeft Hem gezonden, die ook het vlees geworden Woord van God Zelf is. Wil je weten wie Hij is? Zie Hem! Hij is dus dat beeld dat God Zichzelf heeft gemaakt. Ik wil daar trouwens nog een aspect aan toevoegen.
Menselijke Moraal Is op de Schepper Niet van Toepassing ↑ hoofdstukken
Dat is, denk ik, in dit verband ook heel belangrijk. God laat zich niet vergelijken; Hij is in geen enkele vergelijking in te passen, omdat per definitie alles daarin aan Hem tekortdoet. Dat geldt ook voor allerlei morele kwalificaties. Ik zal duidelijk maken wat ik ermee bedoel. Ik heb een drietal teksten die ik langs wil gaan om te laten zien hoe gemakkelijk je jezelf daarin kunt verliezen en God op het niveau brengt van Zijn creaties.
In Job 1 lees je dat hem eigenlijk zo’n beetje alles wordt afgenomen. Later, in Job 2, lees je dat ook zijn gezondheid nog wordt aangetast. De ene na de andere jobstijding — dat is in dit verband wel een toepasselijk woord — komt op hem af. Hij krijgt te horen dat al zijn bezittingen en ook al zijn kinderen hem zijn ontnomen. De ene boodschapper na de andere kwam bij hem; hij was al zijn bezit kwijt, terwijl hij gigantisch rijk was. Zijn kinderen waren ook nog eens allemaal omgekomen bij een feest. Als Job dat te horen krijgt, terwijl de ene na de andere boodschapper binnenkomt om het te melden, dan lees je wat Job zegt in vers 21: "Jahweh heeft gegeven en Jahweh heeft genomen."
Je moet je goed realiseren wat hij daarmee zegt. Het is Jahweh die het hem ooit heeft gegeven: een grote familie, maar ook een enorme rijkdom. Hij was een steenrijk man in zijn dagen. Hij zegt: Hij is Degene die het gegeven heeft, maar Hij is ook Degene die het genomen heeft. De reden dat ik dit aanhaal, is omdat wij heel gemakkelijk in menselijke termen zouden zeggen: "Kijk eens wat een mens wordt aangedaan." Als je een mens zou aandoen wat je leest in Job 1 — dat al zijn bezit en al zijn kinderen worden afgenomen — dan zou je zeggen dat dit pure misdrijven zijn: diefstal, roversbenden. Dat was trouwens letterlijk ook wat er gebeurd was. Maar Job zegt niet dat mensen dat hebben gedaan, hoewel mensen daar in feite wel voor waren gebruikt. Job bekijkt het op een heel ander, veel hoger niveau. Hij zegt: het is uiteindelijk God Zelf die deze dingen heeft gegeven, maar ook weer heeft genomen.
Wat ik hiermee wil zeggen is: als je God naar het niveau van de mens brengt, dan zou je kunnen zeggen: "O, maar dan is God in feite schuldig aan alles wat Job is overkomen." Is dat waar? Is God daar schuldig aan? Dat is een moeilijke vraag. Want als je zegt: "Nee, Hij is niet schuldig, want God kán niet schuldig zijn", dan is dat waar. Maar God is wel Degene die het gedaan heeft. Tenminste, dat is wat Job zelf verklaart.
Trouwens, in het tweede hoofdstuk lees je dat ook. Op een gegeven moment komt zijn vrouw bij hem en zij zegt: "Zeg God vaarwel joh, zegen God." En dan geeft Job dit antwoord: "Zouden wij het goede van Hem aannemen en het kwade niet?" Nu zou je nog kunnen zeggen: "Ja, dat zijn de uitlatingen van Job, maar dat betekent niet dat het juist was." Maar jawel, de tekst staat er precies achter: "In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet." Met andere woorden: hij sprak de waarheid. Dus in dat grote verdriet dat hem was overkomen — ik geef toe, later lees je dat hij de dag van zijn geboorte vervloekt en dat het hem allemaal teveel wordt — is dit in eerste instantie zijn reactie in geloof en in vertrouwen.
Dus de vraag is: is God schuldig aan het feit dat Hij genomen heeft? Nee, natuurlijk niet. Integendeel, Job zegt: "Hij, Jahweh, de ene God, heeft gegeven en Hij heeft ook weer genomen, en de naam van Jahweh zij geloofd." God is daar niet schuldig aan, of van mijn part medeplichtig. Nee, want God is geen mens. Zo uniek als Hij is in Zijn vermogen om te geven, zo uniek is Hij ook in Zijn recht om te nemen. Job erkent dat en hij zegt: "De naam van Jahweh zij geloofd." God is daar niet schuldig aan. Job wist: het is God Zelf die dit doet en aandoet. Hij is de Regisseur daarvan, de Auteur zo je wilt. Hij schrijft het script en Job had alle vertrouwen dat God wel weet wat Hij doet.
Later in het boek zie je dat heel mooi uitkomen als God Zelf het woord neemt. Hij geeft geen antwoord op de vragen, maar stelt feitelijk alleen maar de vraag aan Job: "Wie ben jij nou eigenlijk? Weet jij wat Ik weet? Kun jij wat Ik kan?" Dan gaat Hij dat allemaal beschrijven en dan kan Job niet anders dan de hand op zijn mond leggen en zeggen: "Ja Heer, ik weet dat U alles vermag." Zo sluit het boek uiteindelijk af: "Ik weet dat U alles vermag en dat geen van Uw plannen wordt vereideld." Gods weg is volkomen... we zingen het toch wel eens? Dat is niet zomaar een vrome dooddoener; het is de waarheid. Het is echt een rots waar je op kunt staan en bouwen. Zijn weg is de beste. Altijd. Daarom zegt Job: "De naam van Jahweh zij geloofd." Hij geeft, Hij neemt, maar Hij maakt geen fouten. Dat is het unieke: Hij is God! Hij plaatst alle dingen en overziet de zaken waar wij geen idee van hebben.
Ik heb nog een schriftplaats die een soortgelijke waarheid, eigenlijk dezelfde waarheid, naar voren brengt in dit verband. We lezen in de geschiedenis dat Mozes geroepen wordt bij de brandende braamstruik om zijn volk te leiden bij de uittocht. Mozes sputtert in aanvang wat tegen en zegt: "Ja, ik kan helemaal niet praten." En dan zegt de Heer tegen hem: "Wie heeft de mens een mond gegeven?" Ook weer zo’n retorische vraag. Ja, wie heeft dat gedaan? Uiteraard Hij. "Wie maakt stom of doof, ziende of blind? Ben Ik het niet, Jahweh?"
Hij is de Ene die het vermogen geeft. Er staat in de Spreuken zo'n prachtig woord: "Het oog dat ziet en het oor dat hoort, beide heeft Jahweh gemaakt." Dat is geen mensenwerk. Maar het geldt positief én negatief, want dat is waar het hier over gaat. Wie maakt stom, dat wil zeggen: wie ontneemt het vermogen om te spreken? Wie ontneemt het vermogen om te verstaan of te zien? Wel, dat is er maar Eén, en dat is wat God hier ook tegen Mozes zegt: "Ben Ik het niet, Jahweh?"
Ik bedoel hiermee te zeggen: als een mens een ander doof, blind of stom zou maken, of het vermogen om te spreken zou ontnemen, dan zijn dat ronduit misdrijven waarvoor je jarenlang in de gevangenis terechtkomt. Dat zijn gewoon misdaden. Als je zulke morele kwalificaties die je op de mensheid plakt, ook op God zou plakken — zulke etiketten — dan maak je een beeld van God en trek je Hem naar het niveau van de mens. Maar het is Jahweh Zelf die deze dingen doet. Het geldt dus positief: Hij geeft een mond om te spreken en maakt ziende, maar Hij maakt ook blind.
Ik wilde in dit verband ook wijzen op die prachtige geschiedenis in Johannes 9 over de blindgeborene. Die man was inmiddels volwassen. Kent u die geschiedenis? Kort samengevat: de discipelen lopen de tempel uit samen met de Heer Jezus en dan zien ze die man zitten die vanaf zijn geboorte blind was. Ze vragen: "Wie heeft er gezondigd? Deze man of misschien zijn ouders? Hoe komt het dat hij blind is?" En dan lees je het magistrale antwoord dat de Heer Jezus geeft: "Noch deze, noch zijn ouders hebben gezondigd." Tenminste, dat is niet de reden waarom hij blind geboren is. "Maar opdat de werken van God in hem openbaar zouden worden..."
Daarom is hij blind. De werken van God zouden in hem openbaar worden. Die man is dus tientallen jaren blind. Waarom? Omdat God een werk aan hem wilde doen en God maakt altijd gebruik van contrast. Om Zijn licht te laten zien, heeft Hij een donkere achtergrond nodig. Dit is zo’n geweldig goddelijk antwoord op de hele vraag naar het kwaad, de ellende en het lijden in de wereld: God creëert contrast, juist ook opdat Hij Zijn werken zou openbaren.
En Zijn werk is nog niet af. Elk oordeel dat wij nu geven over hoe de gang van zaken in de wereld is, is dan ook met recht een vooroordeel. Dan praten we voor onze beurt. Gods werk is nog niet klaar. Je gaat een boek toch ook niet beoordelen als je halverwege bent? Nee, pas aan het einde mag je iets zeggen over het resultaat. En als Gods werk af is, dan zal elke knie buigen en elke tong zal Hem erkennen. Wat een geweldige God is Hij. De werken van God moeten daarom openbaar worden, en Hij maakt geen fouten.
Ik heb er nog één, uit 1 Samuël 2. Daar lees je dat Hannah in de geschiedenis van Samuël te horen heeft gekregen dat ze een zoon zou krijgen. Ze was onvruchtbaar, maar ze zou een zoon krijgen: Samuël. Dan lees je dat ze een lofzang dicht of zingt, en in 1 Samuël 2 vers 6 staat: "Yahweh doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen. Yahweh maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij."
Met andere woorden: alles is in Zijn hand. En ook hier zeg ik weer: God doodt, maar Hij is geen moordenaar. God neemt en Hij maakt arm, maar Hij is geen dief. Ziet u hoe morele oordelen niet op God van toepassing zijn? Hij is onvergelijkbaar, Hij is namelijk God. Ik vind het trouwens geweldig om daaraan te denken. Waarom is God geen moordenaar? Wel, God heeft het vermogen om weer te doen herleven, en dat is wat geen mens kan. Waarom is het doden van een ander zo’n misdrijf voor een mens? Omdat wij niet het vermogen hebben om de ander weer levend te maken. Stel je voor dat je dat vermogen wel zou hebben, dan waren moorden helemaal niet zo erg geweest – of in ieder geval niet van de orde waarin de dood voor ons nu een grens is waar een mens niet voorbij kan komen.
Maar God is degene die dood en leven in Zijn hand heeft. Hij doodt, maar Hij doet ook weer herleven. Hij heeft het vermogen om de doden weer te doen herleven en sterker nog: Hij doet dat ook. Ik denk er heel vaak aan en ik loop graag... het is misschien een rare gewoonte, maar ik loop graag op begraafplaatsen. Ik vind het boeiend om al die verhalen op die stenen te lezen. Het is het lot van elk mens; we zijn stervelingen. Als je erover nadenkt, is de hele wereld eigenlijk één grote begraafplaats. Maar al die mensen die daar liggen, gaat God op Zijn tijd doen herleven. God geeft geen verantwoording over waarom Hij de dingen doet zoals Hij ze doet, wanneer Hij ze doet of hoe Hij ze doet. Nee, maar Hij doet het.
Op Zijn tijd klinkt die tekst die al heel dikwijls heeft geklonken en nog vaak zal klinken: "In Adam sterven allen, zo zullen in Christus ook allen worden levend gemaakt." Ze zullen herleven, worden gericht en werkelijk levend worden gemaakt, zoals ooit Christus levend werd gemaakt. Dat is Yahweh. Zie je? Hij is van een totaal unieke orde. Hij doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen. Dat is wat geen mens, geen creatuur kan.
De Auteur van het Script: Onze Ernst Is Gods Spel ↑ hoofdstukken
En waar we dan ook eigenlijk mee te maken hebben als je deze dingen overdenkt, is dat wat voor ons zo’n enorme ernst is, voor God spel is. Ik moet er trouwens meteen bij zeggen: ook dat is weer een vergelijking. Maar het idee is vooral dat waar wij zo serieus en ernstig over doen omdat we aanlopen tegen ons eigen onvermogen en onze muren – ik had het net over de dood, een mens kan daar niet voorbij komen – God daar wel voorbij komt. God is de Totaal Andere.
Nog niet zo lang geleden stuitte ik op een tekst in Psalm 104 die ik erg mooi vind. Daar wordt in poëtische termen gesproken over de God die Zijn glorie laat zien in de schepping. In vers 25 staat, het is zomaar een korte passage eruit: "Daar is de zee, groot en wijd uitgestrekt, waarin gewemel is zonder tal, kleine zowel als grote dieren." Je ziet het als het ware voor je als je even je ogen dichtdoet. "Daar gaan de schepen, en de Leviatan die Gij geformeerd hebt." Als je wat meer wilt weten over die Leviatan: er wordt bijna een heel hoofdstuk aan gewijd in datzelfde boek waar we het net over hadden, Job 41. Ik moet er wel bij zeggen dat de vertaling – tenminste de NBG-vertaling – zegt dat het een krokodil is, maar dat kunnen we wel vergeten. Dat klopt van geen kant. Er staat gewoon 'Leviatan' en ik denk dat het een uitgestorven dinosaurus is. Daar gaan we het nu verder niet over hebben, maar het is in ieder geval niet iets mythisch; het is niet iets wat de mens bedacht heeft. Het is iets wat God geformeerd heeft.
Je leest in Job 41 ook: "Zijns gelijke is er op de aarde niet, een schepsel zonder vrees." Ik denk dat het een of andere dinosaurus is geweest. Ik heb laatst in het boek 'De Ark in de Branding' nog wat over gelezen. Men zegt dan dat het een soort mosasaurus was, een meter of twintig lang en een verschrikkelijk dier om te zien, waar ook nog allerlei resten van zijn gevonden. Trouwens ook in Maastricht, wist u dat? De maashagedis, ja, zo was het: de maashagedis. Ik geef het door voor wat het waard is, maar als je de beschrijving volgt en kijkt welk dier daarvoor in aanmerking komt, dan zou het zomaar die geweest kunnen zijn. Tienduizend kilo was hij zwaar. Ineens denk ik: ik hoef eigenlijk helemaal niet te lijnen... Ja, zoiets. Maar goed, zijns gelijke is er niet op aarde.
Waar het mij eigenlijk om gaat, is dat de Leviatan, de grootste en meest schrikwekkende creatie die men ooit op aarde is tegengekomen, daar staat nog bij: "De Leviatan die Gij geformeerd hebt om ermee te spelen." Dat woordje 'spelen' is verwant aan de naam Jitschak, Isaac. Hij heeft er gewoon schik in; het is amusement. Een dier waar een mens zoveel ontzag voor heeft, de grootste creatie die hier op aarde ooit gewandeld of gezwommen heeft, is voor Hem gewoon een speeltje. Kijk, dat zijn de ordes waar we het over hebben. Dat is onze God.
Daar zijn heel veel voorbeelden van te geven. Denk maar aan de mens die iets gigantisch gemaakt had, of dat tenminste van plan was, daar in Babel, in de vlakte van Siniar in Mesopotamië. Je leest dat de mens zijn plannen uiteenzet om een toren te maken die reikt tot in de hemel. En dan lees je, echt als humor: "Toen daalde JAHWEH neder om de stad en de toren die de mensenkinderen bouwden te bezien." Dat is pure spot natuurlijk. De Heer moest nederdalen om die 'hoge' toren überhaupt te kunnen zien. De spot vliegt er van alle kanten vanaf. Dat is ook de gedachte die je in Psalm 2 vindt. Daar lees je over een complete wereldoorlog bij Jeruzalem die straks gaat plaatsvinden, waarbij alle volkeren samentrekken tegen de Vorst die God daar heeft gezet, de Messias in Jeruzalem. En dan staat er bij zoveel ernst – want ik vind een wereldoorlog in menselijke termen best een serieus ding – "Die in de hemel zetelt, lacht; JAHWEH spot met hen." Voor Hem is het een speeltje.
God is de fundamentele waarheid. Hij is de Schepper, de grote Creator die alles plaatst. Hij is de Auteur van heel het script – ik zet het weer even tussen aanhalingstekens omdat het vergelijkingen zijn – maar Hij is de Auteur van goed en kwaad. Van den beginne had Hij al de afloop vermeld. In feite zie je in Genesis 1 al de hele schepping en de afloop daarvan beschreven; het is pure profetische waarheid. Het is geweldig om daaraan te denken. Want ja, wat doet een auteur die een roman schrijft? Je hebt de 'good guy' en de 'bad guy'. Er wordt een moord gepleegd en dan stel je de vraag: wie is er schuldig aan de moord die een personage in de film heeft begaan? In zo'n boek of film wordt dat allemaal verhaald: de oorsprong, hoe het zo gekomen is en hoe de mens daarmee omgaat. Zo iemand wordt op de elektrische stoel gezet; zo gaat de mens daarmee om. Maar als je de vraag stelt: hoe komt het dat die 'bad guy' de slechterik is? Dan is het uiteindelijke antwoord natuurlijk: de auteur van het script. Die heeft dat zo bepaald.
Maar is daarmee de schrijver van het boek of het script schuldig aan de moord in het boek of in de film? U zegt: dat is bizar, nu haal je twee dingen door elkaar. Ja, dat doe je ook. Het doet me denken aan vroeger, toen ik nog jong was en bij mijn neef naar een spannende film op tv keek. Mijn oom, de vader van mijn neef, zei op het moment dat het echt heel erg spannend werd: "Dat die cameraman nou niet even ingrijpt!" Dat was natuurlijk een enorme anticlimax. Je weet dat het een spel is, maar op dat niveau maken de cameraman en de scriptschrijver daar geen deel van uit. Dat is van een totaal andere orde. Nou, dat is onze God. Hij is de Gans Andere.
Zojuist is er gelezen uit Jesaja 40 en ik wil nu nog een paar verzen uit datzelfde hoofdstuk lezen waarin dezelfde waarheid naar voren gebracht wordt. Als afsluiting staat daar dit, waarbij God Zelf aan het woord is: "Zie, volkeren zijn geacht als een druppel aan een emmer, als een stofje aan een weegschaal. Zie, eilanden zijn als fijn stof dat uitgestrooid wordt." En dan wordt er toegevoegd dat de Libanon met al zijn bossen en wouden van ceders niet toereikend is als brandhout, en zijn wild gedierte niet ten brandoffer. "Alle volkeren zijn als niets voor Hem; zij worden door Hem beschouwd als nietig en ijdel." Ik moet daar wel bijzeggen dat dit niet betekent dat de volkeren voor Hem niets betekenen, of dat ze niet waardevol of kostbaar zijn, of dat het lijden door Hem niet geteld of gewogen wordt, of dat Hij niet meelijdt. Nee, het idee is: het is zo klein voor Hem. Dat wil zeggen: Hij overtreft alles. Alle volkeren tezamen, hoe zou je dat ooit met Hem kunnen vergelijken?
UltimateGoodNews